[go: up one dir, main page]

NL8802070A - Miniatuur-bandcassette. - Google Patents

Miniatuur-bandcassette. Download PDF

Info

Publication number
NL8802070A
NL8802070A NL8802070A NL8802070A NL8802070A NL 8802070 A NL8802070 A NL 8802070A NL 8802070 A NL8802070 A NL 8802070A NL 8802070 A NL8802070 A NL 8802070A NL 8802070 A NL8802070 A NL 8802070A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
tape cassette
cassette
tape
roller
miniature
Prior art date
Application number
NL8802070A
Other languages
English (en)
Other versions
NL191500C (nl
NL191500B (nl
Original Assignee
Victor Company Of Japan
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority claimed from JP56007566A external-priority patent/JPS57123573A/ja
Application filed by Victor Company Of Japan filed Critical Victor Company Of Japan
Priority to NL8802070A priority Critical patent/NL191500C/nl
Publication of NL8802070A publication Critical patent/NL8802070A/nl
Publication of NL191500B publication Critical patent/NL191500B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL191500C publication Critical patent/NL191500C/nl

Links

Classifications

    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B23/00Record carriers not specific to the method of recording or reproducing; Accessories, e.g. containers, specially adapted for co-operation with the recording or reproducing apparatus ; Intermediate mediums; Apparatus or processes specially adapted for their manufacture
    • G11B23/02Containers; Storing means both adapted to cooperate with the recording or reproducing means
    • G11B23/04Magazines; Cassettes for webs or filaments
    • G11B23/08Magazines; Cassettes for webs or filaments for housing webs or filaments having two distinct ends
    • G11B23/087Magazines; Cassettes for webs or filaments for housing webs or filaments having two distinct ends using two different reels or cores
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B15/00Driving, starting or stopping record carriers of filamentary or web form; Driving both such record carriers and heads; Guiding such record carriers or containers therefor; Control thereof; Control of operating function
    • G11B15/60Guiding record carrier
    • G11B15/66Threading; Loading; Automatic self-loading
    • G11B15/665Threading; Loading; Automatic self-loading by extracting loop of record carrier from container
    • G11B15/6653Threading; Loading; Automatic self-loading by extracting loop of record carrier from container to pull the record carrier against drum
    • G11B15/6656Threading; Loading; Automatic self-loading by extracting loop of record carrier from container to pull the record carrier against drum using two-sided extraction, i.e. "M-type"
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B23/00Record carriers not specific to the method of recording or reproducing; Accessories, e.g. containers, specially adapted for co-operation with the recording or reproducing apparatus ; Intermediate mediums; Apparatus or processes specially adapted for their manufacture
    • G11B23/02Containers; Storing means both adapted to cooperate with the recording or reproducing means
    • G11B23/04Magazines; Cassettes for webs or filaments
    • G11B23/08Magazines; Cassettes for webs or filaments for housing webs or filaments having two distinct ends
    • G11B23/087Magazines; Cassettes for webs or filaments for housing webs or filaments having two distinct ends using two different reels or cores
    • G11B23/08707Details
    • G11B23/08735Covers
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B25/00Apparatus characterised by the shape of record carrier employed but not specific to the method of recording or reproducing, e.g. dictating apparatus; Combinations of such apparatus
    • G11B25/06Apparatus characterised by the shape of record carrier employed but not specific to the method of recording or reproducing, e.g. dictating apparatus; Combinations of such apparatus using web-form record carriers, e.g. tape
    • G11B25/066Apparatus characterised by the shape of record carrier employed but not specific to the method of recording or reproducing, e.g. dictating apparatus; Combinations of such apparatus using web-form record carriers, e.g. tape adapted for use with containers of different sizes or configurations; adaptor devices therefor

Landscapes

  • Packaging Of Annular Or Rod-Shaped Articles, Wearing Apparel, Cassettes, Or The Like (AREA)

