<EMI ID=1.1>
De uitvinding heeft betrekking.op een repelmachine voorzien van een hoofdas, een aantal zich radiaal vanaf die hoofdas uitstrekkende armen, aan het einde van die armen bevestigde in hoofdzaak evenwijdig aan de hoofdas verlopende kambalken, ten minste één kamhouder met kam aan elk van de kambalken,
<EMI ID=2.1>
evenwijdig aan zichzelf worden verplaatst, en middelen voor het inklemmen en het evenwijdig aan de kambalken transporteren van vlas.
<EMI ID=3.1>
inklemmen en in hoofdzaak evenwijdig aan de kambalken transporteren van het vlas uit een vlak klem-transportsysteem bijvoorbeeld bestaande uit twee transportbanden waartussen het vlas wordt geklemd en verplaatst. Het nadeel van deze constructie is dat in geval van variërende dikte van de aangevoerde vlasmat, de door de transportbanden opgewekte klemkracht ongeli,ikmatig is. Daardoor ontstaat het risico, dat het vlas, dat plaatselijk niet voldoende is ingeklemd en waarin de kam grijpt, wordt losgetrokken.
Anderzijds is het praktisch gezien niet mogelijk om het
<EMI ID=4.1>
inkorting van de kam tot gevolg zou hebben.
<EMI ID=5.1>
vlasmat een gelijkmatige klemkracht teweegbrengen. Niettemin kunnen deze middelen over een relatief lang traject werkzaam zijn.
Volgens de uitvinding bestaan hiertoe de middelen voor het inklemmen en het in hoofdzaak evenwijdig aan de kambalken transporteren van het vlas uit ten minste twee in serie geplaatste aangedreven wielen en een daarover gespannen
<EMI ID=6.1>
Om de overgang van het klemtraject van een wiel naar het klemtraject van een volgend wiel te vergemakkelijken, kan tussen die wielen een sterwiel zijn geplaatst.
Elke kambalk is boven het klemtraject van het eerste wiel voorzien van een grove kam en boven het klemtraject van het tweede wiel voorzien van een fijne kam, waarbij die beide kammen van elkaar zijn gescheiden.
<EMI ID=7.1>
aanhef beschreven type, de kambalken uit te voeren als een vast met een arm verbonden pen en een draaibaar om de pen aangebrachte bus, aan het einde waarvan een kruk is aangebracht, die draaibaar met de excenterschijf is verbonden. De kamhouders zijn elk aan een bus bevestigd. De armen, waaraan de genoemde pennen zijn gemonteerd, strekken zich radiaal uit vanaf het einde van de hoofdas, waarvan de lagers zich bijgevolg op aanzienlijke axiale afstand van de kambalken bevinden. De excenterschijf is bevestigd aan een
as die tegenover de hoofdas is gelagerd, eveneens op aanzien-
<EMI ID=8.1>
excenterschi.if kan worden bereikt, indien die schijf de vorm heeft van een ring en deze ring is gelagerd met behulp van ten minste drie op de omtrek of een omtreksflens van de ring aangrijpende steunrollen.
<EMI ID=9.1>
deze ook lichter zijn. Verder kan de schijf een zo grote diameter hebben, dat de afstand tussen de kambalken groter kan worden gekozen dan de lengte van de vlasstengels, waardoor word verhinderd, dat de stengels in twee opeenvolgende kammen tegelijkertijd ingrijpen.
<EMI ID=10.1>
dat tijdens bedrijf relatief grote krachten worden uitgeoefend op de kambalken, dus op grote afstand van de lagers van de
<EMI ID=11.1>
is dat door de vrij geringe lengte van de kam op elke kambalk er enerzijds een niet te verwaarlozen percentage zaadbollen aan de vlasstengels vast blijft zitten en anderzijds vezelverlies optreedt. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit, dat de stengels die met de kam in
<EMI ID=12.1>
van het repelveld wordt ondersteund.
Voor het verkrijgen van een compacte stevige constructie zal de hoofdas door de excenterring steken.
De uitvinding zal nu aan de hand van de figuren, waarin een uitvoeringsvoorbeeld is weergegeven, nader worden toegelicht.
Fig. 1 toont een dwarsdoorsnede van de inrichting volgens de li,in I-I in fig. 2. Fig. 2 toont een aanzicht van de inrichting gezien in de richting van de pijl in fig. 1.
De weergegeven inrichting is een repelmachine bestemd om ingeklemde en dwars op een langsrichting getransporteerde vlasstengels met behulp van kammen te ontdoen van zaadbollen.
<EMI ID=13.1>
voorzien van een snaarschijf 2, welke kan worden aangedreven
<EMI ID=14.1>
<EMI ID=15.1>
bevestigd. Tussen elk paar tegenover elkaar opgestelde armen 5 is een kambalk 6 draaibaar gelagerd, waartoe de einden van de armen 5 zijn voorzien van lagers 7. Er zijn
dus drie kambalken 6.
