NL8900415A - Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. - Google Patents
Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8900415A NL8900415A NL8900415A NL8900415A NL8900415A NL 8900415 A NL8900415 A NL 8900415A NL 8900415 A NL8900415 A NL 8900415A NL 8900415 A NL8900415 A NL 8900415A NL 8900415 A NL8900415 A NL 8900415A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- animal
- residence
- installation
- milking parlor
- place
- Prior art date
Links
- 241001465754 Metazoa Species 0.000 title claims abstract description 172
- 239000008267 milk Substances 0.000 title description 15
- 235000013336 milk Nutrition 0.000 title description 15
- 210000004080 milk Anatomy 0.000 title description 15
- 238000000151 deposition Methods 0.000 claims abstract description 55
- 210000003608 fece Anatomy 0.000 claims abstract description 34
- 235000013365 dairy product Nutrition 0.000 claims abstract description 33
- 238000005406 washing Methods 0.000 claims abstract description 18
- 238000003860 storage Methods 0.000 claims abstract description 11
- 238000009434 installation Methods 0.000 claims description 51
- 241000283690 Bos taurus Species 0.000 claims description 19
- 239000010871 livestock manure Substances 0.000 claims description 18
- XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N water Substances O XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N 0.000 claims description 15
- 210000000481 breast Anatomy 0.000 claims description 14
- 230000035939 shock Effects 0.000 claims description 8
- 238000004140 cleaning Methods 0.000 claims description 5
- 210000005069 ears Anatomy 0.000 claims description 4
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 claims description 3
- 238000007599 discharging Methods 0.000 claims description 3
- 210000002700 urine Anatomy 0.000 claims description 2
- 230000003213 activating effect Effects 0.000 claims 1
- 238000005507 spraying Methods 0.000 claims 1
- 230000004308 accommodation Effects 0.000 abstract description 15
- 238000000034 method Methods 0.000 description 12
- 239000010902 straw Substances 0.000 description 7
- 230000002349 favourable effect Effects 0.000 description 5
- 238000004519 manufacturing process Methods 0.000 description 4
- 210000002445 nipple Anatomy 0.000 description 4
- 241000894006 Bacteria Species 0.000 description 2
- 230000017531 blood circulation Effects 0.000 description 2
- 238000011109 contamination Methods 0.000 description 2
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 2
- 235000013305 food Nutrition 0.000 description 2
- 238000009413 insulation Methods 0.000 description 2
- 206010052804 Drug tolerance Diseases 0.000 description 1
- 230000006399 behavior Effects 0.000 description 1
- 230000008021 deposition Effects 0.000 description 1
- 238000001514 detection method Methods 0.000 description 1
- 238000010616 electrical installation Methods 0.000 description 1
- 230000026781 habituation Effects 0.000 description 1
- 239000007788 liquid Substances 0.000 description 1
- 244000144972 livestock Species 0.000 description 1
- 239000000463 material Substances 0.000 description 1
- 210000000056 organ Anatomy 0.000 description 1
- 238000005192 partition Methods 0.000 description 1
- 239000002002 slurry Substances 0.000 description 1
- 239000007787 solid Substances 0.000 description 1
- 239000007921 spray Substances 0.000 description 1
- 230000000087 stabilizing effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01K—ANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
- A01K1/00—Housing animals; Equipment therefor
- A01K1/12—Milking stations
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01K—ANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
- A01K1/00—Housing animals; Equipment therefor
- A01K1/015—Floor coverings, e.g. bedding-down sheets ; Stable floors
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Zoology (AREA)
- Animal Husbandry (AREA)
- Biodiversity & Conservation Biology (AREA)
- Housing For Livestock And Birds (AREA)
- Feeding And Watering For Cattle Raising And Animal Husbandry (AREA)
- Feed For Specific Animals (AREA)
- Medicines Containing Material From Animals Or Micro-Organisms (AREA)
Description
C. van der Lely N.V., Maasland
VERBLIJFPLAATS VOOR EEN AANTAL DIEREN, IN HET BIJZONDER MELKDIEREN
De uitvinding heeft betrekking op een verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren zoals melkkoeien waarbij, voor de afvoer van mest uit de verblijfplaats, de verblijfplaats is aangesloten aan een mestopslagplaats.
Bij dergelijke verblijfplaatsen voor melkdieren, zoals een open of gesloten loopstal, is de vloer op gebruikelijke wijze bedekt met een laag stro teneinde de dieren gelegenheid te geven te gaan liggen op een enigszins isolerende vloerbedekking. De dieren deponeren hun uitwerpselen echter regelmatig op willekeurige plaatsen, zodat niet alleen het stro maar, nadat een dier is gaan liggen, ook de uier in aanzienlijke mate wordt vervuild. Voor het melken dient de uier van elk dier met de hand te worden schoongemaakt terwijl tevens zeer regelmatig de vloer van de stal moet worden schoongemaakt, waarbij al het vervuilde stro moet worden verwijderd en afgevoerd naar een mestopslagplaats. Dit werk is moeizaam, zeer tijdrovend en daardoor kostbaar, terwijl een optimale hygiëne uiteindelijk niet is gewaarborgd.
De uitvinding beoogt deze nadelen zoveel mogelijk op te heffen. Volgens de uitvinding is tussen de verblijfplaats en de mestopslagplaats een closetinrichting voor de dieren aangebracht.
De uitvindingsgedachte maakt het mogelijk de dieren hun uitwerpselen te doen deponeren op een van te voren vastgestelde plaats, een closetinrichting, waartoe een aantal technische middelen ter beschikking staan. De uitwerpselen van alle dieren worden vanuit de closetinrichting direct en automatisch afgevoerd in de mestopslagplaats, zodat de verblijfplaats nagenoeg niet vervuilt. De closetinrichting waarin de uitwerpselen worden gedeponeerd, wordt tevens benut als wasplaats voor de uiers van de dieren, als voerplaats en als melkplaats voor het al dan niet op automatische wijze melken van elk in de closetinrichting verblijvend dier.
De uitvinding heeft dan ook eveneens betrekking op een melkplaats voor het al dan niet op automatische wijze melken van een aantal dieren zoals melkkoeien, waarbij de melkplaats tevens een inrichting omvat om de uitwerpselen van een zich op de melkplaats bevindend dier af te voeren.