Description

£ y
Miniatuur-bandcassette.
De uitvinding heeft betrekking op een miniatuur-bandcassette, omvattende een cassettehuis met afmetingen die kleiner zijn dan die van een normale bandcassette, en een band die binnen het cassettehuis is ondergebracht, welke miniatuur-bandcassette 5 zelfstandig kan worden ingebracht in een van de normale soort af wijkende soort registratie- en/of afspeelinrichting, en in de normale soort samen met een bandcassette-aanpasinrichting met uitwendige vorm en afmetingen die praktisch gelijk zijn aan die van een normale bandcassette, en wel in een toestel waarbij de miniatuur-bandcassette 10 binnenin de bandcassette-aanpasinrichting is ondergebracht en de band uit het cassettehuis naar buiten is getrokken om een bepaalde bandbaan te vormen.
•8802070 a ’ - 2 -
Er is een probleem van groot belang opgetreden betreffende het verwezenlijken van reduceren van de afmetingen van de registreer- en/of reproduceerinrichting wat 5 betreft het hoofdlichaam. Dit betekent het verwezenlijken van een compactere draagbare soort registreer- en/of reproduceerinrichting en bijvoorbeeld het verwezenlijken van zulk een uitrusting dat een registreerinrichting als eenheid wordt ingebouwd in een televisiecamera.
10 In dit opzicht zijn enige pogingen ondernomen voor het realiseren van een compacte soort registreer- en reproduceerinrichting waarbij gebruik wordt gemaakt van een compacte of miniatuursoort bandcassette, welke een bandpatroon en formaat gebruikt volledig verschillend van die van de standaardsoort 15 registreer- en/of reproduceerinrichting welke de standaardsoort bandcassette gebruikt welke reeds worden gebruikt en in ruime mate geaccepteerd op de markt. Evenwel maakt de bovengenoemde compacte soort registreer- en/of reproduceerinrichting, ingericht voor verwezenlijking, gebruik van een formaat volledig 20 verschillend van dat van de standaardsoort registreer- en/of re produceerinrichting en onderlinge verwisselbaarheid bestaat daartussen niet. Er is dus bij deze compacte soort registreer- * en/of reproduceerinrichting een nadeel doordat een bandcassette geregistreerd door een compacte soort registreer- en/of 25 reproduceerinrichting niet kan worden weergegeven door de stan daardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting. Dit is een groot ongemak en nadeel voor eigenaars van de compacte soort registreer- en/of reproduceerinrichting.
Een andere poging is ook ondernomen voor het 30 verwezenlijken van een compacte soort draagbare registreer- en/of reproduceerinrichting, welke registratie en/of reproduk-tie uitvoert met hetzelfde bandpatroon en formaat als de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting, door het gebruik van'een bandcassette waarvan de maat iets is verminderd 35 door het verminderen van de bandhoeveelheid en de diameter van ° 88 02 07 6 - 3 - * £ de rollen ten opzichte van die van de standaardsoort handcassette.
Bij dit stelsel kan een handcassette geregistreerd door de draagbare registreer- en/of reprodueeerinrichting worden gereproduceerd zoals gebeurt door de standaardsoort registreer en/of 5 reproduc eerinricht ing.
Evenwel is bij de handcassette gebruikt bij bovengenoemde draagbare registreer- en/of reprodueeerinrichting de afstand tussen een toevoerzijrol en een opneemzijrol gelijk gesteld aan de afstand tussen de toevoer- en opneemzijrollen van 10 de standaardsoort handcassette, zodat de handcassette gebruikt voor de draagbare registreer en/of reprodueeerinrichting kan worden geplaatst in de standaardsoort registreer- en/of repro-duceerinrichting. Zelfs wanneer dus de bandhoeveelheid is verminderd teneinde de diameter van de rollen te verminderen, is er 15 een grens in het verminderen van de diameter van deze rollen.
Daarom is er in dit stelsel een nadeel dat de maat van de band-cassette als geheel niet aanzienlijk kan worden verminderd en hetzelfde is waar voor de registreer- en/of reproduceerinrich-ting.
20 Verder kan een ander stelsel worden beschouwd waarbij de bandhoeveelheid wordt verminderd voor het verminderen van de diameter van de rollen en verder is de miniatuursoort handcassette geconstrueerd door het verminderen van de afstand tussen de toevoer- en opneemzijrollen. In dit stelsel 25 kan als wijziging van de standaardsoort registreer- en/of reprodueeerinrichting de registreer- en/of reproduceerinrich-ting zo worden geconstrueerd, dat een rolschijf voor het aandrijven van de opneemzijrol beweegbaar is. Bij deze wijziging van de standaardsoort registreer- en/of reprodueeerinrichting is 30 de opneemzijrolschijf op een normale positie indien voorzien van de standaardsoort handcassette, en wordt de opneemzijrolschijf bewogen naar een positie dichter bij de toevoerzijrolschijf indien voorzien van de miniatuursoort handcassette.
Zelfs echter in dit stelsel bijvoorbeeld, is 35 er een nadeel doordat de miniatuursoort handcassette geregi- • 8802070 - 1» -ν streerd door de compacte soort registreer- en/of reproduceerin-richting niet kan worden gereproduceerd door de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting welke thans veel wordt gebruikt. Buitendien is er een nadeel, doordat het buitengewoon 5 moeilijk is een mechanisme te maken voor het bewegen van de rolschijf op de bovenbeschreven wijze. Verder heeft de registreer-en/of reproduceerinrichting bij gebruik van de bandcassette algemeen een mechanisme voor het uittrekken van de band vanuit de bandcassette om de band aan te brengen op een vooraf bepaalde 10 bandbaan binnen de registreer- en/of reproduceerinrichting. Het is daarom ook bijzonder moeilijk het bovengenoemde mechanisme voor het uittrekken van de band te construeren, zodat onderlinge verwisselbaarheid bestaat met betrekking tot de bovengenoemde compacte of miniatuursoort bandcassette en de standaardsoort 15 bandcassette, en het verwezenlijken van zulk een mechanisme is in feite onmogelijk.
Een miniatuur-bandcassette van de in de aanhef genoemde soort is het onderwerp van de oudere Nederlandse octrooiaanvrage 81-05293. Deze eerder voorgestelde miniatuur-bandcassette kan bij 20 .vergissing uit de bandcassette-aanpasinrichting worden genomen ter- ijl de band uit het cassettehuis naar buiten is getrokken. Hierbij raakt de ban gemakkelijk beschadigd of kan de band gemakkelijk breken. Vólgens de uitvinding wordt verhinderd dat de miniatuur-bandcassette uit de aanpasinrichting wordt genomen terwijl de band 25 naar buiten is getrokken doordat het cassettehuis is voorzien van een . uitsnijding, in welke uitsnijding een op de aanpasinrichting aangebracht beweegbaar element dat in beweging is in verband met het uittrekken van de band uit het cassettehuis, kan worden gestoken.
Bij voorkeur is de uitsnijding een verdiept stap-30 gedeelte dat is aangebracht in de bovenzijde van het cassettehuis.
Op voordelige wijze heeft de bandcassette-aanpasinrichting een uittrek-mechaniek voor het uit het cassettehuis trekken van de band naar de voorafbepaalde bandbaan, waarbij het beweegbare element een draaibare hefboom is die is gekoppeld met 35 het uittrek-mechaniek welke hefboom in de uitsnijding kan worden gestoken.
.8802070 $
V
f, -5-
De uitvinding zal aan de hand van de tekening in het volgende nader worden toegelicht.
Figuur 1 toont in perspectief een bandcassette volgens de uitvinding in een toestand waarbij een bandbeschermingsdeksel 5 open is, gezien van een onderzijde met betrekking tot het voorvlak van de bandcassette.
Figuren 2A, 2b, 2C en 2D zijn respectievelijk een bovenaanzicht, een zij-aanzicht, een onderaanzicht en een achteraanzicht van de bandcassette van figuur 1.
10 Figuur 2E is een achteraanzicht van een wijziging van de bandcassette van figuur 1.
Figuur 3 is een bovenaanzicht en toont de inwendige constructie van de bandcassette van figuur 1 in een toestand waar een bovenste helft van een cassettehuis en een bovenste flens van 15 een rol zijn gedemonteerd.
Figuur 4 toont een dwarsdoorsnede volgens de lijn IV - IV van figuur 2a.
Figuur 5A en 5B tonen een bovenaanzicht en een vooraanzicht van een uitvoering van een bladveer voor het druk- •8802070 ί.
- 6 -
rH
ken tegen een rol.
Figuren 6A en 6B tonen dwarsdoorsneden volgens de lijn VIA - VIA en eén lijn VIB - VIB van figuur 3, in een toestand waar een vaste as van een opneemzijrol en een samenwer-5 kend deel van een onderhelft zijn losgenomen.
Figuur 7 is een zijaanzicht voor het tonen van de vorm van tanden rond de omtrek van een onderflens van een opneemzijrol op vergrote schaal.
Figuur 8 toont een remmechanisme met betrek-10 king tot de opneemzijrol in dwarsdoorsnede volgens de lijn VIII - VIII van figuur 3.
Figuur 9 toont in perspectief een voorbeeld van een bandcassette-aanpasinrichting waarin de bandcassette van figuur 1 is geplaatst.
15 · Figuur 10 is een bovenaanzicht van de band cassette-aanpasinrichting van figuur 9 in een toestand waar een bovenhelft open is met betrekking tot een onderhelft.
Figuur 11 toont een dwarsdoorsnede volgens de lijn XI - XI in figuur 10 in een toestand waar grendelmechanis-20 men voor een bovenhelft en een onderhelft van de bandcassette- aanpasinrichting wederzijds tegenover elkaar liggen.
Figuur 12 is een zijaanzicht van een mechanisme voor het tijdelijk openen van een openend en sluitend deksel wanneer een bovenhelft van de bandeassette-aanpasinrich-25 ting is geplaatst boven op een onderhelft.
Figuur 13 toont de bandcassette-aanpasinrichting van figuur 9 in vertikale dwarsdoorsnede.
Figuur 1^ toont een zijaanzicht van de vorm van de tanden van een tussenliggend tandwiel van figuur 10 in 30 vergrote schaal.
Figuur 15 is een bovenaanzicht van een bandcassette-aanpasinrichting in een toestand voor het opnemen van een bandcassette.
Figuur 16 toont een mechanisme voor het plaat-35 sen van een bandcassette binnen een aanpasinrichting op vergrote •8802070 - 7 - % schaal, in dwarsdoorsnede volgens de lijn XVI - XVI van figuur 15.
Figuur 17 is een bovenaanzicht van een voorbeeld van een standaard soort registreer- en/of reproduceer-5 inrichting voorzien van een bandcassette-aanpasinrichting welke een bandcassette opneemt, in een registreer- of reproduceerwer-king.
Figuur 18 is een bovenaanzicht van een voorbeeld van een registreer- en/of reproduceerinrichting exclu-10 sief voor de bandcassette volgens de uitvinding welke is voorzien van de bandcassette van figuur 1, in een registrerende of reproducerende werking.
Figuren 19 en 20 zijn respectievelijk een zijaanzicht en een bovenaanzicht van een bandcassettehuis in de 15 inrichting van figuur 18.
Figuur 21 is een bovenaanzicht van een mechanisme boven een onderhelft in een ander voorbeeld van een bandcassette-aanpasinrichting welke is voorzien van de bandcassette van figuur 1, in een toestand waarbij een bovenhelft is gedemon-20 teerd.
Figuren 22 en 23 tonen een bovenaanzicht en een zijaanzicht van een bandcassette-aanpasinrichting in een toestand waarbij een achterzijdeksel open is.
Figuur 2b toont in perspectief een andere 25 uitvoeringsvorm van een bandcassette volgens de uitvinding.
Een miniatuursoort bandcassette 10 volgens de uitvinding heeft een constructie volgens figuren 1, 2A tot 2D, 3 en ·». De bandcassette 10 heeft een cassettehuis 11 van een maat kleiner dan een standaardsoort bandcassette welke is aan-30 gebracht in een standaardsoort registreer- en/of reproduceer inrichting. Een deksel 13 voor bescherming van een magnetische band 12 aangebracht binnen de bandcassette 10, is aangebracht op het voorvlak van het cassettehuis 11. De cassette 11 bestaat uit een bovenhelft 1U en een onderhelft 15.
35 Een deel van een rechthoekig gevormd zijopper- - 8 8 0 2 0 7 u
A
- 8 - vlakflensdeel 13a van de deksel 13 is axiaal gesteund door een draaipen 16 bij een deel in de nabijheid van een hoekgedeelte van de bovenhelft ik, zodat het deksel 13 draaibaar is voor openen en sluiten. Een praktisch U-vormige bladveer 17 en een 5 schuifstaaf 18 welke wordt gedrukt in de richting van de draai pen 16 door de bladveer 17, zijn aangebracht in verband met bovengenoemde deksel 13. De deksel 13 kan twee standen innemen,.
In de ene stand wordt een zijrand 13b van het flensdeel 13a gedrukt door de schuifstaaf 18 en de deksel 13 is in een geslo-10 ten toestand volgens figuur 2B. Verder wordt in een andere toestand een andere zijrand 13c van de flens 13a gedrukt door de schuifstaaf 18 en de deksel is in een open toestand volgens figuur 1 en zoals gestippeld getekend in figuur 2B. De U-vormige bladveer 17 past in een zijgroef 19 van de bovenhelft ik, in 15 een toestand waar de bladveer 17 wordt vastgehouden door een uitstekende ribbe 19a en niet gemakkelijk wordt losgemaakt uit de zijgroef I9. De schuifstaaf 18 is voorzien van een groef 20 aan de zijde van de bovenhelft ik, op een vrij schuifbare wijze. Wanneer buitendien de bandcassette 10 niet is aangebracht in 20 een registreer- en/of reproduceerinrichting exclusief voor de bandcassette 10 of opgenomen in een bandcassette-aanpasinrich-ting (beschrijving met betrekking tot de registreer- en/of reproduceerinrichting exclusief voor de bandcassette 10 en de bandcassette-aanpasinrichting zal hierna worden gegeven) bedekt 25 de deksel 13 het voorvlak van de cassette 11 voor het beschermen van de magnetische band 12, welke blootgesteld is bij het voorvlak van het cassettehuis 11.
Buitendien, zoals getekend in figuren 3 en 1(, zijn een toevoerzijrol (toevoerrol) 21 en een opneemzijrol 30 (opneemrol) 22 aangebracht op een evenwijdige wijze binnen het cassettehuis 11. Een afstand D tussen de middens van de rollen 21 en 22 is korter dan de afstand tussen de middens van de toevoer- en opneemrollen van «en standaardsoort bandcassette gebruikt met betrekking tot een standaardsoort registreer- en/of repro-35 dueeerinrichting. Met betrekking tot de toevoerrol 21 wordt de .8802070 - 9 - β magnetische band 12 gewonden om een rolnaaf 25 tussen boven- en onderflenzen 23 en 2h. Overeenkomstig wordt de magnetische band 12 gewonden rond een rolnaaf 28 tussen boven- en onderflenzen 26 en 27» met betrekking tot de opneemrol 22. De magne-5 tische band 12 wordt afgewikkeld van de toevoerrol 21 en geleid door geleidingsstaven 29, 30, 31 en 32, aangebracht aan de linker en rechter eindzijden, langs de voorzijde van het cassette-huis 11, voor het vormen van een bandbaan 12A welke de opneemrol 22 bereikt.
10 De toevoerrol 21 is aangebracht in een toe stand waar een ringvormig uitstekend stapgedeelte 2ha. van de onderflens 2k los is geplaatst in een gat 33 met een grote diameter van de onderhelft 15· Buitendien zijn tanden 2kb gevormd in een ringvorm op het ondervlak van de onderflens 2h rond de 15 gehele cirkelvormige omtrek daarvan. Tanden 3¼ zijn gevormd in een ringvorm op het bovenvlak van de onderhelft 15, op plaatsen tegenover de bovengenoemde tanden 2Hb. De toevoerrol 21 wordt gedrukt naar de zijde van de onderhelft 15, door een arm-gedeelte 35a van een bladveer 35 gemonteerd op het ondervlak van 20 een bovenplaat van de bovenhelft 1¾. Aldus werken in een normale toestand de tanden 2bb samen met de tanden 3^. Aldus wordt de toevoerrol 21 geremd en tegengehouden tegen rotatie, tengevolge van het bovengenoemde samenwerken van de tanden- 2^ib en 3^.
