NL2014026B1 - Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. - Google Patents
Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2014026B1 NL2014026B1 NL2014026A NL2014026A NL2014026B1 NL 2014026 B1 NL2014026 B1 NL 2014026B1 NL 2014026 A NL2014026 A NL 2014026A NL 2014026 A NL2014026 A NL 2014026A NL 2014026 B1 NL2014026 B1 NL 2014026B1
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- resilient element
- component
- axial direction
- resilient
- exterior mirror
- Prior art date
Links
- 238000010276 construction Methods 0.000 title claims abstract description 26
- 238000000034 method Methods 0.000 title claims description 6
- 238000005452 bending Methods 0.000 claims abstract description 17
- 230000000903 blocking effect Effects 0.000 claims description 28
- 229910001335 Galvanized steel Inorganic materials 0.000 claims description 3
- 229910000831 Steel Inorganic materials 0.000 claims description 3
- 239000008397 galvanized steel Substances 0.000 claims description 3
- 239000002184 metal Substances 0.000 claims description 3
- 239000010935 stainless steel Substances 0.000 claims description 3
- 229910001220 stainless steel Inorganic materials 0.000 claims description 3
- 239000010959 steel Substances 0.000 claims description 3
- 230000000717 retained effect Effects 0.000 claims description 2
- 230000000694 effects Effects 0.000 claims 1
- 239000004033 plastic Substances 0.000 description 9
- 230000002040 relaxant effect Effects 0.000 description 5
- 239000000463 material Substances 0.000 description 4
- 239000004696 Poly ether ether ketone Substances 0.000 description 3
- 229920002530 polyetherether ketone Polymers 0.000 description 3
- 239000003292 glue Substances 0.000 description 2
- 239000012858 resilient material Substances 0.000 description 2
- 238000004026 adhesive bonding Methods 0.000 description 1
- 239000002131 composite material Substances 0.000 description 1
- 239000011521 glass Substances 0.000 description 1
- 229910001092 metal group alloy Inorganic materials 0.000 description 1
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B60—VEHICLES IN GENERAL
- B60R—VEHICLES, VEHICLE FITTINGS, OR VEHICLE PARTS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR
- B60R1/00—Optical viewing arrangements; Real-time viewing arrangements for drivers or passengers using optical image capturing systems, e.g. cameras or video systems specially adapted for use in or on vehicles
- B60R1/02—Rear-view mirror arrangements
- B60R1/06—Rear-view mirror arrangements mounted on vehicle exterior
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B60—VEHICLES IN GENERAL
- B60R—VEHICLES, VEHICLE FITTINGS, OR VEHICLE PARTS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR
- B60R1/00—Optical viewing arrangements; Real-time viewing arrangements for drivers or passengers using optical image capturing systems, e.g. cameras or video systems specially adapted for use in or on vehicles
- B60R1/02—Rear-view mirror arrangements
- B60R1/06—Rear-view mirror arrangements mounted on vehicle exterior
- B60R1/062—Rear-view mirror arrangements mounted on vehicle exterior with remote control for adjusting position
- B60R1/07—Rear-view mirror arrangements mounted on vehicle exterior with remote control for adjusting position by electrically powered actuators
- B60R1/072—Rear-view mirror arrangements mounted on vehicle exterior with remote control for adjusting position by electrically powered actuators for adjusting the mirror relative to its housing
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Multimedia (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Rear-View Mirror Devices That Are Mounted On The Exterior Of The Vehicle (AREA)
Abstract
De uitvinding heeft betrekking op een bevestigingsconstructie voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, omvattende twee ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezette onderdelen. Een eerste onderdeel heeft een frame ingericht om samen te werken met het tweede onderdeel dat een veerkrachtig element zodanig huisvest dat het frame genoemde veerkrachtige element ten minste plaatselijk kan toestaan om, tijdens montage van het eerste onderdeel aan het tweede onderdeel, te verbuigen en/ of weg te veren in een zijwaartse richting die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting uitstrekt, terwijl het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant op door te buigen en/ of weg te veren in genoemde axiale richting. De bevestigingsconstructie is voorts ingericht om het veerkrachtige element tijdens het op elkaar plaatsen van het eerste en het tweede onderdeel in genoemde zijwaartse richting weg te laten veren en vervolgens ten minste gedeeltelijk te laten terugveren. Het tweede onderdeel is ingericht om het teruggeveerde veerkrachtige element ten minste in axiale richting vast te houden.
Description
Titel: Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze
De uitvinding heeft betrekking op een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig.
Motorvoertuigen zijn doorgaans voorzien van één of meerdere buitenspiegeleenheden om het zicht van de bestuurder op wat rond hem gebeurt te verbeteren. Buitenspiegeleenheden omvatten doorgaans verschillende gedeelten, waarvan er vaak ten minste enkele onderhng in hoofdzaak stijf, vast of onbeweegbaar verbonden zijn of dienen te zijn. Zo kan een spiegeldraagplaat voor het dragen van een reflecterend oppervlak, dat bijvoorbeeld door een glazen spiegel of ander spiegeldeel kan worden gevormd, bijvoorbeeld in hoofdzaak stijf zijn verbonden met een spiegelverstelmechanisme, bijvoorbeeld met een voorzijde daarvan. Genoemde spiegelverstelmechanisme kan dan zijn ingericht om de spiegeldraagplaat bijvoorbeeld ten opzichte van een zogenaamde drager te verstellen, bij voorkeur door deze om twee in hoofdzaak dwars op elkaar staande assen te verdraaien. Genoemde spiegelverstelmechanisme kan, bijvoorbeeld met zijn achterzijde, in hoofdzaak onbeweegbaar zijn vastgezet op genoemde drager. Hoewel de drager bijvoorbeeld een integraal onderdeel van een spiegelkap of spiegelkapdeel kan uitmaken, kan de drager alternatief een apart onderdeel zijn dat in hoofdzaak onbeweegbaar is vastgezet in, op of aan de spiegelkap of het spiegelkapdeel. Hoewel de spiegelkap gewoonlijk roteerbaar is om een basis-as, die dan bijvoorbeeld onderdeel van een aan het motorvoertuig onbeweegbaar vast te zetten basisdeel kan zijn, kan de spiegelkap eventueel ook in hoofdzaak onbeweegbaar vastgezet zijn op het basisdeel of zelfs direct op het motorvoertuig, bijvoorbeeld op een deur daarvan. Verder kan het basisdeel van de buitenspiegeleenheid in hoofdzaak onbeweegbaar vastgezet zijn op het motorvoertuig, bijvoorbeeld op de deur.
Het moge duidelijk zijn dat, bijvoorbeeld om ongewenste trillingen in een spiegeloppervlak tegen te kunnen gaan, het zeer gewenst is dat dergelijke in hoofdzaak onbeweegbare of stijve verbindingen ook na verloop van tijd, bijvoorbeeld nadat het motorvoertuig vijf of zelfs tien jaar oud is, nog steeds in hoofdzaak onbeweegbaar zijn. Aangezien kunststoffen klikvingers die bijvoorbeeld integraal in een betreffend element of onderdeel, zoals een spiegeldraagplaat, een voorzijde of achterzijde van een spiegelversteller, een drager, een spiegelkap, een basisdeel of een autodeuronderdeel, kunnen zijn meegevormd na verloop van tijd, bijvoorbeeld na enkele jaren, dusdanig gaan relaxeren dat twee initieel in hoofdzaak onbeweegbaar met behulp van genoemde klikvingers aan elkaar vastgezette elementen of onderdelen als gevolg van deze relaxatie niet langer in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastzitten en er ongewenste trilhngen kunnen gaan optreden. Hoewel klikvingers voor een snelle en/of eenvoudige montage of assemblage kunnen zorgen, zijn deze desondanks ongewild doordat deze kunnen gaan relaxeren. Derhalve worden onderdelen of elementen van een buitenspiegeleenheid veelal aan elkaar of aan een motorvoertuigonderdeel zoals een deur gemonteerd met behulp van meer tijdrovende en/of lastiger aan te brengen montagemiddelen of verbindingstechnieken, zoals bijvoorbeeld schroef-, las- en/of lijmverbindingen. Bij las- of lijmverbindingen wordt opgemerkt dat dergelijke verbindingen als bijkomend nadeel kunnen hebben dat deze ook nog eens niet of nauwelijks zijn los te maken, bijvoorbeeld om een beschadigd onderdeel te kunnen vervangen zonder ook meteen de daaraan vastgezette onderdelen te hoeven vervangen, wat economisch ongunstig kan zijn. Verder wordt opgemerkt dat veel andere verbindingen extra onderdelen vereisen, zoals bijvoorbeeld schroeven. Bovendien kunnen thans bekende montagemethoden, zoals lijmen en/of vastschroeven, leiden tot fouten. Zo kan een onderdeel bijvoorbeeld niet goed worden vastgezet, bijvoorbeeld wanneer schroeven niet goed worden aangedraaid, en/of scheef worden vastgezet. Daarnaast vereisen schroeven of andere montagemiddelen vaak ook relatief veel ruimte, wat bijvoorbeeld de ontwerpvrijheid kan beperken en/of tot relatief grote buitenspiegeleenheden kan leiden.
