[go: up one dir, main page]

NL8105291A - Onderwaterregelklep en werkwijze voor het toepassen van een dergelijke klep. - Google Patents

Onderwaterregelklep en werkwijze voor het toepassen van een dergelijke klep. Download PDF

Info

Publication number
NL8105291A
NL8105291A NL8105291A NL8105291A NL8105291A NL 8105291 A NL8105291 A NL 8105291A NL 8105291 A NL8105291 A NL 8105291A NL 8105291 A NL8105291 A NL 8105291A NL 8105291 A NL8105291 A NL 8105291A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
valve
bore
stinger
assembly
sleeve
Prior art date
Application number
NL8105291A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Halliburton Co
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Halliburton Co filed Critical Halliburton Co
Publication of NL8105291A publication Critical patent/NL8105291A/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E21EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
    • E21BEARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
    • E21B34/00Valve arrangements for boreholes or wells
    • E21B34/06Valve arrangements for boreholes or wells in wells
    • E21B34/12Valve arrangements for boreholes or wells in wells operated by movement of casings or tubings
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E21EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
    • E21BEARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
    • E21B33/00Sealing or packing boreholes or wells
    • E21B33/10Sealing or packing boreholes or wells in the borehole
    • E21B33/12Packers; Plugs
    • E21B33/129Packers; Plugs with mechanical slips for hooking into the casing
    • E21B33/1294Packers; Plugs with mechanical slips for hooking into the casing characterised by a valve, e.g. a by-pass valve
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E21EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
    • E21BEARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
    • E21B34/00Valve arrangements for boreholes or wells
    • E21B34/06Valve arrangements for boreholes or wells in wells
    • E21B34/14Valve arrangements for boreholes or wells in wells operated by movement of tools, e.g. sleeve valves operated by pistons or wire line tools

Landscapes

  • Geology (AREA)
  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mining & Mineral Resources (AREA)
  • Environmental & Geological Engineering (AREA)
  • Fluid Mechanics (AREA)
  • Physics & Mathematics (AREA)
  • General Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Geochemistry & Mineralogy (AREA)
  • Details Of Valves (AREA)
  • Fluid-Driven Valves (AREA)
  • Magnetically Actuated Valves (AREA)
  • Mechanically-Actuated Valves (AREA)

