<Desc/Clms Page number 1>
Titel : Vormvaste pad voor het bereiden van een consumptie geschikte drank.
De uitvinding heeft betrekking op een pad voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank, voorzien van ten minste een eerste omhulling, waarin een in een vloeistof, zoals water, oplosbare substantie, zoals melkpoeder/creamer, suiker en dergelijke toevoegstoffen, is opgenomen, waarbij de omhulling is voorzien van een bovenvel, dat vervaardigd is van een de oplosbare substantie niet doorlatend materiaal, zoals een laag filtermateriaal, en van een ondervel, dat vervaardigd is van een de oplosbare substantie op zich niet, doch de in een vloeistof opgeloste substantie wel doorlatend materiaal, zoals een laag filtermateriaal.
Een dergelijke pad is op zich bekend. De bekende pad is bedoeld voor gebruik in een op zich bekende machine, zoals een koffiezetapparaat, voor het bereiden van de voor consumptie geschikte drank. Hierbij wordt de pad in een houder van de machine geplaatst, waarbij vervolgens met behulp van de machine heet water aan de houder wordt toegevoerd. Het hete water stroomt vervolgens door een bovengelegen filtervel naar een binnenruimte van de omhulling waarin zich de in water oplosbare substantie bevindt.
Deze substantie lost op in het water en verlaat vervolgens de pad via een ondergelegen filtervel. De houder is hierbij bijvoorbeeld voorzien van ten minste één uitstroomopening waardoor het water met de daarin opgeloste substantie uit de houder kan stromen.
Een nadeel van de bekende pad is dat in gebruik, een aanzienlijk deel van de in water oplosbare substantie niet oplost. Het gevolg is dat na het bereiden van de voor consumptie geschikte drank een aanzienlijk deel van de substantie ongebruikt in de pad achterblijft.
De uitvinding heeft als doel een vormvaste pad te verschaffen waarbij een groter gedeelte van de substantie bij de bereiding van een
<Desc/Clms Page number 2>
hoeveelheid voor consumptie geschikte drank kan oplossen dan bij de bekende pad wanneer dezelfde hoeveelheden voor consumptie geschikte drank met de bekende pad en de pad volgens de uitvinding worden bereid.
Daartoe wordt er overeenkomstig de uitvinding voorzien in een vormvaste pad voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank, voorzien van ten minste een eerste omhulling, waarin een in een vloeistof, zoals water, oplosbare substantie, zoals melkpoeder/creamer, suiker en dergelijke toevoegstoffen, is opgenomen, waarbij de omhulling een bovenvel, dat vervaardigd is van een de oplosbare substantie niet doorlatend materiaal, zoals een laag filtermateriaal, en een ondervel, dat vervaardigd is van een de oplosbare substantie niet, doch de in een vloeistof opgeloste substantie wel doorlatend materiaal, zoals een laag filtermateriaal, omvat en waarbij de pad verder is voorzien van een vormgevend verstijvingslichaam, dat tussen het bovenvel en het ondervel is geplaatst,
waarbij het bovenvel en het ondervel zich althans voor een deel in hoofdzaak evenwijdig aan elkaar en aan een oppervlak uitstrekken, waarbij het verstijvingslichaam een bovenzijde grenzend aan het bovenvel en een onderzijde grenzend aan het ondervel heeft en door het daarin aanbrengen van een compartimenterende wandconfiguratie een vanaf de bovenzijde naar de onderzijde vloeistof doorlatende roosterstructuur heeft, in welke structuur althans een deel van de oplosbare substantie is ondergebracht en elk door de wandconfiguratie gevormd compartiment wordt omgeven door die wandconfiguratie, het bovenvel en het ondervel.
Het blijkt dat met de maatregelen volgens de uitvinding, dat wil zeggen het toepassen van een min of meer blok- of schijfvormig verstijvingslichaam met een goede doorlatendheid doch tevens met een verdeel- en scheidpatroon voor de oplosbare substantie, bij het doorstromen met vloeistof een groter gedeelte van die substantie wordt opgelost dan bij de bekende pad. Mogelijk wordt dit veroorzaakt doordat het water beter verspreid over de pad door de pad kan heen stromen enlof dat tengevolge van de compartimenterende
<Desc/Clms Page number 3>
wandconfiguratie de vorming van relatief grote klonten, dat wil zeggen klonten groter dan de doorlaten in de vloeistof doorlatende roosterstructuur, wordt voorkomen.
Wat betreft de belangrijke wandenconfiguratie wordt er volgens een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding een voorkeur voor uitgesproken, dat althans een deel van de compartimenterende wandconfiguratie wordt gevormd door een rooster dat een veelvoud van compartimenten vormt. Hiermee is het verstijvingslichaam op geschikte wijze in elk gewenst doorlatend rooster met onderling gescheiden compartimenten onder te verdelen. Daarnaast is het ook mogelijk, dat althans een deel van de compartimenterende wandconfiguratie wordt gevormd door een spiraalvormige wand. Alsdan is het mogelijk een enkel lang doorlopend compartiment met een voor het doel geschikte breedte te creëren.
Het gaat hier in feite om een rooster waarbij een veelvoud van naburige compartimenten met elkaar zijn verbonden en het lang doorlopend compartiment vormen, bijvoorbeeld door tenminste een opening in wanden tussen deze naburige compartimenten. Uiteraard is het ook mogelijk een rooster te combineren met een buiten-, binnen- en/of tussengelegen spiraal uit te voeren. Langgerekte compartimenten met een geschikte breedte zijn ook te realiseren door een configuratie van evenwijdige wanden. Welke specifieke wandenconfiguratie m een bepaald toepassingsgeval de meest volledige oplossing van de oplosbare substantie bewerkstelligt, is afhankelijk van de aard van de oplosbare substantie(s), de toegevoerde vloeistof en andere factoren, zoals druk en temperatuur.
Klonten bestaan vaak uit een poedervormige kern, die omgeven is door een viskeuze massa die relatief snel oplossen van de poedervormige kern tegenwerkt. Teneinde de kans op dergelijk samenklonteren van de oplosbare substantie te verkleinen heeft een relatief fijne doorlaatstructuur de voorkeur, dat wil zeggen dat het volgens een verdere uitvoeringsvorm van de uitvinding voordelen kan bieden, als elk door de wandconfiguratie
<Desc/Clms Page number 4>
gevormd compartiment gemeten loodrecht op een deel van de wandconfiguratie steeds een breedte heeft die kleiner is dan een derde, bij voorkeur kleiner dan een kwart, meer bij voorkeur kleiner dan een zesde, nog meer bij voorkeur kleiner dan een achtste van de hydraulische diameter, waarbij onder hydraulische diameter wordt verstaan de waarde verkregen door viermaal het oppervlak te delen door de omtrek van het verstijvingslichaam.
In feite betekent dit, dat elk deeltje van de oplosbare substantie in de doorlatende roosterstructuur op een afstand dichter dan bedoelde breedte van een oppervlak van de wandconfiguratie is gelegen.
Door deze afstand relatief klein te houden, zal ook de diameter van een zich eventueel willen vormende klont relatief klein is met als gevolg dat zich daadoor die klont waarschijnlijk niet gaat vormen dan wel door zijn relatief geringe afmetingen, en daardoor geringe of geen poedervormige kern, snel weer oplost.
Bij voorkeur geldt dat naburige compartimenten door een enkele wand van elkaar zijn gescheiden. Op deze wijze wordt de binnenruimte van de omhulling optimaal benut om te worden gevuld met de substantie. Met andere woorden de wandconfiguratie kan hierbij een relatief klein volumedeel van de binnenruimte van de pad in beslag nemen.
