NL9002038A - Grondbewerkingsorgaan. - Google Patents
Grondbewerkingsorgaan. Download PDFInfo
- Publication number
- NL9002038A NL9002038A NL9002038A NL9002038A NL9002038A NL 9002038 A NL9002038 A NL 9002038A NL 9002038 A NL9002038 A NL 9002038A NL 9002038 A NL9002038 A NL 9002038A NL 9002038 A NL9002038 A NL 9002038A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- soil
- bore
- member according
- tillage
- holder
- Prior art date
Links
- 239000002689 soil Substances 0.000 claims description 92
- 238000003971 tillage Methods 0.000 claims description 67
- 238000007789 sealing Methods 0.000 claims description 3
- 238000005553 drilling Methods 0.000 claims 1
- 230000002349 favourable effect Effects 0.000 description 2
- 230000001681 protective effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01B—SOIL WORKING IN AGRICULTURE OR FORESTRY; PARTS, DETAILS, OR ACCESSORIES OF AGRICULTURAL MACHINES OR IMPLEMENTS, IN GENERAL
- A01B33/00—Tilling implements with rotary driven tools, e.g. in combination with fertiliser distributors or seeders, with grubbing chains, with sloping axles, with driven discs
- A01B33/08—Tools; Details, e.g. adaptations of transmissions or gearings
- A01B33/14—Attaching the tools to the rotating shaft, e.g. resiliently or flexibly-attached tools
- A01B33/146—Attaching the tools to the rotating shaft, e.g. resiliently or flexibly-attached tools the rotating shaft being oriented vertically or steeply inclined
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Soil Working Implements (AREA)
Description
GRONDBEWERKINGSORGAAN
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een grondbewerkingsorgaan, in het bijzonder voor een grondbewer-kingsmachine zoals een rotorkopeg, voorzien van een houder waarin ten minste één eerste boring is aangebracht en van ten minste één grondbewerkingselement dat in de eerste boring kan worden vastgezet, in welke houder voorts een tweede boring is aangebracht voor het aanbrengen van een bevestigingselement met behulp waarvan het grondbewerkingselement in de houder kan worden vastgezet.
Dergelijke grondbewerkingsorganen zijn bekend; daarbij bevindt zich de tweede boring in een richting loodrecht op die van de eerste boring en wordt het grondbewerkingselement vastgezet door een zijwaarts in te brengen bout, spanstift, of dergelijke.
De uitvinding beoogt een in constructief opzicht ten opzichte van de bekende grondbewerkingsorganen gunstige bevestiging van het grondbewerkingselement in de houder. Overeenkomstig de uitvinding heeft daartoe het grondbewerkingsorgaan zoals dit in de aanhef is omschreven, het kenmerk, dat het bevestigingselement zodanig is aangebracht dat het een in de lengterichting van de eerste boring werkzame kracht op het grondbewerkingselement kan uitoefenen. In het bijzonder is het grondbewerkingselement aan het in de houder aangebrachte deel voorzien van een aanslagvlak waarop de door het bevestigingselement uitgeoefende kracht werkzaam is.
Het is voorts bekend om een op een grondbewerkingselement uit te oefenen kracht in de lengterichting van de eerste boring te realiseren door het grondbewerkingselement geheel door de desbetreffende boring te leiden en aan het aan de bovenzijde van de houder uitstekende gedeelte hiervan vast te zetten met behulp van een moer; daarbij is het voor de afscherming van gewas gewenst en gebruikelijk een opstaande beschermingsrand of een opstaand plaatje of kapje aan te brengen, waardoor echter een extra afstand wordt geschapen tussen de bovenzijde van het grondbewerkingsorgaan en de onderzijde van het gestel van de grondbewerkings-machine. In een concrete uitvoeringsvorm overeenkomstig de uitvinding verloopt de tweede boring vanaf de buitenzijde van de houder schuin omhoog in de richting van het uiteinde van het in de houder aangebrachte deel van het grondbewerkings-element en mondt de tweede boring uit in de eerste boring. De op het grondbewerkingselement uitgeoefende kracht heeft op deze wijze een opwaarts gerichte component in de lengterichting van de eerste boring. Het grondbewerkingselement behoeft daarbij niet aan de bovenzijde uit de houder te steken en het grondbewerkingsorgaan kan derhalve dichter onder het gestel van de grondbewerkingsmachine worden aangebracht, waardoor bij gelijkblijvende lengte van het grondbewerkingselement de belasting van dit grondbewerkingselement minder wordt en dus de levensduur hiervan langer, of bij een gelijkblijvende belasting van het grondbewerkingselement dit element langer kan worden uitgevoerd.