De uitvinding heeft ook betrekking op een melkplaats voor het melken van melkdieren zoals melkkoeien, waarbij de melkplaats middelen omvat om het dier te motiveren zijn uitwerpselen in een aan of nabij de melkplaats aangebrachte opvanginrichting te deponeren.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een voerplaats voor het voeren van een aantal melkdieren zoals melkkoeien, waarbij de voerplaats tevens een closetinrichting voor een melkdier omvat. Volgens de uitvinding is de voerplaats tevens voorzien van een installatie om het dier althans gedeeltelijk te reinigen.
Het is een uitgangspunt van de uitvindingsgedachte dat het voor een hygiënische en gunstige melkproduktie gewenst is: a) dat de melkdieren zo schoon mogelijk zullen zijn teneinde te voorkomen dat bacteriën die zich in uitwerpselen van de dieren bevinden niet in de melk, die door mensen genuttigd .wordt, terecht komen; b) dat een melkdier zich comfortabel op een isolatielaag van bijvoorbeeld droog en schoon stro kan neerleggen, zodat het onder warme en gunstige omstandigheden ook in koude perioden een maximale hoeveelheid melk zal kunnen produceren; c) dat de dieren zich op een verblijfplaats zoals een open stal of een weide kunnen verplaatsen, zodat de bloedsomloop en melkgift bevorder worden,
De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de hand van de volgende figuren:
Figuur 1 is een plattegrond van een stal, waarbij de uitvinding wordt toegepast;
Figuur 2 is een bovenaanzicht van een deponeer-plaats of closetinrichting volgens de uitvinding;
Figuur 3 is een zijaanzicht van de deponeerplaats of closetinrichting, waarbij deze inrichting tevens als voederplaats wordt gebruikt;
Figuur 4 is een zijaanzicht van de deponeerplaats en closetinrichting volgens figuur 2, waarbij deze tevens als melkplaats wordt gebruikt.
Figuur 5 toont, gezien in zijaanzicht, aan een dier aangebrachte middelen die het dier motiveren zijn uitwerpselen in een closetinrichting te deponeren.
De plattegrond volgens figuur 1 betreft een stal of verblijfplaats' voor melkdieren, dat wil zeggen, dieren waarvan de melkproduktie gebruikt wordt voor menselijke consumptie, zoals melkkoeien. De verblijfplaats of verblijf-ruimte is aangeduid met verwijzingscijfer 1 en wordt geheel of gedeeltelijk omsloten door een aantal muren 2 en 3 en een dak. In dit uitvoeringsvoorbeeld is de muur 3 voorzien van een stel deuren 4, waardoor de dieren naar binnen of naar buiten gebracht kunnen worden. In dit geval is sprake van een gesloten loopstal, waarbij de dieren in de ruimte 1 vrij kunnen rondlopen. De uitvinding heeft echter ook betrekking op een open loopstal, waarbij bijvoorbeeld de muur 3 geheel ontbreekt, zodat de dieren vanaf een naast de stal gelegen uitloop vrij naar binnen en naar buiten kunnen lopen. In het getekende uitvoeringsvoorbeeld is in het midden van de kleinste afmeting van de stal een voergang 5 aangebracht, die zich over een deel van de grootste afmeting van de stal uitstrekt en van de aan weerszijden gelegen ruimte 1 is gescheiden door een verticaal roosterwerk of dergelijke, waardoor de dieren hun kop kunnen steken teneinde vanuit de voergang 5 voer te betrekken. De voergang is van buitenaf te bereiken door staldeuren 6. Het van de staldeuren 6 afgelegen einde van de voergang wordt gevormd door een muur 7 ter breedte van de voergang. Aan het midden van de muur 7 sluit, een tweetal lage klapdeuren 8 aan, die door de dieren zelf geopend kunnen worden zodat de dieren zich vanuit de ene verblijfplaats 1 in de andere vrij kunnen verplaatsen. Aan de van de voergang 5 afgekeerde begrenzing van de klapdeuren 8 sluit een tweetal deponeerplaatsen of closetinrichtingen 9 aan, waarbij de grootste afmeting van elk van deze deponeerplaatsen in dit uitvoeringsvoorbeeld evenwijdig aan de kortste begrenzings-muur 2 van de stal is gelegen. Tussen de van de voergang 5 af gelegen begrenzing van de deponeerplaats 9 die het dichtst bij een begrenzingsmuur 2 is opgesteld en deze begrenzings-muur is enige afstand gehouden. Deze afstand wordt overbrugd door een korte muur 10 waarvan de lengte ongeveer gelijk is aan de breedte van elk der deponeerplaatsen 9.
Bekende verblijfplaatsen of stallen van de soort zoals in figuur 1 is getekend (echter met uitzondering van de deponeerplaatsen 9 die, zoals nader wordt beschreven, tot de uitvinding behoren), waarbij de melkkoeien vrij kunnen rondlopen, is de vloer bij voorkeur van een isolerende laag zoals een laag stro voorzien. De koeien kunnen op deze laag stro liggen en rusten. Daar de dieren vrij rond kunnen lopen, worden de uitwerpselen van de dieren op willekeurige plaatsen in de stal gedeponeerd. Dit leidt tot een aanzienlijke vervuiling van de stal. De koe kan op de uitwerpselen (de min of meer vaste uitwerpselen en de urine) gaan liggen zodat in het bijzonder de uier van de koe kan worden vervuild. In verband met het melken van de koeien moet ten minste dit deel van elke koe met de hand worden schoongemaakt; indien men nastreeft om elke uier op grondige wijze schoon te maken, is de hiervoor benodigde tijd zeer aanzienlijk, mede door het feit dat een steeds voor elk dier opnieuw benodigde hoeveelheid schoon water in een loopstal niet direct bij de hand is. Dit water komt verder op willekeurige plaatsen in de loopstal terecht, waardoor de vervuiling van de stal nog toeneemt, in het bijzonder bij het verwijderen van de mest uit de stal. Al met al is het melken en het schoonhouden van de stal moeizaam en tijdrovend.
Voor een hygiënische en gunstige melkproduktie is het gewenst; a) dat de melkdieren zo schoon mogelijk zullen zijn teneinde te voorkomen dat bacterieri, die zich in de uitwerpselen van de dieren bevinden, niet in de melk, die door mensen genuttigd wordt, terechtkomen; b) dat het melkdier zich comfortabel op een isolatielaag van bijvoorbeeld droog en schoon stro kan neerleggen, zodat het onder warme en gunstige omstandigheden, ook in koude perioden, een maximale hoeveelheid melk kan produceren; c) dat de melkdieren zich op een verblijfplaats, zoals een open stal of een weide kunnen verplaatsen, zodat de bloedsomloop en de melkgift bevorderd worden.
