NL8103018A - Werkwijze voor de automatische werking van een stoot- inrichting. - Google Patents
Werkwijze voor de automatische werking van een stoot- inrichting. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8103018A NL8103018A NL8103018A NL8103018A NL8103018A NL 8103018 A NL8103018 A NL 8103018A NL 8103018 A NL8103018 A NL 8103018A NL 8103018 A NL8103018 A NL 8103018A NL 8103018 A NL8103018 A NL 8103018A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- drum
- cable
- pulley
- pile driver
- drivable
- Prior art date
Links
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B21—MECHANICAL METAL-WORKING WITHOUT ESSENTIALLY REMOVING MATERIAL; PUNCHING METAL
- B21J—FORGING; HAMMERING; PRESSING METAL; RIVETING; FORGE FURNACES
- B21J7/00—Hammers; Forging machines with hammers or die jaws acting by impact
- B21J7/20—Drives for hammers; Transmission means therefor
- B21J7/36—Drives for hammers; Transmission means therefor for drop hammers
- B21J7/42—Drives for hammers; Transmission means therefor for drop hammers operated by rotary drive, e.g. electric motors
- B21J7/44—Drives for hammers; Transmission means therefor for drop hammers operated by rotary drive, e.g. electric motors equipped with belts, ropes, cables, chains
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E02—HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
- E02D—FOUNDATIONS; EXCAVATIONS; EMBANKMENTS; UNDERGROUND OR UNDERWATER STRUCTURES
- E02D7/00—Methods or apparatus for placing sheet pile bulkheads, piles, mouldpipes, or other moulds
- E02D7/02—Placing by driving
- E02D7/06—Power-driven drivers
- E02D7/08—Drop drivers with free-falling hammer
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- General Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Mining & Mineral Resources (AREA)
- Paleontology (AREA)
- Civil Engineering (AREA)
- General Engineering & Computer Science (AREA)
- Structural Engineering (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Placing Or Removing Of Piles Or Sheet Piles, Or Accessories Thereof (AREA)
Description
_______ ' ι -1- 21984/CV/mv
Korte Aanduiding: Werkwijze voor de automatische werking van een dhootin-richting.
De uitvinding heeft in hoofdzaak betrekking op een werkwijze 5 .voor de automatische werking van een stootinrichting en op de stootinrich-ting zelf.
De uitvinding heeft meer in het bijzonder betrekking op een stootinrichting, een heimachine, in het bijzonder van het type met vrije val.
De heimachines van het type met vrije val omvatten normaal een jO platform waarop een lier en een vakwerkmast zijn aangebracht. Aan het boveneinde van de mast is een snaarschijf aangebracht en een om de trommel van de lier gewikkelde kabel is can de snaarschijf geleid en strekt zich vandaar vertikaal naar beneden toe uit tot aan een heiblok of een slage-lement, dat door de kabel wordt gedragen. f5 Het heiblok ligt uiteraard in lijn met de heipaal of het te treffen element, dat bijvoorbeeld in de bodem moet worden ingedreven. Tijdens de werking is de motor van de lier continu in bedrijf en de bediener regelt de koppeling en een rem van de trommel. Indien het heiblok zich op de gewenste hoogte bevindt wordt de koppeling vrijgemaakt, waardoor het aan 20 het heiblok toegestaan wordt om vrij te vallen en daarbij een vrije draaiing van de trommel bewerkstelligt. Op het moment van het contact tussen het heiblok en de heipaal bedient de bediener de rem teneinde een doorgaande afwikkeling van de kabel na de plotselinge stilstand van het heiblok te verhinderen. Onmiddellijk daarop geeft de bediener de rem vrij 25 en bedient hij de koppeling opdat de lier de trommel aandrijft in de tegengestelde richting teneinde het heiblok weer omhoog te bewegen.
Er bestaan eveneens andere heimachines van het type met vrije val, waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van een kraan, maar waarbij echter de verschillende fasen van de werking hetzelfde blijven.
30 Dit gebruikelijke systeem bezit bepaalde nadelen, in het bij zonder doordat de werking afhangt van de geschikheid van de bediener.
Op de eerste plaats hangt de frequentie van de werking of met andere woorden het aantal slagen dat per minuut op de heipaal of dergelijce wordt aangebracht, niet slechts af van de mogelijkheden van de machine, maar even-35 eens van de ervaring van de bediener. Verder bewerkstelligt iedere onoplettendheid van de bediener bij het in'werking stellen van de rem van de trommel het afwikkelen van de kabel na de stilstand van het heiblok, hetgeen een zeer gevaarlijke situatie met zich meebrengt. Indien anderzijds 81 03 0 18 r '« i -2- 21984/CV/mv de bediener de rem te spoedig in werking stelt zal het heiblok worden afgeremd voor de voltooiing van de slag op de heipaal daar het juiste moment voor het stopzetten van de trommel plaats heeft aan het einde van de slag indien de paal zijn'indringing in de grond heeft beëindigdr 5 Slechts een zeer ervaren bediener kan de rem op het ideale mo ment in werking stellen, welk moment variëert met de machine gezien het feit, dat zijn werking niet kortstondig is.
Bovendien kan het in werking stellen van de rem terwijl het heiblok zich nog op een zekere hoogte boven de heipaal bevindt, een vol- 1.0 ledige vernieling met zich meebrengen door een beschadiging van de rem of zelfs een breuk van de kabel, hetgeen groot gevaar met zich meebrengt.
Om een optimale werking van de machine te realiseren moet dus de bediener zeer veel ervaring en handigheid bezitten om het juiste moment te kiezen waarop hij ophoudt de rem aan te zetten en waar hij de 15 koppeling in werking stelt voor het omhoog bewegen van het heiblok zonder tijd te verliezen.
Verder moet de bediener de hoogte van het heiblok constant houden, waarbij de hoogte steeds moet. worden gemeten ten opzichte van de top van de heipaal welke zich uiteraard steeds iedere keer op een lager 20 niveau bevindt.
