BE1024755B1 - Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine - Google Patents
Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine Download PDFInfo
- Publication number
- BE1024755B1 BE1024755B1 BE2016/0178A BE201600178A BE1024755B1 BE 1024755 B1 BE1024755 B1 BE 1024755B1 BE 2016/0178 A BE2016/0178 A BE 2016/0178A BE 201600178 A BE201600178 A BE 201600178A BE 1024755 B1 BE1024755 B1 BE 1024755B1
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- suction nozzle
- waste
- stretching device
- weaving machine
- opening
- Prior art date
Links
Classifications
-
- D—TEXTILES; PAPER
- D03—WEAVING
- D03D—WOVEN FABRICS; METHODS OF WEAVING; LOOMS
- D03D47/00—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms
- D03D47/28—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms wherein the weft itself is projected into the shed
- D03D47/30—Looms in which bulk supply of weft does not pass through shed, e.g. shuttleless looms, gripper shuttle looms, dummy shuttle looms wherein the weft itself is projected into the shed by gas jet
- D03D47/3066—Control or handling of the weft at or after arrival
- D03D47/308—Stretching or holding the weft
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Textile Engineering (AREA)
- Auxiliary Weaving Apparatuses, Weavers' Tools, And Shuttles (AREA)
- Looms (AREA)
Abstract
Afvaleinde-strekinrichtïng voor een weefmachine met een zuigmondstuk (32) dat voorzien is van een laterale zuigsleuf (34) die zich langsheen de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) uitstrekt voor het opzuigen van afvaleinden (28) en met een opening (35) voorzien aan een eerste einde van het zuigmondstuk (32) gericht naar de rand van het geweven weefsel (3) voor het overbrengen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in een richting loodrecht op de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), en waarbij een ombuigelement (41) tussen de opening (35) en de rand van het geweven weefsel (3) is voorzien, welk ombuigelement (41) minstens gedeeltelijk voorbij de opening (35) uitsteekt voor het ombuigen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel (3) en de opening (35). Een weefmachine met een dergelijke afvaleinde-strekinrichting (30), en het gebruik van een dergelijke afvaleinde-strekinrichting (30).
Description
(30) Voorrangsgegevens :
(73) Houder(s) :
PICANOL NV 8900, IEPER België (72) Uitvinder(s) :
GHESQUIERE Marnix 8930 LAUWE België (54) AFVALEINDE-STREKINRICHTING VOOR EEN WEEFMACHINE (57) Afvaleinde-strekinrichtïng voor een weefmachine met een zuigmondstuk (32) dat voorzien is van een laterale zuigsleuf (34) die zieh langsheen de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) uitstrekt voor het opzuigen van afvaleinden (28) en met een opening (35) voorzien aan een eerste einde van het zuigmondstuk (32) gericht naar de rand van het geweven weefsel (3) voor het overbrengen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in een richting loodrecht op de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), en waarbij een ombuigelement (41) tussen de opening (35) en de rand van het geweven weefsel (3) is voorzien, welk ombuigelement (41) minstens gedeeltelijk voorbij de opening (35) uitsteekt voor het ombuigen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel (3) en de opening (35). Een weefmachine met een dergelijke afvaleinde-strekinrichting (30), en het gebruik van een dergelijke afvaleindestrekinrichting (30).
15 4
Fig. 5
BELGISCH UITVINDINGSOCTROOI
FOD Economie, K.M.O., Middenstand & Energie
Dienst voor de Intellectuele Eigendom
Publicatienummer: 1024755 Nummer van indiening: BE2016/0178
Internationale classificatie: D03D 47/30 Datum van verlening: 27/06/2018
De Minister van Economie,
Gelet op het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot Bescherming van de industriële Eigendom;
Gelet op de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien, artikel 22, voor de voor 22 September 2014 ingediende octrooiaanvragen ;
Gelet op Titel 1 Uitvindingsoctrooien van Boek XI van het Wetboek van economisch recht, artikel XI.24, voor de vanaf 22 September 2014 ingediende octrooiaanvragen ;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 december 1986 betreffende het aanvragen, verlenen en in stand houden van uitvindingsoctrooien, artikel 28;
Gelet op de aanvraag voor een uitvindingsoctrooi ontvangen door de Dienst voor de Intellectuele Eigendom op datum van 29/11/2016.
Overwegende dat voor de octrooiaanvragen die binnen het toepassingsgebied van Titel 1, Boek XI, van het Wetboek van economisch recht (hierna WER) vallen, overeenkomstig artikel XI.19, § 4, tweede lid, van het WER, het verleende octrooi beperkt zal zijn tot de octrooiconclusies waarvoor het verslag van nieuwheidsonderzoek werd opgesteld, wanneer de octrooiaanvraag het voorwerp uitmaakt van een verslag van nieuwheidsonderzoek dat een gebrek aan eenheid van uitvinding als bedoeld in paragraaf 1, vermeldt, en wanneer de aanvrager zijn aanvraag niet beperkt en geen afgesplitste aanvraag indient overeenkomstig het verslag van nieuwheidsonderzoek.
Besluit:
Artikel 1. - Er wordt aan
PICANOL NV, Steverlyncklaan 15, 8900 IEPER België;
vertegenwoordigd door
CARDOEN Marnick , Steverlyncklaan 15, 8900, IEPER;
een Belgisch uitvindingsoctrooi met een looptijd van 20 jaar toegekend, onder voorbehoud van betaling van de jaartaksen zoals bedoeld in artikel XI.48, § 1 van het Wetboek van economisch recht, voor: AFVALEINDE-STREKINRICHTING VOOR EEN WEEFMACHINE.
UITVINDER(S):
GHESQUIERE Marnix, Steenovenstraat 4, 8930, LAUWE;
VOORRANG:
AFSPLITSING :
Afgesplitst van basisaanvraag : Indieningsdatum van de basisaanvraag :
Artikel 2. - Dit octrooi wordt verleend zonder voorafgaand onderzoek naar de octrooieerbaarheid van de uitvinding, zonder garantie van de Verdienste van de uitvinding noch van de nauwkeurigheid van de beschrijving ervan en voor risico van de aanvrager(s).
Brussel, 27/06/2018,
Bij bijzondere machtiging:
BE2016/0178
Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine.
Technisch gebied en stand van de techniek.
[0001] De uitvinding betreft een afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine en een weefmachine bevattende een afvaleindestrekinrichting, in het bijzonder een luchtstraalweefmachine.
[0002] Bij een luchtstraalweefmachine wordt een inslagdraad ingebracht door middel van lucht die toegevoerd wordt door één of meer hoofdblazers en opeenvolgende bijblazers die langsheen een inslaginsertiekanaal zijn voorzien. In US 3,901,286 wordt bijvoorbeeld een luchtstraalweefmachine getoond. Het deel van een ingebrachte inslagdraad die zieh voorbij een zijrand van een weefsel uitstrekt en niet in het weefsel wordt geweven wordt als afvaleinde aangeduid. Voor een verwijdering van de afvaleinden nadat ze afgesneden zijn, beschrijft US 3,901,286 een leiding die onder het weefsel is aangebracht ter hoogte van een breedhouder voorzien voor het geweven weefsel, waarbij de leiding een mond heeft die gericht is naar het weefsel van beneden.
