NL8005722A - Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal. - Google Patents
Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8005722A NL8005722A NL8005722A NL8005722A NL8005722A NL 8005722 A NL8005722 A NL 8005722A NL 8005722 A NL8005722 A NL 8005722A NL 8005722 A NL8005722 A NL 8005722A NL 8005722 A NL8005722 A NL 8005722A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- signal
- information
- image
- read
- video
- Prior art date
Links
- 238000012545 processing Methods 0.000 title claims description 41
- 238000000034 method Methods 0.000 title claims description 23
- 230000015654 memory Effects 0.000 claims description 103
- 238000005070 sampling Methods 0.000 claims description 51
- 239000002131 composite material Substances 0.000 claims description 5
- 238000012937 correction Methods 0.000 description 32
- 238000004364 calculation method Methods 0.000 description 13
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 10
- 230000006835 compression Effects 0.000 description 7
- 238000007906 compression Methods 0.000 description 7
- 230000004044 response Effects 0.000 description 7
- 238000006243 chemical reaction Methods 0.000 description 6
- 230000008878 coupling Effects 0.000 description 6
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 description 6
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 description 6
- 238000001514 detection method Methods 0.000 description 6
- 230000003111 delayed effect Effects 0.000 description 4
- 238000010586 diagram Methods 0.000 description 4
- 238000000605 extraction Methods 0.000 description 4
- 239000011159 matrix material Substances 0.000 description 4
- 230000000717 retained effect Effects 0.000 description 4
- 230000002411 adverse Effects 0.000 description 3
- 230000005055 memory storage Effects 0.000 description 3
- 230000002441 reversible effect Effects 0.000 description 3
- 238000000926 separation method Methods 0.000 description 3
- 230000015572 biosynthetic process Effects 0.000 description 2
- 125000004122 cyclic group Chemical group 0.000 description 2
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 2
- 230000033001 locomotion Effects 0.000 description 2
- 230000036961 partial effect Effects 0.000 description 2
- 230000006798 recombination Effects 0.000 description 2
- 238000005215 recombination Methods 0.000 description 2
- 230000001105 regulatory effect Effects 0.000 description 2
- 230000033764 rhythmic process Effects 0.000 description 2
- 239000007787 solid Substances 0.000 description 2
- 230000005236 sound signal Effects 0.000 description 2
- 238000012360 testing method Methods 0.000 description 2
- VYZAMTAEIAYCRO-UHFFFAOYSA-N Chromium Chemical compound [Cr] VYZAMTAEIAYCRO-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 1
- 102100024074 Dystrobrevin alpha Human genes 0.000 description 1
- 101001044612 Homo sapiens Density-regulated protein Proteins 0.000 description 1
- 101001053689 Homo sapiens Dystrobrevin alpha Proteins 0.000 description 1
- 101000907912 Homo sapiens Pre-mRNA-splicing factor ATP-dependent RNA helicase DHX16 Proteins 0.000 description 1
- 101000720856 Homo sapiens Probable ATP-dependent RNA helicase DDX10 Proteins 0.000 description 1
- 101100498499 Neurospora crassa (strain ATCC 24698 / 74-OR23-1A / CBS 708.71 / DSM 1257 / FGSC 987) dbp-4 gene Proteins 0.000 description 1
- 101100277038 Neurospora crassa (strain ATCC 24698 / 74-OR23-1A / CBS 708.71 / DSM 1257 / FGSC 987) dbp-5 gene Proteins 0.000 description 1
- 102100023390 Pre-mRNA-splicing factor ATP-dependent RNA helicase DHX16 Human genes 0.000 description 1
- 102100025897 Probable ATP-dependent RNA helicase DDX10 Human genes 0.000 description 1
- 102100029092 Utrophin Human genes 0.000 description 1
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 1
- 230000008859 change Effects 0.000 description 1
- 238000005352 clarification Methods 0.000 description 1
- 239000004927 clay Substances 0.000 description 1
- 230000001276 controlling effect Effects 0.000 description 1
- 101150025873 dbp6 gene Proteins 0.000 description 1
- 230000002950 deficient Effects 0.000 description 1
- 238000009795 derivation Methods 0.000 description 1
- 239000012634 fragment Substances 0.000 description 1
- UMHAZRHZAQYINK-UCLGWUJRSA-N hrp-5 Chemical compound C([C@@H](C(=O)N[C@@H](C)C(=O)N[C@@H](CCCCN)C(=O)N[C@@H](CCCNC(N)=N)C(=O)N[C@@H](CC1N=CN=C1)C(=O)N[C@@H](CC1N=CN=C1)C(=O)NCC(=O)N[C@@H](CC=1C=CC(O)=CC=1)C(=O)N[C@@H](CCCCN)C(=O)N[C@@H](CCCNC(N)=N)C(=O)N[C@@H](CCCCN)C(=O)OC(=O)CC[C@H](NC(=O)[C@H](CC1N=CN=C1)NC(=O)[C@@H](N)CC=1C=CC=CC=1)C(=O)N[C@@H](CCCCN)C(=O)N[C@@H](CC1N=CN=C1)C(=O)N[C@@H](CC1N=CN=C1)C(=O)OC(=O)[C@H](CC=1C=CC(O)=CC=1)NC(=O)[C@H](CC=1C=CC(O)=CC=1)NC(=O)CNC(=O)[C@H](CCCNC(N)=N)NC(=O)[C@H](CC1N=CN=C1)NC(=O)[C@@H](N)CO)NC(=O)[C@H](CO)NC(=O)[C@@H](N)CC(O)=O)C1C=NC=N1 UMHAZRHZAQYINK-UCLGWUJRSA-N 0.000 description 1
- 230000000670 limiting effect Effects 0.000 description 1
- 238000013507 mapping Methods 0.000 description 1
- 239000000203 mixture Substances 0.000 description 1
- 238000012986 modification Methods 0.000 description 1
- 230000004048 modification Effects 0.000 description 1
- 238000003672 processing method Methods 0.000 description 1
- 238000004725 rapid separation liquid chromatography Methods 0.000 description 1
- 230000001360 synchronised effect Effects 0.000 description 1
- 238000012546 transfer Methods 0.000 description 1
- 238000005303 weighing Methods 0.000 description 1
Classifications
-
- H—ELECTRICITY
- H04—ELECTRIC COMMUNICATION TECHNIQUE
- H04N—PICTORIAL COMMUNICATION, e.g. TELEVISION
- H04N9/00—Details of colour television systems
- H04N9/79—Processing of colour television signals in connection with recording
- H04N9/87—Regeneration of colour television signals
- H04N9/88—Signal drop-out compensation
- H04N9/888—Signal drop-out compensation for signals recorded by pulse code modulation
-
- H—ELECTRICITY
- H04—ELECTRIC COMMUNICATION TECHNIQUE
- H04N—PICTORIAL COMMUNICATION, e.g. TELEVISION
- H04N9/00—Details of colour television systems
- H04N9/79—Processing of colour television signals in connection with recording
- H04N9/87—Regeneration of colour television signals
- H04N9/873—Regeneration of colour television signals for restoring the colour component sequence of the reproduced chrominance signal
-
- H—ELECTRICITY
- H04—ELECTRIC COMMUNICATION TECHNIQUE
- H04N—PICTORIAL COMMUNICATION, e.g. TELEVISION
- H04N9/00—Details of colour television systems
- H04N9/79—Processing of colour television signals in connection with recording
- H04N9/87—Regeneration of colour television signals
- H04N9/877—Regeneration of colour television signals by assembling picture element blocks in an intermediate memory
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Multimedia (AREA)
- Signal Processing (AREA)
- Television Signal Processing For Recording (AREA)
- Processing Of Color Television Signals (AREA)
Description
Ca/Hb/gev. 1178. ' -1-
Titel: Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal.
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze en een inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal,. f en meer in het bijzonder van een in digitale vorm gebracht kleurenvideosignaal.
5 Bij opname en weergave van een in digitale vorm gebracht videosignaal door middel van een videobandapparaat van het type met een roteerbare magneetkop kunnen willekeurig verdeelde fouten optreden, welke worden veroorzaakt door de werking van de magneetkop, de magneetband of van een tot io hét videobandapparaat behorende versterker? ook is het mogelijk, dat door het wegvallen van het videosignaal een fout in het kleursynchronisatiesignaal optreedt. Verwerking van in digitale vorm gebracht videosignaal heeft het erkende voordeel, dat mathematische correctie van foutieve informatie 15 mogelijk is door invoeging van overvloedigheids- of redundan-tiebits in de opgenomen of overgedragen informatie. Zo is bijvoorbeeld een correctiewijze van gedigitaliseerde informatie bekend, waarbij deze laatstgenoemde wordt verdeeld in informa-tieblokken, welke ieder* tezamen met een cyclische redundantie-20 controle- of CRC-code en een horizontale en verticale pari-teitsinformatie worden opgenomen of overgedragen, zodat bij weergave of ontvangst van dergelijke gedigitaliseerde informatie de mogelijkheid bestaat, een eventuele fout in een der-r gelijk informatieblok te detecteren en vervolgens op basis van 25 de respectievelijk bijbehorende pariteitsinformatie te corrigeren. De toevoeging van de CRC-code en de pariteitsinformatie in de vorm van redundantiebits aan op te nemen of over te dragen informatie ter bescherming van die informatie tegen foutie-r ve interpretatie brengt echter noodzakelijkerwijze een vergro-30 ting van het aantal op te nemen bits, respectievelijk de op-neemsnelheid met zich mede, hetgeen ingaat tegen de behoefte aan een minimaal magneetbandgebruik voor informatieregistra-tie. Dit kan tot gevolg hebben, dat zelfs indien voor een in digitale vorm gebracht videosignaal een codering wordt toege-35 past, welke de mogelijkheid 8005722 * -2- i..—·' van foutcorrectie herbergt, de omvang van een fout in sommige gevallen de foutcorrectiemogelijkheid, welke door de aanvaardbare redundantie van de codering wordt beperkt, te buiten gaat.
5 Behalve een dergelijke foutcorrectie kent men ook verberging van een in een overgedragen of opgenomen videosignaal optredende fout, zodanig, dat een dergelijke 'fout in het uiteindelijk zichtbaar gemaakte beeld niet opvalt. Bij een dergelijke, reeds voorgestelde methode vindt interpola-10 tie tussen de foutieve informatie (omtrent een beeldregel) en de op een onmiddellijk voorafgaande beeldregel van het zelfde beeldraster betrekking hebbende informatie plaatst; daarbij wordt gebruik gemaakt van de sterke correlatie tussen opeenvolgende beeldregels, respectievelijk in de verticale 15 richting, van. een zichtbaar gemaakt televisiebeeld. Volgens een andere op foutverberging gerichte signaalbewerkingswijze wordt foutieve informatie (omtrent een beeldregel) vervangen door de gemiddelde informatiewaarde van zowel de op een onmiddellijk voorafgaande als de op een onmiddellijk volgen-20 de beeldregel betrekking hebbende informatie.
Bij deze op foutverberging gebaseerde werkwijzen wordt de door interpolatie verkregen of voor vervanging van de foutieve informatie dienende informatie afgeleid uit tot een zelfde beeldraster behorende beeldregelinformatie. Aan-25 gezien een zichtbaar gemaakt televisiebeeld echter door op toepassing van twee beeldrasters per videobeeld gebasserde interliniering wordt gevormd, vertonen twee opeenvolgende v beeldregels van een zelfde beeldraster een afstand, welke tweemaal die tussen aangrenzende beeldregels van het zicht-30 baar gemaakte videobeeld bedraagt. Dit wil zeggen, dat de informatie omtrent onmiddellijk aangrenzende beeldregels van een zelfde beeldraster een geringere correlatie vertoont dan de informatie omtrent twee opeenvolgende beeldregels van een zichtbaar gemaakt videobeeld.
35 In verband hiermede is. door aanvraagster reeds een op foutverberging gebaseerde videosignaalcorrectie voorgesteld V 8005722 -3-.
-S- r volgens welke een foutvertonende informatie omtrent een beeld-regen van een videobeeldraster wordt vervangen door overeenkomstige informatie omtrent diè beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, welke zich in het zichtbaar 5 gemaakte, uit de beide hier genoemde beeldrasters bestaande videobeeld onmiddellijk nabij de door een fout getroffen - beeldregel bevindt, zodat de voor foutverberging gebruikte informatie een betrekkelijk grote overeenkomst vertoont met de foutloze of juiste versie van de te vervangen beeldregel-10 informatie. In het geval van kleurenvideosignalen doet zich echter het verschijnsel voor, dat de fase van de chrominan-tiecomponent, dat wil zeggen van het kleurhulpdraaggolf-signaal van de kleurinformatie, eventueel op overeenkomstige plaatsen van onmiddellijk aangrenzende beeldregels van het 15 volledige videobeeld een verschil vertoont. Dit wil zeggen, aat hoewel de kleurinformatie zelf op dergelijke plaatsen van onmiddellijk aangrenzende beeldregels de zelfde kan zijn, ue polariteiten van de desbetreffende informaties onderling tegengesteld kunnen zijn.
20 ' ïn het geval van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen, dat indien foutieve informatie omtrent een beeldregel van een beeldraster wordt vervangen door overeenkomstige informatie omtrent de zelfde beeldregel van het onmiddellijk vooraf-25 gaande beeldraster, de vervangende beeldregel zich hetzij boven hetzij onder de door een fout getroffen beeldregel in het volledige videobeeld bevindt, zulks afhankelijk van het feit of de beide beeldrasters tot een zelfde of tot twee verschillende volledige videobeelden behoren.
30 Als gevolg daarvan geldt voor een kleurenvideo signaal van het NTSC-type, dat indien door een fout getroffen informatie omtrent een beeldregel van een beeldraster wordt vervangen door overeenkomstige informatie omtrent de zelfde beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, 35 de voor vervanging gebruikte kleurinformatie eventueel wel, doch eventueel niet de zelfde polariteit als de vervangen informatie heeft. Aangezien de door een fout getroffen! 8005722 % -4-.
beeldregel van het ene beeldraster en de zelfde, vervangende beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster zich binnen het uit de beide raster bestaande, volledige videobeeld op enige afstand in verticale richting van elkaar uitstrekken, 5 zal ter plaatse van devervangende informatie een discontinuïteit optreden, en zulks meer in het bijzonder voor wat betreft de luminantiecomponent.
Op soortgelijke wijze geldt in het geval van een kleurenvideosignaal van het PAL-type, dat indien de foutieve 10 informatie omtrent een beeldregel van een beeldraster wordt vervangen door overeenkomstige informatie omtrent de zelfde beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, welke zelfde, vervangende beeldregel zich binnen het door de beide beeldrasters gevormde, volledige videobeeld onmiddellijk 15 aangrenzend aan de door een fout getroffen beeldregel uitstrekt, hetzij de kleurinformatie omtrent de vervangende, tot het onmiddellijk voorafgaande beeldraster behorende beeldregel de aan die van de te vervangen beeldregel tegengestelde polariteit veroont, hetzij in overigens overeenkomstige be-20 monsterpunten van de beide aangrenzende beeldregels onderling verschillende kleurinformatiewaarden worden verkregen. Bovendien resulteert de afstand in verticale richting tussen de door een fout getroffen, te vervangen beeldregel en de vervangende, tot het onmiddellijk voorafgaande beeldraster be-25 horende beeldregel eveneens in discontinuiteiten, meer in het bijzonder wat betreft de luminantiecomponent, op diè plaatsen in het volledige videobeeld, waar op de beschreven wijze foutverberging van het PAL-kleurenvideosignaal plaats vindt.
Daarbij dient te worden opgemerkt, dat bij het 30 toegepaste videobandapparaat een roteerbare magneetkop tijdens langstransport van de magneetband een herhaalde aftasting van de magneetband uitvoert voor opname van een kleurenvideosignaal in opeenvolgende, onderling evenwijdige registratie-sporen, welke zich in schuine richting over de magneetband 35 uitstrekken. De snelheid, waarmede de roteerbare magneetkop zijn herhaalde aftasting van de magneetband uitvoert, wordt bijvoorbeeld zodanig geregeld, dat per registratiespoor 8005722 -5- de op ëén beeldraster betrekking hebbende video-informatie wordt opgenomen. Tijdens normale signaalweergave is de band-transportsnelheid de zelfde als diê tijdens signaalopname; de roteerbare magneetkop voert daarbij gedurende iedere 5 beeldrasterperiode een getrouwe aftasting van ëén enkel registratiespoor uit, zodat uit het desbetreffende spoor steeds slechts de video-informatie van één zelfde videobeeld-raster wordt uitgelezen. Bij afwijkende vormen van signaalweergave, zoals bijvoorbeeld signaalweergave bij bandtrans-10 port met ten opzichte van de normale waarde verhoogde snelheid wordt de snelheid van bandtransport enige malen hoger dan de normale bandtransportsnelheid gekozen, zodat gedurende één enkele rasterperiodeduur aftasting door de magneetkop van een aantal registratiesporen plaats vindt; daarbij worden 15 opeenvolgende fragmenten met video-informatie uit verschillende beeldrasters en/of volledige videobeelden uit de verschillende registratiesporen uitgelezen. Indien op dergelijke uitgelezen video-informatie in de vorm, waarin de informatie wordt uitgelezen, wordt gebruikt voor zichtbaarmaking 20 van een kleurentelevisiebeeld, zullen de polariteitsver-anderingen en soortveranderingen, welke optreden in de gedurende een rasterperiodeduur uitgelezen kleurinformatie, benevens de door de ruimtelijke afstand tussen opeenvolgende beeldregels en/of beeldrasters veroorzaakte discontinui-25 teiten, meer in het bijzonder discontinuïteiten in de uitgelezen luminantie-informatie, tot gevolg hebben, dat een sterk vervormd en onnatuurlijk beeld wordt zichtbaar gemaakt.
De uitvinding stelt zich ten doel, een werkwijze 30 en inrichting voor bewerking een kleurenvideosignaal te verschaffen, waarbij de hiervoor genoemde problemen zich niet voordoen en een kleurenbeeld van uitstekende kwaliteit kan worden zichtbaar gemaakt.
Meer in het bijzonder stelt de uitvinding zich 35 ten doel, een werkwijze en een inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal te verschaffen, welke in aanmerking komen voor toepassing bij een digitaal videoband- 8005722 -6- apparaat, zodanig, dat zeker gesteld wordt, dat zowel de lu-r..inantiecomponent als de chrominantiecomponent van het aan de bewerking onderworpen kleurenvideosignaal geschikt zijn voor zichtbaarmaking van een kleurenbeeld van hoge kwaliteit, 5 zelfs wanneer tijdens normale signaalweergave foutverberging wordt toegepast of wanneer een afwijkende signaalweergave, zoals signaalweergave bij hoge snelheid, wordt toegepast.
Daartoe wordt volgens de uitvinding een kleurenvideosignaal in digitale vorm gebracht en verdeeld in opeen-10 volgende informatie deelblokken met daaraan toegevoegde blok-identificatiesignalen en blokadressignalen, waarbij de adresbesturing van voor tijdelijke opslag van de informatiedeel-blokken en bijbehorende identificatiesignalen dienende geheugens wordt gebaseerd op de adressen, welke zowel tijdens 15 normale signaalweergave als bij afwijkende signaalweergave door middel van het bijbehorende videobandapparaat aan de verschillende informatiedeelblokken worden toegevoegd, zodanig, dat voor de verschillende signaalweergeefwijzen een inuforme adresbesturing wordt verkregen, welke op betrekke-20 lijk eenvoudige wijze kan plaats vinden.
Daarbij wordt uitgegaan van kleurenvideo-informatie, welke bestaat uit een kleurenvideosignaal met een lu-minantiecomponent en een chrominantiecomponent en een respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal voor identi-25 ficatie van de fase van de chrominantiecomponent, bijvoorbeeld indicatie van Jhet videobeeld, het beeldraster en/of de beeldregel, waarop het desbetreffende kleurenvideosignaal betrekking heeft; dit kleurenvideosignaal en het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal worden tijdelijk 30 in bijvoorbeeld respectievelijk bijbehorende geheugens opgeslagen. Wanneer het kleurenvideosignaal en het bijbehorende identificatiesignaal gelijktijdig uit hun respectievelijk bijbehorende geheugens worden uitgelezen, vindt vergelijking plaats tussen het uitgelezen identificatiesignaal 35 en een bijbehorend referentie- of uitleesverzoeksignaal, zodanig, dat tenminste de fase van de chrominantiecomponent van het uitgelezen videosignaal op basis van het 8005722 vergelijkingsresultaat wordt geregeld.
Wanneer een beeldregel van een uit het geheugen uitgelezen kleurenvideosignaal door het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal wordt bestempeld als te beho-5 ren tot een beeldraster, dat afwijkt van het door het dan verschijnende referentie- of uitleesverzoeksignaal bepaalde beeldraster, zodat de door het uitgelezen kleurenvideosignaal bepaalde beeldregels zich binnen het volledige videobeeld op enige afstand tot de door het uitleesverzoeksignaal be-10 paalde beeldregel bevindt, wordt de waarde van tenminste de luminantiecomponent van de uitgelezen beeldregel vervangen door een door interpolatie berekende waarde, welke wordt afgeleid uit de voor aan de uitgelezen beeldregel grenzende beeldregels geldende luminantiecomponentwaarden.
15 Bij signaalbewerking volgens de uitvinding van een kleurenvideosignaal van het PAL-type worden absolute waarden van een kleurverschilsignaal afgeleid voor bepaalde bemonster ingspunten langs iedere beeldregel, waar het desbetreffende kleurverschilsignaal niet aanwezig is; deze afleiding 20 vindt plaats door interpolatie tussen de absolute waarden van het desbetreffende kleurverschilsignaal in aangrenzende bemonsteringspunten van de zelfde beeldregel, waarna de absolute waarden van de kleurverschilsignalen, met inbegrip van de door interpolatie verkregen waarden, worden afgegeven met 25 de respectievelijk door het referentiesignaal of uitleesverzoeksignaal bepaalde’polairteit.
De uitvinding zal worden verduidelijk in de nu volgende beschrijving aan de hand van de bijbehorende tekening van enige uitvoeringsvorm, waartoe de uitvinding zich echter ... . 30 beperkt. In de tekening tonen: figuur 1 en 2 een blokschema van respectievelijk het signaalopneemstelsel en het signaalweergeefstelsel van een digitaal videobandapparaat, waarbij toepassing van de uitvinding aan beveling verdient, 35 figuur 3 een schematische weergave van de tot het videobandapparaat volgens de figuren 1 en 2 behorende, roteerbare magneetkopeenheid, 800572? k -8- figuur 4 een schematische weergave van de ruimtelijke verdeling van· de tot de eenheid volgens figuur 3 behorende magneetkoppen, figuur 5 een schematische weergave van een mag-5 neetbandgedeelte met registratiesporen, waarin videosignalen , zijn opgenomen, figuur 6A, 6B, 6C en 7 schematische weergaven ter verduidelijking van de digitalisering en codering van een videosignaal ten gebruike bij een digitaal videobandapparaat 10 waarbij de uitvinding wordt toegepast, figuur 8A en 8B enige schematische weergave ter verduidelijking van de adresbesturing van een geheugen voor wat betreft de daarin in te lezen beeldregels van een videosignaal, 15 figuur 9 een schematische weergave van de relatie tussen de beeldregels volgens de figuren 8A en 8B binnen een zichtbaar gemaakt, volledig videobeeld, figuur 10 een grafiek ter verduidelijking van de faserelatie tussen de kleurhulpdraaggolfsignalen van een 20 kleurenvideosignaal van het NTSC-type, figuur 11 een soortgelijke grafiek ter verduidelijking van de faserelatie tussen de kleurhulpdraaggolfsigna-len van een kleurenvideosignaal van het PAL-type, figuur 12 een schematische weergave ter verduide-25 lijking van de videosignaalbewerking volgens de uitvinding van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type, figuur 13 een blokschema van een videosignaalbe-werkingsinrichting volgens een uitvoeringsvorm van de uitvinding, bestemd voor het stelsel volgens figuur 12, 30 figuur 14 een schematische weergave ter verduide lijking van de videosignaalbewerking volgens de uitvinding van een kleurenvideosignaal van het PAL-type, figuur 15 een blokschema van een videosignaalbe-werkingsinrichting volgens een uitvoeringsvorm van de uit-35 vinding, bestemd voor het stelsel volgens figuur 14, figuur 16 een meer gedetailleerd blokschema van enige tot de inrichting volgens figuur 15 behorende 8005722 Λ -9- schakelingen en figuur 17A-17S enige tijdschalen ter verduidelijking van de werking van de schakelingen volgens figuur 16.
