[go: up one dir, main page]

NL9320028A - Koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep van een container. - Google Patents

Koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep van een container. Download PDF

Info

Publication number
NL9320028A
NL9320028A NL9320028A NL9320028A NL9320028A NL 9320028 A NL9320028 A NL 9320028A NL 9320028 A NL9320028 A NL 9320028A NL 9320028 A NL9320028 A NL 9320028A NL 9320028 A NL9320028 A NL 9320028A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
sealing ring
carriage
valve
dispensing head
coupling device
Prior art date
Application number
NL9320028A
Other languages
English (en)
Other versions
NL194121B (nl
NL194121C (nl
Original Assignee
Micro Matic As
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Micro Matic As filed Critical Micro Matic As
Publication of NL9320028A publication Critical patent/NL9320028A/nl
Publication of NL194121B publication Critical patent/NL194121B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL194121C publication Critical patent/NL194121C/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B67OPENING, CLOSING OR CLEANING BOTTLES, JARS OR SIMILAR CONTAINERS; LIQUID HANDLING
    • B67DDISPENSING, DELIVERING OR TRANSFERRING LIQUIDS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR
    • B67D1/00Apparatus or devices for dispensing beverages on draught
    • B67D1/08Details
    • B67D1/0829Keg connection means
    • B67D1/0831Keg connection means combined with valves
    • B67D1/0832Keg connection means combined with valves with two valves disposed concentrically

Landscapes

  • Devices For Dispensing Beverages (AREA)
  • Containers And Packaging Bodies Having A Special Means To Remove Contents (AREA)