Aldus roteert de toevoerrol 21 niet onnodig terwijl de bandcas-25 sette 10 wordt gehanteerd of vervoerd. Aldus wordt voorkomen dat de magnetische band 12 in de war raakt en wordt beschadigd aangezien geen doorhanging in de magnetische band 12 wordt aangebracht, welke is gewonden rond de toevoerrol 21 en de magnetische band 12 wordt tegengehouden tegen onnodig uittrekken van-30 af de toevoerrol 21.
Een rolaandrijfas-inbrengdeel 25a is aangebracht binnen de rolnaaf 25 van de toevoerrol 21, waarin een rolaandrijfas van de registreer- en/of reproduceerinrichting wordt ingebracht. De binnendiameter van de rolnaaf 25 is gelijk 35 aan de binnendiameter van een rolaandrijfas-inbrengdeel van een • 8802070 - 10 - •s toevoerrol in de standaardsoort bandcassette.
De opneemrol 25 is aangebracht op een roteerbare wijze zodanigj dat een vaste as 36, ingebed aangebracht op de onderhelft 15, is aangebracht in een centraal gat van de 5 rolnaaf 28. De bovengenoemde opneemrol 22 wordt gedrukt naar de zijde van de onderhelft 15 door'neerwaarts te worden gedrukt door een ander armgedeelte 35b van de bladveer 35. Aangezien de rolnaaf 28 niet is voorzien van een rolaandrijfas, is een buitendiameter d2 van de rolnaaf 28 kleiner dan een buitendiameter dl 10 van de rolnaaf 25 van de toevoerrol 21. Aldus wordt de hoeveel heid magnetische band 12, welke kan worden opgenomen binnen de bandcassette 10, groot in vergelijking met het geval dat de buitendiameters d1 en d2 van de rolnaven 25 en 28 hetzelfde zijn. Ofschoon daarom de maat van de bandcassette 10 klein is, kan 15 registratie en reproduktie worden uitgevoerd voor een relatief lange tijdsperiode door het gebruik van bovengenoemde bandcassette 10.
Zoals getekend in figuren 5A en 5B, is de genoemde bladveer 35^-vormig en gehecht en bevestigd in een 20 toestand waar een paar gaten 35c bij het midden daarvan passen over uitsteeksels bij het ondervlak van de bovenplaat van de bovenhelft 1^. Een bladveer 35 is zo gevormd, in een vrije toestand, dat een gebogen hoeveelheid s van het armgedeelte 35a, dat contact maakt met de toevoerrol 21, groter wordt dan een 25 gebogen hoeveelheid t van het andere armgedeelte 35b, dat con tact maakt met de opneemrol 22. Aldus is de raeegevende kracht uitgeoefend door het armgedeelte 35a bijzonder groot. Wanneer de bandcassette 10 niet wordt gebruikt, wordt de toevoerrol 21 gedrukt tegen de onderhelft 15 met een flinke kracht en de 30 rotatie van de toevoerrol 21 wordt in feite voorkomen. Wanneer anderzijds de bandcassette 10 wordt gebruikt, wordt de positie van de toevoerrol 21 in feite beperkt door een toevoerrolaan-drijfas voor het stabiliseren van het lopen van de magnetische band.
35 De bovengenoemde vaste as 36 wordt geschroefd •8802070 - 11 - op de onderhelft 15 met een schroef 38, in een toestand waar een uitsteeksel 37 aanwezig op de onderhelft I5 wordt ingébracht in een lineaire groef bij het onderste einddeel van de vaste as 36 zoals aangegeven in figuren 6A en és. De genoemde groef 36a 5 en het uitsteeksel 37 werken als een grendel wanneer het uit steeksel 37 wordt ingebracht in de groef 36a, bij het monteren van de vaste as 36 op de onderhelft 15 door de schroef 38.
Aldus kan de schroef 38 stevig worden geschroefd in de vaste as 36 en de handeling voor het bevestigen van de vaste as 36 op 10 de onderhelft 15 kan worden uitgevoerd met hoog rendement. Ge durende het registreren en reproduceren werkt een rotatie-kracht van de opneemrol 22 op de vaste as 36. Evenwel roteert de vaste as 36 niet onnodig tengevolge van het inbrengen van het uitsteeksel 37 in de groef 36a. Aldus raakt de schroef 38 15 niet los aangezien de vaste as 36 wordt gehandhaafd in de aan vankelijke vaste toestand zonder invoer van onstabiliteit in de vaste as 36. Aldus wordt de opneemrol 22 gehandhaafd in een vooraf bepaalde positie en roteert op een stabiele wijze. Zodoende kan de magnetische band 12 soepel worden opgenomen door 20 de opneemrol zonder beschadiging van de magnetische band en de opneemrol 22 werkt soepel samen met een aandrijfkrachttransmis siemechanisme zoals hierna zal worden beschreven.
De schroef 38 heeft een kopgedeelte met een vorm welke een combinatie is van een cirkelvormig afgeknot 25 kegelvormig deel 38a en een kolomgedeelte 38b. Het gedeelte 38a van de schroef 38 wordt gepast over een taps gat 39 in de onderhelft 15> in een toestand waarbij de schroef 38 wordt geschroefd in een schroef gedeelte 36b van de vaste as 36. In deze toestand wordt het kolomgedeelte 38b van de schroef 38 zo 30 geplaatst, dat het midden daarvan nauwkeurig samenvalt met het rotatiemidden van de opneemrol 22. Het genoemde kolomgedeelte 38b werkt als een samenwerkingsdeel voor het plaatsen, wanneer de bandcassette 10 wordt opgenomen binnen een bandcassette-aan-pasinrichting.
35 Een cirkelvormige indeuking Uo is gevormd in . 8802070 4 - 12 - Ή een ondervlak 11a van de cassette 11, dat wil zeggen in het ondervlak van de onderhelft 15» rond de omtrek van een positie overeenkomend met het rotatiemidden van de opneemrol 22. Het bovenstaande kolomgedeelte 38b steekt neerwaarts vanaf een 5 bodemvlak UOa van de cirkelvormige indeuking Uo op een wijze zodanig, dat het kolomgedeelte 3öb niet uitsteekt vanaf het bodemoppervlak 11a van het gehele cassettehuis 11. Aangezien het kolomgedeelte 38b niet uitsteekt uit het bodemvlak van het cassettehuis 11, kan de bandcassette 10 worden geplaatst op 10 stabiele wijze op bijvoorbeeld een tafel. Buitendien wordt het oppervlak van de tafel niet bekrast door het kolomgedeelte 38b.
Buitendien zijn tanden 27a gevormd op het gehele buitenomtréksdeel van de onderflens 27a van de opneemrol 22. Zoals aangegeven in figuren 1, 2B, 2C, 3 en U, is een 15 deel van het buitenomtreksdeel van de onderflens 27 blootgesteld via een uitgesneden venster Ui gevormd bij een deel tussen het zijoppervlak en het bodemvlak van de onderhelft 15- Het uitgesneden venster 1»1 heeft een gebogen vorm aan de bodemvlakzijde van de onderhelft 15· Verder is de onderste eindzijde van de 20 genoemde tanden 27a volgens figuur 7 van tapse vorm.
Overigens is in verband met de opneemrol 22 een remmeehanisme aangebracht, getekend in figuren 3 en 8. Een remorgaan bestaat uit een remschoengedeelte i*5b aangebracht aan een zijde van een cilindrisch deel b^a, en een rechthoekig 25 samenwerkingsdeel l*5c aangebracht aan de tegengestelde zijde van het cilindrische deel l+5a. Het genoemde remorgaan b5 is aangebracht in een toestand waarbij het cilindrische deel U5a past over een uitstekende kolom k6 op de onderhelft 15, het remschoengedeelte U5b ligt tegenover een buitenste omtreksrandgedeelte 30 bij het bovenvlak van de rolflens 27, en het samenwerkingsdeel U5c is geplaatst bij een boekdeel van de onderhelft 15. Het remorgaan U5 wordt beperkt in rotatie, aangezien in het bijzonder het samenwerkingsdeel U5C is geplaatst bij het hoekdeel van de onderhelft 15. Buitendien wordt het remorgaan U5 gedrukt 35 naar de zijde van de onderhelft 15 door een samengedrukte spoel- .8802076 - 13 - veer 1*7 passend rond de omtrek van de uitstekende kolom U6, en het remschoengedeelte lf5b drukt tegen het bui.tenste omtreks-randgedeelte bij het bovenvlak van de rolflens 27. Aldus is de opneemrol 22 onderhevig aan de reraverking tengevolge van de 5 wrijvingskracht aangebracht vanneer het remschoengedeelte l*5h drukt tegen het buitenste omtreksrandgedeelte bij het bovenvlak van de flens 27, en wordt gestopt in deze positie. Aldus wordt geen doorhanging veroorzaakt in de magnetische band 12, welke wordt opgewikkeld rond de opneemrol 22. Buitendien bedekt het 10 samenwerkingsdeel l*5c van het remorgaan 1*5 een plaatsingsgat h2 gevormd in de onderhelft 15, dat hierna zal worden beschreven.
Aangezien de opneemrol 22 wordt voorzien van de remkracht alleen tengevolge van de aangebrachte wrijvings-15 kracht, is de opneemrol 22 in staat te roteren indien een grote rotatiekracht wordt aangelegd daarop. Aldus kan de magnetische band 12, zoals hierna zal worden beschreven, worden getrokken uit de bandcassette 10 op een betrekkelijk gemakkelijke wijze, door de opneemrol 22 te roteren volgens een bandafvikkelrichting 20 tegen de kracht in, uitgeoefend door het remmechanisme.
Het genoemde remorgaan 1*5 beweegt opwaarts langs de uitstekende kolom U6 zoals hierna zal worden beschreven en in deze geheven stand wordt het remschoengedeelte l*5b gescheiden van de rolflens 27 in de opwaartse richting en het remmen 25 met betrekking tot de opneemrol 22 wordt aldus opgeheven. Aange zien het remorgaan 1*5 werkt door beweging volgens de axiale richting van de opneemrol 22, treft het remorgaan 1*5 niet tegen de magnetische band 12 gewikkeld rond de opneemrol 22 en beschadigt de band niet, zoals het geval is wanneer het remorgaan 30 roteert binnen een vlak dat een verlenging van de rolflens is.
Aldus is de constructie van het remmechanisme eenvoudig. Buitendien neemt het genoemde remmechanisme niet veel ruimte in en is geschikt voor het verminderen van de afmetingen van de bandcassette 10. Aangezien verder het remmechanisme inclusief het 35 remorgaan 1*5 is aangebracht in een ruimte bij het hoekgedeelte '8802070 — I Η — * van het cassettehuis 11, is geen extra ruimte vereist bij het aanbrengen Van het remmechanisme. Ook uit dit oogpunt is het voordelig bij het verminderen van de maat van de bandcassette.
5 Het remmechanisme kan worden gemonteerd op een eenvoudige wijze door opvolgend het remorgaan en de spoel-veer bj te plaatsen over de uitstekende kolom k6 nadat de opneemrol 22 is gemonteerd in de onderhelft 15, en dan het top-gedeelte van de spoelveer kf vast te houden door het bedekken 10 van de onderhelft 15 met de bovenhelft 1b.
De boven- en onderhelften 1t en 15 worden aan elkaar bevestigd door schroeven 50 en 51 in een toestand waar de bovenhelft 1U is geplaatst met betrekking tot de onderhelft 15 door het passen van de uitsteeksels U8 en 1*9 van de 15 onderhelft 15 in overeenkomende, indeukingen (niet getekend) van de bovenhelft 1¾.
Groeven 52 en 53 strekken zich uit in de richting van de breedte van de bandcassette en zijn respectievelijk gevormd op plaatsen dichter bij het achtervlak van de bandcas-20 sette, aan de linker en rechter zijvlakken van de bandcass.ette 10. Deze groeven 52 en 53 werken samen met uitstekende ribben van de bandcassette-aanpasinrichting zoals verderop zal worden beschreven, en hebben functies ter voorkoming dat de bandcassette wordt geplaatst in de bandcassette-aanpasinrichting gekeerd in 25 de verkeerde richting.
Buitendien zijn een verdiept stapgedeelte 5^ met een breedte W1 en een verdiept stapgedeelte 55 met een breedte W2 respectievelijk gevormd op de dekselzijde en op de achterzijde van het bodemvlak van de bandcassette 10. De breedten 30 van de verdiepte stapgedeelten 5^ en 55 zijn verschillend om te voldoen aan een betrekking W1^ W2. Buitendien is een praktisch halfcirkelvormig verdiept stapgedeelte 56 in bovenaanzicht, gevormd bij het centrale deel van het bovenvlak van de bandcassette 10 in verbinding met de achterzijde. Dit verdiepte 35 stapgedeelte 56 werkt samen met een samenwerkingshefboom aan- 8802070 - 15 - gebracht op de zijde van de bandcassette-aanpasinrichting zoals hierna zal worden beschreven.
Figuur 2E toont een miniatuursoort bandcas-sette 10a, welke een wijziging is van de bovenbeschreven 5 miniatuursoort bandcassette. De bandcassette 10a heeft een in- deuking 56a aan de achterzijde daarvan, in plaats van het verdiepte stapgedeelte 56. Deze indeuking 56a is van een praktisch halfcirkelvormige uitvoering in de richting van de breedte, overeenkomstig als in het geval van het genoemde verdiepte stap-10 gedeelte 56, en is voorzien van en in samenwerking met de samenwerkingshefboom geplaatst op de zijde van de bandcassette-aanpasinrichting. De genoemde miniatuursoort bandcassette 10a heeft geen stap op het bovenvlak daarvan, aangezien de indeuking 56a wordt gebruikt in plaats van het verdiepte stapgedeelte 56.
15 Figuren 9 tot 13 tonen een voorbeeld van een bandcassette-aanpasinrichting welke wordt gebruikt wanneer de miniatuursoort bandcassette 10 met de bovenbeschreven constructie wordt aangebracht in een standaardsoort registratie-en/of reproduceerinriehting.
20 Een bandcassette-aanpasinrichting 60 heeft een opneemgedeelte 61 voor het opnemen van de bovengenoemde bandcassette 10 en heeft een uitwendige vorm en maat praktisch gelijk aan die van de standaardsoort bandcassette, overeenkomstig als in het geval van de bandcassette-aanpasinrichtingen 25 welke hierna zullen worden beschreven.
De bandcassette-aanpasinrichting 60 bestaat uit een onderhelft 62 en een bovenhelft 63 en deze helften 62 en 63 zijn verbonden bij de zijoppervlakzijden daarvan door een scharnier 6h. De bovenhelft 63 kan draaien tussen een open stand 30 volgens figuur 10 en een gesloten stand volgens figuren 9 en 13 waar de bovenhelft 63 het bovenvlak van de onderhelft 62 bedekt.
Het genoemde opneemgedeelte 61 voor het opnemen van de bandcassette 10 is gevormd bij een vooraf bepaalde positie van de onderhelft 62. Een rotatietransmissiemechanisme 35 65 is aangebracht in een stand nabij het opneemgedeelte 61.
.8802070 - 16 -
Wanneer de onderhelft 62 wordt geplaatst op de top van de standaardsoort bandcassette voor vergelijking, is de toevoerrol 21 van de bandcassette 10 opgenomen binnen het opneemgedeelte ( 61, ingericht op een plaats overeenkomend met de plaats van de 5 toevoerrol van de standaardsoort bandcassette. Buitendien is een tandwielconstructie 66 van het rotatietransmissiemechanisme 65 aangebracht op een plaats overeenkomend met de plaats van de opneemrol van de standaardsoort bandcassette'.
Het opneemgedeelte 61 heeft een vorm praktisch 10 identiek met de vorm van de bandcassette 10 in bovenaanzicht en is een ruimte omgeven door rechter en linker zijwanden 68 en 6j en een achterwand 69 respectievelijk tegenover de linker en rechter zijvlakken en het achtervlak van de bandcassette 10 opgenomen binnen het opneemgedeelte 61 en een bodemplaat J0 15 tegenover het bodemoppervlak van de bandcassette 10. Uitste kende ribben 71a en 71b welke respectievelijk passen in de groeven 52 en 53 van de bandcassette 10, zijn gevormd op de linker en rechter zijwanden 67 en 68. Een cirkelvormig gat 72 is aangebracht in de bodemplaat 70 op een plaats overeenkomend met de 20 plaats van de toevoerrol van de bandcassette 10 welke wordt op genomen. Buitendien is een cilindrisch orgaan 73 met een door-dringingsgat 73a aangebracht op de bodemplaat 70 op een plaats overeenkomend met de plaats van de opneemrol van de bandcassette 10 welke is opgenomen (zie figuur 16). De diameter van het 25 gat 73a is dezelfde als die van het bovenbeschreven cirkelvor mige afgeknot kegelvormige deel 38a van de schroef 38, en een tapsgedeelte 73b is gevormd aan de bovenrandzijde van het gat 73a voor het vergemakkelijken van de samenwerking met het deel 38a. Buitendien is een lang en smal uitstekend stapgedeelte 75 30 gevormd op de bodemplaat J0 langs de achterwand 69 en zijn uit stekende stapgedeelten 76 en 77 gevormd bij hoekdelen tussen de achterwand 69 en de zijwanden 67 en 68. Uitsteeksels 78 en 79 voor plaatsing zijn respectievelijk aangebracht op de uitstekende stapgedeelten 76 en 77· 35 Het rotatietransmissiemechanisme 65 bestaat * 880207(1 - 17 - uit de tandwielconstructie 66 en een tussenliggend tandwiel 80 met een kleine diameter, dat samenwerkt met bovengenoemde tandwielconstructie 66. Zoals getekend in figuur 13, heeft de tandwielconstructie 66 een tandwiel 66a bij het flensgedeelte, en 5 een rolaandrijfas-insteekgedeelte 66c met een centraal uitste kend deel 66b. De tandwielconstructie 66 is aangebracht op een roteerbare wijze tegenover een gat 81 bij het ondervlak van de onderhelft 62. De tandwielconstructie 66 wordt in een vooraf bepaalde stand gehouden in een toestand waar de tandwielconstruc-10 tie 66 vrij is over een bepaalde mate te bewegen, door een ge- ' bogen wand 82 en een arm, welke hierna zullen worden beschreven, aangebracht op de onderhelft 62.