De onderhavige uitvinding wordt in het hierna vol-5 gende beschreven in geval van toepassing bij een digitaal video-bandapparaat (VTR), dat kan worden beschouwd te bestaan uit een signaalopneemstelsel (zie figuur 1) en een signaalweergeef-stelsel (zie figuur 2);in het hierna volgende zal ook wel van "signaalopneemgedeelte" en "signaalweergeefgedeelte" van het 10 videobandapparaat worden gesproken. Bij een dergelijk video-bandapparaat vindt door middel van een roteerbare magneetkop-eenheid (zie figuur 3) opname van een in digitale vorm gebracht videosignaal plaats volgens onderling evenwijdige registratie-sporen, welke zich schuin over een magneetband 2 (zie figuur 15 5) uitstrekken. Aangezien de bitregistratiesnelheid hoog is, vindt toepassing plaats van drie roteerbare mangeetkoppen IA, 1B en 1C (zie figuur 4), welke dicht bij elkaar zijn aangebracht; de tot één beeldraster behorende videosignalen worden respectievelijk via drie kanalen aan de magneetkoppen toege-20 voerd en respectievelijk volgens drie onderling evenwijdige registratiesporen 3A, 3B en 3C op de magneetband 2 opgenomen (zie figuur 5}. Bovendien is het mogelijk, dat een in impulscode gemoduleerde vorm gebracht audiosignaal in een niet in de tekening weergegeven, zich evenwijdig aan de videoregistra-25 tiesporen 3 uitstrekkend registratiespoor wordt opgenomen. Een andere mogelijkheid is, dat het audiosignaal volgens een zich langs een langsrand van de magneetband 2 uitstrekkend registratiespoor 4 wordt opgenomen (zie figuur 5).
Figuur 1 laat zien, dat een op te nemen kleuren-30 videosignaal via een ingangsaansluiting 11 wordt toegevoerd aan een ingangsbewerkingseenheid 12. Deze eenheid 12 kan zijn voorzien van een niveaufixatieschakeling (clamp circuit) en van een schakeling voor afscheiding van synchronisatiesigna-len, zoals een kleursalvosignaal, en levert het effectieve 35 0f video-informatiedeel van het kleurenvideosignaal aan een analoog/digitaal-omzetschakeling 13. Het door de bewerkings-eenheid 12 afgescheiden synchronisatiesignaal en kleursalvo- 8005722
V
-10- si gnaal worden toegevperd aan een klokimpulsgenerator 14, welke bijvoorbeeld van het als fasevergrendelde lus uitgevoerde type is en dient voor afgifte van klokimpulsen met een geschikte bemonsterfrequentiewaarde fs, welke tezamen het het afgeschei-5 den synchronisatiesignaal worden toegevoerd aan een stuur-signaalgenerator 15, welke verschillende eentijd sritme bepalende impulsen, identificatiesignalen voor beeldregelidentifi-catie, beeldrasteridentificatie,beelöidentificatie en regis-tratiespooridentificatie afgeeft, evenals een stuursignaal, *.
10 dat bijvoorbeeld de vorm van een impulstrein met bemonsterim-pulsen kan hebben.
De analoog/digitaal-omzetschakeling 13 bevat in hoofdzaak een bemonster- en houdschakeling en een omzetter voor omzetting van'ieder door bemonstering verkregen uitgangs-15 signaal in een 8-bits signaal, dat in parallelvorm aan een koppeleenheid 16 wordt toegevoerd. Het aldus in digitale vorm gebrachte, effectieve videodeel of -gebied van het kleurenvi-deosignaal wordt door de koppeleenheid 16 verdeeld in drie kanalen. Daartoe wordt de bij opeenvolgende bemonsteringen 20 van een beeldregel verkregen informatie in zich cyclisch herhalende volgorde aan de drie kanalen toegewezen; de informatie van ieder van de drie kanalen wordt steeds op de zelfde wijze bewerkt. Ook een extern videosignaal in digitale vorm, bijvoorbeeld een van een "editing"-inrichting afkomstig video-25 signaal in digitale vorm, kan aan de koppeleenheid 16 worden toegevoerd voor verdeling over de drie kanalen. De aan ëén van deze kanalen toegevoerde informatie wordt na bewerking door, in volgorde, een tijdbasiscompressieschakeling 17A, een foutcorrectiecodeereenheid 18A, een opneeinbewerkingseen-30 heid 19A en een opneemversterker 20A als op te nemen signaal aan de magneetkop IA toegevoerd. Op soortgelijke wijze wordt de informatie van de beide andere kanalen na bewerking door in volgorde een tijdbasiscompressieschakeling 17B respectievelijk 17C, een foutcorrectiecodeereenheid 18B, respectievelijk 35 18C, een opneembewerkingseenheid 19B, respectievelijk 19C, en een opneemversterker 20B, respectievelijk 20C, als op te nemen signaal aan respectievelijk de beide magneetkoppen 8005722
Jt -11- 1B en 1C toegevoerd.
In het geval van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type bedraagt de duur of periode van één beeldregel (1H) 63,5^us, waarbinnen een beeldregel onderdrukkingsperiode 5 van ll,ly.us valt. Het effectieve videodeel of -gebied van het totale videosignaal bestrijkt derhalve 52,4^us. Indien voor de bemonsterfrequentie van de omzetschakeling 13 een waarde 4 fgCN wordt gekozen, waarbij fgCN de kleurhulpdraag-golffrequentie van 455/2 fHN is (fHN is zelf de horizontale 10 of beeldregelfrequentie), zal het aantal monsters gedurende iedere beelregelperiode H gelijk 910 zijn, 2oals in figuur 6A is aangeduid. Het aantal monsters binnen het effectieve videodeel van iedere beeldregel bedraagt 750, dat wil zeggen 52,4/63,5 x 910 = 750, zodat voor iedere beeldregel steeds 15 250 monsters aan ëên van de kanalen kan worden toegewezen.
het aantal beeldregels van één beeldraster bedraagt 262,5, waarbij een verticaal synchronisatie-interval en een vereffeningsimpulsinterval tezamen een duur van 10,5H in beslag nemen. Aangezien in de verticale onderdrukkingsperiode 20 testsignalen VIT en VIR worden ingevoegd, worden deze eveneens als tot het effectieve videodeel behorende signalen beschouwd, zodat voor het aantal effectieve videobeeldregels van één rasterperiode 252 wordt gekozen.
Le codering van de respectievelijk aan de magneet-25 koppen 1Δ, 1B en 1C voor opname daardoor toegevoerde signalen zal nu worden beschreven aan de hand van de figuren 6B en 6C.
Zoals daaruit blijkt, wordt de op één beeldregel of horizontale periode van het uit 250 monsters per kanaal bestaande kleurenvideosignaal betrekking hebbende informatie in twee 30 delen gescheiden, welke ieder een deelblok met 125 informatie-ir.onsters voor iedere beeldregel bevatten. Een dergelijk deelblok van het gecodeerde, digitale signaal kan bestaan uit 134 8-bits monsters, dat wil zeggen in het totaal 1072 bits, waaronder een blok synchronisatiesignaal SYNC van drie mons-35 ters of 24 bits, een blok identificatiesignaal ID en een blok adressignaal AD van tezamen twee monsters of 16 bits, de zich over 125 monsters of 8 bits uitstrekkende video-informatie en 8005722 -12' tenslotte een cyclische redundantiecontrolecode (CRC-code) van vier monsters of 32 bits; de2e informatiesoorten volgen elkaar in de genoemde volgorde op. het blok synchronisatiesignaal dient voor identificatie van het begin van een beeldblok, 5 waarna het blok identificatie- en het blok adressignaal en vervolgens het video-informatiesignaal en/of de CRC-code kunnen worden uitgelezen. De identificatiesignalen ID identificeren het kanaal, respectievelijk het bijbehorende registratie-spoor, het videobeeld, het beeldraster en de beeldregel waar-10 op de video-inforraatie van het desbetreffende deelblok betrekking heeft, terwijl het blok adressignaal het adres van het desbetreffende deelblok vertegenwoordigt. De CRC-code dient voor detectie van een eventueel in de informatie van het desbetreffende deelblok opgetreden fout.
15 Figuur 7 toont de codering van de op één beeldras ter betrekking hebbende video-informatie voor één kanaal. In figuur 7 heeft ieder verwijzingssymbool SBi (i = 1-572) betrekking op één deelblok, waarbij twee dergelijke deelblokken tezamen één informatieblok vormen, dat één beeldregel omvat.
20 Aangezien het effectieve videodeel van één beeldraster, zoals reeds is opgemerkt, op 252 beeldregels wordt gesteld, omvat ieder beeldraster de informatie van 252 dergelijke blokken of 504 deelblokken. De vidoe-informatie van een bepaald beeldraster wordt sequentieel volgens een matrix van 21 x 12 gegroe-25 peerd. Bovendien wordt pariteitsinformatie in de horizontale en de verticale richting omtrent de video-informatie van de matrixverdeling gevormd. Meer in het bijzonder wordt, zoals figuur 7 laat zien, de pariteitsinformatie voor de horizontale richting in de dertiende blokken kolom opgenomen, terwijl 30 öe periteitsinformatie voor de verticale richting in de tweeëntwintigste rij nabij de onderzijde is opgenomen. In de dertiende kolom bevindt zich in de tweeëntwintigste rij de horizontale pariteitsinformatie vöör de verticale pariteitsinformatie. De pariteitsinformatie voor de horizontale rich-35 ting wordt op twee wijzen .gevormd door twaalf respectievelijk uit de twaalf blokken van één rij van de matrixverdeling genomen deelblokken. In bijvoorbeeld de eerste rij wordt de 8005722 1* "13- par i te its informatie SB25 gevormd door de volgende modulo-2 optelling: [SB13 @ [SB^l φ tSB3 ®.....0 [sa2^ = [SB25] .
Daarbij heeft de aanduiding (SB^ slechts betrekking op de 5 informatie van het desbetreffende deelblok SB^. Daarbij worden de tot de verschillende twaalf deelblokken behorende monsters steeds in parallelle 8-bits vorm berekend. Op soortgelijke wijze wordt de pariteitsinformatie SB2g gevormd door de modulo-2 telling: 10 [SB^ © [sb4] © [sbJ ©.....© [sb24] = [sb26] . Voor de overige tweede tot en met tweeëntwintigste rijen wordt de pariteitsinformatie in de horizontale richting op de zelfde wijze gevormd. Een vergroting van de foutcorrectiemogelijkheid wordt in dit geval verkregen doordat de pariteitsinformatie niet 15 slechts op basis van de informatie van de 24 deelblokken van een rij wordt gevormd, doch op basis van de informatie van twaalf met onderbrekingen in de rij aanwezige deelblokken. ·
De pariteitsinformatie voor de verticale richting wordt gevormd door de informatie van 21 deelblokken van de 20 eerste tot en met de twaalfde blokkenkolom. Voor de eerste kolom wordt de pariteitsinformatie SB^-y gevormd door de modulo-2 optelling: SBi + SB27 + SB53 + ···-* SE521 = SB547 *
Daarbij worden de tot ieder, van de 21 deelblokken behorende 25 monsters weer in 8-bits parallelle vorm berekend.
De pariteitsinformatie omvat derhalve 125 monsters, hetgeen ook voor de video-informatie van ieder deelblok het geval is. Bij transmissie van het gedigitaliseerde informatie-signaal van één beeldraster van de genoemde matrixverdeling 30 (22x13) in een opeenvolging van de eerste, de tweede, de derde, —, de tweeëntwintigste rij dient men over een periode van 12x22=264H te schikken (13 informatieblokken komen overeen met een duur van 12H).
Indien het toegepaste videobandapparaat van het 35 type met C-formaat is, waarbij voor opname van een deel van de verticale onderdrukkingsperiode tijdens één beeldraster een aanvullende of hulpmagneetkop wordt gebruikt, kan door 8005722
N
-14- middel van een vidoemagneetkop slechts een opnameduur van ongeveer 250H worden verkregen. In verband daarmede wordt de zich over een periodeduur van 264H uitstrekkende informatie voorafgaande aan transmissie onderworpen aan tijdbasiscom-5 pressie (met een compressieverhouding Rt van 41/44) tot een periodeduur van 246H. Dit geschiedt door middel van de tijd-basiscompressieschakeling 17A, 17B of 17C en heeft tot gevolg, dat in ieder registratiespoor een marge van enige malen H overblijft. De tijdbasiscompressieschakeling 17 voeren niet 10 alleen tijdbasiscompressie volgens de genoemde verhouding 41/44 van de toegevoerde video-informatie uit, doch creeren bovendien een informatie-onderdrukkingsinterval, waarbinnen het blok synchronisatiesignaal, het blok identificatie- en het blok adressignaal· en de SCS-code voor ieder deelblok van 15. de video-informatie van 125 monsters worden ingevoegd, benevens een informatie-onderdrukkingsinterval, waarin de pari-teitsinformatieblokken worden ingevoegd. De pariteitsinforma-tie voor de horizontale en de verticale richting en de CRC-code van ieder deelblok worden afgegeven door de respectieve-20 lijk bijbehorende foutcorrectiecodeereenheden 18A, 18B of 18C, terwijl het blok synchronisatiesignaal en de blok identificatie- en blok adressignalen door de respectievelijk bijbehorende opneembewerkingseenheid 19A, 19B of 19C aan de video-informatie wordt toegevoegd. Het blok adressignaal AD verte-25 genwoordigt het reeds genoemde verwijzingssynbool (i) van een deelblok. Tot de opneembewerkingseenheid 19 kan een codeer-eenheid van het blokcoderingstype behoren, welke het aantal bits per monster van 8 in 10 omzet, evenals een parallel/ serie-omzetter om de 10-bits code van de parallelle vorm in 30 serievorm over te brengen. Zoals meer in details is beschreven in aanvraagster's Amerikaanse octrooiaanvrage 171.481 van 23 juli 1980, vindt de blokcodering bij voorkeur zodanig 10 8 plaats, dat uit de 2 beschikbare 10-bits codes diè 2 codes worden uitgekozen, waarvan het gemiddelde gelijkspanningsni- 8 35 veau zo dicht mogelijk bij nul ligt; deze uitgekozen 2 10-bits codes worden ieder een éên van de oorspronkelijke 8-bits codes toegevoegd. Als gevolg van de genoemde keuze^ 8005722 -15- wordt het gemiddelde gelijkspanningsniveau van het op te nemen signaal zo dicht mogelijk bij nul gebracht; dit kan ook worden uitgedrukt door te stellen, dat de bits ter waarde "0" en de bits ter waarde "1" zoveel mogelijk elkaar afwisse-b len. Een dergelijke blokcodering wordt toegepast teneinde een nadelige beïnvloeding van de golfvorm van het ontvangen of uitgelezen signaal door beperking tot transmissie van zoveel mogelijk van gelijkspanningscomponenten vrije signalen te verhinderen. Een zelfde resultaat kan ook worden verkregen 10 door toepassing van een "scramble system" onder gebruikmaking van een zogenaamde "M-sequence" met een althans tenminste nagenoeg willekeurige verdeling.
In het weergeefstelsel van een digitaal videoband-apparaat, waarbij de uitvinding wordt toegepast, worden door 15 drie magneetkoppen IA, 1B en 1C welke respectievelijk de re-gistratiesporen 3A, 3B en 3C aftasten, de respectievelijk bijbehorende drie kanalen met signalen uitgelezen. Zoals figuur 2 laat zien, worden de uitgelezen signalen van de magneetkoppen IA, 1B en 1C respectievelijk via de weergeefver-20 sterkers 21A, 21B en 21C aan de respectievelijke weergeefbe-werkingseenheden 22A, 22B en 22C toegevoerd; in deze eenheden wordt de ontvangen informatie uit de serievorm omgezet in parallelvorm en vindt extractie van het bloksynchronisatie-signaal plaats, waarna de video-informatie wordt gescheiden 25 van het bloksynchronisatiesignaal en van de identificatie-. signalen en de CRC-cade; tenslotte wordt de afgescheiden 10-bits informatie in 8-bits informatie omgezet. De laatstgenoemde informatie wordt vervolgens aan respectievelijk de bijbehorende tijdbasiscorrectieschakelingen 23A, 23B en 23C 30 toegevoerd voor verwijdering van eventuele tijdbasisfouten.
Iedere van de tijdbasiscorrectieschakelingen omvat bijvoorbeeld vier geheugens, waarin de ontvangen informatie door met de uitgelezen informatie synchrone klokimpulsen sequentieel wordt ingelezen, waarna de aldus ingelezen informatie 35 op basis van referentieklokimpulsen sequentieel uit de geheugens wordt uitgelezen. Wanneer zich het geval voordoet, dat de uitlezing van informatie de inlezing zou inhalen, wordt een geheugen, waaraan zojuist informatie is uitgelezen, opnieuw uitgelezen, fi n A £ 7 O O
-16-
De door de tijdbasiscorrectieschakelingen 23A, 23B en 23C bewerkte kanaalinformatie wordt via een gemeenschappelijke uitwisseleenheid 24 aan de respectievelijke foutcor-'i rectiedecodeereenheden 25A, 25B en 25C toegevoerd. Bij nor-5 male signaalweergave, waarbij de roteerbare magneetkoppen een getrouwe aftasting van de registratiesporen op de magneetband uitvoeren, zodat de magneetkoppen IA, 1B en 1C slechts in respectievelijk de registratiesporen 3A, 3B en 3C opgeno-men signalen uitlezen, geeft de uitwisseleenheid 24 deze 10 van respectievelijk de tijdbasiscorrectieschakelingen 23A, 23B en 23C afgkomstige signalen door aan de respectievelijke foutcorrectiedecodeereenheden 25A, 25B en 25C. Tijdens signaal-weergave bij afwijkende bandtransportnslheden, bijvoorbeeld bij een hoge bandtransportsnelheid, waarin deze snelheid 15 enige tientallen malen de normale bandtransportsnelheid kan bedragen, zal iedere van de roteerbare magneetkoppen een baan volgens de lijn 5 in figuur 5 volgen en derhalve steeds een aantal registratiesporen aftasten. Als gevolg daarvan zullen de uit de resgistratiesporen 3A, 3B en 3C uitgelezen signalen 20 in gemengde vorm verschijnen in de aan de tijdbasiscorrectieschakelingen 23 toegevoerde signalen. In dat geval dient de uitwusseleenheid 24 voor identificatie van de juite kanalen van de uitgelezen signalen op basis van registratiespooriden-tificatiesignalen? de uitwisseleenheid 24 levert vervolgens 25 de uitgelezen signalen aan de voor het respectievelijke kanaal in aanmerking komende foutcorrectiedecodeereenheid 25A, 25B of 25C.
Zoals hierna nog meer in details zal worden beschreven, kan een in de ontvangen informatie optredende fout 30 en meer in het bijzonder een fout, welke niet door middel van de horizontale en de verticale pariteitsinformatie kan worden gecorrigeerd, door middel van de foutcorrectiedecodeereenheden worden verborgen of door interpolatie ongedaan worden gemaakt. De van iedere foutcorrectiedecodeereenheid 35 25A, 25B of 25C afkomstige informatie wordt aan een respectievelijk bijbehorende tijdbasisexpansieschakeling 26A, 26B of 26C otegeoverd voor heromzetting van de informatie naar 8005722 -17- de oorspronkelijke transmissiesnelheid, waarmede de informatie vervolgens aan een gemeenschappelijke koppeleenheid 27 wordt toegevoerd. Deze koppeleenheid 27 dient voor re-combinatie van de driekanalig ontvangen informatie tot enkel-5 kanalige informatie en omvat een digitaal/analoog-omzetscha-keling 28 voor omzetting van de informatie in analoge vorm.
Voorts is het mogelijk, dat de koppeleenheid 27 een digitaalvideo-uitgangssignaal afgeeft. Eerder was reeds opgemerkt, dat aan het signaalopneemstelsel een uitwendig 10 video-ingangssignaal in digitale vorm kan worden toegevoerd.
Een en ander heeft tot gevolg, dat met behulp van de stelsels volgens de figuren 1 en 2 zowel de veelal als "editing" aangeduide signaalbewerking als signaalcopieëring (dubbing) van in digitale vorm gebrachte signalen mogelijk is, en 15 zulks derhalve zonder omzetting naar of uit de analoge signaalvorm.
De uitgangsinformatie van de digitaal/analoog-omzetschakeling 28 wordt toegevoerd aan een uitgangsbewer-kingseenheid 29, welke aan een uitgangsaansluiting 30 het 20 uitgelezen kleurenvideosignaal in analoge vorm levert. Via een aansluiting 31 vindt toevoer van een uitwendig referen-tiesignaal aan een klokimpulsgenerator 32 plaats; deze laats-genoemde levert klokimpulsen en een referentiesynchronisa-tiesignaal voor een stuursignaalgenerator 33. De stuursignaal-25 generator 33 geeft met het externe referentiesignaal gesyn-. chroniseerde stuursignalen af, zoals verschillende een tijds-ritme bepalende impulsen, referentie- of verzoekidentifica-tiesignalen voor identificatie van de verschillende beeldre-gels, beeldrasters en volledige videobeelden, benevens be-30 monsterklokimpulsen.
Voordat tot een meer gedetailleerde beschrijving van de foutcorrectiedecodeereenheden 25A, 25B en 25C volgens de uitvinding wordt overgegaan, zal ter vergemakkelijking van een goed begrip van de uitvinding eerst een beschrijving 35 volgen van de relatie tussen de kleurinformatie van onraiddellijk aangrenzende beeldregels van een zichtbaar gemaakt beeld van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type, zoals in figuur 10 8005722 -18- is weergegeven. Zoals reeds is opgemerkt, geldt voor een dergelijk kleurenvideosignaal, dat de kleurhulpdraaggol.ffrequentie een waarde f = 455/2.f^ = (227+1/2) .f^ heeft. De fase van de kleurhulpdraaggolf.keert" daarbij tussen een tot een .5 bepaald beeldraster behorende beeidregel en de daaropvolgende beeldregel van het zelfde beeldraster, doch ook tussen een tot een bepaald beeldraster behorende beeldregel en de gelijkgenummerde beeldregel van het volgende beeldraster, om.
Indien de bemonstering van het kleurenvideosignaal 10 geschiedt met een bemonsterfrequentie van 4fg^N, zoals eerder werd verondersteld, en indien de'desbetreffende bemonstering respectievelijk onder 0°, 90°, 180° en 270° ten opzichte van de blauwe kleurverschilsignaalas of (Εβ - Ey)-as plaats vindt, te beginnen bij 0° ten opzichte van deze as voor de eerste 15 beeldregel van het eerste beeldraster van het eerste videobeeld, zal de kleurinformatie voor twee beelden de gedaante volgens figuur 10 hebben.
Omtrent de voor de zich links in figuurio bevindende beeldregels gebruikte verwijzingssymboliek wordt opgemerkt, 20 dat de aan de beeldregel van het eerste en het tweede beeldraster van ieder videobeeld toegevoegde getallen zodanig zijn gekozen, dat het eerste of oneven raster wordt gevormd door de eerste tot en met de 262 beeldregel, zoals bijvoorbeeld met L i “L voor het eerste beeldraster van het eerste video- 25 beeld is weergegeven, en dat het tweede of evengenumraerde beeld- st© ete raster wordt gevormd'door de 263 - 525 beeldregel, zoals bijvoorbeeld met Λι-263 ” ^1-525 voor tw®ede beeldraster van het eerste videobeeld is weergegeven. Indien de beeldregels daarentegen voor ieder beeldraster en volgorde zijn ge-30 nummerd, zoals rechts in figuur 10 is geschied, dan zal ieder eerste of oneven genummerd beeldraster de beeldrasterregel-nummers 1-262 omvatten, zoals met vaste volle lijnen in figuur 10 is weergegeven, terwijl ieder tweede of even genummerd beeldraster de beeldrasterregelnummers 1-263 bevat, zoals rechts 35 in figuur 10met gebroken rechte lijnen is weergegeven. Omtrent dergelijke rasterregelnummers kan worden opgemerkt, dat een beeldregel van het tweede of even genummerde beeldraster zich onmiddellijk boven de door het zelfde beeldregelnummer geiden- 8 oo ς 7 9 o -19- tificeerde beeldregel van het eerste of oneven genummerde beeldraster van het desbetreffende beeld uitstrekt.