Description

Titel: Koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep van een container.
De uitvinding heeft betrekking op koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep, welke is aangebracht in een verbindingsgedeelte op een container voor vloeistof, zoals bier onder druk van een gas, bijvoorbeeld CO2, welke afgiftekop omvat: een gasinlaat, een holle slede verschuifbaar door middel van een handgreep tussen een onderste positie waarin de klep is geopend en de vloeistof door de holle slede kan wegstromen, en een bovenste positie waarin de klep is gesloten, een elastomeerring, welke coaxiaal met de slede, axiaal verschuifbaar is aangebracht in een uitsparing benedenwaarts van de afgiftekop en dient om een afdichting te vormen tussen de afgiftekop en de klep bij het koppelen, en een eerste buitenwaarts gerichte kraag is zodanig aangebracht op de slede dat de kraag tracht de afdichtring vrij van de klep op te tillen, indien de slede naar de bovenste positie daarvan wordt bewogen.
In de meest algemeen gebruikte typen afgiftekoppen voor koppelingsinrichtingen volgens het hierboven genoemde type wordt de afdichtring in de afgiftekop vastgehouden door middel van een ringvormige ribbe, welke is aangebracht op de binnenzijde van de uitsparing en aangrijpt in een corresponderende groef in de afdichtring. Deze heeft daarom slechts een zeer geringe of vaak vrijwel geen bewegingsvrijheid in een axiale richting. Indien de klep wordt gesloten door de slede naar boven te trekken naar de bovenste positie daarvan, wordt een holte in de afgiftekop boven de afdichtring geblokkeerd. Deze holte wordt echter toch gevuld met drukgas, dat de afdichtring zo stevig tegen de klep houdt dat het extreem moeilijk is de afgiftekop van de klep te verwijderen indien de container bijvoorbeeld dient te worden vervangen door een nieuwe. In het bijzonder is het probleem ernstig ervaren in verband met de constructies waarbij het koppelen plaatsvindt door het bewegen van de afgiftekop dwars over een buitenwaarts uitstekende flens op de klep.
Het Britse octrooischrift 2.185.470 beschrijft een koppelingsinrichting waarin getracht is het hierboven beschreven probleem van het verwijderen van de afgiftekop op te lossen. In dit geval is de afdichtring aangebracht zodat deze enigszins axiaal verschuifbaar is in de uitsparing van de afgiftekop, en de slede is benedenwaarts voorzien van een buitenwaarts gerichte kraag welke de afdichtring optilt iets vrij van de bovenzijde van de klep indien de slede bovenwaarts wordt bewogen naar de bovenste positie door het aanbrengen van een bovenwaartse trek op de handgreep van de afgiftekop. Het opgesloten drukgas in de holte van de afgiftekop zal dan onder de afdichtring door ontsnappen en haalt de druk daarop weg, waardoor de afgiftekop zonder enige moeilijkheid kan worden verwijderd.
De kracht welke is vereist om de afdichtring op te tillen is afhankelijk van de druk waaraan deze is blootgesteld. Aanvankelijk tilt de kraag op de slede, gezien in doorsnede, het binnenste uiteinde van de afdichtring op, terwijl het nog steeds opgesloten gas het uiterste uiteinde tegen de klep aangedrukt houdt. De kracht welke aldus is vereist om de afdichtring te verdraaien en te vervormen neemt toe, daar zelfs grotere delen van de afdichtring vrij van de klep worden opgetild. Teneinde te zorgen dat de bedieningspersoon, welke de container dient te vervangen, geen overmatig grote kracht nodig heeft voor het naar boven trekken van de handgreep en het optillen van de slede, is de onderzijde van de afdichtring uitgerust met een veelvoud aan radiale groeven, welke eindigen op de buitenzijde van de ring en daaronder enigszins binnenwaarts doorlopen. Zodra de buiging van de afdichtring, gezien in doorsnede, deze groeven heeft bereikt, is een open verbinding tot stand gebracht tussen de holte in de afgiftekop en de atmosfeer. Het opgesloten gas ontsnapt daardoor snel en haalt de druk van de afdichtring, welke nu gemakkelijk en zonder enig probleem geheel vrij van de klep kan worden opgetild.
De radiale groeven verminderende de benodigde kracht voor het vrij van de klep optillen van de afdichtring naar een aanvaardbaar niveau, maar aan de andere kant vormen zij putjes waarin zich vuil kan ophopen en zijn een broeinest voor fermentatie- en rottingsprocessen, welke niet overeenstemmen met de vereisten aan hygiëne, waaraan voedselproductcontainers van dit type dienen te voldoen. Bovendien verminderen de groeven de actieve pakkingsgebieden van de afdichtring, en indien de bovenzijde van de kleppen ongelijk is kunnen ze een lekkende verbinding tussen de afgiftekop en de klep veroorzaken.