Description

* -.-1- 0
Onderwaterregelklep en werkwijze voor liet toepassen van een dergelijke klep.
In vele gevallen is het gewenst en in feite noodzakelijk om over een inrichting te beschikken waarmee een boorgat voor aardolie gedurende de periode van het boren tijdelijk kan worden afgesloten en aan zijn lot kan worden overgela-5 ten. Deze bewerking kan op een booreiland zijn vereist wanneer er een storm op komst is, of gedurende de tijd dat een eruptie-afsluiter wordt vervangen of gerepareerd.
Een bekend mechanisme voor het afsluiten van een boorgat wordt door de onder water toegepaste regelkleo met ge 10 de naam Halliburton Services SSC Valve/vormd, die op blz.
3^85 van de Halliburton Services Sales and Service Catalog Humber I4-O is beschreven. Deze SSC klep bevat een angelsamenstel en een klepsamenstel, die aan elkaar zijn gevoegd en samen met een pakker in de verhuizing op de boortrek zijn gevoerd, waar-15 bij deze pakker uit een Halliburton Services RTTS packer kan bestaan, die op de bladzijde 3^-76 - 2377 van de eerder genoemde Halliburton Services Catalog is beschreven. De SSC-klep wordt in open toestand in de verhuizing gevoerd, waarbij de pakker op af gedichte wijze door draaien naar rechts op de ge-20 wenste diepte wordt vastgezet. De boortrek wordt dan linksom gedraaid, en het angelsamenstel wordt van het klepsamenstel afgenomen, waarmee het door middel van schroefdraad is verbonden. Wanneer de angel van het klepsamenstel wordt afgenomen, wordt hierdoor een sehuifklep naar boven in het klepsamenstel 25 getrokken, zodat de SSC-klep wordt gesloten. Op een bepaald punt gedurende het terugtrekken van de angel springen verende vingers op de sehuifklep in een uitsparing in de boring van het klepsamenstel, waardoor de sehuifklep in zijn gesloten stand wordt vergrendeld en dit samehstel buiten aangrijping met de 30 angel komt, die dan over de boortrek naar het oppervlak wordt de getrokken. Door de pakker wordt/ SSC-klep en de boortrek hieronder ondersteund totdat het gewenst is om weer met het boren 8105291 w - 2 - 4' % \ te "beginnen, waarna het angelsamenstel weer in het klepsamen-stel wordt teruggeroerd, en naar rechts gedraaid, waardoor de schuifklep opnieuw wordt geopend en het angelsamenstel weer met het klepsamenstel wordt verbonden. Door een trekkracht naar 5 "boven op de dóórtrek wordt de pakker losgemaakt, zodat de "boor-, trek dan weer naar het oppervlak kan worden teruggevoerd of de circulatie van de doorspoeling opnieuw kan worden ingesteld en het boren worden voortgezet.
Hoewel het met de onderwaterregelklep volgens 10 de stand van de techniek mogelijk is om een boorput gedurende het boren af te sluiten, bezit deze verschillende operationele moeilijkheden, waardoor het functionele gedrag ervan en de betrouwbaarheid op aanzienlijke wijze worden benadeeld. Wanneer het angelsamenstel weer opnieuw in het klepsamenstel wordt 15 gestoken vindt er een aanzienlijke beginschok plaats, zelfs indien de bedienende persoon uiterst zorgvuldig tewerk gaat, hetgeen aan het gewicht van de boortrek is te wijten en aan de in deze boortrek optredende rek, waardoor een nauwkeurige berekening van het aanrakingspunt onmogelijk wordt gemaakt. Wan-20 neer de van draad voorziene gedeelten van de twee samenstellen in aanraking met elkaar komen, wordt tengevolge van de door de verbindingsdraden opgenomen kracht dikwijls schade veroorzaakt. Wanneer de angel in het klepsamenstel komt en contact met de schuifklep maakt, wordt hierdoor in hoofdzaak de stand van de 25 twee samenstellen ten opzichte van elkaar vastgelegd. Er be staat echter geen waarborg voor de omstandigheid dat de schroefdraden van de twee samenstellen nauwkeurig tegenover elkaar . terecht komen. Als gevolg hiervan kan het in bepaalde gevallen waarin de schroefdraden vastlopen of niet precies in elkaar 30 passen, voorkomen dat andere draadverbindingen in het klep samenstel breuken gaan vertonen tengevolge van het uitgeoefende overmatige koppel, dat ...het gevolg is van vastgelopen of niet nauwkeurig in elkaar passende schroefdraadverbindingen tussen de twee samenstellen. Verder bestaat er geen middel om nauw-35 keurig de grootte van de axiaal op de schroefdraden uitgeoefen- 8105291 * · * - 3 - t de tracht te regelen, omdat deze kracht alleen een functie van de waarde van het gewicht van de pijp is, die naar beneden is gelaten. Indien een te grote kracht wordt toegelaten, kunnen de schroefdraden vastlopen of breken indien het gewicht plotse-5 ling in een werkzame toestand komt.
In tegenstelling tot de stand van de techniek heeft de onderhavige uitvinding betrekking op een onderwater-regelklep, waardoor een nauwkeurig tegenover elkaar komen van de angel en de schuifklep van het klepsamenstel wordt gewaarborgd, 10 en waardoor de grootte van de op de verbindingsdraden van het angelsamenstel en het klepsamenstel uitgeoefende kracht wordt beperkt.
Evenals de stand van de techniek omvat de onderhavige uitvinding een angelsamenstel en een klepsamenstel.
15 Doch de onderkant van het angelsamenstel bezit een ringvormig leger om het draaien van het angelsamenstel te vergemakkelijken nadat dit in aanraking met het klepsamenstel is gekomen. Bovendien is de angel niet axiaal aan het angelsamenstel vastgemaakt, doch kan in axiale richting worden verschoven en staat onder 20 de invloed van een door een veer axiaal naar beneden uitgeoefen de voorspanning. Doch de angel is verschuifbaar door middel van een meervoudige spieverbinding met het binnenste gedeelte van het angelsamenstel verbonden om het draaien ervan binnen het samenstel te voorkomen. Door middel van de door een veer uitge-25 oefende voorspanning van de angel wordt de verbindingskracht voor het vastschroeven van de angel met het klepsamenstel bewerkstelligd, waarbij door het leger aan de onderkant van het angelsamenstel, dat de angel omgeeft, het gewicht van de boor-trek wordt opgenomen en het draaien van de angel wordt verge-30 makkelijkt.