In een gunstige uitvoeringsvorm overeenkomstig de uitvinding is het grondbewerkingsorgaan zodanig uitgevoerd dat, wanneer het grondbewerkingselement in de eerste boring is aangebracht, het aanslagvlak zich bevindt voor de uitmonding van de tweede in de eerste boring. In het bijzonder verloopt het aanslagvlak volgens een vlak loodrecht op de lengterichting van de tweede boring.
Opdat de component van de op het aanslagvlak werkzame kracht in de richting van de eerste boring voldoende groot zal zijn, verloopt de tweede boring onder een hoek ten opzichte van de lengterichting van de eerste boring, die is gelegen in een hoekinterval van 20 - 70° en bij voorkeur in een hoekinterval van 40 - 50°. De op het aanslagvlak uit te oefenen kracht kan overeenkomstig de uitvinding op eenvoudige wijze worden gerealiseerd door als bevestigingselement een in de tweede boring te draaien bout met borgmoer te gebruiken .
Om een vaste bevestiging van het grondbewerkingselement in de houder te realiseren, wordt het grondbewerkingselement overeenkomstig de uitvinding passend omsloten door de eerste boring. Om daarbij de omhoog gerichte component van de op het aanslagvlak werkzame kracht zoveel mogelijk effect te laten sorteren, bezit de eerste boring, overeenkomstig de uitvinding, een taps omhoog, in de richting van het uiteinde van het in de houder aangebrachte deel van het grondbewerkingselement verlopend gedeelte. Voorts bezit de eerste boring een op het taps verlopende gedeelte verder omhoog lopend cilindrisch gedeelte. Door het taps verlopende gedeelte zich niet te laten uitstrekken over de volledige of nagenoeg volledige lengte van de eerste boring, wordt een goede bevestiging van het grondbewerkingselement in de houder bereikt bij een slechts geringe verdraaiing van het bevesti-gingselement in de tweede boring. In een concrete uitvoeringsvorm mondt de tweede boring uit in het cilindrische gedeelte van de eerste boring.
Om na het losdraaien van het bevestigingselement het grondbewerkingselement op gemakkelijke wijze uit de houder te verwijderen, strekt de eerste boring zich, overeenkomstig de uitvinding, geheel door de houder heen uit. Bij voorkeur is de houder daarbij aan de bovenzijde voorzien van een uitsparing voor een, rond het in de houder aangebrachte grondbewerkingselement aan te brengen afdichtring.
Om een juiste positionering van het grondbewerkingselement in de houder te verkrijgen, is de houder, overeenkomstig de uitvinding, aan de onderzijde voorzien van uitsparingen voor zich aan het grondbewerkingselement bevindende nokken.
In een praktische uitvoering, in het bijzonder wanneer het grondbewerkingsorgaan wordt toegepast in een i rotorkopeg, zijn, overeenkomstig de uitvinding, in de houder twee eerste boringen aangebracht,- welke aan weerszijden op gelijke afstand van de rotatieas van het grondbewerkingsorgaan zijn gelegen en zijn per grondbewerkingsorgaan twee in deze eerste boringen aangebrachte grondbewerkingselementen aanwezig, waarvan elk door een desbetreffend, in een bijbehorende tweede boring aangebracht bevestigingselement is vastgezet. Hierbij zijn de hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen gelegen in onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas gelegen vlakken. In het bijzonder divergeren de hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen onderling onder een hoek van 5 - 15°, bij voorkeur omstreeks 8°, ten opzichte van de rotatieas. Het is daarbij voorts gunstig dat de tweede boringen ten opzichte van de bewegingsrichting van de grondbewerkingselementen aan de achterzijde van de houder in de houder zijn aangebracht. Hierdoor wordt voorkomen dat gewas aan de uit de houder stekende delen van de bevestigingselementen blijft zitten. Het is daarbij in het bijzonder van voordeel wanneer de tweede boringen zijn aangebracht onder een hoek van 10 - 20°, bij voorkeur omstreeks 15°, ten opzichte van de onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas gelegen vlakken waarin de hartlijnen van de eerste boringen zijn gelegen, en wel in de richting van de rotatieas.