Een ringvormige houder 83 is aangebracht over de omtrek van het centrale uitstekende deel 66b van de tandwiel-15 constructie 66 op een roteerbare wijze. Het tussengelegen tandwiel 80 is aangebracht op een as 81» bij het topeinde van een armge-deelte 83a van de houder 83. Topeinden van een roterende arm 85 en een schuifarm 86 zijn met elkaar verbonden. De roterende arm 86 strekt zich uit in een toestand ingebracht binnen een groef 20 70a aangebracht op het bovenvlak van de bodemplaat 70, en een basisgedeelte daarvan past en is bevestigd aan de buitenomtrek van het cilindrische orgaan 73- Een ringvormig vasthoudorgaan yl» is bevestigd op de bodemplaat 70 in een toestand waarbij de bovengenoemde groef 70a wordt bedekt. Het cilindrische orgaan 25 73 wordt gepast in een gat 70b van de bodemplaat 70 en een mid- dengat van het ringvormige vasthoudorgaan 7^ in een roteerbare wijze, en de roterende arm 85 kan als geheel roteren met het cilindrische orgaan 73.
De schuifarm 86 is verbonden met een arm 88, 30 welke axiaal wordt gedragen door een uitstekende balk op de onderhelft 62 bij een basisdeelzijde daarvan, op een vrij schuifbare wijze. Tengevolge van deze constructie is de tandwielconstructie 66 in staat iets achterwaarts en voorwaarts en naar rechts en links te bewegen, voor het begeleiden van de ro-35 tatie van de arm 85 en het schuiven van de arm 86. Aangezien . 8802070 - 18 - het tussengelegen tandwiel 80 wordt gedragen aan het topeinde van het armgedeelte 83a van de ringvormige houder 83 en het topeinde van de roterende arm 85, varieert de afstand vanaf het gat T3 en de afstand vanaf het midden van de tandwielcon-5 structie 66 met betrekking tot het tussengelegen tandwiel 80 niet en deze afstanden worden op constante waarden gehouden, onafhankelijk van de beweging in de positie van de tandwielcon-structie 66. Zelfs wanneer dus de positie van de tandwielcon-structie 66 zich wijzigt, blijft het tussenliggende tandwiel 80 10 in een toestand voor samenwerking met het tandwiel 66a op een normale wijze. Buitendien neemt het tussengelegen tandwiel 80 een positie aan, waar het mogelijk is samen te werken met tanden 2Ja aangebracht op de bandcassette 10, die is opgenomen binnen de bandcassette-aanpasinrichting 60.
15 Zoals in figuur 1^ op vergrote schaal is gete kend, hebben tanden 89 van het tussengelegen tandwiel 80 respectievelijk een taps gedeelte 89a bij de boveneindzijde daarvan. Zoals verderop zal worden beschreven, kunnen dus de tanden 27a in feite samenwerken met de tanden 89 van het tussengelegen 20 tandwiel 80.
Overeenkomstig als in de standaardsoort bandcassette zijn uitsnijdingen 90 en 91 voor het inbrengen van in-voerstaven en een uitsnijding 92 en dergelijke voor het inbrengen van een kaapstander respectievelijk aangebracht in de 25 vooroppervlaktezijde van de onderhelft 62.
Buitendien zijn geleidingsstaven 93 en 9^ ingebed aangebracht bij het einde van bovengenoemde uitsnijding 90 en bij het einde van de uitsnijding 92 respectievelijk in de onderhelft 62. Zoals hierna zal worden beschreven, geleiden de 30 geleidingsstaven 93 en 9^+ de magnetische band 12 zo, dat de magnetische band 12 een bandbaan 12B vormt langs het voorvlak van de bandcassette-aanpasinrichting 60.
Buitendien zijn een uitsnijding 95 voor het inbrengen van een dekselopeningshefboom, opêningen 96a en 96b 35 voor het inbrengen van plaatsingspennen, een opening 97 voor .8802070 - 19 - het inbrengen van een lichtuitzendbron voor het detecteren van het einde van de magnetische band 12, een opening 98 voor het inbrengen van een rolremvrijgeefpen en dergelijke aangebracht in de onderhelft 62.
5 Een openings- en sluitdeksel 100 is aan gebracht bij de voorvlakzijde van de bovenhelft 63. Deze openings-en sluitdeksel 100 is van een vorm identiek aan de openings-en sluitdeksel van de standaardsoortybandcassette. De bovengenoemde deksel 100 wordt gedragen bij de rechter en linker zij-10 den en wordt constant gedrukt naar een dekselsluitrichting door de werking van een veer 102 aangebracht op een as 101.
Buitendien is een bladveer 103 gemonteerd op de bovenhelft 63 voor het maken van contact met en het drukken tegen een centraal uitsteeksel 66d van de t-andwielconstructie 15 63 wanneer de bovenhelft 63 is gesloten. Een transparante plaat 10¾ is gehecht op een deel van de bovenhelft 63 tegenover het bandcassette-opneemgedeelte 61 wanneer de bovenhelft 63 is gesloten. Buitendien is een rechthoekige opening 105 voor het opnemen van de deksel 13 van de bandcassette 10 gevormd in de 20 bovenhelft 63 tussen de transparante plaat 10¾ en de openings- en sluitdeksel 100.
Hierna zal een beschrijving worden gegeven met betrekking tot de handelingen voor een geval waar de beschreven bandcassette 10 wordt gebruikt door het aanbrengen van 25 de bandcassette 10 in de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting met verwijzing naar figuren 15 tot 17.
In dit geval wordt de bandcassette 10 opgenomen binnen de bandcassette-aanpasinrichting 60 voor het vormen van de bovenbeschreven vooraf bepaalde bandbaan binnen de band-30 cassette-aanpasinrichting 60. Deze aanpasinrichting 60 voor het opnemen van de bandcassette 10 wordt aangebracht in de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting zoals het geval wanneer de standaardsoort bandcassette wordt aangebracht.
Teneinde de bandcassette 10 op te nemen binnen 35 de aanpasinrichting 60, wordt de deksel 13 van de bandcassette 10 .8802070 r - 20 - eerst geopend volgens figuur 1. Dan wordt de magnetische band 12 uitgetrokken uit de bandcassette 10 over een vooraf bepaalde lengte. In deze toestand kan de magnetische band 12 worden uitgetrokken vanaf de opneemrol 22 door de opneemrol 22 te be-5 wegen tegen de remmende wrijvingskracht in en het is niet nodig om de toevoerrol 21 opwaarts te drukken met een vinger teneinde de remwerking vrij te geven. Buitendien is het niet nodig de deksel 13 in de open stand te houden door het gebruik van een vinger, aangezien de deksel 13 mechanisch in de open stand ’ 10 wordt gehouden. Aldus kan het uittrekken van de magnetische band 12 uit de genoemde bandcassette 10 en de opvolgende bewerking voor het inbrengen van de bandcassette 10 in de aanpas-inrichting 60 met gemak worden uitgevoerd. In de toestand waar . de magnetische band 12 wordt uitgetrokken uit de bandcassette 15 10, wordt de bandcassette opgenomen binnen het opneemgedeelté 61 in de onderhelft 62 en wordt de magnetische band 12, welke is uitgetrokken, gevoerd rond de geleidingsstaven 93 en 9^ teneinde door deze geleidingsstaven 93 en 9^ volgens figuur 10 te worden geleid. Overeenkomstig wordt de magnetische band 12 ge-20 leid volgens deze geleidingsstaven 93 en 9h en wordt de bandbaan 12B gevormd bij het doorlopen van de voorvlakken van de uitsnijdingen 90, 91 en 92, zoals in het geval van de standaardsoort bandcassette. In een geval waar de deksel 13 transparant is, is het mogelijk de positie van de magnetische band 12 te 25 zien door de deksel 13 en de bewerking voor het voeren van de • magnetische band 12 kan op een eenvoudige wijze worden uitge voerd zonder het maken van een fout.
De bovenhelft 13 wordt dan geroteerd om het scharnier 6h en gesloten. De bovenhelft 63 is verbonden met de 30 onderhelft 62 in deze toestand waarbij de bovenhelft 63 de onder helft 62 bedekt.'Een klauwgedeelte 108 (figuur 11) van de bovenhelft 63 werkt samen met een uitgesneden groef 109 van de onderhelft 62 en de bovenste en onderste helften 63 en 62 worden vergrendeld in een toestand waar geleidingsuitsteeksels 106 35 en 107 van de boven- en onderhelften 63 en 62 contact maken met .8802070 - 21 - elkaar voor het beperken van posities van de boven- en onder-helften 63 en 62. Daardoor is, zie figuur 15, de aanpasinrich-ting 60 in een toestand waarbij de bandcassette 10 is opgenomen tussen de boven- en onderhelften 63 en 62 en de magnetische 5 band 12 is uitgetrokken vanaf de bandcassette 10 en wordt geleid volgens de vooraf bepaalde bandbaan 12B.
Wanneer de bovenhelft 63 draait van een stand iets voor een eindstand naar de eindstand, worden hellende nokvlakken 110a en 110b van een arm 110 welke als geheel is 10 gevormd op de as 101, geleid door een L-vormig uitsteeksel 111 aangebracht op de onderhelft 62, zie figuur 12. Aldus is de openings- en sluitdeksel 100 een keer iets geopend zoals aangegeven met een stippellijn in figuur 12 en gescheiden van de magnetische band 12 in de bandbaan 12B, en in een eindstadium 15 sluit de openings- en sluitdeksel 100 voor het bedekken van het voorvlak van de aanpasinrichting 60. Wanneer daarom de bovenhelft 63 wordt gebruikt voor het bedekken van de onderhelft 62, worden geen nadelen ingevoerd aangezien de openings- en sluitdeksel 100 de magnetische band 12 in de bandbaan 12B niet treft om de 20 magnetische band 12 ongewenst te buigen. Verder kan de grendel tussen de boven- en onderhelften 63 en 62 worden opgeheven door het drukken op een uitsteeksel 112.
Hierna zal een beschrijving worden gegeven met betrekking tot de werking van elk deel wanneer de bandcas-25 sette 10 is opgenomen binnen het opneemgedeelte 61 van de aanpasinrichting 60.
De bandcassette 10 wordt neerwaarts gedrukt naar een stand waar de bandcassette 10 contact maakt met de bodemplaat 70 gekeerd in een vooraf bepaalde richting, in een 30 toestand waarbij de groeven 52 en 53 op de bandcassette 10 passen over de uitstekende ribben 71a en 71b van de bandcassette-aanpasinrichting 60. Aldus maken het verdiepte stapgedeelte 55 bij de bodemzijde en de verdiepte stapgedeelten 57 en 58 van de bandcassette 10 respectievelijk contact met het lange en smal-35 le uitstekende stapgedeelte 75 en de uitstekende stapgedeelten .8802070 - 22 - 76 en 77 aanwezig op de bodemplaat 70 van de aanpasinrichting 60 en de bandcassette 10 wordt overeenkomstig geplaatst met betrekking tot de richting van zijn hoogte. Buitendien passen het gat 1*2 en een langsgat 1*3 aangebracht in de onderhelft 15 van 5 de bandcassette 10 respectievelijk over de uitsteeksels 78 en 79· Verder past, zoals op vergrote schaal in figuur 16 is getekend, het kolomgedeelte 38b van de schroef 38 in het gat 73a. ;
Overeenkomstig wordt de bandcassette 10 nauwkeurig geplaatst aangezien de bandcassette 10 wordt begrensd in zijn stand bij 10 drie posities. Aangezien verder het kolomdeel 38b aangebracht bij de centrale stand van de opneemrol 22 past in het gat 73a, wordt de opneemrol 22 geplaatst op een vooraf bepaalde plaats met betrekking tot het rotatietransmissiemechanisme 65 met grote nauwkeurigheid en de opneemrol 22 kan samenwerken met het 15 rotatietransmissiemechanisme 65 op een nauwkeurige wijze. Ten gevolge van de functie van het tapse deel 73b aangebracht bij het boveneinde van het gat 73a, kan het kolomdeel 38b van de schroef 38 soepel binnentreden in het gat 73a.
De tanden 27a van de onderflens 27, welke 20 zijn blootgesteld door het uitgesneden venster 1*1 bij de op neemrol 22, passen in de tanden 89 van het tussengelegen tandwiel 80 wanneer de bandcassette 10 neerwaarts wordt gevoerd. Aangezien de tapse delen 27b en 89a respectievelijk zijn gevormd aan de bovenste en onderste delen van de tanden 27a en 25 89 tegenover elkaar (zie figuren 7 en 1U) passen de tanden 27a soepel in de tanden 89 door het geleiden met behulp van de tapse delen 27b en 89a, onafhankelijk van enige rotatiestand van de opneemrol 22 en het tussengelegen tandwiel 80.
De pen 78 passeert door het gat 1*2 voor het 30 drukken van het samenwerkingsdeel l*5c. Aldus drukt de pen 78 zoals gestippeld is aangegeven in figuur 8, het remorgaan 1*5 naar de opwaartse richting tegen de kracht in, uitgeoefend door de spoelveer 1*7, dat wil zeggen naar de axiale richting van de opneemrol 22. Aldus komt het remschoengedeelte U5b vrij van de 35 onderflens 27 en wordt de opneemrol 22 vrijgJfeven wat betreft de .8802070 - 23 - renwerking. ;
Wanneer een poging wordt ondernomen voor het foutief plaatsen van de bandcassette 10 met de dekselzijde en de achterzijde gekeerd in de verkeerde richting, zijn de groe-5 ven 52 en 53 niet wederzijds tegenover de uitstekende ribben 71a en 71b. Aldus treffen de rechter en linker eindzijden van het boderavlak van de cassette 10 de uitstekende ribben 71b en 71a en kan de bandcassette 10 niet worden opgenomen binnen het op-neemgedeelte 61. Dit betekent, dat de bandcassette 10 wordt 10 verhinderd om te worden opgenomen in een toestand gekeerd in de verkeerde richting.
Wanneer de bovenhelft 63 wordt geplaatst op de bovenzijde van de onderhelft 62 voor het bedekken van de onder-helft 62, wordt het bovenvlak van de bandcassette 10 gedrukt 15 door de transparante plaat 10if, zie figuur 13. Aldus wordt de bandcassette 10 opgenomen binnen het opneemgedeelte 61 en begrenst tegen bewegen daarvan af. De deksel 13, welke in een horizontale toestand is, treedt binnen in de opening 105. Overeenkomstig wordt het bovenvlak van de bandeassette-aanpasin-20 richting 60 bedekt door de deksel 13, welke treedt in de opening 105 en een enkel vlak wordt verkregen over het gehele bovenvlak van de aanpasinrichting 60. Daarom kan de genoemde bandcassette-aanpasinrichting 60 ook worden toegepast met betrekking tot een reproduceerinrichting voorzien van een automatisch invoermecha-25 nisme voor een bandcassette zonder de werking te storen. Verder werkt de bladveer 103 samen met het uitsteeksel 66d van de tand-wielconstructie 66 om de tandwielconstructie 66 neerwaarts te drukken tegen de onderhelft 62.
Door het uitvoeren van de bovenbeschreven han-30 delingen kan de bandcassette 10 worden opgenomen binnen de aan- pasinrichting 60 zoals getekend in figuur 15.
Zoals getekend in figuur 17, wordt de band-cassette-aanpasinrichting 60 met opgenomen de bandcassette 10 daarin, aangebracht in een standaardsoort registreer- en/of re-35 produceerinrichting 120, evenals in het geval waar de standaard- .. 88 02070 3 -2)+- soort tiandcassette wordt geplaatst.