In een aspect beoogt de uitvinding een alternatieve bevestigingsconstructie, in het bijzonder een alternatieve bevestigingsconstructie voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, te verschaffen. Alternatief of additioneel beoogt de uitvinding een alternatieve buitenspiegeleenheid, een alternatief buitenspiegelonderdeel en/of een alternatief carrosserieonderdeel voor een motorvoertuig te verschaffen. In het bijzonder beoogt de uitvinding een bevestigingsconstructie en/of één of meerdere onderdelen daarvoor en/of voor een buitenspiegeleenheid te verschaffen die ten minste één van de nadelen die kleven aan sommige bekende constructies of buitenspiegelonderdelen kunnen tegengaan. Meer in het bijzonder beoogt de uitvinding in aspecten om een bevestigingsconstructie en/of één of meerdere onderdelen daarvoor en/of voor een buitenspiegeleenheid te verschaffen die aan de ene kant kunnen bewerkstelhgen dat een verbinding relatief snel, relatief eenvoudig en/of met een relatief kleine kans op fouten tot stand kan worden gebracht, maar die aan de andere kant ook kunnen bewerkstelbgen dat ze desalniettemin wel kunnen zorgen dat genoemde tot stand gebrachte verbinding relatief stevig, relatief trilvrij en/of relatief duurzaam kan zijn.
Daartoe is een bevestigingsconstructie, in het bijzonder voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, voorzien welke constructie twee ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezette onderdelen, en bij voorkeur in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezette onderdelen, omvat, waarbij een eerste van beide onderdelen een frame omvat dat is ingericht om samen te werken met het tweede onderdeel ten einde dat het eerste onderdeel daar ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar mee verbonden kan zijn tijdens gebruik, waarbij het frame van genoemde eerste onderdeel een veerkrachtig element, bij voorkeur een veerkrachtige ring, zodanig huisvest dat het frame genoemde veerkrachtige element ten minste plaatselijk kan toestaan om, tijdens montage van het eerste onderdeel aan het tweede onderdeel, weg te veren en/of te verbuigen in een zijwaartse, bijvoorbeeld radiale, richting die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting uitstrekt, terwijl het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting, waarbij de bevestigingsconstructie is ingericht om het veerkrachtige element tijdens het op elkaar plaatsen van het eerste en het tweede onderdeel in genoemde zijwaartse richting weg te laten veren en/of door te laten buigen en vervolgens ten minste gedeeltelijk te laten terugveren en/of terugbuigen, en waarbij het tweede onderdeel is ingericht om het ten minste gedeeltelijk teruggeveerde en/of teruggebogen veerkrachtige element ten minste in axiale richting vast te houden.
Door het veerkrachtige element zijwaarts weg te laten veren kan worden bewerkstelligd dat op een relatief eenvoudige en/of relatief foutloze wijze een klikverbinding tot stand kan worden gebracht. Door voorts het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk te laten verhinderen ten minste één kant op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting, bij voorkeur ten minste de kant op die in hoofdzaak gericht is in de richting van een plaatsingsrichting waarin het eerste onderdeel en het tweede onderdeel tijdens het aan elkaar bevestigen naar elkaar toe worden bewogen, kan het veerkrachtige element in axiale richting dusdanig worden opgesloten dat een relatief stevige bevestiging kan worden bewerkstelligd die relatief duurzaam kan zijn doordat het veerkrachtige element in axiale richting niet elastisch vervormbaar hoeft te zijn en er dus kan worden tegengegaan dat er na verloop van tijd in axiale richting relaxatie in het veerkrachtige element optreedt. Hierdoor kunnen de twee onderdelen van de bevestigingsconstructie van de uitvinding in axiale richting dus ook na verloop van tijd relatief stijf op elkaar blijven worden gehouden, in principe zonder dat er daar een voorspanning in axiale richting voor nodig is. Dit kan een groot voordeel zijn ten opzichte van een traditionele oplossing die met kunststoffen klikvingers werkt, aangezien een dergelijke ten minste gedeeltelijk in axiale richting gerichte voorspanning in een dergelijke traditionele oplossing na verloop van tijd kan afnemen, bijvoorbeeld als gevolg van relaxatie in een kunststoffen klikvinger die zich bijvoorbeeld ten minste gedeeltelijk in een richting parallel aan genoemde axiale richting kan uitstrekken. In tegenstelling tot een dergelijke traditionele oplossing kan de huidige uitvinding wel een in hoofdzaak niet-relaxerende klikverbinding mogehjk maken.
Opgemerkt wordt dat het veerkrachtige element, bij voorkeur een veerkrachtige ring, een vasthoudelement, bij voorkeur een vasthoudring, kan zijn. Bij voorkeur kan het veerkrachtige element in genoemde axiale richting in hoofdzaak voorspanningsloos, dus op een in genoemde axiale richting in hoofdzaak onbelaste wijze, zijn opgesloten in een toestand waarin de twee onderdelen op elkaar zijn bevestigd.
In uitvoeringsvormen kan de bevestigingsconstructie, het eerste onderdeel, het frame daarvan en/of het veerkrachtige element zodanig zijn ingericht dat het veerkrachtige element in axiale richting in hoofdzaak niet kan verbuigen en/of wegveren, althans niet in een richting in hoofdzaak in de richting van een plaatsingsrichting waarin het eerste onderdeel en het tweede onderdeel tijdens het aan elkaar bevestigen naar elkaar toe worden bewogen, althans niet in een toestand waarbij de twee onderdelen op of aan elkaar zijn bevestigd.
Bij grote voorkeur kan het veerkrachtige element een metaal of metaallegering, bij voorkeur een staal, zoals verzinkt staal en/of roestvast staal, omvatten of daar van zijn gemaakt. Alternatief of additioneel kan het veerkrachtig element van een ander materiaal, bijvoorbeeld een kunststof, zoals bij grote voorkeur een in hoofdzaak niet-relaxerend kunststof, zoals PEEK (Polyether ether ketone), omvatten of daar van zijn gemaakt. Bij voorkeur kunnen het eerste onderdeel en/of het tweede onderdeel, althans ten minste gedeelten daarvan die samenwerken om genoemde eerste en tweede onderdeel op elkaar te bevestigen gemaakt zijn van kunststof. Hoewel het veerkrachtige element bij grote voorkeur in hoofdzaak van een in hoofdzaak niet-relaxerend materiaal kan zijn vervaardigd, kunnen genoemde onderdelen of gedeelten daarvan dan eventueel dus wel gewoon gemaakt zijn van een relatief wat meer relaxerend en/of relatief goedkoop kunststof.
In voorkeursuitvoeringsvormen kan het veerkrachtige element een ten minste gedeeltelijk veerkrachtige ring zijn. De ring kan dan bijvoorbeeld een gesloten ring zijn, bijvoorbeeld een ronde of O-vormige ring. Alternatief kan de ring een onderbroken ring zijn, bijvoorbeeld C-vormig. Opgemerkt wordt dat de ring ook een andere vorm kan hebben, zoals bijvoorbeeld een in hoofdzaak ovale of veelhoekige vorm, die al dan niet onderbroken of gesloten kan zijn.
De uitvinding heeft ook betrekking op afzonderlijke onderdelen die bruikbaar zijn in een dergelijke bevestigingsconstructie. Voorts heeft de uitvinding betrekking op een buitenspiegelonderdeel voor een buitenspiegel-eenheid voor een motorvoertuig, en op een carrosserieonderdeel voor een motorvoertuig, bij voorkeur een onderdeel van een deur, in het bijzonder een voordeur, van het motorvoertuig, waarop dan bijvoorbeeld een buitenspiegeleenheid geplaatst kan worden. De uitvinding heeft bovendien betrekking op een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, op een motorvoertuig, en op een werkwijze voor het bevestigen van een buitenspiegeleenheid of buitenspiegelonderdeel aan een motorvoertuig of voor het aan elkaar bevestigen van twee buitenspiegelonderdelen.