In de praktijk gebeurt het veelvuldig, dat ten gevolge van dê onvoldoende kapaciteit van de rem of zelfs door de gemakzucht van de bediener de trommel niet wordt stopgezet door de werking van de rem maar door het in werking stellen van de koppeling enkele ogenblikken voordat 25 het heiblok de heipaal treft. Dit brengt uiteraard een versterkte slijtage van de koppeling met zich mee waardoor de levensduur daarvan sterk wordt verminderd.
Een van de oogmerken van de huidige uitvinding is het vermijden van een of meerdere van de hierboven beschreven nadelen door een slaginrich-30 ting voor te stellen waarvan de werking totaal is geautomatiseerd waardoor zodoende de aanwezigheid van een zeer ervaren bediener overbodig zal zijn.
Hiertoe heeft de uitvinding tot oogmerk een werkwijze voor de automatische werking van een stootinrichting bestaande uit het laten val-35 len of meenemen van een stootelement op een te treffen stuk, zoals een heipaal, eenragel, een buis of dergelijke bijvoorbeeld in de grond, en het. omhoogbewegen of verplaatsen van dit slagelement met behulp- van een kabel, die is geleid om een snaarschijf en is verbonden met een trommel, 8103018 , * * -3- 21984/CV/rav die althans in een draairichting met behulp van aandrijfmiddelen in draaiing te brengen is en waarbij men volgens de uitvinding het slagelement met behulp van een mechanisch middel verbindt met de trommel voor het vormen van een gesloten circuit teneinde de stilstand van. de trommel althans 5 nagenoeg te laten samenvallen met het moment van het einde van de slag van het slagelement op het te treffen stuk.
Doelmatig worden de genoemde mechanische verbindingsmiddelen gevormd door een zogenaamde "retourkabel".
Zodoende wordt op het moment waarop het heiblok zijn slag op het 10 te treffen stuk eindigt en tot stilstand komt de tromnel van de lier automatisch door de retourkabel stopgezet.
Indien een dergelijk systeem met de hand wordt gebruikt beperkt het werk van de bediener zich tot het in werking stellen van de koppeling op het ogenblik van de stilstand van de trommel en tot het vrijgeven van 15 de koppeling indien het heiblok is opgehangen op de vereiste hoogte voor zijn daarop volgende val op het te treffen stuk.
Bijvoorkeur wordt volgens de uitvinding de werking van de slag-inrichting geheel geautomatiseerd door het feit, dat de stilstand van de trommel automatisch het in werking stellen bewerktstelligt van aandrijfmid-20 delen voor het omhoog bewegen van het slagelement op een bepaalde hoogte terwijl daarbij de stijghoogte van het slagelement wordt geregeld door metingen van de omwentelingen van de trommel.
In deze omstandigheden is de werking van de slaginrichting geheel automatisch en is het voldoende, dat de bediener de werking op 25 brengt en vervolgens de stopzetting indien het stuk geheel is ingé bracht.
Verder heeft de uitvinding eveneens betrekking op een slaginrichting voor het uitvoeren van de hierboven beschreven werkwijze waarbij de slaginrichting is van het type voorzien van een aangedreven 30 trommel, van aandrijfïniddelen om de tromnel althans in een richting te laten draaien, van een snaarschijf, van een zogenaamde "manoeuvreerkabel", die om de snaarschijf is geleid en verbonden met de trommel en waaraan een slagelement is bevestigd, waarbij volgens de uitvinding het slagelement met behulp van een tweede zogenaamde retourkabel met de aandrijf-r 35 bare trommel is gekoppeld voor het vormen van een gesloten circuit op zodanige wijze dat stilstand van de trommel althans nagenoeg samen zal vallen met het tijdstip van het einde van de slag van het slagelement op het te treffen stuk.
8103018
• Γ> V
-4- 21984/CV/mv
Volgens een verder kenmerk van de uitvinding wordt het genoemde gesloten circuit tot stand gebracht met behulp van een enkele kabel waarvan de einden zijn bevestigd op de genoemde aandrijfbare trommel, terwijl het slagelement is bevestigd aan een tussenstuk van de kabel.
5 Doelmatig is de inrichting voorzien van middelen om de kabel (s) onder spanning te houden. Verder is de inrichting voorzien van organen om de genoemde aandrijfmiddelen aan te sluiten om de aandrijfbare trommel in een eerste richting te doen draaien en om deze aandrijfmiddelen los te koppelen na een vooraf bepaalde draaiing van de aandrijfbare.trommel in 10 deze eerste richting. Zodoende wordt het slagelement opnieuw omhoog gebracht tot een vooraf bepaalde hoogte boven het te treffen stuk. Verder verbindën de genoemde middelen voor het aankoppelen en ontkoppelen de genoemde aandrijfmiddelen met de aandrijfbare trommel althans nagenoeg op het tijdstip van het contact van het· slagelement op het te treffen 15 stuk. Doelmatig zijl de aandrijfmiddelen en de aandrijfbare trommel aangebracht op een lier en voorzien van een koppelinrichting welke het mogelijk maakt de aandrijfmiddelen en de aandrijfbare trommel te koppelen, waarbij de koppelinrichting bij.voorkeur wordt bediend door de genoemde middelen voor het aan en uitkoppelen.
20 Verdere kenmerken, voordelen en details van de uitvinding zullen verder duidelijk worden uit de hieronder volgende beschrijving van bijgaande figuren waarin schematisch enige uitvoeringsvormen van de constructie volgens de uitvinding zijn weergegeven.
Fig. T toont schematisch een slaginrichting volgens de uitvinding 25 in zijn meest gebruikelijke vorm.
Fig. 2-5 tonen schematisch verschillende uitvoeringsmogelijkheden van een heimachine van het type met vrije val volgens de uitvinding.