Teneinde de hierboven genoemde nadelen te vermijden en de laatstgenoemde hygiënische en andere voorwaarden voor eén goede melkproduktie te kunnen vervullen, wordt in de verblijfplaats van de dieren (in de loopstal, maar ook in een weide) ten minste één deponeerplaats voor de uitwerpselen van de dieren, respectievelijk een closetinrichting aangebracht, die in figuur 1 met het verwijzingscijfer 9 is aangeduid.
Elke deponeerplaats 9 zoals als uitvoeringsvoor-beeld in de figuren 2 - 4 is getekend, wordt aan zijn beide langszijden begrensd door een hek of roosterwerk 11, die evenwijdig aan elkaar en op een onderlinge afstand zijn opgesteld welke in geringe mate groter is dan de breedte van het type melkdier dat in de stal of weide loopt. De deponeerplaats 9 bezit een ingang die afsluitbaar is door middel van een deur 12 en, aan het andere einde van de deponeerplaats, een uitgang voor het dier die afsluitbaar is door middel van een deur 13. De beide deuren 12 en 13 zijn elk scharnierbaar om een een bijbehorend verticaal scharnier dat bevestigd is aan één der zijdelingse begrenzingen van de deponeerplaats; de deuren zijn scharnierbaar in een richting zoals deze met pijlen in figuur 1 is aangegeven. De ingangsdeuren 12 zijn scharnierbaar over een hoek van ongeveer 90°, terwijl de uitgangsdeuren 13 over een hoek van 180° scharnierbaar zijn.
De ingangsdeur 12 is een vlakke deur die uit elk gewenst materiaal kan zijn samengesteld. De uitgangsdeur 13 omvat apparatuur die een belangrijke rol speelt bij de realisering van de uitvindingsgedachte. Het bovendeel van de deur 13 omvat een kast of behuizing, waarin een deels electro-nische, deels electrische installatie 14 is aangebracht en tevens, nabij de onderzijde van de behuizing van de installatie 14, een voerinstallatie 15 voor het vullen van een voer bak 16 die zich binnen het bereik van een zich in de deponeerplaats 9 bevindend dier bevindt. De voerbak 16 is op een voor het dier gunstige hoogte boven de vloer 17 van de depo-neerplaats 9 aangebracht. De voerinstallatie 15 bewerkstelligt het toevoeren van relatief kleine hoeveelheden voor het type melkdier zeer smakelijk veevoer. De voerbak 16 wordt vanuit een voervoorraadruimte 18 gevuld. De ruimte 18 is in een voortzetting van de behuizing van de electrische installatie 14 ondergebracht, van laatstgenoemde installatie uiteraard gescheiden door een dichte scheidingswand.
De grootste afmeting van de ruimte binnen de depo-neerplaats 9 is ongeveer 20 - 40% groter dan de lengte van een volwassen melkdier, dat zich binnen de deponeerplaats 9 bevindt.
Nabij de achterzijde van een zich in de deponeerplaats 9 bevindend dier is de vloer 17 uitgevoerd als een roostervloer 19 in de vorm van een aantal dwars op de lengterichting van de deponeerplaats 9 verlopende staven 20 bestemd voor het doorlaten van op de roostervloer vallende uitwerpselen van een dier. Ten minste één paar naburige, onderling evenwijdige staven 20 zijn voorzien van sensors of contacten 21. De sensors of contacten 21 zijn paarsgewijs aangebracht, zijn tegen de naburige staven zodanig opgesteld dat zij naar elkaar toe zijn gericht;, en zijn tegen de bijbehorende staven bevestigd op een plaats die onder de bovenzijden van de staven is gelegen. De sensors 21 zijn door middel van niet-getekende bekabeling verbonden met de electronische installa-. tie 14 nabij de voorzijde van het zich in de deponeerplaats bevindende dier.
Zoals uit de figuren 2 en 3 blijkt, is tegen elk der zijdelingse begrenzingen 11 een wasinstallatie 22 aangebracht, die uitgevoerd kan zijn in de vorm van watersproeiers of douches. Gezien in het zijaanzicht volgens figuur 3, bevindt elke wasinstallatie 22 zich ter hoogte van de uier van een zich in de deponeerplaats bevindend dier of, gerekend in de richting van de uitgangsdeur 13, kort vóór de plaats van de uier. De wasinstallatie 22 is zodanig aangebracht, dat het tijdens bedrijf van deze installatie gesproeide waswater schuin achterwaarts in de richting van de uier en tevens in de richting van de roostervloer 19 is gericht.
Onder de roostervloer 19 is een verzamelbak 23 aangebracht voor het verzamelen van de uitwerpselen en het waswater. De bodem van de verzamelbak 23 is hellend uit gevoerd, zodanig dat de uitwerpselen en het waswater kunnen worden afgevoerd naar een afvoerbuis 24, die onder de nabijgelegen muur 2 doorgevoerd wordt en uitmondt in een mestput of gierput 25 die in de bodem is aangebracht. De put 25 is van bovenaf bereikbaar om de verzamelde mest te pompen in bijvoorbeeld een giertank of dergelijke verrijdbare mest-houder.
Een closetinrichting 9 is derhalve tussen de verblijfplaats 1 en de mestopslagplaats 25 aangebracht.
Zoals uit figuur 4 blijkt, kan de deponeerplaats 9 tevens voorzien zijn van een automatische melkinrichting 26, die op verzwenkbare wijze bevestigd is aan één der zijdelingse begrenzingen 11 van de deponeerplaats en die door middel van de electronische installatie 14 zodanig bedienbaar dat de melkinrichting automatisch met de tepels van de uier van een zich in de deponeerplaats bevindend dier kan worden aangesloten, waarbij de melk op niet-getekende wijze wordt afgevoerd naar een melkopslagplaats. Op alternatieve wijze kan de deponeerplaats 9 voorzien zijn van een melkinrichting, waarbij de melkbekers met de hand worden aangebracht aan de tepels van de uier van een dier dat zich in de deponeerplaats 9 bevindt.
