<Desc/Clms Page number 1>
ERKWIJZE TER BEREIDING VAN EEN BITUMINEUZE COMPOSITIE"
<Desc/Clms Page number 2>
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze ter bereiding van bitumineuze composities die bijzonder geschikt zijn om te worden toegepast als bindmiddelen en toplagen voor wegen, vliegvelden, voetpaden en dergelijke.
Bij de bouw van wegen en vliegvelden - in het bijzonder bij gebruik van asfalt - bestaat een stijgende behoefte aan betere materialen, welke beter bestand zijn tegen slijtage, oplosmiddelen en warmte en betere anti- slip-eigenschappen bezitten. Zo zullen op onderhoudster- reinen en asfaltstartbanen voor straalvliegtuigen de door de motoren afgegeven warmte en de brandstoffen gemakkelijk asfaltoppervlakken aantasten. Verder verkrijgen betonnen en asfaltwegdekken en onbedekt metaal op wegen, bruten of scheepsdekken over het algemeen gladde oppervlakken, waar- door slip- en glijgevaar ontstaat ; een slipvrije toplaag met een goede hechting op dergelijke oppervlakken sor in een behoefte voorzien.
In andere gevallen bestaat er be- hoefte aan een oppervlakte- of slijtlaag op reeds a@nge- legde betonnen en asfaltwegen of opslagterreinen, welke bovendien bestand is tegen regen, zouten voor het ont- dooien van ijs en scheuren als gevolg van bros worden bij koud weer.
Voor de hierboven uiteengezette doelen zijn reeds verschillende composities voorgesteld, doch geen hiervon is in alle opzichten bevredigend gebleken.
Men heeft thans gevonden, dat deze en andere na- delen kunnen worden ondervangen door toepassing van bitu- mineuze composities, welke volgens de uitvinding worden
<Desc/Clms Page number 3>
bereid door (1) een polyepoxyde met meer dan één vic- epoxygroep te mengen mat (2) een polyamide dat amino- waterstof bevat en dat bestaat uit het reactieprodukt van een alifatisch polyamine en een meerbasisch zuur met ten minste zeven koolstofatomen tussen de zuur- groepen, en (3) een uit aardolie verkregen bitumineus materiaal.
Door kleine inerte deeltjes aan de composities toe te voegen, bezitten de geharde oppervlakte- of slijtlagen uitstekende anti-slip-eigenschappen. Derge- lijke toplagen zijn bijzonder aantrekkelijk om te wor- den toegepast op wegen en startbanen, daar zij gemakke- lijk op grote oppervlakken kunnen worden aangebracht en snel harden zonder dat speciale hardingsomstandigheden vereist zijn. De genoemde composities zijn even waarde- vol voor de behandeling van haventerreinen, pakhuisvloe- ren, trottoirs, tennisbanen, scheepsdekken, pijpleidin- gen en d ergelijke, waarbij slijtvastheid en bestendig- heid tegen het weer gewenste eigenschappen zijn.
Een bijzonder voordeel van de nieuwe composi- ties is, dat zij bij lage temperaturen kunnen worden ge- hard zonder dat speciale verwarmingsmiddelen zijn ver- eist. Vele van de composities, en in het bijzonder die welke zijn bereid uit residuale stookoliën of composities. die verdunningsmiddelen zoals koolwaterstofnitrielen, nonoglycidylderivaten, en dergelijke bevatten, bezitten een lage viscositeit en kunnen worden verspoten of met een borstel of anderszins worden aangebracht, zodat zij gemakkelijker te verwerken zijn dan de tot nu toe gebrui-
<Desc/Clms Page number 4>
kelijke toplagen of bindmiddelen.
Tot nu toe meende men, dat de meeste asfalten, zoals die welke voor toplagen worden gebruikt, nagenoeg niet compatibel waren met glycidylpolyethers. De boven- beschreven mengsels bezitten echter een uitstekende com- patibiliteit en vormen taaie, homogene composities. Bo- vendien heeft men gevonden, dat de geharde produkten een zeer goede flexibiliteit bezitten, terwijl met de asfalten alleen gewoonlijk brosse produkten worden ge- vormd.
