BE1030915B1 - Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars - Google Patents
Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars Download PDFInfo
- Publication number
- BE1030915B1 BE1030915B1 BE20225772A BE202205772A BE1030915B1 BE 1030915 B1 BE1030915 B1 BE 1030915B1 BE 20225772 A BE20225772 A BE 20225772A BE 202205772 A BE202205772 A BE 202205772A BE 1030915 B1 BE1030915 B1 BE 1030915B1
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- agents
- fertilizer
- group
- compound
- plants
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N33/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic nitrogen compounds
- A01N33/02—Amines; Quaternary ammonium compounds
- A01N33/06—Nitrogen directly attached to an aromatic ring system
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N33/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic nitrogen compounds
- A01N33/02—Amines; Quaternary ammonium compounds
- A01N33/08—Amines; Quaternary ammonium compounds containing oxygen or sulfur
- A01N33/10—Amines; Quaternary ammonium compounds containing oxygen or sulfur having at least one oxygen or sulfur atom directly attached to an aromatic ring system
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N33/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic nitrogen compounds
- A01N33/26—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic nitrogen compounds containing nitrogen-to-nitrogen bonds, e.g. azides, diazo-amino compounds, diazonium compounds, hydrazine derivatives
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N35/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic compounds containing a carbon atom having two bonds to hetero atoms with at the most one bond to halogen, e.g. aldehyde radical
- A01N35/04—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic compounds containing a carbon atom having two bonds to hetero atoms with at the most one bond to halogen, e.g. aldehyde radical containing aldehyde or keto groups, or thio analogues thereof, directly attached to an aromatic ring system, e.g. acetophenone; Derivatives thereof, e.g. acetals
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N37/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic compounds containing a carbon atom having three bonds to hetero atoms with at the most two bonds to halogen, e.g. carboxylic acids
- A01N37/44—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing organic compounds containing a carbon atom having three bonds to hetero atoms with at the most two bonds to halogen, e.g. carboxylic acids containing at least one carboxylic group or a thio analogue, or a derivative thereof, and a nitrogen atom attached to the same carbon skeleton by a single or double bond, this nitrogen atom not being a member of a derivative or of a thio analogue of a carboxylic group, e.g. amino-carboxylic acids
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01N—PRESERVATION OF BODIES OF HUMANS OR ANIMALS OR PLANTS OR PARTS THEREOF; BIOCIDES, e.g. AS DISINFECTANTS, AS PESTICIDES OR AS HERBICIDES; PEST REPELLANTS OR ATTRACTANTS; PLANT GROWTH REGULATORS
- A01N43/00—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing heterocyclic compounds
- A01N43/48—Biocides, pest repellants or attractants, or plant growth regulators containing heterocyclic compounds having rings with two nitrogen atoms as the only ring hetero atoms
- A01N43/54—1,3-Diazines; Hydrogenated 1,3-diazines
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01P—BIOCIDAL, PEST REPELLANT, PEST ATTRACTANT OR PLANT GROWTH REGULATORY ACTIVITY OF CHEMICAL COMPOUNDS OR PREPARATIONS
- A01P21/00—Plant growth regulators
-
- Y—GENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
- Y02—TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
- Y02P—CLIMATE CHANGE MITIGATION TECHNOLOGIES IN THE PRODUCTION OR PROCESSING OF GOODS
- Y02P60/00—Technologies relating to agriculture, livestock or agroalimentary industries
- Y02P60/20—Reduction of greenhouse gas [GHG] emissions in agriculture, e.g. CO2
- Y02P60/21—Dinitrogen oxide [N2O], e.g. using aquaponics, hydroponics or efficiency measures
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Wood Science & Technology (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Zoology (AREA)
- Plant Pathology (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Health & Medical Sciences (AREA)
- General Health & Medical Sciences (AREA)
- Dentistry (AREA)
- Pest Control & Pesticides (AREA)
- Agronomy & Crop Science (AREA)
- Botany (AREA)
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Chemical Kinetics & Catalysis (AREA)
- General Chemical & Material Sciences (AREA)
- Fertilizers (AREA)
Description
Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars
Beschrijving
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op plantengroeibevorderaars, een methode om de groei van een plant te bevorderen, een mengsel om de groei van een plant te bevorderen, een meststofmengsel, een proces voor de productie ervan en een methode om de bodem te bemesten.