De onderwaterregelklep volgens de uitvinding wordt dus op een boortrek en met een pakker eronder in de verhuizing gevoerd, waarbij de klep open is. De pakker wordt op afdichtende wijze door draaien naar rechts vastgezet, waarna de 35 angel van het klepsamenstel wordt af genomen en een schuifklep 8105291 t * \ X· - k - in het klepsamenstel wordt gesloten om de aardolieboorput onder de pakker af te sluiten. Dan wordt het angelsamenstel uit het “boorgat getrokken. Wanneer het gewenst is om het boorgat opnieuw open te maken, wordt het angelsamenstel opnieuw in 5 de boorputverbuizing gestoken, en naar beneden tot op het niveau van het klepsamenstel gevoerd. Daarbij komt de angel in het klepsamenstel en zal in aanraking komen met de schuif-klep, die door middel-van de verende vingers in een gesloten stand werd gehouden. Wanneer de buitenkant van het angelsamen-10 stel in aanraking met de bovenkant van het klepsamenstel komt, wordt de hierbij uitgeoefende kracht door het ringvormige leger aan de onderkant van het angelsamenstel opgenomen. Wanneer dit contact plaatsvindt, zal de schroefdraad op de angel door middel van de angelveer onder een voorspanning ten opzichte van 15 de schroefdraad in het klepsamenstel komen. Wanneer het angel samenstel dan wordt gedraaid, wordt door de veer een voldoende doch beperkte kracht bewerkstelligd om het in elkaar schroeven van de schroefdraden te verzekeren, waarbij door dë ondersteunende werking, die door het op de buitenkant van het klepsamen-20 stel rustende angelsamenstel wordt ondervonden, een nauwkeurig uitrichten van de angel wordt bewerkstelligd en de mogelijkheid om de angel gemakkelijk te verdraaien. Wanneer het angelsamenstel volledig met het klepsamenstel is verbonden, wordt de schuifklep van het klepsamenstel geopend en kan de boortrek 25 door middel van een naar boven gerichte kracht uit het boorgat worden getrokken, waardoor de pakker zal worden losgemaakt.
Het zal daarom duidelijk zijn dat door de uitvinding een nieuwe en beter betrouwbare onderwaterregelklep wordt verschaft, die talrijke voordelen ten opzichte van de stand van de techniek 30 bezit.
De uitvinding zal thans aan de hand van de figuren nader worden toegelicht.
Figuren 1A, 1B en 1C geven als vertikale doorsneden uitgevoerde vooraanzichten van de onderwaterregelklep 35 volgens de uitvinding in de toestand weer, waarin deze op een 8105291 * - 5 - boortrek in een van een verhuizing voorziene boorput wordt gevoerd.
tfignren 2A., 2B en 20 geven als vertikale doorsnede uitgevoerde vooraanzichten van de onderwaterregelklep 5 volgens de uitvinding in de toestand veer, waarin deze wordt afgesloten.
Figuren 3Λ en BB geven als verticale doorsneden vitgevoerde vooraanzichten van de onderwaterregelklep volgens de uitvinding weer, nadat deze is afgesloten en het angel-10 samenstel uit de boorput is verwijderd.
In het onder-staande zal aan de hand van de figuren 1A - 10 een bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm van de onderwaterregelklep volgens de uitvinding worden beschreven.
De onderwaterregelklep 10 volgens de uitvinding 15 bevat een angelsamenstel 20 en een klepsamenstel 90s die in een onderling met elkaar verbonden toestand in een boorput zijn afgebeeld, welke zich door een aardformatie uitstrekt, die met een verhuizing 12 is bekleed welke weer door middel van cement 1k wordt gesteund. De onderwaterregelklep 10 is door 20 middel van een boortrek 6 met een hierdoorheen lopende boring 8 in de boorput opgehangen. Onder de onderwaterregelklep 10 is een doelmatige pakker aangebracht, waarvan de bovenkant in het algemeen door het verwijzingscijfer 16 is aangeduid, en die bijvoorbeeld kan bestaan uit de Halliburton Services RTTS 25 Packer, welke op de bladzijden 3^76 - 77 van de Halliburton
Services Sales and Service Catalog Humber ko is beschreven, of uit een Champ^II Packer, die op bladzijden 3^75 van dezelfde katalogus is beschreven. De onderwaterregelklep 10 en de boortrek 6 wordt door de ringvormige ruimte 18 boven de pakker 16 30 omgeven.
Het angelsamenstel 20 bevat een bovenste ver-loopstuk 22, dat door middel van schroefdraad bij de overgang 2k op het boveneinde van de boortrek 6 is geschroefd, en aan het ondereinde bij de overgang 28 aan het legersteundeel 26, Het 35 ringvormige leger 30 rust tegen het ondereinde van het leger- 8105291 * f « .
- 6 - steundeel 26 aan, en is bij het binnenste en onderste gedeelte door een legerhouder 32 ondersteund, die op zijn buitenomtrek van een ringvormig ingenomen gedeelte 3^ is voorzien. De kraag 38 aan'het ondereinde van het legeropsluitonderdeel 26 strekt 5 zich tot|in het ingenomen gedeelte 3^· van de legerhouder 32 uit, waarbij het legeropsluitonderdeel 36 door het uitzetten van de naar buiten springende ring ^0 in de ringvormige uitsparing k2 aan de bovenkant van het legeropsluitonderdeel 36 vanuit de ringvormige uitsparing U4 op de buitenkant van het legersteun-10 deel 26 aan dit legersteundeel 26 is vastgemaakt. Dit leger- steundeel 26 is dus vrij om op het leger 30 te draaien wanneer het angelsamenstel 20 aan het klepsamenstel 90 wordt vastgemaakt, dat nog meer in detail in het onderstaande zal worden beschreven.