De deponeerplaats 9 is derhalve ingericht als een plaats waar een melkdier zijn uitwerpselen kan deponeren, als wasplaats voor het reinigen van ten minste de uier van het dier, dus voor het schoonhouden van de dieren, als melkplaats voor het al dan niet automatisch melken van een zich in de deponeerplaats bevindend dier en als voerplaats voor het voeren van dit dier. De deponeerplaats voor het deponeren van uitwerpselen, in combinatie met de wasinstallatie, vormt een closetinrichting te gebruiken door meerdere dieren die zich in de verblijfplaats 1 bevinden.
Het is een aspect van de uitvindingsgedachte om de zich in de verblijfplaats 1 bevindende dieren te demotiveren om hun uitwerpselen in de verblijfplaats 1 (buiten de closet-inrichting 9) te deponeren, respectievelijk de dieren te motiveren om hun uitwerpselen in de deponeerplaats of closet-inrichting te deponeren; dit kan op verschillende wijzen worden bereikt, o.a. door de dieren naar de deponeerplaats 9 te lokken.
Een methode om een zich in de verblijfplaats 1 bevindend dier te demotiveren zijn uitwerpselen ter plekke te laten vallen, omvat het aanbrengen van een daarvoor geschikte installatie aan het dier zelf. Deze installatie omvat een flexibele buis 27 die om de staart 28 van elk der dieren wordt aangebracht (figuur 5). De flexibele buis 2 7 wordt zover mogelijk tot aan de bovenzijde van de staart 28 geschoven en bezit een lengte die zodanig is dat de buis bij neerhangende staart in neerwaartse richting tot onder de plaats reikt waar de uitwerpselen het dier verlaten. De buis 27 is voorzien van een aantal op betrekkelijk korte afstand van elkaar geplaatste, relatief stijve ringen of ribben 29, die onderling verbonden zijn door relatief dunne flexibele verbindingsstukken 30 die, in gestrekte stand van de buis, de vorm van korte cilinders bezitten en die aan weerszijden en rondom aan de ringen 29 aansluiten. Op korte afstand van het boveneinde van de om de staart geschoven buis zijn op twee naburige ringen 29 sensors of contacten 31 aangebracht die naar elkaar toe zijn gericht. De sensors 31 zijn aangebracht op de meest buitenwaarts en opwaarts gelegen delen van de beide naburige ringen 29 in de stand van de staart zoals in figuur 5 is getekend. Op het onderste deel van de buis 2 7 zijn, gerekend in de in de figuur 5 getekende neerwaartse stand van de staart 28, sensors 32 aangebracht op één of meerdere ringen 29 en wel op een plaats aan de omtrek van een ring 29 die in de getekende stand naar het lichaam van de koe is gericht, echter onder de plaats van het lichaam van het melkdier, waar de uitwerpselen het lichaam verlaten. De sensors 31 en 32 zijn door middel van in de figuren 2-4 getekende dunne soepele electrische verbindingsdraden 33, die over de bovenzijde van het dier naar voren zijn gevoerd en op het lichaam van het dier zijn vastgezet, verbonden met een orgaan 34 (figuur 2) dat op het hoogste punt van een dwars op het lichaam van het dier hangende band 35 is aangebracht. Vanaf het orgaan 34 zijn verdere verbindingsdraden 3 6 over de bovenzijde van het lichaam en de hals van het dier gevoerd en vastgezet, welke draden eindigen in aan of nabij de oren van het dier op de kop bevestigde kleine luidsprekers 37 (figuur 3 en 4).
Het orgaan 34 omvat een kleine batterij of andere energiebron en een compacte electronische schakeling, waarvan een deel als een eenvoudige ontvanger voor radiosignalen is uitgevoerd.
Indien, volgens een eerste methode om het dier te demotiveren zijn uitwerpselen in de verblijfplaats 1 te deponeren, het dier zijn staart omhoog beweegt, wordt de flexibele buis 27 gestrekt, zodat de contacten 31 elkaar raken. Hierdoor wordt via de verbindingsdraden 33 een signaal naar het orgaan 34 gevoerd, waardoor de in het orgaan 34 ondergebrachte schakeling wordt geactiveerd en via de verbindingsdraden 36 in de luidsprekers 37 een voor het dier onaangenaam geluid produceert (bijvoorbeeld een piepend of fluitend geluid) dat via de luidsprekers 37 de oren van het dier bereikt. Nadat een dier dat voor het eerst in de verblijfplaats 1 is ondergebracht en van de hiervoor beschreven middelen is voorzien, dit onaangename effect een aantal malen heeft ervaren en van andere, langer in de verblijfplaats gehuisveste dieren heeft gezien waar zij hun uitwerpselen, kunnen deponeren en één of meerdere malen door iemand naar de deponeerplaats gebracht is, weet het dier in welke richting hij zich moet begeven indien het voor hem onaangename geluid optreedt. Vooral indien het dier weet dat het onaangename geluid in de deponeerplaats verdwijnt, zal het dier na enige ervaring zonder meer zich naar de deponeerplaats begeven teneinde daar zijn uitwerpselen te deponeren.
Indien het dier namelijk de deponeerplaats 9 betreedt, komt het binnen het bereik van het signaal dat wordt verspreid door een radiozendinstallatie die in de electronische installatie 14 van de deponeerplaats 9 is aange bracht (antenne 38 in de figuren 2-4). Het door deze radio-installatie via de antenne 38 verspreide signaal is relatief zwak en wordt hoofdzakelijk binnen de deponeerplaats 9 uit-gestraald. De ontvangstinstallatie die zich binnen het op het dier aangebrachte orgaan 34 bevindt, bezit een door dit radiosignaal schakelbare AND-poort waarvan de voorversterking op een zodanige drempelwaarde is ingesteld dat de poort eerst schakelt nadat het dier de deponeerplaats 9 betreedt. De omgeschakelde AND-poort onderbreekt nu het door het orgaan 34 voortgebrachte piep- of fluitsignaal dat ingeleid is door de elkaar rakende contacten 31. Op deze wijze zal het in de verblijfplaats 1 verblijvende dier dat de contacten 31 doet sluiten na enige ervaring zich naar de deponeerplaats 9 bewegen omdat hij weet dat het onaangename geluid in de oren op deze plaats zal verdwijnen. Het dier dat op deze wijze gemotiveerd wordt om de deponeerplaats 9 te betreden, weet ook dat zich daar de voerbak 16 bevindt en tevens dat, indien het binnen de deponeerplaats 9 zijn uitwerpselen deponeert, het een hoeveelheid voer aangeboden krijgt.