Verdere voordelige uitvoeringsvormen van de uitvinding zijn weergeven in de volgconclusies.
De uitvinding zal nader worden toegelicht de hand van in de tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeelden. In de tekening toont:
Figuur la een schematisch perspectivisch aanzicht van een eerste onderdeel van een bevestigingsconstructie volgens een aspect van de uitvinding;
Figuur lb een schematisch perspectivisch aanzicht van een alternatieve uitvoeringsvorm van het eerste onderdeel van Figuur la;
Figuur 2 een schematisch perspectivisch aanzicht van een tweede onderdeel van een bevestigingsconstructie volgens een aspect van de uitvinding;
Figuur 3 een schematische doorsnede van een bevestigingsconstructie volgens een aspect van de uitvinding;
Figuur 4 een schematisch perspectivisch aanzicht van een alternatieve uitvoeringsvorm van een eerste onderdeel van een bevestigingsconstructie volgens een aspect van de uitvinding; en
Figuur 5 een schematisch perspectivisch aanzicht van een alternatieve bevestigingsconstructie volgens een aspect van de uitvinding.
De tekening is slechts een schematische weergave van voorkeursuitvoeringsvormen van de uitvinding. In de figuren zijn gelijke of corresponderende onderdelen met dezelfde of corresponderende verwijzings-cijfers aangegeven.
De in Figuur 3 getoonde doorsnede van de bevestigingsconstructie 1 omvat een eerste onderdeel 10 dat in Figuur lb wordt getoond en omvat tevens een tweede onderdeel 20 dat in Figuur 2 wordt getoond. In genoemde bevestigingsconstructie 1 zijn beide onderdelen 10, 20 ten minste in een axiale richting 2 in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezet.
De axiale richting 2 kan als een richting worden gezien die zich in hoofdzaak parallel uitstrekt aan de hoofdrichting waarin het eerste en het tweede onderdeel op elkaar worden geplaatst. Additioneel of alternatief kan de axiale richting 2 worden gezien als een richting die zich in hoofdzaak dwars uitstrekt op een zijde 4 van het eerste onderdeel 10, die bij voorkeur als de onder- of de achterzijde van het eerste onderdeel 10 kan worden aangemerkt, welke zijde 4 te monteren is tegen, op of aan een corresponderende zijde 5 van het tweede onderdeel 20, die als de boven- of de voorzijde van het tweede onderdeel 20 kan worden aangemerkt, en/of welke zich in hoofdzaak dwars uitstrekt op genoemde corresponderende zijde 20.
Bij grote voorkeur kan de bevestigingsconstructie 1 een bevestigingsconstructie voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig zijn.
Op gemerkt wordt dat het eerste en/of het tweede buitenspiegel-onderdeel 10, 20 een samengesteld onderdeel, zoals een spiegelverstelmechanisme, kan zijn dat meerdere onderdelen omvat. In de getoonde uitvoeringsvormen is het eerste onderdeel 10 bijvoorbeeld een spiegelverstelmechanisme 10, dat, zoals bijvoorbeeld te zien is in Figuur 3, bijvoorbeeld een eerste gedeelte 10a kan hebben, waarop een reflecterend onderdeel of een spiegeldraagplaat voor het dragen van een reflecterend oppervlak kan worden gemonteerd, en welk eerste gedeelte 10a om bijvoorbeeld één of twee assen scharnierbaar is ten opzichte van een tweede gedeelte 10b dat bijvoorbeeld in hoofdzaak star verbonden kan worden met het tweede onderdeel 20, dat bijvoorbeeld een spiegelkap of, zoals bijvoorbeeld in de uitvoeringsvoorbeelden van Figuren 2 en 3, een drager 20 kan zijn. Hoewel de drager 20 bijvoorbeeld een integraal onderdeel van een spiegelkap of spiegelkap deel kan uitmaken, kan de drager 20 alternatief een apart onderdeel zijn dat bijvoorbeeld in hoofdzaak onbeweegbaar kan zijn vastgezet in, op of aan de spiegelkap of het spiegelkapdeel. Hoewel de spiegelkap gewoonlijk roteerbaar is om een basis-as, die dan bijvoorbeeld onderdeel van een in hoofdzaak onbeweegbaar aan het motorvoertuig vast te zetten basisdeel kan zijn, kan de spiegelkap eventueel ook in hoofdzaak onbeweegbaar vastgezet zijn op het basisdeel of zelfs direct op het motorvoertuig, bijvoorbeeld op een deur daarvan. Verder kan het basisdeel van de buitenspiegeleenheid in hoofdzaak onbeweegbaar vastgezet zijn op het motorvoertuig, bijvoorbeeld op een deur daarvan.
Opgemerkt wordt dat, hoewel, in het in de tekening getoonde voorbeeld, de constructie 1 een eerste onderdeel 10 omvat dat door een spiegelverstelmechanisme 10 is gevormd en een tweede onderdeel 20 dat door een drager 20 is gevormd, de constructie 1 in alternatieve uitvoeringsvormen een reflecterend onderdeel of een spiegeldraagplaat als eerste of tweede onderdeel kan hebben dat dan bijvoorbeeld op of aan een spiegelverstelmechanisme 10 kan worden gemonteerd dat dan als tweede, respectievelijk eerste, onderdeel fungeert. Additioneel of alternatief kan een verbinding tussen een drager en een spiegelkap of spiegelkapdeel en/of een verbinding tussen een basisdeel en een carrosserie- of deurdeel van het motorvoertuig een bevestigingsconstructie 1 volgens een aspect van de uitvinding vormen. De betreffende samenwerkende delen van een buitenspiegeleenheid kunnen dan als eerste onderdeel 10, respectievelijk als tweede onderdeel 20 worden uitgevoerd.
Zoals bijvoorbeeld te zien is in de uitvoeringsvoorbeelden van Figuren la en lb, omvat het eerste onderdeel 10 een frame 11 dat is ingericht om samen te werken met het tweede onderdeel 20 ten einde dat het eerste onderdeel 10 ten minste in de axiale richting 2 in hoofdzaak onbeweegbaar met genoemde tweede onderdeel 20 verbonden kan zijn tijdens gebruik.
Het frame 11 van genoemde eerste onderdeel 10 huisvest een veerkrachtig element 12, dat zodanig is gehuisvest dat het frame 11 genoemde veerkrachtige element 12 ten minste plaatselijk kan toestaan om, tijdens montage van het eerste onderdeel 10 aan het tweede onderdeel 20, weg te veren of te verbuigen in een zijwaartse, bijvoorbeeld radiale, richting 3 die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting 2 uitstrekt. Genoemde zijwaartse richting 3 kan bij voorkeur een binnenwaartse richting 3 zijn, zodat, bijvoorbeeld in het geval van een ringvormig veerkrachtig element 12, de ring in in hoofdzaak radiaal binnenwaartse richting 3 kan inveren. Echter, genoemde zijwaartse richting 3 kan ook een andere richting zijn, bijvoorbeeld een buitenwaartse, bij voorkeur een buitenwaartse in hoofdzaak radiale, richting. Voorts is het frame 11 tevens zodanig ingericht dat het het veerkrachtige element 12 ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant 2b op door te buigen en/of door te buigen in genoemde axiale richting 2, en bij voorkeur tevens plaatselijk verhindert de andere, tegenovergestelde, kant 2 a op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting 2. Hierbij wordt opgemerkt dat genoemde axiale richting 2 een richting kan zijn die in hoofdzaak dwars op de zijwaartse of radiale richting 3 staat.
Bijvoorbeeld daartoe kan het frame 11 van ondersteunings-middelen 13a, 13b zijn voorzien die het veerkrachtige element 12 respectievelijk aan de bovenzijde en onderzijde ondersteunen en verhinderen door te buigen en/of weg te veren en/of die het veerkrachtige element 12 verhinderen in axiale richting 2 te verschuiven ten opzichte van het frame 11 van het eerste onderdeel. Bij voorkeur kunnen ondersteuningsmiddelen 13a voor het het veerkrachtige element 12 plaatselijk verhinderen in opwaartse of voorwaartse richting 2a door te buigen en/of weg te veren, ten minste zijn voorzien op of nabij een plaats 7 of plaatsen 7 waar het veerkrachtige element 12 tijdens het monteren in zijwaartse richting wordt weggeduwd.