De bovenzijde van de afdichtring, beschreven in het hierboven genoemde Britse octrooischrift is uitgerust met een veelvoud aan smalle bovenwaarts uitstekende pennen, welke samen elastisch tegen de bodem van de uitsparing worden gedrukt, indien de slede naar de bovenste positie daarvan wordt getrokken. Volgens het octrooischrift dienen deze pennen om de afdichtring naar beneden te drukken tegen de bovenzijde van de klep voordat de slede zover in zijn beweging naar beneden is gekomen om de klep en de gasinlaat te openen. In de praktijk is echter gebleken dat de afdichtring in de uitsparing blijft, waarin het noodzakelijkerwijze een stevige passing vormt, en dit maakt het mogelijk dat vloeistof onaanvaardbaar uit de opening spat tussen de afgiftekop en de klep voordat de slede in de rustpositie is gedrukt. Een mogelijke oplossing voor dit nadeel kan bestaan in het vergroten van de afmetingen van de pennen en daarmee de veerkracht daarvan. Dit zou echter tegelijkertijd de benodigde kracht voor het vrij van de klep optillen van de afdichtring doen toenemen.
Het doel van de uitvinding is een koppelingsinrichting te verschaffen van het in de openingsparagraaf genoemde type, dat na het activeren van de afgiftekop, gegarandeerd dicht blijft totdat het de slede gelukt is de klep en de gasinlaat te openen, en welke bovendien gemakkelijk kan worden verwijderd, zonder daarvoor veel kracht te moeten uitoefenen.
De nieuwe en unieke kenmerken volgens de uitvinding zijn dat de slede is voorzien van een tweede buitenwaarts gerichte kraag, welke een grotere diameter heeft dan het boorgat van de afdichtring en zodanig in een axiale richting op de slede is aangebracht, dat indien bewogen naar de onderste positie daarvan, de slede door ineengrijping tussen de kraag en de afdichtring, de afdichtring mee naar beneden neemt om in te grijpen met de klep voordat de slede de klep en de gasinlaat opent. Deze inrichting voorkomt effectief het onbedoeld spatten van vloeistof terwijl de bedieningspersoon de handgreep van de afgiftekop naar beneden drukt om de container te openen.
De schuiffunctie van respectievelijk het sluiten en openen van de gasinlaat en de klep, brengt met zich mee dat de slede tussen de bovenste en de onderste positie een relatief lange slag maakt. De afdichtring, van de andere kant, dient voor het verwijderen slechts iets te worden opgetild om vrij te komen van de klep. De tweede buitenwaarts gerichte kraag van de slede zal daarom op en neer worden getrokken door de afdichtring heen gedurende de bewegingen van de slede tussen zijn uiterste standen, en om in dit verband een correct functioneren te bereiken heeft deze kraag een iets grotere diameter dan het boorgat van de afdichtring, en heeft in doorsnede de vorm van een driehoek waarvan het toppunt buitenwaarts uitsteekt, zodat de kraag makkelijk passend door de afdichtring kan passeren.
Een bijzonder voordelige uitvoeringsvorm wordt verkregen indien de afdichtring is uitgerust met een veelvoud aan binnenwaarts gerichte neuzen en de slede van een derde buitenwaarts gerichte kraag, welke is aangebracht op een afstand onder de tweede kraag van de slede overeenkomend met de hoogte van de neuzen, en dat de diameter van de slede tussen de twee kragen een diameter heeft, welke overeenkomt met de diametrale afstand tussen de neuzen. Indien de afgiftekop in zijn vrije, niet gemonteerde stand is, hebben de neuzen van de afdichtring de neiging te worden gevangen in de ruimte tussen de tweede en de derde kraag van de slede door het activeren van de slede met de handgreep. De afdichtring werkt daardoor als een zuigerpomp in de uitsparing, indien de handgreep herhaaldelijk naar boven en beneden wordt bewogen, en deze funktie kan op voordelige wijze worden gebruikt voor het reinigen van de inwendige delen van de afgiftekop, welke naar keuze tijdens deze handeling gedeeltelijk in een geschikte reinigingsvloeistof kan zijn ondergedompeld.
Bovendien kan om een effectieve en blijvende afdichting tijdens het gebruik te verzekeren een ringvormige schijf zijn aangebracht in de uitsparing van de afgiftekop boven de afdichtring, en een borst op de slede is aangebracht, welke borst axiaal zodanig is gepositioneerd op de slede dat, indien deze met de schijf is gekoppeld, deze veroorzaakt dat de schijf de afdichtring axiaal samendrukt, indien de slede in zijn laagste stand is.