Dit betekent dat door het laden van de band-cassette-aanpasinrichting 60, een toevoerrolaandrijfas 121 wordt ingebracht in het rolaandrijfas-inbrengdeel 25a van de 5 toevoerrol 21 van de bandcassette 10. Anderzijds wordt een op neemrolaandrijfas 122 ingebracht in het inbrenggedeelte 66c van de tandwielconstructie 66 binnen de aanpasinrichting 6θ. Buitendien treden aanbrengstaven 123 en 12¾ en een kaapstander 125 respectievelijk in de uitsnijdingen 90, 91 en 92 achter de 10 bandbaan 12B teneinde te liggen tegenover de binnenzijde van de bandbaan 12B. Buitendien wordt in de bovengenoemde geladen toestand de toevoerrol 21 opwaarts gedrukt zoals in figuur 3.
Aldus scheiden de tanden 2l+b van de tanden 3¾ en wordt de toevoerrol 21 vrij roteerbaar. De opneemrol 22 is vrijgegeven wat 15 betreft de remwerking in een toestand vaar de bandcassette 10 is opgenomen binnen de aanpasinrichting 60 en is reeds in een vrij roteerbare toestand.
Wanneer de opneemrolaandrijfas 122 treedt in de tandwielconstructie 66, wordt de tandwielconstructie 66 20 iets achter en voorwaarts en naar rechts en links verplaatst om op een lijn te komen met de opneemrolaandrijfas 122. Zelfs in een geval dat de tandwielconstructie 66 wordt verplaatst, variëren de afstand tussen de tandwielconstructie 66 van het rotatie-transmissiemechanisme 65 en het tussengelegen tandwiel 80 en de 25 afstand tussen het tussengelegen tandwiel 80 en de opneemrol • 22 respectievelijk niet. Aldus wordt de rotatie van de tandwielconstructie 66 soepel overgedragen aan de opneemrol 22.
Bij een werking voor het aanbrengen van een band worden bovengenoemde toevoerstaven 123 en 12¾ gebruikt en 30 zij verken samen met de magnetische band 12, waarna de magneti sche band 12 wordt uitgetrokken uit de cassette wanneer de toevoerstaven 123 en 12¾ bewegen van de uitsnijdingen 90 en 91 af en bereiken standen aangegeven met de getrokken lijnen in figuur 17. Aldus maakt de magnetische band 12 welke is getrokken buiten 35 de aanpasinrichting' 60, contact met een volle-breedte-uitwiskop • 88 02 07 0 - 25 - 126 en contact met een geleidingstrommel 127 voorzien van roterende videokoppen over een vooraf bepaald hoekgebied. De magnetische band 12 maakt verder contact met een audioregelkop 128, Daarom is de bovengenoemde magnetische band 12 aangebracht 5 volgens een vooraf bepaalde bandloopbaan.
Gedurende het registreren en reproduceren wordt de magnetische band 12 gedreven in een toestand geklemd tussen de kaapstander 125 en een klemrol 129· Buitendien wordt de tandwielconstructie 66 binnen de aanpasinrichting 60 gero-10 teerd met een uurwerk mee door de opneemrolaandrijfas 122,
Deze rotatie van de tandwielconstructie 66 wordt overgedragen naar de opneemrol 22 via het tussenliggende tandwiel 180, voor het aandrijven van de magnetische band 12 naar de bandopneem-richting. Overeenkomstig wordt de magnetische band 12 gevoerd 15 naar buiten door de kaapstander 125» opgenomen door de opneem rol 22. De magnetische band 12 wordt geleid door de geleidings-staaf 9it binnen de aanpasinrichting 60.
In deze toestand wordt het tussengelegen tandwiel 80 niet gedrukt tegen de tandwielconstructie 66 en 20 de opneemrol 22 door de werking van de veer en dergelijke en is de belasting op de rotatietransmissie tussen de tandwielen klein. Wanneer aldus de opneemrolaandrijfas 122 roteert, is het koppelverlies ingevoerd tijdens de rotatie, verminderd.
De rotatie van de opneemrolaandrijfas wordt aldus overgedragen 25 naar de opneemrol 22 en deze opneemrol 22 roteert met een vol- doende koppel om de magnetische band 12 op te nemen. Zoals boven is beschreven, is het rotatietransmissiemechanisme 65 geconstrueerd voor het overdragen van rotatie door het verminderen van het koppelverlies. Zelfs in een toestand waar de bandcas-30 sette 10 is opgenomen binnen de aanpasinrichting 60 en deze aan pasinrichting 6θ is geladen in de standaardsoort registreer-en/of reproduceerinrichting, kan dus de opneemrol 22 van de band-cassette 10 roteren op een normale wijze.
Zoals aangegeven in figuur 10, is een foutief 35 uitwissen voorkomende hefboom 115 gemonteerd binnen een ruimte .8802070 - 26 - 62a bij het achtervlak van het de bandcassette-opnemende deel 61 van de onderhelft 62. Deze hefboom 115 wordt axiaal gedragen door een uitstekende pen 116 en wordt gedwongen te roteren volgens de wijzers van een uurwerk door een spoelveer 117- Een 5 lip 115a welke neerwaarts is gebogen gekeerd naar het achtervlak van de aanpasinrichting 6θ, en een detectie-uitsteeksel 115b gekeerd naar de binnenzijde van het opnemende deel 61, zijn respectievelijk aangebracht aan het topeinde van de hefboom 115· De lip 115a treedt binnen in een indeuking 62b van de onderhelft 10 62 en is blootgesteld op een plaats aan de achterzijde van de aanpasinrichting 60 overeenkomend met de positie van een foutief uitwissen voorkomende lip van de standaardsoort bandcassette.
Het detectie-uitsteeksel 115b passeert door een opening 118 aangebracht in de achterwand 69 van de bandcassette-aanpasin-15 richting 60 en steekt uit binnen het opnemende deel 61. Aldus is het detectie-uitsteeksel 115b in een positie tegenover een foutief uitwissen voorkomende lip 59 van de bandcassette 10 die is opgenomen binnen het opnemende deel 6l. Het topeinde van het detectie-uitsteeksel 115b is gevormd als een hellend oppervlak 20 115c dat neerwaarts helt. Wanneer dus de bandcassette 10 neer waarts wordt bewogen om te worden opgenomen binnen het opnemende deel 61, drukt de bodemzijde van de bandcassette 10 het detectie-uitsteeksel 115b zo, dat het detectie-uitsteeksel 115b teruggaat naar de ruimte 62a.
25 In figuur 10 wordt in een geval waar de band cassette 10 met nog de lip 59 wordt opgenomen binnen de aanpas-inrichting 60, het detectie-uitsteeksel 115b van de hefboom 115 gedrukt door de lip 59· Aldus roteert de hefboom 115 tegen een uurwerk in zoals aangegeven met de stippellijn in figuur 10, 30 tegen de kracht uitgeoefend door de veer 117· Zoals aangegeven met de stippellijn in figuur 10, beweegt de lip 115a zo, dat deze beweegt van de indeuking 62b af voor het bereiken van het ingangsgedeelte van de indeuking 62b. Aldus steekt de lip 115a niet uit vanaf het achtervlak van de aanpasinrichting 60 en 35 ligt in hetzelfde vlak als het achtervlak van de aanpasinrich- -8802070 - 27 - ting 6θ om te verken op een overeenkomende wijze als de foutief uitwissen voorkomende lip van de standaardsoort bandcassette. Dit betekent dat wanneer de aanpasinrichting 60 in deze toestand wordt geplaatst in de standaardsoort registreer- en/of repro-5 duceerinrichting» de lip T15a een detectiepen drukt welke is aan-' gebracht op de inrichtingszijde, en de inrichting kan worden ingesteld in een reproduceerwij ze of een registreerwijze. Het is daarom mogelijk op de magnetische band 12 van de miniatuur-soort bandcassette 10 te registreren door het gebruik van de 10 standaards-ort registreer- en/of reproduceerinrichting.
Wanneer anderzijds de bandcassette 10 met weggebroken of verwijderde lip 59 wordt opgenomen binnen de bandcassette-aanpasinrichting 60, treedt het detectie-uitsteek-sel 115b binnen in een indeuking welke is gevormd tengevolge van 15 de verwijdering van de lip 59· Aldus roteert de hefboom 115 niet en blijft in de oorspronkelijke toestand en de lip 115a wordt geplaatst bij het binnenste deel van de indeuking 62b. De indeuking 62b is daarom gevormd op het achtervlak van de aanpasinrichting 6θ en deze aanpasinrichting 60 krijgt een vorm iden-20 tiek aan die van de standaardsoort bandcassette, waarvan de lip is verwijderd. Wanneer de bandcassette-aanpasinrichting 6o in deze toestand wordt geplaatst in de standaardsoort registreer-en/of reproduceerinrichting, treedt de detectiepen aangebracht op de inrichtingzijde, binnen in de indeuking 62b aan het ach-25 tervlak van de aanpasinrichting 60. Aldus kan de inrichting niet in een registreerwerkwijze worden gebracht en alleen in een reproduceerwerkwijze. Het is dus mogelijk een ongeluk te voorkomen, waarbij de geregistreerde inhoud op de magnetische band 12 binnen de bandcassette 10 per ongeluk wordt uitgewist.
30 Hierna zal een beschrijving worden gegeven met betrekking tot een geval waarbij de bandcassette 10 wordt gebruikt door de bandcassette 10 te plaatsen in een compacte soort registreer- en/of reproduceerinrichting, onder verwijzing naar figuren 18 tot 20.
35 Figuur 18 toont een compacte soort registreer- . 8802070 ? - 28 - en/of reproduceerinrichting 1U0. Deze compacte soort registreer-en/of reproduceerinrichting iko is van een kleinere maat, dat wil zeggen dat de breedte en de diepte van de compacte soort registreer- en/of reproduceerinrichting 11+0 kleiner zijn dan 5 die van de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrich ting 120.
Een toevoerrolaandrijfas 1 Ui is aangebracht bij een cassette-opneemdeel van de bovengenoemde compacte soort registreer- en/of reproduceerinrichting 1k0, terwijl echter een 10 opneemrolaandrijfas niet is aangebracht. Zoals getekend in figuren 19 en 20, wordt de bandcassette 10 aangebracht binnen een cassettehuis lk2 met een opwipmechanisme, door de bandcassette 10 in te brengen vanaf de zijde van de deksel 13 volgens de richting van een pijl A, in een vooraf bepaalde positie 15 waar het einde van het verdiepte stapgedeelte 5^ samenwerkt met een uitsteeksel lk3a van een bodemplaat 1^3. De bandcassette 10 is aldus aangebracht in het opneemgedeelte door neerwaarts te zijn bewogen samen met het cassettehuis 1k2. In een geval waar de bandcassette 10 foutief wordt ingebracht in het cassette-20 huis Ik2 vanaf de achterzijde van de bandcassette 10, wordt het inbrengen van de bandcassette verhinderd bij een halfwegstand waar het einde van het verdiepte stapgedeelte 55 treft tegen het uitsteeksel Tk3a. Aldus kan op dit punt worden begrepen, dat de bandcassette 10 werd ingebracht gekeerd in de verkeerde rich-25 ting.
De rechter en linkerzijdelen bij het bovenvlak van de bandcassette 10 worden gedrukt door drukdelen iHlia van een paar drukhefbomen lUk binnen het cassettehuis 1h2 en de bandcassette wordt aldus gedrukt tegen de bodemplaat 1^3. De 30 drukhefbomen tUk worden axiaal gedragen door een as 1^5 respec tievelijk en gedrukt om te roteren tegen een uurwerk in door de kracht uitgeoefend door een spoelveer 1^6.
Wanneer het cassettehuis 1k2 neerwaarts wordt gedrukt, wordt de bandcassette 10 overeenkomstig neerwaarts 35 bewogen en de bandcassette 10 wordt geplaatst binnen het opneem- .8802070 - 29 - gedeelte in een toestand waarbij het centrale deel van de toevoerrol 21 wordt ingestoken met de toevoerrolaandrijfas 1U1. Buitendien werken de verdiepte stapgedeelten 57 en 58 aangebracht bij het bodemoppervlak van de bandcassette 10 respec-5 tievelijk met uitstekende stapgedeelten (niet getekend) aan gebracht bij het opneemgedeelte. Verder wordt de bandcassette 10 geplaatst door het passen van het gat b2 en het langsgat U3 over plaatsingspennen 1^7 en 1U8 aangebracht binnen de inrichting.
10 Gedurende het aanbrengen van de bandcassette 10 treden een toevoerstaaf 151 en een spanningsstaaf 152 relatief binnen een uitsnijding 150, terwijl een toevoerstaaf 15^ en een kaapstander 156 respectievelijk en relatief treden in uitsnijdingen 153 en 155· De deksel 13 maakt verder contact met 15 een dekselopeningsuitsteeksel (niet getekend) aangebracht in de inrichting en is relatief geopend. Buitendien werkt een tandwiel 158 dat een rotatietransmissiemechanisme 157 vormt op de registreer- en/of reproduceerinrichting, sarien met de tanden op de buitenomtrek van de onderflens van de opneemrol 22.
20 In de bovengenoemde geladen toestand wordt de toevoerrol 21 opwaarts gedrukt zoals getekend in figuur 3. Aldus wordt de toevoerrol 21 vrij roteerbaar wanneer deze voor rotatie wordt aangedreven bij het middengedeelte daarvan. Buitendien wordt het remorgaan k5 opwaarts gedrukt door de pen 25 iVr zie figuur 8 en wordt de opneemrol 22 ook vrij roteerbaar.
Wanneer de werkingswijze van de registreer-en/of reproduceerinrichting 11*0 wordt ingesteld op een afspeel-werkwijze, onderscheppen de bovengenoemde staven 151, 152 en 15^ de magnetische band 12 en werken daarmee samen voor het uit-30 trekken van de magnetische band 12 en bewegen respectievelijk naar standen aangegeven met getrokken lijnen in figuur 18.
Aldus wordt de magnetische band 12 uitgetrokken uit de bandcassette 10 om contact te maken met een volle-breedte-uitwiskop 159. De magnetische band 12 maakt verder contact met een gelei-35 dingstrommel 160 voorzien van roterende videokoppen over een .8802070 - 30 - vooraf bepaald hoekgebied en maakt ook contact met een audio-en regelkop 161. Aldus is de magnetische band 12 geplaatst volgens een vooraf bepaalde bandloopbaan. Gedurende registreren en reproduceren wordt de magnetische band aangedreven in een toe-5 stand geklemd tussen de kaapstander 156 en een klemrol 162.
Bovendien werkt het tandwiel 158, dat wordt geroteerd door een rolaandrijfmotor (niet getekend), samen met de tanden 2Ja van de opneemrol 22 en deze opneemrol 22 wordt dus aangedreven naar de bandopneemrichting.
10 De volle-breedte-uitwiskop 159» de audioregel- kop 161 en de geleidingstrommel I60 zijn geconstrueerd onder praktisch dezelfde standaard als de overeenkomende koppen 126 en 128 en de geleidingstrommel 127 van de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting 120. Aldus wordt een signaal 15 geregistreerd op en gereproduceerd vanaf de magnetische band 12 met een bandpatroon en formaat identiek aan die verkregen door de standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting.
Wanneer een uitwerpknop (niet getekend) wordt ingedrukt, stijgt het cassettehuis 1^2 en wordt de bandcassette 20 10 uitgedrukt door het cassettehuis 1*t2 tengevolge van de wer king van een veer (niet getekend). In een geval dat de bandcassette 10 naar buiten wordt gedrukt naar rechts in figuur 19, treft de zijrand 13c van het zijflensgedeelte 13a van de deksel 13s welke in een open toestand is, het drukgedeelte lHl*a van 25 de drukhefboom 1kk. Aldus wordt de deksel 13 aangelegd met een kracht werkend naar een dekselsluitingsrichting en de deksel 13 sluit tegen de kracht in, uitgeoefend door de U-vormige blad-veer 17· De bandcassette 10 wordt aldus verkregen uit het cassettehuis 1^2 in een toestand waarbij de deksel 13 is gesloten.
30 Hierna zal een beschrijving worden gegeven van een ander voorbeeld van een bandcassette-aanpasinrichting door verwijzing naar figuren 21 tot 23. In figuren 21 tot 23 zijn de delen welke dezelfde zijn als die van figuren 9 en 10, aangegeven met overeenkomende verwijzingscijfers, en hun be-35 schrijving zal hier worden weggelaten.
.8802070 - 31 -
Een bandcassette-aanpasinrichting 170 is uitgevoerd voor het Verbeteren van de hanteringseigenschappen van de bandcassette-aanpasinrichting. Dit betekent, dat de aan-pasinrichting 170 in staat is automatisch de werkingen uit te 5 voeren van het uittrekken van de magnetische band 12 uit de bandcassette 10 en de magnetische band 12 binnen de bandcassette 10 op te nemen binnen de aanpasinriehting 170.