Zoals echter reeds is opgemerkt, worden bij bedrijf van een digitaal videobandapparaat slechts effectieve 5 videobeeldregels voor opname gekozen, zodat bijvoorbeeld het eerste en het tweede beeldraster van ieder videobeeld ieder kunnen bestaan uit de eerste tot en met 252 beeldrasterre-gel. In een dergelijk geval zal het duidelijk zijn, dat een tot het tweede of even genummerde raster behorende beeldre-10 gel in het uiteindelijk zichtbaar gemaakte, volledige videobeeld onmiddellijk boven de door- het zelfde rasterregelnummer geïdentificeerde beeldregel van het eerste of oneven genummerde beeldraster uitstrekt.
In figuur 10 zijn de tot het eerste beeldraster van 15 ieder zichtbaar gemaakt videobeeld behorende beeldregels met volle lijnen getekend, terwijl de beeldregels van het tweede beeldraster van ieder volledig videobeeld met gebroken lijnen zijn weergegeven, waarbij de fase van de chrominantiehulp-draaggolf steeds in gesuperponeerde vorm is toegevoegd. In 20 figuur 8 is, uitsluitend ter wille van de duidelijkheid en van het gemak van afbeelding, de chrominantiehulpdraaggolf met een aanzienlijk te lage frequentie weergegeven; meer in het bijzonder is dit geschied op een wijze alsof fsclq = (9+1/2)in plaats van (227+1/2)-fHN/ zoals in werkelijkheid het geval is 25 voor een kleurenvideosignaal van het NTSC-type. Om de zelfde redenen strekt de effectieve informatie van iedere beeldregel zich in figuur ïo slechts over vijf cycli van de kleurhulp-draaggolf uit, waarbij ook de bemonstering (schijnbaar) binnen het desbetreffende gebied van vijf cycli plaats vindt; zoals 30 met zwarte punten is aangeduid; het zal echter duidelijk zijn, dat het aantal bemonsteringen binnen het effectieve videobeeld . van iedere beeldregel bij een bemonsteringsfrequentiewaarde van 4 x fgCN voor een videosignaal van het NTSC-type gelijk is aan 750, zoals reeds is opgemerkt.
35 Het niveau van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type wordt bepaald door de volgende vergelijking.
Sk = EY + 1 " Εγ) cos 8 0 0 5 7 2 7 . ! ... .
Sk = Ey + DHjj cos u)ct + DBn sin wct---(2) -20- of wc = 2Trfc’ is ii_(ER - Ey) DBn is 1 (Ep - E )
2,03 B Y
Indien de signaalniveaus in de bemonsteringspunten, welke zich respectievelijk in de hoeken van 0°, 90 , 180 en 270° ten opzichte van (Εβ - Ey)-as uitstrekken, respectievelijk worden weergegeven door S2r S3 en S^, kunnen de volgende relaties uit de vergelijking (2) worden afgeleid: si = Yi + drni (wct = °0) 52 = Y2 + DRN2 (wet = 90°) 53 * Y3 - 01^2 (wet = 180°) 54 = Y4 - DBn4 ((Jet = 270o)
Aangezien de eerste beeldregel van het eerste beeld-raster van het.eerste videobeeld onder een hoek 0° ten opzichte van de genoemde (Εβ - Ey)-as begint, zoals reeds is opge-merkt, zullen de kleursignalen in de beraonsterspunten respectievelijk bestaan uit: een rood kleurverschilsignaal + (Er - Ey) = DRjj van positieve polariteit bij 0°, een blauw kleurverschilsignaal + (Εβ - Ey) = + DBn van positieve polariteit bij 90°, een rood kleurverschilsignaal - (E-, - Ev) =
Λ X
- DRn van negatieve polariteit bij 180°, en een blauw kleurverschilsignaal - (Eg - Ey) = - DBn van negatieve polariteit bij 270°. in figuur 10 zijn de synbolen(R), R, (§) en B respectievelijk gebruikt voor aanduiding van de signalen -DR^, +DBXT en — DB»T · N N , -10
Zoals uit figuur/naar voren komt, zullen de bemons- teringsfasen of -posities van de verschillende bemonsteringspunten voor alle beeldregels met elkaar samenvallen, terwijl ook de nummers van de bemonsteringspunten voor alle beeldregels de zelfden zijn; dit is het gevolg van het feit, dat de bemonsterfrequentie fg = 4fgCN en voorts nauwkeurig gelijk aan een geheel veelvoud van de horizontale of beeldregelaf-tastfrecruentie f„„.
-21-
Voorts wordt opgemerkt, dat de kleurinformatie in een bemonsteringspunt van een bepaalde beeldregel en die in een overeenkomstig bemonsteringspunt van een tot het daaropvolgende beeldraster behorende beeldregel welke zich onmiddel-5 lijk onder de eerstgenoemde beeldregel binnen het zichtbaar gemaakte videobeeld uitstrekt, niet alleen aan elkaar gelijk zijn, doch tevens de zelfde fase of polariteit vertonen*
Zo zal de kleurinformatie in een willekeurig bemonsteringspunt van de beeldregel -^-^263' d*w*z· eerste beeldregel ^-·2-ι 10 van het tweede beeldraster van het eerste videobeeld (fig.10) nauwkeurit de zelfde zijn en de zelfde fase of polairteit vertonen als de kleuiinformatiein het overeenkomstige bemonsteringspunt van de eerste beeldregel van beeldraster van het eerste volledige videobeeld; dit is het gevolg van het feit, 15 dat beeldregel ^i—i zichtbaar gemaakte videobeeld onmiddellijk onder de beeldregel X1-163 daar de beide des betreffende beeldrasters interlinearend tezamen het desbetreffende volledige videobeeld vormen. Het zelfde geldt voor de eerste beeldregel /t2_i van het eerste beeldraster van het 20 tweede videobeeld en de tweede beeldregel /.1-264 Van tweede beeldraster van het eerste videobeeld, daar de desbetreffende beeldregels in het volledige videobeeld onmiddellijk op elkaar volgen.
Het voorgaande brengt met zich mede, dat wanneer 25 in een kleurenvideosignaal van het NTSC-type een oncorrigeerbare fout of signaaluitval optreedt, een dergelijke fout op geschikte wijze kan worden verborgen door de deze foutvertonen-de informatie van een beeldregel van een beeldraster te vervangen door soortgelijke (zelfs identieke, zoals in de vorige 30 alinea is uiteengezet) informatie van dië beeldregel van het daarop volgende beeldraster, welke in het uiteindelijk zichtbaar gemaakte videobeeld onmiddellijk onder de door een fout getroffen beeldregel komt; in dat geval zal namelijk de voor verberging van een fout gebruikte informatie nauwkeurig de 35 zelfde als de door een fout getroffen informatie zijn, dat wil zeggen de zelfde informatiewaarde en de zelfde polariteit of fase als de door een fout getroffen informatie vertonen.
8005722
Sr -22-
Ter verkrijging van foutverberging van ongecorrigeerde fouten, is ieder van de foutcorriectiedecodeereenheden 25A, 25B en 25C voorzien van een geheugen, waarin informatiedeelblokken SB^, SB2/ SB^ ... opeenvolgend voor het in aanmerking komende ka-5 naai van ieder beeldraster worden ingeschreven, zoals nog meer in details zal worden beschreven en als schematisch is weergegeven in de figuren 8A en 8B, waarin de verschillende rasterbeeldregels op de zelfde wijze zijn aangeduid als rechts in figuur 10. Figuur 8A toont de adressen, waaraan de 10 informatie omtrent het eerste beeldraster van een bepaald videobeeld is ingeschreven, terwijl figuur 8B de adressen toont, Waarop de informatie voor het tweede beeldraster van het zelfde videobeeld wordt ingeschreven; daaruit komt naar voren, dat de informatiedeelblokken van een zelfde rasterbeeld-15 regel in het geheugen ook aan een zelfde adres worden ingelezen.
Het zal duidelijk zijn, dat indien inlezing van door een niet corrigeerbare fout getroffen deelblokinforma-tie wordt verhinderd, aan het desbetreffende geheugenadres 20 deelblokinformatie achter blijft omtrent die beeldregel van het onmiddellijk daarop volgende .raster, welke zich binnen het volledige videobeeld onmiddellijk nabij de door een fout getroffen beeldregel uitstrekt. Indien bijvoorbeeld het deelblok SB^ met informatie omtrent een gedeelte van de 25 tweede beeldraster van het tweede beeldraster volgens figuur 8B een fout vertont, zodat de inlezing van de desbetreffende informatie in het geheugen wordt verhinderd, dan blijft aan het desbetreffende adres een deelblok SB3 behouden, dat informatie omtrent de tweede beeldrasterregel 50 l ^ van het eerste beeldraster bevat; deze tweede raster-beeldraster bevindt zich binnen het volledige videobeeld onmiddellijk boven het door de fout getroffen rasterbeeldre-gel Ι^2_2 Door eenvoudige opeenvolgende uitlezing van informatie aan de adressen van het geheugen kan derhalve als in-35 formatie omtrent het tweede beeldraster een signaal worden verkregen, waarin door een fout getroffen deelblokinformatie is vervangen of verborgen door deelblokinformatie omtrent 8005722 -23- diê beeldregel van het voorafgaande beeldraster, welke zich onraiddellijk onder de door de fout getroffen beeldregel uitstrekt. De kleurinformatie van de voor vervanging van de door een fout qetroffen informatie gebruikte deelblokinformatie 5 heeft de zelfde waarde en de zelfde polariteit als de kleur informatie van de oorspronkelijke, vervangen deelhlokinfor-matie. Aangezien het volledige videobeeld door interliniering uit twee beeldrasters wordt gevormd, vallen de beeldregels van het eerste beeldraster en die van het tweede beeldraster 10 niet samen, zoals nog eens met respectievelijk volle en gebroken lijnen in figuur 9 is weergegeven. Dit heeft tot gevolg,. dat indien het deelblok SB^ van het tweede beeldraster van een videobeeld wordt vervangen door het deelblok SB^ van het eerste beeldraster van het zelfde videobeeld, zoals in j-5 het voorgaande is beschreven, het verschil in positie van de beide beeldregels binnen het volledige videobeeld een discontinuïteit doet ontstaan ter plaatse van het vervangen signaaldeel? deze discontinuïteit is in het bijzonder van invloed op de luminantiecomponent van het signaal.
20 Bij beschouwing van beeldregels met een zelfde rasterbeeldregel, van respectievelijk het tweede beeldraster * van een videobeeld en van het eerste beeldraster van het daaropvolgende videobeeld, bijvoorbeeld de beeldregel 1^-2 van het eerste beeldraster en de beeldregel van 25 tweede beeldraster in figuur 10, valt het voorts op, dat de beeldregel ï*2-2 van twee<ie beeldraster van het eerste videobeeld zich boven de beeldregel 2 van het eerste beeldraster van het tweede of volgende videobeeld bevindi -Deze positiexelatie is tegengesteld aan diê tussen de beeld-30 regels wet een zelfde rasterbeeldregelnummer. welke respectievelijk tot het eerste en het tweede beeldraster van een zelfde televisiebeeld behoren, zoals bijvoorbeeld de beeldregels 1*2_2 van ket eerste beeldraster van het eerste videobeeld, welke zich onder de beeldregel L2_2 van ^et tweede 35 beeldraster van het zelfde eerste videobeeld bevindt. Als gevolg hiervan doet zich het verschijnsel, dat indien een feut getroffen deeldblck met informatie wordt vervanqen 8005722 -24- door een overeenkomstig genummerd deel-blok met informatie omtrent het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, de veer vervanging van de door een fout getroffen informatie gebruikte beeldregel hetzij boven, hetzij de door een fout ge-5 troffen, vervangen fceeldreqel ligt; deze onzekerheid heeft een nadelig effect op de chrominantiecomponent. Meer in het bijzonder komt uit figuur 10 naar voren, dat hoewel de kleurinforroatie in een bemonsterpunt op een bepaalde beeldregel de zelfde waarde heeft als die in het overeenkomstige 10 bemonsterpunt van diê beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, welke zich binnen het volledige videobeeld onmiddellijk boven de eerstgenoemde beeldregel bevindt, de kleurinformatiewaarde in de beide bemonsterpunten tegenge-gestelde polariteiten vertonen. In ieder bemonsterpunt van 15 de regel ^2-1' wi^· ze99en eerste beeldregel van het eerste beeldraster van tweede videobeeld, heeft de kleur-informatie de zelfde waarde als in het overeenkomstige bemonsteringspunt van de regel ^2..203^ zeggen de eerste beeldregel van het tweede beeldraster van het eerste 20 videobeeldr doch de polariteiten van de beide hier beschouwde beeldregelkleurinformatie s zijn tegengesteld. Door een fout getroffen informatie omtrent de beeldregel J2-1 ^an der“ halve niet doeltreffend worden verborgen door deze slechts te vervangen door de overeenkomstige informatie omtrent de 25 beeldregel ^-263 van ^et on^^ellijk voorafgaande beeldraster, welke beeldregel λ^263 binnen het volledige videobeeld onmiddellijk boven de beeldregel verschijnt.
Uit het voorgaande zal duidelijk worden, dat zelfs gedurende normale signaalweergave, waarbij de magneet-30 koppen IA, 1B en 1C steeds slechts uit respectievelijkoêén van de registratiesporen 3A, 3B en 3C een videosignaal uitlezen tijdens hun aftastende beweging over de magneetband 2, de eenvoudige vervanging van een door een fout getroffen informatiedeelblok betreffende een beeldraster door een over-35 eenkomstig genummerd deelblok met informatie omtrent het onmiddellijk voorafgaande beeldraster niet volstaat, respectievelijk betrouwbaar kan worden toegepast, om een ongecorri- 8005722 -25- geerde fout te verbergen. Meer in details kan worden gesteld, dat een dergelijke foutverberging slechts effectief is, indien het door een fout getroffen deelblok en het gelijkgenummerde, vervangen deelblok van het onmiddellijk voorafgaande 5 beeldraster tot een zelfde volledig videobeeld behoren, doch niet, indien de fout optreedt in een informatieblok met informatie omtrent het eerste beeldraster van een volledig videobeeld, aangezien in dat gevaal het gelijkgenummerde deelblok, dat voor vervanging van het door een fout getroffen 10 deelblok wordt gebruikt, tot een verschillend videobeeld behoort.
Zoals reeds is opgemerkt, voeren de magneetkoppen IA, 1B en 1C tijdens speciale signaalweergave, bijvoorbeeld signaalweergave bij hoge snelheid, een aftasting van de mag-15 neetband volgens de lijn 5 in figuur 5 uit, zodat zij daarbij ieder signalen uit een aantal van de registratiesporen 3A, 3B en 3C uitlezen. Hoewel de uitwisseleenheid 40 de door de magneetkoppen 1 uitgelezen signalen herverdeelt, teneinde zeker te stellen, dat slechts uit de registratiesporen 3A, 20 3B en 3C aan respectievelijk slechts de foutcorrectiedeco-deereenheden 25A, 25B en 25C worden toegevoerd, zal het duidelijk zijn, dat de gedurende een beeldrasterperiode aan iedere decodeereenheid toegevoerde informatiedeelblokken steeds afkomstig zijn uit een aantal registratiesporen 3A, 25 3B en/of 3C. De in het geheugen gedurende een rasterperiode ingelezen deelblokken vormen derhalve een mengsel van deel-blokken uit verschillende beeldrasters. In dat geval zullen de opeenvolgend in de volgorde van hun adressignalen AD uit het geheugen uitgelezen en op zelfde rasterbeeldregelnummers 30 betrekking hebbende informatiedeelblokken desalniettemin informatie uit respectievelijk eerste en tweede beeldrasters bevatten. Tijdens signaalweergave bij hoge snelheid zal derhalve de luminantiecomponent van het uitgelezen kleurenvideo-signaal, zelfs indien geen sprake van ongecorrigeerde fouten 35 is, nadelig worden beinvloed door de discontinuïteit welke het gevolg is van het feit, dat opeenvolgende deelblokken, welke uit het geheugen worden uitgelezen, betrekking' hebben 8005722 . -26- u—’’ op beeldregels van het eerste en het tweede beeldraster welke, hoewel geïdentificeerd door een zelfde rasterbeeldregel, onderling verschillende posities in het volledige videobeeld innemen.
5 Tijdens signaalweergave bij hoge snelheid wordt de in de voor ider kanaal uit het geheugen uitgelezen deel-blokken aanwezige kleurinformatie bovendien nadelig beïnvloed door het feit, dat opeenvolgend uitgelezen deelblokken betrekking kunnen hebben op de zelfde rasterbeeldregelnummers 10 van overigens verschillende beeldraster en/of volledige videobeelden; in dat geval, en zelfs wanneer geen sprake is van verberging van ongecorrigeerde fouten, kan de kleurinformatie van opeenvolgend uitgelezen deelblokken toch steeds een verschillende polariteit vertonen hetgeen, indien het uitgangs-15 signaal van het geheugen zonder verdere signaalbewerking wordt gebruikt, in kleurfouten resulteert.
Voor een kleurenvideosignaal van het nTSC-type blijkt uit het voorgaande, dat indien de uitgelezen informa-tiedeelblokken in het geheugen worden ingelezen aan vooraf-20 bepaalde adressen, welke steeds overeenkomen met de adressignalen van de desbetreffende deelblokken, zowel in geval van foutverberging tijdens normale signaalweergave als in geval van signaalweergave bij hoge snelheid (zelfs zonder foutverberging) de aan bepaalde geheugenadressen ingeschreven 25 informatie kleurinformatie kan bevatten, waarvan de polariteit tegengesteld aan de vereiste polariteit is, zodat een onnatuurlijk kleurenbeeld resulteert uit rechtstreeks gebruik van de uit het geheugen uitgelezen informatie voor vorming van een dergelijk kleurenbeeld.
30 Bij pogingen tot correctie door verberging van fou ten bij een kleurenvideosignaal van het PAl-type doen' zich nog ernstigere problemen voor. Zoals bekend, kan voor het niveau van een kleurvideosignaal van het PAL-type de volgende relatie worden opgesteld: 8005722 -27- EM = EY + Eü Sin 2'ï?fSCPt - EV COS 2’*rfSCPt ....... (3) / waarbij % = 0,493(Eg - Ey)= DBp 5 Εγ = 0,877(Er - Ey) s DRp (Eg - Ey) : blauwe kleurverschilsignaal (ER - Ey) : rode kleurverschilsignaal.
Het teken (+) voor de derde term rechts in de 10 .vergelijking (3) geeft weer, dat de fase van E^. of de (Er - Ey)-as bij elke beeldregel met de polariteit van het kleursalvosignaal wisselt.
In het geval van een kleurenvideosignaal van het PAL-type bedraagt de kleur rood draaggolffrequentie fgCp -15 (1X35/4 + 1/625) .fRp = (283 + 3/4 + 1/625) .f^p, waarbij fRp de horizontale of beeldregelaftastfrequentie bedragen. Deze waarden brengen in'herinnering, dat de fase van de kleurhulpdraaggolf zich steeds na vier volledige videobeelden herhaalt.
20 Zoals uit de vergelijking (3) naar voren komt, keert de Ev~as of (ER - Ey)-as voor iedere beeldregel in fase om, terwijl de E^ of (ER - Ey)-as niet bij elke beeldregel 8 0 0 5 7 2 2 -28- zijn fase omkeert. Dit heeft tot gevotg, dat indien informatie ten opzichte van de E^-as wordt bemonsterd door middel van een bemonsteringsfreguentie van 4fg£p, zoals in het voorafgaande geval voor een videosignaal van het NTSC-type is be-5 schreven, dit neerkomt op bemonstering in opeenvolgend onder hoeken van 0°, 90°, 180° en 270° ten opzichte van de E^-as uitgevoerde bemonsteringen. Indien wordt aangenomen, dat de fase van de eerste beeldregel van het eerste beeldraster van het videobeeld onder een hoek van 0° ten opzichte van E^-^0 as begint, dan krijgen de kleurinformatie en de fase daarvan in de verschillende bemonsteringspunten voor het eerste tot en met het vierde volledige videobeeld - F^ de gedaanten volgens figuur 11.
Hoewel de kleurhulpdraaggolffrequentie fgCp bij 15 een videosignaal van het PAL-type gelijk is aan (283 + 3/4 + 1/625).f^p, zoals reeds is opgemerkt, zijn in figuur 11 ter wille van de duidelijkheid en van eenvoud van afbeelding de op de kleurhulpdraaggolf betrekking hebbende krommen getekend alsof de kleurhulpdraaggolffrequentie 20 slechts (9 + 3/4 + 1/625).fHp bedraagt, en voorts alsof het effectieve signaaldeel van iedere beeldregel slechts vijf cycli van de hulpdraaggolf omvat.
In figuur n zijn de tot het eerste beeldraster van ieder volledig videobeeld behorende beeldregels weer met volle 25 lijnen getekend, terwijl de tot het tweede beeldraster van iedere volledig videpbeeld behorende beeldregels met gebroken lijnen zijn getekend, waarbij de fase van de hulpdraaggolf steeds in superpositie is toegevoegd. Omtrent de wijze van aanduiding van de beeldregels links in figuur n wordt op-30 gemerkt, dat de aan de beeldregels van het eerste en het tweede beeldraster van ieder volledig videobeeld toegevoegde getallen zodanig zijn gekozen, dat het eerste of oneven genummerde beeldraster wordt gevormd door de eerste tot en met clë de 312 beeldregel, zoals bijvoorbeeld door ” ^1-312 35 voor het eerste beeldraster van ieder volledig videobeeld is weergegeven, terwijl het tweede of even genummerde beeld- cl3 stö raster wordt gevormd door 313 tot en met de 625 8005722 -29- u—' ' beeldregel, zoals bijvoorbeeld met /^3^ - ^-625 voor het tweede beeldraster van ieder videobeeld is weergegeven. Indien de beeldregels echter voor ieder beeldraster in volgorde worden genummerd, dan zal ieder eerste of oneven genummerd 5 beeldraster de rasterbeeldregelnummers I», omvatten, zoals 1 1 1-312 rechts met volle lijnen in figuur 11 is weergegeven, terwijl ieder tweede of even genummerd beeldraster de rasterbeeldregelnummers L2_1“L^ bevat, welke rechts in figuur 11 met gebroken lijnen zijn weergegeven. Bij beschouwing van deze beeldraster-10 regelnummers komt naar voren, dat in het volledige videobeeld of zichtbaar gemaakte videobeeld een tot het tweede of even genummerde beeldraster behorende beeldregel zich onmiddellijk boven diè beeldregel van het eerste oneven genummerde beeldraster bevindt, welke door het zelfde rasterregelnummer wordt 15 aangeduid.