Aan elk van de kambalken 6 zijn twee houders R bevestigd
<EMI ID=16.1>
<EMI ID=17.1>
aan een bruggedeelte 16 van het freem van de machine zi,in bevestigd.
<EMI ID=18.1>
volgens de steekcirkel 17, terwijl de draaibare bevestigingspunten van de krukken 11 met de excenterring 12 zullen
<EMI ID=19.1>
Het vlas wordt aangevoerd door een klemmende transportinrichting bestaande uit een transportband 19 zonder einde, die door drie leidwielen 20 (in fig. 2 is er slechts één zichtbaar) golfvormig wordt aangedrukt tegen twee achterelkaar opgestelde autobanden 21,22. Aan weerszi,iden van de voorste
<EMI ID=20.1>
hebben het aangevoerde vlas in de juiste stand te geleiden naar de spleet tussen de transportband 19 en de autobanden
21,22.
Aan weerszijden van het golvende onderpart van de.
<EMI ID=21.1>
25, aangebracht die het aangevoerde ingeklemde vlas enigszins ondersteunen.
De autobanden 21,22 kunnen worden aangedreven door een motor 26 via een overbrenging 27.
Onder de kambalken bevindt zich een trechter 28 die uitmondt boven de transporteur 29, die voert naar een zaadbollenbreker 30.
<EMI ID=22.1>
Het vlas waarvan de zaadbollen moeten worden verwi,iderd, wordt door een transporteur 31 gevoerd naar de golvende leidplaten 24 en 25 en wordt, geholpen door de sterwielen 23, geklemd tussen de aangedreven autobanden 21,22 en het onderpart van de transportband 19. De vlasstengels strekken zich dwars op de transportrichting uit met de zaadbollen naar binnen gekeerd. In fig. 1 is voor de duidelijkheid een vlasstengel getekend.
De om de hoofdas 1 roterende kammen 9 en 10 komen achtereenvolgens met het vlas in aanraking, waarbii het vlas eerst door de grove kammen 9 wordt gericht en vervolgens door de fijne kammen 10 van de zaadbollen wordt ontdaan, hetgeen een goede zaadopbrengst en een kleiner vezelverlies oplevert.
De zaadbollen vallen via de trechter 28 op de transporteu
29 en komen in de zaadbollenbreker 30 terecht.
<EMI ID=23.1>
De excenterschijf 12 is uitgevoerd als vr�i lichte ring, die bij de omtrek door rollen 15 wordt ondersteund. Deze lagering van de ring is eenvoudig, goedkoop en gemakkelijk te onderhouden. De excenterschijf kan een zo grote diameter hebben, dat de afstand tussen de kambalken onderling (de
<EMI ID=24.1>
lengte van de vlasstengels kan worden gekozen; de stengels zullen dan niet tegelijkertijd in twee opeenvolgende kammen ingrijpen.
<EMI ID=25.1>
ondersteund; de hoofdas wordt aan weerszijden van het repelveld ondersteund, waarbij onder repelveld het door de kammen bestreken gebied wordt verstaan. De belasting van de balken
<EMI ID=26.1>
Aangezien op elke'kambalk 6 achtereenvolgens een grove
<EMI ID=27.1>
alvorens van hun zaadbollen te worden ontdaan, eerst gericht:
dit betekent een hogere zaadopbrengst en minder vezelverlies.
<EMI ID=28.1>
belasting op de twee onderste rollen 15 wordt overgebracht en de bovenste rollen 15 wat lichter kunnen worden uitgevoer
Binnen het kader van de conclusies zijn verschillende
<EMI ID=29.1>
<EMI ID=30.1>
zich radiaal vanaf die hoofdas uitstrekkende armen, aan het einde van die armen bevestigde in hoofdzaak evenwijdig aan de hoofdas verlopende kambalken, ten minste één kamhouder met kam aan elk van de kambalken, welke kambalken
<EMI ID=31.1>
evenwijdig aan zichzelf worden verplaatst, en middelen voor het inklemmen en evenwijdig aan de kambalken transporteren van vlas, met h e t k e n m e r k, dat de genoemde middelen voor het inklemmen en transporteren van het vlas bestaan uit ten minste twee in serie geplaatste aangedreven wielen en een daarover gespannen transportband of -riem.
<EMI ID=32.1>
k e n m e r k, dat de wielen zijn bekleed met een veerkrachtige bekleding bijv. een autoband.
<EMI ID=33.1>
het k e n m e r k, dat tussen de wielen een sterwiel is geplaatst.
4. Repelmachine volgens één van de voorgaande
<EMI ID=34.1>