Teneinde de nadelen te vermijden die zijn verbonden aan de radiale groeven, welke zijn aangebracht in de onderzijde van de afdichtring beschreven in het hierboven genoemde Britse octrooischrift 2.185.470, kan de binnenzijde van de afdichtring bovendien zijn uitgerust met een onderste ringvormige ribbe tussen de binnenste en de buitenste zijden van de afdichtring, welke ribbe in dwarsdoorsnede de vorm heeft van een driehoek met een naar beneden wijzend toppunt, welke verder naar beneden uitsteekt dan de rest van de onderzijde van de afdichtring in de onbelaste toestand van de afdichtring. Tijdens gebruik is deze ribbe in een sterke samengedrukte toestand, en het is ontdekt dat deze ribbe in staat is een zeer effectieve afdichting te vormen zelfs in de gevallen waarbij de bovenzijde van de klep erg ongelijk of is beschadigd door krassen, welke zich dwars over de ribbe uitstrekken.
Gedurende de verwijderingshandeling draagt de samengedrukte ribbe aanvankelijk bij aan de kracht welke dient om de afdichtring vrij van de klep op te tillen. Maar, indien de buiging van de afdichtring het gebied op de ribbe heeft bereikt en is begonnen dit op te tillen, zal de ribbe steeds onstabieler worden vanwege zijn driehoekige doorsnede en op een gegeven ogenblik kan deze niet langer de belasting weerstaan van het opgesloten drukgas. De ribbe bezwijkt daardoor en staat toe dat het opgesloten drukgas onder de ribbe doorblaast. De druk op de afdichtring valt dan geheel weg en deze kan- nu vrijelijk worden opgetild. Gedurende deze handeling is het op geen enkel moment noodzakelijk geweest om de afdichtring te onderwerpen aan een bovenwaarts gerichte kracht, welke correspondeert met de relatief grote benedenwaarts gerichte kracht van de totale drukgasbelasting op de afdichtring.
Teneinde een effectieve afdichting van de onderste ringvormige ribbe te waarborgen, aanvullend zelfs tegen een ongelijk oppervlak op de klep, kan op voordelige wijze bovendien een veelvoud aan schouders zijn aangebracht boven d< onderste ribbe op de bovenzijde van de afdichtring, welke schouders uitsteken boven de rest van de bovenzijde van de afdichtring. Indien de ringvormige schijf in de uitsparing vai de afgiftekop bij het openen van de klep naar beneden wordt gedrukt naar de afdichtring bij de borst van de slede, oefent de schijf een benedenwaarts gerichte kracht uit op de afdichtring, welke in een aanzienlijke mate is verplaatst via de schouders naar de onderste ribbe, welke daarbij met zekerheid in alle krassen en onregelmatigheden in het oppervlak van de klep wordt geperst.
In een doelmatige uitvoeringsvorm van de afdichtring, kan de afdichtring langs de omtrek zijn uitgerust met een lip, welke de ringzijde van de uitsparing raakt, daarbij onmiddellijk de ruimte boven de afdichtring afdichtend zodra de gasinlaat wordt geopend.
De afdichting welke is verkregen door de lip kan aanvullend worden verbeterd door een labyrintafdichting langs de omtrek van de afdichtring onder de lip, en deze labyrintafdichting kan op voordelige wijze een veelvoud aan ringvormige ribben aan de buitenzijde omvatten, waarvan elk in doorsnede de vorm heeft van een halve O-ring.
De uitvinding zal verder worden uitgelegd aan de hand van de volgende beschrijving van een uitvoeringsvorm, welke slechts dient als een voorbeeld, onder verwijzing naar de tekeningen, waarin:
Fig. 1 een gedeeltelijk aanzicht in doorsnede is van een koppelingsinrichting volgens de uitvinding, welke inrichting in de linker helft in een gesloten positie en in de rechterhelft in een geopende positie is weergegeven; fig. 2 een afdichtring toont voor de koppelingsinrichting volgens fig. 1; fig. 3 een bovenaanzicht is van de afdichtring; en fig. 4 een onderaanzicht is van de afdichtring.
Fig. 1 toont een koppelingsinrichting met een afgiftekop, welke in het algemeen is aangeduid met het verwijzingscijfer 1, en een klep die in het algemeen is aangeduid met het verwijzingscijfer 2. De klep, waarvan slechts het bovenste gedeelte is weergegeven, is door middel van schroefdraad bevestigd aan een verbindingsstuk 3, dat naar boven is vastgelast aan een container 4, waarvan slechts een fractie is weergegeven. De klep is voorzien van een axiaal verschuifbare pakking 5, welke wordt aangegrepen door een naar boven gerichte kracht van een drukveer 6. Een afvoerpijp 7 strekt zich neerwaarts uit in de vloeistof, bijvoorbeeld bier, dat dient te worden afgevoerd.