[0003] Gedurende het tijdsinterval tussen twee inslaginserties, blijft een deel van de inslagdraad in de hoofdblazer of de bijhorende hoofdblazer, en blijft de hoofdblazer blazen tegen het deel van de inslagdraad die binnen in de hoofdblazer is aangebracht. Dit kan schade veroorzaken aan de inslagdraad. Bij het weven van bijvoorbeeld een inslagdraad met hoge tors, kan de längere blaastijd leiden tot het onttorsen van de inslagdraad. Overeenstemmend bij het weven van multifilament inslagdraden, waar verschillende fijne garens samen één inslagdraad vormen, door de betrekkelijk längere
BE2016/0178 blaastijd, kan het deel van de inslagdraad dat onderhevig is aan de längere blaastijd ontrafeld worden. De onttorste of ontrafelde uiteinden van de inslagdraad hebben andere kenmerken dan het overige deel van de inslagdraad en kunnen visueel waarneembare weeffouten veroorzaken.
[0004] Om dit probleem op te lossen, is het gekend om längere afvaleinden te gebruiken, met andere woorden, om inslagdraden met een dergelijke afvaleindelengte te weven dat een beschadigd of io slechter voorste einde van de inslagdraad zieh na een inslaginsertie voorbij een rand van een te weven weefsel uitstrekt. Met andere woorden het beschadigde of slechter voorste einde van de inslagdraad wordt niet in het weefsel geweven, maar steekt voorbij het geweven weefsel uit.
[0005] De lange afvaleinden kunnen in elkaar wervelen en een warboel vormen naast het weefsel die de volgende ingebrachte inslagdraden verstoort. Er bestaat eveneens een risico dat zuike lange afvaleinden terug in een volgend weefvak springen, met andere woorden terug het weefvak binnendringen en tussendoor kettingdraden geweven worden.
Samenvatting van de uitvinding.
[0006] Het is een doel van de uitvinding te voorzien in een afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine en een weefmachine bevattende een afvaleinde-strekinrichting, waarbij ook met zekerheid betrekkelijk lange afvaleinden gehouden kunnen worden. Het is verder een doel van de uitvinding te voorzien in een gebruik van een afvaleinde-strekinrichting in een weefmachine.
BE2016/0178 [0007] Dit doel wordt opgelost door de afvaleindestrekinrichting met de kenmerken van conclusie 1, de weefmachine met de kenmerken van conclusie 14 en het gebruik van een afvaleinde-strekinrichting met de kenmerken van conclusie 15.
Voorkeurdragende uitvoeringsvormen worden in de afhankelijke conclusies gedefinieerd.
[0008] Volgens een eerste aspect wordt een afvaleindestrekinrichting voor een weefmachine voorzien, de afvaleindeîo strekinrichting bevattende een zuigmondstuk dat aangepast is om aangebracht te worden in de baan van een afvaleinde van een ingebrachte inslagdraad die uitsteekt voorbij een rand van een geweven weefsel, waarbij het zuigmondstuk aangepast is voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen een lengterichting van het zuigmondstuk, waarbij het zuigmondstuk aangepast is om bevestigd te worden op de weefmachine zodat de lengterichting van het zuigmondstuk zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting uitstrekt, waarbij het zuigmondstuk voorzien is van een laterale zuigsleuf die zieh langsheen de lengterichting van het zuigmondstuk uitstrekt voor het opzuigen van afvaleinden in het zuigmondstuk en met een opening voorzien aan een eerste einde van het zuigmondstuk gericht naar de rand van het geweven weefsel voor het overbrengen van afvaleinden gehouden in het zuigmondstuk in een richting loodrecht op de lengterichting van het zuigmondstuk, en waarbij een ombuigelement tussen de opening en de rand van het geweven weefsel is voorzien, welk ombuigelement minstens gedeeltelijk voorbij de opening uitsteekt voor het ombuigen van een deel van de afvaleinden gehouden in het zuigmondstuk in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel en de opening.
[0009] Een einde van het zuigmondstuk gericht naar de rand
BE2016/0178 van het geweven weefsel wordt aangeduid als eerste einde. Een wand aan dit eerste einde wordt aangeduid als eerste eindwand.
Voorste einden of afvaleinden van ingebrachte inslagdraden worden in het zuigmondstuk opgezogen via de laterale zuigsleuf.
Voorafgaand aan het afsnijden van het weefsel, worden de afvaleinden samen met het weefsel in een weefsel optrekrichting bewogen, waarbij over het algemeen de bewegingsbaan van het weefsel geen linéaire baan is. Het weefsel wordt meestal geleid langsheen een breedhouder en in sommige gevallen bovendien langsheen geleidingsrollen. Door middel van de opening voorzien aan het eerste einde, kunnen de afvaleinden met het weefsel bewegen terwijl door het zuigmondstuk gehouden te worden. De opening wordt afgeschermd door middel van het ombuigelement om een deel van de afvaleinden dat in het zuigmondstuk wordt is gehouden en zieh tussen het zuigmondstuk en de rand van het weefsel radiaal weg van de opening uitstrekt om te buigen, zodat afvaleinden gehouden in het zuigmondstuk omgebogen worden in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel en de opening, hierbij vermijdend dat het weefsel of indien toepasselijk een afvalband in het zuigmondstuk wordt getrokken.
[0010] In een uitvoeringsvorm verlaten de afvaleinden het zuigmondstuk via de opening nadat het weefsel over een bepaalde afstand werd overgebracht. In andere uitvoeringsvormen worden de afvaleinden afgesneden en via een tweede einde voorzien tegenover het eerste einde van het zuigmondstuk verwijderd.
[0011] In voorkeurdragende uitvoeringsvormen, worden de afvaleinden geleid langsheen een onderste deel van de opening. In het bijzonder, kan de weefmachine een breedhouder bevatten voor het breedhouden van het geweven weefsel. Daarom, steekt in
BE2016/0178 voorkeurdragende uitvoeringsvormen, het ombuigelement minstens met zijn onderste boord voorbij de opening uit voor het ombuigen van afvaleinden gehouden in het zuigmondstuk in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel en de opening.
[0012] In een uitvoeringsvorm is het ombuigelement integraal met een lichaam van het zuigmondstuk gevormd. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen worden het ombuigelement en het lichaam van het zuigmondstuk als aparte onderdelen gevormd, waarbij het ombuigelement zodanig ten opzichte van het lichaam van het zuigmondstuk is gepositioneerd dat een spleet is voorzien tussen een eerste eindwand van het lichaam van het zuigmondstuk en het ombuigelement, waarbij de grootte van de spleet groot genoeg gekozen is om te vermijden dat afvaleinden tussen de eerste eindwand van het lichaam van het zuigmondstuk en het ombuigelement worden gevangen. De grootte of breedte van de spleet wordt passend door de vakman gekozen afhankelijk van de eigenschappen van het te weven materiaal. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen is de breedte van de spleet tussen ongeveer 2 mm en ongeveer 4 mm.
[0013] In een uitvoeringsvorm is de eerste eindwand van het lichaam van het zuigmondstuk zodanig getrapt dat een onderste deel van de eerste eindwand dat onder de laterale zuigsleuf is aangebracht verder weg van het ombuigelement is gepositioneerd dan een bovenste deel van de eerste eindwand. Door het ombuigen van de afvaleinden door middel van het ombuigelement, worden de afvaleinden langsheen de rand van de opening aan het onderste deel van de eerste eindwand geleid. Door middel van de trap, wordt voldoende vrije ruimte voorzien voor het geleiden van de afvaleinden.
BE2016/0178 [0014] In een uitvoeringsvorm is een opening voorzien die zieh uitstrekt in een richting loodrecht op de lengterichting van het zuigmondstuk. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen hebben de opening en het ombuigelement complementaire ringvormige, ronde of halfronde dwarsdoorsneden. In sommige uitvoeringsvormen wordt het weefsel door middei van de breedhouder omgebogen. Door een ringvormige, ronde of halfronde opening en een respectievelijk ombuigelement te voorzien, is een lengte van een niet-lineaire baan van een inslagdraad die zieh tussen de opening en de rand van het weefsel via het ombuigelement uitstrekt minstens hoofdzakelijk constant gedurende de overbrenging langsheen de opening. Aldus wordt een relatieve beweging van de afvaleinden die door het zuigmondstuk in de lengterichting van het zuigmondstuk worden gehouden vermeden of minstens minimaal gehouden.