Fig. 6 toont schematisch een inrichting voor het automatiseren van de aandrijving van de trommel van een slaginrichting volgens de uit-30 vinding. De opstelling volgens fig. 1 toont de toepassing van de werkwijze volgens de uitvinding voor iedere slaginrichting, welke niet noodzakelijkerwijs een heimachine behoeft te zijn. In feite kan de werkwijze voor de automatische werking van de huidige uitvinding toegepast worden bij alle type slaginrichtingen, die zijn voorzien van althans een lier, of 35 de inrichting nu verder hydraulisch, mechanisch öf electrisch is.
Zoals weergegeven in fig. 1 en in overeenstemming met de uitvinding omvat het gesloten circuit van een slaginrichting een trommel 1, een snaarschijf 2 en een meerdere keren om de trommel heen geslagen 81 03 0 1 8 4 * -5- 21984/CV/mv kabel 3, die is geleid om de snaarschijf 2 om tenslotte terug te keren naar de trommel 1. Op een gegeven punt van de uitstrekking van de kabel 3 tussen de trommel 1 en de snaarschijf 2 is een slagelement 4 bevestigd voor het treffen van een of ander willekeurig lichaam 5.
5 De kabel of de ketting 3 kan eindloos zijn of kan met zijn uit einden zijn verbonden met een slagelement of kan met zijn twee tiiteinden zijn vastgezet op de trommel 1. In ieder geval is volgens de uitvinding het circuit gevormd door de kabel gesloten en bewerkstelligt iedere beweging van het slagelement 4 automatisch en gedwongen een overeen-10 komstige draaiing van de trommel 1 en van de snaarschijf 2 en vice versa.
Verder zijn de trommel 1 evenals de snaarschijf 2 vastgezet aan de inrichting waarbij de snaarschijf 2 doelmatig onder iivloed staat van niet nader weergegeven elastische middelen of dergelijke, welke een perma-15 nente spanning van de kabel 3 waarborgen.
3h het geval waar de beweging van het slagelement 4 althans nagenoeg horizontaal is, zoals weergegeven in fig. 1 en waarbij er dus geen vrije val is van het slagelement, zal de trommel 1 zijn voorzien van omkeerbare aandrijfmiddelen. Zodoende zal, indien tijdens de werking 20 de trommel 1 in werking wordt gesteld teneinde te draaien in de richting van de pijl S1, het slagelement 4 gezien in fig. 1 naar links worden verplaatst tot aan het aanbrengen van de slag op het lichaam 5. Bij het treffen van het lichaam 5 wordt de verplaatsing van het slagelement 4 stop gezet hetgeen automatisch de stilstand van de trommel 1 met zich meebrengt en 25 de loskoppeling van de aandrijfmiddelen van het aandrijven van de trommel 1 in de richting volgens pijl S1. Onmiddellijk daarna wordt de trommel 1 door de aandrijfmiddelen in draaiing gebracht in de richting S2 om het slagelement 4 opnieuw van het lichaam 5 te verwijderen. Deze verwijderings-afstand van het slagelement 4 ten opzichte van het lichaam 5 wordt geregeld 30 door de meting van het aantal omwentelingen van de trommel 1 en indien dit aantal omwentelingen een vooraf bepaalde waarde bereikt keren geschikte verdere middelen de richting van de aandrijving van de trommel 1 om om de kringloop opnieuw te beginnen.
Opgemerkt wordt, dat gegeven de vormgeving in een gesloten cir-35 cuit de reactie tussen het slagelement 4 en het lichaam 5 aanleiding geeft tot een remeffect op de trommel 1 waardoor de toepassing van een gebruikelijke rem geheel onnodig wordt. Verder wordt de automatische verwijdering van het slagelement 4 ten opzichte van het lichaam 5 bepaald door het aantal omwentelingen van de trommel 1 uitgaande van het element 81 03 0 18 v ¥ -6- 21984/CV/mv waar het slageleraent tot stilstand wordt gebracht in contact met het lichaam 5 en waarbij deze verwijdering constant is ten opzichte van de stand van het lichaam 5. Met andere woorden de botsing··van het slagelement 4 resulteert steeds in een verplaatsing over een vooraf bepaalde afstand.
5 De in fig. 1 weergegeven inrichting heeft vele toepassingen zo als bijvoorbeeld de horizontale afzetting van ijzer of dergelijke, het indrijven van buizen heipalen of dergelijke in de grond. Zijn belangrijkste toepassing is echter gelegen in de vervaardiging van een slaginrichting of .heimachine van het type met vrije val, zoals schematisch weerge-10 geven in fig. 2.
Zoals weergegeven in fig. 2 omvat een heimachine op gebruikelijke wijze een platform 6 waaruit een een trommel 1 dragende lier is aangebracht evenals een vakwerkmast 7 in een·boveneinde waarvan snaarschijf 2 is aangebracht om de geleiding van de kabel 3 te waarborgen.
15 In overeenstemming met de uitvinding is een tweede snaarschijf 8 nabij het ondereinde van de mast 7 aangebracht om de draaiing en geleiding van een retourkabel 3 te waarborgen op zodanige wijze, dat het deel van de kabel, dat zich onder het slagelement of het heiblok 9 bevindt vertikaal wordt gehouden. In het in fig, 2 weergegeven uitvoëringsvoorbeeld 20 omvat de inrichting twee kabels 3 en 3a voor het in overeenstemming met de uitvinding vormen van het gesloten circuit.
De kabel 3, welke ook wel "manoeuvreerkabel" wordt genoemd is met een uiteinde bevestigd op de trommel 1 en meerdere keren om deze trommel gewikkeld en vervolgens langs de snaarschijf 2 geleid, terwijl 25 het andere uiteinde van deze kabel 3 is bevestigd aan het boveneinde van het heiblok 9. Op ^soortgelijke wijze is een uiteinde van de kabel 3a bevestigd aan de trommel 1 en om de trommel gewikkeld in een richting tegengesteld aan de opwikkkelrichting van de kabel 3, terwijl de kabel 3a . verder is geleid langs de snaarschijf 8 en met zijn andere einde is bevestigd 30 aan het ondereinde van het heiblok 9·
Het zal duidelijk zijn, dat de bevestigingspunten van de kabels aan het heiblok alsuitvoeringsmogelijkheid zijn gegeven en dat het uiteiride van de kabel 3a bijvoorbeeld aan een willekeurige gedeelte van dit heiblok kan zijn bevestigd zonder daarmede buiten de geest en beschermings-35 omvang van de uitvinding te komen.