In het geval van een ringvormig veerkrachtig element 12, kunnen de ondersteuningsmiddelen 13a, 13b de ring 12 ten minste plaatselijk verhinderen door te buigen en/of weg te veren, althans ten minste één kant 2a, 2b op in een richting die in hoofdzaak parallel aan de centrale as 12a van de ring 12 loopt. In het geval van een ring 12 kan de constructie 1 het doorbuigen en/of het plaatselijk wegveren van genoemde ring 12 verhinderen in ten minste één richting 2 a, 2b die zich in hoofdzaak dwars op het vlak uitstrekt waarin zich de omtreksas 12b van het lichaam van de ring 12 uitstrekt.
Opgemerkt wordt dat de bevestigingsconstructie 1 ingericht is om het veerkrachtige element 12, tijdens het op elkaar plaatsen van het eerste en het tweede onderdeel 10, 20, wat bij grote voorkeur ten minste gedeeltelijk kan gebeuren door genoemde onderdelen 10, 20 in hoofdzaak in de axiale richting 2, 2a op elkaar te klikken, in genoemde zijwaartse richting 3 weg te laten veren en/of door te laten buigen en vervolgens ten minste gedeeltehjk te laten terugveren. Daartoe kan niet alleen het eerste onderdeel 10, in het bijzonder het frame 11 daarvan, zijn ingericht om ten minste plaatselijke het gedeeltelijk wegveren, bijvoorbeeld in- of uitveren, van het veerkrachtige element 12 toe staan, bijvoorbeeld door plaatselijk een ruimte opzij van het veerkrachtige element 12 vrij te laten, maar kan ook het tweede onderdeel 20 plaatselijk een ruimte vrij laten die tijdens het op elkaar plaatsen van het eerste en tweede onderdeel 10, 20 opzij van het veerkrachtige element 12 is gelegen.
Voorts is het tweede onderdeel 20 ingericht om het ten minste gedeeltehjk teruggeveerde veerkrachtige element 12 ten minste in axiale richting 2 vast te houden.
Het genoemde veerkrachtige element 12 kan bij voorkeur een ten minste gedeeltehjk veerkrachtige ring 12 zijn. De ring kan bijvoorbeeld een gesloten ring zijn, die bijvoorbeeld rond of O-vormig kan zijn. De ring kan alternatief een onderbroken ring zijn, bijvoorbeeld een C-vormige ring.
Opgemerkt wordt dat, hoewel het eerste onderdeel 10 in de hier getoonde uitvoeringsvormen een enkel veerkrachtige element 12 omvat om het eerste en het tweede onderdeel op elkaar te monteren, het eerste onderdeel 10 in alternatieve uitvoeringsvormen meerdere veerkrachtige onderdelen kan omvatten die elk ten minste gedeeltehjk in hoofdzaak in een respectievehjke zijwaartse richting kunnen worden weggeduwd, weggeveerd en/of doorgebogen, bij voorkeur in zijwaartse richtingen die in hoofdzaak in hetzelfde vlak liggen, zoals een vlak dat in hoofdzaak dwars staat op genoemde axiale richting 2.
Daarnaast wordt op gemerkt dat het veerkrachtige element 12 bijvoorbeeld gemaakt kan zijn van een veerkrachtig materiaal, of dat kan omvatten. Genoemde veerkrachtige materiaal kan bijvoorbeeld een metaal zijn, zoals staal, bij voorkeur verzinkt staal en/of roestvast staal, en/of kan een veerkrachtig kunststof zijn, bij voorkeur een in hoofdzaak niet-relaxerend kunststof, zoals PEEK.
Opgemerkt wordt dat het veerkrachtige element 12 in genoemde axiale richting 2, na het op elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel 10, 20, in hoofdzaak voorspanningsloos kan zijn opgesloten, althans voorspanningsloos in de axiale richting 2. Dit wil zeggen dat het veerkrachtige element 12 zich dan in een toestand kan bevinden waarin het in de axiale richting in hoofdzaak niet is verbogen en het in hoofdzaak niet is voorgespannen in de axiale richting 2.
In uitvoeringsvoorbeelden kan het tweede onderdeel 20 een opnamedeel 21 omvatten dat is ingericht om samen te werken met het eerste onderdeel 10, bijvoorbeeld door daar ten minste een gedeelte, zoals een gedeelte van het frame 11, van het eerste onderdeel 10 in op te nemen. Genoemde opnamedeel 21 kan ten minste één steunelement 22 omvatten waartegen het met het tweede onderdeel 20 te verbinden eerste onderdeel 10 kan aanliggen tijdens gebruik. Genoemde steunelement 22 kan tijdens gebruik verhinderen dat genoemde eerste onderdeel 10 ten opzichte van het tweede onderdeel 20 verder kan worden bewogen in hoofdzaak in de richting van een plaatsingsrichting 6 waarin het eerste onderdeel 10 en het tweede onderdeel 20 tijdens het aan elkaar bevestigen naar elkaar toe worden bewogen.
Het tweede onderdeel 20, bij voorkeur op of nabij het opnamedeel 21 daarvan, kan voorts één of meerdere van een aanslagvlak 23 voorziene blokkeerelementen 24 omvatten die zijn ingericht om tijdens gebruik het veerkrachtige element 11 van het eerste onderdeel 10 ten minste gedeeltelijk zodanig te blokkeren dat genoemde veerkrachtige element 12 in hoofdzaak wordt verhinderd te bewegen in een richting 6b in hoofdzaak tegengesteld aan genoemde plaatsingsrichting 6. Opgemerkt wordt dat de plaatsingsrichting 6 zich bij grote voorkeur uitstrekt in in hoofdzaak de axiale richting 2 van de bevestigingsconstructie 1.
Optioneel kan het tweede onderdeel 20, bij voorkeur op of nabij het opnamedeel 21 daarvan, zijn voorzien van één of meerdere oploopvlakken 25 voor het plaatselijk zijwaarts, bijvoorbeeld radiaal, doen wegveren en/of doorbuigen van het veerkrachtige element 12 van genoemde eerste onderdeel 10 tijdens het op elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel 10, 20. Genoemde oploop vlak 25 kan, in de axiale richting 2 en/of in de plaatsingsrichting 6 gezien, schuin aflopen en/of zijn ingericht om het veerkrachtige element 12 ten minste plaatselijk te doen vervormen.
Op gemerkt wordt dat ten minste één oploop vlak 25 bijvoorbeeld voorzien kan zijn op een blokkeerelement 24. Echter kunnen het van een aanslagvlak 23 voorziene blokkeerelement 24 en het oploopvlak 25 ook elk door aparte elementen worden gevormd.
In uitvoeringsvormen kan het aanslagvlak 23, in genoemde axiale richting 2 gezien, aflopen in een richting naar het steunelement 22. Bij voorkeur kan dit zodanig dat, wanneer gedurende de levensduur een axiale afstand 8 tussen aanslagvlak 23 en steunelement 22 onder invloed van relaxatie na verloop van tijd in zeer geringe mate toeneemt, en het veerkrachtige element 12 is voorgespannen in een zijwaartse, bij voorkeur radiale, richting 3b, genoemde veerkrachtige element 12 nog iets verder in genoemde zijwaartse richting 3b terugveert en daardoor kan compenseren voor genoemde toename. Dit, doordat het veerkrachtige element 12 dan op een iets lager punt tegen het door relaxatie enigszins omhoog geschoven aanslagvlak 23 kan aanliggen. Hierdoor kan in het geval van enige relaxatie in het materiaal van het tweede onderdeel 20, als gevolg waarvan bijvoorbeeld het blokkeerelement 25 en het steunelement 22, gezien in genoemde plaatsingsrichting 6 en/of axiale richting 2, in enige mate van elkaar vandaan bewegen, en/of in het geval van enige relaxatie in het materiaal van het eerste onderdeel 10, worden gefaciliteerd dat genoemde tweede onderdeel 20 desalniettemin ten minste in axiale richting 2 in hoofdzaak onbeweegbaar vast kan blijven zitten op genoemde eerste onderdeel 10.
Hoewel het eerste en het tweede onderdeel 10, 20 van de bevestigingsconstructie 1 in de axiale richting 2 in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezette onderdelen zijn, waarbij verhinderd wordt dat genoemde onderdelen in axiale richting ten opzichte van elkaar verschuiven, kunnen genoemde onderdelen 10, 20 bovendien zijn verhinderd om ten opzichte van elkaar in een zijwaartse richting, die in hoofdzaak dwars op de axiale richting 2 staat, ten opzichte van elkaar te verschuiven en/of verhinderd zijn om ten opzichte van elkaar te verdraaien. Daartoe kunnen het eerste en het tweede onderdeel dusdanig zijn ingericht dat in de gemonteerde toestand wordt verhinderd dat het eerste onderdeel ten opzichte van het tweede onderdeel kan worden verdraaid, in het bijzonder om een virtuele as 2 die in hoofdzaak parallel loopt aan de plaatsingsrichting 6, en/of kan worden verschoven, in het bijzonder in hoofdzaak in een vlak waarin de zijwaartse, bij voorkeur radiale, richting 3 zich uitstrekt en/of een vlak dat dwars staat op genoemde axiale richting 2. Bij grote voorkeur kan het eerste onderdeel 10 en/of het frame 11 daarvan in hoofdzaak star, stijf of onbeweegbaar met het tweede onderdeel 20 zijn verbonden.