[0015] Het ombuigelement is in een uitvoeringsvorm direct aan een gestel van de weefmachine bevestigd. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen is het ombuigelement aan het lichaam van het zuigmondstuk bevestigd. Hiervoor is in een uitvoeringsvorm het ombuigelement aan de eerste eindwand van het lichaam van het zuigmondstuk bevestigd in een gebied boven de opening. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen is het bovenste deel van de eerste eindwand van het lichaam van het zuigmondstuk voorzien van een bevestigingsuitsteeksel, welk bevestigingsuitsteeksel een inwendig kanaal van het zuigmondstuk naar het eerste einde begrenst, waarbij het ombuigelement aan het bevestigingsuitsteeksel is bevestigd.
[0016] In een uitvoeringsvorm bevat de afvaleindestrekinrichting verder een bevestigingslichaam, waarbij het zuigmondstuk bevestigd is aan of integraal gevormd is met het
BE2016/0178 bevestigingslichaam, en welk bevestigingslichaam aangepast is om aanpasbaar in positie aan een gestel van de weefmachine te worden bevestigd. De positie is bijvoorbeeld enkel aanpasbaar in de lengterichting van het zuigmondstuk om de positie van de afvaleinde-strekinrichting voor verschillende weefselbreedtes en/of verschillende afvaleindelengten aan te passen.
[0017] De afvaleinde-strekinrichting bevat verder in een uitvoeringsvorm een ring-jet inrichting voor het voorzien van een zuigkracht.
[0018] In een uitvoeringsvorm is de ring-jet inrichting aan het bevestigingslichaam en/of het zuigmondstuk bevestigd, en aldus samen verplaatsbaar met het zuigmondstuk.
[0019] In een uitvoeringsvorm worden de afvaleinden in het weefsel ingelegd. De afvaleinden worden bij voorkeur niet ingelegd, wegens de siechte kwaliteit van de voorste einden van de afvaleinden. De weefmachine is in een uitvoeringsvorm voorzien van vangdraden of afval-kettingdraden voor het vormen van een afvalband en daarmee worden de ingebrachte inslagdraden gestrekt gehouden. Voor het geleiden van vangdraden of een afvalband die geweven werd met behulp van vangdraden, wordt in een uitvoeringsvorm een breedhouder voorzien met een lengte die de breedte van het weefsel overschrijdt. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen bevat de afvaleinde-strekinrichting een geleidingselement voor het geleiden van de vangdraden, waarbij het geleidingselement tussen het ombuigelement en de rand van het geweven weefsel is gepositioneerd, bijvoorbeeld op een afstand van de breedhouder.
BE2016/0178 [0020] Het geleidingselement is in een uitvoeringsvorm aan het gestel van de weefmachine bevestigd tussen het ombuigelement en de rand van het geweven weefsel, welke rand bijvoorbeeld door middel van een breedhouder wordt geleid. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen is het ombuigelement integraal of als een structurele eenheid met het geleidingselement gevormd.
[0021] In een uitvoeringsvorm is het geleidingselement voorzien van een groef om de afvalband evenwijdig met de rand van het weefsel te houden. In voorkeurdragende uitvoeringsvormen bevat het geleidingselement een conusvormig, dubbel conusvormig, diabolovormig of zandlopervormig tussenelement dat aangrenzend aan het ombuigelement is aangebracht, waarbij het tussenelement minstens een conusvormig eerste deel bevat met een toenemende diameter in een richting weg van het ombuigelement, en waarbij de kleinste diameter van het eerste deel kleiner is dan de diameter van het ombuigelement. Hierbij wordt de afvalband evenwijdig met de rand van het weefsel geleid door middel van het tussenelement samen met het ombuigelement. In een uitvoeringsvorm bevat het tussenelement verder een conusvormig tweede deel met een afnemende diameter in een richting weg van het ombuigelement, welk tweede deel tussen het ombuigelement en het eerste deel is aangebracht. In de context van de aanvraag, wordt een dergelijk tussenelement bevattende twee conusvormige delen aangeduid als een dubbel-conusvormig, diabolovormig of zandlopervormig tussenelement. Het eerste en tweede conusvormig deel verschillen in een uitvoeringvorm echter in lengte en/of openingshoek en/of het eerste en het tweede deel hebben beide de vorm van een afgeknotte conus. Het tussenelement is gemaakt uit een materiaal met een läge wrijvingscoëfficiënt wanneer gebruikt met de inslagdraden, zodat de afvalband glad langsheen het tussenelement wordt overgebracht.
BE2016/0178 [0022] In een uitvoeringsvorm bevat het geleidingselement verder een ring die aangrenzend aan het tussenelement aan een zijde weg van het ombuigelement is aangebracht, waarbij de ring draaibaar ten opzichte van het tussenelement rond een as evenwijdig met de inslaginsertierichting is gemonteerd. De ring is aangepast om te worden verdraaid door het contact met de inslagdraden die langsheen het geleidingselement worden overgebracht. Hiertoe is de ring bij voorkeur gemaakt uit een materiaal met een hogere wrijvingscoëfficiënt wanneer gebruikt met io de inslagdraden dan het tussenelement. Bovendien, is de ring in een uitvoeringvorm iets excentrisch ten opzichte van het tussenelement aangebracht, waarbij de ring bij voorkeur een diameter heeft die iets groter is dan de grootste diameter van het tussenelement, zodat de inslagdraden contact maken met de ring en niet met het tussenelement.
[0023] In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm is de laterale zuigsleuf van het zuigmondstuk beperkt door een onderste lip en een bovenste lip, waarbij de afvaleinde-strekinrichting aangepast is om gemonteerd te worden op de weefmachine met de laterale zuigsleuf die zieh dicht bij en evenwijdig met een steunbalk van een weefselsteun van de weefmachine uitstrekt, waarbij de onderste lip minstens hoofdzakelijk ter hoogte van de steunbalk voor het geleiden van afvaleinden via de steunbalk en de onderste lip in het zuigmondstuk is aangebracht.
[0024] Volgens een tweede aspect wordt een weefmachine bevattende een breedhouder langsheen welke breedhouder een weefsel wordt geleid en een afvaleinde-strekinrichting voorzien, waarbij de afvaleinde-strekinrichting een zuigmondstuk bevat dat aangepast is voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen een
BE2016/0178 lengterichting van het zuigmondstuk, waarbij het zuigmondstuk stationair op de weefmachine is aangebracht in een verlengde van de breedhouder in een axiale richting van de breedhouder en met de lengterichting van het zuigmondstuk die zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting uitstrekt. Met andere woorden, de afvaleindestrekinrichting wordt zodanig op de weefmachine aangebracht dat de lengterichting van het zuigmondstuk coaxiaal met of evenwijdig met de axiale richting van de breedhouder is aangebracht.
[0025] Volgens een derde aspect wordt een gebruik voorzien van een afvaleinde-strekinrichting in een weefmachine bevattende een breedhouder langsheen welke breedhouder een weefsel wordt geleid, waarbij de afvaleinde-strekinrichting een zuigmondstuk dat aangepast is voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen de lengterichting van het zuigmondstuk bevat, waarbij het zuigmondstuk stationair op de weefmachine is aangebracht in een verlengde van de breedhouder in een axiale richting van de breedhouder en met de lengterichting van het zuigmondstuk die zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting uitstrekt. Met andere woorden, de afvaleinde-strekinrichting is bij gebruik in de weefmachine zodanig aangebracht dat de lengterichting van het zuigmondstuk coaxiaal met of evenwijdig met de axiale richting van de breedhouder is aangebracht.