In het bijzonder geldt voorts dat het bovenvel aan een bovenzijde van het verstijvingslichaam is bevestigd en dat het ondervel aan een onderzijde van het verstijvingslichaam is bevestigd. Hierbij kan het bovenvel respectievelijk het ondervel nabij een langsrand van het bovenvel respectievelijk het ondervel zijn bevestigd aan het verstijvingslichaam.
Voorts geldt in het bijzonder dat het bovenvel aan een bovenzijde van de wandconfiguratie is bevestigd en dat het ondervel aan een onderzijde van de wandconfiguratie is bevestigd. Hierbij is het zelfs mogelijk dat het bovenvel en het ondervel met de nabij de openingen gelegen randen van de compartimenten zijn verbonden zodat de compartimenten door het bovenvel en ondervel worden afgesloten. Wanneer de substantie poedervormig is,
<Desc/Clms Page number 5>
betekent dit dat de substantie bijvoorbeeld niet van het ene compartiment naar het andere compartiment kan bewegen.
In het bijzonder geldt dat de pad voorts is voorzien van een tweede, tenminste voor een deel van een velvormig filtermateriaal vervaardigde omhulling waarin een te extraheren product zoals gemalen koffie is opgenomen waarbij de tweede omhulling zich boven of onder de eerste omhulling in hoofdzaak evenwijdig aan het oppervlak uitstrekt. Wanneer de substantie bestaat uit een melkpoeder/creamer en/of suiker en het te extraheren product uit gemalen koffie is een dergelijke vormvaste pad uitermate geschikt voor het bereiden van cappuccino. Hierbij wordt in gebruik, wanneer bijvoorbeeld de tweede omhulling zich boven de eerste omhulling bevindt, heet water onder druk aan de bovenzijde van de tweede omhulling toegevoerd.
Dit hete water vormt in de tweede omhulling een koffie-extract dat vervolgens onder invloed van de druk naar de eerste omhulling stroomt waar de substantie zal oplossen in het koffie-extract. Het koffie-extract met de daarin opgeloste substantie verlaat vervolgens de vormvaste pad door het ondervel van de eerste omhulling. De aldus verkregen drank (koffie met opgeloste substantie) is thans gereed voor consumptie. De drank kan echter eveneens nog worden toegevoerd aan de inrichting die is omschreven in de Europese octrooiaanvrage 0 878 158 en met behulp waarvan lucht wordt ingeslagen in de drank ter verkrijging van een fijnbellige schuimlaag op de drank. De aldus verkregen drank is dan een cappuccino die gereed is voor consumptie. Ook kan de drank aan andere bekende inrichtingen worden toegevoerd voor het ondergaan van verdere bewerkingen.
De vormvaste pad kan voor het bereiden van de drank in een op zich bekende houder worden opgenomen welke houder is voorzien van ten minste één uitstroomopening. In het bijzonder kan deze ten minste ene uitstroomopening de spuitmond vormen die is omschreven in de Europese octrooi aanvrage 0 878 158 voor het verkrijgen van een straal van de drank
<Desc/Clms Page number 6>
die in een bufferreservoir spuit ter verkrijging van een drank met een fijnbellige schuimlaag.
In het bijzonder geldt hierbij dat de tweede omhulling is voorzien van een, tenminste voor een deel van velvormig filtermateriaal vervaardigd bovenvel en een van velvormig filtermateriaal vervaardigd ondervel waarbij het bovenvel en het ondervel met elkaar zijn verbonden en bijvoorkeur bij hun langsranden met elkaar zijn verbonden en meer bijvoorkeur direct met elkaar zijn verbonden waarbij de met elkaar verbonden delen een rondlopende verbindingsnaad vormen.
Een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de uitvinding is te verkrijgen door de onderzijde van het verstijvingslichaam te voorzien van een uitbuikend deel, dat gevormd is door een vergroting van de hoogte van een centraal deel van de compartimenterende wandconfiguratie en een vlak heeft dat zich evenwijdig aan eerder genoemd oppervlak uitstrekt.
Als daarbij verder het centrale deel zodanig versprongen is opgesteld ten opzichte van een onderrand van een omtrekswand van het verstijvingslichaam, dat de onderzijde van de compartimenterende wandconfiguratie tussen de rand van het centrale vlak en de onderrand van de omtrekswand terugwijkt ten opzichte van een lijn getrokken tussen die rand van het centrale vlak en die onderrand van de omtrekswand en het ondervel zich uitstrekt over het centrale vlak en van de rand daarvan naar de, bij voorkeur ringvormig uitstekende, onderrand van de omtrekswand en daarop of in de nabijheid daarvan op het verstijvingslichaam is vastgezet, wordt tussen de wandconfiguratie en het ondervel een ringvormig kanaal gecreëerd, waarmee het afvoeren van de vloeistof met de daarin opgeloste substantie is te bevorderen.
Ook bij deze uitvoeringsvorm kan op het bovenvel een verdere omhulling voor het opnemen van een te extraheren substantie worden aangebracht, waarbij desgewenst de onderzijde van die omhulling kan worden gevormd door genoemd bovenvel.
<Desc/Clms Page number 7>
Mocht het gewenst zijn de verdeling van de vloeistof over het van de compartimenterende wandconfiguratie voorziene verstijvingslichaam nog verder te verfijnen, dan kan er in zijn voorzien, dat op het verstijvingslichaam een scheidingslichaam met een aantal doorlaatopeningen, meer in het bijzonder een waterverdeelplaat, zoals een douchekopplaat is aangebracht, waarbij het scheidingslichaam althans een deel van het bovenvel kan vormen dan wel additioneel op of onder het bovenvel is opgesteld.
Het bovenvel van de vormvaste pad zal in het algemeen worden gevormd door een laag filtermateriaal, zoals filtreerpapier. Evenwel is het ook mogelijk de vormvaste pad uit te voeren met een bovenvel dat bestaat uit een voor vloeistof ondoorlaatbare laag materiaal, die wegtrekbaar is aangebracht. Van deze mogelijkheid kan in het bijzonder gebruik worden gemaakt als op de vormvaste pad een omhulling met een te extraheren substantie, zoals gemalen koffie, wordt geplaatst, waarbij dan de filterlaag van die omhulling de dan open bovenzijde van de vormvaste pad afdekt. Bij geschikt uitvoeren van het verstijvingslichaam kan dit in deze uitvoering voor hergebruik in aanmerking komen. Immers de open bovenzijde geeft de mogelijkheid een oplosbare instantie in de door de compartimenterende wandconfiguratie gevormde roosterstructuur te strooien.
De uitvinding heeft eveneens betrekking op een samenstel van een vormvaste pad en een tenminste voor een deel van velvormig filtermateriaal vervaardigde extractiepad die is gevuld met een te extraheren product zoals gemalen koffie. Hierbij is een grootte van de extractiepad in een breedterichting van de extractiepad bij voorkeur groter dan een grootte van de vormvaste pad in een richting van het genoemde vlak van de vormvaste pad. Een dergelijk samenstel kan bij voorkeur worden gebruikt voor het bereiden van koffie met hete melk, meer in het bijzonder voor het bereiden van cappuccino. Hiertoe is het te extraheren product voorzien van gemalen koffie en is de oplosbare substantie bijvoorbeeld voorzien van
<Desc/Clms Page number 8>
melkpoeder/creamer.