Verder zal het duidelijk zijn,, dat, zoals hierboven reeds beschreven, men een enkele kabel 3 kan gebruiken, die om de trommel 1 is gewikkeld en waarvan de twee uiteinden zijn bevestigd aan het heiblok.9.
8103018 . » · ; - -7- 21984/CV/rav 4 *
Doelmatig staat de snaarschijf 8 onder invloed van niet nader weergegeven veerkrachtige middelen, zodanig dat daarbij de kabel 3a onder spanning wordt gehouden.
Uit een eenvoudige analyse van fig. 2 zal het duidelijk zijn dat 5 indien het heiblok 9 een paal 10, die bijvoorbeeld in de grond moet worden gedreven, treft en deze na over een zekere hoogte in de grond te zijn gedreven de verplaatsing van het heiblok stopt de trommel eveneens gelijktijdig zal worden stopgezet door de retourkabel 3a.
Ih de de voorkeur verdienende uitvoeringsvorm bewerkstelligt de-10 ze stilstand van de trommel 1 het in· werking stellen van de koppeling de-de lier waarvan de motor continu in bedrijf is, zodanig dat de trommel 1 wordt meegenomen om het heiblok 9 weer omhoog te bewegen tot op de gewenste hoogte voor het tot stand brengen van de volgende fase van de werking. Met andere woorden wordt na een bepaald aantal omwentelingen van de 15 trommel 1 overeenkomend met de gewenste hefhoogte van het heiblok 9 de koppeling opnieuw in werking gesteld voor het loskoppelen van de aandrijf- . middelen van de trommel 1 zodat de trommel weer vrij draaibaar is. Op dit tijdstip valt het heiblok 9 op de kop van de paal 10 onder invloed van de zwaartekracht enz.
20 Door de regeling van het aantal omwentelingen van de trommel 1 tijdens het omhoog bewegen van het heiblok 9 zal zo de valhoogte van het heiblok constant zijn ten opzichte van de top van de paal onafhankelijk van de mate van indringing van de paal in de grond.
Men heeft zodoende een volledig automatisch werkende heimachine 25 verkregen, welke doorgaat slagen aan te brengen op de paal totdat de bediener het systeem tot stilstand brengt indien de paal voldoende in de grond is ingedreven.
Een uitvoeringsvoorbeeld van middelen, welke het mogelijk maken de automatische bediening van de aandrijfraiddelen van de trommel 1 te bewerk-30 stelligen is weergegeven in fig. 6. Het zal echter duidelijk zijn, dat er meerdere middelen of inrichtingen bestaan welke het mogelijk maken een dergelijke automatisering te realiseren en dat het hieronder beschreven systeem eenvoudig dient voor het weergeven van een van deze mogelijkheden. De inrichting omvat een huis 11 in het inwendige waarvan een as 12 i3 35 aangebracht, welke wordt ondersteund door een leger 13. Een uiteinde 14 van de as 12 is met behulp van een of ander geschikt middel verbonden met de lier weergegeven in fig. 2 teneinde gezamelijk met de as van de trommel 1 te kunnen draaien. Het middengedeelte van de as 12 is voorzien 8103018 < ¥ >- -8- 21984/CV/mv van een schroefdraadgedeelte 15, datsamenwerkt met een moer 16, welke is voorzien van een uitsteeksel 17 waarvan een uiteinde is gelegen in een in een binnenwand van het huis 11 aangebrachte rechte geleidingsgroef 18, die zich evenwijdig aan de as 12 uitstrekt. Indien de as 12 draait wordt de moer 5 16 in axiale richting verplaatst. De moer 16 is verder voorzien van een tweede uitsteeksel of aanslag 19 waarvan de functie hieronder nader zal worden,uiteengezet.
Verder is een onder de inwerking van een veer 21 staand blok op de as 12 het huis 11 aangebracht en wel tussen het uiteinde 14 van.de as 10 12 en het van schroefdraad voorziene gedeelte 15. De afstand tussen het / blok 20 en het van schroefdraad voorziene gedeelte 15 is een weinig kleiner dan de dikte van de moer 16 zodanig, dat indien de as 12 draait en de verwijdering van de moer 16 van het schroefdraad gedeelte 15 bewerkstel·» ligt het blok 20 verhindert dat de moer zijn horizontale verplaatsing voort-15 zet en de moer steeds houdt tegen de aanvang van de eerste draadwinding van het sehroefdraadgedeelte 15 door de werking van de veer 21. Indien de draaiing van de as 12 wordt omgekeerd zal de moer zodoende opnieuw in ingrijplng worden gebracht op de draad van het sehroefdraadgedeelte 15 en zich gezien in fig. 6 naar links gaan verplaatsen.
20 Het huis 11 is voorzien van twee electrische con,tactstukken 22 en 23. Het contactstuk 23 is aangesloten aan een electrisch verend contact 24, terwijl het contactstuk 22 electrisch is aangesloten op een as 25, welke zich evenwijdig aan de as 12 uitstrekt, en aan een tweede electrisch contact 26 op het einde van de as 25. De as 25 kan zodoende kleine ver-25 plaatsingen naar links of naar rechts uitvoeren teneinde respectievelijk de contacten 24 en 25 te scheiden of met elkaar te verbinden. Het uiteinde van dé as 25 is verder voorzien van een uitsparing 27, die in de gesloten stand van de contacten zich afsteunt op een onder veerdruk staande stalen kogel 28 waardoor de as 25 veerkrachtig wordt gehouden in de stand waar- .
30 in het circuit is gesloten.