Teneinde ter verduidelijking, dat de fase van het rode kleurverschilsignaal DRp bij iedere beeldregel van ieder volledig videobeeld omkeert, waarbij in figuur 11 wordt verondersteld, dat de polariteit van het signaal DRp in de eerste 20 beeldregel van het eerste beeldraster van het eerste volledige videobeeld positief is, is de positieve polariteit van het rode kleurverschilsignaal DRp van een beeldregel aangegeven door het symbool (+) onder het desbetreffende beeldregelnummer rechts in figuur 11 te plaatsen, terwijl een negatieve polari-25 telt van het signaal DRp van een beeldregel door een op soortgelijke wijze aangebracht symbool O is aangeduid. Daarbij blijkt de situatie zodanig te zijn, dat het kleursignaal in de verschillende bemonsteringspunten van iedere beeldregel kan worden verkregen door voor de uitdrukking 2rrfSCpt in vergelij-30 king (3) respectievelijk de waarden 0°, 90°, 180° en 270° te substitueren, dat wil zeggen op de zelfde wijze als ter verkrijging van de waarden S^# S2, S3 en in het geval van een videosignaal van het NTSC-type is gedaan. Daarbij blijkt, dat het kleursignaal voor de beeldregels van positieve polari-35 text de waarden +DRp bij 0°, +DBp bij 90°, -DRp bij l80° en -DBp bij 270° vertoont, en voor de beeldregels van negatieve polariteit respectievelijk de waarden -DRp bij 0°, +DBp bij 8005722 -30- l— 90°, +DRp bij 180° en -DBp bij 270° aanneemt. In figuur 11 zijn de symbolen R, R, B en B respectievelijk gebruikt voor aanduiding van de signalen +DRp, -DRp, +DBp en -DBp.
Zoals uit figuur 11 naar voren komt, geldt voor de 5 kleurinformatie in een bemonsteringspunt van een bepaalde beeldregel en voor de kleurinformatie in het overeenkomstige bemonsteringspunt van diè beeldregel van het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, welke door het zelfde rasterbeeldregel-nummer wordt geïdentificeerd, zoals bijvoorbeeld de kleur-10 informaties in overeenkomstige bemonsterpunten in respectievelijk de als ^2-2 en Ll-2 vi^e°keeld in figuur 11 geïdentificeerde beeldregels, dat zij een zelfde informa-tiewaarde doch onderling tegengestelde fase of polariteit hebben. Daarentegen blijkt voorts, dat de kleurinformatie in 15 een bemonsteringspunt van een bepaalde beeldregel, bijvoorbeeld de beeldregel van het videobeeld F2, afwijkt van de kleurinformatie in het overeenkomstige bemonsteringspunt van de tot het onmiddellijk voorafgaande beeldraster doch tot het vorige videobeeld F^ behorende rasterbeeldregel met 20 het zelfde nummer
Zoals uit het voorgaande blijkt, dat indien in geval van een kleurenvideosignaal van het PAL-type tijdens de normale signaalweergave wordt geprobeerd, op de hiervoor beschreven wijze foutverberging tot te passen,'dat wil zeggen 25 door inlezing van ieder informatiedeelblok aan een geheu-genadres, dat met het adressignaal AD van het desbetreffende deelblok overeenkomt, en door verhindering van de inlezing van een foutief deelblok, zodat de vervolgens uitgelezen informatie niet door het foutieve deelblok doch door een 30 deelblok met het zelfde adressignaal uit een voorafgaand raster van al of niet het zelfde videobeeld wordt gevormd, de voor foutverberging gekozen, vervangende informatie hetzij onjuiste kleurinformatie, hetzij juiste kleurinformatie van onjuiste polariteit bevat, zodat de toepassing van deze ver-35 vangende informatie zonder verdere signaalbewerking tot een slecht kleurenbeeld leidt.
Voorts zal het duidelijk zijn, dat als gevolg van 8005722 -31- de. hij een kleurenvideosignaal van het PAL-type toegepaste interliniering, de zelfde beeldregelnummers van twee verschillende velden, bijvoorbeeld betrekking hebbende op de beeldregels L.^ en L2_2 van het volledige videobeeld 5 volgens figuur 11 in dat geval twee beeldregels identificeren, welke in het volledige videobeeld onderling verschillende posities innemen, zodat de door een bepaald adres van een in-formatiedeelblok geïdentificeerde informatie omtrent de ene van deze beeldregels enigszins zal afwijken, meer in het 10 bijzonder wat betreft de luminantiecomponent, van de informatie welke weliswaar afkomstig is uit het deelblok met het zelfde adres, doch op het ander van de beide beeldregels betrekking heeft. Als gevolg daarvan zal bij een poging tot foutverberging op de hiervoor beschreven wijze de luminantie-15 component van de vervangende informatie niet nauwkeurig overeenkomen met de luminantiecomponent van de vervangen informatie, waardoor in het uit de aldus gevormde signalen zichtbaar gemaakte kleurenbeeld discontinuïteiten zullen optreden. Bovendien kan worden opgemerkt, dat in geval van signaalweer-20 gave bij hoge snelheid van een PAL-kleurenvideosignaal de menging van uit verschillende rasters en/of verschillende videobeelden afkomstige deelblokken in de uitlezing tijdens één rasterperiode uit het geheugen resulteert in descontinui-teiten in de luminantie-informatie en in fouten in de kleur-25 informatie en/of de polariteit van de laatstgenoemde informatie; daaruit resulteren, indien geen verdere signaalbewerking wordt toegepast, aanzienlijke vervormingen van het zichtbaar gemaakt kleurenbeeld.
In hoofdzaak kan worden gesteld, dat volgens de 30 onderhavige uitvinding zodanig te werk wordt gegaan, dat wanneer het blok identificatiesignaal ID van een uit het geheugen uitgelezen informatiedeelblok wat betreft het volledige videobeeld en het videoraster niet overeenstemt met een op een uitwendig referentiesignaal gebaseerd uitleesverzoek-35 signaal, dat dient voor identificatie van de beeldregel,. het beeldraster en het volledige videobeeld dat uit het geheugen zou moeten worden uitgelezen, welk gebrek aan overeenkomst 8 0 0 5 7 2 2, -32- L—.· t een aanwijzing vormt/ dat het werkelijk uitgelezen informa-tiedeelblok het gevolg is van een poging tot foutverberging tijdens normale signaalweergave of van signaalweergave bij afwijkende snelheid, in dat geval de uit het geheugen uitge-5 lezen deelblokinformatie zodanig wordt bewerkt, zowel wat betreft de daarin vervatte chrominantie- als luminantie-inforraatie, dat alsnog overeenstemming met het uitleesver-zoeksignaal wordt verkregen. Deze overeenstemming houdt in, dat na de desbetreffende bewerking van de uit het geheugen 10 uitgelezen deelblokinformatie zowel de soort als de polariteit van de kleurinformatie in overeenstemming zijn gebracht met de soort en de polariteit van kleurinformatie, welke een door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerd informatie-deelblok dient te bevatten? voorts houdt de bereikte overeen-15 stemming in, dat tenminste het luminantieniveau van de aan bewerking onderworpen deelblokinformatie is gecompenseerd voor mogelijke afwijkingen in verticale richting (beeldscherm) tussen de door het uit het geheugen uitgelezen in-formatiedeelblok geïdentificeerde beeldregel en de door het 20 uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel.
In het hierna volgende zullen eerst de voorwaarden worden onderzocht, waaraan moet worden voldaan om te komen tot compensatie van uitleesinformatiefouten, welke het gevolg zijn van een mogelijke afwijking in verticale rich-25 ting (van het beeldscherm) tussen een werkelijk uitgelezen beeldregel en een door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel. Aangezien de op een bepaald rasterbeeld-regelnummer betrekking hebbende deelblokinformatie steeds aan het zelfde adres van het geheugen wordt ingeschreven, 30 zoals in de figuren 8A en 8B is te zien, zal het duidelijk zijn, dat een positieverschil tussen de beeldregel, waarop de uitgelezen informatie betrekking heeft, en de beeldregel, welke door het uitleesverzoeksignaal wordt geïdentificeerd, optreedt wanneer beide beeldregels tot onderling verschil-35 lende beeldrasters behoren, zoals figuur 9 laat zien, geldt, dat wanneer de uitgelezen informatie op een beeldregel van het eerste raster betrekking heeft en de door het 8005722 -33- uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel tot het tweede beeldraster behoort/ de gewenste beeldregel zich boven de werkelijk uitgelezen beeldregel in het volledige videobeeld uitstrekt. In dat geval kan de afwijking worden gecom-5 penseerd door gebruikmaking van de uitgelezen informatie en de overeenkomstige informatie omtrent de onmiddellijk voorafgaande beeldregel. Wanneer de uitgelezen informatie daarentegen op een beeldregel van het tweede beeldraster betrekking heeft, terwijl de door het uitleesverzoeksignaal geidentifi-10 ceerde beeldregel tot het eerste beeldraster behoort, zal de door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel zich onder de "uitgelezen" beeldregel bevinden, zodat de compensatie voor de ruimtelijke afwijking tussen beide kan worden verkregen uit de uitgelezen informatie en overeenkoms-15 tige informatie omtrent de onmiddellijk volgende beeldregel. Daarbij wordt nog opgemerkt, dat in het bijzonder in geval van niet-normale signaalweergave bij een digitaal videoband-apparaat een willekeurige verdeling (random distribution) van aan opeenvolgende adressen van het geheugen ingelezen 20 deelblokrasters kan optreden, zodat het onmogelijk is om te bepalen of de informatie omtrent een beeldregel, welke onmiddellijk aan de op een gegeven ogenblik uitgelezen beeldregel volgt of daaraan voorafgaat, tot het eerste raster of het tweede raster van een videobeeld behoort.
25 (Dn ieder geval kan worden gesteld, dat indien de door het uitleesverzoeksignaal geidentificeercfe beeldregel de derde beeldregel ^2_2 van ^et tweede beeldraster is, doch de uitgelezen informatie betrekking op de derde beeldregel van hst eerste beeldraster heeft, terwijl de onmiddellijk 30 aan de beeldregel voorafgegane beeldregel de beeldregel
Ll-2 van ^et eerste raster is, dat dan de door het uitleesver-zoek geïdentificeerde beeldregel &2-3 juist tussen de beide beeldregels en H^t. Indien nu de door bemonstering verkregen informatie omtrent de beeldregels en L^_2 35 respectievelijk wordt weergegeven door en kan de gemiddelde waarde uit de volgende vergelijking ® worden verkregen: ï 0 0 5 7 2 2 -34- bJj 3(2) 2
Een dergelijke gemiddelde waarde kan worden gebruikt als de informatie voor de door het uitleesverzoek geïdentificeerde 5 beeldregel I^,^, ZO£^an:*-9/ dat in dat geval compensatie voor de ruimtelijke afwijking tussen de beschouwde beeldregels is verkregen.
Voorts kan omtrent het hier gegeven voorbeeld worden opgemerkt, dat indien de informatie omtrent een onmiddel-10 lijk voorafgaande beeldregel diè omtrent de beeldregel L2_2 het tweede beeldraster betreft, de desbetreffende beeldregel I<2-2 z^cil over een afstand van twee beeldregels tot de door het uitleesverzoek geïdentificeerde beeldregel 1*2-3 strekt, zodat de laatstgenoemde beeldregel ^>2-3 tussen de 15 beeldregels en _2_2 doch dichter bij de eerste van de tweede van beiden uitstrekt. In dat geval kan door geschikte weging van de op beide beeldregels bemonsterde ifformatie de volgende gemiddelde waarde SL" ^)2 wor<^en berekend op de volgende wijze 20 „ _ 2SL3(1) + SL2(2) f
Deze gemiddelde waarde SL"^^) ban worden gebruikt als vervangende informatie voor de door het uitleesverzoek geïdentificeerde beeldregel ^2-3' z°danig, dat compensatie voor de af-25 wijking in verticale richting wordt verkregen.
Aangezien de kleurinformatie bij videosignalen van het NTSC-type en videosignalen van het.pAL-type verschillend is gegroepeerd, zullen de voorwaarden ter verkrijging van juiste kleurinformatie, dat wil zeggen juiste informatiewaarde 30 en juiste polariteit, voor de beide signaaltypen afzonderlijk worden beschreven.
Voor een videosignaal van het NTSC-type geldt, dat wanneer het door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldraster het zelfde is, als dat van de uitgelezen informa-35 tie, doch beide rasters tot verschillende volledige videobeelden behoren, de uitgelezen kleurinformatie van het type (Er - Ey) of (Eg - Ey) is, als verzocht door het uitleesver- 8005722 -35- L·—*· zoeksignaal, doch met aan diè volgens het verzoeksignaal tegengestelde polariteit. In het geval van een kleurvideo-signaal van het NTSC-type dient een inrichting volgens de uitvinding derhalve te zijn voorzien van middelen voor vergelij-5 king van het volledige videobeeld van een uitgelezen informa-tiedeelblok op basis van het blokidentificatiesignaal ID daarvan met het door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde videobeeld; in geval van dispariteit dient de polariteit van de uitgelezen kleurinformatie voorafgaande aan recombinatie 10 met de luminantiè-informatie, welke voor afwijkingen in verticale richting op de hiervoor beschreven wijze is gecompenseerd, te worden omgekeerd.
Figuur 12 toont links een tabel met acht mogelijke relaties, aangeduid [gevAH]- (GEVAL 8] , tussen de beeldras-15 ters, waartoe in het rastergeheugen aanwezige informaties omtrent drie beeldregels L _/ L en L kunnen behoren, ener-zijds, en het raster, waartoe een door het uitleesverzoeksignaal RLn geïdentificeerde beeldregel Ln behoort, anderzijds. In het desbetreffende gedeelte van de tabel volgens figuur 12 20 hebben de cijfers "1" en "2" respectievelijk betrekking op het eerste en het tweede beeldraster, waartoe de (informatie omtrent) de beeldregels L L en Ln+1 behoren, en op het eerste en tweede beeldraster, welke respectievelijk door het uitleesverzoeksignaal RLn worden geïdentificeerd. In ^GEVAL l] 25 [GEVAL 2] , [GEVAL 7] en [GEVAL 8j , waarin het door het uitleesverzoeksignaal RLn geïdentificeerde signaal en het beeldraster van de door de uitgelezen informatie bepaalde beeldregel Ln met elkaar overeenstemmen, worden derhalve zowel de luminantiecomponent YN als de chrominantiecomponent C^, zoals 30 deze respectievelijk door het uitleesverzoeksignaal worden geïdentificeerd, in principe ook verschaft door de ongewijzigde informatie, welke omtrent de beeldregel Ln wordt uitgelezen. Indien echter het videobeeld, waartoe de uitgelezen informatie behoort, van dat van het uitleesverzoeksignaal ver-35 schilt, zal echter de polariteit van de chrominantiecomponent van de uitgelezen informatie eerst te worden omgekeerd, zulks in verband met de eerder beschreven eigenschappen van een 8005722 -36- U— kleurenvideosignaal van het NTSC-type.
In [GEVAL 3] , [GEVAL 4), [GEVAL 5] en [geVAL β] , waarin het beeldraster volgens het uitleesverzoeksignaal RLfi en het beeldraster van de beeldregel Ln niet met elkaar over-5 eenstemmen, dienen daarentegen de grootte van'de luminantiecomponent YN en diè van de chrominantiecomponent CN zodanig volgens de vergelijkingen (4) en (5) te worden berekend, dat geïnterpoleerde waarden worden verkregen, die dicht bij de door het uitleesverzoeksignaal gevraagde waarden liggen. In 10 dergelijke gevallen dient bovendien de polariteit van de chro-minantiecomponent te worden omgekeerd indien het videobeeld, waartoe de uitgelezen informatie behoort, verschilt van dèt volgens het uitleesverzoeksignaal.
Aangezien de chrominantiecomponent van de boven of 15 onder een bepaalde beeldregel in het beeld verschijnende beeldregel een polariteit kan hebben, welke tegengesteld is aan die van de uitgangsbeeldregel, wordt in het geval van benadering door interpolatie van de chrominantiecomponent eerst de absolute waarde van iedere chrominantiecomponent bepaald en wor-20 den vervolgens de berekeningen volgens figuur 12 op basis van de aldus verkregen absolute waarden uitgevoerd, waarna de polariteit van de resulterende informatie wordt bepaald.
Aangezien de frequentieband van de chrominantiecomponent (een kleurverschilsignaal) nauwer is dan diê van 25 de luminantiecomponent kan, zelfs indien de hiervoor genoemde informatie slechts voor de luminantiecomponent en niet voor de chrominantiecomponent wordt uitgevoerd, waarbij op de chrominantiecomponent slechts een polariteitbeschouwing wordt losgelaten, een redelijk bevredigend kleurenbeeld worden ver-30 kregen. Voorts wordt opgemerkt, dat aangezien tijdens de normale signaalweergave foutverberging wordt toegepast, de iden.tificatiesignalen ID van de uit het geheugen uitgelezen informatiedeelblokken grotendeels de zelfde beeldrasters zullen identificeren als de gelijktijdig verschijnende uitlees-35 verzoeksignalen, zodat slechts de voor foutverberging in een bepaald deelblok gebruikte informatie, dat wil zeggen de aan het desbetreffende adres achtergebleven informatie in geval 8005722 -37- van verhindering van inlezing van foutieve informatie in het geheugen, zal behoren tot een raster, dat onmiddellijk voorafgaat aan het raster, dat door het ontvangen uitleesverzoek-signaal wordt geïdentificeerd. [GEVAL 4] en [GEVAL 6] hebben 5 derhalve betrekking op de situaties, welke zich in geval van foutverberging voordoen.
Een videosignaalvewerkingsinrichting volgens een uitvoeringsvorm van de uitvinding zal nu meer in details worden beschreven aan de hand van figuur 13. De inrichting vol-10 gens figuur 13 kan worden toegepast in ieder van de fout-correctiedecodeereenheden 25A, 25B en 25C van het signaal-weergeefstelsel volgens figuur 2, zulks in geval van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type. Bij de uitvoeringsvorm volgens figuur 13 vindt beeldregelinterpolatie slechts plaats 15 voor de luminantiecomponent van het uitgelezen signaal; om de reeds genoemde redenen vindt geen beeldregelinterpolatie voor de chrominantiecomponent plaats.
De bewerkingsinrichting volgens figuur 13 is voorzien van een geheugeninrichting 51 met een capaciteit van vol-20 doende grootte voor opslag van de informatie van één kanaal van de beeldrasterinformatie van het videosignaal. De geheugeninrichting 51 kan van het RAM-type met willekeurige toe-gangkelijkheid zijn, waaraan een bijbehorende besturingsscha-keling is toegevoegd; de geheugeninrichting 51 krijgt via een 25 ingang 52 het uitgelezen, in digitale vorm gebrachte kleurenvideosignaal na bewerking door de tijdbasiscorrectieschakeling 23A, 23B of 23C volgens figuur 2 toegevoerd via de uitwissel-eenheid 24; ook is het mogelijk, dat een uitgelezen kleurenvideosignaal in digitale vorm, dat voor zover mogelijk op 30 basis van de horizontale en de verticale pariteitsinformatie in een daartoe geschikte, doch op zichzelf niet tot de uitvinding behorende en derhalve in de tekening niet afgebeelde foutcorrectiëschakeling aan foutcorrectie is onderworpen.
Een andere geheugeninrichting 53 dient voor ge-35 heugenopslag van het blok identificatiesignaal ID van ieder informatiedeelblok van het via de aansluiting 52 toegevoerde in digitale vorm gebrachte videosignaal, welke blok 8005722 -38- L—-- identicatiesignaal ID van het desbetreffende videosignaal is afgescheiden in een identificatiesignaalextrastLeschakeling 53a. De geheugeninrichting 53 kan eveneens uit een geheugen van het RAM-type met bijbehorende besturingsschakeling be-5 staan. De via de ingangsaansluiting 52 ontvangen, in digitale vorm gebrachte videosignaal-informatie wordt voorts aan een adressignaalextractieschakeling 5la toegevoerd voor afscheiding van het blok adressignaal AD van het desbetreffende deelblok; dit blok adressignaal wordt toegevoerd aan een in-10 leesadresbesturingsschakeling 5lb.
De besturingsschakeling 51b kan bijvoorbeeld een geheugen van het ROM-type omvatten, dat dient voor afgifte van een actueel absoluut adres in reactie op het door· de schakeling 51a uit een informatie deelblok afgescheiden blok 15 adressignaal AD. Dit wil zeggen, dat het uit ieder informatie-deelblok afgescheiden adressignaal AD bij toevoer aan de besturingsschakeling 51b van het ROM-geheugen dit laatste activeert tot afgifte van een adrescode, welke actuele adressen van de geheugeninrichting 51 en 53 identificeert, waarop de 20 videosignaalinformatie en het blokidentificatiesignaal ID van het desbetreffende deelblok dienen te worden ingelezen; voorts activeert het blok adressignaal AD het ROM-geheugen van de besturingsschakeling 51b tot bepaling van diè adressen van de geheugeninrichtingen 51 en 53, waaraan daarna video-informa-25 tie en een blok identificatiesignaal dienen te worden uitgelezen. De informatie omtrent de verschillende deelblokken wordt derhalve in het geheugen 51 ingelezen op adressen, welke voor de verschillende deelblokken vooraf bepaald zijn.
Aangezien het niet mogelijk is, bij een geheugen 30 van het RAM-type gelijktijdig inlezing en uitlezing uit te voeren, is aan de RAM-geheugeninrichtingen 51 en 53 een ge-heugencyclusduur toegevoegd, welke is verdeeld in een aanvankelijke of inleesperiode en een latere of uitleesperiode, welke laatstgenoemde bijvoorbeeld over de duur van één raster-35 periode ten opzichte van de inleesperiode is vertraagd.
Bij de in figuur 13 weergegeven uitvoeringsvorm van de uitvinding wordt het via de ingangsaansluiting 52 8005722 -39- uitgelezen kleurenvideosignaal in digitale vorm bovendien toegevoerd aan een signaaluitval- of foutdetectieschakeling 5lc voor detectie van een deelblok, waarvan de digitale kleurenvideosignaalinformatie een fout vertoont/ welke niet 5 op de gebruikelijke wijze aan de hand van de horizontale en verticale pariteitsinformatie is gecorrigeerd. In geval van detectie van een dergelijke ongecorrigeerde fout, wordt door de foutdetectieschakeling 51c .aan de geheugeninrichtrLngen 51 en 53 een signaal toegevoerd, dat de inlezing daarin van de 10 videosignaalinformatie en van het blok identificatiesignaal voor het desbetreffende, door een fout getroffen deelblok verhindert.
De aan de opeenvolgende adressen van het geheugen 51 uitgelezen informatie wordt toegevoerd aan een digitaal 15 scheidingsfilter 54, waardoor de luminantiecomponent YN en de chrominantiecomponent CN van de informatie van elkaar worden gescheiden.
De aldus afgescheiden luminantiecomponent wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 55 voor vertraging 20 over een tijdsduur rH, overeenkomende met de periodeduur van de op één beeldregel van één kanaal betrekking hebbende informatie. Het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 55 wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 56 voor verdere vertraging over een duur TH. Wanneer de beeldregel van het de 25 uitleesverzoeksignaal de n rasterbeeldregel Ln blijkt te zijn, wordt de uitlezing van de geheugens 51 en 53 door de adresbesturingsschakeling 5lc zodanig bestuurd, dat de door het filter 54 afgegeven luminantiecomponent (SLn+^)y is, terwijl het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 30 55 gelijk (SLn)y van de onmiddellijk voorafgaande beeldregel is, terwijl het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 56 wordt gevormd door het signaal van onmiddellijk voorafgaande beeldregel.
De uitgangssignalen (SLn)y én (SL^^y van res-35 pectievelijk de vertragingsschakelingen 55 en 56 worden toegevoerd aan de respectievelijke rekeneenheden 57 en 58. In de rekeneenheid 57 vindt de berekening 8005722 -40- ι~· (SLιχ)γ -2- plaats ter verkrijging van een uitgangssignaal terwijl in de rekeneenheid 58 de berekening 2(SLn)y + (SLn^)Y plaats vindt ter verkrijging van een uit-- 5 gangssignaal YN4· Het uitgangssignaal (SLn+1)y van het digitale filter 54 en het uitgangssignaal (SLn)y van de vertra-gingsschakeling 55 worden bovendien toegevoerd aan respectievelijk de rekeneenheden 59 en 60. In de rekeneenheid 59 vindt de berekening (SL )v + (SL plaats ter verkrijging _n x_n*ri x 10 van een uitgangssignaal 2 YN5' terwijl in de rekeneenheid 60 de berekening 2 (SL } 4* fSL } v n'Y v n+l;Y plaats vindt ter verkrijging van het uit-3 gangssignaal YNg.