Hierbij kan bijvoorbeeld de vormvaste pad in een houder worden geplaatst waarbij vervolgens de extractiepad boven op de vormvaste pad wordt geplaatst. Vervolgens wordt bijvoorbeeld heet water aan de bovenzijde van de houder toegevoerd. Dit hete water wordt door de extractiepad geperst zodat koffie-extract wordt gevormd. Vervolgens stroomt dit koffie-extract door de vormvaste pad zodat de substantie oplost in het koffie-extract. Omdat de substantie is voorzien van melkpoeder/creamer wordt aldus koffie-extract met melk gevormd. De aldus voor consumptie geschikte drank kan de houder via een uitstroomopening van de houder verlaten.
Wederom is het mogelijk om de aldus verkregen drank onder druk toe te voeren aan de inrichting die is omschreven in de eerder genoemde Europese octrooi aanvrage 0 878 158 voor het verkrijgen van een drank met een fijnbellige schuimlaag, in het bijzonder voor het verkrijgen van cappuccino. Ook hierbij kan de uitstroomopening van de houder worden uitgevoerd als de spuitmond die is omschreven in de Europese octrooiaanvrage 0 878 158. Het genoemde samenstel kan eveneens in één verpakking aan een consument worden aangeboden.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank met een vormvaste pad of een samenstel, zoals bovenstaand besproken, waarbij een hoeveelheid in een vloeistof, zoals water, oplosbare substantie, zoals melkpoeder/creamer, suiker en dergelijke toevoegstoffen, ondergebracht in de vormvaste pad omvattende een door een compartimenterende wandconfiguratie gevormde, vloeistof doorlatende roosterstructuur in een verstijvingslichaam afsluitend afgedekt door een bovenvel en een ondervel alsmede een hoeveelheid te extraheren substantie, zoals gemalen koffie, ondergebracht in een omhulling in een houder worden geplaatst, vervolgens aan de houder in het bijzonder vanafeen bovenzijde daarvan, een vloeistof, zoals heet water en bij voorkeur onder druk,
wordt toegevoerd aan de beide substanties waarna de aldus verkregen drank via ten minste een afvoeropening in een onderzijde van de
<Desc/Clms Page number 9>
houder wordt onttrokken. Bij voorkeur wordt daarbij de omhulling boven de vormvaste pad geplaatst, waarbij het de voorkeur kan verdienen, dat de verkregen drank door een zodanig als spuitmond uitgevoerde afvoeropening, dat een fijnbellige schuimlaag wordt verkregen. Ook kan de omhulling onder de vormvaste pad worden geplaatst. Zoals in het voorgaande reeds is besproken is een dergelijke werkwijze met een spuitmond bijzonder geschikt voor het verkrijgen van cappuccino.
Daarbij kan de vormvaste pad tot een geheel zijn samengevoegd met de omhulling of worden gebruikt met een losse omhulling, waarbij zowel de omhulling als de pad voor eenmalig gebruik kunnen zijn bedoeld, maar de vormvaste pad bij een uitvoering met een wegtrekbaar bovenvel ook voor meermalig gebruik kan zijn bedoeld.
Opgemerkt wordt dat uit EP-A-0 398 530, US-A-4,446,158 en US-A-5,082,676 weliswaar een pad met een verstijvingslichaam bekend is, doch het betreft hier een pad voor het opnemen van een te extraheren product, meer in het bijzonder gemalen koffie. Bij een dergelijke pad doet zich echter niet het probleem van klontervorming voor. Bedoelde bekende verstijvingslichamen zijn dan ook voorzien van slechts enkele verstijvingsribben, die vrije grote compartimenten vormen en in hoofdzaak tot doel hebben een vrij in een houder hangende pad voldoende weerstand tegen doorbuigen te geven. Zoals boven besproken is de vormvaste pad volgens de uitvinding onder meer beoogd om ondersteund in een houder te worden geplaatst, waarbij het verstijvingslichaam klontervorming voorkomt, doch daarbij nog een extra voordeelbiedende werking heeft.
De in de vloeistof opgeloste substantie verlaat de pad, zodat de pad na het oplossen en afvoeren van de oplosbare substantie in feite leeg zou zijn. In een in een houder ondersteunde positie dient de vormvaste pad evenwel op zijn beurt een daarboven geplaatste tweede omhulling met een te extraheren product zoals gemalen koffie te ondersteunen. Een tijdens het bereiden van de drank leeglopende pad zou het extractieproces kunnen verstoren. Door de aanwezigheid van het verstijvingslichaam in de daardoor
<Desc/Clms Page number 10>
vormvaste pad volgens de uitvinding doet dit probleem zich evenwel niet voor. Dit geldt ook wanneer de vormvaste pad door de houder wordt gedragen terwijl de tweede omhulling zich onder de vormvaste pad in de houder bevindt en ook door de houder wordt gedragen.
Onder verwijzing naar in de tekening, zij het echter uitsluitend bij wijze van niet beperkende voorbeelden, weergegeven uitvoeringsvormen zal de uitvinding thans nader worden toegelicht. Hierbij toont:
Fig. 1 een dwarsdoorsnede van een eerste uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 2 een bovenaanzicht van een verstijvingslichaam van de pad volgens Fig. 1;
Fig. 3 in perspectief het rooster van de vormvaste pad volgens Fig.
1 ;
Fig. 4 een detail van het rooster van de vormvaste pad volgens Fig.l;
Fig. 5 een dwarsdoorsnede van een tweede uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 6 een dwarsdoorsnede van een derde uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 7 een dwarsdoorsnede van een vierde uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 8 een dwarsdoorsnede van een vijfde uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 9 een dwarsdoorsnede van een zesde uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 10a een dwarsdoorsnede van een mogelijke uitvoeringsvorm van een in een houder opgenomen samenstel volgens de uitvinding welk samenstel een vormvaste pad volgens de uitvinding en een extractiepad omvat ;
<Desc/Clms Page number 11>
Fig. lOb een bovenaanzicht van de extractiepad van het samenstel volgens Fig. 10a;
Fig. 11een dwarsdoorsnede van een vormvaste pad en een extractiepad volgens de uitvinding die zijn opgenomen in een houder voor het bereiden van cappuccino.
Fig. 12 een bovenaanzicht van een eerste alternatief verstijvingslichaam van de vormvaste pads volgens de figuren 1-9;
Fig. 13 een bovenaanzicht van een tweede alternatief verstijvingslichaam van de vormvaste pads volgens de figuren 1-9;
Fig. 14a-14c een dwarsdoorsnede van respectievelijk, een negende, tiende en elfde uitvoeringsvorm van een vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 15 een bovenaanzicht van een verstijvingslichaam van een twaalfde uitvoeringsvorm van de vormvaste pad volgens de uitvinding;
Fig. 16 een doorsnede volgens de lijn XVI-XVI in Fig. 15;
Fig. 17 de onderdelen, waaronder een verstijvingslichaam volgens Fig. 15 en 16, voor het vormen van een samengestelde pad;
Fig. 18 de pad bestaande uit de in Fig. 17 getoonde onderdelen in samengestelde vorm.
Fig. 19a een bovenaanzicht van een tweede alternatief verstijvingslichaam van de vormvaste pad volgens de figuren 1-9;
Fig. 19b een zijaanzicht van het verstijvingslichaam volgens figuur 19a ;
Fig. 20a een bovenaanzicht van een scheidingslichaam dat op een bovenzijde van een veretijvingslichaam kan worden aangebracht ; en
Fig. 20b een zij aanzicht van het scheidingslichaam volgens figuur 20a.
In Fig. 1 is met referentienummer 1 een vormvaste pad voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank volgens de uitvinding aangeduid. De vormvaste pad 1 is voorzien van ten minste een eerste
<Desc/Clms Page number 12>
omhulling 2 waarin een in water oplosbare substantie 4 is opgenomen. De in water oplosbare substantie bestaat in dit voorbeeld uit melkpoeder/creamer.