De in de composities volgens de uitvinding toe- gepaste bitumineuze materialen worden verkregen uit aard- olie en zijn bijvoorbeeld asfaltbitumina, residuale stookoliën en dergelijke. Bij voorkeur gebruikt men as- faltbitumina, bijvoorbeeld geblazen asfaltbituminen, kraak- asfaltbitumen, aromatisch astaltbitumen, en al of niet ka- talytisch gepolymeriseerd asfaltbitumen, en in het bijzon- der door directe destillatie verkregen asfaltbitumen, dat gewoonlijk wordt toegepast voor wegdekken. Door de werk- wijze volgens de uitvinding kan de flexibiliteit van aro- matische asfaltbitumina worden verbeterd, waardoor het aantal toepassingsmogelijkheden van deze produkten, die gewoonlijk hard en bros zijn, wordt vergroot.
Een voor- beeld van bij voorkeur toegepaste aromatische asfaltbitu- mina wordt gevormd door het bodemprodukt, verkregen bij destillatie van katalytisch gekraakte gasolie. Door di- reate destillatie verkregen asfaltbitumina die in het bij- zonder geschikt zijn om voor wegdekken te worden toege- past, bezitten gewoonlijk een penetratie tussen ongeveer 40 en ongeveer 300 en een verwekingspunt van ongeveer 63 -
<Desc/Clms Page number 5>
35 C. Geblazen asfaltbitumen wordt gewoonlijk al of niet in aanwezigheid van katalysatoren bereid door blazen bij verhoogde temperaturen met een zuurstof bevattend gas zo- als lucht. Een typisch voorbeeld van een geblazen asfalt- bitumen heeft een verwekingspunt tussen ongeveer 116 C en 71 C en een penetratie tussen ongeveer 30 en 5.
Andere, bij voorkeur toegepaste, bitumineuze ma- terialen zijn hoogkokende extracten van aardolie(fracties), zoals die, verkregen door extractie met selectieve oplos- middelen, zoals vloeibaar SO2' fenol en furfural. Met voor- deel past men hierbij twee onderling nagenoeg niet mengbare oplosmiddelen toe, zoals cresol en propaan. De bijzondere voorkeur genieten de Edeleanu- en furfuralextracten. De extracten zijn normaliter viskeuze vloeistoffen tot teer- achtige stoffen met bij voorkeur een kookpunt van ten minste 300 C bij 76 mm Hg.
Andere bij voorkeur toegepaste bitumineuze materi- alen zijn residuale stookoliën, zoals die met een viscosi- teit bij 37 C tussen 10 es en 1500 cS.
Het polyepoxyde bezit een eporyequivalentie van meer dan 1,0, d.w.z. gemiddeld meer dan 1,0 vicinale epoxy-
O groep (een C-C groep) per molecule. De verbindingen kun- nen al of niet verzadigd, alifatisch, cyclo-alifatisch, aro- matisch of heterocyclisch en monomeer of polymeer zijn en kunnen gesubstitueerd zijn met bijvoorbeeld chloor, hydroxyl- groepen, etherradicalen en dergelijke.
Verschillende voorbeelden van polyepoxyden die bij de werkwijze volgens de uitvinding kunnen worden toegepast, worden gegeven in het Amerikaanse Octrooischrift 2.633.458.
<Desc/Clms Page number 6>
Andere voorbeelden zijn de geëpoxydeerde esters, zoals geëpoxydeerde lijn- en sojabonenolie en di(2,3-epoxy- butyl)-adipaat, geëpoxydeerd cyclopentadieen en (co)poly- meren hiervan, geëpoxydeerde copolymeren van butadieen en acrylonitriel.
Bij voorkeur worden polyglycidylethers van meer- waardige fenolen, in het bijzonder tweewaardige fenolen zoals difenylolpropaan, of van meerwaardige alcoholen, zoals glycerine en butaantriol, toegepast, welke glycidyl- ethers bij voorkeur een molekuulgewicht tussen 250 en 900 bezitten. De in het Amerikaanse octrooischrift 2. 633.458 vermelde Polyethers A, B, C en D zijn goede voorbeelden van bij voorkeur toegepaste polyepoxyden. Een ander voor- beeld is de polyglycidylether van 1,1,2,2-tetrakis(4-hydroxy- fenyl) ethaan met een epoxywaarde van 0,45 eq/100 g en een s.p. van 85 C.
