NL8006878A - Inrichting voor het verplaatsen van een element in een met vloeistof gevulde leiding. - Google Patents
Inrichting voor het verplaatsen van een element in een met vloeistof gevulde leiding. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8006878A NL8006878A NL8006878A NL8006878A NL8006878A NL 8006878 A NL8006878 A NL 8006878A NL 8006878 A NL8006878 A NL 8006878A NL 8006878 A NL8006878 A NL 8006878A NL 8006878 A NL8006878 A NL 8006878A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- sleeves
- diameter
- inflation
- detector
- sleeve
- Prior art date
Links
Classifications
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B23/00—Apparatus for displacing, setting, locking, releasing or removing tools, packers or the like in boreholes or wells
- E21B23/08—Introducing or running tools by fluid pressure, e.g. through-the-flow-line tool systems
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B23/00—Apparatus for displacing, setting, locking, releasing or removing tools, packers or the like in boreholes or wells
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B23/00—Apparatus for displacing, setting, locking, releasing or removing tools, packers or the like in boreholes or wells
- E21B23/08—Introducing or running tools by fluid pressure, e.g. through-the-flow-line tool systems
- E21B23/10—Tools specially adapted therefor
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B33/00—Sealing or packing boreholes or wells
- E21B33/10—Sealing or packing boreholes or wells in the borehole
- E21B33/12—Packers; Plugs
- E21B33/127—Packers; Plugs with inflatable sleeve
- E21B33/1275—Packers; Plugs with inflatable sleeve inflated by down-hole pumping means operated by a down-hole drive
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B47/00—Survey of boreholes or wells
Landscapes
- Geology (AREA)
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mining & Mineral Resources (AREA)
- Physics & Mathematics (AREA)
- Environmental & Geological Engineering (AREA)
- Fluid Mechanics (AREA)
- General Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Geochemistry & Mineralogy (AREA)
- Geophysics (AREA)
- Geophysics And Detection Of Objects (AREA)
- Reciprocating Pumps (AREA)
- Portable Nailing Machines And Staplers (AREA)
- Ultra Sonic Daignosis Equipment (AREA)
- Adornments (AREA)
Description
* < v
Korte aanduiding: Inrichting voor het verplaatsen van een element in een met een vloeistof gevulde leiding.
Door Aanvraagster worden als uitvinders genoemd: Henri CHQLEI, Robert DESBRANDES en Guy NOBEL.
5
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het verplaatsen van een element of orgaan in een leiding die gevuld is met een vloeistof.
Onder een element of orgaan worden hier gereedschappen 10 verstaan zoals schraapgereedschappen, mini-kernhuizen en dergelijke, en verder meetorganen of organen van ander type die op een gegeven moment binnen in een leiding moeten worden verplaatst.
De term leiding wordt zowel gebruikt om de leidingen aan te duiden die worden begrensd door buizen als putten die ontstaan uit het 15 op een of andere wijze verrichten van boringen in de grond.
Inrichtingen voor het verplaatsen van een werktuig in een kanaal zijn bekend; ze worden bijvoorbeeld beschreven in het Amerikaanse octrooischrift 3.052.302. Deze inrichting omvatten een lichaam, waarbij in het verlengde daarvan het gereedschap is bevestigd. Eén of meerdere op-20 blaasbare moffen omgeven het lichaam en zorgen voor de afdichting van de ringvormige ruimte tussen het lichaam van de inrichting en de rand van het kanaal. De verplaatsing van een dergelijke inrichting wordt verkregen door het verpoppen van het fluïdum waarmee het kanaal is gevuld, waartoe het noodzakelijk is dat men toegang heeft tot de twee uiteinden van dat kanaal. 25 Deze inrichtingen zijn dus niet bruikbaar voor het verplaatsen van een element zoals een meetkop tijdens het uitvoeren van een boring.
Het gebruik van opblaasbare membranen bij boringen is ook bekend uit het Amerikaanse octrooischrift 3.960.211, dat een inrichting beschrijft die bestemd is voor het maken van een afdruk van de wand van een 30 pijpleiding, of het Amerikaanse octrooischrift 3*209.835i dat een opblaasbare afsluiter beschrijft die bestemd is om een gedeelte van een boring te isoleren. Opblaasbare moffen worden verder beschreven in de Amerikaanse octrooischriften 2.9^-2.667 en 2.9^6.565 om te zorgen voor de afdichting van de ringvormige ruimte tussen de wand van de put en de boorkolom, zodat 35 het gedeelte van de put dat onmiddellijk boven het boorgereedschap ligt wordt geïsoleerd en de druk van het fluïdum in dat gedeelte van de put op een gewenste waarde wordt ingesteld. Deze moffen zijn dan verschuifbaar aangebracht langs de boorkolom en ze verplaatsen zich stapsgewijs onder invloed van de zwaartekracht, waarbij toch de voortgang van het boren mogelijk k-0 is wanneer ze vastgezet worden ten onzichte van de wand van de put door 8006878 opblazen.
Deze inrichtingen kunnen dus niet zorgen voor het verplaatsen van een element in een leiding die in aanzienlijke mate schuin staan ten opzichte van de vertikaal, en in het bijzonder in een sub-hori-5 zontale leiding, omdat de werking van de zwaartekracht niet meer kan zorgen voor het stapsgewijs verplaatsen van de glijdende mof.
In de praktijk wordt de verplaatsing in een geboorde put van een orgaan zoals een meetkop zonder grote moeilijkheid verkregen door de werking van de zwaartekracht voor zover de schuinte van de geboorde put 10 ten opzichte van de vertikaal niet meer bedraagt dan ongeveer ^5° · Voorbij die grens is de verplaatsing van de meetkop,slechts mogelijk als-het profiel en de veranderingen van de diameter van de geboorde put bekend zijn, en als meetkoppen worden gebruikt met kleinere afmetingen. Voor de zeer schuin staande putten kan de verplaatsing van de meetkop slechts worden 15 verkregen door het uitoefenen van een kracht door middel van een betrekkelijk stijve stang waaraan, aan het uiteinde, die meetkop is bevestigd.