Andere substanties zoals poeders voor het bereiden van chocomel en andere voor consumptie geschikte dranken zijn eveneens denkbaar. Ook zijn substanties in andere vormen dan poedervorm mogelijk zoals concentraten en extracten.
De omhulling 2 omvat een van velvormig filtermateriaal vervaardigd bovenvel 6 en een van velvormig filtermateriaal vervaardigd ondervel 8. In dit voorbeeld zijn het bovenvel 6 en het ondervel 8 elk vervaardigd van filtreerpapier. Andere filtermaterialen zoals filtermaterialen van een kunststof zijn echter eveneens mogelijk. De vormvaste pad is voorts voorzien van een verstijvingslichaam 10 dat tussen het bovenvel en ondervel is opgenomen. Het bovenvel en het ondervel strekken zich elk althans voor een deel in hoofdzaak evenwijdig uit aan een vlak 12.
Het verstijvingslichaam 10 is voorzien van een zich evenwijdig aan het vlak 12 uitstrekkend compartimenterende wandconfiguratie gevormd door een rooster 14 (zie Fig. 2 en Fig. 3) waarbij in het rooster een veelvoud van compartimenten 16 is aangebracht. Elk compartiment 16 is aan een bovenzijde 18 van het rooster 14 voorzien van een opening 20. Evenzo is elk compartiment aan een onderzijde 22 van het rooster voorzien van een opening 24. De bovenzijde van het verstijvingslichaam grenst aan het bovenvel 6 en de onderzijde van het verstijvingslichaam grenst aan het ondervel 8. Meer in het bijzonder geldt hierbij dat de bovenzijde 18 van het rooster grenst aan het bovenvel 6 en de onderzijde 22 van het rooster 14 grenst aan het benedenvel 8. De compartimenterende wandconfiguratie omvat aldus een vanaf de bovenzijde naar de onderzijde vloeistofdoorlatende roosterstructuur.
In het voorbeeld geldt dat het verstijvingslichaam is voorzien van een zich rondom een zijkant van het rooster uitstrekkende opstaande
<Desc/Clms Page number 13>
zijwand 26. Voorst geldt dat het verstijvingslichaam is voorzien van een zich rondom een zijkant van het rooster uitstrekkende horizontale rand 28.
Voorts is het verstijvingslichaam aan zijn bovenzijde voorzien van een zich naar boven toe uitstrekkende opstaande rand 30 die in feite in het verlengde van de opstaande zijwand 26 ligt. Het bovenvel is aan een bovenzijde van het verstijvingslichaam bevestigd. In dit voorbeeld is het bovenvel 6 nabij zijn langsranden bevestigd aan de opstaande rand 30. Het verstijvingslichaam is voorts aan zijn onderzijde voorzien van een rondlopende zich naar beneden toe uitstrekkende rand 32. Het ondervel is aan een onderzijde van het verstijvingslichaam bevestigd. In het voorbeeld geldt dat het ondervel 8 aan de zich naar beneden toe uitstrekkende rand 32 is bevestigd. In dit voorbeeld geldt voorts nog dat het bovenvel bovendien nog aan een bovenzijde van het rooster is bevestigd en dat het ondervel bovendien nog aan een onderzijde van het rooster is bevestigd.
Voorts geldt dat een aantal van de compartimenten een honingraat structuur hebben.
Voorts geldt dat naburige compartimenten in dit voorbeeld door telkens enkele zijwanden 34 van elkaar zijn gescheiden. Meer in het bijzonder is het bovenvel bevestigd aan een bovenzijde van de wanden 34. Evenzo geldt in dit voorbeeld dat het ondervel is bevestigd aan de onderzijde van de wanden 34. In dit voorbeeld is elk van de compartimenten gevuld met een in water oplosbare substantie zoals melkpoeder/creamer.
Voorts geldt dat de pad 1 een platte vorm heeft waarbij de pad in de richting van het vlak 12 grotere afmetingen heeft dan in een richting 35 loodrecht op het vlak 12.
Het rooster/ de compartimenterende wandconfiguratie is in dit voorbeeld van een kunststof, zoals plastic, vervaardigd. Het rooster/de compartimenterende wandconfiguratie kan echter eveneens zijn vervaardigd van andere materialen zoals metaal, rubber, karton en/of een bio-afbreekbaar materiaal. In het bijzonder geldt dat het gehele verstijvingslichaam van kunststof zoals plastic, metaal, rubber, karton enlof
<Desc/Clms Page number 14>
een bio-afbreekbaar materiaal is vervaardigd. In het voorbeeld geldt voorts dat de vormvaste pad schijfvormig (de vorm van een ronde schijf) is uitgevoerd. De pad heeft bijvoorbeeld een diameter d van 40-80 mm, in het bijzonder een diameter van ongeveer 60 mm. De hoogte van de pad is bijvoorbeeld 5-20 mm, in het bijzonder ongeveer 7 mm.
Een diameter 1 van de compartimenten die een honingraatstructuur vormen is bijvoorbeeld 5-10 mm en bij voorkeur ongeveer 7 mm.
De vormvaste pad kan op een op zich bekende wijze worden gebruikt voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank. Zo kan de pad bijvoorbeeld in een houder worden geplaatst die open is aan zijn bovenzijde en die aan zijn onderzijde is voorzien van ten minste een uitstroomopening. Dergelijke houders zijn op zich bekend en worden veelal toegepast bij op zich bekende apparaten voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank zoals espressoapparaten en andersoortige apparaten. Met behulp van het apparaat kan bijvoorbeeld heet water onder druk aan een bovenzijde van de houder worden toegevoerd. Dit hete water . dringt middels het bovenvel de vormvaste pad binnen waarbij de substantie oplost in het water.
Het hete water met de daarin opgeloste substantie kan de vormvaste pad vervolgens via het ondervel verlaten en kan vervolgens de houder via de ten minste ene uitstroomopening verlaten. Ten gevolge van de compartimenten zal hierbij een relatief groot gedeelte van de substantie oplossen in het water. De voor consumptie geschikte drank die de houder verlaat kan vervolgens worden opgevangen in een houder zoals een kopje.
Het is echter eveneens mogelijk dat de drank vanuit de houder aan een spuitmond wordt toegevoerd voor het bereiden van een voor consumptie geschikte drank met een fijnbellige schuimlaag zoals bijvoorbeeld is omschreven in de Europese octrooiaanvrage 0 878 158. Hierbij kan de uitstroomopening van de houder bijvoorbeeld worden uitgevoerd als de spuitmond.
<Desc/Clms Page number 15>
In het voorbeeld van Fig. 1 zijn het bovenvel 6 en het ondervel 8 door tussenkomst van de opstaande zijwand 26 met elkaar verbonden. Het is echter eveneens mogelijk dat het bovenvel 6 en het ondervel 8 rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Dit is getoond in Fig. 5. In Fig. 5 zijn het ondervel 8 en het bovenvel 6 met elkaar verbonden en in dit voorbeeld bij langsranden 36 van het beneden- en ondervel met elkaar verbonden en in dit voorbeeld bovendien direct met elkaar verbonden waarbij de met elkaar verbonden delen een rondlopende verbindingsnaad 38 vormen. Ook hierbij kunnen het bovenvel enlof het ondervel nog zijn verbonden met respectievelijk de bovenzijde 18 van het rooster 14 en de onderzijde 22 van het rooster 14 zoals dit in relatie met Fig. 1 is besproken.