Verder is althans nagenoeg onder het blok 20 een de vorm van een moer bezittend stuk 29, dat bestemd is om samen te werken met de aanslag 19 van de moer 16, aangebracht op een van schroefdraad voorzien gedeelte 30 van de as 25-, Op dit van schroefdraad voorziene gedeelte 30 is verder · 35 een tweede moer 31 aangebracht, welke moer is voorzien van een zijdelingse uitsteeksel 32, dat zich uitstrekt door een gleuf 33, die is gevormd in een andere wand van het huis 11 en die zich evenwijdig aan de as 25 uit*· strekt.
8103018 >· * -9- 21984/CV/mv
Het uiteinde 25a van de as 25 bezit een verlenging, welke zich uitstrekt door de wand van het huis 11 teneinde de stand van de moer 11 op de as 25 te kunnen regelen, dat wil zeggen dat de axiale stand van de moer 31 kap worden gewijzigd door een eenvoudige verdraaiing van de knop 5 34.
Op soortgelijke wijze is het uiteinde 12a van de as 12 voorzien van een verlenging, welke zich uitstrekt door de wand van het huis 11 en eindigt in een knop 35 zodanig dat door het trekken aan de knop het uiteinde 14 van de as 25 wordt losgekoppeld van de lier of van de trommel 1 zodat 10 het mogelijk is door draaiing van de knop de aanvangstand van de moer 16 te regelen.
Zo wordt met de in fig. 6 weergegeven inrichting, die samenwerkend met de machine volgens fig. 2 is opgesteld,het heiblok eerst boven op de paal 10 geplaatst en daarop afgesteund. Door draaiing van de knop 35 wordt 15 de moer 16 gezien in fig. 6 naar rechts verplaatst totdat de moer vrijkomt van het van schroefdraad voorziene gedeelte 15 en in contact komt met het stuk 29» dat de as 25 drukt in de stand van het circuit waarin de contacten 24 en 26 zijn gesloten en de kogel 28 in de uitsparing 27 is gelegen. Door de lier of de trommel 1 en een handsleutel van het koppelingscircuit 20 aan te sluiten begint de lier de manoeuvreerkabel 3, welke het heiblok 9 ondersteunt, op te rollen en laat gelijktijdig de as 12 draaien waardoor zodoende de verplaatsing van de moer 16 naar links wordt bewerkstelligd totdat de aanslag 19 in contact k<xnt met de moer 31 van de as 25. Dit contact bewerkstelligt de verplaatsing van de as 25 naar links, waardoor 25 de contacten 24 en 26 van elkaar worden gescheiden en de koppeling wordt ontkoppeld. Het heiblok 9»dat dan de gewenste hoogte heeft bereikt, valt vervolgens vrij op de paal. Deze val laat de as 12 in tegengestelde richting draaien en de moer 16 wordt snel naar rechts verplaatst totdat de moer weer in contact treedt met het stuk 29 op het moment waar de moer 30 vrijkomt van het schroefdraadgedeelte 15. Dit contact met het stuk 29 verplaatst opnieuw de as 25 gezien in fig. 6 naar rechts, waardoor de contacten 24 en 26 met elkaar worden verbonden en de koppeling opnieuw wordt aangesloten. Het zal duidelijk zijn, dat zelfs met aangesloten koppeling het heiblok nog een kleine afstand daalt overeenkomend met de 35 indringing van de paal in de grond tengevolge van de werking van het heiblok op zijl kop. Deze afstand is echter verhoudingsgewijs gering en veroorzaakt geen abnormale slijtage van de koppeling. Het zal verder duidelijk zijn, dat indien een maal de moer 16 is ingesteld met behulp 81 030 1 8 ' if ' v -10- 21984/CV/mv van de knop 35 bij het begin van het indrijven van een bepaalde paal en dat het blok 20 dankzij de veer 21 de schroef 16 steeds tegen het begin van het schroefdraadgedeëlte 15 aan houdt, de stijghoogte van het heiblok 9 ten opzichte van de kop van de paal steeds is bepaald uitgaande van de 5 stand van deze kop van de ’paal bij het einde van de slag door de afstand tussen het stuk 29 en de moer 31 op de as 25. Deze hoogte is uiteraard regelbaar door draaiing van de knop 34 zoals hierboven reeds is beschreven.
Verder wordt nog opgemerkt, dat de hierboven beschreven en in fig. 6 afgebeelde inrichting slechts een van de vele mogelijkheden weer-10 geeft voor het tot stand brengen van het automatiseren van een heimachine onder gebruikmaking van de huidige uitvinding. Het zal bijvoorbeeld eveneens mogelijk zijn om het tijdstip van het ontkoppelen, van de koppeling zodanig te bepalen dat deze nauwkeurig samenvalt met de stilstand van de trommel 1 van de lier, dat wil zeggen het tijdstip waarop de paal zijn in-15 dringing in de grond eindigt waarbij ook het heiblok 9 geheel tot stilstand komt.
Aan de hand van de figuren 3, 4 en 5 zullen nu andere uitvoeringsmogelijkheden voor het vormen van het gesloten circuit, dat wordt gevormd door de manoeuvreeren retourkabels van een slagelement of heiblok volgens 20 de uitvinding en in het bijzonder toepasbaar voor heimachines van het type met vrije val worden beschreven.