Het gebruik van stikstof en fosfor in de vorm van meststoffen is noodzakelijk om aan de vraag naar voedsel van een groeiende bevolking te voldoen. De bemesting moet plaatsgebonden zijn om een optimale gewasproductie met minimale milieuverontreiniging te garanderen.
Wortelharen zijn belangrijk voor de opname van voedingsstoffen en water door planten.
Inductie van wortelharen en wortelhaarverlenging resulteert in een groter totaal wortel- en wortelhaaroppervlak en daardoor in een grotere opname van voedingsstoffen, met name fosfor, maar ook stikstof, ijzer en andere voedingsstoffen, en water, en leidt tot een betere tolerantie voor uithongering van voedingsstoffen of droogtestress of kan de groei en de opbrengst van de plant verbeteren. Evenzo zorgen wortelharen voor een verhoogde tolerantie voor zoutstress en osmotische stress. Zij zijn belangrijk in stressreacties, niet alleen door vergroting van het opnameoppervlak, maar ook als biosensor. Wortelharen zijn ook belangrijk voor verankering en penetratie in de bodem. Zo zorgen ze voor een betere groei in sterke (compacte) bodems. Wortelharen verbeteren het wortel-bodemcontact en vormen de plaats van symbiotische interacties met in de bodem levende micro-organismen. Deze laatste omvatten arbusculaire mycorrhiza en ectomycorrhiza. Deze schimmels kunnen een uitgebreid netwerk in de bodem maken om voedingsstoffen en water op te vangen en naar de planten te transporteren, maar ook helpen bij het zoeken naar water of voedingsstoffen, waarbij ze de richting aangeven waarin de wortels moeten groeien. Wortelharen zijn ook rechtstreeks betrokken bij de vorming van wortelknolletjes in peulvruchten om een symbiose aan te gaan met stikstofbindende bacteriën, en zo de stikstofvoeding te verbeteren.
Bovendien voorkomen wortelharen dat schadelijke micro-organismen de plant binnendringen. Wortelhaarcellen scheiden ook zuren af (bv. appel- en citroenzuur), die mineralen in de bodem oplossen om voedingsstoffen vrij te maken. Deze zuren maken bijvoorbeeld fosfaat beschikbaar voor de plant uit fosforhoudende bronnen in de bodem, zoals rotsfosfaat of gemineraliseerd fosfaat. Als gevolg daarvan verbetert een groter aantal wortelharen of een groter worteloppervlak in het algemeen de fitheid en groei-efficiëntie van de plant. Deze rollen en voordelen worden aangetoond of besproken in talrijke peer-reviewed artikelen, waaronder Vissenberg et al., 2020, J Exp Bot. , 71(8):2412-2427; Wang et al., 2020,
Plant Physiol., 184(1):176-193; Zou et al., 2019, Pak. J. Bot, 51(2); Kwasniewski et al., 2016,
JExp Bot., 67(4):1079-94; Haling et al., 2013, J Exp Bot. , 64(12):3711-3721; Wang et al, 2008,
J Plant Res, 121:87-96; Grierson en Schiefelbein, 2002, Arabidopsis Book. , 1:e0060.
Het doel van deze uitvinding is verbindingen als meststofadditieven te verschaffen die als plantengroeibevorderaars kunnen fungeren door het totale wortelhaaroppervlak van planten te vergroten. Bij voorkeur verminderen/verzachten de verbindingen de honger of
2 BE2022/5772 droogtestress van planten en/of verhogen zij de efficiëntie van het gebruik van voedingsstoffen (meststoffen) en/of verbeteren zij de opname van voedingsstoffen of water door planten.
De doelstellingen worden bereikt door het gebruik van een verbinding met als algemene formule (I)
R1 R2
Dx (I) met de volgende definities:
X heteroatoom ‚ gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, waarbij X bij voorkeur stikstof is;
R1; R2 onafhankelijk van elkaar waterstof, C;_, -koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C1-10, nog liever een C1-5 koolwaterstofresidu, nog liever een C1-3 koolwaterstofresidu, dat één tot drie halogeenatomen en/of één tot zeven heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur heeft R1 of R2 een ketogroep, nog liever zit de keto groep op C2 van Rl of R2;
R3 onafhankelijk van elkaar waterstof, halogeen, heteroatoom functionele groep, C,17 -koolwaterstofresidu, C,; -koolwaterstofresidu, nog liever een
Cs -koolwaterstofresidu, dat één of twee halogeenatomen en/of één tot drie heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur zuurstof, waarbij het ook mogelijk is dat R1 en R3 covalent verbonden zijn tot een heterocyclische ring met 5 tot 8 leden, die 1 of 2 halogeenatomen en/of 1 tot 3 andere heteroatomen kan bevatten naast de heteroatomen N die al deel uitmaken van de heterocyclische ring, waarbij R3 bij voorkeur een methoxygroep is n 0; 1; 2; 3; 4 of 5, waarbij n bij voorkeur 0 of 1 is; als groeibevorderaar voor planten.