Ondanks dat blijft het verplaatsen van een meetkop in een put een operatie die langer duurt en moeilijker is naar mate de hoek tussen de put en de vertikaal groter is.
20 Om deze bezwaren te ondervangen is in het Amerikaanse octrooischrift 113.236 een straalvoortstuwingsinrichting voorgesteld waaraan het te verplaatsen orgaan is gekoppeld. Het bezwaar van een dergelijke inrichting is dat men er een aanzienlijke hoeveelheid energie aan moet geven om voldoende efficiënte stralen te maken die in staat zijn om 25 een orgaan te verplaatsen in een put die een grote hoek maakt ten opzichte van de vertikaal. Bovendien is de werking van een dergelijke inrichting niet omkeerbaar en kan hij dus slechts in één richting worden verplaatst. Tenslotte kunnen de stralen aanleiding geven tot beschadiging van de wand van de put wanneer deze niet door een pijp wordt beschermd.
30 De onderhavige uitvinding beoogt een inrichting te ver schaffen waarmee de hierboven genoemde bezwaren zijn ondervangen en waarmee het mogelijk is een element te verplaatsen in een leiding die een grote hoek maakt met de vertikaal, die horizontale stukken kan hebben en zelfs stukken waar de verplaatsing van de inrichting tegengesteld is aan de werking 35 van de zwaartekracht.
De uitvinding gaat uit van een inrichting voor het verplaatsen van een daarmee verbonden orgaan binnen een leiding die gevuld is met een vloeistof, omvattend een buisvormig lichaam dat aan beide einden open is en met een kleinere dwarsdoorsnede dan die van de leiding, een kO motor-pompgroen waarvan de in- en uitlaatopeningen respektievelijk in ver- 8 0 0 6 8 7 3 £ .. i -3- binding staan met de beide uiteinden van het lichaam, welke motor-pompgroep zorgt voor de circulatie van de vloeistof binnen het lichaam, tenminste één veerkrachtige mof die een gedeelte van het lichaam omgeeft en die daarmee een gesloten ringvormige ruimte begrenst, en middelen voor het opblazen 5 van de mof.
De inrichting is gekenmerkt doordat tenminste één van de uiteinden van de mof vast verbonden is met het buisvormige lichaam en dat de opblaasmiddelen ingericht zijn om de mof op te blazen tot dat de middellijn ervan iets kleiner is dan die van de leiding.
10 Bij voorkeur is de motor-pompgroep omkeerbaar, zodat de inrichting in beide richtingen kan worden verplaatst.
Verder is het van voordeel wanneer het opblazen van de mof(fen) automatisch wordt u-itgevoerd tot de gewenste waarde ter aanpassing aan de veranderingen van de leidingdoorsnede.
15 De uitvinding zal hierna worden toegehcht aan de hand van de bijgaande tekening.
Fig. 1A en 1B tonen respectievelijk op schematische wijze het bovenste en het onderste gedeelte van een inrichting volgens de uitvinding in axiale doorsnede; 20 Fig. 2 en 3 tonen uitvoeringsvormen van de veerkrachtige moffen;
Fig. k toont schematisch een eerste uitvoeringsvorm van de middelen voor het automatisch opblazen van de moffen;
Fig. 5 toont een andere uitvoeringsvorm van de middelen 25 voor het automatisch opblazen van de moffen, en
Fig. 6 toont wijzigingen ten opzichte van de uitvoeringsvorm volgens Fig, 5·
Ter toelichting van de uitvinding zal in het hierna volgende meer in het bijzonder worden verwezen naar het geval van een inrich-30 ting voor het verplaatsen van een meetsonde binnen een schuin lopende put, dat wil zeggen een put waarvan tenminste een gedeelte een aanzienlijke hoek maakt met de vertikaal.
Fig. 1A en 1B tonen in doorsnede de in zijn geheel door 1 aangeduide inrichting volgens de uitvinding. De inrichting wordt bijvoor-35 beeld gebruikt om in een boorput 2 een schematisch met streep-stippel-lijnen aangeduide meetkop 3 te verplaatsen. Deze kop kan van een bekend type zijn, waarbij het gevoelige element (elektrisch, magnetisch, acoustisch enzovoort) gedragen wordt door het lichaam van de meetkop of door een orgaan dat bestemd is om in aanraking te komen met de wand van de put 2. De meetkop 3 ^0 is met de oppervlakte verbonden door een niet weergegeven bedieningskabel 8 0 (3 68 7 8 of draagkabel, waarin transmissielijnen voor energie en informatie zijn opgenomen. Deze meetkop maakt geen deel uit van de uitvinding en wordt niet in bijzonderheden beschreven.
In de weergegeven uitvoeringsvorm is de inrichting 1 be-5 vestigd aan het vrije uiteinde van de kop 3 door middel van schroefdraad k.
Het lichaam van de inrichting van de uitwendige middellijn kleiner is dan de middellijn van de put 2 is bijvoorbeeld samengesteld uit één of meerdere buisvormige elementen 1a, 1b, 1c enzovoort, die met de einden aan elkaar zijn bevestigd.
10 Binnen het buisvormige lichaam is een schematisch door 5 aangeduide motor-pompgroep geplaatst. De inlaat 6 van devpomp staat in verbinding met het inwendige van het buisvormige lichaam terwijl de uitlaat in verbinding staat met de ringvormige ruimte die bgrened. wordt tussen de wand van de put 2 en inrichting 1 door openingen of gaten 7 die aangebracht 15 zijn in het bovenste gedeelte van het lichaam.
Onderaan staat het buisvormige lichaam in verbinding met de boring 2 door middel van openingen 8.
Het lichaam van de inrichting 1 wordt over een gedeelte van zijn lengte omgeven door een elastisch membraan of mof die geplaatst 20 is op een tussengelegen hoogte tussen de openingen 7 en 8. Bij voorkeur worden, zoals weergegeven in Fig. 1A en 1B, twee membranen 9 en 10 gebruikt met onderlinge afstanden, dat wil zeggen geplaatst op verschillende hoogte.