De afgiftekop 1 omvat een huis 8, een slede 9, welke binnen het huis op en neer verschuifbaar is, alsmede een handgreep 10, die dient voor het verschuiven van de slede.
De handgreep is zwenkbaar gelagerd om draaipennen 11 en kan zwenken tussen een bovenste positie weergegeven in gestippelde lijnen en een onderste positie weergegeven in getrokken lijnen. De afgiftekop is verder voorzien van een aansluitstuk 12, dat dient voor het aansluiten van de afgiftekop op een drukgasbron (niet weergegeven), bijvoorbeeld CO2 in een fles of patroon. De slede 9 heeft een axiaal verlopend kanaal 13 waardoorheen de af te voeren vloeistof wordt gevoerd naar de plaats van consumptie (niet weergegeven).
De klep heeft aan de bovenzijde een flens 14, en de afgiftekop heeft een binnenwaarts gerichte rand 15, welke stevig onder de flens 14 aangrijpt wanneer de afgiftekop aan de klep wordt gekoppeld. De binnenwaarts gerichte rand 15 strekt zich slechts semi-cirkelvormig uit langs de onderste omtrek van de afgiftekop, welke daartoe voor de koppeling dwars over de flens van de klep kan worden bewogen. De afdichting tussen de afgiftekop en de klep is voorzien van een afdichtring 16, welke axiaal verschuifbaar is aangebracht in een uitsparing 17 in een huis 8.
Zoals in het linkergedeelte van fig. 1 is weergegeven, is de klep 2 gesloten indien de slede 9 zich in de bovenste positie bevindt, en zoals in het rechtergedeelte van fig. 1 is weergegeven, is de klep 2 geopend, indien de slede zich in de onderste positie bevindt, waar deze de pakking 5 naar beneden heeft gedrukt, zodat de vloeistof naar buiten kan worden gevoerd naar de plaats van consumptie via de afvoerleiding 7, een veelvoud aan openingen 18 daarin en het kanaal 13 in de slede. De slede heeft tegelijkertijd de gasinlaat 12 geopend.
De fign. 2, 3 en 4 geven de afdichtring 16 weer op een vergrote schaal. De afdichtring is gemaakt van een elastomeer materiaal, dat kan bijvoorbeeld rubber zijn van een geschikte hardheid. Zoals weergegeven is de onderzijde van de afdichtring uitgerust met een relatief grote onderste, ringvormige ribbe 19 met in doorsnede een driehoekig profiel. De ribbe 19 is op afstand geplaatst van de buitenste omtrek van de afdichtring. Verder zijn twee kleinere ringvormige ribben 20 aangebracht tussen de afdichtring en de ribbe 19, welke eveneens in doorsnede een driehoekig profiel hebben. Een labyrintafdichting is langs de werkelijke omtrek aangebracht, bestaande uit drie helften van een O-ring, en boven deze labyrintafdichting is een lip 22 is aangebracht, welke lip dient om een afdichting te verschaffen tegen de binnenzijde van de uitsparing 17 zodra de gasinlaat is geopend. Een veelvoud aan schouders 23 is aangebracht aan de bovenzijde van de afdichtring in een gebied dat zich boven de onderste ringvormige ribbe 19 bevindt, welke schouders zijn opgesteld met gemeenschappelijke ruimten 24 en steken uit boven de rest van de bovenzijde van de afdichtring. Een veelvoud aan binnenwaarts gerichte neuzen 25, welke gemeenschappelijk zijn gescheiden door verticale openingen 26, zijn aangebracht langs de binnenzijde van de afdichtring. Verder is onder aan de binnenzijde van de afdichtring, een ringvormig vlak oppervlak 27 aangebracht.
De slede 9 is aan de onderzijde uitgerust met een eerste buitenwaarts gerichte kraag 28 met een bovenoppervlak dat overeenkomt met het ringvormige vlakke oppervlak 27 aan de onderzijde op de afdichtring 16. Een tweede buitenwaarts gerichte kraag 29 is opgesteld op een afstand boven de eerste kraag 28, welke overeenkomt met de hoogte van de afdichtring aan de binnenzijde, welke tweede kraag 29 in doorsnede een driehoekig profiel heeft met een toppunt dat een iets grotere diameter heeft dan het boorgat van de afdichtring. Aanvullend is een derde buitenwaarts gerichte kraag 30 aangebracht op een afstand onder de tweede kraag 29, welke overeenkomt met de hoogte van de neuzen 25.
Een ringvormige schijf 31, welke een naar beneden gerichte rand 32 heeft met dezelfde diameter als de neuzen 25 van de afdichtring en met een veelvoud aan openingen 33, is aangebracht in de uitsparing 17 boven de afdichtring 16. De slede is bovendien voorzien van een borst 34 in de vorm van bijvoorbeeld een ring. De borst 34 heeft een grotere diameter dan de diameter van de binnenzijde van de ringvormige schijf 31.