De bandcassette 10 wordt opgenomen binnen een opneemgedeelte 172 van een onderhelft 171 van de aanpasinrich-10 ting 170, in een toestand waarbij de magnetische band 12 niet is uitgetrokken uit de bandcassette 10. Door het opnemen van de bandcassette 10 binnen het opneemgedeelte 172, worden geleidings-rollen 173 en 17b relatief ingebracht in de uitsnijdingen 150 en 155 van de bandcassette 10 respectievelijk. Nadat de band-15 cassette 10 is opgenomen binnen het opneemgedeelte 172, wordt de onderhelft 171 van de aanpasinriehting 170 gesloten door een bovenhelft 175·
In de bovengenoemde toestand wordt een deksel 176 bij de achterzijde van de aanpasinriehting 170 geopend 20 en een bedieningshefboom 177 binnen de aanpasinriehting 170 wordt bediend voor het sluiten van de deksel 176. Door het uitvoeren van deze reeks van handelingen wordt de magnetische band 12 getrokken uit de bandcassette 10 voor het vormen van een vooraf bepaalde bandbaan binnen de aanpasinriehting 170 zoals 25 hierna wordt beschreven.
Dit betekent wanneer de deksel 176 wordt geopend door het roteren van de deksel 176 om een as 178 over een hoek van ongeveer negentig graden, dat een hefboom 179 schuift volgens de richting van een pijl Y1. -Buitendien roteert een 30 L-vormige hefboom 180 volgens de wijzers van een uurwerk om een pen 181 en beweegt een hefboom 182 volgens de richting van de pijl X1. Het topeinde van de hefboom 182 is verbonden met een arm 183 welke is bevestigd aan de as 101 voor het openings- en sluitingsdeksel 100. Door de bovengenoemde beweging van de hef-35 boom 182, gaat de deksel 100 open overeenkomstig figuur 23.
c 8802070 -32-
In genoemde toestand roteert de hefboom 177 met een uurwerk mee om een as 18*+ naar een stand volgens getrokken lijnen in figuur 21, vanaf een stand met stippellijnen in figuur 21. Door deze rotatie van de hefboom 177, beweegt een 5 verbindingsdeel 185 volgens de richting van de pijl Y1 en roteert' een draaihefboom 186 om een as 187 volgens de wijzers van een uurwerk. Wanneer de rotatiehefboom 186 roteert, roteert een eerste aanbrengarm 188 volgens de richting tegen een uurwerk in om een as 189 naar een stand volgens getrokken lijnen in figuur 10 21. Buitendien beweegt de verbinding§inrichting 185 volgens de pijl Y1 tengevolge van rotatie van de hefboom 177 met een uurwerk mee. Aldus roteert een L-vormige rotatiehefboom I90 met een uurwerk mee om een as 191» beweegt een verbindingsinrichting 192 volgens een pijl X2 en roteert een tandwiel 193 als geheel met 15 een hefboom 19U met een uurwerk mee. Door genoemde rotatie van het tandwiel 193 wordt een tandwiel 196 met een uurwerk mee geroteerd via een tijdband 195 en roteert een tweede aanbrengarm 197 als een geheel met het tandwiel 196 met een uurwerk mee.
Wanneer de eerste en tweede aanbrengarmen 188 20 en 197 roteren als bovenbeschreven, werken de geleidingsrollen 173 en 17^ samen met de magnetische band 12 om deze magnetische band 12 te trekken uit de bandcassette 10. In een eindtrap bereiken de geleidingsrollen 173 en 17^ respectievelijk standen overeenkomend met de standen van de geleidingsrollen 93 en 9^ 25 van de bandcassette-aanbrenginrichting 60 van figuur 10. Over eenkomstig wordt de magnetische band 12 getrokken van de opneem-rol 22 en vormt een bandbaan binnen de aanpasinrichting 170 welke overeenkomt met de bandbaan 12B aangegeven met een stippellijn in figuur 10. Daarom vormt de magnetische band 12 binnen 30 de bandcassette 10 de bovengenoemde bandbaan zonder met de hand de magnetische band 12 te bedienen en dit is geschikt ter bescherming van de magnetische band.
Nadat de bovenbeschreven handelingen zijn uitgevoerd, wordt de deksel 176 gesloten overeenkomstig figuur 35 21 door de deksel 176 met een uurwerk mee te roteren. Wanneer de .8802070 - 33 - deksel 176 is gesloten, beweegt de deksel 182 volgens de richting van de pijl X2 voor het sluiten van de deksel 100. De deksel 176 wordt vergrendeld in een gesloten stand en de bedienings-hefboom 177 wordt aangelegd met een kracht werkend tegen een 5 uurwerk in wanneer de aanpasinrichting 170 wordt gebruikt. Even wel wordt de hefboom 177 door het achtervlak van de deksel 176 vastgehouden en bij de bedieningsstand met een uurwerk mee geroteerd.
Verder kan toegang tot de hefboom 177 slechts 10 worden verkregen wanneer de deksel 176 open is. Aldus wordt de hefboom 177 steeds bediend in een toestand waarbij de deksel 176 open is. Wanneer buitendien de deksel 176 wordt geopend, wordt de deksel 100 van de aanpasinrichting 170 geopend en kan de geleidingsrol 17^ de bedieningsstand bereiken zonder tegen 15 de deksel 100 te treffen.
Wanneer verder de verbindingsinrichting 185 beweegt volgens de richting van de pijl Y1 tengevolge van de rötatiebeweging van de genoemde hefboom 177, roteert een vast-houdhefboom 20k met een uurwerk mee om een as 205* Aldus steekt 20 de vasthoudhefboom 20h uit in het opneemgedeelte 172 om het verdiepte stapgedeelte 56 aangebracht op het bovenoppervlak van de bandcassette 10 vast te houden en om de bandcassette 10 binnen het opneemgedeelte 172 vast te houden. Aldus wordt voorkomen dat de bandcassette 10 per ongeluk wordt uitgenomen uit 25 het opneemgedeelte 172 in een toestand waarbij de magnetische band 12 is uitgetrokken uit de bandcassette 10. Buitendien komt in het geval van de andere bandcassette 10a de vasthoudhefboom 205 binnen de indeuking 56a en de bandcassette 10a wordt overeenkomstig verhinderd om te worden uitgenomen uit het opneemge-30 deelte 172 in de bovengenoemde toestand waarbij de magnetische band is uitgetrokken uit de bandcassette 10a.
Verder treft de bandcassette 10 (10a) onafhankelijk van het feit of de bandcassette 10 (10a) is opgenomen binnen het opneemgedeelte 172, wanneer een poging wordt onder-35 nomen om de bandcassette 10 (10a) op te nemen binnen het opneem- . 8802070 -3^- gedeelte 172 van de aanpasinrichting 170 in een toestand waar de geleidingsrollen 173 en 17^ foutief zijn geplaatst in de standen aangegeven door de getrokken lijnen in figuur 21 voor het voltooien van de werking van het uittrekken van de magne-5 tische hand 12, de vasthoudhefboom 205. Daardoor wordt de hand- cassette 10 (10a) gestopt door de vasthoudhefboom 205 en niet opgenomen binnen het opneemgedeelte 172, en de bandcassette 10 (10a) wordt aldus verhinderd om foutief te worden ingebracht in de bandcasSette-aanpasinrichting 170.
10 Wanneer de bandcassette 10 (10a) wordt uitge nomen uit het opneemgedeelte 172 in een toestand waarbij de magnetische band 12 is uitgetrokken uit de bandcassette 10 (10a), of wanneer de bandcassette 10 (10a) is opgenomen in het opneemgedeelte 172 in een toestand waarbij de geleidingsrollen 173 15 en 17¾ zijn in de standen voor het voltooien van de werking van het uittrekken van de magnetische band 12, kan de magnetische band 12 ernstig worden beschadigd. Bij de onderhavige uitvoering van de uitvinding kan de bandcassette 10 (10a) echter slechts worden uitgenomen uit of opgenomen in het opneemgedeelte 172 20 wanneer de vasthoudhefboom 205 is in een toestand teruggetrok ken van de bandcassette. Dit betekent dat de bovengenoemde inbreng- of opneemwerking met betrekking tot de bandcassette 10 (10a) slechts kan worden uitgevoerd wanneer de geleidingsrollen 173 en 17^ in de oorspronkelijke standen zijn ter voorkoming 25 van een ongeluk waarbij de magnetische band 12 wordt beschadigd.
In het bijzonder omdat buitendien de bandcassette 10 (10a) is voorzien van het verdiepte stapgedeelte 56 (indeuking 56a), kan de vasthoudhefboom 205 de bandcassette 10 (10a) vasthouden zonder uit te steken uit het bovenvlak van de bandcassette 10 30 (10a). Dit betekent dat de vasthoudwerking ter voorkoming dat de bandcassette 10 (10a) wordt bewogen en wordt uitgenomen, wordt uitgevoerd binnen het gebied van de hoogte van de bandcassette zelf. Daarom is de bovenbeschreven constructie geschikt voor de onderhavige uitvoering van de uitvinding waarbij de bandcassette 35 10 (10a) een hoogte heeft praktisch gelijk aan die van de band- .8802070 - 35 - cassette-aanbrenginrichting voor het opnemen binnen de aanpas-inrichting welke in de hoogte is beperkt.
De bandcassette-aanpasinrichting ITO voor het opnemen van de bandcassette 10, wordt aangebracht in de standaard-5 soort registreer- en/of reproduceerinrichting 120 volgens figuur 17 zoals het geval bij de bovenbeschreven aanpasinrich-ting 60. Aldus wordt de registreer- en/of reproduceerwerking uitgevoerd op een overeenkomende wijze als bovenbeschreven.
Wanneer de bandcassette 10 wordt uitgenomen uit 10 de aanpasinrichting 170, wordt de deksel 176 geopend en wordt de hefboom 177 gedraaid tegen een uurwerk in naar de oorspronkelijke positie aangegeven door de stippellijn in figuur 21. Door de hefboom 177 op deze wijze te roteren, roteren de aanbrengarmen 188 en 197 respectievelijk met een uurwerk mee en tegen een uur-15 werk in naar de oorspronkelijke standen en keren de geleidings- rollen 173 en 17^ terug en treden binnen de uitsnijdingen 150 en 155·
Door het bedienen van de hefboom 177 op de bovenbeschreven wijze wordt de rotatie van een tandwiel 200, dat 20 als een geheel is gevormd met de hefboom 177, overgedragen naar een tandconstructie 202 via een tandwielmechanisme 201. Verder wordt de rotatie van het tandwiel 200 buitendien overgedragen aan de opneemrol 22 binnen de bandcassette 10 via een tandwiel 203· Overeenkomstig roteert de opneemrol 22 met een uurwerk mee 25 voor het opnemen van de magnetische band 12, getrokken buiten de bandcassette 10. Aldus wordt de magnetische band 12, uitge-* trokken uit de bandcassette 10, volledig opgewikkeld en opgeno men binnen de bandcassette 10 tengevolge van de bediening van de bedieningshefboom 177· Het is daarom niet nodig een bewerking 30 speciaal uit te voeren voor het opwinden van de magnetische band nadat de hefboom 177 is bediend en de bandcassette 10 kan onmiddellijk worden uitgenomen uit het opneemgedeelte 172.
De tandwielconstructie 202 en het tandwiel 203 komen ruwweg overeen met de tandwielconstructie 66 en het tussen-35 gelegen tandwiel 80 respectievelijk, aangegeven in figuur 10.
.8802070 -'36 -
Buitendien is een éénrichtingskoppeling gemonteerd binnen het tandwielmeehanisme 201 en de bovengenoemde rotatiebediening van de hefboom 177 met een uurwerk mee wordt niet overgedragen aan de tandwielconstructie 202. Aldus wordt de rotatie van de tand-5 wielconstructie 202 met een uurwerk mee tengevolge van de op- neemrolaandrijfas niet overgedragen aan het tandwiel 200.
Zoals getekend in figuur 21, heeft de bovenbeschreven bandeassette-aanpasinrichting 170 een foutief uitwissen voorkomende lip 171a, welke kan worden verwijderd, in 10 een stand overeenkomend met de stand van de foutief uitwissen voorkomende lip van de standaardsoort bandcassette. Wanneer de aanpassingsinrichting 170 ontdaan van de lip 171a, wordt geplaatst in de standaardsoort registreer- en/of reproduceerin-richting, kan de inrichting niet in een registreerwerkwijze 15 worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat de geregistreerde in- houd op de magnetische band binnen de bandcassette 10 opgenomen binnen de aanpassingsinrichting 170, foutief wordt gewist.
Figuur 2k toont een andere uitvoeringsvorm van een bandcassette volgens de uitvinding. In figuur 2h zijn 20 de delen welke praktisch dezelfde zijn als de overeenkomende delen in figuren 1 en 2A tot 2D aangegeven met dezelfde verwij-zingscijfers en hun beschrijving is daarom weggelaten. Bij een bandcassette 210 is een indeuking (niet getekend), waarin de vasthoudhefboom 20k treedt, aangebracht op de achterzijde van de 25 bandcassette 20h, Verder is een transparant paneel 211 aange bracht aan het bovenvlak van de bandcassette 210, bij een deel overeenkomend met de rechter helft van de toevoerrol.
In elk van de gevallen waar de bovengenoemde bandcassette 10 onafhankelijk wordt aangebracht in de compacte 30 soort registreer- en/of reproduceerinrichting tUO of de band cassette 10 is aangebracht in de standaardsoort registreer-en/of reproduceerinrichting 120 in een toestand aangebracht binnen de aanpassingsinrichting 6ö, past de toevoerrol 21 over de toevoerrolaandrijfas 11+1 of 121 aangebracht in de registreer- en/of 35 reproduceerinrichting en de toevoerrol 21 wordt direkt aangedre- ,8802070 - 37 - ven. Aldus wordt de rotatienauwkeurigheid van de toevoerrol 21 groot en sterk nauwkeurige tandtoevoer kan worden verkregen. Aangezien buitendien de diameter d1 van de rolnaaf 25 in de toevoerrol 21 groot is, is het verschil tussen de maximum en mini-5 mumdiameters van de rol van de opgewikkelde band op de genoemde toevoerrol 21 betrekkelijk klein. Overeenkomstig is het variërende gebied van de rotatiesnelheid van de toevoerrol 21 vanaf de start tot het voltooien van registratie en reproduktie klein en is de bandloopnauwkeurigheid verbeterd.
10 Anderzijds met betrekking tot de opneemrol 22 is deze opneemrol 22 niet gepast over de opneemrolaandrijf-as in elk van de gevallen waar de bovengenoemde bandcassette 10 onafhankelijk is aangebracht in de compacte soort registreer-en/of reproduceerinrichting 1U0 of de standaardsoort registreer-15 en/of reproduceerinrichting 120 in een toestand opgenomen binnen de aanpassingsinrichting 60. Aldus kan bij een gegeven maat van de cassette een hoeveelheid te gebruiken band worden vergroot of kan de maat van het cassettehuis 11 worden verminderd bij een gegeven hoeveelheid band. De bovengenoemde opneemrol 22 20 wordt indirekt aangedreven vanaf de zijde van het cassettehuis 11 via de tandwielconstructie 66 en het tussengelegen tandwiel 80, Aangezien er echter geen strikte eisen zijn betreffende de rotatienauwkeurigheid van de opneemrol 22, worden geen nadelen veroorzaakt. Aangezien verder de opneemrol 22 roteert zonder 25 speling rond de vaste as 36, is geen extra ruimte vereist rond de rol en dit helpt bij het verminderen van de maat van de band-cassette..
Wanneer de bandcassette 10 wordt uitgenomen uit het opneemgedeelte van de compacte soort registreer- en/of re-30 produceerinrichting 1U0, bewegen de toevoerrol 21 en het rem- orgaan ^5 respectievelijk neerwaarts. Aldus worden de toevoerrol 21 en opneemrol 22 automatisch vergrendeld teneinde niet te roteren. Wanneer buitendien de bandcassette 10 wordt verwijderd uit de bandcassette-aanpassingsinrichting 60, nadat de aanpas-35 singsinrichting 60 is uitgenomen uit het opneemgedeelte van de .8802070 - 38 - standaardsoort registreer- en/of reproduceerinrichting 120 beweegt het remorgaan 1*5 overeenkomstig neerwaarts voor het vergrendelen van de opneemrol 22.
Bij elk van de bovengenoemde uitvoeringen 5 van de uitvinding kan in plaats van het aanbrengen van het tand- wielgedeelte bij de omtrekszijde van de onderflens 27 van de opneemrol 22 binnen de bandcassette 10, een rubberen rol worden gebruikt in het rotatietransmissiemechanisme binnen de aanpas-singsinrichting. In dit geval wordt rotatie overgedragen naar de 10 onderflens 27 van de opneemrol 22 binnen de bandcassette 10, door gebruik van de wrijving, daartussen ingevoerd.
Verder is de onderhavige uitvinding niet beperkt tot de aangegeven uitvoeringsvormen, zodat variaties bin-, nen het kader van de uitvinding mogelijk zijn.
15 .8802070