3 BE2022/5772
Volgens deze uitvinding is gebleken dat verbindingen van bovenstaande algemene formule (I) met succes kunnen worden gebruikt als plantengroeibevorderaars of wortelhaarinductoren of een combinatie daarvan. Zij induceren wortelharen en wortelhaarverlenging en verbeteren de efficiëntie van het nutriëntengebruik en de wateropname van planten. Zij verminderen/verzachten de nutriëntenhonger of droogtestress van planten.
Een voorkeursoptie is het gebruik van de verbinding van de algemene formule (I)
R1 R2 x Pt >) (I)
Met de volgende definities:
X heteroatoom ‚ gekozen uit de groep bestaande uit stikstof en zuurstof, waarbij X bij voorkeur stikstof is;
R1; R2 indien X stikstof is, zijn R1 en R2 onafhankelijk van elkaar waterstof of een
C,_, koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C, koolwaterstofresidu, dat één tot zeven heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur heeft R1 of R2 een ketogroep en/of een aminogroep, nog liever is R1 een C2 hycrocarbon met een carboxamidegroep op C2 van R1 en is R2 waterstof;
R1 indien X zuurstof is, is R1 waterstof of een C,, koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C, koolwaterstofresidu, dat één tot zeven heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel;
R3 onafhankelijk van elkaar waterstof, halogeen, heteroatoom functionele groep, C12 -koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C,; -koolwaterstofresidu, nog liever een C,; -koolwaterstofresidu, dat één of twee halogeenatomen en/of één tot drie heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur zuurstof, het is ook mogelijk dat R1 en R3 covalent verbonden zijn tot een heterocyclische ring
4 BE2022/5772 met 5 tot 8 leden, die 1 of 2 halogeenatomen en/of 1 tot 3 andere heteroatomen kan bevatten naast de heteroatomen N die reeds deel uitmaken van de heterocyclische ring, waarbij R3 bij voorkeur een waterstof, een methylgroep of een methoxygroep is;
N 0; 1; 2; 3; 4 of 5, waarbij n bij voorkeur 0 of 1 is; als plantengroeipromotor, waarin de plantengroeipromotor het volgende verbetert - de wortelhaarontwikkeling, - Fosfaatgebruik efficiëntie/opname - efficiëntie van het nutriëntengebruik van planten, - opname van voedingsstoffen door planten, - beschikbaarheid van voedingsstoffen, - wateropname van planten, - voedsel- en watervoorziening door planten, - droogtebestendigheid, - wortelpenetratie in de bodem, - verankering in de bodem, - nuttige symbiotische interacties van planten, - bescherming tegen schadelijke micro-organismen, en/of - plantengroei of opbrengst; en/of voor het verlichten en/of verminderen van honger aan voedingsstoffen, droogte, zout en/of osmotische stress bij planten.
Bij voorkeur is de verbinding van formule (I) een van de volgende verbindingen:
NH, în 5
NE HO Me
Od D
HC Gr Hé ì a “, 1 >
HO 2
D QC :
0 Et, Mer,
HC H,C
De T Ch > in HN AA
Ses nan 3 D
CO € © CE ©
N ne ; we (0 ° Das ii ch. un ;
N ee { ; r 1 9 ee
CH; o DN „5 =
Hi Ch; ;
N. CH,
Es De L ‚
OE A
CH;
MOL u
H.C 2 c A
Ng me CH, Y NM o ww“ Se
G
Nn
D
HC t,
HG Os 205 D
Do D {} TD Hs fé. CHa N
ST { ; ‘ en, 1 ©.
HO
CH, he, HO, © HR 70 ‘ Ÿ
Des NaH 2,7 ; > 5 Bijzondere voorkeur geniet de verbinding van formule (Il)
6 BE2022/5772
Ve
À
[> (N)
Bij voorkeur ligt de pH-waarde van het substraat of de bodem tussen 4,5 en 7,5, bij voorkeur tussen 5 en 7, en nog liever tussen 5,5 en 6,5.