15 In de boring U8 van het bovenste verloopstuk 22 is een schroeflijnvormige veer b6 aangébracht, die tegen de kraag 50 aanligt, welke naar de boring 52 loopt, die in verbinding met de boring 8 van de boortrek 6 staat. Het ondereinde van de veer k€ strekt zich tot/aan de ringvormige kraag 5^ aan de 20 bovenkant van het doornopsluitonderdeel 56 uit, dat door middel van schroefdraad bij de overgang 60 op de afdichtingsdoorn 58 is geschroefd, waarbij door middel van een 0-ring 62 hiertussen een fluidumafdichting is bewerkstelligd. Tussen de buitenkant van het doornopsluitonderdeel % en de wand van de boring ^8 is 25 door middel van 0-ringen 6k een verschuifbare fluidumafdichting bewerkstelligd.· De buitenkant van de afdichtingsdoorn 58 is axiaal verschuifbaar door middel van meervoudige spie-verbindingen bij 66 met het binnenste gedeelte van het legersteundeel 26 verbonden. Onder het van spie-gleuven voorziene gebied 66 bezit 30 de afdichtingsdoorn 58 een gedeelte met een nagenoeg uniforme diameter 68, waarachter een deel TO met trapeziumvormige acme-schroefdraad volgt. Onder het deel 70 bezit het deel 72 van de afdichtingsdoorn 58 een kleinere diameter, waarbij dit deel van ringvormige uitsparingen is voorzien, waarin 0-ringen 7^· zijn 35 aangebracht. De afdichtingsdoorn 58 verloopt nabij het onderein- 8105291 * « 4 - 7 - de ervan trapvormig naar een deel J6 met een nog kleinere buitendiameter, dat via een ringvormig schuin verlopend vlak j8 in de ondiepe ringvormige uitsparing 80 uitloopt, die aan zijn onderrand door een kort ringvormig en schuinverlopend vlak 82 5 wordt begrensd, dat weer op het cilindrische oppervlak 8¼ aan sluit, hetgeen in het afgeschuinde einde 86 eindigt.
Het doornopsluitonderdeel 56 is van een hier-doorheen gaande boring 88 voorzien, die met de boring k6 van het bovenste verloopstuk 22 in verbinding staat en verder met 10 de boring 89, die door de afdichtingsdoorn 58 heen loopt.
Het klepsamenstel 90 bevat een bovenste lichaam 92, dat tegen de onderkant van de legerhouder 32 aanligt, en is door middel van trapeziumvormige acme-schroefdraad 93 op de trapeziumvormige acme-schroefdraad 70 van de afdichtings-15 doorn 58 geschroefd. Onder het deel 70 met de trapeziumvormige aeme-schroefdraad verloopt de boring van het bovenste lichaam 92 over een korte afstand 9¼ cilindrisch, en verloopt dan bij 95 schuin naar binnen naar het omtreksvlak 96, waarmee de 0-ringen jk op de afdichtingsdoorn 58 een verschuifbare fluidumafdich-20 ting voimen. In het onderste gedeelte van het bovenste lichaam 92 is de buitenomtrek van de boring door middel van een radiaal ingenomen gedeelte 98 verbreed, zodat op deze wijze een omtreksvlak 100 wordt verkregen.
Het bovenste lichaam 92 is door middel van 25 schroefdraad bij de overgang 10¼ op het circulatielichaam 102 bevestigd, waarbij door de 0-ring 106 een fluidumafdichting wordt bewerkstelligd. Het circulatielichaam 102 is bij de overgang 110 op het onderste lichaam 108 geschroefd, waarbij door de 0-ring 112 een fluidumafdichting wordt bewerkstelligd. De 30 pakker 16 is bij de overgang 11¼ door middel van schroefdraad op het onderste lichaam 108 bevestigd.
De binnenkant van het circulatielichaam 102 bevat een gladde boring 116, waarvanaf zich verder naar binnen een meervoudig aantal spieen - 118 uitstrekken. Aan het onder-35 einde van het circulatielichaam 102 is het klephuis 120 door 8105291 - 8 - middel van schroefdraad en lassen "bij 122 aan het circulatie- lichaam 102 bevestigd. De boringswand 12b van het klephuis 120 is door een aantal radiale openingen 126 doorboord, die in hun binnenste gedeelte verbrede ingenomen gedeelten 127 bezitten.
5 Hoewel bij dekbij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm van de vier uitvinding / regelmatig over de omtrek verdeelde openingen zijn toegepast, kan hiervoor elk aantal worden toegepast. Bij de bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvormen liggen twee tegenover elkaar staande openingen 126 radiaal in één lijn met de spieen 10 118, waarvan het doel in het onderstaande nog duidelijk zal worden. Aan. het onderste gedeelte van de boringswand 12b sluit een schuin verlopend ringvormig oppervlak 128 op een stapvormig verkleinde boring 130 aan, waarvan het bovenste gedeelte de 0-ring 132 bevat.
15 De schuifklep 13^· is op verschuifbare wijze in het klephuis 120 opgenomen, waarbij deze schuifklep de verende vingers 136 met aan de top de uitsteeksels 138 bevat, terwijl zich tussen deze verende vingers 136 gleuven bevinden, die op verschuifbare wijze met de spieen 118 samenwerken, zodat 20 het radiaal het meest naar buiten gelegen gedeelte van de uit steeksels 1:3.8 onder een naar buiten gerichte voorspanning in aanraking met de wand van de boring 116 is. Dit wil zeggen dat de schuifklep 13^ zoals in figuur 1G is afgeheeld niet ten opzichte van het circulatielichaam 102 kan worden verdraaid, 25 hetgeen het gevolg is van de onderlinge wisselwerking van de spieen 118 en de verende vingers 136. De uitsteeksels 138 bevatten verder platte bovenvlakken 1^-0 en schuine ondervlakken 1 b2, die nagenoeg onder dezelfde hoek als het schuine ringvormige vlak 103 aan de bovenkant van het circulatielichaam 102 ver-30 lopen.. Onder de verende vingers 136 bevindt zich een kraag 1UU, die op de boring 1b6 aansluit, welke zich tot aan de onderkant van de schuifklep 13^· uit strekt. Door de wand van de schuifklep 13^· strekken zich onder onderlinge hoeken van 90° vier radiale openingen 1U8 uit, waarbij deze openingen 1^-8 tegenover de 35 gleuven tussen de verende vingers 136 vallen, zodat op deze wij- 8105291 - 9 - ze wordt verzekerd dat de openingen 1^-8 in êên lijn met de radiale opening 126 in het klephuis 120 vallen. Door de stellen 0-ringen 150 en 152 wordt een verschuifbare fluidumafdichting tussen de schuifklep 13¾ en het klephuis 120 bewerkstelligd.
5 In de trapvormig verlopende boring 130 van het onderste lichaam 120 steekt een plug 15*15 waarbij door middel van de 0-ring 132 een fluidumafdichting tussen deze plug 130 en het onderste lichaam 120 wordt bewerkstelligd. De plug 15¾ wordt door middel van een op afschuiving belaste pen 156 10 op zijn plaats gehouden, die op zijn beurt zijdelings door mid del van de pijppluggen 158 is vastgezet.