15 De aldus verkregen uitgangssignalen Υ^, YN5 en YNg en het uitgangssignaal (SLn)y van de vertragingsscha-keling 55 (corresponderende met Y^ ^ en ^ g volgens figuur 12) worden toegevoerd aan een multiplexeenheid 61 welke ook nog nader in detailste beschrijven wijze zodanig wordt be-20 stuurd, dat de aan de uitgang van de multiplexeenheid verschijnende luminantiecomponent onder alle omstandigheden vrij zal zijn van enige fout, welke het gevolg is van een ruimtelijke afwijking op het beeldscherm, wat betreft beeld-regel, beeldraster en videobeeld, als geidentificeerd door 25 het uitleesverzoeksignaal.
De door het digitale filter 54 afgegeven chromi-nantiecomponent wordt toegevoerd aan een vertragingsschake-ling 62 met een vertragingsduur τΗ. Het uitgangssignaal CN van de vertragingsschakeling 62 zal derhalve het karakter 30 van de chrominantiecoraponent (SL )_ van de volgens het uitleesverzoeksignaal uit te lezen beeldregel hebben. Het uitgangssignaal CN wordt rechtstreeks aan een multiplexeenheid 63 toegevoerd en voorts aan een digitale polariteits-omkeerschakeling 64 voor polariteitsomkering van de chromi-35 nantiecomponent CN in -C^, welk laatstgenoemde signaal eveneens aan de multiplexeenheid 63 wordt toegevoerd. Zoals 8005722 -41- hierna nog meer in details zal worden beschreven, wordt de multiplexeenheid 63 zodanig beschreven, dat aan zijn uitgang hetzij de chrominantiecomponent CN, hetzij de chrominantie-component -C^ verschijnt, zodanig, dat de polariteit van het 5 desbetreffende signaal onder alle omstandigheden is aangepast aan het door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde videobeeld.
De respectievelijk door de multiplexeenheden 63 en 61 afgegeven chrominantie- en luminantiecomponent worden door 10 een opteller 65 samengevoegd tot een samengesteld kleurenvi-deosignaal in digitale vorm, dat vervolgens aan een multiplexeenheid 66 wordt toegevoerd. Aan deze eenheid wordt voorts de uit het geheugen 51 uitgelezen informatie toegevoerd via een vertragingsschakeling 67 voor vertraging van 15 de informatie over een duur, welke gelijk is aan de som van de vertragingsduur tf van het digitale filter 54 en de ver-tragingsduur iH, zodat het tijdsritme van de via de vertragingsschakeling 67 aan de multiplexeenheid 66 toegevoerde informatie overeenstemt met dat van de door de opteller 65 20 afgegeven informatie.
Zoals nog meer in details zal worden beschreven, wordt de multiplexeenheid 66 zodanig bestuurd, dat hij bepaalt of het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 67 of dat van de opteller 65 ter beschikking komt aan een met 25 de uitgang van de multiplexeenheid 66 verbonden aansluiting 68? de genoemde bepaling vindt plaats op basis van het feit, of het videobeeld en het beeldraster van de werkelijk uitgelezen informatie in overeenstemming is met het videobeeld en het beeldraster volgens het uitleesverzoeksignaal.
30 De voor besturing van de multiplexeenheden 61, 63 en 66 benodigde stuursignalen worden verschaft door een multiplexbesturingsschakeling 70, welke deze stuursignalen afleidt uit de successievelijk uit het geheugen 53 uitgelezen blok identificatiesignalen ID en uit referentie-identifi-35 catiesignalen, welke als uitleesverzoeksignaal dienen en worden afgenomen aan de stuursignaalgenerator 33 volgens figuur 2. Meer in het bijzonder wordt in de 80(1^799 * -42- l—-* multiplexbesturingsschakeling 70 vólgens figuur 13 ieder uit het geheugen 53 uitgelezen blok identificatiesignaal ID via een vertragingsschakeling 74 met een vertragingsduurfF toegevoerd aan een videobeeld- en beeldrasteridentificatiesignaal 5 detectieschakeling 72 voor detectie van een videobeeldidenti-ficatiesignaal FL en een beeldrasteridentificatiesignaal FI.
Bij het hier beschreven voorbeeld worden voor het beeldraster-identificatiesignaal FI en het videobeeldidentificatiesignaal FL respectievelijk de waarde "1" gekozen in geval van het 10 eerste beeldraster en het eerste videobeeld en de waarde "0* ingeval van het tweede beeldraster en het tweede videobeeld.
Het videobeeldidentificatiesignaal FL wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 73 met een vertragingsduur TH, zodat het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 15 73 in geval van uitlezing van het identificatiesignaal voor de beeldregel Ln+1 uit het geheugen 53 het karakter krijgt van een videobeeldidentificatiesignaal FLn voor de informatie omtrent de beeldregel L^. Het beeldrasteridentificatiesignaal FI wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 74 met een 20 vertragingsduur TH, waarvan het uitgangssignaal wordt toegevoerd aan een verdere vertragingsschakeling 75 met een vertragingsduur t: H. Als gevolg daarvan zal de detectieschakeling 72 een beeldrasteridentificatiesignaal FIr+1 afgeven bij uitlezing van de beeldregel Ln+^ uit het geheugen 53, zal de 25 vertragingsschakeling 74 een beeldrasteridentificatiesignaal FIn afgeven bij uitlezing van de beeldregelinformatie Ln, en zal de vertragingsschakeling 75 een beeldrasteridentificatie-signaal FIn_^ afgeven voor de informatie van de beeldregel
Ln-1' 30 Een videobeeldidentificatiesignaal RFLn van het uitleesverzoeksignaal en een beeldrasteridentificatiesignaal RFIn van het uitleesverzoeksignaal worden respectievelijk via aansluitingen 76 en 77 aan respectievelijk de exclusieve NIET-OF-poortschakelingen 78 en 79 toegevoerd. Het zelfde 35 geldt voor het videobeeldidentificatiesignaal FLn van de vertragingsschakeling 73 en het beeldrasteridentificatie-signaal FI van de vertragingsschakeling 74. De 8005722 -43- poortschakeling 78 zal derhalve een uitgangssignaal ter waarde "l" afgeven wanneer het videobeeld van de informatie van het uitgelezen deelblok overeenstemt met het videobeeld, dat door het uitleesverzoeksignaal wordt geïdentificeerd, terwijl 5 de poortschakeling 78 een uitgangssignaal ter waarde "0" afgeeft wanneer het videobeeld van de uitgelezen deelblokin-· formatie verschilt van dat volgens het uitleesverzoeksignaal.
Op soortgelijke wijze geeft de poortschakeling 79 een uitgangssignaal ter waarde "1" of "0" af wanneer het beeldraster 10 van de uitgelezen deelblokinformatie respectievelijk wel of niet overeenstemt met het beeldraster volgens het uitleesverzoeksignaal.
De uitgangssignalen van de poortschakelingen 78 en 79 worden toegevoerd aan een EN-poortschakeling 80, welke een 15 stuursignaal CT^ afgeeft, dat slechts de waarde "1" vertoont wanneer zowel omtrent het videobeeld als omtrent het beeldraster overeenstemming bestaat tussen de uitgelezen deelblokinformatie en het uitleesverzoeksignaal; indien deze overeenkomst niet bestaat heeft het stuursignaal de waarde "0”.
20 Dit stuursignaal CT^ wordt gebruikt voor besturing van de multiplexeenheid 66, welke aan de uitgangsaansluiting 68 het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 67 toevoert, wanneer het signaal CT^ de waarde "1" heeft, doch het uitgangssignaal van de opteller 65, wanneer het signaal CT^ 25 de waarde "0" heeft.
Door een omkeerschakeling 80a wordt uit het uitgangssignaal van de EN-poortschakeling 80 een invers signaal CT^ afgeleid, dat tezamen met het uitgangssignaal van de poort 78 aan respectievelijk de ingangen van een EN-poort-30 schakeling 81 wordt toegevoerd, welke een stuursignaal 0Τβ voor de multiplexeenheid 63 afgeeft. Dit stuursignaal CTg heeft slechts de waarde "1" wanneer de videobeelden van het uitgelezen deelblokinformatie en volgens het uitleesverzoeksignaal overeenstemmen, doch de desbetreffende beeldrasters 35 verschillen? daarentegen heeft het stuursignaal CTg de waarde "O" wanneer de videobeelden van uitgelezen deelblokinformatie en volgens het uitleesverzoeksignaal van elkaar verschillen.
8005722 » -44- U-—"*
Voorts reageert de multiplexeenheid 63 op het stuursignaal CTB DOOR keuze van het inverse chrominantiesignaal -CN aan de uitgang van de polariteitsomkeerschakeling 64 wanneer het signaal CT_ de waarde "0" heeft, dat wil zeggen wanneer het
.D
5 videobeeld van de uitgelezen deelblokinformatie verschilt van het videobeeld volgens het uitleesverzoeksignaal; wanneer CTB de waarde "1" heeft, wordt de chrominantiecomponent als uitgangssignaal van de multiplexeenheid 63 gekozen.
Het inverse uitgangssignaal CTA en het uitgangs-10 signaal van de NIET-OF-poortschakeling 79 worden toegevoerd aan een EN-poortschakeling 82, welke een signaal CT 0 a afgeeft, dat slechts de waarde ”1" heeft wanneer het videobeeld van de uitgelezen deelblokinformatie overeenstemt met het videobeeld volgens het uitleesverzoeksignaal, en zulks 15 onafhankelijk van de videobeelden, waartoe deze beeldrasters behoren; in alle andere gevallen heeft het signaal CT, 0 ± r Z fi r o de waarde "0". Het signaal wordt aan de multiplexeenheid 61 toegevoerd en dient voor zodanige besturing daarvan, dat de luminantiecomponent 2 η g voor toevoer aan de opteller 20 65 wordt gekozen wanneer het signaal CT. _ _ 0 de waarde "1" r Ir *7 r L· $ Z f i y q heeft, zoals in [GEVAL ij,[GEVAL 2j , [GEVAL 7], of GEVAL 8 in figuur 12.
Door een omkeerschakeling 82a wordt uit het uitgangssignaal van de EN-poortschakeling 82 een invers signaal 25 CT, 0-70 gevormd, dat wordt toegevoerd aan twee EN-poortscha- 1 r Z r / f o kelingen 83 en 84, welke respectievelijk eveneens het door de vertragingsschakeling 74 afgegeven beeldrasteridentificatie-signaal FIn en het via een omkeerschakeling 84a daaruit afgeleid, invers beeldrasteridentificatiesignaal Fï” krijgen 30 toegevoerd. Als gevolg daarvan zal de EN-poortschakeling 83 een signaal R2 ter waarde "1" afgeven wanneer het beeldraster van de uitgelezen deelblokinformatie verschilt van het beeldraster volgens het uitleesverzoeksignaal, waarbij het laatstgenoemde beeldraster bovendien het tweede beeldraster van een 35 volledig videobeeld vormt. Dit wil zeggen, dat het signaal R2 de waarde ni" vertoont wanneer het uitleesverzoeksignaal het tweede beeldraster identificeert, doch de uitgelezen 8005722 -45- deelblokinformatie op het eerste beeldraster betrekking heeft. Daarentegen geeft de EN-poortschakeling 84 een signaal ter waarde "1" af, wanneer de uitgelezen deelblokinformatie op een tweede raster betrekking heeft, terwijl het uitleesverzoek-5 signaal een eerste raster identificeert. Het uitgangssignaal R2 van de EN-poortschakeling 83 wordt toegevoerd aan twee EN-poortschakelingen 85 en 86, terwijl het uitgangssignaal R^ van de EN-poortschakeling 84 wordt toegevoerd aan twee EN-poortschakelingen 87 en 88.
10 Het door de vertragingsschakeling 74 afgegeven beeldrasteridentificatiesignaal FIn en het door de vertragingsschakeling 75 afgegeven beeldrasteridentificatiesignaal FIn+1 worden teegevoerd aan een exclusieve NIET-OF-poortscha-keling 89, waarvan het uitgangssignaal de waarde "1* aanneemt 15 wanneer de beide signalen FIn en FI^^ gelijk zijn, dat wil zeggen een zelfde beeldraster identificeren; het uitgangssignaal van de poortschakeling 89 heeft de waarde ”0" wanneer de signalen FIn en FIn onderling verschillende beeldrasters identificeren. Het uitgangssignaal van de poortschakeling 89 20 wordt toegevoerd aan de EN-poortschakeling 85 en, via een omkeerschakeling 89a in inverse vorm, aan de EN-poortschakeling 86.
Als gevolg van het voorgaande geeft de EN-poortschakeling 85 een signaal CT^ van de waarde "1" af wanneer het 25 uitleesverzoeksignaal het tweede beeldraster identificeert, terwijl de informatie omtrent de beeldregels Ln en L ^ in beide gevallen op eerste beeldrasters betrekking heeft. De EN-poortschakeling 86 geeft een signaal CT^ ter waarde "1" af wanneer het uitleesverzoeksignaal een tweede raster identifi-30 ceert, de informatie van de beeldregel L op het eerste beeldraster betrekking heeft en de informatie omtrent de beeldregel Ln_1 op het tweede beeldraster betrekking heeft. Dit wil zeggen, dat de signaen CT3 en CT4 ieder de waarde "1" vertonen wanneer aan de hiervoor onder [GEVAL 3] en [GEVAL 4J in figuur 35 12 vermelde voorwaarden wordt voldaan. De signalen CT^ en CT^ worden als respectievelijke stuursignalen aan de multiplex-eenheid 61 toegevoerd teneinde deze de door interpolatie 8005722 * -46- verkregen luminantiecomponent Y^g of de door interpolatie verkregen luminantiecomponent aan de opteller 65 te laten toevoeren wanneer het stuursignaal <CTg de waarde "1" heeft of wanneer het stuursignaal CT^ de waarde "1' heeft. Het van 5 de vertragingsschakeling 74 afkomstige beeldraster identifica-tiesignaal. Het van de vertragingsschakeling 74 afkomstige beeldraster identificatiesignaal FIn en het van de detectie-schakeling 72 afkomstige beeldraster identificatiesignaal FIn+1 worden toegevoerd aan een exclusieve. NIET-OF-poortscha-10 keling 90, waarvan het uitgangssignaal slechts de waarde "1" vertoont wanneer de beide signalen FI^ en FIn+1 gelijk zijn. Een desbetreffend uitgangssignaal van de poortschakeling 90 wordt toegevoerd aan de EN-poortschakeling 87 en, in door de omkeerschakeling 90a teweeg gebrachte inverse vorm, aan de 15 EN-poortschakeling 88.
Het uitgangssignaal van EN-poortschakeling 87 vormt een stuursignaal CTg van de waarde "1" wanneer het uit-leesverzoeksignaal het eerste beeldraster identificeert en de informatie omtrent de beeldregels Ln en i-n+1 in beide 20 gevallen op een tweede raster betrekking heeft. Het uitgangssignaal van de EN-poortschakeling 88 vormt een stuursignaal CTg van de waarde "1" wanneer het uitleesverzoeksignaal een eerste raster identificeert, de informatie omtrent de beeld-regel Ln op een tweede beeldraster betrekking heeft en de 25 informatie omtrent de beeldregel Ln+1 op een eerste raster betrekking heeft.
De signalen CTg en CTg vertonen derhalve ieder de waarde "1" wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden volgens INGEVAL ij en [GEVAL β] in figuur 12. De signalen CTg en CTg 30 worden als respectievelijke stuursignalen toegevoerd aan de multiplexeenheid 61, zodanig, dat deze de door interpolatie gevormde luminantiecomponent YNg of de door interpolatie gevormde luminantiecomponent Y^g aan de opteller 65 toevoert 35 wanneer het stuursignaal CTg de waarde "1" heeft of het stuursignaal CTg de waarde "1" heeft.
Het zal duidelijk zijn, dat wanneer bij iedere van de foutcorrectiedecodeereenheden 25 van het signaal- 8005722.
1—*-· * -47- weergeefstelsel volgens figuur 2 van een digitaal videoband-apparaat schakeling volgens figuur 13 wordt toegepast voor bewerking van het uitgelezen NTSC-kleurenvideosignaal, de multiplexeenheid 66 door het stuursignaal CT^ steeds zodanig 5 wordt bestuurd, dat hij het uitgangssignaal van de vertra-gingsschakeling 67 voor transmissie naar de uitgangsaansl^i-ting 68 kiest zo lang als het videobandapparaat in zijn bedrijf stoestand "normale signaalweergave" verkeert en geen ongecorrigeerde fout in enige van de opeenvolgend in het ge-10 heugen 51 ingelezen en vervolgens daaraan uitgelezen in-formatiedeelblokken optreedt. Indien echter een dergelijke ongecorrigeerde fout in een aan het geheugen 51 toegevoerde informatiedeelblok aanwezig is, zodat de inlezing van het desbetreffende deelblok in het geheugen 51 en de inlezing van het 15 bijbehorende blok identificatiesignaal in het geheugen 53 worden verhinderd, dan zal het gelijktijdig met de uitlezing van het vervangende informatiedeelblok uit het geheugen 51 uit het geheugen 53 uitgelezen blok identificatiesignaal ID niet, dat wil zeggen niet wat betreft zijn beeldraster en 20 mogelijkerwijs niet wat betreft zijn volledige videobeeld, overeenstemmen met respectievelijk het beeldraster en het videobeeld, welke door het via de aansluiting 77 en 76 aangeboden uitleesverzoeksignaal wordt geïdentificeerd. Indien de rasters van het uitgelezen deelblok en het uitleesverzoek-25 signaal verschillen, doch de desbetreffende videobeelden de zelfde zijn, neemt het stuursignaal CT^ de waarde "0" aan, zodat de multiplexeenheid 66 het uitgangssignaal van de teller 65 kiest, terwijl het stuursignaal CTg de waarde "1" heeft, zodat de multiplexeenheid 63 het uitgangssignaal CN 30 van de vertragingsschakeling 62 voor transmissie naar de opteller 65 kiest. Aangezien hetdoor het uit het geheugen 53 uitgelezen blok identificatiesignaal geïdentificeerde beeldraster verschilt van dat volgens het uitleesverzoeksignaal, doch de desbetreffende volledige videobeelden met elkaar 35 overeenstemmen, zal het bovendien duidelijk zijn, dat het tweede beeldraster door het uitleesverzoeksignaal wordt geïdentificeerd, terwijl het eerste beeldraster door het uit 8005722 * -48- het geheugen 53 afkomstige identificatiesignaal wordt geïdentificeerd. In dat geval zal, afhankelijk van het beeldraster van de beeldregel welke voorafgaande aan de op dat ogen blik uit het geheugen 51 uitgelezen beeldregel Ln is uitgelezen, 5 hetzij het signaal CT^, hetzij het signaal CT^ de waarde "1" vertonen, zodat de multiplexeenheid 61 zodanig wordt bestuurd, dat hij hetzij de luminantiecomponent Y^/ hetzij de luminan-tiecomponent YN4 kiest. Tijdens normale signaalweergave door middel van het digitale videobandapparaat zal derhalve het 10 optreden van een ongecorrigeerde fout in een informatiedeel-blok van een tweede raster worden verborgen door vervanging van het desbetreffende deelblok door informatie, welke is samengesteld uit de chrominantiecomponent van het overeen^ komstige deelblok met informatie omtrent het onmiddellijk 15 voorafgaande beeldraster, dat wil zeggen het eerste beeldraster van het zelfde videobeeld, en uit een door interpolatie volgens de uitdrukking of YN4 volgens figuur 12 berekende luminantiecomponent.
Wanneer daarentegen tijdens normale signaalweerga-20 ve een ongecorrigeerde fout optreedt in een deelblok, dat informatie omtrent een eerste beeldraster bevat, welk deelblok derhalve dient te worden vervangen of verborgen door een overeenkomstig deelblok met informatie omtrent het onmiddellijk voorafgaande beeldraster, dat wil zeggen het beeldraster van 25 een voorafgaand videobeeld, dan zullen zowel het beeldraster als het videobeeld, welke door het uit het geheugen 53 uitgelezen identificatiesignaal worden geïdentificeerd, verschillen van respectievelijk het beeldraster en het videobeeld volgens het uitleesverzoeksignaal. In reactie daarop, neemt het stuur-30 signaal CTg de waarde ”0" aan, zodat de multiplexeenheid 63 de chrominantiecomponent -CN, afkomstig van de polariteits-omkeerschakeling 64, voor transmissie naar de opteleenheid 65 kiest. In reactie op het feit, dat de uitgelezen informatie op een tweede beeldraster betrekking heeft, terwijl het 35 gelijktijdig ontvangen uitleesverzoeksignaal een eerste beeld raster identificeert, zal bovendien hetzij het stuursignaal CT^ hetzij het stuursignaal CTg de waarde "1" aannemen, 8005722 -49- zodat de multiplexeenheid hetzij de luminantiecomponent YNg, hetzij de luminantiecomponent YNg voor transmissie naar de opteller 65 kiest. Deze keuze van Ynj. of YNg is afhankelijk van het raster, waarop de lijn Ln+1 behoort, welke in uit- · 5 lezing uit het geheugen 51 op de beeldregel volgt. Het voorgaande wil zeggen, dat tijdens normale signaalweergave de bewerkingsinrichting volgens figuur 13 zodanig te werk gaat, dat een in informatie omtrent een eerste beeldraster optredende fout wordt verborgen door vervanging van de fou-10 tieve informatie door een signaal, dat is samengesteld uit een door geschikte interpolatie gevormde luminantiecomponent YN5 of YNg volgens figuur 12 en uit een chrominantiecompönent met de zelfde chrominantie-informatie doch tegengestelde polariteit als diè van de overeenkomstige informatie omtrent 15 het tweede beeldraster van het onmiddellijk voorafgaande videobeeld.
Voorts zal het duidelijk zijn, dat in geval van andere dan normale signaalweergave door middel van het digitale videobandapparaat, zoals bijvoorbeeld tijdens signaal-20 weergave bij hoge snelheid, waarbij tijdens de duur van ëën enkele rasterperiode informatie omtrent enige beeldrasters en/af videobeelden wordt uitgelezen en aan een kanaal wordt toegevoerd, de multiplexbesturingsschakeling 70 van de bewerkingsinrichting volgens figuur 13 op geschikte wijze 25 de multiplexeenheden 61, 63 en 66 zodanig bestuurt, dat de multiplexeenheid 66 in afwezigheid van enige foutverberging de uit het geheugen 51 uitgelezen informatie via de vertra-gingsschakeling 67 aan de uitgangsaansluiting 68 blijft toevoeren zo lang als het beeldraster en het videobeeld van de 30 uit het geheugen 51 uitgelezen informatie respectievelijk met het beeldraster en het videobeeld volgens het ontvangen uitleesverzoeksignaal overeenkomen. Inöien als gevolg van de signaalweergave bij hoge snelheid echter een afwijking optreedt tussen het beeldraster en/of het videobeeld van de 35 uit het geheugen 51 uitgelezen informatie, als geïdentificeerd IgBF door het gelijktijdig uit het geheugen 53 uitgelezen identi- \ ficatiesignaal XD, en het beeldraster en/of videobeeld \ 8005722 -50- als geïdentificeerd door het uitleesverzoeksignaal, dan schakelt de multiplexeenheid 66 over naar het uitgangssignaal van de opteller 65. Indien de uit het geheugen 51 uitgelezen informatie het zelfde beeldraster als het uitleesverzoek-5 signaal identificeert, doch een afwijkend videobeeld, zal de multiplexeenheid 61 de luminantiecomponent Y _ _ 0 recht-streeks aan de vertragingsschakeling 55 afnemen, terwijl de multiplexeenheid 64 dan de chrominantiecomponent -CN kiest, waarna de aldus gekozen signalen door de opteller 65 worden 10 samengesteld tot een voor transmissie via de multiplexeenheid 66 naar de aansluiting 68 geschikt, samengesteld signaal. Indien daarentegen de uit het geheugen 51 uitgelezen informatie op een ander beeldraster dan d&t volgens het uitleesverzoeksignaal betrekking heeft, wordt de multiplexeenheid zodanig 15 bestuurd, dat hij de door interpolatie gevormde luminantiecomponent YN3/ ^5' YN6 kiest voor toevoer aan de opteller 65 met hetzij de chrominantiecomponent CN, 'hetzij de inverse chrominantiecomponent -CN, zulks in afhankelijkheid van de relatie tussen het videobeeld van de uit het geheugen 20 51 uitgelezen informatie tot het door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde videobeeld.