Indien het dier, staande in de deponeerplaats 9, namelijk zijn uitwerpselen op de roostervloer 19 deponeert, wordt door de uitwerpselen een paar contacten 21 van de roostervloer 19 gesloten die een signaal afgeven aan de electronische installatie 14 die een tot de installatie 14 behorend besturingssysteem in werking stelt dat een afgepaste hoeveelheid voer vanuit de voorraadruimte 18 in de voerbak 16 doet vallen. Het is het dier na enige ervaring ook bekend, dat, indien het zijn uitwerpselen niet op de roostervloer 19 deponeert, de voerbak niet wordt gevuld en de uitgangsdeur 13 gesloten blijft.
Het van de sensors 21 afkomstige signaal dat het passeren van uitwerpselen vaststelt, kan in de installatie 14 worden gecombineerd met van een koeherkenningshalsband 39 afkomstig signaal ter registratie van het feit dat het bewuste dier (een gegeven van de halsband 39) inderdaad zijn uitwerpselen heeft gedeponeerd op de roostervloer 19 van de closetinrichting 9. Op deze wijze kan worden vastgesteld welke dieren nog onvoldoende ervaring hebben om van de depo- neerplaats 9 gebruik te maken.
Nadat een dier in de closetinrichting 9 op de roostervloer 19 zijn uitwerpselen heeft gedeponeerd en dit signaal door de installatie 14 is vastgelegd, wordt niet alleen voer naar de voerbak 16 gevoerd maar na een korte, door een klok of tijdmeetinstallatie vastgelegde tijd de wasinstallatie 22 in werking gesteld waarmee, bij voorkeur vanaf twee zijkanten, de uier met, bij voorkeur lauw of enigszins warm waswater wordt schoongespoten. Het schuin achterwaarts en binnenwaarts gespoten waswater is zodanig gericht dat tevens de op de roostervloer gelegen resten van de uitwerpselen worden weggespoeld in de verzamelbak 23. Een door de tijdmeetinstallatie vastgestelde tijd later wordt de automatische melkinrichting 26 binnenwaarts in de richting van de uier verzwenkt en automatisch op de tepels aangesloten, zodat de deponeerplaats 9 tevens als melkplaats dienst doet.
Indien achtereenvolgens de was- en melkprocedure is geëindigd, stelt de electronische installatie 14 na melding van het einde van de melkprocedure een besturingssysteem in werking dat de deur 13 over 180° doet openen zodat het dier naar de verblijfplaats 1 kan lopen.
Opgemerkt wordt dat een verder lokmiddel kan worden toegepast doordat de installatie 14 is voorzien van een luidspreker 40 die desgewenst voortdurend voor de dieren aangename geluiden voortbrengt die in de gehele verblijfplaats 1 hoorbaar zijn.
De in de figuren 2-4 weergegeven band 35 die over de rug van elk der dieren aan weerszijden tot ongeveer halverwege de zijkanten van het dier neerwaarts hangt, is aan zijn onderste uiteinden voorzien van een aan beide uiteinden van de band bevestigd element 41 dat door middel van elec-trische verbindingsdraden in verbinding staat met het orgaan 34. De elementen 41 zijn voorzien van electroden of dergelijke, door middel waarvan aan het dier lichte electrische schokken kunnen worden toegediend analoog aan bekende vee-drijfstokken. Het toedienen van deze schokken vergt relatief weinig energie. De elementen 41 kunnen uit de in het orgaan 34 ondergebrachte energiebron worden gevoed. Gerekend in de lengterichting van het dier, kan op een andere plaats op de rug een tweede band 45 zijn aangebracht eveneens voorzien van elementen 41 die worden gevoed uit een bijbehorende andere energiebron.
De elementen 41 vormen de basis voor een andere methode om het dier naar de closetinrichting 9 te doen bewegen. Deze methode omvat tevens een aan de deponeerplaats 9 bevestigde radioinstallatie die relatief sterke signalen in de verblijfplaats 1 zendt. Het orgaan 34 kan een ontvangstinstallatie voor de laatstbedoelde signalen omvatten voorzien van detectiemiddelen voor de richting van waaruit de signalen afkomstig zijn. Zodra de staart van het dier omhoog beweegt en de contacten 31 sluiten, wordt door het van deze contacten afkomstige signaal de in het orgaan aanwezige ontvangstinstallatie in werking gesteld die een element 41 lichte schokken op die zijkant van het dier doet geven die van de bron van de radiosignalen (nabij de closetinrichting 9) is afgekeerd. Deze schokken worden door het dier als onaangenaam ervaren en doen het dier zich bewegen in de richting die van de schokken is afgekeerd, zodat het dier zich in de riching van de radiosignalen, de closetinrichting 9, zal bewegen. Indien het dier zich om bepaalde redenen zou omkeren, brengen de elementen 41, die aan de andere zijde van het dier zijn aangebracht schokken teweeg zodat het dier zich opnieuw in de richting van de closetinrichting zal bewegen. Op deze wijze wordt de bewegingsrichting van het dier bepaald. Deze voort-, drijf-inrichting kan dan zodanig zijn uitgevoerd dat, indien het dier zich in de juiste richting beweegt, geen schokken optreden. Na enige ervaring zal het dier zich na het omhoog bewegen van de staart in de richting van de closetinrichting 9 verplaatsen.
Het is bij deze methode op alternatieve wijze ook mogelijk dat aan de band 35 een klein cardanisch opgehangen kompas is aangebracht, waarbij de uitslag van de kompasnaald begrensd wordt door contacten die, nadat zij door de contacten 31 en de kompasnaald zijn geactiveerd, aan een zijkant van het dier schokken teweegbrengen die het dier in de richting van de verblijfplaats 9 drijven. Deze voortdrijf-inrichtingen volgens de tweede methode kunnen worden gecombineerd met een voor de dieren aangename geluiden voortbrengende geluidsbron die aan de closetinrichting 9 is aangebracht.
Volgens een andere methode is aan de closetinrichting 9 een oproepinstallatie aangebracht die na regelmatige tijdsintervallen voor de dieren aangename geluiden voortbrengt. Deze geluiden kunnen overeenstemmen met geluiden die overeenkomen met die van in een voerbak vallend voer en/of vallend water, in welk laatste geval dorstige dieren worden gelokt.