Aan één van de uiteinden is het bovenste membraan 9 bevestigd op een ring 11, met een bekende methode zoals vulcanisatie. De 25 ring 11 is verbonden met het lichaam van de inrichting 1. Aan het andere einde is de mof 9 verbonden met een ring 12 die axiaal kan schuiven langs het lichaam van de inrichting 1.
Op dezelfde wijze is de mof 10 met een uiteinde bevestigd op een ring 13 die verbonden is met het lichaam van de inrichting 1, en met 30 het andere uiteinde op een ring 14 die kan glijden langs het lichaam van de inrichting 1.
De afdichting tussen de ringen 12 en 1*f en het lichaam van de inrichting 1 wordt verkregen door niet weergegeven afdichtingsringen.
Ce moffen 9 en 10 begrenzen met het buisvormige lichaam 35 gesloten ringvormige ruimten die respektievelijk zijn aangeduid door 15 en 16.
Wanneer ze niet aan uitwendige krachten zijn onderworpen hebben de moffen 9 en 10 een in hoofdzaak cylindrische vorm waarvan de uitwendige middellijn aanzienlijk kleiner is dan de middellijn van de geboorde ^0 put 2. In de weergegeven uitvoeringsvorm hebben deze moffen in rusttoestand 8006878 -£ » -5- een uitwendige diameter die in hoofdzaak gelijk is aan die van het buisvormige lichaam, zoals men ziet links in de figuren.
De inrichting omvat verder opblaasmiddelen waarmee de uitwendige middellijn van de moffen kan worden vergroot door het inbrengen van 5 een vloeistof onder druk in de ringvormige ruimten 15 en 16.
Deze opblaasmiddelen worden gevormd door een reservoir 10 dat een vloeistof zoals olie bevat. Dit reservoir, dat door armen 17, 18 binnen het lichaam van de inrichting wordt vastgehouden, is samengesteld uit een soepel membraan 19a dat wordt beschermd door een huis 19b. De zich 10 in dit reservoir bevindende olie bevindt zich dus op de hydrostatische druk van het fluidum waarmee de boring 2 is gevuld.
Dit reservoir 19 voedt, door een kanaal 20, en gesloten ruimte 26, waarin een motor 21 is ondergebracht die een pomp 22 aandrijft, bij voorkeur van het type met constant debiet, en verder twee tweewegkranen 15 23 en 2b met twee standen. De ingangsopening 25 van de pomp staat in verbinding met het inwendige van de ruimte 26. De persopening 27 van de pomp 22 staat door een kanaal 28 in verbinding met één van de openingen van de kraan 23, waarvan de tweede opening enerzijds in verbinding staat met één van de openingen van de kraan 2b, en anderzijds met de ringvormige ruimten 20 15 en 16 door middel van kanalen 29 en 30 die elk uitmonden in één van de ringvormige ruimten 15 en 16. Dê tweede opening van de kraan 2b staat in verbinding met het inwendige van de ruimte 26.
Niet weergegeven kabels zorgen ervoor dat energie toegevoerd wordt aan de motor-pompgroep 5 en ook aan de motor 21 en ze maken 25 ook de besturing mqplijk van de kranen 23 en 2b, bijvoorbeeld bestaande uit elektrisch bediende kranen. Deze kabels kunnen geïntegreerd zijn in de bedieningskabel voor de sonde 3.
In het onderstaande wordt de werking van de inrichting beschreven. De inrichting 1, die bevestigd is aan het uiteinde van de sonde 30 3, wordt in de put 2 ingebracht terwijl de moffen 9 en 10 niet opgeblazen zijn, zoals weergegeven in de linkerhelften van Fig. 1A en 1B.
Wanneer het aldus gevormde geheel niet meer verder kan onder invloed van de zwaartekracht, dat wil zeggen wanneer de schuinte van de boring te groot is, worden de volgende handelingen uitgevoerd: 35 . a) de elektrisch bediende kraan 2b wordt in werking ge steld om deze te zetten in de stand waarin de verbinding tussen de twee openingen van de kraan is onderbroken, b) de elektrisch bedside kraan 23 wordt in werking gesteld om de twee openingen ervan met elkaar in verbinding te brengen, bO c) de motor-pompgroep 5 wordt gevoed, waardoor het fluidum 8006878 waarmee de put gevuld is gaat stromen in de richting die aangeduid is door de met volle lijnen getekende pijlen; dit fluïdum zal door de openingen 8 het buisvormige lichaam van de inrichting binnendringen, vervolgens door de pomp 5 gaan om op druk te worden weggevoerd door de gaten 7 naar de 5 ringvormige ruimte die wordt begrensd tussen de wand van de put 2 en de inrichting 1, dat wil zeggen benedenstrooms van de moffen 9 en 10 uitgaande van de stroomrichting van dit fluïdum in het lichaam van de inrichting 1, en d) gelijktijdig wordt energie toegevoerd aan de motor 21 10 die de pomp 22 in werking stelt; de door de pomp aangezogen olie wordt door middel van de kraan 23 en de kanalen 29 en- 30 naar de ringvormige ruimten 13 en 16 gestuurd, met als gevolg dat de moffen 9 en 10 worden opgeblazen (vgl. de rechter helft van Fig. 1A en 1B); dit opblazen gaat door totdat de moffen een uitwendige middellijn hebben die iets kleiner is dan die van 15 de put 2; de moffen gedragen zich dan als zuigers waarop de druk werkzaam is van het fluïdum en dat aangevoerd wordt door de motor-pompgroep 5 en de inrichting zal zich dan in de boring verder bewegen, en e) wanneer de moffen, bij het opblazen, de'gewenste middellijn hebben bereikt (zoals hierna vermeld) wordt de kraan 23 door afstand- 20 bediening in de stand gezet waardoor de verbindingen tussen de beide openingen ervan verbroken is en wordt aan de motor 21 geen energie meer toegevoerd, zodat de werking van de pomp 22 tot stilstand komt·
Het is uit het bovenstaande duidelijk dat de olie die nodig is voor het opblazen van de moffen geleverd is door het reservoir 19· 25 De optimale opblazen van de membranen 9 en 10 hangt af van de middellijn van de leiding waarin de inrichthg zich verplaatst. Hij is gemakkelijk te bepalen in het geval van een leiding zoals een pijp met corskante middellijn. In het geval van een boring die loopt door grondlagen kan de gebruiker deze optimale opblazen, die overeenkomt met de maximale 30 verplaatsingssnelheid van de bedienings- en voedingskabel aan de oppervlakte, waaraan het geheel van de inrichting 1 en de meetkop 3 is opgehangen, gemakkelijk bepalen,
In het geval van een diagrafie-meetsonde 3 worden de metingen gewoonlijk uitgevoerd door de sonde naar de oppervlakte terug te 35 brengen door de bedieningskabel aan te trekken. Om deze handeling zonder moeilijkheden te kunnen uitvoeren moeten de moffen leeggelopen zijn. Dit wordt verkregen door bediening van de kraan 2k om deze in de stand te zetten waarin de twee openingen van de kraan met elkaar in verbinding staan. De zich in de ringvormige ruimten 15 en 16 bevindende olie onder druk stroomt bo via de ruimte 26 naar het reservoir 19 totdat de moffen 9 en 10 de oorspronke- 8 0 0 68 7 8 -7- lijke stand weer innemen. Het is niettemin mogelijk om de inrichting in de andere richting te verplaatsen met gebruikmaking van een omkeerbare motor-pompgroep 5» dat wil zeggen één die in staat is om door de opening 7 het fluidum aan te zuigen waarmee de put is gevuld om het onder druk uit te 5 pompen door de opening 6.