Fig. 6 toont een alternatieve uitvoeringsvorm van de pad volgens Fig. 1-4. In de Fig. 1 en 6 zijn een aantal met elkaar overeenkomende onderdelen van hetzelfde referentienummer voorzien. Bij de pad volgens Fig. 6 geldt dat het bovenvel 6 en het ondervel 8 met een buitenzijde 37 van de opstaande zijwand is verbonden. Het bovenvel 6 en het ondervel 8 kunnen respectievelijk eventueel voorts nog (eventueel op enkele plaatsen) met een bovenzijde en een onderzijde van het rooster zijn verbonden.
Het bovenvel kan dus zoals besproken op diverse manieren aan het verstijvingslichaam zijn bevestigd. Zo is het mogelijk dat het bovenvel (eventueel alleen) aan een bovenzijde van het rooster is bevestigd. Tevens is mogelijk dat het bovenvel (eventueel alleen) aan een bovenzijde van de opstaande zijwand is bevestigd. Bovendien is het mogelijk dat het bovenvel (eventueel alleen) aan een buitenzijde van de opstaande zijwand is bevestigd. In het bijzonder geldt bij de laatste twee mogelijkheden dat het bovenvel tevens aan een bovenzijde van het rooster is bevestigd. In dat laatste geval geldt voorts dat het mogelijk is dat het bovenvel slechts aan enkele punten van de bovenzijde van het rooster ia bevestigd. Tevens is het mogelijk dat het bovenvel en ondervel direct aan elkaar zijn bevestigd.
<Desc/Clms Page number 16>
Ook het ondervel kan zoals besproken op diverse manier aan het verstijvingslichaam zijn bevestigd. Zo is het mogelijk dat het ondervel (eventueel alleen) aan een onderzijde van het rooster is bevestigd. Tevens is het mogelijk dat het ondervel (eventueel alleen) aan een onderzijde van de opstaande zijwand is bevestigd. Bovendien is het mogelijk dat het ondervel (eventueel alleen) aan een buitenzijde van de opstaande zijwand is bevestigd. In het bijzonder geldt bij de laatste twee mogelijkheden dat het ondervel tevens aan een onderzijde van het rooster is bevestigd. In dit laatste geval geldt voorts dat het mogelijk is dat het ondervel slechts aan enkele punten van de onderzijde van het rooster is bevestigd.
In het bijzonder geldt dat de pad voorts is voorzien van een tweede omhulling 39 zoals is getoond in Fig. 7. De omhulling 39 is in dit voorbeeld vervaardigd van velvormig filtermateriaal. Dit velvormig filtermateriaal kan bijvoorbeeld zijn voorzien van filtreerpapier. Andere velvormige filtermaterialen zoals kunststof filtermaterialen zijn echter eveneens mogelijk. In de tweede omhulling is een te extraheren product 40 zoals koffie of thee opgenomen. In dit voorbeeld is het te extraheren product echter gemalen koffie 40. De tweede omhulling 39 bevindt zich in dit voorbeeld boven de eerste omhulling 2 en strekt zich althans in hoofdzaak evenwijdig aan het vlak 12 uit. In Fig. 7 correspondeert de eerste omhulling 2 met de omhulling 2 die aan de hand van de Fig. 1-4 is besproken.
De tweede omhulling 39 is voorzien van een van velvormig filtermateriaal vervaardigd bovenvel 41 en een van velvormig filtermateriaal vervaardigd ondervel 42. Het bovenvel 41 kan bijvoorbeeld zijn vervaardigd van filtreerpapier. Dit geldt eveneens voor het ondervel 42. Het bovenvel 41 en het ondervel 42 zijn bij hun langsranden met elkaar verbonden waarbij de met elkaar verbonden delen een rondlopende verbindingsnaad 43 vormen.
De eerste en tweede omhulling zijn met elkaar verbonden. Bij de pad volgens Fig. 7 is dit gerealiseerd doordat het ondervel 42 van de tweede omhulling 39 bestaat uit het bovenvel 6 van de eerste omhulling 2. Ook is
<Desc/Clms Page number 17>
het mogelijk dat de tweede omhulling 39 zich onder de eerste omhulling 2 bevindt. In het bijzonder bestaat dan het bovenvel 41 van de tweede omhulling 39 uit het ondervel 8 van de eerste omhulling 2.
De vormvaste pad 1 volgens Fig. 7 kan bij voorkeur worden gebruikt voor het bereiden van koffie met melk. Hiertoe wordt de vormvaste pad volgens Fig. 7 bijvoorbeeld in een op zich bekende houder van, bijvoorbeeld, een espressoapparaat geplaatst zoals hiervoor is omschreven.
Vervolgens wordt heet water aan een bovenzijde van de houder, bij voorkeur onder druk, toegevoerd. Het water wordt aldus aan beide substanties van de eerste en tweede omhulling toegevoerd. In dit voorbeeld stroomt dit hete water althans voor een deel door het bovenvel 41 naar een binnenruimte 44 van de tweede omhulling alwaar koffie-extract wordt gevormd. Dit koffie- extract verlaat de tweede omhulling 39 via het ondervel 42 en treedt vervolgens de eerste omhulling 2 binnen omdat het ondervel 42 tevens het bovenvel 6 van de eerste omhulling 2 vormt. In de eerste omhulling 2 stroomt het koffie-extract door de compartimenten alwaar de substantie zal oplossen in het koffie-extract en koffie met melk wordt gevormd. Deze koffie met melk stroomt vervolgens uit de pad 1 van Fig. 7 via het ondervel 8.
De koffie met melk kan vervolgens de houder verlaten via de ten minste ene uitstroomopening van de houder. Er geldt dan dat een hoeveelheid in een vloeistof, zoals water, oplosbare substantie, zoals melkpoeder/creamer, suiker en dergelijke toevoegstoffen, ondergebracht in de vormvaste pad omvattende een door een compartimenterende wandconfiguratie gevormde, vloeistof doorlatende roosterstructuur in een verstijvingslichaam afsluitend afgedekt door een bovenvel en een ondervel alsmede een hoeveelheid te extraheren substantie, zoals gemalen koffie, ondergebracht in een tweede omhulling in een houder worden geplaatst, vervolgens aan de houder, in het bijzonder vanaf een bovenzijde daarvan een vloeistof, zoals heet water en bij voorkeur onder druk, wordt toegevoerd aan de beide substanties,
waarna de aldus verkregen drank via ten minste een afvoeropening in een onderzijde
<Desc/Clms Page number 18>
van de houder wordt onttrokken. Zoals hiervoor besproken kan de aldus verkregen drank eveneens worden toegevoerd aan een inrichting ter verkrijging van een drank met een fijnbellige schuimlaag, zoals bijvoorbeeld is omschreven in de Europese octrooiaanvrage 0 878 158. Aldus kan cappuccino worden gevormd. Hierbij kan de uitstroomopening van de houder worden uitgevoerd als de spuitmond van de inrichting volgens de genoemde Europese octrooiaanvrage.
Wanneer de tweede omhulling in de op zich bekende houder beneden de eerste omhulling is geplaatst en water aan een bovenzijde van de houder wordt toegevoerd zal het water allereerst de eerste omhulling doorstromen waardoor de substantie in de eerste omhulling oplost en zal het water vervolgens de extractiepad doorstromen.
Er geldt dan dat de vloeistof eerst aan de oplosbare substantie en daarna aan de te extraheren substantie wordt toegevoerd.