Een andere methode om vervuiling van de stal tegen te gaan en de dieren schoon te houden wordt bewerkstelligd door de sensors 32 die, doordat het dier in uitwerpselen is gaan liggen of door door het staande dier geproduceerde uitwerpselen worden geactiveerd, het orgaan 34 en de luidsprekers 37 in werking stellen en het dier zich naar de closetinrichting 9 doen bewegen.
De hiervoor genoemde methoden kunnen uiteraard gedeeltelijk of alle worden gecombineerd teneinde de dieren te demotiveren hun uitwerpselen in de verblijfplaats 1 te werpen, respectievelijk de dieren te motiveren hun uitwerpselen in de deponeerinrichting 9 te deponeren en/of de dieren te dwingen en/of te lokken naar de closetinrichting 9. Deze methoden zullen elk voor zich of in combinatie de dieren na enige gewenning en ervaring, na het zien van het gedrag van andere dieren of nadat iemand een dier in de aanvang van zijn verblijf in de verblijfplaats naar de closetinrichting geleidt, tot een zeker automatisme brengen dat ze regelmatig van de closetinrichting doet gebruik maken. Eenmaal in de closetinrichting 9 aangekomen, volgt de reeks handelingen en gebeurtenissen (deponeren van uitwerpselen, registratie met behulp van de koeherkenningshalsband, voeren, wassen en melken) in de hiervoor beschreven volgorde. Zodra de electro-nische installatie 14 het signaal ontvangt dat het einde van het melken definieert, doet de installatie 14 het besturingssysteem in werking treden dat de deur 13 opent waarbij tevens de luidspreker 40 gedurende korte tijd een onaangenaam pie- pend of fluitend geluid voortbengt dat het dier de inrichting 9 doet verlaten.
Opgemerkt wordt dat de gedachte volgens de uitvinding niet beperkt is tot de toepassing van een deponeerplaats of closetinrichting 9 voorzien van de verder besproken mogelijkheden in combinatie met een open of gesloten loopstal, maar de deponeerplaats 9 kan ook verplaatsbaar zijn uitgevoerd zoals bijvoorbeeld een deponeerplaats 9 die voorzien is van in hoogterichting verstelbare wielen? de deponeerplaats kan door een trekker op een daarvoor bestemde plaats in een weide kan worden gereden. Na het neerzetten op een dergelijke plaats worden de aan weerszijden van de deponeerplaats aangebrachte wielen in hoogterichting bewogen, zodat de vloer van de deponeerplaats op weilandhoogte is gebracht. De energievoorziening van een dergelijke, in een weiland geplaatste deponeerinrichting 9 kan worden verzorgd door een voedings-kabel, maar ook door een zonneënergieinstallatie in combinatie met accu's. Op de plaats in het weiland waar de deponeerplaats 9 wordt neergezet, kan een mestput zijn ingegraven die aansluit op de roostervloer 19.
Claims (62)
1. Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren zoals melkkoeien, waarbij voor de afvoer van mest uit de verblijfplaats, de verblijfplaats is aangesloten aan een mestopslagplaats, met het kenmerk, dat tussen de verblijfplaats en de mestopslagplaats een closetinrichting voor de dieren is aangebracht.
2. Verblijfplaats volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de closetinrichting een roostervloer omvat, die voorzien is van één of meer sensors.
3. Verblijfplaats volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de closetinrichting een voerinstallatie omvat.
4. Verblijfplaats volgens een der conclusies 1-3, met het kenmerk, dat de closetinrichting een deur omvat.
5. Verblijfplaats volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat aan twee einden van de closetinrichting een deur is aangebracht.
6. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat voor een verblijfplaats bestemd voor ongeveer 40 dieren één closetinrichting is aangebracht.
7. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting met water kan worden gespoeld.
8. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de verblijfplaats meerdere plaatsen voor het deponeren van uitwerpselen omvat die elk van een closetinrichting zijn voorzien.
9. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting van een zend-installatie is voorzien.
10. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting van een wasinstallatie voor dieren is voorzien.
11. Verblijfplaats volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de wasinstallatie nabij het achtereinde van een zich in de inrichting bevindend dier is opgesteld.
12. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclu- sies, met het kenmerk, dat de closetinrichting electronische middelen omvat voor het vaststellen van het feit of een zich in de inrichting bevindend dier wel of niet zijn uitwerpselen heeft gedeponeerd.
13. Verblijfplaats volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de electronische middelen een besturingsysteem omvatten dat door activeren van de voerinstallatie het dier eerst dan voer doet aanbieden, indien uitwerpselen zijn gedeponeerd .
14. Verblijfplaats volgens conclusie 12 of 13, met het kenmerk, dat de electronische middelen een besturingsorgaan omvatten, dat de deur doet openen nadat de uitwerpselen zijn gedeponeerd.
15. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting een melk-installatie omvat.
16. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting een geluidsinstallatie omvat.
17. Verblijfplaats volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat de geluidsinstallatie van middelen is voorzien om geluiden voort te brengen, die overeenkomen met geluiden van vallend voer.
18. Verblijfplaats volgens conclusie 16 of 17, met het kenmerk, dat de geluidsinstallatie van middelen is voorzien om geluiden voort te brengen die overeenkomen met een piepend geluid.
19. Verblijfplaats volgens een der conclusies 16 - 18, met het kenmerk, dat de geluidsinstallatie van middelen is voorzien om geluiden voort te brengen die overeenkomen met die van vallend water.
20. Verblijfplaats volgens een der conclusies 2 - 19, met het kenmerk, dat de roostervloer staven omvat die nabij de achterzijde van een zich in de inrichting bevindend dier zijn gelegen.
21. Verblijfplaats volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat aan ten minste één der staven een sensor is aangebracht voor het vaststellen van het wel of niet passeren van uitwerpselen en/of urine van een dier.
22. Verblijfplaats volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de sensor met electronische middelen is gekoppeld, die de voerinstallatie activeren.
23. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de closetinrichting verplaatsbaar is uitgevoerd.
24. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat middelen zijn aangebracht om te bevorderen dat een dier in een closetinrichting zijn uitwerpselen zal deponeren.