De moffen bestaan uit een elastisch materiaal zoals een elastomeer en ze kunnen over een gedeelte van hun lengte worden versterkt zodat dit gedeelte in hoofdzaak cylindervormig blijft tijdens het opblazen van de moffen.
10 Deze versterkingen kunnen worden gevormd door tenminste één laag metaaldraden die axiaal of schroefvormig zijn aangebracht en die ingebed zijn in de dikte van de mof 9 of 10, zoals weergegeven in Fig. 2.
Deze versterkingselementen kunnen echter elke geschikte vorm hebben en ze kunnen bijvoorbeeld worden gevormd door staven 32 die in doorsnede T-vormig 15 zijn, en waarvan alleen het gedeelte dat binnendringt in de dikte van de mof hecht aan het elastische materiaal waaruit de mof bestaat, zoals weergegeven in Fig. 3·
Binnen het kader van de uitvinding kunnen wijzigingen worden aangebracht.
20 Het is bijvoorbeeld mogelijk om de inrichting 1 uit te rusten met een orgaan 33 voor het meten van de middellijn, schematisch met gebroken lijnen aangeduid in Fig. 1B. Deze inrichting omvat een element dat verplaatsbaar is volgens tenminste één radiale richting om in aanraking te komen met de wand van de put en aldus plaatselijk de diameter van de 25 boring aan te geven. Deze inrichting voor het meten van diameter kan van elk bekend type zijn en wordt niet in bijzonderheden beschreven. De gebruiker kan aan de hand van de door deze inrichting verstrekte informatie de moffen 9 en 10 tot de gewenste waarde opblazen.
Ontvangers zoals rekstrookjes, drukontvangers, inrichtingen 30 voor het meten van de verplaatsing van de ring 14 enzovoort, kunnen, na ijking, worden gebruikt voor het aangeven van de opblaasdiameter van de moffen.
In het in de tekening weergegeven geval is de inrichting volgens de uitvinding verbonden met een diagrafie-sonde, maar het mogelijk 35 om de inrichting 1 te gebruiken als lichaam van de sonde. Bovendien is dit gebruik van de inrichting voor het verplaatsen van een diagrafie-sonde slechts bij wijze van voorbeeld vermeld; de inrichting kan worden toegepast voor elk willekeurig orgaan dat door een leiding moet lopen.
In het in Fig. 1A en 13 weergegeven voorbeeld is het te bo verplaatsen orgaan geplaatst tussen de bedieningskabel en de inrichting 8006878 volgens de uitvinding. Het blijft echter ook mogelijk om de inrichting volgens de uitvinding te plaatsen tussen de bedieningskabel en het te verplaatsen orgaan.
In het geval waarin het systeem bestaande uit de motor 5 21 en de pomp 22 niet omkeerbaar is is het mogelijk om de elektrisch bediende kraan 23 achterwege te laten. Het is ook mogelijk om het te vervangen door een terugslagkraan.
Uiteraard is het mogelijk om de twee uiteinden van de moffen 9 en 10 op het lichaam van de inrichting te bevestigen, waarbij de 10 vervorming van die moffen dan toegelaten wordt alleen door hun elasticiteit.
Het opblazen van de moffen kan' worden geautomatiseerd met gebruikmaking van een differentiële drukontvanger JU (Fig. k). Een dergelijke ontvanger is in de techniek bekend en behoeft niet in bijzonderheden te worden beschreven. Hij is bijvoorbeeld van het type dat door SAINT 15 CYR ELECTRO INDUSTRIE in de handel wordt gebracht onder de aanduiding CDPD.
De ontvanger wordt gebruikt voor het meten van het drukverschil tussen de ingang en de uitgang van de motor-pompgroep 5· Hij geeft een signaal af dat representatief is voor het gemeten drukverschil. Het signaal wordt overgebracht naar een elektronisch inrichting 35 voor de be-20 sturing van het opblazen en laten leeglopen van de moffen 9 en 10, dat wil zeggen een inrichting die in staat is om de motor 21 van de pomp 22 te besturen en ook de kanalen 23 en 2k.
De besturingsinrichting 35 omvat middelen om het door de ontvanger 3^ geleverde signaal te vergelijken met twee bepaalde waarden 25Api en A P2 dat /}P<j < ηρ2·
Wanneer het door de ontvanger jh geproduceerde meetsig-naal kleiner is dan de drempel-waarde maakt de besturingsinrichting uitgangssignalen die aanleiding geven tot de sluiting van de kraan 2k, het openen van de kraan 23 en het werken van de motor 21. Het gevolg is dat de 30 organen 9 en 10 worden opgeblazen.
Wanneer het door de ontvanger 3^ afgegeven meetsignaal ligt tussen de waarden ^ en &P2 maakt de besturingsinrichting uitgangssignalen die aanleiding geven tot het handhaven van de gesloten stand van de kraan 2*l·, de sluiting van de kraan 23 en de stilstand van de motor 35 21.