Behalve op een grondbewerkingsorgaan zoals hiervoor is omschreven, heeft de onderhavige uitvinding verder betrekking op een grondbewerkingselement zoals dit is toegepast in een dergelijk grondbewerkingsorgaan, op een houder voor ten minste één grondbewerkingselement zoals dit is toegepast in een dergelijk grondbewerkingsorgaan en op een grondbewerkingsmachine, in het bijzonder een rotorkopeg, voorzien van een dergelijk grondbewerkingsorgaan.
De uitvinding zal nu verder uiteen worden gezet aan de hand van de bijgaande tekening.
Figuur 1 geeft in bovenaanzicht een grondbewerkingsmachine weer, waarin het grondbewerkingsorgaan overeenkomstig de uitvinding kan worden toegepast;
Figuur 2 toont een zijaanzicht van een grondbewerkingselement, zoals dit is toegepast in het grondbewerkingsorgaan overeenkomstig de uitvinding;
Figuur 3 toont in bovenaanzicht de houder van het grondbewerkingsorgaan overeenkomstig de uitvinding, welke houder geschikt is voor het aanbrengen van twee grondbewerkingselementen;
Figuur 4 geeft een gedeeltelijke doorsnede weer van het grondbewerkingsorgaan overeenkomstig de uitvinding, in welke doorsnede is aangegeven hoe een grondbewerkings- element in de houder kan worden vastgezet.
De uitvinding is niet beperkt tot de in de figuren weergegeven uitvoeringsvorm; deze dient slechts ter illustratie van de uitvinding.
De in figuur 1 in bovenaanzicht afgebeelde grond-bewerkingsmachine is uitgevoerd als rotorkopeg en geschikt voor de bereiding van een zaaibed. De machine omvat een kokervormig gesteldeel 1, dat zich dwars op de voortbewe-gingsrichting A uitstrekt, in welk gesteldeel 1 op onderling gelijke afstand van bij voorkeur 25 cm de assen 2 van grond-bewerkingsorganen 3 zijn gelegerd, welke assen 2 zich in opwaartse, bij voorkeur verticale richting, uitstrekken. De einden van het kokervormig gesteldeel 1 zijn afgesloten door middel van zich in de voortbewegingsrichting A uitstrekkende opstaande platen 4, die althans nagenoeg evenwijdig lopen aan een verticaal vlak in de voortbewegingsrichting. Nabij de voorzijde is elk van de platen 4 voorzien van een dwarsas 5, een en ander zodanig dat de langshartlijnen van de assen 5 in eikaars verlengde zijn gelegen. Om elk van de assen 5 is een zich langs de binnenzijde van een plaat 4 naar achteren uitstrekkende arm 6 verzwenkbaar. Tussen de vrije achteruiteinden van de armen 6 is vrij draaibaar een rol 7 aangebracht, welke rol in dit uitvoeringsvoorbeeld is uitgevoerd als pakkerrol, doch die eveneens kan zijn uitgevoerd als een kooirol. Elk van de assen 2 voor een grondbewerkingsorgaan 3 is binnen het gesteldeel 1 voorzien van een (niet afgebeeld) tandwiel met rechte vertanding, welke tandwielen met elkaar in aandrijvende verbinding staan. Elk van de assen 2 is aan de onderzijde door middel van een in een legerhuis ondergebracht kogelleger in het gesteldeel 1 ondersteund. De as 2 van een in of nabij het midden gelegen grondbewerkingsorgaan 3 is naar boven verlengd en reikt tot in een op het gesteldeel 1 aangebrachte tandwielkast 8, waarin de verlenging door middel van een conische tandwieloverbrenging in aandrijvende verbinding staat met een zich in de voortbewegingsrichting A uitstrekkende as, die via een aan de achterzijde van de tandwielkast 8 gelegen toerenvariator in aandrijvende verbinding staat met een as 9. Deze as 9 kan door middel van een tussenas op de gebruikelijke wijze worden gekoppeld aan de aftakas van een trekker.