Korte beschrijving van de tekeningen.
[0026] Hierna wordt een uitvoeringsvorm van de uitvinding in detail beschreven met verwijzing naar de tekeningen. Doorheen de tekeningen worden dezelfde elementen aangeduid door dezelfde referentienummers.
BE2016/0178
Figuur 1 is een perspectief aanzicht van een afvaleindestrekinrichting vanaf de voorkant;
Figuur 2 is een perspectief aanzicht van de afvaleindestrekinrichting van figuur 1 vanaf de achterkant;
Figuur 3 is een dwarsaanzicht van een weefmachine met een weefselsteun en een afvaleinde-strekinrichting;
Figuur 4 is een perspectief aanzicht van een fractie van de afvaleinde-strekinrichting van figuur 2;
Figuur 5 is een perspectief aanzicht van de weefmachine met de weefselsteun, de breedhouder en een afvaleinde-strekinrichting vanaf de achterkant van de weefmachine en vanaf boven;
Figuur 6 is een perspectief aanzicht van de weefmachine vanaf de achterkant;
Figuur 7 is een aanzicht van de weefmachine van figuur 4 vanaf boven; en
Figuur 8 is een dwarsaanzicht van een weefmachine met een weefselsteun en een breedhouder.
Gedetailleerde beschrijving van uitvoeringsvormen van de uitvinding.
[0027] Figuren 1 en 2 zijn perspectief aanzichten van een afvaleinde-strekinrichting 30 respectievelijk vanaf de voorkant en vanaf de achterkant. De afvaleinde-strekinrichting 30 getoond in figuren 1 en 2 bevat een bevestigingslichaam 31, een zuigmondstuk 32, een geleidingselement 40 met een ombuigelement 41 dat aan het lichaam van het zuigmondstuk 32 aan zijn eerste einde 58 is bevestigd, en een ring-jet inrichting 33 die aan het bevestigingslichaam 31 aan een tweede einde 59 van het zuigmondstuk 32 is bevestigd. In de context van de aanvraag, wordt een einde van het zuigmondstuk 32, dat in gebruik aangebracht is
BE2016/0178 om gericht te zijn naar een rand van een geweven weefsel aangeduid als eerste einde 58. Een tegenoverliggend einde van het zuigmondstuk 32 wordt aangeduid als tweede einde 59. Een wand aan het eerste einde 58 wordt aangeduid als eerste eindwand 46.
[0028] Het zuigmondstuk 32 heeft een laterale zuigsleuf 34 die zieh langsheen de lengterichting 52 van het zuigmondstuk 32 uitstrekt voor het opzuigen van voorste einden of afvaleinden van ingebrachte inslagdraden (niet getoond) in het zuigmondstuk 32. io Het zuigmondstuk 32 bevat verder een opening 35 voorzien aan zijn eerste einde 58. De opening 35 aan het eerste einde 58 laat de afvaleinden toe te bewegen in een richting loodrecht op de lengterichting 52 van het zuigmondstuk 32 van de afvaleindestrekinrichting 30 terwijl de afvaleinden in het zuigmondstuk 32 worden gehouden en door de uitgeoefende zuigkracht worden gestrekt. Om te vermijden dat afvaleinden te diep in het zuigmondstuk 32 worden opgezogen wanneer die loodrecht op de lengterichting 52 langsheen de opening 35 worden overgebracht, wordt de opening 35 afgeschermd door middel van het ombuigelement 41 zodat afvaleinden van ingebrachte inslagdraden (niet getoond in figuren 1 en 2), die gehouden zijn in het zuigmondstuk 32 omgebogen worden in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel en de opening 35. In de getoonde uitvoeringsvorm is de opening 35 voorzien van een ringvormige dwarsdoorsnede en is het ombuigelement 41 voorzien van een ronde dwarsdoorsnede, waarbij de diameter van het ombuigelement 41 groter is dan de diameter van de opening 35. Het ombuigelement 41 steekt minstens met zijn onderste boord 47 voorbij de opening 35 uit voor het ombuigen van afvaleinden 28 gehouden in het zuigmondstuk 32 in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel 3 en de opening 35.
BE2016/0178 [0029] Een zuigkracht langsheen een lengterichting 52 van het zuigmondstuk 32 wordt door middel van de ring-jet inrichting 33 met een nippel 36 voor een luchttoevoer uitgeoefend. Bij voorkeur wordt perslucht op een pulserende wijze via de nippel 36 aan de ring-jet inrichting 33 toegevoerd, in het bijzonder op een niet continue wijze, zodat de afvaleinden 28 gemakkelijk in het zuigmondstuk 32 kunnen worden opgezogen, en gemakkelijk langsheen de opening 35 kunnen worden bewogen.
ίο [0030] In de getoonde uitvoeringsvorm heeft een inwendig kanaal 49 van het zuigmondstuk 32 een minstens hoofdzakelijk ronde dwarsdoorsnede. In de getoonde uitvoeringsvorm kan het zuigmondstuk 32 aan een weefmachine 11 (zie figuren 3 tot 7) bevestigd worden door middel van twee bouten 37, waarbij de positie aanpasbaar of instelbaar is in een richting evenwijdig met de inslaginsertierichting. In de getoonde uitvoeringsvorm is een steun 22 bevattende twee steunbouten 26 voorzien, die vast in positie aan een gestel 2 (zie figuren 3 tot 7) van de weefmachine 11 is bevestigd, waarbij het bevestigingslichaam 31 instelbaar in positie aan de steun 22 door middel van de twee bouten 37 is bevestigd. Wanneer de positie van het bevestigingslichaam 31 wordt aangepast, worden de ring-jet inrichting 33 die aan het bevestigingslichaam 31 is bevestigd en het zuigmondstuk 32 dat aan het bevestigingslichaam 31 is bevestigd gezamenlijk in positie aangepast.
[0031] Het getoonde geleidingselement 40 is voorzien (gezien in de lengterichting 52) van het ombuigelement 41, een tussenelement 42, en een ring 43. Het getoonde tussenelement 42 heeft een dubbele conusvorm met een conusvormig eerste deel met een toenemende diameter in een richting weg van de eerste
BE2016/0178 eindwand 46 en een conusvormig tweede deel aangebracht tussen het eerste deel en het ombuigelement 41 met een afnemende diameter in een richting weg van de eerste eindwand 46. In de getoonde uitvoeringsvorm is het tweede deel beduidend korter dan het eerste deel, bijvoorbeeld is de lengte van het tweede deel bij benadering een derde van de lengte van het eerste deel. In de getoonde uitvoeringsvorm worden het ombuigelement 41 en het tussenelement 42 bijvoorbeeld integraal gevormd uit een materiaal dat enkei kleine wrijvingskrachten uitoefent op de afvaleinden of een io afvalband die langsheen het geleidingselement 40 wordt overgebracht. De ring 43 is apart gevormd en is draaibaar door middel van een bout 45 op het tussenelement 42 en/of het lichaam van het zuigmöndstuk 32 gemonteerd. In een uitvoeringsvorm is de ring 43 uit rubber gemaakt die een hogere wrijvingskracht uitoefent op de afvaleinden dan de rest van het geleidingselement 40. De diameter van de ring 43 is in de getoonde uitvoeringsvorm iets groter dan de grootste diameter van het tussenelement 42. Verder is de ring 43 in de getoonde uitvoeringsvorm iets excentrisch ten opzichte van het tussenelement 42 aangebracht, en strekt zieh meer tot de omgeving van het onderste deel uit voor het geleiden van de inslagdraden. De diameter van het ombuigelement 41 is groter dan de kleinste diameter van het tussenelement 42. De diameter van het ombuigelement 41 is bij voorkeur minstens hoofdzakelijk gelijk aan de grootste diameter van het tussenelement 42. In een alternatieve uitvoeringsvorm wordt in plaats van een geleidingselement 40 enkei het ombuigelement 41 voorzien aan het eerste einde 58 van het lichaam van het zuigmöndstuk 32.