Fig. 8 toont een alternatieve uitvoeringsvorm voor de vormvaste pad van Fig. 7 die is gevuld met een te extraheren product 40. Ook de pad van Fig. 8 is voorzien van een tweede omhulling 39. Het verstijvingslichaam is voorts voorzien van een ringvormige opstaande rand 45. Aan een bovenzijde van de opstaande rand 45 is het bovenvel 41 van de tweede omhulling 39 bevestigd. Ook hier bestaat het ondervel 42 van de tweede omhulling uit het bovenvel 6 van de eerste omhulling 6.
Fig. 9 toont een tweede alternatieve uitvoeringsvorm voor de vormvaste pad van Fig. 7. Ook in Fig. 9 is de vormvaste pad voorzien van een tweede van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier vervaardigde omhulling 39 waarin een te extraheren product zoals gemalen koffie of thee 40 is opgenomen. In dit voorbeeld is het te extraheren product gemalen koffie. Ook hierbij strekt de tweede omhulling zich boven de eerste omhulling althans in hoofdzaak evenwijdig aan het vlak 12 uit. De eerste omhulling 2 correspondeert met de omhulling zoals besproken aan de hand van Fig. 1-3. De eerste omhulling 2 kan echter ook zijn uitgevoerd zoals besproken aan de hand van Fig. 5 en 6.
De tweede omhulling 39 is wederom
<Desc/Clms Page number 19>
voorzien van een bovenvel 60 dat is vervaardigd van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier en een ondervel 62 dat is vervaardigd van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier. In dit voorbeeld bestaat het ondervel 62 echter uit een ander vel dan het bovenvel 6 van de eerste omhulling. Het ondervel 62 en het bovenvel 6 kunnen op zich bekende wijze aan elkaar zijn bevestigd, zoals bijvoorbeeld door middel van een kleefverbinding 47. Ook is het mogelijk dat de combinatie van de eerste omhulling 2 en de tweede omhulling 30 zijn opgenomen in een derde omhulling 46. De derde omhulling 46 is in dit voorbeeld voorzien van een bovenvel 48 dat is vervaardigd van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier en een ondervel 50 dat is vervaardigd van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier.
Het ondervel 50 en het bovenvel 48 zijn nabij hun langsranden met elkaar verbonden. Deze langsranden vormen een rondlopende verbindingsnaad 52. In dit voorbeeld worden de eerste omhulling 2 en de tweede omhulling 39 bij elkaar gehouden'door de derde omhulling 46 en zijn de eerste omhulling 2 en de tweede omhulling 39 niet noodzakelijkerwijs rechtstreeks met elkaar verbonden.
Ook de vormvaste pad van Fig. 9 kan in elk van zijn varianten, bij voorkeur worden gebruikt voor het bereiden van koffie met melk en in het bijzonder voor het bereiden van cappuccino zoals besproken aan de hand van Fig. 7.
In Fig. 10a wordt een samenstel volgens de uitvinding getoond. Het samenstel 54 is voorzien van een vormvaste pad 1 van een soort zoals aan de hand van de Fig. 1-4 of bijvoorbeeld Fig. 5 of Fig. 6 is besproken. Voorts is het samenstel voorzien van een op zich bekende extractiepad 56 die met een te extraheren product zoals bijvoorbeeld gemalen koffie is gevuld. De op zich bekende extractiepad is van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier vervaardigd en is in dit voorbeeld gevuld met gemalen koffie 58. Een grootte van de extractiepad in een breedterichting B (zie Fig. lOb) van de extractiepad is ten minste zo groot als en komt in dit voorbeeld
<Desc/Clms Page number 20>
overeen met een grootte van de vormvaste pad in een richting van het genoemde vlak 12.
In dit voorbeeld zijn de vormvaste pad 1 en de extractiepad 56 elk schijfvormig uitgevoerd waarbij de vormvaste pad en de extractiepad een althans nagenoeg zelfde diameter hebben. De op zich bekende extractiepad 56 is wederom voorzien van een van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier vervaardigd bovenvel 60 en een van velvormig filtermateriaal zoals filtreerpapier vervaardigd ondervel 62 waarbij het bovenvel en het ondervel nabij hun langsranden met elkaar zijn verbonden waarbij de verbonden delen een verbindingsnaad 64 vormen.
Doordat de grootte van de extractiepad in de breedterichting B van de extractiepad ten minste zo groot is als en in dit voorbeeld overeenkomt met de grootte van de vormvaste pad in de richting van het genoemde vlak
12 kunnen de vormvaste pad en de extractiepad eenvoudig in een houder 66 worden opgenomen die is voorzien van ten minste n uitstroomopening 68.
De vormvaste pad 1 rust dan op de bodem van de houder terwijl de extractiepad 56 boven op de vormvaste pad wordt gepositioneerd (zie Fig.
10a). Vervolgens kan aan de bovenzijde van de houder heet water worden toegevoerd ter bereiding van de voor consumptie geschikte drank. In het bijzonder wordt het water onder druk toegevoerd. Deze druk kan de gebruikelijke waarden aannemen voor het bereiden van espresso of koffie met het Senseo systeem. Een bijkomend voordeel van de vormvaste pad in de voorbeelden is dat de vorm van de vormvaste pad, wanneer de oplosbare substantie oplost en uit de vormvaste pad verdwijnt, niet of in hoofdzaak niet verandert. Hierdoor wordt het extractieproces niet oncontroleerbaar be nvloed omdat een verplaatsing en/of een vervorming van de extractiepad ten gevolge van een vervorming van de vormvaste pad niet of althans nagenoeg niet plaats vindt.
Dit geldt niet alleen wanneer de extractiepad in de houder rust op de vormvaste pad maar ook wanneer de vormvaste pad in de houder wordt gedragen door de houder terwijl de extractiepad zich in de houder onder de vormvaste pad bevindt. In Fig. 11 is eveneens een op zich
<Desc/Clms Page number 21>
bekende houder 66 getoond waarin de vormvaste pad 1 alsmede de extractiepad 56 van Fig. 10a zijn opgenomen. In verband met de specifieke vorm van de houder 66 heeft in dit voorbeeld de extractiepad 56 een grotere diameter dan de vormvaste pad 1. Hierdoor kan de extractiepad 56 boven (stroomopwaarts van) de vormvaste pad worden gepositioneerd.
Zoals gezegd kan aan een bovenzijde van de houder 66 heet water (onder druk) worden toegevoerd welk heet water althans voor een deel achtereenvolgens de extractiepad 56 en vormvaste pad 1 doorstroomt zodat achtereenvolgens koffie-extract en koffie-extract met melk wordt gevormd. Het koffie-extract met melk verlaat de houder 66 via de uitstroomopening 68 van de houder.
In het bijzonder is de uitstroomopening 68 uitgevoerd als een op zich bekende spuitmond zoals beschreven in de Europese octrooiaanvrage 0 878
158. Hiermee wordt dan een straal van koffie-extract met melk gevormd die in een bufferreservoir 70 spuit ter verkrijging van koffie-extract met melk met een fijnbellige schuimlaag. In het bijzonder wordt in dit voorbeeld aldus cappuccino gevormd. In plaats van met het samenstel volgens Fig. 10a kan de houder 66 eveneens worden gevuld met de vormvaste pad volgens Fig. 7, 8 of 9. Dergelijke varianten worden elk geacht binnen het kader van de uitvinding te vallen.
In figuur 12 is een verstijvingslichaam 10 getoond dat het verstijvingslichaam 10 van de pads volgens de figuren 1-9 kan vervangen ter verkrijging van alternatieve vormvaste pads volgens de uitvinding. Het verstijvingslichaam is voorzien van compartimenten 16. 1 die op een buitenste ring 80 liggen, compartimenten 16. 2 die op een ring 82 binnen de buitenste ring liggen, compartimenten 16. 3 die op een ring 84 binnen de ring 82 liggen, compartimenten 16. 4 die op een ring 86 binnen de ring 84 liggen en compartimenten 16. 5 die op een ring 88 binnen de ring 86 liggen.