Zoals eerder genoemd wordt tijdens de koppelingshandeling de afgiftekop dwars over de flens 14 van de klep 2 bewogen en wordt dan daarop vastgehouden door de binnenwaarts gerichte rand 15 aan de onderzijde van het huis 8. Gedurende deze handeling is de handgreep 10 naar de bovenste positie daarvan getrokken en de slede 9 is overeenkomstig aanwezig in de bovenste positie daarvan, waar het de afdichtring 16 enigszins in de uitsparing 17 van het huis met de eerste kraag 28 heeft getrokken. De afgiftekop is bovendien verbonden met respectievelijk een gasbron (niet weergegeven) en een consumptie-plaats (niet weergegeven).
Indien de slede 9 naar beneden wordt bewogen door middel van de handgreep 10, voert de slede met zijn tweede buiten- waarts gerichte kraag 29 aanvankelijk de afdichtring 16 mee en veroorzaakt dat deze aangrijpt op de flens 14 van de klep, zelfs voordat de slede de gasinlaat en de klep heeft geopend. Daardoor kan vloeistof niet onbedoeld uit de container spatten, indien deze bijvoorbeeld voor de eerste keer wordt geopend, zoals dit het geval is bij bekende koppelingsinrich-tingen van dit type.
Gedurende de verdere beweging naar beneden passeert de tweede kraag 29 door de opening van de afdichtring 16 vanwege zijn driehoekige vorm, en de slede kan daarom verder gaan naar de onderste positie, weergegeven in de rechterhelft van fig.
1, waarin de klep 2 en de gasinlaat 12 zijn geopend. In deze toestand heeft de borst 34 op de slede de ringvormige schijf 31 in de uitsparing 17 naar beneden gedrukt tegen de afdichtring zodat de naar beneden gerichte rand 32 van de schijf met een vooraf bepaalde kracht rust op de schouders 23 van de afdichtring, welke in een aanzienlijke mate is verplaatst via de schouders naar de onderste ringvormige ribbe 19, welke daarbij zorgt voor het effectief afdichten van zelfs een onregelmatig oppervlak op de flens 14. De lip 22 van de afdichtring verzekert tegelijkertijd dat de ruimte boven de afdichtring dicht is vanaf het moment dat de gasdruk voor het eerste wordt binnengelaten. De labyrintafdichting die bestaat uit de halve O-ringen 21, waarborgt de duurzaamheid van de afdichting, daar deze tegen de binnenzijde van de uitsparing aangrijpt en op hetzelfde moment de afdichtring ondersteunt tegen de in radiale richting werkende druk van het gas. De koppelingsinrichting kan worden gebruikt totdat de container is geleegd of om een andere reden dient te worden vervangen.
De klep en de gasinlaat worden dan gesloten door de handgreep 10 naar boven te trekken naar de bovenste positie daarvan, waarbij de slede 9 tegelijkertijd naar boven beweegt. Gedurende deze beweging grijpt de slede het ringvormige vlakke oppervlak 27 aan de onderzijde op de afdichtring met zijn eerste naar boven gerichte kraag 28, en de afdichtring wordt daarom aangegrepen door een bovenwaarts gerichte kracht, welke tracht de afdichtring op te tillen los van klep 2 tegen de druk van het gas dat is opgesloten in de holte boven de afdichtring. De afdichtring buigt hierbij op het uiterste uiteinde, gezien in doorsnede, terwijl het uiterste uiteinde door de gasdruk nog steeds naar beneden wordt gedrukt tegen de klep. In het begin werkt de veerkracht van de sterk samengedrukte grote, onderste ribbe 19 in dezelfde richting als de optilkracht van de slede, welke daardoor overeenkomstig wordt verminderd. Indien, gezien in doorsnede, de buiging van de ring het gebied heeft bereikt bij de onderste ribbe 19, wordt deze geleidelijk zover opgetild, dat vanwege het driehoekige profiel daarvan, deze niet langer de noodzakelijke sterkte en stabiliteit heeft om de druk te weerstaan van de opgesloten drukgas. De onderste ribbe 19 bezwijkt daardoor en staat toe dat het gas ontsnapt naar de atmosfeer. De afdichtring wordt dan geheel ontlast en kan vrijelijk worden opgetild. De structuur van de afdichtring heeft tot gevolg dat op geen enkel moment van de gehele optilhandeling, het noodzakelijk is geweest de optilkracht te gebruiken, welke precies even groot is als de kracht waarmee het opgesloten drukgas aangrijpt op de afdichtring.
Door middel van de koppelingsinrichting volgens de uitvinding kan een afgiftekop aangebracht op een klep in een drukcontainer gemakkelijk en zonder enige moeilijkheid worden verwijderd, indien de container bijvoorbeeld dient te worden verwisseld. De reden hiervoor is dat de afdichtring niet is bevestigd tegen de klep door de druk van het opgesloten gas boven de afdichtring, daar deze geheel wordt ontlast indien de handgreep van de afgiftekop naar boven wordt getrokken om de container af te sluiten. Dit vereist slechts een geringe inspanning van het bedienend personeel. Verder zal het bedienend personeel dat de container opent daarbij niet onder de vloeistof worden gespoten.