Duidelijk wordt, dat de bewerkingsschakeling volgens figuur 13 zeker stelt, dat bij weergave van een kleuren-videosignaal van het nTSC-type zowel foutverberging tijdens 25 normale signaalweergave als afwijkende signaalweergave, c.q. bij hoge bandtransportsnelheid, kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar voor vervorming van of discontinuïteiten in het zichtbaar gemaakte kleurenbeeld.
Vervolgens zal de werking van de uitvinding voor 30 bewerking van een kleurvideosignaal van het PAL-type worden beschouwd.
8005722 ί -51-
Duidelijk afwijkend van de situatie bij een kleuren-videosignaal van het NTSC-type, geldt voor een kleurenvideo-signaal van het PAL-type, dat zelfs indien de kleureninformatie wordt bemonsterd in beeldregelpunten, welke steeds in een ver-5 ticale lijn met elkaar liggen, de aldus verkregen kleurenin-formatiewaarde en de polariteit daarvan niet op eenvoudige wijze zijn bepaald; zo kan bijvoorbeeld bij toepassing van . een bemonsterfrequentie 4fgcp de bemonsterde informatie iedere gedaante Yp ί QRp en Yp - DBp hebben.
10 Dit heeft bij een kleurenvideosignaal van het PAL- type tot gevolg, dat het bijvoorbeeld bij signaalweergave met van de normale snelheid afwijkende bandtransportsnelheid onmogelijk is om een kleursignaal volgens het uitleesverzoek-signaal te verkrijgen dqor slechts de polariteit van de door 15 een filter afgescheiden chrominantiecomponent in beschouwing te nemen en te verdisconteren, zoals wel bij een videosignaal van het NTSC-type mogelijk is.
Volgens de onderhavige uitvinding wordt de chro-. minantiecomponent bij een videosignaal van het PAL-type na uit-20 lezing gedemoduleerd tot een kleurverschilsignaal en omgezet tot informatie van het luminantietype, waarna zodanige berekening van het kleurverschilsignaal wordt toegepast, dat een kleur- of chrominantiecomponent wordt verkregen, welke overeenstemt met het uitleesverzoeksignaal.
25 Hoewel de luminantiecomponent Yp van een uitgelezen PAL-kleurenvideosignaal kan worden berekend of op eenvoudige wijze geïnterpoleerd uit de luminantiecomponenten, welke door een digitaal filter zijn afgescheiden uit de informatie omtrent onmiddellijk boven en onmiddellijk onder de door het uitlees-30 verzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel gelegen beeldregels, dat wil zeggen op soortgelijke wijze als beschreven voor een videosignaal van het NTSC-type, kan een dergelijke eenvoudige interpolatie niet worden toegepast ter verkrijging van de gewenste chrominantiecomponent, zoals nu zal worden uiteengezet.
35 Indien een kleurenvideosignaal van het PAL-type wordt bemonsterd met een bemonsterfrequentie 4fg^p, zullen de kleurverschilsignaalcomponenten DRp en DBp (beschouwd als absolute waarden, derhalve onafhankelijk van de polariteit) * -52- l—. ' in een opeenvolging van punten of plaatsen langs een bepaalde beeldregel, bijvoorbeeld de eerste beeldregel van het eerste beeldraster van het eerste volledige videobeeld, gedaanten volgens de volgende tabel hebben: 5 __i___i -..-^.^ïjemonsterpunt informatie''"'' --—.-------- 1 2 3 4 5 6 DRP DRP1 DRP3 DRP5 • informatie________ 10 DBP. , . DBP2 DBP4 DBP6 informatie
Zoals uit deze tabel naar voren komt, heeft in ieder van de bemonsterpunten steeds het ene van de beide kleurver-15 schilsignalen DRp en DBp geen waarde (een waarde = 0) wanneer het andere een van 0 verschillende waarde heeft, zodat het zonder toepassing van een spéciale berekening om tot het ontbrekende kleurverschilsignaal te komen, niet mogelijk zou zijn een chrominantiecomponent te verschaffen, welke voldoet aan de 20 specificatie van het uitleesverzoeksignaal.
Meer in het bijzonder wordt volgens de uitvinding de waarde van ieder ontbrekend kleurverschilsignaal in een bemonster-punt verkregen door interpolatie uit de waarden van de overeenkomstige kleurverschilsignalen in dié bemonsterpunten, welke 25 onmiddellijk voorafgaan aan en volgen op het bemonsterpunt, waarvoor het kleurverschilsignaal dient te worden bepaald, zodanig, dat voor alle bemonsterpunten waarden voor het rode en het blauwe kleurverschilsignaal worden verkregen; de volgende tabel laat dit zien._ _ 3q ''^bemonster- T~ \punt , , ^ 1 2 3 4 5 6
3BP
informatie 5 DRpl DR^-HJR^ DRp3 DRp3+%5 HRp5 DR^+DR,.
35 _ ~~2 : 2 —J- dbp ; — !
informatie I
pBp0+DBp2 DBp2 DBp2+BBp4 j DBp4 DBp4+DBp6' DBp6 • 2 . . .. “—5-j . ~2 | linnc-jftA ’ ! ' “ -J.
-53- u—-
De volgens deze tabel ter verkrijging van de waarden van ontbrekende kleurverschilsignalen in ieder bemonsterpunt gebruikte interpolaties zullen hierna worden aangeduid als "monsterinterpolaties" ter onderscheiding van "beeldregelinter-5 polaties", welke uitdrukking wordt gebruikt voor waardebepaling van de luminantiecomponent.
In het geval van bewerking van een kleurenvideo-signaal van het NTSC-type is geen gebruik gemaakt van beeld-regelidentificatie door middel van het iöentificatiesignaal ID, 10 doch voor bewerking van een kleurenvideosignaal van het PAL-type vormt beeldregelidentificatie wel onderdeel van het uit-leesverzoeksignaal.
Voorts geldt in het geval van een videosignaal van het PAL-type, dat indien de fase van het kleurhulpdraaggolf-15 signaal als criterium wordt gebruikt, alle beeldregels in vier types kunnen worden verdeeld, zodat, indien het beeldregeltype bekend is, ook de voorwaarden voor de kleurinformatie van de desbetreffende beeldregel bekend zijn. In het geval van een bemonsterfrequentie 4fgCp kunnen de beeldregels bijvoorbeeld 20 op basis van de kleurinformatiegroepering worden verdeeld in de volgende vier types, waarbij begonnen wordt bij het monster aan het linkereinde van de effectieve video-informatie van iedere beeldregel, zoals weergegeven in figuur 11: 1. een eerste type beeldregel, waarbij de kleur-25 verschilsignalen zich cyclisch herhalen in de volgorde +DRp, +DBp, -DRp, —DBp, +DBp ,.. .. (bijvoorbeeld de beeldregel1_1); 2. een tweede type beeldregel, waarbij de kleurverschilsignalen zich cyclisch herhalen in de volgorde -DBp, -DRp, +DBp, +DRp, -DBp, -DRp,.....(bijvoorbeeld de beeldregel^1_2); 30 3. een derde type beeldregel, waarbij de kleur verschilsignalen zich cyclisch herhalen in de volgorde -DRp, -DBp, +DRp, +DBp, -DRp, -DBp,...(bijvoorbeeld de beeldregel X 13) '· 4. een vierde type beeldregel, waarbij de kleurverschilsignalen zich cyclisch herhalen in de volgorde +DBp, 35 +DRp, -DBp, -DRp, +DBp, +DRp,----(bijvoorbeeld de beeldregeli1_314).
Voor identificatie van het eerste, tweede, derde en vierde beeldregeltype van het PAL-signaal, worden respec- y -54- tievelijk de 2-bits codes fll] , Γθθ] , {jLoJ en[oi] als beeldregel-type identificatie ID aan ieder van de informatiedeelblokken van de beeldregels toegevoegd. Door detectie van de 2-bits code, welke het beeldregeltype van een uitgelezen deelblok 5 identificeert, en door toetsing van deze code aan de beeld-regelspecificatie volgens het uitleesverzoeksignaal is het mogelijk om te bepalen, welke vorm van signaalbewerking van de uitgelezen deelblokinformatie noodzakelijk is om overeenstemming met het uitleesverzoeksignaal te bereiken.
10 Figuur 14 laat zien, dat de omstandigheden, waar voor zogenaamde "beeldregelinterpolatie" dient te worden toegepast, voor een signaal van het PAL-type nauwkeurig overeenstemmen met die voor een signaal van het NTSC-type- Meer in het bijzonder kunnen voor de omstandigheden, welke eerder 15 respectievelijk werden aangeduid als [GEVAL lj,{GEVAL 2j, LGEVAL 3J, {GEVAL 4], [GEVAL 5], [GEVAL δ], [GEVAL 7] en [GEVAL 8j , de aritmetische beperkingen of berekeningen volgens de vergelijkingen (4) en (5) voor zowel de luminantiecomponent Yp als de chrominantiecomponent Cp worden uitgevoerd ter ver-20 krijging van de door beeldregelinterpolatie verkregen waarden volgens de tabel van figuur 14. Bovendien geldt in het geval van een PAL-signaal, dat het kleurensignaal of de chrominantiecomponent voor ieder kleurverschilsignaal door beeldregelinterpolatie wordt gevormd, waarbij als informatie omtrent 25 het kleurverschilsignaal de door monsterinterpolatie verkregen
waarden ISL , I3L„ ., ISL ,, worden gebruikt, n n-1 n+l J
Evenals in het geval van een videosignaal van het NTSC-type geldt ook voor een videosignaal van het PAL-type, dat wanneer foutverberging plaats vindt, de verhindering van 30 inlezing van door een fout getroffen informatie in het desbetreffende geheugen zekerstelt, dat gedurende signaaluitlezing de omstandigheden volgens £GEVAL 4 3 of [GEVAL δ] zich voordoen.
• Zoals reeds is opgemerkt, is de frequentieband van het kleurverschilsignaal minder breed dan dié van de luminantie-35 component, zodat in de praktijk zeer bevredigende resultaten kunnen worden verkregen indien geen beeldregelinterpolatie wordt uitgevoerd voor de kleurverschilsignaal van het PAL-signaal. In dit verband toont figuur 15 een uitvoeringsvorm 8005722 -55- van een inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal van het PAL-type, als voorgesteld door de uitvinding, waarbij voor de kleurverschilcomponent echter geen beeldregelinterpo-latie wordt toegepast. Evenals ingeval van figuur 3, dient de 5 inrichting volgens figuur 15 om te worden opgenomen in, respectievelijk te worden toegepast bij, iedere foutcorrectiedeco-deereenheid 25A, 25B en 25C van het digitale videobandapparaat.
De bewerkingsinrichting volgens figuur 15 bevat een· geheugeninrichting 91 van voldoende; grote capaciteit voor 10 geheugenopslag van ëénkanalige informatie omtrent een beeld-raster van het videosignaal. De geheugeninrichting 91 kan van het RAM-type met willekeurige toegankelijkheid zijn, waaraan een bijbehorende besturingsschakeling is toegevoegd? de geheugeninrichting 91 krijgt via een ingang 92 het uitgelezen, 15 in digitale vorm gebrachte kleurenvideosignaal van het PAL-type toegevoerd na bewerking door de tijdbasiscorrectiescha-keling 23A, 23B of 23C volgens figuur 2 en via de uitwissel-eenheid 24; ook is het mogelijk, dat de geheugeninrichting 91 een in digitale vorm gebracht PAL-kleurenvideosignaal 20 krijgt toegevoerd, dat voor zover mogeiijk reeds op basis van de horizontale en verticale pariteitsinformatie in een daartoe geschikte, doch op zichzelf geen onderdeel van de uitvinding vormende en derhalve in figuur 15 niet weergegeven foutcorrec-tieschakeling aan foutcorrectie is onderworpen.
25 Een andere geheugeninrichting 93 dient voor geheugen opslag van het identificatiesignaal ID van ieder deelblok van de aan de aansluiting 92 toegevoerde, digitale videosignaal-informatie, welk identificatiesignaal ID van de desbetreffende informatie is afgescheiden in een identificatiesignaalextractie-30 schakeling 93a. De geheugeninrichting 53 kan eveneens uit een geheugen van het RAM-type met bijbehorende besturingsschakeling bestaan. De via de ingangsaansluiting 92 ontvangen, in digitale vorm verkerende videosignaalinformatie wordt voorts aan een adres-signaalextractieschakeling 91a toegevoerd voor afscheiding 35 van het blokadressignaal AD uit ieder informatiedeelblok; dit blokadressignaal wordt toegevoerd aan een inleesadresbestu-ringsschakeling 91b.
De besturingsschakeling 9lb kan bijvoorbeeld een ge- 800879» -56- . \_- ' heugen van het ROM-type omvatten, dat dient voor afgifte van een actueel absoluut adres in reactie op een door de schakeling 9la uit een deelblok afgescheiden blokadressignaal AD. Dit wil zeggen, dat het uit een deelblok afgescheiden blokadres-5 signaal AD bij toevoer aan de besturingsschakeling 9lb deze schakeling activeert tot bepaling van dié adressen van de geheugeninrichtingen 91 en 93, waarop respectievelijk de video-informtie en het blokidentificatiesignaal ID van een dergelijk deelblok dienen te worden ingelezen, en voorts tot be-10 paling van dié adressen van respectievelijk de geheugeninrichtingen 91 en 93, waaraan de video-informatie en een blokidentificatiesignaal ID daarna dienen te worden uitgelezen; dit geschiedt op dezelfde wijze als reeds aan de hand van figuur 13 voor een kleurenvideosignaal van het NTSC-type is beschreven.
15 Evenals in dat geval, wordt het via de ingangsaansluiting 92 ontvangen, uitgelezen kleurenvideosignaal in digitale vorm toegevoerd aan een uitval- of foutdetectieschakeling 91c, welke dient voor detectie van een informatiedeelblok, dat een niet op gebruikelijke wijze op basis van de horizontale en de ver-20 ticale pariteitsinformatie gecorrigeerde fout bevat, en voor verhindering van inlezing van de desbetreffende video-informatie en het desbetreffende blokidentificatiesignaal in respectievelijk de geheugeninrichtingen 91 en 93.
De aan de opeenvolgende adressen van de geheugen-25 inrichting 91 uitgelezen informatie wordt toegevoerd aan een digitaal scheidingsfilter 94 voor scheiding van de luminantie-en de chrominantiecomponent van elkaar. toe^evoerd
De aldus afgescheiden luminantiecomponent wordt/aan een vertragingsschakeling 95 met een vertragingsduur ΤΉ, welke 30 overeenkomt met de periodeduur van de informatie voor één beeld-regel van één kanaal. Het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 95 wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 96 met een verdere vertragingsduur Ï'h. Wanneer het uitleesverzoek-sgnaal de n-de rasterbeeldregel L specificeert, wordt de uit-35 lezing van de geheugeninrichtingen 91 en 93 zodanig bestuurd, dat de aan de uitgang van het filter 94 verschijnende luminantiecomponent (SLn+1)Y voor de beeldregel Ln+1 is, het uitgangs- 8005722 -57- signaal van de vertragingsschakeling 95 de luminantiecomponent (SLn)Y van de onmiddellijk aan de door het uitleesverzoek-signaal geïdentificeerde beeldregel voorafgaande beeldregel is, en dat het uitgangssignaal van de vertragingsschakeling 5 . 96 de luminantiecomponent (SLn_i)y van aan de zojuist genoemde "onmiddellijk voorafgaande beeldregel” voorafgaande beeldregel is.
Deze uitgangssignalen (SLn+1)y, (SL)Y en worden toegevoerd aan een met de rekeneenheden 57-60 volgens 10 figuur 13 overeenkomende rekenschakeling 97 voor uitvoering van dezelfde bewerkingen als aan de hand van figuur 13 is beschreven voor een videosignaal van het NTSC-type, dat wil zeggen ter verkrijging van de respectievelijke luminantie- componenten Yp^, YP4' "PI 2 7 8 ' YP5 en YP6' we^e aan een 15 multiplexeenheid 98 worden toegevoerd.
Bovendien wordt een uit de geheugeninrichting 93 uitgelezen identificatiesignaal toegevoerd aan een met de schakeling 70 volgens figuur 13 overeenkomende stuursignaal-generatorschakeling 99, waaraan via een aansluiting 100 tevens 20 een uit een uitwendig referentiesignaal afgeleid identificatie-of uitleesverzoeksignaal wordt toegevoerd. Uit de videobeelden beeldrasteridentificatiesignaalcomponenten van het aan de geheugenschakeling 93 uitgelezen identificatiesignaal en uit het zojuist genoemde, uitleesverzoeksignaal vormt de schakeling 25 99 op dezelfde wijze, als reeds aan de hand van figuur 13 beschreven, de stuursignalen C1^ 2 7 8 ' CT3' CT4' CT5 en CT6’
Deze stuursignalen worden aan de multiplexeenheid 98 toegevoerd voor zodanige besturing daarvan, dat deze steeds de voor de geldende omstandigheden juiste luminantiecomponent afgeeft, 30 welke aan een opteller 101 wordt toegevoerd.
De door het digitale filter 94 afgescheiden chro-minantiecomponent wordt toegevoerd aan een vertragingsschakeling 102 voor het teweeg brengen van de juiste tijdsrelatie ten opzichte van de eveneens afgescheiden luminantiecomponent..
35 De door de vertragingsschakeling 102 vertraagde chrominantie-component wordt toegevoerd aan een kleurendemodulatieschakeling 103 ter verkrijging van rode en blauwe kleurverschilsignalen, 8005722
Jr -58-
Lu — · · welke aan een monsterinterpolatieschakeling 104 worden toegevoerd.
Bovendien krijgt de schakeling 104 de uit het geheugen 93 uitgelezen identificatiesignalen toegevoerd; de 5 daartoe behorende beeldregelidentificatiecomponent vormt de basis voor detectie of de polariteit van het in de bemonsterde informatie aanwezige kleurverschilsignaal aan inversie is onderworpen, in welk geval deze polariteit positief gemaakt wordt. De aldus verkregen informatie, waarvan de kleurver-10 schilsignaalpolariteit derhalve voor alle monsters positief is (gemaakt) wordt voor ieder kleurverschilsignaal voor ieder tweede monster aan monsterinterpolatie onderworpen, waarbij waarden van onmiddellijk voorafgaande en onmiddellijk volgende monsters op de hiervoor reeds beschreven wijze bij de inter-15 polatie worden gebruikt; de resulterende uitgangssignalen (ISL en' (ISL )n_ worden toegevoerd aan een kleursignaal-opwekschakeling 105.
De stuursignaalgeneratorschakeling 99 geeft voorts stuursignalen RQLID^ ^ afr welke uit de béeldregelidentificatie-20 component van het uitleesverzoeksignaal worden afgeleid en aan de kleursignaalopwekschakeling 105 worden toegevoerd teneinde de laatstgenoemde een chrominantiecomponent te doen afgeven, waarvan de kleurinformatiewaarde en de -fase voldoen aan de door de beeldregelidentificatie van het uitleesverzoek-25 signaal gegeven specificatie. Een dergelijke door de schakeling 105 afgegeven chrominantiecomponent wordt toegevoerd aan een opteller 101 voor recombinatie met de van de multi-plexeenheid 98 afkomstige luminantiecomponent tot een samengesteld kleurenvideosignaal, dat aan een multiplexeenheid 30 106 wordt toegevoerd. De uit de gëheugeninrichting 91 uitgelezen informatie wordt voorts toegevoerd aan een vertragings-schakeling 107 met een vertragingsduur, welke gelijk is aan de som van de vertragingsduren van het digitale filter 94 en van de vertragingsschakeling 95; deze maatregel dient voor 35 synchronisatie van deze informatie met het uitgangssignaal van de opteller. 101, voorafgaande aan toevoer aan de multiplexeenheid 106.
8005722 -59-
De stuursignaalopwekschakeling 99 voert, op soortgelijke wijze als de schakeling 70 volgens figuur 13, een vergelijking uit tussen het uit de geheugeninrichting 93 uitgelezen identificatiesignaal en het uitleesverzoeksignaal en 5 verschaft op basis van deze vergelijking een stuursignaal CT'^, dat slechts de waarde "1" vertoont wanneer het identificatiesignaal en het uitleesverzoeksignaal in alle opzichten met elkaar overeenstemmen, dat wil zeggen wat betreft volledig videobeeld, beeldraster en beeldregel. Dit stuursignaal CT' Ά> 10 wordt toegevoerd aan de multiplexeenheid 106, welke het uitgangssignaal - van de vertragingsschakeling 107 doorlaat wanneer het stuursignaal CT'A de waarde "1" heeft, doch het uitgangssignaal van de optelschakeling 101 doorlaat wanneer het stuursignaal CT'A de waarde "0" heeft. Het desbetreffende uitgangs-15 signaal van de multiplexeenheid 106 komt ter beschikking aan een uitgangsaansluiting 108, welke als ingangsaansluiting kan worden beschouwd van de in ieder kanaal van het signaalweer-geefstelsel onmiddellijk daarop volgende tijdbasisexpansie-schakeling 26A, 26B of 26C. Zoals figuur 15 laat zien, bevindt 20 zich in de bewerkingsschakeling volgens de uitvinding bovendien tussen de identificatiesignaalgeheugeninrichting 93 en de monster-interpolatieschakeling 104 een vertragingsschakeling 109 ter verkrijging van synchronisatie tussen de informatie en het i-dentificatiesignaal aan de monsterinterpolatieschakeling 104.
25 Zoals figuur 16 meer in details laat zien, wordt bij een bepaalde uitvoeringsvorm van de monsterinterpolatieschakeling 104 en de kleursignaalopwekschakeling 105 de afgescheiden chrominantiecomponent op geschikte wijze in 8-bits parallelvorm door het filter 94 via een ingangsaansluiting 110 30 toegevoerd aan een flipflop 111 van het D-type, waaraan tevens een kloksignaal CK (zie figuur 17A) van de frequentie 4fgc wordt toegevoerd; de flipflop 111 dient als grendelschakeling voor vasthouding van de chrominantie-informatie. Het uitgangssignaal Q van de flipflop 111 wordt toegevoerd aan een scha-35 keling 112 voor verabsolutering, dat wil zeggen omzetting naar hun absolute waarde, van de kleurverschilsignalen van de chrominantiecomponent. De schakeling 112 bevat een poortschakeling ft fl ft ft 7 9 9 * -60- 113 en een omkeerpoortschakeling 114, welke aan elkaar zijn parallelgeschakeld en respectievelijk zodanig worden bestuurd, dat indien de ontvangen informatie een positief teken heeft, de desbetreffende informatie zonder polariteitsverandering 5 door de poortschakeling 113 wordt doorgelaten, terwijl indien de ontvangen informatie een negatief teken heeft, passage onder polariteitsomkering via de poortschakeling 114 plaats vindt. De beide poortschakelingen 113 en 114 verkeren in hun doorlaattoestand wanneer de waarde van hun respectievelijke 10 poortschakelsignaal gelijk "0" is. Dit poortschakelsignaal wordt voor de poortschakeling 113 gevormd door een informatie-kiessignaal DSLCT2 (zie figuur 17D), dat aan de Q-uitgang van een flipflop 115 van het D-type wordt afgenomen. Dit informatie-kiessignaal DSLCT2 wordt via een omkeerschakeling 116 als 15 poortschakelsignaal aan de poortschakeling 114 toegevoerd, welke in zijn doorlaattoestand of open toestand verkeert wanneer het uitgangssignaal van de omkeerschakeling 116 de waarde "O" heeft, dat wil zeggen wanneer het informatiekies-signaal DSLCT2 de waarde "1" heeft. De flipflop 115 van het 20 D-type wordt, zoals hierna nog meer in details zal worden beschreven, zodanig bestuurd, dat de waarde van het infor-matiekiessignaal DSLCT2 gelijk "0" is voor opensturing van de poortschakeling 113 wanneer het rode of het blauwe kleur-verschilsignaal DR, respectievelijk DB, dat aan de uitgang 25 van de flipflop 111 verschijnt, de positieve polariteit heeft, zoals bijvoorbeeld door het symbool ofin figuur 17F is weergegeven. Het uitgangssignaal DSLCT2 van de flipflop 115 heeft daarentegen de waarde "1", waardoor de orakeerpoort-- schakeling 114 wordt opengestuurd, wanneer het aan de uit-30 gang van de flipflop 111 verschijnende kleurverschilsignaal DR of DB de negatieve polariteit heeft, zoals respectievelijk met het symbool R of B in figuur 17F is weergegeven.