De bij de bereiding van de conposities volgens de uitvinding gebezigde polyamiden worden gevormd door het reactieprodukt van een meerbasisch zuur met ten minste zeven koolstofatomen tussen de zuurgroepen en cen alifatisch poly- amine, waarbij het verkregen produkt ten minste één aan een aminostikstofatoom gebonden waterstofatoom bezit. Voorbeel- den van meerbasische zuren die bij de bereiding van deze polyamiden worden toegepast, zijn onder andere 1,10-decaan- dicarbonzuur, 1,18-octadecaandicarbonzuur en gedimeriseerde en getrimeriseerde vetzuren die zijn verkregen door vetzu- ren van drogende oliën onder toepassing van warmte en onder bekende omstandigheden te polymeriseren.
Dit wordt gewoon- lijk uitgevoerd doo- gebruik te maken van de lagere alifa-
<Desc/Clms Page number 7>
tische esters van de drogende olievetzuren om decar- boxylering tijdens de verhittingsperiode te voorkomen.
Tijdens de-verhittingsperiode worden gewoonlijk dimeren en trimeren verkregen. Deze werkwijze wordt toegelicht in "Industrial en Engineering Chemistry", Deel 38, pagina 1139 (1946). Verondersteld wordt, dat de struc- tuur van de op deze wijze verkregen produkten gelijk is aan die welke zijn weergegeven in "Industrial and Engineering Chemistry", Deel 33, pagina 89 (1941). Bij de bereiding van de gepolymeriseerde zuren kunnen tal- rijke zuren van drogende oliën worden toegepast, doch bij voorkeur worden zuren met 6-24 koolstofatomen gebe- zigd, zoals bijvoorbeeld linolzuur, linoleenzuur, elaeo- stearinezuur en licaanzuur.
Als alifatische polyaminen kunnen bij de be- reiding van de polyamiden willekeurige di, tri- of tetraminen worden toegepast, zoals bijvoorbeeld etheen- diamine, trietheentetramine, tetraetheenpentamine, 1,4- diaminebutaan, 1,3-diaminebutaan, hexametheendiamine, 3-(N-isopropylamino)propylamine, en bij voorkeur dietheen- riamine.
De bijzondere voorkeur genieten de polyamiden die zijn verkregen uit de alifatische polyaminen met ten hoogste 12 koolstofatomen en polymere vetzuren die zijn verkregen door dimerisatie en trimerisatie van alkenisch onverzadigde vetzuren met ten hoogste 24 koolstofatomen, in het bijzonder sojabonenolievetzuur. Deze polyamiden hebben bij voorkeur een viscositeit van 10-750 poises bij 40 C, in het bijzonder 20-250 poises bij 40 C. De bij voorkeur toegepaste polyamiden hebben ook een aminewaarde
<Desc/Clms Page number 8>
van 50-450. De aminewaarde is het aantal milligrammen KOH dat equivalent is aan de alkaliniteit van 1 gram polyamide zoals bepaald door titratie met HCl.
Zoals verneld, bezitten de bij de werkwijze vol- gens de uitvinding toegepaste polyamiden ten minste één en bij voorkeur twee of meer aan aminostikstofatomen gebon- den waterstof atomen. Dergelijke produkten worden verkregen door de hoeveelheden van de reactiecomponenten onderling zodanig te regelen, dat er altijd ten minste één en bij voorkeur twee of meer vrije aminowaterstofatomen zijn, zo- als bijvoorbeeld door toepassing van een overmaat van het polyamine. Een werkwijze ter bereiding van dergelijke polyamiden wordt toegelicht in de Amerikaanse octrooi- schriften 2.450.940 en 2. 695.908 en waar in het onderhavige octrooischrift sprake is van de bereiding van deze poly- amiden wordt naar de genoemde Amerikaanse octrooischriften verwezen.
De composities volgens de uitvinding kunnen wor- den bereid door de componenten zonder meer met elkaar te mengen met of zonder toepassing van warmte. Indien één of meer van de componenten zeer dikke vloeistoffen of vaste stoffen zijn, verdient het over het algemeen de voorkeur deze v66r of tijdens het mengen te verhitten. Er kunnen verschillende oplosmiddelen of verdunningsmiddelen die v66r of tijdens de harding verdampen, worden toegevoegd, doch dit is over het algemeen niet gewenst, daar hierdoor gewoonlijk de hardingstijd van het gerede produkt wordt verlengd. Geschikte oplosmiddelen zijn onder andere kool- waterstoffen, zoals xyleen, benzeen, en dergelijke.