Wanneer het meetsignaal een waarde heeft die boven de drempel P2 ligt levert de besturingsinrichting aan zijn uitgangsklemmen signalen die aanleiding geven tot het opengaan van de kraan 23, het in de gesloten stand houden van de kraan 23 en het stilhouden van de motor 21.
^fO Het gevolg is dan dat de membranen 9 en 10 leeglopen.
8 0 0 68 7 8 -9-
Op deze wijze zal, als tijdens de verplaatsing van de inrichting alle aan het lichaam 1 aangebrachte moffen zich bevinden in een zone van de put met een middellijn die aanzienlijk groter is dan die van de moffen, de waarde van de differentiële druk dalen beneden de waarde4 Ρ,ρ 5 Dan vindt het opblazen van de moffen plaats, zoals hierboven vermeld.
Als tijdens de verplaatsing van de inrichting één van de moffen een zone van de boring bereikt waarvan de middellijn kleiner is dan die van de moffen neemt het door de ontvanger jh gemeten drukverschil toe boven de drempelwaarde A P^ en See^ de besturingsinrichting 35 aan-10 leiding tot het leeglopen van de moffen, zoals hierboven vermeld.
De waarden Δ en ^ P^ worden experimenteel door de technicus bepaald in afhankelijkheid van de kracht die nodig is om de verplaatsing teweeg te brengen van de inrichting in de put met een bekende middellijn en hellingshoek.
15 De besturingsinrichting 35 is bijvoorbeeld van het type van een geprogrammeerde micro-processor en de hierboven beschreven werking ervan wordt in gang gezet bij ontvangst van een startsignaal A dat door de gebruiker wordt gemaakt bijvoorbeeld bij het aanzetten van de motor-pomp-groep 5· Men kan om veiligheidsredenen ook een detector toepassen die in 20 Fig. ·1Β schematisch is aangeduid door 36 en die een signaal levert dat representatief is voor de middellijn van één van de moffen, welke detector het opblazen van de moffen onderbreekt wanneer ze hun maximale middellijn 0^ hebben bereikt.
Fig. 5 toont een ander uitvoeringsvoorbeeld van de auto-25 matische besturing van het opblazen van de moffen 9 en 10.
Sr wordt een bestueringsinrichting 37 voor het opblazen en laten leeglopen van de moffen gebruikt die bijvoorbeeld is van het micro-processor-type dat geschikt geprogrammeerd is voor het besturen van de werking van de motor 21 en de kranen 23, 2Z.
30 Deze inrichting ontvangt de signalen die afgegeven worden door de inrichting 23 voor het meten van de middellijn, die de middellijn van de boring boven de mof 10 en in de nabijheid daarvan meet, en van de detector 36 die ook van dit zelfde type kan zijn en de opblaasdiameter meet van één van de moffen, waarbij de twee moffen identieke vervormingskarak-35 teristieken hebben.
De werking van de besturingsinrichting 37 wordt in gang gezet bij ontvangst van een signaal A dat gelijktijdig aanleiding geeft tot het starten van de motor-pompgroep 5·
De middellijnneter 33 geeft de waarde aan van de middelzo lijn D van de boring en de inrichting 37 geeft aan zijn uitgangsklemmen 8 0 0 68 7 8 — IU— signalen af die zorgen voor het sluiten van de kraan 24, het openen van de kraan 23 en het werken van de motor 21. Het opblazen van de moffen gaat door totdat de ontvanger 36 het signaal afgeeft dat representatief is voor een bepaalde waarde d van de diameter van de moffen die gelijk is aan D - t , 5 waarin £ een bepaalde waarde is die aangegeven wordt in de besturingsin-richting 37. Deze waarde £ wordt door de technicus zo gekozen dat de kracht die op de inrichting wordt uitgeoefend zorgt voor de verplaatsing ervan in de boring.
Wanneer de waarde van de door de ontvanger 36 gemeten 10 middellijn gelijk is aan de waarde d = D - £ geeft de besturingsinrichting 37 uitgangssignalen die de kraan 24 gesloten houden, de kraan 23 sluiten en de motor 21 stoppen.
Wanneer de inrichting tijdens zijn verplaatsing een zone bereikt met kleinere middellijn geeft de middellijnmeter 33 een nieuwe 15 waarde aan en geeft de besturingsinrichting 37 signalen af die de motor 21 in zijn stilstand houden en de kraan 23 in zijn gesloten stand, en die de kraan 24 openen. Het gevolg is dat de moffen leeglopen, hetgeen doorgaat totdat de aanwijzing van de ontvanger 36 weer gelijk is aan de aanwijzing van de middellijnmeter 33 verminderd met de waarde £ . Op dat moment geeft 20 de besturingsinrichting 37 een signaal af dat aanleiding geeft tot het sluiten van de kraan 24.
Als de inrichting tijdens zijn verplaatsing een zone bereikt met een diameter die groter is dan de opblaasdiameter van de moffen geeft de middellijnmeter 33 een nieuwe waarde aan en produceert de bestu-25 ringsinrichting 37 uitgangssignalen die de kraan 24 gesloten houden, de kraan 23 openen en de motor 21 in werking zetten. Men zorgt aldus voor het opblazen van de moffen en dit gaat door totdat de aanwijzing van de ontvanger 36 weer gelijk is aan die van de middellijnmeter 33 verminderd met de waarde C » Op dat moment stopt de besturingsinrichting 37 het opblazen 30 van de moffen waarbij de motor wordt stilgezet en de kraan 23 weer wordt gesloten.
Fig. 6 toont wijzigingen die aangebracht kunnen worden in de automatische besturingsinrichting voor de moffen.
In het algemeen wordt, tijdens de uitvoering van het boren 35 de diameter van het geboorde gat gemeten in afhankelijkheid van de diepte. Deze metingen kunnen dan worden vastgelegd in een geheugen in de besturingsinrichting 37· De middellijnmeter 33 wordt achterwege gelaten en een ontvanger 38, die bijvoorbeeld het aflopen aan de oppervlakte meet van de kabel waaraan de inrichting is opgehangen, geeft de diepte aan die door de 4θ inrichting is bereikt. De corresponderende waarde van de putdiameter wordt 8006878 -11- uit het geheugen gehaald en het opblazen of laten leeglopen van de moffen wordt uitgevoerd zoals hierboven werd vermeld.