[0032] In de context van de aanvraag, is een deel van de eerste eindwand 46 van het lichaam van het zuigmöndstuk 32 aangebracht onder de laterale zuigsleuf 34 aangeduid als onderste deel 50 van
BE2016/0178 de eerste eindwand 46. Een deel van de eerste eindwand 46 van het lichaam van het zuigmondstuk 32 aangebracht boven de laterale zuigsleuf 34 is aangeduid als bovenste deel 51 van de eerste eindwand 46.
[0033] In de getoonde uitvoeringsvorm is het bovenste deel 51 van de eerste eindwand 46 voorzien van een bevestigingsuitsteeksel 44, welk bevestigingsuitsteeksel 44 het inwendig kanaal 49 van het zuigmondstuk 32 naar het eerste einde 58 begrenst. Het geleidingselement 40 is aan het bevestigingsuitsteeksel 44 bevestigd.
[0034] In de getoonde uitvoeringsvorm is de eerste eindwand 46 van het lichaam van het zuigmondstuk 32 getrapt zodanig dat het onderste deel 50 van de eerste eindwand 46 verder weg van het ombuigelement 41 is gepositioneerd dan het bovenste deel 51 van de eerste eindwand 46. Daarbij wordt een voldoende vrije ruimte voor de afvaleinden gehouden in het zuigmondstuk 32 voorzien tussen het onderste deel 50 van de eerste eindwand 46 en het ombuigelement 41 onder de opening 35. Het ombuigelement 41 is bij voorkeur zodanig bevestigd dat er ook een kleine spieet 48 blijft tussen het bovenste deel 51 van de eerste eindwand 46 en het ombuigelement 41 om te vermijden dat inslagdraden tussen het lichaam van het zuigmondstuk 32 en het ombuigelement 41 gevangen worden.
[0035] Figuur 3 is een dwarsaanzicht van de afvaleindestrekinrichting 30 van figuren 1 en 2 die bevestigd is op een weefmachine met een weefselsteun 1 met een steunbalk 20 die zieh in een aanslagrichting in een kanaal van een riet 4 uitstrekt, waarbij slechts het zuigmondstuk 32 is getoond en, duidelijkheidshalve, het
BE2016/0178 ombuigelement 41 niet getoond is. Zoals getoond in figuur 4, steekt het bevestigingsuitsteeksel 44 uit het bovenste deel 51 van de eerste eindwand 46, dat het inwendig kanaal 49 van het zuigmondstuk 32 naar het eerste einde 58 begrenst. Zoals getoond in figuur 3, heeft de aldus gevormde opening 35 hoofdzakelijk een ringvorm, met andere woorden de opening 35 is gevormd door een vrije overspanning tussen het inwendig kanaal 49 en het bevestigingsuitsteeksel 44.
io [0036] Het geleidingselement 40 is bevestigd aan het tussenelement 42 door middel van een bout 45, zodat de ring 43 van het geleidingselement 40 draaibaar blijft ten opzichte van het tussenelement 42. Het ombuigelement 41 en het tussenelement 42, die één samensteiiing vormen, worden door een bout 57 (getoond in figuur 4) stationair aan het zuigmondstuk 32 bevestigd. De bout 57 strekt zieh uit doorheen de opening 54 (getoond in figuur 3) van het bevestigingsuitsteeksel 44, en kan met een werktuig dat zieh in gebruik doorheen het zuigmondstuk 32 uitstrekt, aangespannen worden. Om verdraaiing van het ombuigelement 41 en het tussenelement 42 omheen de bout 57 te vermijden, is in de uitvoeringsvorm getoond in figuren 3 en 4, een pen 55 voorzien die uit een eindoppervlak 56 van het bevestigingsuitsteeksel 44 steekt en kan samenwerken met een opening (niet getoond) in het ombuigelement 41 en/of het tussenelement 42. Het ombuigelement
41 wordt tegen het eindoppervlak 56 geklemd.
[0037] Zoals getoond in figuur 3 is de laterale zuigsleuf 34 beperkt door een onderste lip 38 en een bovenste lip 39. De afvaleinde-strekinrichting 30 is aan het gestel 2 van de weefmachine gemonteerd met de laterale zuigsleuf 34 die zieh evenwijdig uitstrekt met de steunbalk 20 van de weefselsteun 1, waarbij de onderste lip
BE2016/0178 minstens hoofdzakelijk ter hoogte van de steunbalk 20 van de weefselsteun 1 is aangebracht om afvaleinden via de steunbalk 20 en de laterale zuigsleuf 34 in het zuigmondstuk 32 te geleiden.
[0038] Figuur 8 toont schematisch een dwarsaanzicht van een weefmachine 11 met een weefselsteun 1 en een breedhouder 23. De getoonde weefselsteun 1 is aan een gestel 2 van een weefmachine bevestigd om een weefsel 3 te ondersteunen. De weefselsteun 1 strekt zieh minstens uit over de breedte van het weefsel 3, îo bijvoorbeeld over een lengte in de orde van grootte van verscheidene meters. Bovendien worden een riet 4, een lade 5, een klemlat 6, ladebenen 7 en een ladeas 8 getoond. In de getoonde uitvoeringsvorm wordt het riet 4 op de lade 5 geklemd door middel van de klemlat 6 en bouten 25. In de getoonde uitvoeringsvorm wordt verder een geleidingsrol 24 voor het weefsel 3 stroomafwaarts van de breedhouder 23 naast de weefselsteun 1 voorzien. Voor een inslaginsertie wordt de inslagdraad in een weefvak geblazen door middel van een hoofdblaasinrichting (niet getoond) en meerdere bijblazers 9, die op een gekende wijze op de lade 5 zijn bevestigd.
[0039] De weefselsteun 1 bevat minstens één geprofileerde steunbalk 20, ondersteund door meerdere steunelementen 10, die door middel van schroefelementen 21 aan het gestel 2 zijn bevestigd. De geprofileerde steunbalk 20 is zodanig bevestigd dat zijn uiteinde gericht naar het riet 4 zieh in een kanaal van het riet 4 uitstrekt bij aanslag. In de getoonde uitvoeringsvorm is het steunelement 10 voorzien van een kraag ΊΊ die toelaat om het steunelement 10 met hoge nauwkeurigheid aan het gestel 2 te bevestigen. In US 7,770,605 B2 wordt bijvoorbeeld een dergelijke weefselsteun 1 getoond, waarvan de inhoud hierbij door referentie wordt geïncorporeerd.
BE2016/0178 [0040] De afvaleinde-strekinrichting 30 en zijn gebruik in een weefmachine zal hieronder in meer detail worden beschreven met referentie naar de figuren 5 tot 7.