Ook is het in sommige gevallen gemakkelijk geheel vloeibare poly-
<Desc/Clms Page number 9>
epoxyden, zoals onder normale omstandigheden vloeibare glycidylpolyethers van meerwaardige alcoholen, als ver- dunningsmiddel toe te passen, of monoglycidylderivaten te gebruiken zoals butylglycidylether en allylglycidyl- ether, of nitrielen, bijvoorbeeld acrylonitriel, propiono- nitriel en dergelijke.
De verhouding van het bitumineuze materiaal en het polyepoxyde in de compositie kan variëren al naar ge- lang de in het verkregen produkt gewenste eigenschappen.
Composities met de in het bovenstaande beschreven onver- wachte eigenschappen, zoals een goede compatibiliteit, een uitstekende hechting waarvan zeer goed deklagen kunner worden vervaardigd, worden verkregen indien het polyepoxyde aanwezig is in een hoeveelheid van ten minste 5 en ij voorkeur 15-85 gew.% van het mengsel van het bitumineuze materiaal en het polyepoxyde.
Er dienen ten minste 0,8 equivalenten van het po amide per equivalent van het polyepoxyde aanwezig te sijn (met een chemisch equivalente hoeveelheid wordt een hoeve---!- heid bedoeld die benodigd inom één aminovaterstofatoon per epoxygrop te verschaffen). Bij voorkeur workdt een hoeveel- heid van 0,8 - 4 equivalenten van het polyamide per equi- valent van het polyepoxyde en het liefst 3 - 3,5 equivalenten toegepast. Een gedeelte van bijvoorbeeld ten hoogste 50 gew van het polyamide kan worden vervangen door andere stoffen, zoals één van de bovenbeschreven zuren met een lange keten, of door de polyaminen of andere bekende hardingsmiddelen, so-
EMI9.1
als anhydriden van meerbasische mirom, lk2.1i, .::;;:t"",.l..vu I;::l en dergelijke.
<Desc/Clms Page number 10>
Bij voorkeur worden aan de composities, bereid volgens de uitvinding, inerte vaste deeltjes toegevoegd, waardoor wegen of toplagen een uitstekende weerstand te- gen slippen verkrijgen. De deeltjes dienen tamelijk , fijn verdeeld te zijn en bezitten bij voorkeur een grootte van 0,05 - 5 mm. Bij voorkeur toegepaste materi- alen zijn fijn verdeelde schelpen, gebroken kwarts, uit gesmolten aluminiumoxyde bestaand gruis, fijn verdeelde harsdeeltjes, en dergelijke, speciaal echter zand en ge- malen gesteente. Mengsels van verschillende soorten deel- tjes kunnen eveneens worden toegepast.
De aan de compositie toe te voegen hoeveelheid inerte deeltjes dient ten minste 50 gew.% te bedragen van het totale mengsel van het bitumineuze materiaal en het polyepoxyde en ligt bij voorkeur tussen 70 en 2000 gew.% van het mengsel.
De inerte deeltjes kunnen aan de compositie wor- den toegevoegd voordat deze wordt aangebracht, hetgeen ae bij voorkeur toegepaste methode is als de compositie als bindmiddel wordt toegepast. Echter kan het mengsel van het bitumineuze materiaal en het polyepoxyde ook eerst op het oppervlak worden aangebracht en vervolgens de inerte deeltjes. Zo kan bij het aanbrengen van een toplaag op het oppervlak'van wegen het mengsel van het bitumineuze materiaal en het polyepoxyde rechtstreeks op het wegdek worden aangebracht, waarna de inerte deeltjes, zoals zand, op de toplaag worden gestrooid voordat de toplaag is ge- hard..
Desgewenst kunnen de deeltjes worden verhit tot een temperatuur van bijvoorbeeld 65 - 200 C om de harding te versnellen.