Volgens een andere variant vindt het automatisch opblazen van de moffen 9 en 10 slechts plaats wanneer de inrichting niet meer verder 5 kan onder de invloed van de zwaartekracht alleen. In dat geval wordt een ontvanger 39 gebruikt voor het meten van de spanning in de kabel die de inrichting met de oppervlakte verbindt. Deze ontvanger geeft een signaal af dat de werking mogelijk maakt van de inrichting 37 wanneer de spanning in de kabel kleiner is dan een bepaalde waarde , dat wil zeggen wanneer 10 de kabel ontspannen is. Bovendien geeft, wanneer de in de kabel gemeten spanning groter is dan een andere bepaalde waarde die minstens overeenkomt met de verplaatsingskracht die wordt uitgeoefend door de werking van de inrichting alleen, de inrichting 37 aanleiding geeft tot het volledig laten leeglopen van de moffen 9, 10 alvorens de werking ervan wordt onder-15 broken. De inrichting kan zich dan verplaatsen onder invloed van de zwaartekracht.
De waarde van kan worden bepaald door het meten van het drukverschil fa P tussen de ingang en de uitgang van de motor-pompgroep 5 alsmede de opblaasdiameter van de moffen. Men heeft dan
20 AA
!2iAP» TT- v - -- waaraan 0^ de opblaasdiameter voorstelt van de moffen en 0q de diameter van het lichaam van de inrichting.
Evenals eerder en om redenen van veiligheid wordt de 25 werking van de inrichting 37 gestopt wanneer de ontvanger 36 een signaal af geeft dat gelijk is aan de maximale opblaasdiameter d^^ van de moffen, welke waarde aangegeven wordt in de inrichting 37· 30 8006878
Claims (12)
1. Inrichting voor hd; verplaatsen van een orgaan (3) waar aan deze inrichting is bevestigd binnen een met een fluïdum gevulde leiding 5 (2), welke inrichting een buisvormig lichaam omvat dat aan beide einden open is en met een kleinere dwarsdoorsnede dan die van de leiding (2), middelen (5) om het fluïdum binnen het buisvormige lichaam te laten stromen zodanig dat het fluïdum binnendringt door een uiteinde (8) van het lichaam en weggestuwd wordt door het andere uiteinde (7)» welke middelen een motor-pomp- 10 groep (5) omvatten waarvan de in- en uitlaatopening respektievelijk in verbinding staan met de beide uiteinden van het buisvormige lichaam, tenminste één elastische mof (9,10) die een gedeelte van het lichaam (1a - 1c) omgeeft en waarmee een gesloten ringvormige ruimte (15, 16) vormt, en opblaas-middelen (19, 30) voor de mof (9, 10), welke inrichting gekenmerkt is door- 15 dat tenminste één (11, 13) van de uiteinden (11, 12, 13, 1*0 van de mof ver bonden is met het buisvormige lichaam (1a tot 1c), en dat de opblaasmidde-len ingericht zijn voor het opblazen van de mof (9, 10) totdat de uitwendige middellijn ervan een waarde bereikt die iets kleiner is dan die van de leiding.
2. Inrichting volgens conclusie 1,met het ken merk, dat de werking van de motor-pompgroep (5) omkeerbaar is.
3. Inrichting volgens conclusie 1,met het ken merk, dat de opblaasmiddelen (19, 30) een vloeistofreservoir (19) omvatten met tenminste één vervormbaar wanddeel (19a), een motorpompgroep 25 (21, 22) waarbij de inlaatopening (25) van de pomp rechtstreeks in verbinding staat met het reservoir (19) en de uitstroomopening (27) in verbinding staat met een hydraulische keten (23, 23, 29, 30) waardoor de ringvormige ruimte ¢15, 16) wordt gevoed, en op afstand bestuurde middelen (2*0 om achtereenvolgens rechtstreeks de ringvormige ruimte (15, 16) te verbinden 30 met het vloeistofreservoir (19).
4. Inrichting volgens conclusie 3, m e t het ken merk, dat de op afstand bestuurde middelen worden gevormd door een elektrisch bediende kraan (24) met twee standen waarvan de ene een rechtstreekse verbinding tot stand brengt tussen de ringvormige ruimte (15, 16) en 35 het reservoir (19).
5. Inrichting volgens conclusie 4,met het ken merk, dat de hydraulische keten een orgaan omvat van het terugslagkraan type waardoor de vloeistof kan stromen in de richting die zorgt voor het opblazen van de mof. 4o
6. Inrichting volgens conclusie 5, m e t het ken- 8006878 -13- nierk, dat deze meerdere moffen (9, 10) omvat die het lichaam van de inrichting omgeven, welke moffen parallel worden gevoed door de hydraulische keten,
7. Inrichting volgens conclusie 1, m e t het ken- 5. e r k, dat deze een orgaan (33) omvat voor het meten van de middellijn van de leiding boven de elastische mof (9, 10) gesproken ten opzichte van de voortgangsrichting van de inrichting in de leiding,
8. Inrichting volgens conclusie a e t het kenmerk, dat deze automatische middelen (33 tot 39) omvatten voor de bestu- 10 ring van de opblaasmiddelen (19, 30).