25. Verblijfplaats volgens conclusie 24, met het kenmerk, dat de middelen een klok en een daarmee verbonden orgaan voor het opwekken van electrische signalen omvatten.
26. Verblijfplaats volgens conclusie 24 of 25, met het kenmerk, dat de middelen een aan een dier bevestigde luidspreker omvatten.
27. Verblijfplaats volgens een der conclusies 24 - 26, met het kenmerk, dat de middelen een oproepinstallatie omvatten.
28. Verblijfplaats volgens conclusie 27, met het kenmerk, dat de oproepinstallatie een aan de closetinrichting bevestigde luidspreker omvat.
29. Verblijfplaats volgens conclusie 28, met het kenmerk, dat de luidspreker op een installatie voor het vóórtbrengen van voor een dier aangename tonen is aangesloten.
30. Verblijfplaats volgens conclusie 26 of 27, met het kenmerk, dat de luidspreker op een installatie voor het voortbrengen van voor een dier onaangename tonen is aangesloten.
31. Verblijfplaats volgens een der conclusies 24 - 30, met het kenmerk, dat de middelen contacten omvatten, die nabij de staart van het dier zijn aangebracht.
32. Verblijfplaats volgens conclusie 31, met het kenmerk, dat de middelen een flexibele buis omvatten, die om de staart van het dier is geschoven.
33. Verblijfplaats volgens conclusie 31 of 32, met het kenmerk, dat de contacten zodanig aan de buis zijn aan gebracht, dat de contacten sluiten indien de staart ten minste ten dele wordt gestrekt.
34. Verblijfplaats volgens conclusie 33, met het kenmerk, dat een orgaan aan het dier is bevestigd, dat nabij de kop van het dier een voor het dier onaangenaam geluid voortbrengt indien de contacten sluiten.
35. Verblijfplaats volgens conclusie 34, met het kenmerk, dat het orgaan één of meer luidsprekers omvat die nabij één of beide oren van het dier zijn bevestigd.
36. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat aan beide zijden van het dier richting oriënterende middelen zijn aangebracht alsmede lichte schokken veroorzakende elementen.
37. Verblijfplaats volgens een der conclusies 12 - 36, met het kenmerk, dat het dier een herkenningshalsband draagt die met de electronische middelen samenwerkt ter identificatie van het dier.
38. Verblijfplaats volgens conclusie 37, met het kenmerk, dat de electronische middelen met de sensor samenwerken om vast te stellen welk dier zijn uitwerpselen niet in de closetinrichting heeft gedeponeerd.
39. Verblijfplaats volgens een der conclusies 36 - 38, met het kenmerk, dat een deel van de electronische middelen de richting oriënterende middelen omvat.
40. Verblijfplaats volgens conclusie 39, met het kenmerk, dat de richting oriënterende middelen een radiozend-installatie omvatten.
41. Verblijfplaats volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de verblijfplaats een open loop-stal is.
42. Verblijfplaats volgens een der conclusies 1 - 40, met het kenmerk, dat de verblijfplaats een gesloten loopstal is.
43. Verblijfplaats volgens een der conclusies 1 - 40, met het kenmerk, dat de verblijfplaats een weide is.
44. Melkplaats voor het automatisch melken van een aantal melkdieren, zoals melkkoeien, met het kenmerk, dat de melkplaats tevens een inrichting omvat om de uitwerpselen van een zich op de melkplaats bevindend dier af te voeren.
45. Melkplaats volgens conclusie 44, met het kenmerk, dat de melkplaats een roostervloer omvat die nabij de achterzijde van een zich in de melkplaats bevindend dier is gelegen.
46. Melkplaats volgens conclusie 44 of 45, met het kenmerk, dat de melkplaats is voorzien van één of meer sensors voor het vaststellen of het dier zijn uitwerpselen binnen de melkplaats heeft gedeponeerd.
47. Melkplaats volgens conclusie 46, met het kenmerk, dat de sensor aan een rooster is aangebracht.
48. Melkplaats volgens een der conclusies 44 - 47, met het kenmerk, dat nabij de achterzijde van een zich in de melkplaats bevindend dier één of meer watersproeiers is/zijn opgesteld.
49. Melkplaats volgens conclusie 48, met het kenmerk, dat middelen zijn aangebracht die de watersproeier in werking stellen indien de sensor wordt geactiveerd.
50. Melkplaats volgens eèn der conclusies 44 - 49, met het kenmerk, dat de melkplaats middelen omvat om het dier te motiveren zijn uitwerpselen in een aan of nabij de melkplaats aangebrachte opvanginrichting te deponeren.
51. Melkplaats voor het melken van melkdieren, zoals melkkoeien, met het kenmerk, dat de melkplaats middelen omvat om het dier te motiveren zijn uitwerpselen in een aan of nabij de melkplaats aangebrachte opvanginrichting te deponeren .
52. Melkplaats volgens conclusie 50 of 51, met het kenmerk, dat de middelen een doseerinrichting van voer omvatten .
53. Melkplaats . volgens, .een der conclusies .46.-- 52, met het kenmerk, dat de doseerinrichting voer aan het dier aanbiedt indien de sensor door uitwerpselen wordt geactiveerd.
54. Melkplaats volgens een der conclusies 44 - 53, met het kenmerk, dat de opvanginrichting met een mestopslagplaats is verbonden.
55. Voerplaats voor het voeren van een aantal melkdieren, zoals melkkoeien, met het kenmerk, dat de voerplaats tevens een closetinrichting voor een melkdier omvat.
56. Voerplaats volgens conclusie 55, met het kenmerk dat de voerplaats afsluitbaar is.
57. Voerplaats volgens conclusie 55 of 56, met het kenmerk, dat de voerplaats van mestafvoermiddelen is voorzien.
58. Voerplaats volgens een der conclusies 55 - 57, met het kenmerk, dat de voerplaats een wasinstallatie voor een zich in de voerplaats bevindend dier omvat.
59. Voerplaats voor het voeren van melkdieren zoals melkkoeien, met het kenmerk, dat de voerplaats is voorzien van een installatie om het dier althans gedeeltelijk te reinigen.
60. Voerplaats volgens conclusie 58 of 59, met het kenmerk, dat de reinigingsinstallatie de uier van het dier reinigt.
61. Voerplaats volgens een der conclusies 58 - 60, met het kenmerk, dat de reinigingsinstallatie een installatie voor het sproeien van water omvat.