<Desc/Clms Page number 11>
Indien de composities volgens de uitvinding als toplaag worden toegepast, kunnen zij op elk wille- keurig oppervlak worden aangebracht, in het bijzonder echter op beton, asfaltbitumen, hout en staal. Als dikke toplagen of toplagen die grote hoeveelheden in- erte deeltjes bevatten, gewenst zijn, kan het materiaal het beste worden aangebracht met behulp van een str ijk- stok, troffel, schop of bezem. Indien het materiaal dunner vloeibaar is, kan het worden aangebracht door vegen of spuiten. De dikte van de toplagen varieert over het algemeen van ongeveer 1,5 - 12 mm.
Tenzij anders aangegeven, worden met de in de volgende voorbeelden vermelde delen gewichtsdelen be- doelde De polyetherharsen die in de voorbeelden zijn aan- geduid door letters zijn die welke zijn beschreven in het Amerikaanse octrooischrift No. 2. 633.458. Het in de voorbeelden gebruikte beton was bereid uit Portland cement, aggregaat, zand en water.
VOORBEELD I
Dit voorbeeld licht de bereiding en enige van de eigenschappen toe van een compositie bestaande uit 1) poly- ether A, 2) een vloeibaar polyamide van etheendiamine en gedimeriseerd linolzuur dat aminowaterstof bevatte en een viscositeit van 80 - 120 poises bij 40 C en een soortelijk gewicht van 0,97 bezat en 3) een door directe destillatie verkregen asfaltbitumen van het type dat voor wegdekken wordt gebruikt. Polyether A is een glycidylpolyether van
EMI11.1
l,i g.Po",n r. aen van 0,50 eq/IUU g, een igole- kuulgewicht van 350 en een viscositeit van 150 poises bij
<Desc/Clms Page number 12>
25 C.
12 gew.% polyether A en 52 gew.% van het door di- recte destillatie verkregen asfaltbitumen werden onder verhitting met elkaar gemengd. Aan dit mengsel werden 36 gew.% van het polyamide toegevoegd, waarna het mengsel op'een gedeelte van een asfaltweg werd uitgespreid dat was schoongemaakt met detergentia, waarbij een toplaag met een dikte van ongeveer 1,5 mm werd verkregen. In korte tijd hardde de compositie bij buitentemperatuur tot een homogene, veerkrachtige, soepele, taaie toplaag die be- stand was tegen oplosmiddelen en een goede hechting bezat.
Om de bestendigheid van de toplaag tegen oplosmid- delen te beproeven werd zij tweemaal per dag bespoten met brandstof voor straalmotoren. Zelfs na 6 weken werd er geen verandering in de conditie van het wegdek waargenomen. Tij- dens een gelijke gebruiks- en behandelingsperiode werd de niet van een toplaag voorziene weg zacht en begon uiteen te vallen.
Ook metalen panelen (staal en aluminium) en beton- nen panelen waarop een toplaag van het bovenbeschreven meng- sel was aangebracht, bleven onaangetast door brandstoffen voor etraalmotoren.
VOORBEELD II
12 gew.% Polyether A en 52 gew.% door directe destillatie verkregen asfaltbitumen werden onder verhitting met elkaar gemengd. Vervolgens werden 36 gew.% van het in Voorbeeld I beschreven polyamide van etheendiamine en gedi- meriseerd linolzuur aan het mengsel toegevoegd. Dit mengsel
<Desc/Clms Page number 13>
werd.geroerd en vervolgens op vlak beton uitgespreid in een hoeveelheid van ongeveer 0,55 kg/m2. Na harding was de toplaag veerkrachtig, taai en soepel.
Bij een gelijksoortige proef werd zand op de toplaag uitgespreid voordat de harding was voltooid. Na harding was de verkregen toplaag hard en slipvrij en be- zat een goede flexibiliteit.
Gelijksoortige resultaten worden verkregen door de hoeveelheid van het polyamide te wijzigen van 20% tot 10%.
VOORBEELD III
Dit voorbeeld licht de bereiding toe van een dikke toplaag op een weg.