Het door de schakeling 112 afgegeven, absolute-waardesignaal wordt vastgehouden door een flipflop 117 van 35 het D-type. Dit wil zeggen, dat indien de sequentie van de aan de uitgang van de flipflop 111 verschijnende kleurver-schilsignalen de gedaante +DR^, +DB2, -DR^, -DB^, +DRj-, +DBg, -DR^,...heeft, zoals symbolisch in figuur 17 is weergegeven, 8005722 -61- in dat geval de inhoud van de flipflop 117 de volgende sequentie van absolute waarden zal laten zien: +DR^, +DB2' +DRg,· +DB4' +0^5/ +DB6' +DR^,----, zoals symbolisch in figuur 17G is weergegeven.
5 De monsterinterpolatieschakeling 104 volgens figuur 16 bevat een flipflop 118 en een flipflop 119 van het D-type, die in volgorde met de uitgang van de flipflop 117 zijn verbonden, zodat de informatie-inhoud van de flipflop 119 (zie • figuur 17H) over de duur van twee monsters ten opzichte van 10 dié van de flipflop 117 (zie figuur 17G} is vertraagd. Voorts bevat de schakeling 104 een opteller 102 voor optelling van de inhoud van de flipflop 117 en dié van de flipflop 119, waarna het uitgangssignaal van de opteller 120 door-een deler 121 aan tweedeling wordt onderworpen. Indien bijvoorbeeld de 15 inhoud van de flipflop 117 gelijk DR^ en de inhoud van de flipflop 119 gelijk DR^ is, dan zal het uitgangssignaal van de tweedeler 121 gelijk aan (DR^ + DR.j)/2 = R'^ zijn, welke informatie wordt vastgehouden of vergrendeld door een flipflop 122 van het D-type (zie figuur 17J). De monsterinterpo-20 latieschakeling 104 omvat voorts twee multiplexeenheden 123 en 124, waarvan de respectievelijke A-ingangen met de uitgang van de flipflop 122 en de respectievelijke B-ingangen met de uitgang van de flipflop 119 zijn verbonden. De multi-plexeenheid 123 wordt bestuurd door een informatiekiessignaal 25 DSLCT^ (zie figuur 17E), dat aan de Q-uitgang van een flipflop 125 van het D-type wordt afgenomen en via een omkeerschakeling 126 als stuursignaal aan de multiplexeenheid 124 wordt toegevoerd. Zoals nog meer in details zal worden beschreven, worden de multiplexeenheden 123 en 124 zodanig bestuurd, dat 30 zij aan hun respectievelijke uitgangen de rode kleurverschil-signalen (zie figuur 17K) en de blauwe kleurverschilsignalen (zie figuur 17M) afgeven.
De aldus aan de uitgangen van de raultiplexeenhéden 123 en 124 verkregen signalen DR en DB, welke door monster-35 interpolatie verkregen waarden bevatten, worden respectievelijk door flipflops 127 en 128 aan de ingangszijde van de kleur-signaalopwekschakeling 105 vastgehouden. De flipflops 127 en 128 worden zodanig bestuurd, dat zij de vastgehouden signalen -62- l__.- - (zie figuur 17L en figuur 17N) selectief afgeven, respectievelijk doorlaten, in overeenstemming met een rechtstreeks aan de flipflop 127 en via een omkeerschakeling 129 aan de flipflop 128 toegevoerd verzoekkiessignaal RSLCl^ volgens 5 figuur 17P. De uitgangen van de flipflops 127 en 128 zijn gemeenschappelijk verbonden met een flipflop 130, zodanig, dat de laatstgenoemde de verschillende absolute waarden van de door monsterinterpolatie verkregen kleurverschilsignalen vasthoudt. Het uitgangssignaal (zie figuur 17Q) van de flip-10 flop 130 wordt toegevoerd aan een schakeling 131 voor herstel van de vereiste polariteiten van de kleurverschilsignalen.
De schakeling 131 bevat een poortschakeling 132 en een omkeerpoortschakeling 133, welke met elkaar zijn parallel-geschakeld en ieder in him open of doorlaattoestand verkeren, 15 wanneer de waarde van him respectievelijk bijbehorende poort-schakelsignaal gelijk "O” is. Dit poortschakelsignaal wordt voor de poortschakeling 132 gevormd door een verzoekkiessignaal RSLCT2 (volgens figuur 17R) en voor de poortschakeling 133 door het in een omkeerschakeling 134 aan omkering onder-20 worpen verzoekkiessignaal RSLCT^. Wanneer de poortschakeling 132 wordt opengestuurd, wordt het dan door de flipflop 130 afgegeven kleurverschilsignaal zonder polariteitsomkering doorgelaten, zodat het aan de uitgang van de schakeling 131 een positieve polariteit vertoont; wanneer de poortschakeling 25 133 wordt opengestuurd, wordt het dan door de flipflop 130 afgegeven kleurverschilsignaal aan polariteitsomkering onderworpen (door de omkeerpoortschakeling 133) , zodat het met negatieve polariteit aan de uitgang van de schakeling 131 verschijnt. Het uitgangssignaal van de schakeling 131 wordt 30 toegevoerd aan een flipflop 135, welke als vergrendelschakeling dient; het uit deze bewerkingen resulterende kleurensignaal (zie figuur 17S) wordt door de grendelschakeling 135 toegevoerd aan een uitgangsaansluiting 136, welke met de opteller 101 volgens figuur 15 kan zijn verbonden.
35 De signalen DSLCl^ en DSLCT2, welke dienen voor be sturing van de vorming van de geïnterpoleerde waarden voor de kleurverschilsignalen, worden respectievelijk bepaald door in- 8005722 -63- formatiebeeldregelidentificatiesignalen DTLID^ en DTLIDj/ welke respectievelijk worden gevormd door het eerste en het tweede bit van de 2-bits codes jjLl], £oo j, fioj enQ)lJ, welke worden gebruikt voor identificatie van de vier verschillende beeld-5 regeltypen van het PAL-kleurenvideosignaal, zoals rechts in figuur 14 is weergegeven.
Meer in het bijzonder, en zoals figuur 16 laat zien, wordt een beeldregelterugstelsignaal of -impuls LNRST (zie figuur 17B), welke aan het begin van iedere beeldregel ver-10 schijnt, via een omkeerschakeling 137 toegevoerd aan de wisaansluiting CL van een 4-traps teller 138, zodanig, dat de laatstgenoemde wordt teruggesteld of gewist aan het begin van iedere beeldregel, zulks in reactie op de dalende flank van de beeldregelterugstelimpuls LNRST. Na wissing of terugstelling 15 telt de teller 138 de klokimpuls CK volgens figuur 17A voor afgifte van een eerste-traps- of 2°-uitgangssignaal Qn en een tweede-traps- of 2 -uitgangssignaal Q^. Het uitgangssignaal van de teller 138 wordt rechtstreeks toegevoerd aan de B-ingang van een multiplexeenheid 139, en, via een omkeer-20 schakeling 140, aan een A-ingang van de multiplexeenheid 139, welke wordt bestuurd door het informatiebeeldregelidentificatie-signaal DTLID2 en waarvan het uitgangssignaal voor vergrendeling aan de flipflop 115 wordt toegevoerd. Het eerste-traps- of 2^-uitgangssignaal Qq van de teller 138 wordt op soortgelijke 25 wijze rechtstreeks aan de B-ingang van een multiplexeenheid 141 en, na omkering door een omkeerschakeling 142, aan de A-ingang van de multiplexeenheid 141 toegevoerd? deze laatstgenoemde wordt bestuurd door het informatiebeeldregelidentifi-catiesignaal DTLID^ en levert een uitgangssignaal, dat voor 30 vergrendeling aan een flipflop 125 wordt toegevoerd. De beide multiplexeenheden 139 en 141 dienen voor keuze van het aan de B-ingang verschijnende ingangssignaal wanneer het stuursignaal DTLIDg of DTLID^ de waarde "1" heeft en voor keuze van het aan dé A-ingang verschijnende signaal wanneer het stuur-35 signaal de waarde ”0" heeft.
Indien bijvoorbeeld de uit de geheugeninrichting 91 uitgelezen informatie betrekking heeft op een beeldregel van ft π n 5 7 o o
V
» -64- u..* het eerste type, als weergegeven rechts in figuur 14, dat wil zeggen een beeldregel met de kleurverschilsignalen +DR^, +DB2/ zal de gelijktijdig uit de geheugeninrichting 93 uitgelezen beeldregelidentificatiecode de waarde In] hebben, zodat de 5 beide signalen DTLID^ en DTLID2 de waarde "1" hebben. In reactie daarop zal iedere multiplexeenheid 139 en 141 het aan zijn B-ingang verschijnende signaal doorlaten, zodat het Q^- en het Qg-uitgangssignaal van de teller 133 via de multiplexeenheden 139 en 141 worden toegevoerd aan respectievelijk de flipflops 10 115 en 125, zoals respectievelijk in de figuren 17D en 17E is te zien. Als gevolg daarvan zal, tijdens de toevoer van de kleurverschilsignalen tDR^ en +DB2 aan de schakeling 112, het signaal DSLCT2 de waarde "0" hebben (zie figuur 17D), zodat de informatie omtrent deze kleurverschilsignalen +DR^ en +DB2 15 via de poortschakeling 113 zonder polariteitsorakering aan de flipflop 117 wordt toegevoerd. Wanneer de daarop volgende kleurverschilsignalen -DR.j en -DB4 van negatieve polariteit aan de schakeling 112 verschijnen, heeft het uitgangssignaal DSLCT2 van de'flipflop 115 de waarde "1" (zie figuur 17D), met als 20 gevolg., dat deze· kleurverschilsignalen via de omkeerpoortschakeling 114 worden geleid en met positieve polariteit aan de flipflop 117 worden toegevoerd. Aan de uitgang van de flipflop 117 verschijnen derhalve steeds absolute waarden van de opeenvolgende kleurverschilsignalen (zie figuur 17G).
25 Wanneer wordt verdergegaan met het hier gegeven voorbeeld, dat wil zeggen een geval waarbij de uit de geheugeninrichting 91 uitgelezen informatie betrekking heeft op een beeldregel van het type met de identificatiecode 1 lij, kan worden gesteld, dat het uitgangssignaal Qq van de teller 138, 30 dat door de flipflop 125 wordt vastgehouden voor vorming van het signaal DSLCT1 (zie figuur 17Ξ), de multiplexeenheden 123 en 124 zodanig bestuurd, dat zij afwisselend de uitgangssignalen van de flipflop 119 en de flipflop 122 kiezen, zodanig, dat het uitgangssignaal van de multiplexeenheid 123 35 een rood kleurverschilsignaal (figuur 17K) vormt voor ieder door de flipflop 127 vastgehouden bemonsterpunt (zie figuur 17L) en dat het uitgangssignaal van de multiplexeenheid 124 8005722 -65- een blauw kleurverschilsignaal (zie figuur 17M) vormt voor ieder door de flipflop 128 vastgehouden bemonsterpunt (zie. figuur 17N).
Het voorgaande laat zien, dat de monsterinterpolatie 5 van de kleurverschilsignalen wordt bestuurd op basis van de beeldregelidentificatiesignalen DTLID^ en DTLID2, welke uit de achtereenvolgens uit de geheugeninrichting 91 uitgelezen informatiedeelblokken worden afgeleid. Daarentegen wordt de werking van de kleursignaalopwekschakeling 105 bestuurd op 10 basis van de verzoekbeeldregelidentificatiesignalen RQLID^ en RQLID , welke op soortgelijke wijze hetzij de waarde "1" hetzij de waarde "0" hebben en een 2-bits code vormen, welke het beeldregeltype volgens het uitleesverzoeksignaal„vastlegt.
15 Meer in het bijzonder wordt bij de in figuur 16 weergegeven uitvoeringsvorm van de uitvinding het uitgangssignaal Qq van de teller 138 rechtstreeks aan een B-ingang van de multiplexeenheid 143 en voorts via een omkeerschakeling 144 aan een A-ingang van de multiplexeenheid 143 toegevoerd. Het 20 uitgangssignaal van de multiplexeenheid 143 wordt toegevoerd aan een flipflop 145 van het D-type, welke aan zijn uitgang het verzoekkiessignaal RSLCT^ (zie figuur 17P) afgeeft, dat de selectieve afgifte van de rode en blauwe kleurverschilsignalen DR en DB door respectievelijk de flipflops 127 en 128 25 bepaalt. Het verzoekbeeldregelidentificatiesignaal RQLID^ bestuurt de multiplexeenheid 143 zodanig, dat deze het aan zijn B-ingang verschijnende signaal kiest wanneer het signaal RQLID^ de waarde "l" heeft, doch in alle andere gevallen het aan zijn A-ingang verschijnende signaal kiest.
30 Zoals voorts uit de tekening naar voren komt, wordt het uitgangssignaal van de teller 138 rechtstreeks aan een B-ingang van een multiplexeenheid 146 en via een omkeer-schakeling 147 aan een A-ingang van de multiplexeenheid 146 toegevoerd. Het uitgangssignaal van de multiplexeenheid 146 35 wordt via een flipflop 148 van hét D-type toegevoerd aan een flipflop 149 van het D-type, welke aan zijn uitgang het verzoekkiessignaal RSLCT2 afgeeft. Het zal duidelijk zijn, dat de flipflop 148 dient om de transmissie van het uitgangssignaal 8 0 0 5 7 2 9 > -66- U~ ' van· de multiplexeenheid 146 naar de flipflop 149 te vertragen over êên bemonsterperiodeduur. De multiplexeenheid 146 wordt weer zodanig bestuurd, dat hij slechts het aan zijn B-ingang verschijnende signaal kiest wanneer de waarde van het des-5 betreffende verzoekbeeldregelidentificatiesignaal RQLID2 gelijk "l" is.
Indien de verzoekbeeldregelidentificatiesignalen RQLID^ en RQLID2 bijvoorbeeld beide de lage waarde "0" hebben, zulks als teken dat de beeldregel van de aan de uitgangs-10 aansluiting 136 als chrominantiecomponent te leveren kleur-verschilsignalen van het tweede type volgens figuur 14 (rechts) is, en derhalve dient te beginnen met (-DB) en (-DR), dan zullen de multiplexeenheden 143 en 146 de aan hun respectievelijke A-ingangen verschijnende signalen kiezen met als ge-15 volg, dat het verzoekkiessignaal RSLCT^ wordt gevormd door het inverse uitgangssignaal van de teller 138 (zie figuur 17P) en dat het verzoekkiessignaal RSLCT2 wordt gevormd door het inverse uitgangssignaal van de teller 138, op geschikte wijze vertraagd over de duur van één bemonsterperiode (zie 20 figuur 17R). Aangezien de flipflop 127 zodanig wordt bestuurd, dat hij bij een lage waarde "0" van het signaal RSLCT^ het vastgehouden, rode kleurverschilsignaal afgeeft, terwijl de flipflop 128 zodanig wordt bestuurd, dat hij in reactie op een hoge waarde "1" van het signaal RSLCT^ het vastgehouden, 25 blauwe kleurverschilsignaal afgeeft, zal het signaal RSLCT^ volgens figuur 17P tot gevolg hebben, dat de inhoud van de flipflop 130 de opeenvolging of sequentie van door monsterinter-polatie verkregen kleurverschilsignalen volgens figuur 17Q vormt. Opgemerkt wordt, dat de aan het begin van de sequentie 30 van kleurverschilsignalen in figuur 17Q geplaatste ster, evenals die in de beide figuren 17M en 17N, betrekking heeft op een door interpolatie verkregen waarde (Bq + B2)/2, welke niet nauwkeurig kan worden bepaald. Hoewel een dergelijk kleurver-schilsignaal, als aangeduid door een ster, niet nauwkeurig 35 is bepaald, is zulks van weinig belang, aangezien het desbe-treffende signaal aan de zijrand van het zichtbaar gemaakte % videobeeld verschijnt.
V 8005722 -67- '__'
Aangezien de poortschakelingen 132 en 133 selectief worden opengestuurd wanneer de waarde van hun respectievelijk bijbehorende poortschakelsignaal gelijk "0" is, zal bij het hier beschreven voorbeeld, waarbij het signaal RSLC^ de waarde 5 nl" vertoont (zie figuur 17R) gedurende de eerste twee be-raonsterperioden van de beeldregel van de door de flipflop 130 afgegeven kleurverschilsignalen, de desbetreffende waarde *1" van het signaal RSLCT2 tot gevolg hebben, dat de omkeerpoort-schakeling 133 (via de omkeerschakeling 134) wordt opengestuurd, 10 zodat aan de door monsterinterpolatie verkregen waarden van de kleurverschilsignalen voor de eerste twee bemonsterperioden van de beeldregel een negatieve polariteit wordt verkregen, zoals bij i en R^ in figuur 17S is weergegeven. Gedurende de daarop volgende twee bemonsterperioden, waarin het signaal 15 RSLCT2 de waarde ”0" heeft, verkeert de poortschakeling 132 in opengestuurde toestand voor transmissie van de absolute waarde van de door monsterinterpolatie verkregen waarden B’^ en R’^ zonder polariteitsomkering, zodat dergelijke door monsterinterpolatie gevormde kleurverschilsignalen aan de uit-20 gang van de flipflop 135 de positieve polariteit vertonen, zoals symbolisch in figuur 17S is weergegeven.
Uit de hiervoor gegeven beschrijving van de in de figuren 15 en 16 weergegeven uitvoeringsvorm van de uitvinding zal het duidelijk zijn, dat ook in het geval van bewerking 25 van een kleurenvideosignaal van het PAL-type, wanneer het uit de geheugeninrichting 91 uitgelezen signaal wat betreft zijn beeldregel, het beeldraster en/of het volledige videobeeld niet overeenstemt met de specificaties van het uitlees-verzoeksignaal, bijvoorbeeld ingeval van foutverbering tijdens 30 normale signaalwee.rgave of tijdens andere dan normale signaal-weergave,' zoals signaalweergave bij hoge snelheid, ook in dat geval de bewerkingsinrichting volgens de uitvinding onder alle omstandigheden in staat is om een kleurenvideosignaal in digitale vorm af te geven, dat althans tenminste nagenoeg geheel over-35 eenkomt met de specificatie van het uitleesverzoeksignaal en derhalve gebruikt kan worden voor vorming of zichtbaarmaking 1 van een kleurenbeeld, dat vrij van kleurvervormingen en-dis- 1 continuïteiten is.
-δ8~
Bij toepassing van de uitvinding geldt, dat zelfs indien de uit de geheugeninrichting 51 of 91 uitgelezen informatie betrekking heeft op een beeldregel, welke op het beeldscherm in verticale richting is verschoven ten opzichte van 5 de door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel, tenminste de luminantie-informatie voor de -"verzochte" beeldregel door beeldregelinterpolatie kan worden verkregen. Bovendien geldt, dat een kleurensignaal volgens de specificatie van het uitleesverzoeksignaal kan worden verkregen door, in-10 geval van een kleurenvideosignaal van het NTSC-type, slechts de polariteit van het uitgelezen kleurensignaal aan een nadere beschouwing te onderwerpen, en voorts, ingeval van een kleureri-vdieosignaal van het PAL-type, door demodulatie van het kleurensignaal tot kleurverschilsignalen, welke door monsterinter-15 polatie zodanig worden aangevuld, dat zij voor alle bemonster-punten volledige kleureninformatie verstrekken.
Als gevolg van het voorgaande maakt de toepassing van de uitvinding bij een digitaal videobandapparaat, zoals in het voorgaande meer specifiek is beschreven,- het mogelijk om 20 zelfs tijdens niet-normale signaalweergave, bijvoorbeeld bij signaalweergave in de bedrijfstoestanden "signaalweergave bij hoge snelheid", "signaalweergave bij stilstaand beeld" of "signaalweergave bij langzaam bewegend beeld", een kleuren-televisiebeeld van uitstekende kleurkwaliteit zichtbaar te 25 maken.
Daarbij wordt opgemerkt, dat bij de hiervoor beschreven uitvoeringsvormen van de uitvinding de adresbesturing van de geheugeninrichtingen 51 en 53 voor geheugenopslag van respectievelijk beeldinformatie en identificatie-informatie 30 gebaseerd is op een adressignaal of adrescode, welke voor ieder informatiedeelblok een vaste, vooraf bepaalde waarde heeft, zulks onafhankelijk van de bedrijfstoestand tijdens signaalweergave; als gevolg daarvan wordt een vereenvoudigde adres-_ besturing verkregen door middel van een betrekkelijk eenvou- yjw 35 dige schakeling.
Bij de in het voorgaande beschreven uitvoerings-1 vormen van de uitvinding en gegeven voorbeelden van de werking 8005722 -69- U—· * daarvan werd steeds verondersteld, dat de voor digitalisering van de video-informatie toegepaste bemonsterfrequentie een waarde 4fgc heeft, dat wil zeggen viermaal de kleurhulpdraag-golfsignaalfrequentie heeft. Het zal echter duidelijk zijn, 5 dat de bemonsterfrequentiewaarde niet tot een dergelijke waarde beperkt is, doch bijvoorbeeld driemaal de kleurhulpdraaggolf-’-signaalfrequentiewaarde kan bedragen. Bovendien wordt opgemerkt, dat hoewel het aan een signaalbewerking volgens de uitvinding onderworpen kleurenvideosignaal in het voorgaande is beschreven 10 als een samengesteld signaal, het duidelijk zal zijn, dat de door de uitvinding voorgestelde interpolatie op soortgelijke wijze kan worden toegepast op een uit componenten samengesteld kleurenvideosignaal, bijvoorbeeld een dergelijk signaal dat is samengesteld uit de componenten Y, I en Q of Y, U en V. Voorts 15 is de toepassing van de onderhavige uitvinding niet beperkt tot weergave van een kleurenvideosignaal door middel van een digitaal videobandapparaat, doch strekt de toepassing zich tevens uit tot verschillende andere inrichtingen, waarbij een kleurenvideosignaal of andere in digitale vorm gebrachte in-20 formatie wordt overgedragen en een correctie of verberging van in de overgedragen informatie optredende fouten wenselijk is.
Bij de aan de hand van de figuren 13 en 15 be-'schreven uitvoeringsvormen van de uitvinding wordt de uit de geheugeninrichting 51 of 91 uitgelezen kleurenvideosignaal-25 informatie in digitale vorm eerst na deze uitlezing in de lu-minantie- en de chrominantiecomponent gescheiden. Het zal echter duidelijk zijn, dat de uitvinding op soortgelijke wijze kan worden toegepast op signaalgroeperingen, waarbij dergelijke componenten van het kleurenvideosignaal voorafgaande aan in-30 lezing in respectievelijk bijbehorende geheugens, welke dan te zamen steeds een geheugeninrichting 51 of een geheugeninrichting 91 vervangen, van elkaar worden gescheiden. Hoewel iedere van de geheugeninrichtingen 51 of 91 in het voorgaande is aangeduid als een beeldrastergeheugen, zulks in verband met \ 35 een geheugencapaciteit van voldoende grootte voor opslag van de op êên beeldraster betrekking hebbende informatie voor het desbetreffende kanaal, is het in plaats daarvan mogelijk te 8005722 -70- U-' werken met een videobeeldgeheugen, dat wil zeggen een geheugen van voldoende capaciteit voor opslag van de informatie omtrent een volledig videobeeld voor het desbetreffende kanaal. In dat geval is het niet noodzakelijk de zogenaamde "beeldregelinter-5 polatie" toe te passen ter verkrijging van door interpolatie gevormde waarden voor de luminantiecomponent wanneer de uitgelezen beeldregel zich op enige afstand uitstrekt van de door het uitleesverzoeksignaal geïdentificeerde beeldregel.