Elk van de grondbewerkingsorganen 3 omvat een althans nagenoeg horizontale houder 10 die op het einde van een as 2, welke onder uit het gesteldeel 1 steekt, is aangebracht en aan de einden is voorzien van grondbewerkings-elementen 11 in de vorm van tanden welke zich naar beneden toe uitstrekken. In de houder 10 is een eerste boring 12 aangebracht waarin het grondbewerkingselement 11 kan worden vastgezet, alsmede een tweede boring 13 voor het aanbrengen van een bevestigingselement 14 met behulp waarvan het grondbewerkingselement 11 in de houder 10 kan worden vastgezet. Het grondbewerkingselement 3 is aan het in de houder 10 aangebrachte deel voorzien van een door een inkeping verkregen aanslagvlak 15 waarop de door het bevestigingselement 14 uitgeoefende kracht werkzaam is. De tweede boring 13 verloopt vanaf de buitenzijde van de houder 10 schuin omhoog in de richting van het uiteinde van het in de houder 10 aangebrachte deel van het grondbewerkingselement en mondt uit in de eerste boring 12. Wanneer het grondbewerkingselement 11 in de eerste boring 12 is aangebracht, bevindt zich het aanslagvlak 15 vóór de uitmonding van de tweede boring 13 in de eerste boring 12. Het aanslagvlak 15 verloopt daarbij volgens een vlak loodrecht op de lengterichting van de tweede boring 13. Zoals reeds vermeld, verloopt de tweede boring 13 schuin omhoog ten opzichte van de eerste boring 12. De hoek waaronder deze tweede boring verloopt ten opzichte van de lengterichting van de eerste boring, is gelegen in een hoekinterval van 20 - 70° en ligt bij voorkeur in een hoekinterval van 40 - 50°. In het onderhavige uitvoeringsvoorbeeld wordt het bevestigingselement 14 gevormd door een in de tweede boring 13 te draaien bout 16 met een borgmoer 17. De eerste boring 12 bezit een taps omhoog in de richting van het uiteinde van het in de houder 10 aangebrachte deel van het grondbewerkingselement 11 verlopend gedeelte 18 en een hierop aansluitend verder omhoog lopend cilindrisch gedeelte 19, waarbij de tweede boring 13 uitmondt in het cilindrische gedeelte 19 van de eerste boring 12. In het weergegeven uitvoeringsvoorbeeld strekt de eerste boring 12 zich geheel door de houder 10 heen uit. De houder 10 is voorts aan de bovenzijde voorzien van een uitsparing 20 voor een rond het in de houder 10 aangebrachte grondbewerkingselement 11 aan te brengen afdichtring. De houder 10 is aan de onderzijde voorzien van uitsparingen voor zich aan het grondbewerkingselement 11 bevindende nokken 21.
In het onderhavige uitvoeringsvoorbeeld zijn de hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen 12 van een grondbewerkingsorgaan 3 gelegen in onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas 2 gelegen vlakken. De hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen 12 divergeren echter onderling onder een hoek van 5 - 15", bij voorkeur omstreeks 8°, ten opzichte van de rotatieas 2. De tweede boringen 13 zijn ten opzichte van de bewegingsrichting van de grondbewerkingselementen 11 aan de achterzijde van de houder 10 daarin aangebracht en wel in het bijzonder onder een hoek van 10 - 20°, bij voorkeur omstreeks 15° naar binnen toe, dat wil zeggen in de richting van de rotatieas 2, ten opzichte van de onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas gelegen vlakken, waarin de hartlijnen van de eerste boringen 12 zijn gelegen.
Claims (23)
1. Grondbewerkingsorgaan, in het bijzonder voor een grondbewerkingsmachine zoals een rotorkopeg, voorzien van een houder waarin ten minste één eerste boring is aangebracht en van ten minste één grondbewerkingselement dat in de eerste boring kan worden vastgezet, in welke houder voorts een tweede boring is aangebracht voor het aanbrengen van een bevestigingselement met behulp waarvan het grondbewerkingselement in de houder kan worden vastgezet, met het kenmerk, dat het bevestigingselement zodanig is aangebracht dat het een in de lengterichting van de eerste boring werkzame kracht op het grondbewerkingselement kan uitoefenen.
2. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het grondbewerkingselement aan het in de houder aangebrachte deel is voorzien van een aanslagvlak waarop de door het bevestigingselement uitgeoefende kracht werkzaam is.
3. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de tweede boring vanaf de buitenzijde van de houder schuin omhoog in de richting van het uiteinde van het in de houder aangebrachte deel van het grondbewerkingselement verloopt en uitmondt in de eerste boring.
4. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat, wanneer het grondbewerkingselement in de eerste boring is aangebracht, het aanslagvlak zich bevindt voor de uitmonding van de tweede in de eerste boring:
5. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 3 of 4, met het kenmerk, dat het aanslagvlak verloopt volgens een vlak loodrecht op de lengterichting van de tweede boring.
6. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 3, 4 of 5, met het kenmerk, dat de tweede boring onder een hoek verloopt ten opzichte van de lengterichting van de eerste boring, die is gelegen in een hoekinterval van 20 - 70° en bij voorkeur in een hoekinterval van 40 - 50°.
7. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het bevestigingselement wordt gevormd door een in de tweede boring te draaien bout met borgmoer.
8. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het grondbewerkingselement passend wordt omsloten door de eerste boring.
9. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de eerste boring een taps omhoog, in de richting van het uiteinde van het in de houder aangebrachte deel van het grondbewerkingselement, verlopend gedeelte bezit.
10. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 9, met het kenmerk, dat de eerste boring een op het taps verlopende gedeelte verder omhoog lopend cilindrisch gedeelte bezit.
11. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de tweede boring uitmondt in het cilindrische gedeelte van de eerste boring.
12. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de eerste boring zich geheel door de houder heen uitstrekt.
13. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de houder aan de bovenzijde is voorzien van een uitsparing voor een rond het in de houder aangebrachte grondbewerkingselement aan te brengen afdichtring.
14. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de houder aan de onderzijde is voorzien van uitsparingen voor zich aan het grondbewerkingselement bevindende nokken.
15. Grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat in de houder twee eerste boringen zijn aangebracht, welke aan weerszijden op gelijke afstand van de rotatieas van het grondbewerkingsorgaan toegepast in een rotorkopeg zijn gelegen en dat per grondbewerkingsorgaan twee, in deze eerste boringen aangebrachte grond-bewerkingselementen aanwezig zijn, waarvan elk door een desbetreffend, in een bijbehorende tweede boring aangebracht bevestigingselement is vastgezet.
16. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat de hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen zijn gelegen in onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas gelegen vlakken.
17. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat de hartlijnen van de desbetreffende eerste boringen onderling divergeren onder een hoek van ongeveer 5 -15°, en bij voorkeur omstreeks 8°, ten opzichte van de rotatieas.
18. Grondbewerkingsorgaan volgens een der conclusies 15 - 17, met het kenmerk, dat de tweede boringen ten opzichte van de bewegingsrichting van de grondbewerkingselementen aan de achterzijde van de houder daarin zijn aangebracht.
19. Grondbewerkingsorgaan volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat de tweede boringen zijn aangebracht onder een hoek van 10 - 20°, bij voorkeur omstreeks 15°, ten opzichte van de onderling parallelle, symmetrisch ten opzichte van de rotatieas gelegen vlakken waarin de hartlijnen van de eerste boringen zijn gelegen, en wel in de richting van de rotatieas.
20. Grondbewerkingsorgaan volgens één of meer der voorgaande conclusies en/of beschreven en weergegeven in de beschrijving met de bijbehorende figuren.
21. Grondbewerkingselement zoals toegepast in een grondbewerkingsorgaan volgens een der voorgaande conclusies.
22. Houder voor ten minste één grondbewerkingselement zoals toegepast in een grondbewerkingsorgaan volgens een der conclusies 1 - 20.
23. Grondbewerkingsmachine, in het bijzonder rotorkop-eg, voorzien van een grondbewerkingsorgaan volgens een der conclusies 1 - 20.