62. Voerplaats volgens conclusie 61, met het kenmerk, dat het water in de richting van een afvoerplaats voor het afvoeren van mest, zoals een tot de voerplaats behorende roostervloer, wordt gespoten.
Priority Applications (8)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8900415A NL8900415A (nl) | 1989-02-21 | 1989-02-21 | Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. |
| DE69031088T DE69031088T2 (de) | 1989-02-21 | 1990-02-20 | Unterbringungsbox für eine Anzahl von Tieren, insbesondere Milchvieh |
| EP90200381A EP0389013B1 (en) | 1989-02-21 | 1990-02-20 | An accomodation for a number of animals, dairy animals in particular |
| DK90200381.3T DK0389013T3 (da) | 1989-02-21 | 1990-02-20 | Rum til et antal dyr, især mælkeproducerende dyr |
| AT90200381T ATE155641T1 (de) | 1989-02-21 | 1990-02-20 | Unterbringungsbox für eine anzahl von tieren, insbesondere milchvieh |
| JP3856090A JP2957219B2 (ja) | 1989-02-21 | 1990-02-21 | 乳用家畜を清潔に飼育する装置 |
| US07/774,166 US5195455A (en) | 1989-02-21 | 1991-10-15 | Arrangement for keeping dairy animals clean |
| JP11041999A JP3158112B2 (ja) | 1989-02-21 | 1999-04-19 | 乳用家畜を清潔に飼育する装置 |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL8900415 | 1989-02-21 | ||
| NL8900415A NL8900415A (nl) | 1989-02-21 | 1989-02-21 | Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8900415A true NL8900415A (nl) | 1990-09-17 |
Family
ID=19854164
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8900415A NL8900415A (nl) | 1989-02-21 | 1989-02-21 | Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. |
Country Status (5)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP0389013B1 (nl) |
| AT (1) | ATE155641T1 (nl) |
| DE (1) | DE69031088T2 (nl) |
| DK (1) | DK0389013T3 (nl) |
| NL (1) | NL8900415A (nl) |
Families Citing this family (9)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL9200714A (nl) * | 1992-04-21 | 1993-11-16 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het automatisch melken van dieren. |
| NL9201413A (nl) * | 1992-08-05 | 1994-03-01 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het melken van dieren. |
| EP0619702B1 (en) * | 1992-11-02 | 2000-09-27 | Maasland N.V. | A construction for automatically milking animals |
| NL9300153A (nl) * | 1993-01-27 | 1994-08-16 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het automatisch melken van dieren. |
| NL9300579A (nl) * | 1993-04-01 | 1994-11-01 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het melken van dieren, zoals koeien. |
| US5596945A (en) * | 1994-07-01 | 1997-01-28 | Van Der Lely; Cornelis | Construction for automatically milking animals |
| NL9401802A (nl) * | 1994-10-31 | 1996-06-03 | Maasland Nv | Inrichting voor het melken van dieren. |
| DE102005035426A1 (de) * | 2005-07-28 | 2007-02-08 | Westfaliasurge Gmbh | Melkstand und Verfahren zum Melken |
| DE102012110500A1 (de) * | 2012-11-02 | 2014-05-08 | Gea Farm Technologies Gmbh | Steuerschrankeinheit eines Melkstands und Melkstandanordnung |
Family Cites Families (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4011837A (en) * | 1975-02-19 | 1977-03-15 | Ksioszk Leo P | Self-cleaning animal kennel |
| DE8302429U1 (de) * | 1983-01-29 | 1983-09-01 | Veidt, Christian, 8000 München | Spuehlklosett fuer kleinere haustiere, insbesondere hunde |
| EP0630566B1 (en) * | 1985-01-16 | 2001-05-16 | Maasland N.V. | A device for automatically milking animals |
| NL8602942A (nl) * | 1986-11-19 | 1988-06-16 | Multinorm Bv | Verplaatsbare ruimte waarin een inrichting voor het automatisch melken van een beest is opgesteld. |
-
1989
- 1989-02-21 NL NL8900415A patent/NL8900415A/nl not_active Application Discontinuation
-
1990
- 1990-02-20 DK DK90200381.3T patent/DK0389013T3/da active
- 1990-02-20 AT AT90200381T patent/ATE155641T1/de not_active IP Right Cessation
- 1990-02-20 DE DE69031088T patent/DE69031088T2/de not_active Expired - Fee Related
- 1990-02-20 EP EP90200381A patent/EP0389013B1/en not_active Expired - Lifetime
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP0389013A1 (en) | 1990-09-26 |
| DE69031088T2 (de) | 1998-02-26 |
| EP0389013B1 (en) | 1997-07-23 |
| DE69031088D1 (de) | 1997-09-04 |
| DK0389013T3 (da) | 1998-03-02 |
| ATE155641T1 (de) | 1997-08-15 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US5195455A (en) | Arrangement for keeping dairy animals clean | |
| EP1172033B1 (en) | An apparatus for and a method of managing animals | |
| US5816190A (en) | Apparatus for milking animals | |
| EP0630562B1 (en) | Device for automatically milking animals | |
| EP0332231B2 (en) | Device for milking animals, such as cows | |
| EP0822743A1 (en) | A construction including a shed for animals | |
| EP1099373A1 (en) | Device for cleaning and disinfecting the feet of cows | |
| NL8900415A (nl) | Verblijfplaats voor een aantal dieren, in het bijzonder melkdieren. | |
| EP0567191B1 (en) | A construction for automatically milking animals | |
| NL8900416A (nl) | Inrichting voor het schoonhouden van melkdieren. | |
| EP0619702B1 (en) | A construction for automatically milking animals | |
| EP1384400A2 (en) | Device for treating body parts of animals | |
| JP2957219B2 (ja) | 乳用家畜を清潔に飼育する装置 | |
| EP0635206B1 (en) | A construction for automatically milking animals | |
| NL8500691A (nl) | Stal voor dieren, zoals koeien. | |
| NL8500090A (nl) | Inrichting voor het melken van dieren, zoals koeien. | |
| NL8500089A (nl) | Inrichting voor het melken van dieren, zoals koeien. | |
| RU99125086A (ru) | Животноводческий комплекс по производству молока | |
| WO1997049278A1 (en) | A milking stall housing an animal to be subjected to an animal related action |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| BV | The patent application has lapsed |