12 gew.% Polyether A en 52 gew.% van een door di- recte destillatie verkregen asfaltbitumen werden onder verhitting met elkaar gemengd, waarna 36 gew.% van een vloeibaar polyamide van gedimeriseerd sojabonenolievetzuur en dietheentriamine dat aminowaterstof bevatte en een vis- cositeit van 80 - 150 poises bij 40 C bezat, en een gelijke gewichtshoeveelheid van het totale mengse?. aan gebroken kwarts werden toegevoegd. Toen het mengsel gereed was, werd de compositie in een hoeveelheid van 5,5 kg/m2 met behulp van strijkstokken en/of troffels op een betonnenoppervlak aangebracht. Nadat een vlakke laag was verkregen, werd een verdere hoeveelheid gebroken kwarts op het oppervlak ge- strooid en met een gazonwals gewalst om een grotere rast- heid te verkrijgen.
Nadat de harding was voltooid, werd het losse kwartsgruis van de toplaag geveegd. Op deze wijze
<Desc/Clms Page number 14>
behandelde betonoppervlakken bezaten goede anti-slip eigenschappen en een goede bestendigheid tegen het weer.
VOORBEELD IV
Dit voorbeeld licht de bereiding en enige van de eigenschappen toe van de compositie bestaande uit Polyether D en een polyamide van etheendiamine en gedi- meriseerd linolzuur met een viscositeit van 80-120 poises bij 4000. en een snel hardend asfaltbitumen met een lage viscositeit. Polyether D is een glycidylether van bis- fenol met een epoxywaarde van 0,20 eq/100 g, een molekuul- gewicht van 900 en een smeltpunt van 70 C.
Polyether D werd opgelost in een zodanige hoeveel- heid van een oplosmiddel bestaande uit 90 delen xyleen en 10 delen Cellosolve, dat een 70%-ige oplossing werd gevormd.
Het bovengenoemde polyamide van etheendiamine en gedimeri- seerd linolzuur werd opgelost in een zodanige hoeveelheid van hetzelfde cplosmiddel, dat een 85%-ige oplossing werd gevormd. 15 gew.% van de oplossing van Polyether D, 15 gew.% van de polyamideoplossing en 70 gew.% van een middelmatig hardend gefluxt asfaltbitumen met 100-200 SSF bij 60 C werden onder verhitting met elkaar gemengd. Het verkregen mengsel werd uitgespreid op een gedeelte van een betonweg dat eerst was gereinigd met zoutzuur. De toplaag was onge- veer 1,5 mm dik. In korte tijd hardde de compositie bij buitentemperatuur tot een harde, taaie toplaag die bestand was tegen oplosmiddelen.
<Desc/Clms Page number 15>
VOORBEELD V
De op de in het voorgaande voorbeeld beschreven wijze bereide compositie werd uitgespreid op een asfalt- weg die tevoren was schoongemaakt met een oplossing van een wasmiddel. De toplaag was ongeveer 1,5 mm dik. Ver- volgens werd er zand op gestrooid voordat de harding was voltooid. De verkregen toplaag hardde tot een harde, taaie, veerkrachtige slipvrije laag.
VOORBEELD VI
40 delen Polyether A werden verhit met 60 delen getrimeriseerd linolzuur tot een precondensaat. Vervol- gens werden het in Voorbeeld I beschreven polyamide en een middelmatig hardend gefluxt asfaltbitumen met 100-200 SSP bij 60 F aan het precondensaat toegevoegd. De compo- nenten waren in de volgende hoeveelheden aanwezig: 23,6% middelmatig hardend gefluxt asfaltbitumen, 21,3% polyamide 22,0% Polyether A
33,1% getrimeriseerd linolzuur.
Dit mengsel werd geroerd en er werd 100 gew.% zand aan toegevoegd. Dit mengsel werd in de vorm van een dikke laag op betonnen blokken uitgespreid, waarna er zand op werd gestrooid voordat de harding was voltooid. De ver- kregen toplaag was taai, veerkrachtig en bestendig tegen oplosmiddelen, terwijl zij goede anti-slip eigenschappen bezat.
<Desc/Clms Page number 16>
VOORBEELD VII
Polyether A, het in Voorbeeld I beschreven poly- amide, een asfaltbitumen met een viscositeit van 705 centistokes bij 6000 en een C12 primair amine werden on- der verhitting met elkaar gemengd. De componenten waren in de volgende hoeveelheden aanwezig:
36% Polyether A
30% Asfaltbitumen
20% Polyamide
14% C12primair amine.