De ringvormige boring 160 staat door middel van de openingen 126 en 1U8 in verbinding met de boring lk6 van de schuifklep 13^j waarbij deze boring zich tot in de onder-15 ste boring 162 uitstrekt, die aan de pakker 16 aansluit.
Op dit punt gekomen, wordt er de aandacht op gevestigd dat het klepsamenstel 90 bij voorkeur met een brede trapeziumvormige acme-schroefdraad zoals bijvoorbeeld een acme-schroefdraad met vier stompe schroefdraadprofielen aan het 20 angelsamenstel 20 wordt bevestigd om het aantal omwentelingen te verkleinen, dat voor het vastmaken van het gereedschap is vereist. Bij de stand van de techniek kan de toepassing van een dergelijke brede draad tot problemen voeren, en wel tengevolge van het feit dat van een smallere acme-schroefdraad met zes 25 stompe schroefdraadprofielen voor het samenstellen van de onder delen van het klepsamenstel wordt gebruik gemaakt. Omdat een schroefdraad met zes stompe schroefdraad profielen mechanisch gemakkelijker in beweging is te brengen dan de draad met vier stompe schroefdraadprofielen, zou de draad met de vier stompe 30 schroefdraadprofielen gedurende het terugtrekken van het angel- samenstel 20 vast kunnen blijven zitten, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de draad met de zes stompe schroefdraadprofielen zo.u worden verbroken en het klepsamenstel 90 in een gedemonteerde toestand zou komen. Deze denkbare moeilijkheid wordt volgens 35 uitvinding opgelost doordat er op de schroefdraad met de 8105291 - 10 - vier stompe schroefdraadprofielen een geringere kracht wordt uitgeoefend omdat het gewicht van de hoortrek door de toepassing van een zwevende, onder veerspanning staande angel ten opzichte van het klepsamenstel 20 is geisoleerd en voorts ook omdat 5 het benodigde afneemkoppel door de toepassing van een legersa menstel bij de overgang van het legersteundeel 2β van het angel-samenstel 20 en het bovenste lichaam 92 van het klepsamenstel 90 is verkleind.
Thans zal aan de hand van alle figuren de 10 werking van de bovenomschreven bij voorkeur toegepaste uitvoe ringsvorm van de onderwaterregelklep volgens de uitvinding worden beschreven.
De onderwaterregelklep 10 wordt zoals in de figuren 1A - 1C is afgebeeld aan het einde van een boortrek 6 15 in de boorput gevoerd. Een pakker 16 zoals bijvoorbeeld de
Halliburton Services RTTS Packer wordt direkt onder de onderwaterregelklep op de boortrek in de boorput gevoerd. Bij wijze van voorbeeld en niet beperkend voor de gevraagde uitsluitende rechten zal van de bedrijfsparameters van de RTTS Packer 20 worden gebruik gemaakt om de werking van de onderwaterregel klep 10 te beschrijven. Een dusdanige pakker 16 bestaat in het. bijzonder uit een pakker, die rechtsom wordt vastgezet en een hydraulisch en in benedenwaartse richting werkzaam vasthoudor-gaan omvat om de pakker als gevolg van de hieronder heersende 25 druk in aangrijping met de verhuizing te brengen, en verder een automatisch werkzame J-gleuf om het terugtrekken van de pakker mogelijk te maken, doordat zonder draaien op de boortrek een naar boven gerichte‘trekkracht wordt uitgeoefend.
Wanneer de onderwaterregelklep 10 zich op 30 de gewenste diepte in de boorput bevindt, wordt de pakker 16 door de boortrek 16 rechtsom te draaien op afdichtende wijze vastgezet. Tijdens het invoeren van de onderwaterregelklep 10 in de boorput bevinden de openingen 126 zich recht tegenover de openingen lk8, waardoor het fluïdum in de boorput vrij door 35 de pakker 16 en de boortrek 6 kan stromen. Nadat de pakker 16 !* 8105291 - 11 - is vastgezet, wordt de Voortrek 6 linksom gedraaid, waardoor de schroefdraad 17 van de afdichtingsdoorn 58 los van de schroefdraad 93 van het bovenste lichaam 92 wordt gedraaid omdat de afdichtingsdoorn 58 verschuifbaar door middel van een samenstel 5 van spieen en spiegleuven met het binnenste gedeelte van het legersteundeel 26 is verbonden. Dit heeft tot resultaat dat de veer U6 door het "angel"-gedeelte van het angelsamenstel, dat uit de afdichtingsdoorn 58 en het doornopsluitonderdeel 56 bestaat, tegen de kraag 50 van het bovenste verloopstuk 22 wordt 10 gedrukt, waarbij de buitenkant van het angelsamenstel dat uit het bovenste verloopstuk 22 en het legersteundeel 26 met het legersamenstel bestaat door het gewicht van de boortrek 6 in aanraking met het klepsamenstel 90 wordt gehouden. Wanneer de afdichtingsdoorn 58 in afwaartse richting los van het klepsamen-15 stel 90 komt, komt het ringvormige schuine verloop 82 op de afdichtingsdoorn 58 in aanraking met de uitsteeksels 138 op de verende vingers 136 aan de bovenkant van de schuifklep 13l, zodat de schuifklep 13^+ axiaal naar boven wordt getrokken, waarbij deze schuifklep 13l door de onderlinge wisselwerking van de 20 spieen 118 en de verende vingers 136 wordt geleid. Wanneer de uitsteeksels 138 van de verende vingers 136 bij het schuine ringvormige vlak 103 op het circulatielichaam 102 komen, worden de uitsteeksels 138 door de naar buiten gerichte voorspanning van de verende vingers 136 zoals in de figuren 2A - 2C is afge-25 beeld van het ringvormige schuine verloop 82 en de afdichtings doorn 18 af in aanraking met het vlak 103 gedrukt. In deze positie bevinden de openingen 118 zich boven de opening 126 in het klephuis 120, waarbij de afdichtingsringen 150 en 152 op de schuifklep 13l de openingen 126 omvatten, zodat de boring 1I6 30 van de afdichtingsdoorn ten opzichte van de onderste boring 162 wordt afgesloten. De boorput onder de pakker 16 is nu zowel ten opzichte van de boortrek 6 als de ringvormige ruimte 18 boven de kker 16 geïsoleerd.
Wanneer het ronddraaien van de boortrek 6 35 en het angelsamenstel 20 wordt voortgezet, hetgeen door het le- 8105291 * *· - 12 - ger 30 wordt bevorderd, wordt de schroefdraad JO op de afdich-tingsdoorn 58 volledig uit de schroefdraad 93 van het bovenste lichaam 92 gedraaid. Wanneer de 0-ringen TU op de afdichtings-doorn 58 de korte cilindrische boring 9k in het bovenste ver-5 loopstuk 92 bereiken, wordt de fluidumafdichting tussen het angelsamenstel 20 en het klepsamenstel 29 verbroken, hetgeen iets voor het buiten aangrijping komen van de schroefdraden op de afdichtingsdoorn 58 en het bovenste lichaam 92 plaatsvindt.