Claims (8)

1. Koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep, welke is aangebracht in een verbindingsgedeelte op een container voor vloeistof, zoals bier onder druk van een gas, bijvoorbeeld CO2, welke afgiftekop omvat: een gasinlaat, een holle slede verschuifbaar door middel van handgreep tussen een onderste positie waarin de klep is geopend en de vloeistof door de holle slede kan wegstromen, en een bovenste positie waarin de klep is gesloten, een elastomeerring, welke coaxiaal met de slede, axiaal verschuifbaar is aangebracht in een uitsparing benedenwaarts van de afgiftekop en dient om een afdichting te vormen tussen de afgiftekop en de klep bij het koppelen, en een eerste buitenwaarts gerichte kraag is zodanig aangebracht op de slede dat de kraag tracht de afdichtring vrij van de klep op te tillen indien de slede naar de bovenste positie daarvan wordt bewogen, gekenmerkt doordat de slede is voorzien van een tweede buitenwaarts gerichte kraag, welke een grotere diameter heeft dan het boorgat van de afdichtring en zodanig in een axiale richting op de slede is aangebracht, dat indien bewogen naar de onderste positie daarvan, de slede door ineengrijping tussen de kraag en de afdichtring, de afdichtring mee naar beneden neemt om in te grijpen met de klep voordat de slede de klep en de gasinlaat opent.
2. Koppelingsinrichting volgens conclusie 1, gekenmerkt doordat de tweede buitenwaarts gerichte kraag een geringe grotere diameter heeft dan het gat van de afdichtring en, in dwarsdoorsnede, de vorm heeft van een driehoek waarvan het toppunt naar buiten wijst.
3. Koppelingsinrichting volgens conclusie 1 of 2, gekenmerkt doordat de afdichtring is voorzien van een veelvoud aan binnenwaarts gerichte neuzen en de slede van een derde buitenwaarts gerichte kraag, welke is aangebracht op een afstand onder de tweede kraag van de slede overeenkomend met de hoogte van de neuzen, en dat de diameter van de slede tussen de twee kragen een diameter heeft, welke overeenkomt met de diametrale afstand tussen de neuzen.
4. Koppelingsinrichting volgens conclusie 1, 2 of 3, gekenmerkt doordat een ringvormige schijf is aangebracht in de uitsparing van de afgiftekop boven de afdichtring, en een borst op de slede is aangebracht, welke borst axiaal zodanig is gepositioneerd op de slede dat, indien deze met de schijf is gekoppeld, deze veroorzaakt dat de schijf de afdichtring axiaal samendrukt, indien de slede in zijn laagste stand is.
5. Koppelingsinrichting volgens een of meer van de conclusies 1-4, gekenmerkt doordat de binnenzijde van de afdichtring is uitgerust met een onderste ringvormige ribbe tussen de binnenste en de buitenste zijden van de afdichtring, welke ribbe in dwarsdoorsnede de vorm heeft van een driehoek met een naar beneden wijzend toppunt, welke verder naar beneden uitsteekt dan de rest van de onderzijde van de afdichtring in de onbelaste toestand van de afdichtring.
6. Koppelingsinrichting volgens een of meer van de conclusies 1-4, gekenmerkt doordat een veelvoud aan schouders zijn aangebracht op de bovenzijde van de afdichtring, substantieel verticaal boven de onderste ringvormige ribbe aan de onderzijde, welke schouders uitsteken boven de rest van de bovenzijde van de afdichtring.
7. Koppelingsinrichting volgens een of meer van de conclusies 1-6, gekenmerkt doordat de afdichtring langs de omtrek is uitgerust met een lip, welke de ringzijde van de uitsparing raakt.
8. Koppelingsinrichting volgens een of meer van de conclusies 1-7, gekenmerkt doordat de afdichtring langs de omtrek is uitgerust met een veelvoud aan ringvormig ribben aan de buitenzijde, waarvan elk in doorsnede de vorm heeft van een halve O-ring.
NL9320028A 1992-03-04 1993-03-03 Tapkop met een huis met koppelingsmiddelen voor koppelen hiervan aan een vat. NL194121C (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
DK29192 1992-03-04
DK29192A DK169814B1 (da) 1992-03-04 1992-03-04 Koblingsarrangement til at koble et tappehoved sammen med en beholderventil