Claims (9)

1. Miniatuur-bandcassette omvattende een cassettehuis met afmetingen die kleiner zijn dan die van een normale bandcassette, en een band die binnen het cassettehuis is ondergebracht, welke miniatuur-bandcassette zelfstandig kan worden ingebracht in een van 5 de normale soort afwijkende soort registratie- en/of afspeelinrichting, en in de normale soort samen met een bandcassette-aanpasinrichting met uitwendige vorm en afmetingen die praktisch gelijk zijn aan die van een normale bandcassette, en wel in een toestand waarbij de miniatuur-bandcassette binnenin de bandcassette-aanpasinrichting 10 is ondergebracht en de band uit het cassettehuis naar buiten is ge trokken om een bepaalde bandbaan te vormen, met het kenmerk, dat het cassettehuis (11) is voorzien van een uitsnijding (56, 56a), in welke uitsnijding een op de aanpasinrichting (170) aangebracht beweegbaar element (204) dat in beweging is in verband met het uit-15 trekken van de band uit het cassettehuis, kan worden gestoken.
2. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de uitsnijding is een verdiept stapgedeelte (56) dat is aangebracht in de bovenzijde van het cassettehuis (11).
3. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 2, met het 20 kenmerk, dat het verdiepte stapgedeelte (56) zodanig is gevormd dat het is gericht naar de achterzijde van het cassettehuis.
4. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het verdiepte stapgedeelte (56) is aangebracht in de buurt van een middengedeelte langs een ribbe tussen de bovenzijde en 25 de achterzijde van het cassettehuis (11).
5. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 1, met het kenmerk dat de uitsnijding is een verdieping (56a) die is aangebracht in de achterzijde van het cassettehuis.
6. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 5, met het 30 kenmerk, dat de verdieping (56a) is aangebracht op een plaats nabij de bovenzijde van het cassettehuis (11). <.8802070 r . -40-
7. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat de verdieping (56a) is aangebracht in de buurt van een middengedeelte tussen de twee zijdelingse einden in de achterzijde van het cassettehuis (11).
8. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de uitsnijding (56, 56a) een half-cirkelvormige vorm heeft.
9. Miniatuur-bandcassette volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de bandcassette-aanpasinrichting (170) een uit-10 trek-mechaniek (173-197) heeft voor het uit het cassettehuis (11) trekken van de band naar de voorafbepaalde bandbaan, dat het beweegbare element een draaibare hefboom (204) is die is gekoppeld met het uittrek-mechaniek, waarbij de hefboom (204) in de uitsnijding (56, 56a) kan worden gestoken. -o-o-o-o-o-o-o-o - -8802070
NL8802070A 1981-01-20 1988-08-22 Miniatuur-bandcassette. NL191500C (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL8802070A NL191500C (nl) 1981-01-20 1988-08-22 Miniatuur-bandcassette.