Het gebruik van de verbindingen van formule (|) of formule (Il) is bij voorkeur gericht op de verbetering van - haarwortelontwikkeling, - efficiëntie van het nutriëntengebruik van planten, - opname van voedingsstoffen door planten, - beschikbaarheid van voedingsstoffen, - wateropname van planten, - voedsel- en watervoorziening door planten, - droogtebestendigheid, - wortelpenetratie in de bodem, - verankering in de bodem, - nuttige symbiotische interacties van planten, - bescherming tegen schadelijke micro-organismen, - plantengroei of -opbrengst of voor het verlichten en/of verminderen van voedselhonger, droogte, zout en/of osmotische stress bij planten.
Het doel wordt voorts bereikt door een methode ter bevordering van de groei van een plant, waarbij aan groeimedium of grond waarin de plant wordt geteeld, een verbinding als hierboven omschreven wordt toegevoegd.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een mengsel dat ten minste één verbinding bevat van algemene formule (I) als hierboven omschreven, en ten minste één extra agrochemisch middel, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit - ten minste één anorganische en/of organische en/of organominerale meststof - ten minste één nitrificatieremmer, bij voorkeur geselecteerd uit de groep bestaande uit 2- (3,4-dimethyl-pyrazol-1-yl)-barnsteenzuur (DMPSA), 3,4-dimethylpyrazool (DMP), 3,4- dimethylpyrazoolfosfaat (DMPP), dicyaandiamide (DCD), 1H-1,2,4-triazool, 3- methylpyrazool (3-MP), 2-chloor-6-(trichloormethyl)-pyridine, 5-ethoxy-3- trichloormethyl-1,2,4-thiadiazol, 2-amino-4-chloor-6-methyl-pyrimidine, 2-mercapto- benzothiazool, 2-sulfanilamidothiazool, thioureum, natriumazide, kaliumazide, 1-
7 BE2022/5772 hydroxypyrazool, 2-methylpyrazool-1-carboxamide, 4-amino-1,2,4-triazool, 3-mercapto- 1,2,4-triazool, 2,4-diamino-6-trichloormethyl-5-triazine, koolstofbisulfide, ammoniumthiosulfaat, natriumtrithiocarbonaat, 2,3-dihydro-2,2-dimethyl-7-benzofuranol methylcarbamaat en N-(2,6-dimethylfenyl)-N-(methoxyacety|)-alanine methylester, - ten minste één ureaseremmer, bij voorkeur geselecteerd uit N-n-butylthiofosfortriamide (NBTPT of NBPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT of NPPT), - ten minste één gebruikelijke agrochemische hulpstof, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit waterige en/of organische oplosmiddelen, pH-regelaars, oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, adhesiebevorderaars, draagstoffen, vulstoffen, viscositeitsregelaars, emulgatoren, dispergeermiddelen, sekwestratiemiddelen, antiklontermiddelen coalescentiemiddelen, reologiemodificatoren, antischuimmiddelen, fotobeschermers, antivriesmiddelen, (aanvullende of verdere) biostimulatoren, pesticiden/plantenbeschermingsmiddelen, biociden, (aanvullende of verdere) plantengroeiregulatoren, beschermstoffen, penetratiemiddelen, antiklontermiddelen, minerale en/of plantaardige oliën en/of wassen, kleurstoffen en driftbestrijdingsmiddelen, en mengsels daarvan.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een mengsel van meststoffen, bevattende
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. 10 tot 10000 gewichtsprocent, op basis van de meststof, van een verbinding van de algemene formule (|) zoals hierboven gedefinieerd.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een proces voor de vervaardiging van het hierboven omschreven meststofmengsel door de verbinding van de algemene formule (|) in de meststof te brengen en/of de verbinding van de algemene formule (I) op het oppervlak van de meststof aan te brengen.
De uitvinding heeft voorts betrekking op een methode voor het bemesten van landbouw- of tuinbouwgronden, waaronder huis en tuin, waarbij een meststofmengsel met verbindingen Aen B
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. een effectieve hoeveelheid, bij voorkeur 10 tot 10000 gewichtsprocent, meer bij voorkeur 100 tot 3000 gewichtsprocent, op basis van de meststof, van een verbinding van de algemene formule (|) zoals hierboven beschreven, of verbindingen A en B afzonderlijk, maar binnen een periode van 0 tot 5 uur, bij voorkeur 0 tot 1 uur, bij voorkeur ongeveer gelijktijdig, op of in de bodem wordt aangebracht door middel van eender welke toepassingstechniek.