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL9320028A true NL9320028A (nl) 1995-03-01
NL194121B NL194121B (nl) 2001-03-01
NL194121C NL194121C (nl) 2001-07-03

Family

ID=8091897

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL9320028A NL194121C (nl) 1992-03-04 1993-03-03 Tapkop met een huis met koppelingsmiddelen voor koppelen hiervan aan een vat.

Country Status (6)

Country Link
EP (1) EP0628016B1 (nl)
DE (2) DE4390855T1 (nl)
DK (1) DK169814B1 (nl)
GB (1) GB2280176B (nl)
NL (1) NL194121C (nl)
WO (1) WO1993017954A1 (nl)

Families Citing this family (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DK119293A (da) * 1993-10-22 1995-04-23 Micro Matic As Dispenserhoved
GB9408110D0 (en) * 1994-04-23 1994-06-15 Hughes Jonathan P Barrel adaptor
GB9724225D0 (en) * 1997-11-18 1998-01-14 Skerra Pty Ltd Improvements to kegs
GB0320515D0 (en) * 2003-09-01 2003-10-01 Simpson Kenneth L Keg spear main rubber seal guide and centralisation
US7891528B2 (en) 2006-07-03 2011-02-22 Nordson Corporation Dispenser and piston for dispensing a liquid material
ES2605417T3 (es) * 2007-07-10 2017-03-14 Eurokeg B.V. Cabezal de distribución
CN111960372B (zh) * 2020-07-24 2024-09-10 成都打酒侠网络科技有限公司 上酒装置

Family Cites Families (6)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB1530968A (en) * 1976-09-17 1978-11-01 Grundy Ltd Coupling or dispensing heads for pressurised casks and like containers
DK145414C (da) * 1980-07-15 1983-04-11 Micro Matic As Fadkobling til et fad for vaeske,som staar under gastryk
NL192449C (nl) * 1986-01-21 1997-08-04 Vsh Fabrieken Bv Tapkop voor aanbrenging op een tapstangsamenstel van een vat onder gebruikmaking van een afdichtingsring.
NL192448C (nl) * 1986-01-21 1997-08-04 Vsh Fabrieken Bv Tapkop, koppelbaar op een tapstangsamenstel van een vat.
GB8623932D0 (en) * 1986-10-06 1986-11-12 Alumasc Ltd Liquid dispense head
DK157536C (da) * 1987-06-03 1990-07-02 Micro Matic As Tappehoved til tapning af vaesker under tryk fra en beholder

Also Published As

Publication number Publication date
WO1993017954A1 (en) 1993-09-16
DK29192D0 (da) 1992-03-04
DK29192A (da) 1993-09-05
DK169814B1 (da) 1995-03-06
GB9417838D0 (en) 1994-10-26
DE4390855T1 (de) 1995-04-27
NL194121B (nl) 2001-03-01
NL194121C (nl) 2001-07-03
GB2280176A (en) 1995-01-25
GB2280176B (en) 1996-06-05
EP0628016A1 (en) 1994-12-14
DE4390855C2 (de) 2001-11-29
EP0628016B1 (en) 1996-06-12

Similar Documents

Publication Publication Date Title
JP4046083B2 (ja) 粉体用エーロゾル・バルブ
NL9320028A (nl) Koppelingsinrichting voor het koppelen van een afgiftekop aan een klep van een container.
EP0490884B1 (en) Method of filling open-topped, square-section containers
US4856684A (en) Valve for a pressurized dispensing can containing flowable materials
US6367667B1 (en) Coupling for a container valve
NL194299C (nl) Samenstel van een houder en een deksel.
NL1009654C2 (nl) Klepsamenstel voor een drankcontainer, container voor drank en werkwijze voor het vullen en legen van een drankcontainer.
US4958755A (en) Valve for pressurized dispensing cans
US3953037A (en) Polished rod protector and receiver
CN1642658A (zh) 安装在活动空心启动杆上的分配头
US20240167258A1 (en) Gasket seals for drain closures
NL9300714A (nl) Onderwater-stijgbuisveiligheidsklep.
US3886804A (en) Polished rod protector and receiver
US7090054B2 (en) Oil container and dispenser
NL192449C (nl) Tapkop voor aanbrenging op een tapstangsamenstel van een vat onder gebruikmaking van een afdichtingsring.
US811801A (en) Oil-cup.
NL7906925A (nl) Werkwijze en inrichting voor het afsluiten van aan hun bovenzijde open vaten.
JP3369699B2 (ja) 注出容器
JPH04242592A (ja) 容器特に瓶に液状充填物を充填する装置
CN1642846A (zh) 具有颈部的放泄桶和连接设备的组件及其部件
CN106715291B (zh) 封闭组件、散状物料容器、对接装置和用于封闭其的方法
US942232A (en) Valve for automobile drip-pans.
US60409A (en) William c
JP2008500247A (ja) バルブアッセンブリー抜き取り工具
GB2309683A (en) Contents Removing Device

Legal Events

Date Code Title Description
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
V4 Lapsed because of reaching the maximum lifetime of a patent

Effective date: 20130303