In de in fig. 3 weergegeven uitvoeringsvorm is het heiblok 9 · met zijn boveneinde aangesloten op een manoeuvreerkabel 3 welke is geleid om een aan de bovenzijde van een niet nader weergegeven mast van de heimachi-25 ne aangebrachte snaarschijf 2, terwijl het andere einde van deze manoeuvreerkabel is aangesloten op de as van een snaarschijf 35 zodanig dat deze snaarschijf door de kabel wordt ondersteund. Verder is de kabel 3 geleid langs een geleidingschijf 36. Het heiblok 9 is eveneens aangesloten op een re-tourkabel 3a, die is geleid om de aan de onderzijde van de mast bevestigde 30 snaarschijf 8 en vervolgens is geleid om een verdere geleidingsschijf 37 om tenslotte te zijn bevestigd aan de as van een snaarschijf 38 welke door de retourkabel 3a wordt ondersteund. Zoals uit fig. 3 duidelijk zal zijn zijn de snaarschijven 35 en 38 dus beweegbaar en hun verplaatsing is een functie van de verplaatsing van het uiteinde van de desbetreffende 35 manoeuvreerkabel 3 respectievelijk retourkabel 3a, die zijn aangesloten op het heiblok. De verplaatsing van deze snaarschijven wordt gecontroleerd en gecommandeerd door respectievelijk een derde kabel 39 en een vierde kabel 40, die ieder met een uiteinde zijn vastgezet in vaste punten 41, 8103018 * *- c -11- 21984/CV/mv terwijl de andere uiteinden van deze kabels zijn bevestigd aan de aandrijf-bare trommel 1 van de heimachine. In een de voorkeur verdienende uitvoeringsvorm is de trommel 1 aangesloten op een inrichting voor· het automatiseren van de werking van de heimachine. Verder zijn volgens de uitvinding de 5 derde en de vierde kabel 39 en 40 in tegengestelde richting om de trommel heen gewikkeld. Zodoende wordt het gesloten circuit volgens de uitvinding gevormd door de kabel 39, de manoeuvreerkabel 3, de retourkabel 3a en de kabel 40. Deze uitvoeringsvorm is in het bijzonder van voordeel indien het heiblok een groot gewicht heeft.
10 Volgens een verdere in fig. 4 weergegeven uitvoeringsvorm omvat de heimachine kwee trommels 1 en 42.De trommel 1 wordt "aandrijfbare trommel" genoemd omdat deze trommel wordt aangedreven en aangesloten met behulp van de aandrijving die in werking wordt gesteld door de automatiseer-inrichting volgens de uitvinding, terwijl de trommel -42 een gebruikelijke 15 opwikkeltrommel is voor de manoeuvreerkabel van het heiblok.
Bij deze uitvoeringsvorm is de op het heiblok 9 aangesloten manoeuvreerkabel 3 geleidilangs een snaarschijf 35a zodanig dat deze snaar-schijf door de kabel wordt ondersteund, en verder langs de geleidings-.schijven 36 en tenslotte gewikkeld op de trommel 42. De as van de schijf 20 35a is aangesloten op de as van de snaarschijf 35 zodanig, dat deze twee snaarschijven gezamelijk met elkaar verplaatsbaar zijn. Met andere woorden indien de snaarschijf 35 zich omhoog verplaatst wordt de snaarschijf 35a eveneens omhoog verplaatst en omgekeerd. Deze samenbouw van de snaarschijven 35 en 35a vormt een beweegbaar blok 43. Op soortgelijke wijze 25 als bij het voorgaande uitvoeringsvoorbeeld is een derde kabel 39, waarvan een uiteinde is vastgezet in een vast punt 41 en .waarvan het andere einde is bevestigd aan de trommel 1 voor de automatische werking, geleid om de schijf 35 teneinde .de verplaatsing van' het beweegbare blok 43 te controleren en te commanderen. Het circuit is gesloten door de 30 retourkabel 3a, die in tegengestelde zin ten opzichte van de opwikkel-richting van de kabel 39 op de trommel 1 is gewikkeld en verder is verbonden met het heiblok 9·
Bij een andere in fig. 5 weergegeven uitvoeringsvorm, wéke in het bijzonder toepasbaar is voor het slaan op de bodem tijdens het indrijven 35 van een buis 44 in de grond en die is voorzien van een heiblok, dat indringt in de buis om de aarde bij het onderste deel van de buis opeen te dringen en verder is voorzien van een slagorgaan 45, dat slaat tegen een schokdemper 46, die bij het uiteinde van de buis 44 is opgesteld voor 8103018 -12- 21984/CV/mv
1 V V
het inslaan daarvan in de grond. Het beweegbare blok 43 omvat twee snaar-schijven 35a waar om de manoeuvreerkabels van het heiblok en van het slagorgaan 35 zijn geleid. Bij deze inrichting zal het duidelijk zijn, dat de retour-kabel 3a is.bevestigd aan het slagorgaan en niet aan het heiblok 9» Daar 5 echter de bewegingen van het slagorgaan 45 en van het heiblok: 9 synchroon zijn is de werking van deze uitvoeringsvorm in overeenstemming met de huidige uitvinding. Doelmatig kunnen de manoeuvreerkabel van het slagorgaan en de retourkabel 3a worden gevormd door een enkele kabel en in dat geval is het slagorgaan 45 bevestigd aan een tussengedeelte van deze kabel.
10 De onderhavige uitvinding geeft dus slaginrichtingen met automa tische werking welke het mogelijk maken om de trommel 1 tot stilstand te brengen indien het slagelement op het te treffen element tot stilstand komt. Deze automatische stopzetting van de trommel maakt het mogelijk de slijtage van de elementen van het koppelingsmechanisme daarvan te verminderen..
15 Verder wordt de productiviteit van een slaginrichting volgens de uitvinding aanzienlijk opgevoerd zelfs indien de inrichting, wordt bediend door minder gekwalificeerd bedieningspersoneel.
Een verder voordeel van de uitvinding is gelegen in het feit, dat het starten en de tijd voor de plaatsing van een slaginrichting volgens 20de uitvinding zeer weinig tijd in beslag neemt en dus een mindere investering in het bijzonder ten opzichte van vroeger gebruikte dieselhamers.
Het zal duidelijk zijn, dat de uitvinding niet beperkt is op de beschreven en weergegeven uitvoeringsvoorbeelden, die slechts als uitvoeringsmogelijkheid zijn gegeven. Zo kunnen de verschillende uitvoeringsvormen 25worden gecombineerd afhankelijk van de toepassing van de slagmachine.