Dit mengsel werd geroerd en vervolgens op een asfaltweg uitgespreid in een hoeveelheid van ongeveer 0,55 kg/m2. Daarna werd zand op de toplaag aitgespreid voordat de harding was voltooid. De verkregen toplaag hardde tot een harde, taaie, veerkrachtige laag met goede anti-slip eigenschappen.
De bovenbeschreven proef werd herhaald, behoudens dat 200 gew.% zand aan het oorspronkelijke mengsel werden toegevoegd. Vervolgens werd dit mengsel uitgespreid op beton, waarbij het hardde tot een harde toplaag met goede anti-slip eigenschappen.
VOORBEELD VIII
Dit voorbeeld licht de bereiding en enige van de eigenschappen toe van een compositie bevattende Polyether A, een polyamide van etheendiamine en gedimeriseerde soja-
EMI16.1
bonenolievetsuren als beschreven in Voorbeeld I en een bitumineus materiaal bestaande uit de bodemprodukten ver.
<Desc/Clms Page number 17>
kregen bij destillatie van een katalytisch gekraakte gasolie..
@ Ongeveer 15 gew. Polyether A werd gemengd met 65 gew.% van het bovenbeschreven bitumineuze materiaal en 20 gew.% van het polyamide van etheendiamine en ge- dimeriseerd sojabonenolievetzuur.
Dit mengsel werd uitgespreid op een gedeelte van een asfaltweg in de vorm van een toplaag van ongeveer 1,5 mm dik. Aluminiumoxyde met een maximale deeltjes- grootte van 0,6 mm werd op het oppervlak gestrooid voor- dat dit was gehard. De verkregen toplaag was hard, taai, slipvrij en was goed bestendig tegen het weer.
VOORBEELD IX
10 gew.% Polyether B, 70 gew.% door directe destil- latie verkregen asfaltbitumen en 20 gew.% van een amino- waterstof bevattend polyamide van 1,20-eicosaandicarbonzuur en etheendiamine (verkregen door de componenten met elkaar te verhitten bij aanwezigheid van een geringe overmaat aan het amine) werden met elkaar gemengd. Polyether B was een glycidylether van bisfenol met een epoxy%vaarde van 0,40 ea/ 100 g, een molekuulgewicht van 483 en een smeltpunt van 27 C.
Dit mengsel werd uitgespreid op een gedeelte van een betonweg in de vorm van een 1,5 mm dikke toplaag. Aluminium- oxyde met een maximale deeltjesgrootte van 0,6 mm werd on het oppervlak gestrooid voordat het was gehard. De verkregen toplaag was hard, taai, slipvrij en goed bestendig tegen het weer.
Overeenkomstige resultaten worden verkregen door bij
<Desc/Clms Page number 18>
de bovenbeschreven werkwijze Polyether B te vervangen door gelijke hoeveelheden van elk der volgende verbin- dingen: Polyether 0 (een glycidylether van bisfenol met een molekuulgewicht van 710, een epoxywaarde van 0,27 eq/100 g en een smeltpunt van 52 C), poly(allyl- glycidylether) met een molekuulgewicht van ongeveer 450, diglycidylether van resorcinol en diglycidylether
EMI18.1
van 22-bis(4-hydroz,ytenyl)butaan.
VOORBEELD X
Dit voorbeeld licht de bereiding en enige van de eigenschappen toe van een compositie bestaande uit Polyether A, een polyamide als beschreven in Voorbeeld I en een residuale stookolie.
Ongeveer 15 gew.% Polyether A werd gemengd met 65 gew. van een stookolie van industriële kwaliteit met de volgende eigenschappen:
EMI18.2
<tb> Soortelijk <SEP> Gewicht, <SEP> in <SEP> API <SEP> 8,0
<tb>
<tb> Vlampunt, <SEP> PMCC <SEP> 82 C
<tb>
<tb> Stolpunt <SEP> 1,7 C
<tb>
<tb> Viscositeit, <SEP> in <SEP> centistokes <SEP> 370
<tb>
<tb> Zwavelgehalte, <SEP> in <SEP> gew.% <SEP> 1,84
<tb>
<tb> Koolstofresidu, <SEP> in <SEP> gew.% <SEP> 19,0.