Er geldt dat de compartimenten 16.1 en 16. 2 kleiner zijn dan de compartimenten 16. 3. Tevens zijn de compartimenten 16. 3 kleiner dan de compartimenten 16.4. Er geldt dus dat het verstijvingslichaam een veelvoud
<Desc/Clms Page number 22>
van relatief kleine compartimenten (16.1 & 16.2 reep. 16. 3) omvat die op een relatief kleine afstand ligt van een omtreksrand 90 van het verstijvingslichaam en dat het verstijvingslichaam een veelvoud van relatief grote compartimenten (16. 3 resp. 16. 4) omvat die op een relatief grote afstand ligt van de omtreksrand. Het blijkt dat bijvoorbeeld bij toepassing volgens figuren 10 en 11 een relatief groot gedeelte van de substantie oplost.
Met name lost de substantie die zich in de compartimenten bevindt die op een relatief kleine afstand van de omtreksrand liggen ook goed op. Het blijkt dat een waterstroom door deze compartimenten soms wordt belemmerd doordat de vormvaste pad bij deze compartimenten in gebruik, op een bodem van een houder 66 ligt. De oppervlakte van de compartimenten 16.1 bedraagt bijvoorbeeld 25-55 mm2 en bij voorkeur 40 mm2. Voor de compartimenten 16. 2, 16. 3 en 16. 4 geldt respectievelijk 35-65 mm2 en bij voorkeur 50 mm2, 45-75 mm2 en bij voorkeur 60 mm2, 55-85 mm2 en bij voorkeur 70 mm2. In figuur 13 is getoond dat het rooster ook compartimenten 16 kan omvatten die langwerpig zijn uitgevoerd en althans nagenoeg evenwijdig aan elkaar zijn gericht. Hierbij geldt bijvoorbeeld dat d2 dl. In de figuren 14a-14c zijn voorbeelden getoond waarbij het ondervel 8 niet overal tegen het rooster aan ligt.
Op die plaatsen waar het ondervel 8 niet tegen het rooster aan ligt zijn op opneemruimtes 92 getoond die elk althans voor een deel kunnen zijn gevuld met de substantie 4.
Het in Fig. 15 in bovenaanzicht weergegeven verstijvingslichaam 90 is voorzien van een ringvormige omtrekswand 91, waarbij zich binnen de omtrekswand 91 concentrisch twee verdere ringvormige wanden 92 en 93 uitstrekken. Vanaf een centrale pen 94 strekt zich radiaal rotatiesymmetrisch verdeeld een achttal wanden 95 uit tot aan de omtrekswand 91. Midden tussen telkens twee wanden 95 is een zich radiaal uitstrekkende wand 96 aangebracht tussen de ringvormige wand 93 en de omtrekswand 91. Zoals Fig. 16 toont heeft de omtrekswand een gebogen dwarsdoorsnede, waardoor de omtrekswand 91 een open schotelvorm met
<Desc/Clms Page number 23>
open bodem heeft, waarbij nabij de omtrek van de open bodem een neerwaarts reikende omtreksrand 97 is gevormd.
Verder is uit Fig. 16 zichtbaar, dat de ringvormige wand 93 een grotere hoogte heeft dan de ringvormige wand 92, waarbij de ringvormige wand 93 door genoemde open bodem heen steekt. De wanden 95 en 96 volgen het aldus door de ringvormige wanden gevormde profiel, waarbij het verschil in hoogte tussen de ringvormige wanden 95 en 96 aan de onderzijde wordt opgevangen door een vloeiende overgang in de vorm van een gestrekte S. Aldus is ten opzichte van de omtrekswand 91 het verstijvingslichaam 90 voorzien van een uitbuikend centraal deel. Verder is de centrale pen 94 iets korter uitgevoerd dan de ringvormige wand 93, waardoor de aan de centrale pen 94 grenzende compartimenten onderling in verbinding staan.
In Fig. 17 is het in Fig. 15 en 16 getoonde verstijvingslichaam 90 in schematische vorm weergegeven tezamen met een ondervel 100, een bovenvel 101 en een omhullingsvel 102 voor het vormen van een samengestelde vormvaste pad, zoals weergegeven in Fig. 18. Ter verduidelijking van de wijze waarop de samengestelde pad is verkregen uit de in Fig. 17 getoonde onderdelen, zijn in Fig. 17 de overeenkomende sealplaatsen op de verschillende onderdelen aangeduid met overeenkomende letters a-a, b-b, c-c, d-d, e-e.
Zoals uit Fig. 18 blijkt, wordt door het centraal uitbuikende deel van het verstijvingslichaam 90 en het strak daarover getrokken en aan de omtrekswand 91 bij e vastgezette ondervel 100 een rondom lopend ringvormig kanaal 103 gevormd via welk kanaal de aan de wanden 96 grenzende compartimenten onderling in verbinding staan. Dit alsmede het onderling in verbinding staan van de aan de centrale pen 94 grenzende compartimenten kan het volledig oplossen en afvoeren van de oplosbare substantie uit het verstijvingslichaam 90 bevorderen.
In het bijzonder geldt voor elk van de hiervoor besproken uitvoeringsvormen dat een kleinste afmeting van een compartiment kleiner
<Desc/Clms Page number 24>
is dan eenderde, bij voorkeur kleiner dan een kwart, meer bij voorkeur kleiner dan een zesde en nog meer bij voorkeur kleiner is dan een zevende van een kleinste diameter van de pad. Tevens geldt voor elk van de hiervoor besproken uitvoeringsvormen dat een kleinste afmeting van een compartiment kleiner is dan tweemaal de dikte van de pad. Tevens geldt voor elk van de hiervoor besproken uitvoeringsvormen dat de compartimenten met de genoemde afmetingen zich uitstrekken over althans nagenoeg de gehele pad. Bij voorkeur geldt dat het aantal compartimenten per m2 3. 000-100.000 is, meer bij voorkeur van 10. 000-30.000 per m2 en nog meer bij voorkeur van 16. 000-20.000 per m2.
Het velvormige filtermateriaal kan ook bestaan uit een plaatje van bijvoorbeeld metaal of plastic waarin kleine openingen zijn aangebracht. Ook kan het velvormige filtermateriaal bestaan uit een net-vormig materiaal dat is voorzien van geweven draden waartussen openingen zijn gevormd. Daarnaast kan de pad dusdanig zijn uitgevoerd dat deze kan worden geopend. Dit kan bijvoorbeeld door het bovenvel verwijderbaar aan te brengen. De pad kan dan na gebruik worden geopend en opnieuw worden gevuld met de in water oplosbare substantie.
De vormvaste pad kan ook worden gebruikt in inrichtingen waarin het water niet onder druk aan de vormvaste pad wordt toegevoerd (opgieten van water).
De pad kan behalve een ronde vorm ook andere vormen hebben zoals een rechthoekige, vierkant of ovale vorm. In deze aanvrage is sprake van een verstijvingslichaam. Hiermee wordt bedoeld dat het lichaam dusdanig rigide is dat het lichaam in gebruik niet of althans nagenoeg niet zal vervormen.
In elk van de hiervoor geschetste uitvoeringsvormen kunnen de wanden 34 ook een van negentig graden verschillende hoek met het vlak 12 insluiten. Ook kan de normaal van elk van de wanden 14 verticale richting vari ren.