9. Inrichting volgens conclusie 8,methetken- m e r k, dat de automatische besturingsmiddelen (33 tot 39) een differentiële drukdetector (3^) omvatten die het drukverschil meet tussen de ingang en de uitgang van de motor-pompgroep (3) waardoor het fluïdum binnen het 15 buisvormige lichaam rondstroomt, en een besturingsinrichting (35) die de opblaasmiddelen (19, 30) in werking stelt om te zorgen voor het opblazen van de moffen (9, 10) voor zover het door de detector (3^) gemeten drukverschil kleiner is dan een bepaalde waarde Δρ^ en om te zorgen voor het laten leeglopen van de moffen (9, 10) wanneer het door de detector (3*0 gemeten 20 drukverschil groter is dan een tweede bepaalde waarde die groter is dan de druk P^, waarbij de besturingsinrichting (35) de werking van de opblaasmiddelen (19, 30') onderbreekt wanneer het door de detector (3^) gemeten drukverschil ligt tussen de twee genoemde waarden P^ en J\ ?£·
10. Inrichting volgens conlusie 7 of 8,met het ken-25 m e r k, dat deze een detector (36) omvat die de opblaasmiddellijn van de moffen (9, 10) meet, en een besturingsinrichting (37) die de opblaasmiddelen (19, 30) in werking stelt totdat de aanwijzing van de detector (36) voor de opblaasmiddellijn van de moffen (9, 10) gelijk is aan de aanwijzing van het orgaan (33) voor het meten van de middellijn van de leiding ver-30 minderd met een bepaalde waarde ·
11. Inrichting volgens conclusie 8,met het ken-m er k, dat deze een detector (36) omvat die de opblaasdiameter van de moffen (9, 10) meet, een detector (38) die de stand bepaalt van de inrichting in de leiding en een besturingsinrichting (37) waarin de diameterwaar- 35 den van de leiding als funktie van de lengte ervan zijn vastgelegd, welke besturingsinrichting de opblaasmiddelen (19, 30) in werking stelt totdat de aanwijzing van de detector (36) voer de opblaasdiameter van de moffen (9, 10) gelijk is aan de vastgelegde aanwijzing van de diameter van de leiding op de betreffende plaats, verminderd met een bepaalde waarde £. . kO
12. Inrichting volgens conclusie 10 of 11, die met de oneer- 8006878 w I 1 1' — vlakte verbonden is door een kabel, met het kenmerk, dat deze een detector (39) omvat voor de spanning in de kabel, welke detector de werking van de besturingsinrichting (37) mogelijk maakt,wanneer de spanning in de kabel lager is dan een eerste bepaalde waarde en de werking van de 5besturingsinrichting (J ) onderbreekt wanneer de spanning in de kabel hoger is dan een tweede bepaalde waarde T^ die hoger is dan de eerste. 10 8 0 0 68 7 8
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| FR7931561A FR2473652A1 (fr) | 1979-12-20 | 1979-12-20 | Dispositif assurant le deplacement d'un element dans un conduit rempli d'un liquide |
| FR7931561 | 1979-12-20 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8006878A true NL8006878A (nl) | 1981-07-16 |
Family
ID=9233123
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8006878A NL8006878A (nl) | 1979-12-20 | 1980-12-18 | Inrichting voor het verplaatsen van een element in een met vloeistof gevulde leiding. |
Country Status (11)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US4378051A (nl) |
| JP (1) | JPS5697095A (nl) |
| BR (1) | BR8008370A (nl) |
| CA (1) | CA1155390A (nl) |
| DE (1) | DE3047261A1 (nl) |
| FR (1) | FR2473652A1 (nl) |
| GB (1) | GB2065260B (nl) |
| IT (1) | IT1148749B (nl) |
| MX (1) | MX7087E (nl) |
| NL (1) | NL8006878A (nl) |
| NO (1) | NO156337C (nl) |
Families Citing this family (20)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| AU550360B2 (en) * | 1982-02-09 | 1986-03-20 | Dickinson, Ben Wade Oakes Iii | Borehole instrument |
| US4558751A (en) * | 1984-08-02 | 1985-12-17 | Exxon Production Research Co. | Apparatus for transporting equipment through a conduit |
| FR2575515B1 (fr) * | 1984-12-28 | 1988-11-10 | Inst Francais Du Petrole | Dispositif propulse par pression hydraulique permettant des mesures et des interventions en cours d'injection ou de production dans un puits devie |
| GB9614761D0 (en) | 1996-07-13 | 1996-09-04 | Schlumberger Ltd | Downhole tool and method |
| US6189621B1 (en) * | 1999-08-16 | 2001-02-20 | Smart Drilling And Completion, Inc. | Smart shuttles to complete oil and gas wells |
| GB9930866D0 (en) * | 1999-12-30 | 2000-02-16 | Reeves Wireline Tech Ltd | Pumping sub for well logging tools |
| CA2404881A1 (en) * | 2000-03-27 | 2001-10-04 | Rockwater Limited | Riser with retrievable internal services |
| US6554076B2 (en) | 2001-02-15 | 2003-04-29 | Weatherford/Lamb, Inc. | Hydraulically activated selective circulating/reverse circulating packer assembly |
| US6497278B1 (en) * | 2001-03-19 | 2002-12-24 | Varco I/P | Circulation control device |
| US7201226B2 (en) * | 2004-07-22 | 2007-04-10 | Schlumberger Technology Corporation | Downhole measurement system and method |
| CN104285029B (zh) | 2012-03-21 | 2017-05-10 | 沙特阿拉伯石油公司 | 用于移动连续管柱的井下方法和可膨胀箍 |
| US9243490B2 (en) | 2012-12-19 | 2016-01-26 | Baker Hughes Incorporated | Electronically set and retrievable isolation devices for wellbores and methods thereof |
| CN104071163B (zh) * | 2013-03-27 | 2017-12-01 | 广州雅图新能源科技有限公司 | 一种轨道交通工具及其行车方法 |
| CN104071164A (zh) * | 2013-03-27 | 2014-10-01 | 邓允河 | 一种管道交通运输系统及其运输方法 |
| CN104071165B (zh) * | 2013-03-27 | 2017-12-05 | 广州雅图新能源科技有限公司 | 一种管道运输工具及其行车方法 |
| WO2014154043A1 (zh) * | 2013-03-27 | 2014-10-02 | 广州雅图新能源科技有限公司 | 管道运输工具 |