Teneinde zijwaartse verplaatsing van het eerste onderdeel 10 ten opzichte van het tweede onderdeel 20 tegen te gaan of zelfs te voorkomen kan een gedeelte van het eerste onderdeel 10, bijvoorbeeld het frame 11 daarvan, ten minste gedeeltelijk in een opnamedeel 21 van het tweede onderdeel 20 zijn geplaatst. Alternatief of additioneel kan een gedeelte van het eerste onderdeel 10, bijvoorbeeld een frame 11 daarvan, ten minste gedeeltelijk om een opnamedeel van het tweede onderdeel zijn geplaatst. Bijvoorbeeld in dat laatste geval kan het bijvoorbeeld voordebg zijn dat het veerkrachtige element 12 ten minste plaatselijk in een buitenwaartse richting weg wordt geveerd tijdens montage van het eerste onderdeel 10 op, om of aan het tweede onderdeel 20.
Additioneel of alternatief kan het betreffende eerste of tweede onderdeel 10, 20 gedeeltebjk zodanig in het andere onderdeel 20, 10 zijn opgesloten met behulp van een vormsluiting dat het betreffende onderdeel in hoofdzaak niet ten opzichte van genoemde andere onderdeel 20, 10 kan roteren. In de in Figuren lb-3 getoonde uitvoeringsvormen is daartoe het blokkeerelement 24 in de gemonteerde toestand tussen rotatiebegrenzers 14 gevat die elk kunnen tegengaan of verhinderen dat het eerste onderdeel 10 een bepaalde kant op kan verdraaien ten opzichte van het tweede onderdeel 20, in het bijzonder in hoofdzaak om de axiale richting 2. Bijvoorbeeld kunnen genoemde rotatiebegrenzers 14 als ribben zijn gevormd die zich bijvoorbeeld in hoofdzaak in de axiale richting 2 uitstrekken en/of worden gevormd door de ondersteuningsmiddelen 13a die plaatselijk verhinderen dat het veerkrachtige element 12 omhoog 2a kan doorbuigen en/of wegveren. Opgemerkt wordt dat één of meerdere elementen van het eerste en/of van het tweede onderdeel die voor de vormopsluiting bedoeld en/of geschikt kunnen zijn tevens voor geleiding zouden kunnen dienen tijdens het op elkaar klikken van het eerste en het tweede onderdeel 10, 20.
Tijdens het aan elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel kunnen het eerste onderdeel 10 en een tweede onderdeel 20 in hoofdzaak in een plaatsingsrichting 6 of zogenaamde vastzetrichting 6 naar elkaar toe worden bewogen. Hierbij kan ten minste een gedeelte van een in een frame 11 van het eerste onderdeel 10 vastgehouden veerkrachtig element 12, zoals een veerkrachtige ring 12, met behulp van een oploopvlak 25 van het tweede onderdeel 20 plaatselijk ten minste gedeeltelijk zijwaarts 3 wordt weggeduwd teneinde genoemde veerkrachtige element 12 plaatselijk langs een blokkeerelement 24 van genoemde tweede onderdeel 20 te kunnen laten passeren. Vervolgens kan genoemde veerkrachtige element 12 worden toegestaan ten minste gedeeltelijk zodanig terug te veren en/of terug te buigen dat genoemde veerkrachtige element 12, ook wel vasthoudelement 12 genaamd, vervolgens aangrijpt onder genoemde blokkeerelement 24 teneinde te verhinderen dat het eerste onderdeel 10 in een richting 6b in hoofdzaak tegengesteld aan de plaatsingsrichting 6 kan worden losgenomen van genoemde tweede onderdeel 20.
Op gemerkt wordt dat tijdens het plaatsen het eerste onderdeel 10 ook gedeeltelijk kan worden gekanteld ten opzichte van de axiale richting 2. Zo kan een gedeelte van het veerkrachtige element 12 bijvoorbeeld in een schuine richting onder een eerste blokkerelement 24 worden geschoven zonder het veerkrachtige element 12 plaatselijk in of weg te duwen. Vervolgens kan het eerste onderdeel 10 worden vastgeklikt door het veerkrachtig element 12 en/of door andere veerkrachtige elementen met behulp van één of meerdere oploop vlakken 25 plaatselijk opzij te duwen zodat het veerkrachtig element 12 en/of de andere veerkrachtige elementen onder één of meerdere betreffende verdere blokkerelementen 24 terecht kan komen om met behulp daarvan te worden opgesloten. Hoewel op een dergelijke wijze het eerste onderdeel 10 enigszins wordt gekanteld tijdens het monteren, wordt opgemerkt dat het eerste onderdeel 10 ook op deze wijze op het tweede onderdeel 20 wordt bevestigd in een plaatsingsrichting 6 die wordt beschouwd als zich in hoofdzaak in een axiale richting 2 uitstrekkende.
In uitvoeringsvormen kan de bevestigingsconstructie 1 zijn ingericht om te faciliteren dat het eerste onderdeel 10 relatief eenvoudig, gemakkelijk, en/of met relatief weinig schade kan worden gedemonteerd van het tweede onderdeel 20. In Figuur 4 wordt een alternatieve uitvoeringsvorm van het eerste onderdeel 10 van de bevestigingsconstructie 1 getoond dat is ingericht om het veerkrachtige element 12 relatief eenvoudig te kunnen verwijderen wanneer het eerste onderdeel 10, dat bijvoorbeeld een spiegeldraagplaat voor het dragen van een reflecterend oppervlak of een reflecterend onderdeel zoals een spiegelplaat 10 kan zijn, bevestigd is op een tweede onderdeel 20.
Het veerkrachtige element 12 kan daartoe zijn uitgevoerd als een langgerekt niet-gesloten of zogenaamd open ringvormig lichaam, welk ringvormig lichaam bijvoorbeeld een in hoofdzaak cirkelvormige doorsnede 12a kan hebben. De ringvorm kan bijvoorbeeld een C-vorm, een U-vorm of een Ω-vorm zijn of benaderen. Door aan een eerste of een tweede uiteinde 12c van genoemde langgerekte lichaam van het veerkrachtige element 12 te trekken kan het veerkrachtige element 12 in hoofdzaak in de richting waarin genoemde element 12 zich tijdens gebruik uitstrekt uit het frame 11 worden getrokken, wanneer genoemde veerkrachtige element 12 voldoende vervormbaar is. Om tegen te gaan dat het andere uiteinde 12d het uittrekken van het ringvormige veerkrachtige element 12 relatief veel kan hinderen kan genoemde andere uiteinde 12d relatief flexibel en/of niet of nauwelijks veerkrachtig zijn ten opzichte van het hoofddeel van de ring 12 dat één of meerdere veerkrachtige zones 12e kan omvatten die op hun beurt minder flexibel, stijver en/of veerkrachtiger kunnen zijn.
Figuur 5 toont een verdere alternatieve bevestigingsconstructie 1 die is ingericht om het demonteren te kunnen faciliteren. Net als het in Figuren la-3 getoonde uitvoeringsvoorbeeld heeft de in Figuur 5 getoonde bevestigingsconstructie 1 een eerste onderdeel 10 dat een frame heeft 11 dat een veerkrachtige element 12 heeft dat ten minste plaatselijk, bijvoorbeeld op drie plekken 7, naar binnen kan veren met behulp van (niet in Figuur 5 zichtbare) oploopvlakken 25 die op een tweede onderdeel 20 zijn voorzien. Nadat het eerste onderdeel 10 ver genoeg in de plaatsingsrichting 6 naar het tweede onderdeel 20 toe is gedrukt, kan het ten minste plaatselijk ingeveerde veerkrachtige element 12 ten minste gedeeltelijk terug uitveren teneinde zo ten minste gedeeltelijk onder een (niet in Figuur 5 zichtbaar) aanslagvlak 23 van een (niet in Figuur 5 zichtbaar) blokkeerelement 24 terecht te komen dat vervolgens kan verhinderen dat het eerste onderdeel 10 van het tweede onderdeel 20 kan worden weggenomen in een richting 6b tegengesteld aan de plaatsingsrichting 6.