De boortrek 6 en het angelsamenstel 20 wordt nu naar het aard-10 oppervlak (figuur 3A) omhoog gevoerd, waarbij het gesloten klepsamenstel 90 en de rest van de boortrek onder de pakker 16 door middel van de pakkerstroken in de verhuizing 12 worden ondersteund. Door middel van het hydraulisch en in een benedenwaartse richting werkzame vasthoudorgaan op de pakker 16 wordt 15 een verplaatsing van deze pakker in de verhuizing 12 als gevolg van de hieronder heersende fluidumdruk voorkomen. Het klepsamenstel 90 (figuren 3A en 3B) kan gedurende een storm of de op een eruptie-afsluiter uitgevoerde reparaties in de'verhuizing worden gelaten, waarbij deze door de naar buiten gerichte voor-20 spanning van de verende vingers 136 van de schuifklep 13^· in een gesloten stand wordt gehouden.
Wanneer het gewenst is om de schuifklep 13^ weer open te zetten, wordt het angelsamenstel 20 weer op de boortrek 6 in de verhuizing 12 naar beneden gelaten. De af-25 dichtingsdoorn 58 zal dan in het klepsamenstel 90 komen wanneer het legeropsluitonderdeel 32 in aanraking met de bovenkant van het bovenste lichaam 92 komt, waarbij de onderkant van de schroefdraad 70 op de afdichtingsdoorn 58 in aanraking met de bovenkant van de schroefdraad 93 op het bovenste lichaam 92 30 zal komen. Door het afgeschuinde einde 86 aan de onderkant van de afdichtingsdoorn 58 zal dit einde vanwege het schuine verloop 95 tot in de binnenomtrek van de boring 96 worden geleid.
De boortrek 6 wordt nu rechtsom gedraaid, waarbij door middel van de door de veer kè in het angelsamenstel 20 uitgeoefende 33 axiale voorspanning wordt bewerkstelligd, dat de schroefdraad 8105291 - 13 - TO op de schroefdraad 93 wordt gedraaid, zodat de afdichtings-doorn 58 hierdoor axiaal naar "beneden wordt getrokken. Kort na het moment nadat de schroefdraden 70 en 93 in elkaar grijpen, zullen de 0-ringen 7¼ op de afdiehtingsdoorn 58 in de boring $6 5 komen, waardoor een afdichting voor het fluïdum wordt bewerk stelligd, waarna de 0-ringen 7¼ verder in de boring 96 worden getrokken en hierin op een bestuurde wijze door het voorafgaande in elkaar grijpen van de schroefdraden worden samengedrukt. Tijdens de verdere verplaatsing naar beneden van de afdichtings-10 doorn 58 zal het afgeschuinde einde 86 in aanraking met de kraag 1¼¼ op de schuif klep 13¼ komen, waardoor de schuifklep 13¼ axiaal naar beneden wordt gedrukt. Wanneer de schroefdraad 70 volledig op de schroefdraad 93 is geschroefd, zullen de onderste boring 162 en de boring 1 h-6 in de afdiehtingsdoorn opnieuw 15 via de openingen 126 en 1 h-δ (die dan axiaal en radiaal tegen over elkaar vallen) met elkaar in verbinding staan, hetgeen tot resultaat heeft dat de boring 8 van de boortrek ten opzichte van het gedeelte van de boorput onder de pakker 16 in een open verbinding hiermee komt.
20 Wanneer het gewenst is om de onderwaterregel- klep 10 uit de boorput te verwijderen of deze op een andere plaats hierin aan te brengen, zal de pakker 16 door een naar boven op de boortrek 6 uitgeoefende trekkracht tengevolge van de automatisch werkzame J-gleuf ervan loskomen, zodat de onder-25 waterregelklep 10 tot aan het aardoppervlak kan worden terug getrokken of door een volgende draaiing rechtsom van de boortrek 6 in een nieuwe stand kan worden aangebracht.
Indien de schuifklep 13¼ om de een of andere reden is beschadigd en niet kan worden geopend, kan de af-30 dichtingsdoorn 58 uit het angelsamenstel 20 worden verwijderd, en kan hiervoor een kortere doorn in de plaats worden gezet.
Het angelsamenstel 20 kan dan met het klepsamenstel 90 worden verbonden, waarna de plug 15¼ uit de onderste boring 162 kan worden verwijderd door de afschuif pen 156 door middel van een 35 op het oppervlak uitgeoefende pompdruk op afschuiving te belasten 8105291 - 1¾ - of· de pen aan een slag van de zwaarstangen te onderwerpen, die op een boorkabel in de verhuizing zijn gevoerd. Dit zal tot resultaat hebben, dat het over de pakker aanwezige drukverschil zal worden opgeheven, zodat deze op gemakkelijker wijze kan 5 worden losgemaakt en teruggetrokken.
Hoewel de onderwaterregelklep volgens de uitvinding aan de hand van een bepaalde bij voorkeur toegepaste uitvoeringsvorm is beschreven, zal het duidelijk zijn dat hierin zonder van het basisidee en het kader van de uitvinding af 10 te wijken nog verschillende wijzigingen en aanvullingen kunnen worden aangebracht en delen kunnen worden weggelaten. Zo kunnen bijvoorbeeld, hetgeen niet als beperking van de gevraagde uitsluitende rechten is bedoeld, het doornopsluitonderdeel 56 en de afdichtingsdoorn 58 tot een onderdeel met elkaar worden ge-15 combineerd; of kan de afdichtingsdoorn 58 uit twee delen wor den vervaardigd, die door middel van een in- of uitspringende ring met elkaar zijn doorverbonden om de noodzaak voor het ondersteunen van de afzonderlijke korte doorn te vermijden om een klepsamenstel met een vastzittende schuifklep te kunnen ver-voor , , een 2:0 wij deren; of . de schuifklep 13 4 zou massieve huls kunnen war den toegepast, alsmede zouden op het einde van de afdichtings- zou doorn 5o verende vingers kunnen worden toegepast, en/van een ringvormige kraag en een in- of uitspringende ring kunnen worden gebruik gemaakt om een aanslag voor de schuifklep 13^ voor de 25 'gesloten stand ervan te bewerkstelligen en deze klep in. deze stand te houden; en tenslotte zou het leger 30 door het bovenste lichaam 92 in plaats van door het angelsamenstel 20 kunnen worden vastgehouden; terwijl nog verdre afwijkingen denkbaar zijn.
8105291