[0041] Figuren 5, 6 en 7 tonen schematisch de weefmachine 11 met de weefselsteun 1, de breedhouder 23 en de afvaleindestrekinrichting 30 getoond in figuren 1 en 2 respectievelijk in een perspectief aanzicht vanaf de achterkant van de weefmachine en vanaf boven, in een perspectief aanzicht vanaf de achterkant en in îo een aanzicht vanaf de bovenkant. Zoals getoond in figuur 3 is de laterale zuigsleuf 34 beperkt door de onderste lip 38 en de bovenste lip 39. De afvaleinde-strekinrichting 30 is aan het gestel 2 van de weefmachine gemonteerd met de opening 35 gericht naar een rand van het weefsel 3, en aldus, naar de breedhouder 23 en de laterale is zuigsleuf 34 die zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting 29 uitstrekt, met andere woorden evenwijdig met een aanslaglijn van het weefsel 3, waarbij de onderste lip 38 minstens hoofdzakelijk ter hoogte van de steunbalk 20 van de weefselsteun 1 is aangebracht om afvaleinden via de steunbalk 20 en de laterale zuigsleuf 34 in het zuigmondstuk 32 te geleiden. Hierbij is het zuigmondstuk 32 stationair op de weefmachine 11 aangebracht, en in een verlengde van de breedhouder 23 in een axiale richting 53 van de breedhouder 23 en met de lengterichting 52 van het zuigmondstuk 32 die zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting 29 uitstrekt.
[0042] In de uitvoeringsvorm getoond in figuren 5 tot 7 zijn vangdraden 12 (ook aangeduid als afval-kettingdraden) voorzien voor het vangen van de afvaleinden van de ingebrachte inslagdraden
13. De weefselband die door middel van de vangdraden 12 is geweven wordt aangeduid als afvalband 18. In een alternatieve uitvoeringsvorm zijn geen vangdraden voorzien en worden de
BE2016/0178 afvaleinden ingelegd, bijvoorbeeld met behulp van een inrichting zoals beschreven in WO 2015/189033 Al en/of EP 2176455 Bl, waarvan de inhoud hierbij door referentie wordt geïncorporeerd.
[0043] In de getoonde uitvoeringsvorm wordt een apart hulpriet 14 (zie figuren 4 en 6) voor de vangdraden 12 voorzien, die op de lade 5 is bevestigd. Inslagdraaddetectors 15, 16 worden aan het aankomsteinde van het riet 4 en het hulpriet 14 voorzien. De afvalband 18 en de afvaleinden worden van het weefsel 3 afgesneden door middel van een schematisch getoond snij-inrichting 17. Zoals best te zien is in figuren 6 en 7 wordt in de getoonde uitvoeringsvorm een spaninrichting 19 bevattende mondstukken, bijvoorbeeld twee mondstukken, voorzien op het hulpriet 14 voor het spannen van reeds ingebrachte inslagdraden. Een dergelijke spaninrichting 19 wordt bijvoorbeeld beschreven in WO 2015/177155 Al, waarvan de inhoud hierbij door referentie wordt geïncorporeerd.
[0044] In de getoonde uitvoeringsvorm wordt het geleidingselement 40 op een afstand van de breedhouder 23 gepositioneerd, waarbij de positie van de breedhouder 23 gekozen wordt om minstens hoofdzakelijk met de breedte van het weefsel 3 overeen te komen. De afvalband 18 wordt langsheen het tussenelement 42 van het geleidingselement 40 geleid, waarbij het ombuigelement 41 met een grotere diameter dan het zuigmondstuk 32 mechanisch en vloeiend mechanisch de afvalband 18 verhindert om in het zuigmondstuk 32 te worden opgezogen.
[0045] Zoals hierboven beschreven heeft de draaibaar gemonteerde ring 43 van het geleidingselement 40 een iets grotere diameter dan de grootste diameter van het tussenelement 42. De
BE2016/0178 ring 43 zal aldus contact maken met de inslagdraden die zieh uitstrekken tussen de breedhouder 23 en het zuigmondstuk 32 via het geleidingselement 40, en worden de inslagdraden geleid bij de beweging van het weefsel 3 langsheen de ring 43.
[0046] In gebruik worden de inslagdraden ingebracht en door de spaninrichting 19 gespannen, dan aangeslagen terwijl het voorste einde of afvaleinde van de ingebrachte inslagdraad dat zieh voorbij de vangdraden 12 uitstrekt in het zuigmondstuk 32 wordt opgezogen via de laterale zuigsleuf 34. Bij een verdere overbrenging van het weefsel 3 blijven de afvaleinden gestrekt door middel van de afvaleinde-strekinrichting 30 terwijl die met het weefsel 3 in de optrekrichting worden overgebracht, waarbij de afvaleinden langsheen de opening 35 worden bewogen. De afvalband 18 wordt geleid door middel van het tussenelement 42. Het ombuigelement 41 verhindert dat de afvalband 18 in het zuigmondstuk 32 wordt opgezogen. In de getoonde uitvoeringsvorm, bij een verdere overbrenging van het weefsel 3, zullen de afvaleinden uiteindelijk uit het zuigmondstuk 32 via de opening 35 worden verwijderd. In andere uitvoeringsvormen worden de afvaleinden via het tweede einde 59 van het zuigmondstuk 32 afgesneden en verwijderd.
[0047] Het is duidelijk dat het bevestigen van het zuigmondstuk 32 in een weefmachine niet beperkt is tot het gebruik van de steun 22 en het bevestigingslichaam 31, maar dat hiertoe voigens een alternatief bevestigingselementen kunnen worden gebruikt die een instelling van de positie van het zuigmondstuk 32 ten opzichte van de weefmachine toelaten.
[0048] De afvaleinde-strekinrichting, de weefmachine en het gebruik van een afvaleinde-strekinrichting voigens de uitvinding zijn
BE2016/0178 niet beperkt tot de bij wijze van voorbeeld beschreven en in de tekeningen getoonde uitvoeringsvormen. Alternatieven en combinaties van de beschreven en getoond uitvoeringsvormen die onder de conclusies vallen, zijn eveneens mogelijk.
BE2016/0178
Claims (5)
1. Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine bevattende een zuigmondstuk (32) dat aangepast is om aangebraeht te worden in de baan van een afvaleinde (28) van een ingebrachte inslagdraad die uitsteekt voorbij een rand van een geweven weefsel (3), waarbij het zuigmondstuk (32) aangepast is voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen een lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), daardoor gekenmerkt dat het zuigmondstuk (32) aangepast is om bevestigd te worden op de weefmachine (11) zodat de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting (29) uitstrekt, waarbij het zuigmondstuk (32) voorzien is van een laterale zuigsleuf (34) die zieh langsheen de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) uitstrekt voor het opzuigen van afvaleinden (28) in het zuigmondstuk (32) en met een opening (35) voorzien aan een eerste einde (58) van het zuigmondstuk (32) gericht naar de rand van het geweven weefsel (3) voor het overbrengen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in een richting loodrecht op de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), en waarbij een ombuigelement (41) tussen de opening (35) en de rand van het geweven weefsel (3) is voorzien, welk ombuigelement (41) minstens gedeeltelijk voorbij de opening (35) uitsteekt voor het ombuigen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel (3) en de opening (35).
2. Afvaleinde-strekinrichting volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat het ombuigelement (41) minstens met zijn onderste boord (47) voorbij de opening (35) uitsteekt voor het ombuigen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel (3) en de opening (35).
BE2016/0178
3. Afvaleinde-strekinrichting volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat het ombuigelement (41) en een lichaam van het zuigmondstuk (32) als aparte onderdelen zijn gevormd, waarbij het ombuigelement (41) zodanig ten opzichte van het lichaam van het zuigmondstuk (32) is gepositioneerd dat een spieet (48) is voorzien tussen een eerste eindwand (46) van het lichaam van het zuigmondstuk (32) en het ombuigelement (41), waarbij de grootte van de spieet (48) groot genoeg is gekozen om te vermijden dat afvaleinden (28) tussen de eerste eindwand (46) van het lichaam van het zuigmondstuk (32) en het ombuigelement (41) worden gevangen.