De term "onafhankelijk" betekent dat de betekenis voor elk residu kan worden gekozen onafhankelijk van de betekenis voor een ander lid of de bindingspositie van de genoemde residuen. Zo kunnen bijvoorbeeld Rt en R3 gelijk of verschillend zijn.
De verbindingen volgens de onderhavige uitvinding kunnen worden gecombineerd met een nitrificatieremmer en/of een ureaseremmer.
8 BE2022/5772
Voorts kan de verbinding, met name als de meststof ureum bevat, ook worden gebruikt samen met of in combinatie met een ureaseremmer, die bij voorkeur wordt gekozen uit N-n- butylthiofosfortriamide (NBTPT of NBPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT of
NPPT).
De verbindingen volgens de onderhavige uitvinding kunnen ook worden gecombineerd met een nitrificatieremmer en een ureaseremmer, met name in het geval van meststoffen die ammonium en ureum en een fosforbron bevatten.
Als de verbinding van de onderhavige uitvinding wordt gecombineerd met een nitrificatieremmer, is de gewichtsverhouding tussen de verbinding van de onderhavige uitvinding en de nitrificatieremmer bij voorkeur 0,01 tot 100 : 1, bij voorkeur 0,1 tot 10 : 1.
Als de verbinding volgens de onderhavige uitvinding wordt gecombineerd met een ureaseremmer, ligt de gewichtsverhouding tussen de verbinding van de onderhavige uitvinding en de ureaseremmer bij voorkeur tussen 0,01 en 100 : 1, bij voorkeur tussen 0,1 en 10:1.
Indien de nitrificatieremmer wordt gecombineerd met N-n-butylthiofosfortriamide (NBTPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT), ligt de gewichtsverhouding tussen nitrificatieremmer(s) en ureaseremmer bij voorkeur tussen 0,1 en 10 : 1, bij voorkeur tussen 0,5 en 8: 1, en bij voorkeur tussen 1 en 6 : 1.
Voorts kunnen de verbindingen van de onderhavige uitvinding worden gecombineerd met een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof, met name een meststof die een fosforbron bevat.
Voorts is het mogelijk de verbindingen van de onderhavige uitvinding te combineren met ten minste één gangbaar agrochemisch (hulp)middel.
Daarom definieert de onderhavige uitvinding een mengsel van de verbindingen van algemene formule (I) zoals hierboven gedefinieerd, met -ten minste één meststof, of - ten minste één nitrificatieremmer, bij voorkeur geselecteerd uit de groep bestaande uit 2-(3,4-dimethyl-pyrazol-1-yl)-barnsteenzuur (DMPSA), 3,4-dimethylpyrazool (DMP), 3,4- dimethylpyrazoolfosfaat (DMPP) dicyaandiamide (DCD), 1H-1,2,4-triazool, 3- methylpyrazool (3-MP), 2-chloor-6-(trichloormethyl)-pyridine, 5-ethoxy-3- trichloormethyl-1,2,4-thiadiazol, 2-amino-4-chloor-6-methyl-pyrimidine, 2-mercapto- benzothiazool, 2-sulfanilamidothiazool, thioureum, natriumazide, kaliumazide, 1- hydroxypyrazool, 2-methylpyrazool-1-carboxamide, 4-amino-1,2,4-triazool, 3-mercapto- 1,2,4-triazool, 2,4-diamino-6-trichloormethyl-5-triazine, koolstofbisulfide, ammoniumthiosulfaat, natriumtrithiocarbonaat, 2,3-dihydro-2,2-dimethyl-7-benzofuranol methylcarbamaat en N-(2,6-dimethylfenyl)-N-(methoxyacety!)-alaninemethylester, of - ten minste één ureaseremmer, bij voorkeur geselecteerd uit N-n-butylthiofosfortriamide
9 BE2022/5772 (NBTPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT), of - ten minste één gebruikelijke agrochemische hulpstof, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit waterige en/of organische oplosmiddelen, pH-regelaars, oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, adhesiebevorderaars, draagstoffen, vulstoffen, viscositeitsregelaars, emulgatoren, dispergeermiddelen, sekwestratiemiddelen, antiklontermiddelen coalescentiemiddelen, reologiemodificatoren, antischuimmiddelen, fotobeschermers, antivriesmiddelen, (aanvullende of verdere) biostimulatoren, pesticiden/plantenbeschermingsmiddelen, biociden, (aanvullende of verdere) plantengroeiregulatoren, beschermstoffen, penetratiemiddelen, antiklontermiddelen, minerale en/of plantaardige oliën en/of wassen, kleurstoffen en driftbestrijdingsmiddelen, of mengsels daarvan.