<tb>
Vervolgens werd 20 gew.% van het in Voorbeeld I be- schreven polyamide toegevoegd.
Dit meng3el werd vervolgens op een gedeelte van een
EMI18.3
asfaltweg in de vorm van ren 1;5 mm 7itrtra t0plg gptc.
Aluminiumoxyde met een maximale deeltjesgrootte van 0,6 mm
<Desc/Clms Page number 19>
werd op het oppervlak gestrooid voordat het was gehard.
De verkregen toplaag was hard, taai, slipvrij en goed bestendig tegen het weer.
Overeenkomstige resultaten worden verkregen door de bovenbeschreven residuale stookolie te vervangen door een andere lichte stookolie met de volgende eigen- schappen:
EMI19.1
<tb> Soortelijk <SEP> Gewicht, <SEP> in <SEP> OAPI <SEP> 17,0
<tb>
<tb> Vlampunt, <SEP> PMCC <SEP> 80 C
<tb>
<tb> Stolpunt <SEP> -23 C
<tb>
<tb> Viscositeit, <SEP> in <SEP> centistokes <SEP> 52
<tb>
<tb> Zwavelgehalte, <SEP> in <SEP> gew.% <SEP> 1,64
<tb> Koolstofresidu, <SEP> in <SEP> gew.% <SEP> 9,0
<tb>
VOORBEELD XI . Dit voorbeeld licht de bereiding en enige van de eigenschappen toe van een compositie bestaande uit Poly- ether A, een polyamide van etheendiamine en gedimeriseerd sojabonenvetzuur als beschreven in Voorbeeld I en een Edeleanu-extract van aardoliedestillaten.
Ongeveer 15 gew.% van Polyether A werd gemengd met 65 gew.% van een extract van aardoliedestillaat met de volgende eigenschappen:
EMI19.2
<tb> Soortelijk <SEP> Gewicht, <SEP> in <SEP> OAPI <SEP> 5,8
<tb>
<tb> Vlampunt <SEP> (gesloten <SEP> beker) <SEP> 21300
<tb>
<tb> Viscositeit, <SEP> in <SEP> SSU <SEP> bij <SEP> 99 C <SEP> 96,1
<tb> Anilinepunt <SEP> 27 <SEP> C <SEP>
<tb>
<tb>
<tb> Zuurgetal <SEP> 1,1
<tb> Joodgetal <SEP> 69
<tb>
<Desc/Clms Page number 20>
Vervolgens werd 20 gew.% van het in Voorbeeld 1 beschreven polyamide toegevoegd. Dit mengsel werd gemengd met 200 gew.% gebroken gesteente, tot 120 C verhit en uit- gespreid en gewalst op een gereedgemaakt wegbed. Na het walsen liet men de weg harden.
De verkregen weg was hard en soepel en bezat een goede bestendigheid tegen oplos- middelen en warmte.
VOORBEELD XII
De Voorbeelden I, II, IV en X werden herhaald, be- houdens dat het polyamide werd vervangen door een polyamide van gedimeriseerd linolzuur en etheendiamine met een amine- waarde van 290-320 en een viscositeit van 40-60 poises. In elk van deze gevallen werden overeenkomstige resultaten ver- kregen.
VOORBEELD XIII
De Voorbeelden VII, X en XI werden herhaald, behou- dens dat het polyamide werd vervangen door een vloeibaar polyamide van 1,18-octadecaandicarbonzuur en etheendiamine met vrije aminowaterstof,alsmede door een polyamide van 1,20-eicosaandicarbonzuur en dietheentriamine met vrije aminowaterstof. In beide gevallen werden overeenkomstige resultaten verkregen.
VOORBEELD XIV
Voorbeeld I werd herhaald, behoudens da: Polyether A werd vervangen door equivalente hoeveelheden van Poly- ether B en Polyether C. Er werd eenzelfde type taaie, soe- pele deklagen verkregen die bestendig waren tegen oplos-
<Desc/Clms Page number 21>
middelen.
Om de harding te versnellen is het ook mogelijk epoxyhardingsmiddelen toe te voegen, zoals aminen, zuren, anhydriden en dergelijke, bij voorkeur in hoeveelheden van ongeveer 0,1-20 gew..