Applications Claiming Priority (6)

Application Number Priority Date Filing Date Title
JP756681 1981-01-20
JP56007566A JPS57123573A (en) 1981-01-20 1981-01-20 Adapter for tape cassette
NL8200035 1982-01-07
NL8200035A NL8200035A (nl) 1981-01-20 1982-01-07 Bandcassette.
NL8802070A NL191500C (nl) 1981-01-20 1988-08-22 Miniatuur-bandcassette.
NL8802070 1988-08-22

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL8802070A true NL8802070A (nl) 1988-12-01
NL191500B NL191500B (nl) 1995-04-03
NL191500C NL191500C (nl) 1995-08-04

Family

ID=26341886

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8802070A NL191500C (nl) 1981-01-20 1988-08-22 Miniatuur-bandcassette.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL191500C (nl)

Also Published As

Publication number Publication date
NL191500C (nl) 1995-08-04
NL191500B (nl) 1995-04-03

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8200036A (nl) Bandcassette.
EP0406943B1 (en) System for recording/reproducing signals on/from magnetic tape, and apparatus and cassette for use in the system
NL8500604A (nl) Magneetbandcassette met bandbeschermingsdeksel en slotmechanisme.
KR880001975B1 (ko) 소형 테이프 카셋트
US4130848A (en) Cassette tape recording and/or reproducing apparatus
KR880001924B1 (ko) 소형 테이프 카셋트용 아답터
US4022395A (en) Tape cassette
KR100210540B1 (ko) 자기 기록 및 재생 장치
JP2686163B2 (ja) カートリッジシャッター開閉装置
NL8105293A (nl) Bandcassette.
NL8802070A (nl) Miniatuur-bandcassette.
NL8202625A (nl) Miniatuur soort bandcassette.
KR100710400B1 (ko) 테이프 카세트
US4311286A (en) Fixed reel type endless tape cassette
NL8903101A (nl) Samenstel van bandcassette en rotatie-aandrijfinrichting.
GB2116944A (en) Adapter for a miniature type tape cassette
JPS583160A (ja) 小型テ−プカセツト用アダプタ
US6869036B2 (en) Recording and/or reproducing apparatus
EP0420247A2 (en) Magnetic tape cassette
JPS626617Y2 (nl)
JPS6112626Y2 (nl)
JPH0756721B2 (ja) カセット装着装置
JPH035948A (ja) カセットローディング装置
JPH07118125B2 (ja) 磁気記録再生装置
JPH07122973B2 (ja) テ−プカセツト

Legal Events

Date Code Title Description
A1B A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
V4 Lapsed because of reaching the maximum lifetime of a patent

Free format text: 20020107