<Desc/Clms Page number 25>
Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm is een compartiment aan zijn bovenzijde en/of onderzijde voorzien van meer dan n opening. Ook is het mogelijk dat naburige compartimenten met elkaar zijn verbonden, bijvoorbeeld door ten minste n opening in ten minste een wand 34 tussen deze naburige compartimenten. Hierdoor kan ook een spiraalvormig verstijvingslichaam worden verkregen zoals hierna aan de hand van figuur
19a en 19b wordt besproken. Aldus is het mogelijk dat althans een deel van de compartimenterende wandconfiguratie wordt gevormd door een spiraalvormige wand. Een voorbeeld van een dergelijk verstijvingslichaam
200 is getoond in figuur 19a en 19b en kan bijvoorbeeld in elk van de vormvaste pads volgens de figuren 1-10 worden toegepast.
Additioneel kunnen eventueel bij de spiraal 202 nog een aantal zijwanden 204 worden aangebracht waarvan er een aantal in figuur 19a gestippeld zijn getoond.
Deze zijwanden kunnen echter ook achterwege blijven.
Onder koffiepad wordt in deze aanvrage ook wel verstaan een op zich bekende koffiecartridge.
In het bijzonder geldt voorts bijvoorbeeld bij de houder 66 en vormvaste pad 1 zoals getoond in figuur 10a,11 dat de houder 66 en de vormvaste pad 1 met elkaar worden verbonden alvorens de extractiepad 56 c.q. de tweede omhulling 39 in de houder wordt geplaatst. Bij voorkeur worden hierbij de vormvaste pad en de houder ge ntegreerd uitgevoerd. Er geldt dan dus dat de vormvaste pad verder is voorzien van een houder met een opneemruimte voor het opnemen van een extractiepad die is gevuld met een te extraheren substantie zoals gemalen koffie of thee waarbij de eerste omhulling zich beneden de opneemruimte bevindt en in flu dumverbinding staat met de opneemruimte. Vormvaste pad en houder vormen dan bijvoorbeeld een 'wegwerphouder'.
In elk van de, bijvoorbeeld aan de hand van de figuren 1-6,10-16 en 19, besproken vormvaste pads kan het bovenvel van de eerste omhulling zijn vervaardigd van een vloeistofdicht vel, dat wegtrekbaar is aangebracht.
<Desc/Clms Page number 26>
Deze kan dan worden verwijderd alvorens water wordt toegevoerd aan de vormvaste pad, wanneer deze bijvoorbeeld in de houder 66 is geplaatst.
In het bijzonder geldt hierbij dat de afscheurbare laag wordt verwijderd alvorens de vormvaste pad in de houder te plaatsen en daarop of eronder de tweede omhulling te plaatsen. De houder volgens de figuren 10a en 11 kan, in gebruik, ook andere standen innemen wanneer water onder druk aan de houder wordt toegevoerd; zo kan de houder 66 ook op zijn kant ofop zijn kop staan. Ook is het denkbaar dat andere soorten houders worden toegepast waarbij het water bijvoorbeeld aan een zijkant of onderkant van de houder wordt toegevoerd. Ook kan de vormvaste pad verder zijn gekenmerkt in dat op het verstijvingslichaam een scheidingslichaam met een aantal doorlaatopeningen, meer in het bijzonder een waterverdeelplaat, zoals een douchekopplaat is aangebracht. Een dergelijk scheidingslichaam 210 is bijvoorbeeld getoond in figuur 20a en 20b.
De doorlaatopeningen 212 kunnen in aantal, positie en (hydraulische) diameter variëren. In het bijzonder geldt dat het scheidingslichaam althans een deel van het bovenvel van de eerste omhulling vormt. Ook is het mogelijk dat het scheidingslichaam boven het bovenvel van de eerste omhulling 2 is geplaatst. Ook is het mogelijk dat het scheidingslichaam onder het bovenvel van de eerste omhulling 2 is geplaatst. Hierbij kan het bovenvel verwijderbaar zijn uitgevoerd zoal hiervoor besproken en niet vloeistofdoorlaatbaar zijn uitgevoerd. Ook kan het bovenvel bestaan uit een laag filtermateriaal. Het scheidingslichaam kan van plastic of een ander materiaal zoals metaal zijn vervaardigd. Ook kan het bovenvel deels (bijvoorbeeld een buitenste ring) zijn gevormd uit filtreerpapier en deels (bijvoorbeeld een binnenste schijf uit het scheidingslichaam.
Ook is het mogelijk dat bij de eerste omhulling het bovenvel en het ondervel een en hetzelfde vel vormen. Het begrip bovenvel en het begrip ondervel is dan niet beperkt tot twee verschillende vellen die met elkaar zijn verbonden. Ook andere vellen of een enkel vel kunnen bij de omhulling een (fictief) bovenvel
<Desc/Clms Page number 27>
en ondervel vormen. Het ondervel kan dus ook een deel van tenminste een vel zijn die zich uitstrekt tot aan de bovenzijde van de pad. Dit geldt geheel analoog voor het bovenvel : kan ook eventueel deels zijn gevormd uit een vel dat zich tot aan de onderzijde van de pad uitstrekt. Dit alles geldt ook voor de tweede omhulling.
In dit voorbeeld bestaat de substantie uit melkpoeder/creamer.
Andere substanties zoals poeder voor chocolademelk en poeder voor het verkrijgen van andere smaken en varianten zijn eveneens denkbaar. Ook is het denkbaar dat de substantie een andere vorm dan de poedervorm heeft.
De substantie kan ook eveneens zijn voorzien van een concentraat en/of een extract. Voorts kan het verstijvingslichaam en het rooster zijn vervaardigd van andere materialen dan kunststof zoals bijvoorbeeld karton, metaal en/of combinaties daarvan. Voorts kunnen het bovenvel en ondervel van de eerste omhulling aan hun buitenzijde eveneens een concaaf of convex oppervlak vormen. Dit concave of convexe oppervlak wordt bijvoorbeeld bepaald door een concave of convexe vorm voor de bovenzijde 18 en/of onderzijde 22 van het rooster. In dat geval zijn het bovenvel 6 en het ondervel 8 eveneens althans in hoofdzaak evenwijdig gericht aan het vlak 12.
Ook kan het verstijvingslichaam zijn voorzien van een aantal op elkaar gestapelde roosters waarbij eventueel de compartimenten van een van de roosters in de richting van het vlak versprongen zijn aangebracht ten opzichte van de compartimenten van een van de andere roosters. Ook is het in elk van de voorbeelden van de Fig. 7-11 en 18 mogelijk dat de eerste omhulling 2 en de tweede omhulling 39 onderling wordt verwisseld. Hierbij kan het verstijvingslichaam ook zijn uitgevoerd volgens de hiervoor besproken alternatieven. De eerste omhulling 2 met de oplosbare substantie komt dan boven de tweede omhulling 39 met het te extraheren product te liggen. De compartimenten 16 zijn in de voorbeelden voor het merendeel zeshoekig uitgevoerd. Andere n-hoekige vormen (n # 3) zijn eveneens mogelijk alsmede ronde en ovale vormen.
De hartafstand m van naburige compartimenten (zie
<Desc/Clms Page number 28>
Fig. 2) kan bijvoorbeeld 6-10 mm bedragen en is bij voorkeur ongeveer 7 mm. De diameter van een wand 34 is bijvoorbeeld 0. 2-0.5 mm en is bij voorkeur ongeveer 0.35 mm. De oplosbaarheid van de oplosbare substantie kan wanneer deze in poedervorm is, verder worden verhoogd door de poeder te agglomereren. Ook dergelijke varianten worden elk geacht binnen het kader van de uitvinding te vallen.