-CONCLUSIES- 8103018
Claims (18)
1. Werkwijze voor de automatische werking van een stootinrichting bestaande uit het laten vallen of meenemen van een stootelement op een 5 te treffen stuk, zoals een heipaal, een nagel, een buis of dergelijke en het omhoog brengen van het stootelement met behulp van een om een snaar-schijf gevoerde kabel, die is gekoppeld met een trommel welke in althans een richting met behulp van aandrijftaiddelen in draaiing te brengen is, met het kenmerk, dat men met behulp van een mechanisch middel het stootele-10 ment verbindt met de aandrijfbare trommel voor het vormen van een gesloten circuit zodanig, dat de stilstand van de trommel en het tijdstip van het einde van de slag van het. stootelement op het te treffen stuk althans nagenoeg zullen samenvallen.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het mecha-15 nische verbindingsmiddel wordt gevormd door een kabel of een ketting of dergelijke.
3. Werkwijze volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de stilstand van de trommel automatisch het in werking stellen van aandrijf-middelen van de trommel bewerkstelligt teneinde het slagelement te ver- 20 wijderen van het te treffen stuk, terwijl men de verwijderingsaf stand van het slagelement ten opzichte van het te treffen stuk controleert door controle en meten van het aantal omwentelingen van de trommel.
4. Slaginrichting voor het uitvoeren van de werkwijze volgens een der voorgaande conclusies welke slaginrichting is voorzien van een aan- 25 drijfbare trommel, van aandrijftaiddelen voor het laten draaien van de trommel in althans een richting, van een snaarschijf, van een zogenaamde manoeuvreerkabel, die om de snaarschijf is gevoerd en met de trommel is verbonden en waaraan een slagelement is bevestigd, met het kenmerk, dat het slagelement (4, 9) met behulp van een tweede zogenaamde retourkabel 30 (3a) is aangesloten op de trommel (1) voor het vormen van een ge sloten circuit teneinde de stilstand van de trommel (1) en het tijdstip van het einde van de slag vaahet slagelement (4,9) op het te treffen stuk (5, 10)althans nagenoeg te laten samenvallen.
5. Inrichting volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat een enkele 35 kabel het genoemde gesloten circuit tot stand brengt, waarbij het slagelement (4, 9) aan een tussengedeelte van de kabel is bevestigd.
6. Inrichting volgens conclusie 4 of 5, met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van middelen on de genoemde kabel(s) in beweging te 8103018 -14- 21984/CV/rav « *v V houden.
7. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies 4-6, met het - kenmerk, dat de inrichting is voorzien van middelen,(9» 29 en 19-31) om de aandrijfmiddelen aan te sluiten voor het laten draaien van de aandrijf-5 bare trommel (1) in een eerste richting en voor het ontkoppelen van deze aandrijfmiddelen na een vooraf bepaalde verdraaiing van de aandrijfbare trommel (1) in deze eerste richting.
8. Inrichting volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat de genoemde middelen (19-29 en 19-31) de aandrijfmiddelen van de aandrijfbare 10 trommel (1) verbinden nagenoeg op het tijdstip van het contact van het slagelement (4,9) met het te treffen stuk (5, 10).
9. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies 4-7, met het kenmerk, dat de aandrijfmiddelen en de aandrijfbare trommel op een lier zijn aangebracht.
10. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies 4-8 , met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van een koppelinrichting voor het koppelen van de aandrijfmiddelen en de aandrijfbare trommel (1).
11. Inrichting volgens conclusie 9, met het kenmerk, dat de genoemde, middelen (19-29 en 19-31) de koppelingsmiddelen bedienen.
12. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies 4-11 van het heimachinetype met vrije val voorzien van een aan een boveneinde van een mast aangebrachte snaarschijf, van een heiblok als slagelement en van een manoeuvreerkabel om de snaarschijf en aangesloten op het heiblok en van een aandrijfbare lier, met het kenmerk,, dat een tweede snaarschijf (8) 25 is aangebracht op de inrichting op een niveau lager dan die van de eerste snaarschijf (2), terwijl het heiblok (9) tussen de twee snaarschijven (2,8) is aangesloten op de het gesloten circuit vormende kabels (3,3a).
13. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het gesloten circuit wordt gevormd door een enkele kabel (3), die meerdere malen 30. om de aandrijfbare trommel (1) is geslagen en waarvan de uiteinden zijn bevestigd aan het heiblok (9).
14. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het gesloten circuit wordt gevormd door twee kabels (3, 3a) die ieder met een einde zijn vastgezet op de aandrijfbare trommel (1) en vervolgens om de 35 trommel zijn gewikkeld in tegengestelde richtingen, terwijl de andere uiteinden van de kabels zijn bevestigd aan het heiblok (9).
15. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de. ver plaatsingen van het heiblok worden gecontroleerd en gecommandeerd met behulp 81 03 0 1 8 Ί. -51 -15- 21984/CV/mv van een derde kabel (39) waarvan een einde is bevestigd aan een vast punt (41) en het andere einde is verbonden met de aandrijfbare trommel (1), waarbij de derde kabel is gevoerd om een verdere beweegbaar opgestelde snaarschijf (35) waarvan de as rechtstreeks is verbonden met de manoeu-5 vreerkabel (3) van het heiblok, terwijl de retourkabel (3a) en de derde kabel (39) in tegengestelde richting om de aandrijfbare trommel (1) zijn gewikkeld.
16. Inrichting volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat de beweegbare snaarschijf (35) is aangebracht in een beweegbaar samenstel of beweeg- 10 baar blok (43), dat is voorzien van althans een verdere snaarschijf waar om de manoeuvreerkabel (3)· van het heiblok is gevoerd, terwijl de beide snaarschijven (35, 35a) een vaste stand ten opzichte van elkaar innemen bij de verplaatsing terwijl het uiteinde van de manoeuvreerkabel (3) is bevestigd op een tweede trommel (42) met niet gecommandeerde 15 draaiing.
17. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies 14 of 15, met het kenmerk, dat het uiteinde van de retourkabel (3a), dat niet aan het heiblok (9) is bevestigd is aangesloten op de as van een beweegbare snaarschijf (38) waarom een vierde kabel (40) is gevoerd waarvan een uiteinde 20 is aangesloten op een vast punt(41) en het andere uiteinde is aangesloten op de aandrijfbare trommel (1), waarbij de derde kabel (39) en de vierde kabel (40) in tegengestelde richting op de aandrijfbare trommel (1) zijn gewikkeld.