De uitvinding beperkt zich niet tot de in het voor-10 gaande beschreven en in de tekening weergegeven uitvoeringsvormen; verschillende wijzigingen kunnen in de beschreven componenten en in hun onderlinge samenhang worden aangebracht, zonder dat daarbij het kader van de uitvinding wordt overschreden.
© \ 8005722
Claims (22)
1. Werkwijze voor bewerking van kleurenvideo-informatie, bestaande uit een kleurenvideosignaal met een luminantie-en een chrominantiecomponent en uit een respectievelijk bijbehorend identificatiesignaal voor identificatie van de fase 5 van de chrominantiecomponent, waarbij de werkwijze zich voltrekt onder tijdelijke opslag van het kleurenvideosignaal en het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal in een geheugen, waaruit het kleurenvideosignaal en het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal gelijktijdig worden 10 uitgelezen, gekenmerkt door vergelijking van het identificatiesignaal (FLn) in zijn uit het geheugen uitgelezen vorm met een referentiesignaal (KFLn) en door besturing van da fase van de chrominantiecomponent van het uit het geheugen uitgelezen kleurenvideosignaal op basis van het resultaat van de uitge- 15 voerde vergelijking.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de kleurenvideo-informatie in digitale vorm verkeert en bestaat uit een opeenvolging van informatieblokken (SB^) welke ieder informatie omtrent het kleurenvideosignaal en omtrent 20 het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal (ID) bevatten.
3. Werkwijze volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat het identificatiesignaal tenminste het videobeeld of het beeldraster of de beeldregelidentificeert, waarop de kleuren- 25 videosignaalinformatie van het desbetreffende informatieblok betrekking heeft.
4. Werkwijze volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat ieder van de informatieblokken een respectievelijk bijbehorend blokadressignaal (AD) bevat en dat de informatie van 30 een blok in een eerste geheugen (51; 91) wordt ingelezen op een door het respectievelijk bijbehorende blokadressignaal gedicteerd adres, terwijl het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal van ieder informatieblok in een tweede geheugen (53; 93) wordt ingelezen op een eveneens door het 35 respectievelijk bijbehorende blokadressignaal gedicteerd adres. 8005722 -72- U—'
5. Werkwijze volgens conclusie 4, waarbij het in digitale vorm gebrachte signaal door omzetting is verkregen uit een analoog kleurenvideosignaal, bestaande uit opeenvolgende videobeelden met ieder een aantal beeldrasters, 5 welke ieder worden gevormd door opeenvolgend genummerde beeld-regels en door interliniëring het volledige videobeeld vormen, gekenmerkt door zodanige besturing van het eerste en het tweede geheugen (51, 53; 91, 93), dat ieder foutvrij infor-matieblok en respectievelijk bijbehorend identificatiesignaal 10 in respectievelijk het eerste en het tweede geheugen wordt ingelezen op de respectievelijk gedicteerde adressen, waar tevoren respectievelijk een informatieblok en respectievelijk bijbehorend identificatiesignaal voor een beeldregel' met het zelfde beeldregelnummer van een voorafgaand beeldraster was 15 opgeslagen, en voorts door verhindering van de inlezing in respectievelijk het eerste en het tweede geheugen van ieder door een fout getroffen informatieblok en het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal.
6. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande 20 conclusies, met het kenmerk, dat ieder geheugen (51, 53; 91, 93) een capaciteit van althans tenminste nagenoeg voldoende grootte voor opslag van informatie omtrent één beeldraster van het videosignaal heeft.
7. Werkwijze volgens één of meer der conclusies 2-6, ' 25 gekenmerkt door interpolatie van een waarde voor tenminste de luminantiecomponent van een uit het geheugen uitgelezen informatieblok wanneer het respectievelijk bijbehorende, gelijktijdig uitgelezen identificatiesignaal een beeldraster i-dentificeert, dat verschilt van een door het referentiesignaal 30 geïdentificeerd beeldraster, waarbij de interpolatie geschiedt op basis van de luminantiecomponentwaarden voor beeldregels welke zich aangrenzend aan de beeldregel van het uitgelezen informatieblok uitstrekken.
8. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande 35 conclusies, waarbij het kleurenvideosignaal van het PAL-type is en de chrominantiecomponent is samengesteld uit kleurver-schilsignalen, welke slechts in vooraf bepaalde bemonsterpunten langs iedere beeldregel een van nul verschillende waarde hebben, 8005722 * -73- gekenmerkt door interpolatie, wanneer een uit het desbetreffende geheugen uitgelezen identificatiesignaal een beeldregel identificeert, welke afwijkt van de door het referentiesignaal geïdentificeerde beeldregel, van waarden voor iedere van de 5 kleurverschilsignalen in dié bemonsterpunten langs de beeldregel van het gelijktijdig uitgelezen informatieblok, waar geen van nul verschillende waarden voor het kleurverschilsignaal worden aangetroffen, zodanig, dat iedere interpolatie van een kleurverschilsignaalwaarde wordt gebaseerd op de kleurverschil-10 signaalwaarden in bemonsterpunten, welke grenzen aan het be-monsterpunt, waarvoor het desbetreffende kleurverschilsignaal geen van nul verschillende waarde heeft.
9. Werkwijze volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de monsterinterpolatie plaatsvindt door vorming van de 15 absolute waarde van ieder kleurverschilsignaal en door inter-spersie van de aldus verkregen absolute waarden tussen de door interpolatie tussen de absolute waarden verkregen waarden in een met de door het referentiesignaal geïdentificeerde beeldregel consistente volgorde; waarbij de fasebssturing van de 20 chrominantiecomponent een zodanige polariteitskeuze van de geïnterstergeerde waarden omvat, dat deze laatstgenoemden in overeenstemming komen met de specificatie van de door het referentiesignaal geïdentificeerde beeldregel van het PAL-signaal.
10. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande 25 conclusies, met het kenmerk, dat de kleurenvideoinformatie de vorm heeft van een door middel van een magneetbandapparaat uit een magneetband uitgelezen signaal.
11. Werkwijze volgens één of meer der voorafgaande conclusies, gekenmerkt door inlezing van de luminantiecomponent 30 en de chrominantiecomponent in de vorm van een samengesteld signaal in een gemeenschappelijk geheugen.
12. Inrichting voor toepassing van een werkwijze volgens conclusie 1, meer in het bijzonder voor bewerking van Cy kleurenvideo-informatie, bestaande uit een kleurenvideosignaal / 35 met een luminantie- en een chrominantiecomponent en uit een \ respectievelijk bijbehorend identificatiesignaal voor identifi-\ catie van de fase van de chrominantiecomponent, welke inrichting ' 8005722 -74- _· is voorzien van een geheugen voor tijdelijke opslag van het kleurenvideosignaal en van een geheugen voor tijdelijke opslag van het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal, uit welke geheugens het kleurenvideosignaal en het respectie-5 velijk bijbehorende identificatiesignaal gelijktijdig worden uitgelezen, gekenmerkt door een vergelijkingsschakeling (70; 99) voor vergelijking van het uit het respectievelijk bijbehorende geheugen (53; 93) uitgelezen identificatiesignaal (FLn) met een referentiesignaal (RFL^), een op het uitgangssignaal van de 10 vergelijkingsschakeling (70; 99) reagerende polariteitsbestu-ringsschakeling (63; 64; 131) voor besturing van de fase van de chrominantiecomponent van het uit het desbetreffende geheugen (51; 91) uitgelezen kleurenvideosignaal.
13. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, 15 dat de kleurenvideo-informatie in digitale vorm verkeert en is verdeeld in een opeenvolging van informatieblokken (SB^) met informatie omtrent het kleurenvideosignaal en het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal (ID).
14. Inrichting volgens conclusie 12 of 13, met het 20 kenmerk, dat het identificatiesignaal tenminste het videobeeld of het beeldraster of de beeldregel identificeert van de in het desbetreffende informatieblok aanwezige kleurenvideosignaal-informatie.
15. Inrichting volgens conclusie 14, met het kenmerk, 25 dat ieder informatieblok (SB^) een respectievelijk bijbehorend blokadressignaal (AD) bevat en dat de genoemde geheugens een eerste geheugen (51; 91) voor opslag van informatie van ieder blok op een door het respectievelijk bijbehorende adressignaal gedicteerd adres en een tweede geheugen (53; 93) voor opslag 30 van het respectievelijk bijbehorende identificatiesignaal (ID) op een eveneens door het respectievelijk bijbehorende blokadressignaal gedicteerde adres bevatten.,
16. Inrichting volgens conclusie 15, waarbij het digitale signaal is verkregen door omzetting van een analoog jnjjp 35 kleurenvideosignaal, bestaande uit opeenvolgende videobeelden Ί met ieder een aantal beeldrasters, welke worden gevormd door % opeenvolgend genummerde beeldregels, welke door interliniëring \ 8005722 -75- L—·· ' het volledige videobeeld vormen, gekenmerkt door een bestu-ringsschakeling (51b; 91b) voor respectievelijk zodanige besturing van het eerste en het tweede geheugen (51, 53; 91, 93), dat iedere foutvrij informatieblok en respectievelijk 5 bijbehorend identificatiesignaal in respectievelijk het eerste en het tweede geheugen wordt ingelezen op de respectievelijk gedicteerde adressen, waar tevoren respectievelijk een informatieblok en respectievelijk bijbehorend identificatiesignaal voor een beeldregel met het zelfde beeldregelnummer 10 van een voorafgaand beeldraster was opgeslagen, en door een foutdetector (51c, 91c) ter verhindering van de inlezing in respectievelijk het eerste en het tweede geheugen van. ieder door een fout getroffen informatieblok en het respectievelijk • bijbehorende identificatiesignaal.
17. Inrichting volgens één of meer der conclusies 12- 16, met het kenmerk, dat ieder geheugen (51, 53; 91, 93) een capaciteit van althans tenminste nagenoeg voldoende grootte voor opslag van informatie omtrent één beeldraster van het videosignaal heeft.
18. Inrichting volgens één of meer der conclusies 13- 17, gekenmerkt door een eveneens op het uitgangssignaal van de vergelijkingsschakeling (70; 99) reagerende beeldregel-interpolatieschakeling (57-61; 97, 98) voor afgifte van een door interpolatie gevormde waarde voor tenminste de luminantie- 25 component van een uit het respectievelijk bijbehorende geheugen (51; 91) uitgelezen informatieblok wanneer het respectievelijk bijbehorende, gelijktijdig uit het respectievelijk bijbehorende geheugen uitgelezen identificatiesignaal een ander beeldraster identificeert dan het door het referentiesignaal geïdentificeerde 30 beeldraster, waarbij de interpolatie is geschiedt op basis van de luminantiecomponentwaarden voor beeldregels welke zich aangrenzend aan de beeldregel van het uitgelezen informatieblok uitstrekken.
19. Inrichting volgens één of meer der conclusies 35 12-18, waarbij het kleurenvideosignaal van het PAL-type is en de chrominantiecomponent is samengesteld uit kleurverschil-signalen, welke slechts in vooraf bepaalde hemonsterpunten langs iedere beeldregel een van nul verschillende waarde hebben, -76- fc U—· gekenmerkt door een monsterinterpolatieschakeling (104,105) welke, wanneer een uit het desbetreffende geheugen uitgelezen identificatiesignaal een andere beeldregel identificeert dan de door het referentiesignaal geïdentificeerde beeldregel, 5 overgaat tot interpolatie van waarden voor iedere van de kleurverschilsignalen in dié bemonsterpunten langs de beeldregel van het gelijktijdig uitgelezen informatieblok, waar geen van nul verschillende waarden voor het kleurverschilsignaal worden aangetroffen, zodanig, dat iedere interpolatie van een 10 kleurverschilsignaalwaarde wordt gebaseerd op de kleurverschilsignaal waarden in bemonsterpunten, welke grenzen aan het be-monsterpunt, waarvoor het desbetreffende kleurverschilsignaal geen van nul verschillende waarde heeft.
20. Inrichting volgens conclusie 19, met het kenmerk, 15 dat de monsterinterpolatieshakeling is voorzien van een schakeling (112) ter verkrijging van absolute waarden voor ieder van de kleurverschilsignalen, en voorts van multiplexeenheden (123, 124} voor interspersie van de absolute waarden tussen de door op die absolute waarden gebaseerde interpolatie verkregen waarden in 20 een volgorde, welke wordt bepaald door de door het referentiesignaal geïdentificeerde beeldregel, waarbij de polariteits-besturingsschakeling (131) op de geïnterspergeerde waarden zodanig inwerkt, dat deze de polariteiten gaan vertonen, welke behoren voor de door het referentiesignaal geïdentificeerde 25 beeldregel van het PAL-signaal.
21. Inrichting volgens één of meer der voorafgaande conclusies 12-20, met het kenmerk, dat de kleurenvideoinformatie de vorm heeft van een door middel van een magneetbandapparaat uit een magneetband uitgelezen signaal.
22. Inrichting volgens één of meer der voorafgaande conclusies 12-21, gekenmerkt door één enkel geheugen (51; 91) voor opslag van zowel de luminantie- als de chrominantiecomponent in de vorm van een uit beiden samengesteld signaal. 8005722
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| JP13331479 | 1979-10-16 | ||
| JP13331479A JPS5657374A (en) | 1979-10-16 | 1979-10-16 | Processor of digital video signal |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8005722A true NL8005722A (nl) | 1981-04-22 |
Family
ID=15101777
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8005722A NL8005722A (nl) | 1979-10-16 | 1980-10-16 | Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal. |
Country Status (15)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US4376290A (nl) |
| JP (1) | JPS5657374A (nl) |
| AT (1) | AT384706B (nl) |
| AU (1) | AU535651B2 (nl) |
| BR (1) | BR8006646A (nl) |
| CA (1) | CA1153819A (nl) |
| CH (1) | CH638355A5 (nl) |
| DE (1) | DE3039106C2 (nl) |
| FR (1) | FR2468268B1 (nl) |
| GB (1) | GB2065411B (nl) |
| IT (1) | IT1133935B (nl) |
| NL (1) | NL8005722A (nl) |
| SE (1) | SE452686B (nl) |
| SU (1) | SU1386052A3 (nl) |
| ZA (1) | ZA806279B (nl) |
Families Citing this family (27)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE3028066A1 (de) | 1980-07-24 | 1982-02-18 | Licentia Patent-Verwaltungs-Gmbh, 6000 Frankfurt | Schaltungsanordnung zur korrektur gestoerter abtastwerte bei einer pcm-uebertragungseinrichtung, insbesondere einer digital-tonplatte |
| JPS5792411A (en) * | 1980-11-28 | 1982-06-09 | Sony Corp | Pcm signal processor |
| JPS5794911A (en) * | 1980-12-01 | 1982-06-12 | Sony Corp | Pcm signal processor |
| JPS58181382A (ja) * | 1982-04-16 | 1983-10-24 | Victor Co Of Japan Ltd | デイジタル信号記録方式 |
| JPS58181383A (ja) * | 1982-04-16 | 1983-10-24 | Victor Co Of Japan Ltd | デイジタル信号再生装置 |
| JPS58182981A (ja) * | 1982-04-20 | 1983-10-26 | Victor Co Of Japan Ltd | デイジタル信号再生装置 |
| JPS58182980A (ja) * | 1982-04-20 | 1983-10-26 | Victor Co Of Japan Ltd | デイジタル信号記録方式 |
| JPS594279A (ja) * | 1982-06-29 | 1984-01-11 | Sony Corp | 磁気記録再生装置 |
| JPS5938912A (ja) * | 1982-08-27 | 1984-03-03 | Nec Corp | Pcmオ−デイオエラ−補正回路 |
| KR890003241B1 (ko) * | 1984-01-18 | 1989-08-27 | 니뽕 빅터 가부시끼 가이샤 | 영상신호 처리장치 |
| US4639773A (en) * | 1984-04-17 | 1987-01-27 | Rca Corporation | Apparatus for detecting motion in a video image by comparison of a video line value with an interpolated value |
| JP2537181B2 (ja) * | 1985-10-08 | 1996-09-25 | キヤノン株式会社 | 映像信号補正装置 |
| GB2182817B (en) * | 1985-11-06 | 1989-10-25 | Sony Corp | Video replay stores |
| DE3541306C1 (de) * | 1985-11-22 | 1986-08-28 | Philips Patentverwaltung Gmbh, 2000 Hamburg | Schaltungsanordnung fuer einen Videorecorder |
| JPH084334B2 (ja) * | 1986-07-14 | 1996-01-17 | ソニー株式会社 | 映像信号処理回路 |
| DE3636077C2 (de) * | 1986-10-23 | 1993-10-07 | Broadcast Television Syst | Verfahren zum Verdecken von Fehlern in einem Videosignal und Schaltung zur Durchführung des Verfahrens |
| JPH06103945B2 (ja) * | 1987-03-19 | 1994-12-14 | 松下電器産業株式会社 | 記録再生装置 |
| EP0353568A1 (de) * | 1988-07-26 | 1990-02-07 | Siemens Aktiengesellschaft | Verfahren zum Reduzieren der beim Abspielen von Videomagnetbändern in Videorekordern auftretenden Bildstörungen und Vorrichtung zur Durchführung des Verfahrens |
| EP0398741B1 (en) * | 1989-05-19 | 1997-10-29 | Canon Kabushiki Kaisha | Image information transmitting system |
| JPH03132183A (ja) * | 1989-10-18 | 1991-06-05 | Hitachi Ltd | ディジタル画像再生方式 |
| KR940003668B1 (ko) * | 1990-06-29 | 1994-04-25 | 삼성전자 주식회사 | 복호신호 에러 수정장치 |
| JPH07177534A (ja) * | 1993-12-16 | 1995-07-14 | Pioneer Video Corp | ディジタルタイムベースコレクタ |
| US6310660B1 (en) | 1998-03-18 | 2001-10-30 | Sony Corporation | Video signal dropout detector |
| US6691275B1 (en) * | 2000-12-14 | 2004-02-10 | Lsi Logic Corporation | Encoder with vector-calculated disparity logic |
| US7197194B1 (en) * | 2001-05-14 | 2007-03-27 | Lsi Logic Corporation | Video horizontal and vertical variable scaling filter |
| EP3023940B1 (en) | 2005-05-27 | 2019-02-27 | Telefonaktiebolaget LM Ericsson (publ) | Weight based image processing |
| US8238442B2 (en) | 2006-08-25 | 2012-08-07 | Sony Computer Entertainment Inc. | Methods and apparatus for concealing corrupted blocks of video data |
Family Cites Families (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB1445337A (en) * | 1972-08-24 | 1976-08-11 | Independent Broadcastin Author | Television systems |
| US3890638A (en) * | 1973-08-22 | 1975-06-17 | Cmx Systems | Color phase matching system for magnetic video tape recordings |
| DE2642019C2 (de) * | 1976-09-18 | 1982-06-03 | Robert Bosch Gmbh, 7000 Stuttgart | Verfahren zur Wiedergabe von auf einem Aufzeichnungsträger - vorzugsweise Magnetband - in einzelnen Spuren aufgezeichneten Videosignalen |
| GB1589476A (en) * | 1976-11-15 | 1981-05-13 | Rca Corp | Dropout compensator circuit |
| GB2008888B (en) * | 1977-10-27 | 1982-06-30 | Quantel Ltd | Drop-out compensation system |
-
1979
- 1979-10-16 JP JP13331479A patent/JPS5657374A/ja active Granted
-
1980
- 1980-10-06 CA CA000361626A patent/CA1153819A/en not_active Expired
- 1980-10-09 GB GB8032615A patent/GB2065411B/en not_active Expired
- 1980-10-10 AU AU63148/80A patent/AU535651B2/en not_active Ceased
- 1980-10-13 ZA ZA00806279A patent/ZA806279B/xx unknown
- 1980-10-14 CH CH766980A patent/CH638355A5/fr not_active IP Right Cessation
- 1980-10-15 BR BR8006646A patent/BR8006646A/pt unknown
- 1980-10-15 SU SU802996292A patent/SU1386052A3/ru active
- 1980-10-15 SE SE8007227A patent/SE452686B/sv not_active IP Right Cessation
- 1980-10-16 FR FR8022136A patent/FR2468268B1/fr not_active Expired
- 1980-10-16 AT AT0514380A patent/AT384706B/de not_active IP Right Cessation
- 1980-10-16 IT IT25389/80A patent/IT1133935B/it active
- 1980-10-16 NL NL8005722A patent/NL8005722A/nl not_active Application Discontinuation
- 1980-10-16 US US06/197,567 patent/US4376290A/en not_active Expired - Lifetime
- 1980-10-16 DE DE3039106A patent/DE3039106C2/de not_active Expired
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| SE8007227L (sv) | 1981-05-29 |
| ATA514380A (de) | 1987-05-15 |
| AT384706B (de) | 1987-12-28 |
| AU535651B2 (en) | 1984-03-29 |
| SE452686B (sv) | 1987-12-07 |
| GB2065411A (en) | 1981-06-24 |
| FR2468268B1 (fr) | 1986-03-21 |
| ZA806279B (en) | 1981-10-28 |
| JPH041557B2 (nl) | 1992-01-13 |
| AU6314880A (en) | 1981-04-30 |
| JPS5657374A (en) | 1981-05-19 |
| GB2065411B (en) | 1984-03-21 |
| BR8006646A (pt) | 1981-04-22 |
| IT8025389A0 (it) | 1980-10-16 |
| CA1153819A (en) | 1983-09-13 |
| DE3039106C2 (de) | 1983-09-15 |
| FR2468268A1 (fr) | 1981-04-30 |
| IT1133935B (it) | 1986-07-24 |
| DE3039106A1 (de) | 1981-05-07 |
| US4376290A (en) | 1983-03-08 |
| CH638355A5 (fr) | 1983-09-15 |
| SU1386052A3 (ru) | 1988-03-30 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| NL8005722A (nl) | Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal. | |
| NL8005525A (nl) | Werkwijze en inrichting voor bewerking van een kleurenvideosignaal. | |
| NL8005892A (nl) | Werkwijze en inrichting voor bewerking, meer in het bijzonder foutcorrectie, van een digitaal signaal. | |
| NL192486C (nl) | Kleurenvideobandinrichting. | |
| EP0240364B1 (en) | Video signal recording and playback apparatus for segment recording operation | |
| US4301466A (en) | Fast acting phase shifting apparatus for use in digital sampling systems | |
| US4250521A (en) | Video signal dropout compensator | |
| NL192911C (nl) | Stelsel voor toevoeging van een nieuw identificatiesignaal aan een digitaal signaal. | |
| NL8301060A (nl) | Magnetische opneeminrichting voor opname van een videosignaal. | |
| NL8101915A (nl) | Werkwijze en inrichting voor bewerking van digitale signalen. | |
| JPH0324118B2 (nl) | ||
| US4941186A (en) | Method and apparatus for concealing errors which extend over several pixels in a digital video signal | |
| JPS6173494A (ja) | 画像信号の分配記録方式 | |
| JPH0654587B2 (ja) | シャツフリング方法 | |
| FR2613570A1 (fr) | Correcteur d'inversion d'entrelacement pour un generateur de signaux video a image dans l'image | |
| US4315278A (en) | Apparatus for providing error compensation in a digital video recording and reproducing system | |
| US5027209A (en) | Interpolation circuit for digital signal processor | |
| NO175339B (no) | DATV kodings- og dekoderingsfremgangsmåte og anordning | |
| NL8100454A (nl) | Werkwijze en inrichting voor het bewerken van televisieinformatie. | |
| US5079637A (en) | Apparatus for reproducing color video signal recorded by TCI signal format | |
| JPH04270590A (ja) | 映像信号のドロップアウト補償方法及び装置 | |
| JPS63250985A (ja) | デイジタルビデオ信号記録再生方法 | |
| JPH04332289A (ja) | カラービデオ信号のエラー修整器 | |
| JPS6350189A (ja) | デイジタルカラ−ビデオ信号の補間回路 | |
| JPH04356884A (ja) | デジタル映像信号処理装置 |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
| BB | A search report has been drawn up | ||
| BC | A request for examination has been filed | ||
| BV | The patent application has lapsed |