Om toch een relatief eenvoudige demontage mogehjk te maken, waarbij het risico dat één of meerdere onderdelen ongewild beschadigd raken relatief klein kan worden gehouden, kan de bevestigingsconstructie 1 en/of het tweede onderdeel 20 zodanig zijn ingericht dat het ten minste tijdelijk kan toestaan dat tenminste één en bij voorkeur meerdere of alle blokkeerelementen 24 weg kunnen bewegen vanaf de positie waarin het betreffende blokkeerelement 24 het veerkrachtige element 12 ten minste gedeeltelijk blokkeert. Bijvoorbeeld kan een blokkeerelement 24 ten minste gedeeltelijk in een zijwaartse of in hoofdzaak radiale richting 3c van het veerkrachtige element 12, bij voorkeur in een richting 9 in hoofdzaak gelijkgericht aan de richting 3b waarin het veerkrachtige element 12 ten minste gedeeltelijk terugveerde nadat deze initieel weg was geveerd tijdens het aan elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel 10, 20.
Optioneel kan de bevestigingsconstructie 1 of het eerste onderdeel 10 zijn ingericht om het blokkeerelement 24 weg te doen bewegen, bij voorkeur weg te duwen, van de positie waarin het het veerkrachtige element 12 ten minste gedeeltelijk blokkeert. Daartoe kan een bevestigingsconstructie 1, die kan zijn ingericht om een rotatie in hoofdzaak rond een centrale as van genoemde constructie 1 tot op zekere hoogte tegen te gaan, bijvoorbeeld met behulp van rotatiebegrenzers 14 zoals ribben 13a die op een blokkeerelement 24 aangrijpen, zo zijn ingericht dat, wanneer de kracht of het moment is overwonnen die de rotatie 30 kan verhinderen, het ten opzichte van het tweede onderdeel 20 roterende eerste onderdeel 10 de op het tweede onderdeel 20 voorziene blokkeerelement 24 wegduwt. Hiertoe kan het blokkeerelement 24 bijvoorbeeld op een zwenkarm 26 zijn voorzien die bij voldoende belasting in enige mate in zijn wegzwenkrichting 9 kan wegzwenken. Daartoe kan het eerste onderdeel 10 voorzien zijn van één of meerdere oploopvlakken 29 die kunnen samenwerken met één of meerdere oploopvlakken 19 van het eerste onderdeel 10, welke laatste vlakken 19 bij voorkeur op een betreffende zwenkarm 26 kunnen zijn voorzien. Bij voorkeur is genoemde zwenkarm 26 in een gebruikstoestand waarin het eerste en het tweede onderdeel op elkaar zitten bevestigd niet of nauwelijks voorgespannen in een richting die in hoofdzaak gelijk is aan de axiale richting 2 en/of in een bevestigingsrichting 6 of een richting 6b tegengesteld daaraan.
Zoals opgemerkt kan het eerste of tweede onderdeel 10, 20 bij voorkeur een buitenspiegelonderdeel voor een buitenspiegeleenheid, in het bijzonder voor een motorvoertuig, zijn en/of kan het eerste of tweede onderdeel een carrosserieonderdeel voor een motorvoertuig, bij voorkeur een onderdeel van een deur, in het bijzonder een voordeur, van het motorvoertuig zijn.
De uitvinding heeft voorst betrekking op een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, omvattende ten minste één bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, of carrosserieonderdeel volgens één of meerdere aspecten van de hierin beschreven uitvinding.
Daarnaast heeft de uitvinding betrekking op een motorvoertuig voorzien van ten minste één bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel of buitenspiegeleenheid volgens één of meerdere aspecten van de hierin beschreven uitvinding.
Opgemerkt wordt dat voor het doel van duidelijkheid en een beknopte beschrijving elementen of kenmerken hierin zijn beschreven als deel van dezelfde of verschillende uitvoeringsvoorbeelden en dat de omvang van de uitvinding uitvoeringsvormen kan omvatten die combinaties van alle of sommige van de beschreven elementen of kenmerken.
Het zal duidelijk zijn dat elk van de getoonde en beschreven buitenspiegeleenheden en bevestigingsconstructies en elk element van de getoonde en beschreven bevestigingsconstructie- en/of buitenspiegel-onderdelen ook geacht wordt afzonderlijk te zijn beschreven en getoond en ook individueel kan worden toegepast en/of in combinatie met ten minste één ander element kan worden toegepast en geacht wordt hierin ook als zodanig te zijn beschreven.
Voorts wordt opgemerkt dat de uitvinding is niet beperkt tot de hier beschreven uitvoeringsvoorbeelden. Vele varianten zijn mogelijk.
Zo moge het de vakman bijvoorbeeld duidelijk zijn dat het veerkrachtige element dat in de in de tekening getoonde uitvoeringsvoorbeelden steeds op drie plekken plaatsehjk kan worden verbogen of weggeveerd in alternatieve uitvoeringsvormen op een ander aantal plaatsen, bijvoorbeeld op één, twee, vier, vijf of zes plaatsen, kan worden verbogen of weggeveerd. Bij voorkeur kunnen genoemde plaatsen in omtreksrichting in hoofdzaak gelijkmatig verdeelde geplaatst zijn.
Verder wordt opgemerkt dat, hoewel in de voorbeelden die in de zijn getoond het eerste onderdeel, dat voorzien is van het het veerkrachtige element huisvestende frame, wordt gevormd door een spiegelverstelmechanisme en het tweede onderdeel door een drager wordt gevormd, in alternatieve uitvoeringsvormen juist een drager het eerste, van genoemde frame voorziene, onderdeel van de constructie kan vormen, waarbij dan een spiegelverstelmechanisme, of een gedeelte daarvan, het tweede onderdeel van genoemde constructie kan vormen.
Zoals hierboven reeds is opgemerkt kan de constructie in alternatieve uitvoeringsvormen ook een reflecterend onderdeel of een spiegeldraagplaat als eerste of als tweede onderdeel omvatten, welk respectievelijke onderdeel dan bijvoorbeeld op of aan een spiegelverstelmechanisme kan worden gemonteerd dat dan als tweede, respectievehjk als eerste, onderdeel kan fungeren. Additioneel of alternatief kan een verbinding tussen een drager en een spiegelkap of spiegelkapdeel en/of een verbinding tussen een basisdeel en een carrosseriedeel of een deurdeel van het motorvoertuig een bevestigingsconstructie vormen volgens een aspect van de onderhavige uitvinding. De betreffende samenwerkende delen van een buitenspiegeleenheid kunnen dan als eerste onderdeel, respectievelijk als tweede onderdeel, zijn uitgevoerd.
Dergelijke en andere varianten zullen de vakman duidelijk zijn en worden geacht te liggen binnen het bereik van de uitvinding, zoals verwoord in de hiernavolgende conclusies.
Claims (17)
1. Bevestigingsconstructie, in het bijzonder voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, omvattende twee ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar aan elkaar vastgezette onderdelen, waarbij een eerste van beide onderdelen een frame omvat dat is ingericht om samen te werken met het tweede onderdeel ten einde dat het eerste onderdeel daar ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar mee verbonden kan zijn tijdens gebruik, waarbij het frame van genoemde eerste onderdeel een veerkrachtig element, bij voorkeur een veerkrachtige ring, zodanig huisvest dat het frame genoemde veerkrachtige element ten minste plaatselijk kan toestaan om, tijdens montage van het eerste onderdeel aan het tweede onderdeel, te verbuigen en/of weg te veren in een zijwaartse, bijvoorbeeld in hoofdzaak radiale, richting die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting uitstrekt, terwijl het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting, waarbij de bevestigingsconstructie is ingericht om het veerkrachtige element tijdens het op elkaar plaatsen van het eerste en het tweede onderdeel in genoemde zijwaartse richting weg te laten veren en/of door te buigen en vervolgens ten minste gedeeltelijk te laten terugveren en/of terugbuigen, en waarbij het tweede onderdeel is ingericht om het ten minste gedeeltelijk teruggeveerde en/of teruggebogen veerkrachtige element ten minste in axiale richting vast te houden.
2. Bevestigingsconstructie volgens conclusie 1, waarbij het veerkrachtige element in genoemde axiale richting in hoofdzaak voorspanningsloos is opgesloten.
3. Bevestigingsconstructie volgens conclusie 1 of 2, waarbij het veerkrachtige element gemaakt is van een metaal, bij voorkeur staal, zoals verzinkt staal en/of roestvast staal, of dat omvat.