25 Eindhoven, juni 1981. 8103018
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BRPI8003935 | 1980-06-24 | ||
| BR8003935 | 1980-06-24 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8103018A true NL8103018A (nl) | 1982-01-18 |
Family
ID=96220130
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8103018A NL8103018A (nl) | 1980-06-24 | 1981-06-23 | Werkwijze voor de automatische werking van een stoot- inrichting. |
Country Status (11)
| Country | Link |
|---|---|
| AR (1) | AR228867A1 (nl) |
| AU (1) | AU536223B2 (nl) |
| BE (1) | BE889358A (nl) |
| BR (1) | BR8003935A (nl) |
| CA (1) | CA1157327A (nl) |
| DE (1) | DE3124598A1 (nl) |
| DK (1) | DK275981A (nl) |
| FI (1) | FI811929A7 (nl) |
| GB (1) | GB2078150B (nl) |
| NL (1) | NL8103018A (nl) |
| ZA (1) | ZA814197B (nl) |
Families Citing this family (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL1021995C2 (nl) * | 2002-11-27 | 2004-05-28 | Waal Technology & Consultancy | Hei-inrichting in het bijzonder geschikt voor heien bij een beperkte beschikbare hoogte. |
| CN115533003B (zh) * | 2022-10-20 | 2024-08-02 | 浙江万青汽车零部件有限公司 | 一种轴承套圈锻造装置及方法 |
-
1980
- 1980-06-24 BR BR8003935A patent/BR8003935A/pt unknown
-
1981
- 1981-06-18 FI FI811929A patent/FI811929A7/fi not_active Application Discontinuation
- 1981-06-22 ZA ZA814197A patent/ZA814197B/xx unknown
- 1981-06-23 GB GB8119262A patent/GB2078150B/en not_active Expired
- 1981-06-23 AU AU72096/81A patent/AU536223B2/en not_active Ceased
- 1981-06-23 NL NL8103018A patent/NL8103018A/nl not_active Application Discontinuation
- 1981-06-23 DE DE19813124598 patent/DE3124598A1/de not_active Withdrawn
- 1981-06-23 DK DK275981A patent/DK275981A/da not_active Application Discontinuation
- 1981-06-24 CA CA000380534A patent/CA1157327A/en not_active Expired
- 1981-06-24 BE BE0/205194A patent/BE889358A/fr not_active IP Right Cessation
- 1981-06-24 AR AR285829A patent/AR228867A1/es active
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| AR228867A1 (es) | 1983-04-29 |
| AU536223B2 (en) | 1984-04-19 |
| FI811929L (fi) | 1981-12-25 |
| BE889358A (fr) | 1981-10-16 |
| GB2078150B (en) | 1983-06-02 |
| FI811929A7 (fi) | 1981-12-25 |
| CA1157327A (en) | 1983-11-22 |
| BR8003935A (pt) | 1982-02-24 |
| DE3124598A1 (de) | 1982-04-15 |
| DK275981A (da) | 1981-12-25 |
| AU7209681A (en) | 1982-01-07 |
| GB2078150A (en) | 1982-01-06 |
| ZA814197B (en) | 1982-07-28 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| DE4221559B4 (de) | Vorrichtung zur Unterstützung des Fadenabziehens sowie Abziehverfahren in einem Spulautomaten | |
| US4026483A (en) | Device for an apparatus for coiling of cable, wire, wire rope or the like | |
| US3806058A (en) | Apparatus for positioning a sheet metal coil in a coilholder | |
| DE3836245A1 (de) | Transportvorrichtung zum automatischen transportieren von wickeln zu mehreren kaemmaschinen | |
| US2629564A (en) | Wire-laying machine | |
| HU210119B (en) | Double-twist twisting machine for producing twisted articles | |
| NL8103018A (nl) | Werkwijze voor de automatische werking van een stoot- inrichting. | |
| US4513922A (en) | Automatic machine for coiling down cable | |
| JPS63267668A (ja) | 貯蔵ローラからケーブルをケーブル大量生産機械へ供給するための装置 | |
| NO153255B (no) | Anordning for styrt paaspoling av staaltau e.l. paa en roterbar trommel. | |
| US3704839A (en) | Dual boxing coiler | |
| NL8200613A (nl) | Werkwijze en inrichting voor het tot stand brengen van het inslaan van een langgestrekt element. | |
| EP0262372B1 (de) | Kranseilbahnwagen | |
| DE10205462C1 (de) | Vorrichtung zum Entfernen einer Umschnürung von einem Kastenstapel | |
| KR101735604B1 (ko) | 통신용 광섬유 케이블의 풀림 거동 신뢰성 시험 장비 | |
| KR20190014673A (ko) | 주행 로봇 | |
| CN223606833U (zh) | 一种电线加工用送线装置 | |
| DE102005019179A1 (de) | Verfahren und Vorrichtung zum Ausscheiden von fehlerhaftem Wickelgut | |
| SU1733563A2 (ru) | Устройство дл вытрамбовывани котлованов | |
| DE102004026305A1 (de) | Verfahren zum Aufwickeln von mehreren kontinuierlich zulaufenden Fäden und Aufspulmaschine | |
| DE19849192A1 (de) | Verfahren zum Durchführen eines Kreuzspulenwechsels an einer Kreuzspulen herstellenden Textilmaschine | |
| EP0916611A2 (de) | Verfahren zum Betreiben einer Kreuzspulen herstellenden Textilmaschine sowie Vorrichtung für eine solche Textilmaschine | |
| US2449788A (en) | Winder | |
| CN217894938U (zh) | 一种无人行车防钢丝绳跳槽装置 | |
| SU963598A1 (ru) | Намоточное устройство |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
| BB | A search report has been drawn up | ||
| BC | A request for examination has been filed | ||
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BV | The patent application has lapsed |