4, daardoor gekenmerkt dat de opening (35) en het ombuigelement (41) complementaire ringvormige, ronde of halfronde dwarsdoorsneden hebben.
6. Afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot
5, daardoor gekenmerkt dat het bovenste deel (51) van de eerste eindwand (46) van het lichaam van het zuigmondstuk (32) voorzien is van een bevestigingsuitsteeksel (44), welk bevestigingsuitsteeksel (44) naar het eerste einde (58) begrensd wordt door een inwendig kanaal (49) van het zuigmondstuk (32), waarbij het ombuigelement (41) aan het bevestigingsuitsteeksel (44) is bevestigd.
BE2016/0178
7. Afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot
6, daardoor gekenmerkt dat de afvaleinde-strekinrichting (30) verder een bevestigingslichaam (31) bevat, waarbij het zuigmondstuk (32) bevestigd is aan of integraal gevormd is met het bevestigingslichaam (31), en welk bevestigingslichaam (31) aangepast is om aanpasbaar in positie aan een gestel (2) van de weefmachine (11) bevestigd te worden.
8. Afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot
7, daardoor gekenmerkt dat de afvaleinde-strekinrichting (30) verder een ring-jet inrichting (33) bevat voor het voorzien van een zuigkracht, waarbij bij voorkeur de ring-jet inrichting (33) aan het bevestigingslichaam (31) en/of het zuigmondstuk (32) is bevestigd.
9. Afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot
8, daardoor gekenmerkt dat een geleidingselement (40) voor het geleiden van vangdraden (12) is voorzien, waarbij het geleidingselement (40) tussen het ombuigelement (41) en de rand van het geweven weefsel (3) is gepositioneerd.
10. Afvaleinde-strekinrichting volgens conclusie 9, daardoor gekenmerkt dat het ombuigelement (41) integraal of als een structurele eenheid met het geleidingselement (40) is gevormd.
11. Afvaleinde-strekinrichting volgens conclusie 9 of 10, daardoor gekenmerkt dat het geleidingselement (40) een conusvormig, dubbel conusvormig of zandlopervormig tussenelement (42) bevat dat aangrenzend aan het ombuigelement (41) is aangebracht, waarbij het tussenelement (42) minstens een conusvormig eerste deel met een toenemende diameter in een richting weg van het ombuigelement (41) bevat, en waarbij de kleinste diameter van het
BE2016/0178 eerste deel kleiner is dan de diameter van het ombuigelement (41).
12. Afvaleinde-strekinrichting voigens conclusie 11, daardoor gekenmerkt dat het geleidingselement (40) verder een ring (43)
5 bevat die aangrenzend aan het tussenelement (42) is aangebracht aan een zijde weg van het ombuigelement (41), waarbij de ring (43) draaibaar ten opzichte van het tussenelement (42) rond een as evenwijdig met de inslaginsertierichting (29) is gemonteerd.
io
13. Afvaleinde-strekinrichting voigens één van de conclusies 1 tot 12, daardoor gekenmerkt dat de laterale zuigsleuf (34) van het zuigmondstuk (32) beperkt is door een onderste lip (38) en een bovenste lip (39), waarbij de afvaleinde-strekinrichting (30) aangepast is om gemonteerd te worden op de weefmachine (11) met is de laterale zuigsleuf (34) die zieh dicht bij en evenwijdig met een steunbalk (20) van een weefselsteun (1) van de weefmachine (11) uitstrekt, waarbij de onderste lip (38) minstens hoofdzakelijk ter hoogte van de steunbalk (20) voor het geleiden van afvaleinden (28) via de steunbalk (20) en de onderste lip (38) in het zuigmondstuk
20 (32) is aangebracht.
14. Weefmachine bevattende een breedhouder (23) langsheen welke breedhouder (23) een weefsel (3) wordt geleid en een afvaleinde-strekinrichting (30) voigens één van de conclusies 1 tot
25 13, waarbij de afvaleinde-strekinrichting (30) een zuigmondstuk (32) bevat dat aangepast is voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), waarbij het zuigmondstuk (32) stationair op de weefmachine (11) is aangebracht in een verlengde van de breedhouder (23) in een axiale
30 richting (53) van de breedhouder (23) en met de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) die zieh evenwijdig met de
BE2016/0178 inslaginsertierichting (29) uitstrekt.
15. Gebruik van een afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot 13 in een weefmachine (11) bevattende een
4. Afvaleinde-strekinrichting volgens conclusie 1, 2 of 3, daardoor gekenmerkt dat de eerste eindwand (46) van het lichaam van het zuigmondstuk (32) zodanig getrapt is dat een onderste deel (50) van de eerste eindwand (46) onder de laterale zuigsleuf (34) verder weg van het ombuigelement (41) is gepositioneerd dan een bovenste deel (51) van de eerste eindwand (46).
5. Afvaleinde-strekinrichting volgens één van de conclusies 1 tot
5 breedhouder (23) langsheen welke breedhouder (23) een weefsel (3) is geleid, waarbij de afvaleinde-strekinrichting (30) een zuigmondstuk (32) aangepast voor het uitoefenen van een zuigkracht langsheen de lengterîchting (52) van het zuigmondstuk (32) bevat, waarbij het zuigmondstuk (32) stationair op de io weefmachine (11) is aangebracht in een verlengde van de breedhouder (23) in een axiale richting (53) van de breedhouder (23) en met de lengterîchting (52) van het zuigmondstuk (32) die zieh evenwijdig met de inslaginsertierichting (29) uitstrekt.
BE2°16/O178
BEZOIß/O178 σι
UT
BE2016/0178
BE2016/0178 un
Β62016Ό178
BE2016/0178
BE2016/0178
BE2016/0178
Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine.
Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine met een 5 zuigmondstuk (32) dat voorzien is van een laterale zuigsleuf (34) die zieh langsheen de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32) uitstrekt voor het opzuigen van afvaleinden (28) en met een opening (35) voorzien aan een eerste einde van het zuigmondstuk (32) gericht naar de rand van het geweven weefsel (3) voor het io overbrengen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in een richting loodrecht op de lengterichting (52) van het zuigmondstuk (32), en waarbij een ombuigelement (41) tussen de opening (35) en de rand van het geweven weefsel (3) is voorzien, welk ombuigelement (41) minstens gedeeltelijk voorbij de opening is (35) uitsteekt voor het ombuigen van afvaleinden (28) gehouden in het zuigmondstuk (32) in hun baan tussen de rand van het geweven weefsel (3) en de opening (35). Een weefmachine met een dergelijke afvaleinde-strekinrichting (30), en het gebruik van een dergelijke afvaleinde-strekinrichting (30).