4. Bevestigingsconstructie volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert in genoemde axiale richting genoemde ene kant op door te buigen en/of genoemde ene kant op weg te veren, en waarbij het frame het veerkrachtige element tevens ten minste plaatselijk verhindert om in de axiale richting de tegenovergestelde kant op door te buigen en/of weg te veren.
5. Bevestigingsconstructie volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het tweede onderdeel een opnamedeel omvat dat is ingericht om samen te werken met het eerste onderdeel, waarbij genoemde opnamedeel ten minste één steunelement omvat waartegen het met het tweede onderdeel te verbinden eerste onderdeel kan aanliggen tijdens gebruik en dat kan verhinderen dat genoemde eerste onderdeel verder kan worden bewogen in in hoofdzaak de richting van een plaatsingsrichting waarin het eerste onderdeel en het tweede onderdeel tijdens het aan elkaar bevestigen naar elkaar toe worden bewogen, en waarbij het tweede onderdeel, bij voorkeur op of nabij het opnamedeel daarvan, voorts één of meerdere van een aanslagvlak voorziene blokkeerelementen omvat die zijn ingericht om tijdens gebruik het veerkrachtige element van het eerste onderdeel ten minste gedeeltehjk zodanig te blokkeren dat genoemde veerkrachtige element in hoofdzaak wordt verhinderd te bewegen in een richting in hoofdzaak tegengesteld aan genoemde plaatsingsrichting.
6. Bevestigingsconstructie volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het tweede onderdeel, bij voorkeur op of nabij het opnamedeel daarvan, is voorzien van één of meerdere oploopvlakken voor het het veerkrachtige element van genoemde eerste onderdeel plaatselijk zijwaarts, bijvoorbeeld in hoofdzaak radiaal, weg doen veren tijdens het op elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel.
7. Bevestigingsconstructie volgens conclusies 5 en 6, waarbij ten minste één van genoemde één of meerdere blokkeerelementen is voorzien van het oploop vlak of van ten minste één van de oploopvlakken.
8. Bevestigingsconstructie volgens één van conclusies 5-7, waarbij het aanslagvlak in genoemde axiale richting gezien afloopt in een richting naar het steunelement, bij voorkeur zodanig dat wanneer tijdens het elkaar vasthouden van het eerste en tweede onderdeel een axiale afstand tussen aanslagvlak en steunelement onder invloed van relaxatie na verloop van tijd in zeer geringe mate toeneemt, en het veerkrachtige element is voorgespannen in een zijwaartse, bij voorkeur radiale, richting, genoemde veerkrachtige element in enige mate verder in genoemde zijwaartse richting terugveert en daardoor kan compenseren voor genoemde toename, doordat het veerkrachtige element dan op lager punt tegen het door relaxatie enigszins omhoog geschoven aanslagvlak kan aanliggen.
9. Bevestigingsconstructie volgens één van conclusies 5-8, waarbij, teneinde demontage te faciliteren, de bevestigingsconstructie en/of het tweede onderdeel is ingericht om ten minste tijdelijk toe te laten dat het blokkeerelement of ten minste één van de blokkeerelementen weg kan bewegen vanaf de positie van het betreffende blokkeerelement waarin het het veerkrachtige element tijdens gebruik ten minste gedeeltelijk blokkeert, bij voorkeur ten minste gedeeltelijk in een zijwaartse of in een in hoofdzaak radiale richting van het veerkrachtige element, bij grotere voorkeur in een richting in hoofdzaak gelijkgericht aan de richting waarin het veerkrachtige element ten minste gedeeltelijk terugveerde en/of terugboog nadat deze initieel weg was geveerd en/of weggebogen tijdens het aan elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel.
10. Bevestigingsconstructie volgens conclusie 9, waarbij de bevestigingsconstructie en/of het eerste onderdeel is ingericht om het blokkeerelement of ten minste één van de blokkeerelementen weg te doen bewegen vanaf de positie van het betreffende blokkeerelement waarin het het veerkrachtige element ten minste gedeeltelijk blokkeert, bij voorkeur ten minste gedeeltelijk in genoemde zijwaartse of in hoofdzaak radiale richting van het veerkrachtige element, bij grotere voorkeur in de richting die in hoofdzaak gelijkgericht is aan de richting waarin het veerkrachtige element ten minste gedeeltelijk terugveerde nadat deze initieel weg was geveerd en/of weg was gebogen tijdens het aan elkaar bevestigen van het eerste en het tweede onderdeel.
11. Bevestigingsconstructie volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het eerste en het tweede onderdeel dusdanig zijn ingericht dat in de gemonteerde toestand wordt verhinderd dat het eerste onderdeel ten opzichte van het tweede onderdeel kan worden verdraaid, in het bijzonder om een virtuele as in hoofdzaak parallel aan de plaatsingsrichting en/of axiale richting, en/of kan worden verschoven, in het bijzonder in een vlak waarin de zijwaartse, bij voorkeur radiale, richting zich uitstrekt en/of dat dwars staat op genoemde axiale richting.
12. Buitenspiegelonderdeel voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, in het bijzonder voor gebruik als het eerste onderdeel in een bevestigingsconstructie volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het buitenspiegelonderdeel is ingericht om samen te werken met een tweede buitenspiegelonderdeel of met het motorvoertuig ten einde daar ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar mee verbonden te kunnen zijn tijdens gebruik, waarbij het eerste buitenspiegelonderdeel een frame omvat dat een veerkrachtig element, bij grote voorkeur een veerkrachtige ring, zodanig huisvest dat het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk kan toestaan tijdens montage te verbuigen en/of weg te veren in een zijwaartse, bij voorkeur in hoofdzaak radiale, richting die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting uitstrekt, terwijl het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting.
13. Carrosserieonderdeel voor een motorvoertuig, bij voorkeur een onderdeel van een deur, in het bijzonder een voordeur, van het motorvoertuig, in het bijzonder waarbij het onderdeel geschikt is voor gebruik als het eerste onderdeel in een bevestigingsconstructie volgens één van conclusies 1-11, waarbij het carrosserieonderdeel is ingericht om samen te werken met een buitenspiegelonderdeel voor een buitenspiegeleenheid voor het motorvoertuig ten einde dat genoemde buitenspiegelonderdeel daar ten minste in een axiale richting in hoofdzaak onbeweegbaar mee verbonden kan zijn tijdens gebruik, waarbij het carrosserieonderdeel een frame omvat dat een veerkrachtige element, bij voorkeur een veerkrachtige ring, zodanig huisvest dat het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk kan toestaan tijdens montage te verbuigen en/of weg te veren in een zijwaartse, bij voorkeur in hoofdzaak radiale, richting die zich in hoofdzaak dwars op genoemde axiale richting uitstrekt, terwijl het frame het veerkrachtige element ten minste plaatselijk verhindert ten minste één kant op door te buigen en/of weg te veren in genoemde axiale richting.
14. Buitenspiegelonderdeel voor een buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, in het bijzonder waarbij het buitenspiegelonderdeel geschikt is voor gebruik als het tweede onderdeel in een bevestigingsconstructie volgens één van conclusies 1-11,waarbij genoemd buitenspiegelonderdeel een opnamedeel omvat dat is ingericht om samen te werken met een daar in hoofdzaak onbeweegbaar mee te verbinden ander onderdeel, in het bijzonder een ander buitenspiegelonderdeel, bijvoorbeeld volgens conclusie 12, of een carrosserieonderdeel van het motorvoertuig, bijvoorbeeld volgens conclusie 13, waarbij het opnamedeel ten minste één steunelement omvat waartegen het met genoemd buitenspiegelonderdeel te verbinden andere onderdeel kan aanliggen tijdens gebruik en dat kan verhinderen dat genoemde andere onderdeel verder kan worden bewogen in in hoofdzaak de richting van een plaatsingsrichting waarin het buitenspiegelonderdeel en genoemde andere onderdeel tijdens het aan elkaar bevestigen naar elkaar toe worden bewogen, en waarbij het opnamedeel voorts één of meerdere van een aanslagvlak voorziene blokkeerelementen omvat en is ingericht om tijdens gebruik een veerkrachtig element, gehuisvest in een frame van genoemde andere onderdeel, ten minste gedeeltehjk zodanig te blokkeren dat genoemde veerkrachtige element in hoofdzaak wordt verhinderd te bewegen in een richting tegengesteld aan genoemde plaatsingsrichting.
15. Buitenspiegeleenheid voor een motorvoertuig, omvattende ten minste één bevestigingsconstructie volgens één van de conclusies 1-11, ten minste één buitenspiegelonderdeel volgens conclusie 12, ten minste één carrosserieonderdeel volgens conclusie 13, en/of ten minste één buitenspiegelonderdeel volgens conclusie 14.