Claims (24)

1. Onderwat erregelklep, met het kenmerk, .dat deze is samengesteld uit een angelsamenstel met een hier- doorheen-gaande "boring ' en met een huis -waardoor een 5 door middel van.een samenstel van spieen en spiegleuven angel vormig orgaan wordt omgeven, dat onder een axiaal naar "beneden gerichte voorspanning staat, waarbij op de "buitenkant van dit . . , een angelvormige orgaan een schroefdraad is aangebracht, en onderste gedeelte ervan van een aangrijpingsmiddel voor een klep is 10 voorzien; en uit een klepsamenstel met een "bovenste boring en een onderste boring, waarbij zich tussen deze bovenste boring en de onderste boring een axiaal te sluiten klep bevindt, terwijl de binnenkant van de bovenste boring van schroefdraad is voorzien die met de schroefdraad op de buitenkant van het genoemde 15 angelvormige orgaan kan samenwerken.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de genoemde axiaal te sluiten klep uit een hulsvormige schuifklep met minstens êén hierdoerheen gaande opening bestaat, en uit een klephuis met evenzo één hierdoor-20 heen gaande opening, waarbij de opening in de huls axiaal en radiaal tegenover de opening in het huis valt wanneer de klep is geopend.
3. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de genoemde buisvormige klep minstens 25 één verende vinger aan de bovenkant ervan bevat, waarbij deze verende vinger op de bovenkant ervan van een uitsteeksel is voorzien. U. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat de minstens één exemplaar omvattende 30 verende vingers onder een radiaal naar buiten gerichte voor spanning staan, en dat het klepsamenstel in de bovenste boring ervan een ringvormige uitsparing bevat, waarbij het genoemde uitsteeksel in deze uitsparing komt wanneer de genoemde te sluiten klep in de gesloten stand wordt geplaatst.
5. Inrichting volgens conclusie U, 81 0 5 2 9 f - 16 - met het kenmerk, dat het genoemde klepaangrijpingsmiddel uit een naar "boven gekeerde kraag op het angelvormige orgaan bestaat, waarbij deze kraag in aangrijping met het genoemde uitsteeksel op de minstens een exemplaar bevattende verende vingers kan ko-5 men, wanneer dit uitsteeksel zich niet in de uitsparing in de bovenste boring bevindt.
6. Inrichting volgens conclusie 5s met het kenmerk, dat de hulsvormige schuifklep óp de binnenkant ervan een naar boven gekeerde kraag bevat, waarbij deze 10 kraag in aangrijping met het ondereinde van het angelvormige orgaan kan komen.
7. Inrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat het genoemde angelvormige orgaan door middel van een schroeflijnvormig verend orgaan in het angelsamen-15 stel onder een voorspanning staat.
8. Inrichting volgens conclusie 7» met het kenmerk, dat dit op het angelsamenstel een zodanig uitgevoerd leger bevat, dat hierdoor de verdraaiing tussen het huis van het angelsamenstel en het klepsamenstel wordt verge-20 makkelijkt, wanneer de genoemde angel zich in de bovenste bo ring van het klepsamenstel bevindt. 9* Inrichting volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat de hulsvormige schuifklep zich in het -axiaal onderste gedeelte van het bereik ervan bevindt wanneer 25 de schroefdraad van de angel volledig in de schroefdraad van de bovenste boring van het klepsamenstel is gedraaid, en in het axiaal bovenste gedeelte van het bereik ervan wanneer de schroefdraad van de angel volledig uit de schroefdraad in de bovenste boring is geschroefd.
10. Inrichting volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat deze van een zodanig uitgevoerd samenstel van spieen en spiegleuven in de bovenste boring is voorzien, dat hierdoor de genoemde openingen in de hulsvormige schuifklep radiaal tegenover de openingen in het klephuis kunnen wor-35 den gehouden. 8105291 - 17 -
11. Inrichting volgens conclusie 10, met liet kenmerk, dat de minstens een exemplaar omvattende verende vingers uit een aantal verende vingers bestaan, -waarbij bet door spieen en spiegleuven gevormde samenstel in de boven- 5 ste boring dienst doet om de genoemde opening door middel van de schuivende samenwerking met deze verende vingers radiaal tegenover elkaar te houden.
12. Onderwaterregelklep, met het kenmerk, dat deze is samengesteld uit een angelsamenstel met een cilindrisch 10 huis waardoorheen een axiale boring .. loopt, alsmede een in deze boring aangebrachte schroeflijnvormige veer waardoor een angel axiaal onder een voorspanning wordt gehouden, waarbij deze angel verschuifbaar door middel van een aantal spieen en spiegleuven met het huis is verbonden en op het buitenomtreksvlak van 15 het ondereinde van schroefdraad is voorzien; en uit een klep- samenstel met een cilindrisch huis, waarin zich een bovenste boring met een hierin aangebrachte schroefdraad bevindt, die met de schroefdraad van de genoemde angel kan samenwerken, alsmede waarin ter plaatse van de onderkant van de genoemde boven-20 ste boring zich een verschuifbare hulsvormige klep bevindt, die in aangrijping met de genoemde angel kan komen, en waarin zich een zodanig uitgevoerde onderste boring bevindt, dat deze via de genoemde verschuifbare hulsvormige klep in verbinding met de bovenste boring kan komen. 25 13· Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de genoemde verschuifbare hulsvormige klep uit een hulsvormige schuifklep met hierdoorheen gaande openingen bestaat, die door een klephuis met hierin aangebrachte openingen is omgeven, waarbij de hulsvormige klep in de open stand 30 staat wanneer tenminste een van de genoemde openingen door de huls axiaal en radiaal recht tegenover minstens éên opening door het huis valt. 1^·. Inrichting volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat de hulsvormige klep aan de bovenkant er-' 35 van van minstens een verende vinger is voorzien, en van een 8105291 - 18 - ringvormge kraag op de binnenzijde ervan.
15· Inrichting volgens conclusie 1^·, met het kenmerk, dat de minstens een vinger omvattende verende vingers onder een radiaal naar buiten gerichte voorspanning 5 staan, en aan de bovenkant ervan een uitsteeksel bezitten.
16. Inrichting volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat de genoemde bovenste boring van een hierin aangebrachte uitsparing is voorzien. .
17· Inrichting volgens conclusie 16, 10 met het kenmerk, dat op de genoemde angel een zodanig uitge voerde ringvormige kraag is aangebracht dat deze in aan-grijping met het axiaal naar boven gerichte uitsteeksel kan komen.
18. Inrichting volgens conclusie 17, 15 met het kenmerk, dat het genoemde uitsteeksel buiten aangrij- ping met de ringvormige kraag op de angel komt, vanneer dit als gevolg van de naar buiten gerichte voorspanning van de genoemde verende vinger in de uitsparing in de bovenste boring kamt.
19. Inrichting volgens conclusie 18, 20 met het kenmerk, dat de onderkant van de angel in een axiaal naar beneden gerichte richting in aangrijping met de ringvormige kraag van de hulsvormige klep kan komen.
20. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het huis van het angelsamenstel aan de 25 onderkant ervan van een leger is voorzien.
21. Inrichting volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat dit leger op de bovenkant van het huis van het klepsamenstel rust vanneer de angel in de bovenste boring komt.
22. Inrichting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de schroefdraad op de angel door middel van de door de schroeflijnvormige veer uitgeoefende voorspanning tegen de schroefdraad in de bovenste boring vordt gehouden vanneer deze angel in de bovenste boring vordt geplaatst,
23. Ondervaterregelklep, met het kenmerk, dat 8105291 4 - 19 - deze is samengesteld uit een bovenste cilindervormig huis met aan het ondereinde ervan een leger; alsmede uit een in dit huis aangebracht verend orgaan; uit een in het huis opgenomen angelvormig orgaan, dat op verschuifbare 'wijze door middel van 5 een aantal spieen en spiegleuven hiermee is verbonden, waarbij dit orgaan door middel van het verende orgaan onder een axiaal naar onderen gerichte voorspanning wordt gehouden; uit een ringvormige kraag aan de onderkant van het angelvormige orgaan; uit een schroefdraad op de buitenkant van het angelvormige 10 orgaan; uit een onderste cilindervormig huis met een bovenste boring en een onderste boring, uit een zodanig uitgevoerde schroefdraad in de binnenomtrek van de bovenste boring, dat deze met de schroefdraad op het angelvormige orgaan kan samenwerken; uit een uitsparing in de bovenste boring onder de 15 schroefdraad ervan; uit een samenstel van spieen en spiegleuven in de bovenste boring onder de genoemde uitsparing; uit een klephuis met zijdelings hierdoorheen lopende boringen ter hoogte van de onderkant van de genoemde bovenste boring; èn uit een buisvormige schuifklep in de bovenste boring met . ,die 20 verende vingers/aan de einden aan de bovenkant ervan van uit steeksels zijn voorzien, alsmede met een hierin aangebrachte ringvormige kraag en met zijdelings hierdoorheen lopende ope-ningen, waarbij het genoemde klephuis en de hulsvormige schuif-klep een klepelement bevatten, waardoor tussen de bovenste 25 boring en de onderste boring een verbinding tot stand kan worden gebracht, en met een uit spieen en spiegleuven bestaand samenstel in de bovenste boring, die met de genoemde verende vingers kunnen samenwerken om de openingen in de huls radiaal in één lijn tegenover de openingen in het huis te houden. 30 2k. Onderwaterregelklep van het type dat door middel van een boortrek in een boorput kan worden aangebracht en van een angelsamenstel is voorzien dat door middel van schroefdraad met een klepsamenstel is verbonden, dat een hulsvormige schuifklep omvat, met het kenmerk, dat deze onderwater-35 regelklep verder van een angelsamenstel met een cilindervormig 8105291 Λ V - 20 - * huis is voorzien, dat axiaal gerichte en op het angelvormige orgaan werkzame voorspanningsmïddelen bevat, welk orgaan op verschuifbare wijze door middel van spieen en spiegleuven met het cilinder vormige huis is verbonden, waarbij het gewicht van 5 de boortrek door middel van dit cilindervormige huis op het klepsamenstel wordt overgedragen en ten opzichte van het angelvormige orgaan is geïsoleerd,
25· Onderwaterregelklep volgens conclusie 2kt met het kenmerk, dat dit op het ondereinde van het cilinder-10 vormige huis een leger bevat, waarbij dit leger op de bovenkant van het klepsamenstel rust wanneer het angelvormige orgaan in het klepsamenstel wordt aangebracht.
26. Werkwijze voor de toepassing van een onderwaterregelklep, gekenmerkt doordat een onderwaterregel- 15 klep op een boortrek wordt aangebracht en een pakker hieronder; alsmede doordat deze boortrek in een boorput wordt gevoerd om de onderwaterregelklep op een gewenste plaats te brengen; doordat de genoemde pakker op afgedichte wijze in de boorput wordt vastgezet; doordat een van draad voorzien angelgedeelte van 20 de onderwaterregelklep van een van schroefdraad voorzien klep- gedeelte ervan wordt afgenomen zodat dit klepgedeelte hierdoor wordt gesloten; en doordat het genoemde angelgedeelte op zodanige wijze met het klepgedeelte wordt verbonden, dat het gezwicht van de boortrek van de genoemde van schroefdraad 25 voorziene gedeelten wordt afgehaald, waardoor het klepgedeelte wordt g.eopend.
27. Werkwijze volgens conclusie 22, gekenmerkt doordat het van schroefdraad voorziene angelgedeelte onder een veerkrachtig uitgeoefende voorspanning in aan- 30 grijping met het van schroefdraad voorziene klepgedeelte wordt gehouden.
28. Inrichting in hoofdzaak als beschreven in de beschrijving en/of afgebeeld in de figuren.
29. Werkwijze in hoofdzaak als beschreven 35 in de beschrijving en/of weergegeven in de voorbeelden. 8105291
NL8105291A 1980-11-24 1981-11-23 Onderwaterregelklep en werkwijze voor het toepassen van een dergelijke klep. NL8105291A (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
US06/209,621 US4372388A (en) 1980-11-24 1980-11-24 Subsurface control valve
US20962180 1980-11-24