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL9002038A NL9002038A (nl) | 1990-09-17 | 1990-09-17 | Grondbewerkingsorgaan. |
| EP19910202348 EP0476768B1 (en) | 1990-09-17 | 1991-09-13 | A soil working member |
| DE1991606642 DE69106642T2 (de) | 1990-09-17 | 1991-09-13 | Bodenbearbeitungswerkzeug. |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL9002038A NL9002038A (nl) | 1990-09-17 | 1990-09-17 | Grondbewerkingsorgaan. |
| NL9002038 | 1990-09-17 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL9002038A true NL9002038A (nl) | 1992-04-16 |
Family
ID=19857689
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL9002038A NL9002038A (nl) | 1990-09-17 | 1990-09-17 | Grondbewerkingsorgaan. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP0476768B1 (nl) |
| DE (1) | DE69106642T2 (nl) |
| NL (1) | NL9002038A (nl) |
Family Cites Families (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL7401323A (nl) * | 1974-01-31 | 1975-08-04 | Lely Nv C Van Der | Tandbevestiging voor een grondbewerkingswerk- |
| NL7610045A (nl) * | 1976-09-10 | 1978-03-14 | Lely Nv C Van Der | Grondbewerkingsmachine. |
| NL8204088A (nl) * | 1982-10-22 | 1984-05-16 | Lely Nv C Van Der | Grondbewerkingsmachine. |
| NL8300076A (nl) * | 1983-01-11 | 1984-08-01 | Texas Industries Inc | Grondbewerkingsmachine. |
| GB8630126D0 (en) * | 1986-12-17 | 1987-01-28 | Dowdeswell D | Adjustable cultivator mounting |
-
1990
- 1990-09-17 NL NL9002038A patent/NL9002038A/nl not_active Application Discontinuation
-
1991
- 1991-09-13 DE DE1991606642 patent/DE69106642T2/de not_active Expired - Fee Related
- 1991-09-13 EP EP19910202348 patent/EP0476768B1/en not_active Expired - Lifetime
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP0476768B1 (en) | 1995-01-11 |
| EP0476768A1 (en) | 1992-03-25 |
| DE69106642T2 (de) | 1995-08-31 |
| DE69106642D1 (de) | 1995-02-23 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CA2891703C (en) | Plough comprising a plurality of plough bodies attached to a plough bar | |
| NL8500396A (nl) | Grondbewerkingsinrichting. | |
| NL8004448A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| US4723495A (en) | Single blade sealer for fertilizer applicator | |
| AU2022200609A1 (en) | Improved trasher arrangement and parallelogram mounting system | |
| AT391050B (de) | Kombinationsgeraet zur landwirtschaftlichen bodenbearbeitung | |
| EP0566821B1 (de) | Aufsattel- oder Anhänge-Drehpflug | |
| AT394833B (de) | Landwirtschaftlicher schlepper | |
| NL9002038A (nl) | Grondbewerkingsorgaan. | |
| DE856373C (de) | Hackschlepper mit hochgelagerten, brueckenartig gestalteten Quertraegern der Radgestelle, die durch ein Rahmengestell verbunden sind | |
| NL8001263A (nl) | Landbouwwerktuig, in het bijzonder grondbewerkingsmachine. | |
| DE69406958T2 (de) | Anordnung für die Scharen einer Sämaschine | |
| DE19633119A1 (de) | Landwirtschaftliche Bestellkombination | |
| EP0456771A1 (de) | Halmgutaufnahmevorrichtung | |
| DE8104256U1 (de) | Zusammengeschlossene geraetekombination fuer die landwirtschaft | |
| DE69204489T2 (de) | Landwirtschaftliche Bodenbearbeitungsmaschine mit einem verbesserten Schar für die seitliche Stabilisierung. | |
| DE3326236A1 (de) | Geraetekombination zur bodenbearbeitung und saatbettherrichtung | |
| HU205524B (en) | Tiller particularly deep tiller for machine combination driven from stub axle with tiller arranged behind same | |
| DE2945062A1 (de) | Bodenbearbeitungsmaschine | |
| DE4106811A1 (de) | Kreiselmaehwerk | |
| DE3420124A1 (de) | Arbeitsverfahren und geraetekombination zur landwirtschaftlichen bodenbearbeitung | |
| NL8701878A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| DE4025149A1 (de) | Maschine oder geraet zur bodenbearbeitung, bestellung und ernte, zum raeumen und kehren von strassen, sowie zum planieren und flaechenhaften verfestigen von erdboden und baustoffen | |
| NL8701725A (nl) | Grondbewerkingsmachine. | |
| NL8602972A (nl) | Grondbewerkingsmachine. |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A1B | A search report has been drawn up | ||
| BV | The patent application has lapsed |