Priority Applications (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2016/0178A BE1024755B1 (nl) | 2016-11-29 | 2016-11-29 | Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine |
| PCT/EP2017/077638 WO2018099662A1 (en) | 2016-11-29 | 2017-10-27 | Waste end stretching device for a weaving machine |
| EP17791097.3A EP3548656B1 (en) | 2016-11-29 | 2017-10-27 | Waste end stretching device for a weaving machine |
| CN201780073860.XA CN109983166B (zh) | 2016-11-29 | 2017-10-27 | 用于织机的废料端拉伸装置 |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2016/0178A BE1024755B1 (nl) | 2016-11-29 | 2016-11-29 | Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine |
Publications (2)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1024755A1 BE1024755A1 (nl) | 2018-06-20 |
| BE1024755B1 true BE1024755B1 (nl) | 2018-06-27 |
Family
ID=57544144
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE2016/0178A BE1024755B1 (nl) | 2016-11-29 | 2016-11-29 | Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine |
Country Status (4)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP3548656B1 (nl) |
| CN (1) | CN109983166B (nl) |
| BE (1) | BE1024755B1 (nl) |
| WO (1) | WO2018099662A1 (nl) |
Families Citing this family (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CN110735217B (zh) * | 2019-11-21 | 2020-12-22 | 福建宇邦纺织科技有限公司 | 一种喷气织机织造化纤长丝织物捕纬装置 |
| CN110886043A (zh) * | 2019-12-26 | 2020-03-17 | 鲁丰织染有限公司 | 降低喷气织机废边纱长度的拉伸辅喷系统 |
Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CH512606A (de) * | 1969-10-22 | 1971-09-15 | Machf L Te Strake Ag Nv | Webmaschine |
| US3908710A (en) * | 1971-06-21 | 1975-09-30 | Strake Maschf Nv | Weaving machine |
| EP0393468A1 (en) * | 1989-04-21 | 1990-10-24 | SOMET SOCIETA' MECCANICA TESSILE S.p.A. | Weft yarn suction device for air looms |
Family Cites Families (14)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US3901286A (en) | 1973-08-20 | 1975-08-26 | Rueti Te Strake Bv | Weft tensioning and cutting means |
| CH594089A5 (nl) * | 1976-01-27 | 1977-12-30 | Rueti Ag Maschf | |
| BE1000989A3 (nl) * | 1987-10-09 | 1989-05-30 | Picanol Nv | Inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij weefmachines. |
| JPH09256245A (ja) * | 1996-03-22 | 1997-09-30 | Toyota Autom Loom Works Ltd | ジェットルームにおける緯糸張力付与装置 |
| KR100250384B1 (ko) * | 1997-11-13 | 2000-04-01 | 정원기 | 워터제트직기의 위사절단사 처리장치 |
| CN2661725Y (zh) * | 2003-12-08 | 2004-12-08 | 河北保定依棉集团有限公司 | 一种用于喷气织机的废边纱导轨 |
| BE1017274A6 (nl) | 2006-09-13 | 2008-05-06 | Picanol Nv | Weefselsteun voor een weefmachine. |
| BE1017684A3 (nl) | 2007-07-12 | 2009-03-03 | Picanol Nv | Werkwijze voor het inleggen van een einde van een inslagdraad in een kant van een weefsel en pneumatische kanteninlegger. |
| KR101043654B1 (ko) * | 2008-09-09 | 2011-06-22 | 젯트기연 주식회사 | 워터젯트직기의 위사선단부 처리장치 |
| JP5369915B2 (ja) * | 2009-06-11 | 2013-12-18 | 株式会社豊田自動織機 | エアジェット織機における緯糸張力付与装置 |
| EP2348144A1 (en) * | 2010-01-26 | 2011-07-27 | ITEMA (Switzerland) Ltd. | Pneumatic stretching device of the weft thread for air-jet weaving looms, with a weft deflecting head arranged inside the launch channel of the reed |
| BE1021879B1 (nl) | 2014-05-22 | 2016-01-25 | Picanol | Strekinrichting voor een inslagdraad |
| BE1022146B1 (nl) | 2014-06-13 | 2016-02-19 | Picanol | Zelfkantvormingsinrichting voor een inslagdraad |
| JP6119715B2 (ja) * | 2014-10-27 | 2017-04-26 | 株式会社豊田自動織機 | エアジェット織機における緯糸張力付与装置 |
-
2016
- 2016-11-29 BE BE2016/0178A patent/BE1024755B1/nl not_active IP Right Cessation
-
2017
- 2017-10-27 EP EP17791097.3A patent/EP3548656B1/en active Active
- 2017-10-27 CN CN201780073860.XA patent/CN109983166B/zh active Active
- 2017-10-27 WO PCT/EP2017/077638 patent/WO2018099662A1/en not_active Ceased
Patent Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CH512606A (de) * | 1969-10-22 | 1971-09-15 | Machf L Te Strake Ag Nv | Webmaschine |
| US3908710A (en) * | 1971-06-21 | 1975-09-30 | Strake Maschf Nv | Weaving machine |
| EP0393468A1 (en) * | 1989-04-21 | 1990-10-24 | SOMET SOCIETA' MECCANICA TESSILE S.p.A. | Weft yarn suction device for air looms |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| CN109983166A (zh) | 2019-07-05 |
| EP3548656A1 (en) | 2019-10-09 |
| CN109983166B (zh) | 2020-12-11 |
| EP3548656B1 (en) | 2020-12-16 |
| WO2018099662A1 (en) | 2018-06-07 |
| BE1024755A1 (nl) | 2018-06-20 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| BE1024755B1 (nl) | Afvaleinde-strekinrichting voor een weefmachine | |
| US2790208A (en) | Method and means for opening crimped continuous filament tow | |
| BE1019614A3 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het vangen en strekken van inslagdraden bij weefmachines. | |
| CZ284135B6 (cs) | Způsob a zařízení pro bezvřetenové předení | |
| BE1026412B1 (nl) | Gevergrijperkop | |
| CS203501B1 (en) | Method of and apparatus for separating impurities from staple fibres under simultaneous straightening of cleaned fibres in open-end spinning process | |
| CN104220659B (zh) | 捕捉和拉伸纬纱的装置、织机、捕捉和拉伸纬纱的方法 | |
| BE1021449B1 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het bewaken van een inslagdraad | |
| BE1017893A5 (nl) | Strekinrichting voor het strekken van een inslagdraad. | |
| DE955399T1 (de) | Elektronisch gesteuerte Musterzettelmaschine mit Fadenwechselvorrichtung, Hochgeschwindigkeitszettelmethode und Fadenrückziehvorrichtung | |
| EP0536092A1 (fr) | Dispositif pour le déplacement des fils de chaîne | |
| EP1291092B1 (de) | Verfahren und Maschine zum Aussondern der Pappanteile aus einem Altpapier-Gemenge | |
| DE69125805T2 (de) | Verfahren zum Entfernen eines fehlerhaften Schussfadens | |
| BE1000989A3 (nl) | Inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij weefmachines. | |
| BE1010943A3 (nl) | Grijperweefmachine met een aantal geleidingsmiddelen. | |
| BE1024804A1 (nl) | Inslagdraad geleidingsinrichting voor een luchtstraalweefmachine | |
| BE1024545B1 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het vangen en strekken van inslagdraden | |
| BE1003986A3 (nl) | Voorafwikkelinrichting bij weefmachines en werkwijze voor het bedraden van zulke voorafwikkelinrichting. | |
| BE1024006B1 (nl) | Ombuiginrichting voor een weefmachine en werkwijze voor het vervaardigen van een ombuiginrichting | |
| BE1023396B1 (nl) | Ombuiginrichting voor een weefmachine en werkwijze voor het vervaardigen van een ombuiginrichting | |
| BE1017456A3 (nl) | Een inrichting voor het behoud van de weefselbreedte van een weefsel op een weefmachine. | |
| US5706868A (en) | Yarn brake assembly having a guide element for bypassing a yarn brake during threading | |
| JP2565654B2 (ja) | 経糸切断時の自動停止装置 | |
| DE1710001C3 (de) | Offen-End-Spinnvorrichtung mit einer Spinnturbine | |
| FR2587373A1 (fr) | Dispositif equipant un metier a tisser sans navette, pour former une lisiere etroite sur un tissu |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| FG | Patent granted |
Effective date: 20180627 |
|
| MM | Lapsed because of non-payment of the annual fee |
Effective date: 20241130 |