16. Motorvoertuig, omvattende ten minste één bevestigingsconstructie volgens één van de conclusies 1-11, ten minste één buitenspiegelonderdeel volgens conclusie 12, ten minste één carrosserieonderdeel volgens conclusie 13, ten minste één buitenspiegelonderdeel volgens conclusie 14, en/of ten minste één buitenspiegeleenheid volgens conclusie 15.
17. Werkwijze voor het bevestigen van een buitenspiegeleenheid of buitenspiegelonderdeel aan een motorvoertuig of voor het aan elkaar bevestigen van twee buitenspiegelonderdelen, waarbij een eerste onderdeel en een tweede onderdeel in hoofdzaak in een plaatsingsrichting naar elkaar toe worden bewogen teneinde beide onderdelen aan elkaar te bevestigen, waarbij ten minste een gedeelte van een in een frame van het eerste onderdeel vastgehouden veerkrachtig element, zoals een veerkrachtige ring, met behulp van een oploopvlak van het tweede onderdeel plaatselijk zijwaarts wordt weggeduwd teneinde genoemde veerkrachtige element plaatselijk langs een blokkeerelement van genoemde tweede onderdeel te laten passeren, waarbij genoemde veerkrachtige element vervolgens wordt toegestaan ten minste gedeeltelijk terug te veren en/of terug te buigen zodanig dat genoemde veerkrachtige element vervolgens aangrijpt onder genoemde blokkeerelement teneinde te verhinderen dat het eerste onderdeel in een richting in hoofdzaak tegengesteld aan de plaatsingsrichting kan worden losgenomen van genoemde tweede onderdeel.
Priority Applications (5)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2014026A NL2014026B1 (nl) | 2014-12-19 | 2014-12-19 | Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. |
| DE112015005660.2T DE112015005660B4 (de) | 2014-12-19 | 2015-12-17 | Befestigungsanordnung, Außenspiegelteil, Karosserieteil, Außenspiegeleinheit, Kraftfahrzeug und Verfahren |
| PCT/NL2015/050876 WO2016099270A1 (en) | 2014-12-19 | 2015-12-17 | Fastening construction, exterior mirror part, body part, exterior mirror unit, motor vehicle, and method |
| CN201580069584.0A CN107107827B (zh) | 2014-12-19 | 2015-12-17 | 紧固结构、外后视镜部件、车身部件、外后视镜单元、机动车辆及方法 |
| US15/536,981 US10493918B2 (en) | 2014-12-19 | 2015-12-17 | Fastening construction, exterior mirror part, body part, exterior mirror unit, motor vehicle, and method |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2014026A NL2014026B1 (nl) | 2014-12-19 | 2014-12-19 | Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2014026B1 true NL2014026B1 (nl) | 2016-10-12 |
Family
ID=52463094
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2014026A NL2014026B1 (nl) | 2014-12-19 | 2014-12-19 | Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. |
Country Status (5)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US10493918B2 (nl) |
| CN (1) | CN107107827B (nl) |
| DE (1) | DE112015005660B4 (nl) |
| NL (1) | NL2014026B1 (nl) |
| WO (1) | WO2016099270A1 (nl) |
Families Citing this family (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US10661714B2 (en) * | 2012-01-24 | 2020-05-26 | SMR Patents S.à.r.l. | Rearview device with moveable head assembly and method |
| NL2019778B1 (nl) * | 2017-10-20 | 2019-04-29 | Mci Mirror Controls Int Netherlands B V | Bevestigingsconstructie, in het bijzonder voor een buitenzichteenheid van een motorvoertuig |
| CN111212758B (zh) * | 2017-11-09 | 2023-09-01 | 沃尔沃卡车集团 | 用于车辆的后视镜组件 |
Citations (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP1170174A2 (de) * | 2000-07-07 | 2002-01-09 | Bühler Motor GmbH | Aufschnappen des Spiegelantriebs |
Family Cites Families (6)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE3330174A1 (de) | 1983-08-20 | 1985-03-07 | Reitter & Schefenacker Kg, 7300 Esslingen | Kraftfahrzeug-aussenrueckblickspiegel |
| DE19908888B4 (de) * | 1999-03-02 | 2006-09-14 | Bühler Motor GmbH | Verstellbarer Rückblickspiegel, insbesondere Außenspiegel für ein Kraftfahrzeug |
| US7370985B2 (en) * | 2002-12-30 | 2008-05-13 | Ian Boddy | Vehicular mirror with slip clutch for jack screw actuator |
| NL2003114C2 (nl) * | 2009-07-01 | 2011-01-04 | Mci Mirror Controls Int Nl Bv | Spiegelverstelinrichting. |
| NL2004141C2 (nl) * | 2010-01-25 | 2011-07-26 | Mci Mirror Controls Int Nl Bv | Buitenspiegeleenheid. |
| NL2006301C2 (nl) | 2010-10-06 | 2012-04-11 | Mci Mirror Controls Int Nl Bv | Verstelmechanisme. |
-
2014
- 2014-12-19 NL NL2014026A patent/NL2014026B1/nl active
-
2015
- 2015-12-17 DE DE112015005660.2T patent/DE112015005660B4/de active Active
- 2015-12-17 CN CN201580069584.0A patent/CN107107827B/zh active Active
- 2015-12-17 US US15/536,981 patent/US10493918B2/en active Active
- 2015-12-17 WO PCT/NL2015/050876 patent/WO2016099270A1/en not_active Ceased
Patent Citations (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP1170174A2 (de) * | 2000-07-07 | 2002-01-09 | Bühler Motor GmbH | Aufschnappen des Spiegelantriebs |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| WO2016099270A1 (en) | 2016-06-23 |
| CN107107827B (zh) | 2019-11-26 |
| DE112015005660B4 (de) | 2022-02-17 |
| DE112015005660T5 (de) | 2017-09-14 |
| US20170361773A1 (en) | 2017-12-21 |
| US10493918B2 (en) | 2019-12-03 |
| CN107107827A (zh) | 2017-08-29 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| NL2014026B1 (nl) | Bevestigingsconstructie, buitenspiegelonderdeel, carrosserieonderdeel, buitenspiegeleenheid, motorvoertuig en werkwijze. | |
| FR3046962B1 (fr) | Installation d'ecran et dispositif d'information pour un vehicule ainsi que son procede de fabrication | |
| JP2021504094A (ja) | 小売商品トレー | |
| US20130320170A1 (en) | Adjustable Multi-Monitor Support Assembly | |
| NL1019993C2 (nl) | Aandrijfinrichting voor verwijderbare schijf. | |
| CA2884553A1 (en) | Tilt assembly for use with a display screen | |
| FR2914245A1 (fr) | Dispositif de support a monter contre l'arriere d'un dossier d'un siege de cabine de pilotage. | |
| JP2009503619A (ja) | 滑動回転式ヒンジモジュール | |
| WO2013054017A1 (fr) | Support de projecteur pour vehicule automobile et projecteur correspondant | |
| EP3032353B1 (fr) | Porte-piton démontable | |
| US7300024B2 (en) | Display module for non-stable environments | |
| CN108431659A (zh) | 用于与光学轨道系统一起使用的光学部件支架系统 | |
| EP3099197B1 (fr) | Pierre montée sur un élément ressort | |
| EP3291025B1 (fr) | Amortisseur de chocs multilames | |
| US9946228B2 (en) | Tool-post for operations on timepiece movements | |
| EP3720769B1 (fr) | Dispositif d'accrochage comportant un système de rappel pour crochet de charge | |
| EP2474446A1 (en) | An aircraft light | |
| US8590854B1 (en) | Reading material support system | |
| EP2746089B1 (fr) | Support de boîtier d'affichage escamotable dans un véhicule et véhicule correspondant | |
| FR2960493A1 (fr) | Appui-tete et dispositif de montage d'accessoires sur ledit appui -tete | |
| EP3146378B1 (fr) | Dispositif de support d'une lame semi-réfléchissante amovible pour un afficheur tête haute | |
| EP3291027B1 (fr) | Amortisseur de chocs à membrane | |
| NL2022781B1 (nl) | Meubelstukglijder, meubelstuk, en werkwijze voor het van een meubelstukglijder voorzien van een meubelstuk | |
| FR3023229A1 (fr) | Agencement d'un dossier de siege de vehicule equipe d'une tablette destinee a accueillir un appareil multimedia et siege de vehicule comprenant un tel dossier | |
| EP3495709B1 (en) | Supporting frame |