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL8105291A true NL8105291A (nl) 1982-06-16

Family

ID=22779539

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8105291A NL8105291A (nl) 1980-11-24 1981-11-23 Onderwaterregelklep en werkwijze voor het toepassen van een dergelijke klep.

Country Status (8)

Country Link
US (1) US4372388A (nl)
AU (1) AU7771381A (nl)
BR (1) BR8107589A (nl)
DE (1) DE3145963A1 (nl)
GB (1) GB2087957A (nl)
IT (1) IT1142065B (nl)
NL (1) NL8105291A (nl)
NO (1) NO813972L (nl)

Families Citing this family (10)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4648445A (en) * 1985-12-13 1987-03-10 Halliburton Company Retrieving mechanism
US4651829A (en) * 1985-12-13 1987-03-24 Halliburton Company Subsurface control valve
US4928775A (en) * 1988-12-30 1990-05-29 Gas Research Institute Downhole surge valve for earth boring apparatus
FR2648863B1 (fr) * 1989-06-23 1995-12-01 Elf Aquitaine Procede et dispositif de prelevement d'un echantillon de fluide de gisement
AU638282B2 (en) * 1989-11-08 1993-06-24 Halliburton Company Casing valve
CA2376806C (en) * 2001-03-14 2008-02-12 Schlumberger Canada Limited Tool string
FR2823528B1 (fr) * 2001-04-12 2004-11-12 Schlumberger Services Petrol Procede et dispositif de controle de debit en fond de puits, a orientation de flux
GB2442516B (en) 2006-08-19 2010-01-06 Pumps Tools Ltd Apparatus and Method For Selectively Controlling Fluid Flow
WO2018098593A1 (en) * 2016-12-02 2018-06-07 Ncs Multistage Inc. Method and apparatus for connecting well equipment
RU204950U1 (ru) * 2021-02-25 2021-06-21 федеральное государственное бюджетное образовательное учреждение высшего образования «Санкт-Петербургский горный университет» Клапан-отсекатель для подземного ремонта скважин

Family Cites Families (7)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3253655A (en) * 1963-11-14 1966-05-31 Brown Oil Tools Liner setting and crossover cementing tool for wells
US3306366A (en) * 1964-04-22 1967-02-28 Baker Oil Tools Inc Well packer apparatus
US3306363A (en) * 1964-04-22 1967-02-28 Baker Oil Tools Inc Valve controlled well packer apparatus
US3356140A (en) * 1965-07-13 1967-12-05 Gearhart Owen Inc Subsurface well bore fluid flow control apparatus
US3570595A (en) * 1968-11-22 1971-03-16 Schlumberger Technology Corp Hydraulically operable valves
US4253521A (en) * 1978-10-23 1981-03-03 Halliburton Company Setting tool
US4290484A (en) * 1980-07-18 1981-09-22 Baker International Corporation Seal receptacle assembly

Also Published As

Publication number Publication date
IT1142065B (it) 1986-10-08
NO813972L (no) 1982-05-25
BR8107589A (pt) 1982-08-17
GB2087957A (en) 1982-06-03
DE3145963A1 (de) 1982-06-03
IT8125226A0 (it) 1981-11-23
AU7771381A (en) 1982-06-03
US4372388A (en) 1983-02-08

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US11519233B2 (en) Valve assembly
CA2485210C (en) Packer retriever
US4333542A (en) Downhole fishing jar mechanism
US4390171A (en) Compression spring capsule
US4886115A (en) Wireline safety mechanism for wireline tools
US4660635A (en) Equipment for a pipe string such as a drill-pipe string, comprising a side entry connection for passing a cable
US20240309726A1 (en) Jettisonable ball seal
EP0862679B1 (en) Downhole equipment
GB2312911A (en) A tool for retrieving a completion tool
NL8105291A (nl) Onderwaterregelklep en werkwijze voor het toepassen van een dergelijke klep.
NO178410B (no) Trinnmansjett for trinnvis sementering av brönnforingsrör i et borehull, samt skifteverktöy for manövrering av slik trinnmansjett
US3102594A (en) Retrievable plug for subsurface well tool passage
US4376468A (en) Drilling jar
US20040221984A1 (en) Debris screen for a downhole tool
RU2664522C1 (ru) Поддержка крутящего момента лезвия фрезера
NO813323L (no) Noedfrigjoerings- og sikkerhetsventil
US4073511A (en) Coupling assembly for submarine casing sections
RU2659294C1 (ru) Поддержка крутящего момента лезвия фрезера
US5628366A (en) Protective arrangements for downhole tools
GB2307495A (en) Downhole equipment
US2946386A (en) Latching overshot well blowout closure device
US2839315A (en) Safety joint with shear pin release means
US20210324693A1 (en) Swivel anchor
US7493950B2 (en) Device for a long well tool
EP4022166B1 (en) Stinger for communicating fluid line with downhole tool

Legal Events

Date Code Title Description
BV The patent application has lapsed