| CN104074668B (zh) * | 2013-03-27 | 2017-12-05 | 广州雅图新能源科技有限公司 | 能量转换系统及方法 |
| US20150144335A1 (en) * | 2013-11-25 | 2015-05-28 | Schlumberger Technology Corporation | Power retrieving tool |
| US12410694B2 (en) * | 2021-09-13 | 2025-09-09 | Bn Technology Holdings Inc. | Downhole setting tool and method of use |
| US20250320789A1 (en) * | 2024-04-10 | 2025-10-16 | Baker Hughes Oilfield Operations Llc | Pump for inflating a downhole element, method, and system |
Family Cites Families (15)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US2946565A (en) * | 1953-06-16 | 1960-07-26 | Jersey Prod Res Co | Combination drilling and testing process |
| US2859828A (en) * | 1953-12-14 | 1958-11-11 | Jersey Prod Res Co | Down hole hydraulic pump for formation testing |
| US2828823A (en) * | 1955-07-07 | 1958-04-01 | Exxon Research Engineering Co | Reinforced inflatable packer |
| US2942667A (en) * | 1957-03-07 | 1960-06-28 | Jersey Prod Res Co | Advancing type well packer |
| US3209835A (en) * | 1957-03-18 | 1965-10-05 | Continental Oil Co | Inflatable packer apparatus |
| US3066739A (en) * | 1958-12-10 | 1962-12-04 | Schlumberger Well Surv Corp | Borehole apparatus |
| US3083774A (en) * | 1959-12-24 | 1963-04-02 | Jersey Prod Res Co | Subsurface packer inflating pump |
| US3052302A (en) * | 1960-07-25 | 1962-09-04 | Shell Oil Co | Tool carrier with by-pass |
| US3158200A (en) * | 1961-08-09 | 1964-11-24 | Lynes Inc | Pumping apparatus for anchoring in a well bore |
| US3321184A (en) * | 1966-01-03 | 1967-05-23 | John B Goss | Self-propelling hose-nozzle assembly and method of using same |
| US3401749A (en) * | 1966-09-06 | 1968-09-17 | Dresser Ind | Method and apparatus for moving wire-line tools through deviated well bores |
| FR2085406B1 (nl) * | 1970-04-17 | 1973-10-19 | Elf | |
| US3960211A (en) * | 1974-09-30 | 1976-06-01 | Chevron Research Company | Gas operated hydraulically actuated wire line packer |
| US4113236A (en) * | 1976-08-23 | 1978-09-12 | Suntech, Inc. | Pulling tool apparatus |
| FR2414614A1 (fr) * | 1978-01-12 | 1979-08-10 | Inst Francais Du Petrole | Dispositif de forage mettant en oeuvre un organe de pompage assurant l'irrigation centripete du front de taille |
-
1979
- 1979-12-20 FR FR7931561A patent/FR2473652A1/fr active Granted
-
1980
- 1980-12-16 DE DE19803047261 patent/DE3047261A1/de not_active Withdrawn
- 1980-12-17 NO NO803833A patent/NO156337C/no unknown
- 1980-12-18 NL NL8006878A patent/NL8006878A/nl not_active Application Discontinuation
- 1980-12-19 BR BR8008370A patent/BR8008370A/pt unknown
- 1980-12-19 CA CA000367274A patent/CA1155390A/fr not_active Expired
- 1980-12-19 JP JP17905980A patent/JPS5697095A/ja active Pending
- 1980-12-19 US US06/218,245 patent/US4378051A/en not_active Expired - Fee Related
- 1980-12-19 GB GB8040758A patent/GB2065260B/en not_active Expired
- 1980-12-19 IT IT26805/80A patent/IT1148749B/it active
-
1981
- 1981-01-05 MX MX819246U patent/MX7087E/es unknown
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| FR2473652B1 (nl) | 1983-11-18 |
| NO156337C (no) | 1987-09-02 |
| NO156337B (no) | 1987-05-25 |
| IT1148749B (it) | 1986-12-03 |
| JPS5697095A (en) | 1981-08-05 |
| FR2473652A1 (fr) | 1981-07-17 |
| IT8026805A0 (it) | 1980-12-19 |
| MX7087E (es) | 1987-05-28 |
| US4378051A (en) | 1983-03-29 |
| GB2065260A (en) | 1981-06-24 |
| CA1155390A (fr) | 1983-10-18 |
| NO803833L (no) | 1981-06-22 |
| DE3047261A1 (de) | 1981-09-17 |
| BR8008370A (pt) | 1981-07-07 |
| GB2065260B (en) | 1983-12-21 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| NL8006878A (nl) | Inrichting voor het verplaatsen van een element in een met vloeistof gevulde leiding. | |
| US11299946B2 (en) | Downhole apparatus | |
| CA2197260C (en) | Electro hydraulic downhole control device | |
| US4729429A (en) | Hydraulic pressure propelled device for making measurements and interventions during injection or production in a deflected well | |
| EP0647764B1 (en) | Well treating system with pressure readout at surface | |
| CA2620016C (en) | Methods, systems and apparatus for coiled tubing testing | |
| EP1319800B1 (en) | Borehole equipment position detection system | |
| NL193911C (nl) | Inklapbare vastzetinrichting voor een in een boorput omlaaggebrachte sonde. | |
| EP2494136B1 (en) | A device and a system and a method of moving in a tubular channel | |
| US3731530A (en) | Apparatus for determining the gas content of drilling muds | |
| US20040173363A1 (en) | Packer with integrated sensors | |
| CA2969914C (en) | Hydraulically assisted esp deployment system | |
| US11719084B2 (en) | Bottom hole assembly including a resttable plug and associated methods of use | |
| EP0297962B1 (en) | Flow restricting logging tool and method | |
| US20180128083A1 (en) | Hydraulically assisted deployed esp system | |
| NL9022119A (nl) | Inrichting voor het meten van de via een pijp getransporteerde boorputfluidumstroom. | |
| BR112019015758A2 (pt) | Detecção de vazamento para válvula de isolamento de poço abaixo | |
| WO2019122835A1 (en) | Apparatus and method for deploying a pump system in a wellbore | |
| US3381766A (en) | Drilling system | |
| EP3670827B1 (en) | Downhole isolation valve with a differential pressure indicator | |
| CN206608166U (zh) | 油田用跨隔测压仪的活塞泵电机组件 | |
| CA3094615A1 (en) | Rolling seal for transfer of pressure in a downhole tool |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BV | The patent application has lapsed |