De term "aanvullend of verder" beschrijft biostimulanten en/of plantengroeiregulatoren die verschillen van de verbindingen van algemene formule (I).
De verbindingen van de uitvinding worden bij voorkeur gebruikt in combinatie met een meststof, bij voorkeur een fosforbron of een (ammonium)stikstofhoudende meststof, bijvoorbeeld een vaste of vloeibare anorganische, organische en/of organominerale meststof, of mest. De verbinding wordt bijvoorbeeld gebruikt op vaste meststoffen, of wordt gebruikt in vloeibare organische, anorganische of organominerale meststoffen of mest.
De verbindingen van algemene formule (|) zijn meestal op zichzelf bekend en kunnen volgens standaardtechnieken worden gesynthetiseerd. Zij zijn gedeeltelijk commercieel verkrijgbaar en kunnen worden verkregen bij ENAMINE Ltd, UkrOrgSynthesis Ltd., of Vitas-M Laboratory,
Ltd. of bij Merck Millipore, Burlington, MA, USA, of Merck KGaA.
De verbindingen van de uitvinding zijn plantenadditieven die de honger- of droogtesymptomen in planten kunnen verlichten en de groei kunnen bevorderen van planten die honger- of droogteproblemen hebben.
Zij kunnen de hele plantengroei aanzienlijk verbeteren, vooral in omstandigheden met weinig voedingsstoffen of droogte.
Een voordeel is dat de verbinding volgens de onderhavige uitvinding nuttig is om de behoefte aan meststoffen voor groeiende planten te verminderen.
De term "plant" omvat elke eenzaadlobbige of tweezaadlobbige plant, zoals een plant van de familie Fabaceae of Brassicaceae, in het bijzonder Medicago sativa (Alfalfa).
Bij een andere belichaming wordt de plant onder voedingsstoffenbeperkende omstandigheden geteeld. Onder “omstandigheden met weinig voedingsstoffen" wordt hier verstaan omstandigheden met weinig voedingsstoffen, d.w.z. met een gehalte aan
10 BE2022/5772 voedingsstoffen dat niet optimaal is voor de groei van de specifieke plant.
Het mengsel van deze uitvinding levert een plantaardige additiefsamenstelling bestaande uit: een verbinding van formule (I) zoals hierboven gedefinieerd en een hulpstof voor de formulering, zoals een draagstof, een oplosmiddel of een oppervlakteactieve stof.
Onder “samenstelling van plantenadditieven" wordt verstaan elk soort bodemadditief, bodemverbeteraar, meststof of bodemverbeteraar, die uiteraard kan worden gebruikt om een bodem te wijzigen, maar ook in hydroculturen.
Meer in het bijzonder is deze plantaardige additiefsamenstelling een samenstelling ter bevordering van de plantengroei en/of ter verlichting van voedingsstoffenhonger of droogtesymptomen.
De plantaardige additiefsamenstelling volgens de onderhavige uitvinding is gewoonlijk niet bedoeld voor gebruik als herbicide, in het bijzonder als ontbladeringsmiddel, droogmiddel, onkruidverdelger, kiemremmingsmiddel of onkruidverdelger.
De samenstelling van het plantaardige additief kan een vloeibare of vaste (meestal gegranuleerde of poedervormige) samenstelling zijn, zoals stuifpoeders, gels, bevochtigbare poeders, in water dispergeerbare granulaten, in water dispergeerbare tabletten, bruistabletten, emulgeerbare concentraten, micro-emulgeerbare concentraten, olie-in- water-emulsies, vloeibaar gemaakte olie, waterige dispersies, oliedispersies, suspoemulsies, capsulesuspensies, emulgeerbare granulaten, oplosbare vloeistoffen, in water oplosbare concentraten (met water of een met water mengbaar organisch oplosmiddel als drager), of geïmpregneerde polymeerfilms.
In een bepaalde uitvoering bevat de samenstelling van het plantadditief verder ten minste
Een primaire nutriënt uit de groep stikstof en kalium, en/of ten minste één secundaire nutriënt uit de groep calcium, magnesium, natrium en zwavel, en/of ten minste één micronutriënt uit de groep boor, kobalt, koper, ijzer, mangaan, molybdeen en zink.
Bij voorkeur bevat deze plantaardige additiefsamenstelling een verbinding van formule (|) als hierboven omschreven en ten minste één of de twee primaire voedingsstoffen als hierboven omschreven.
Bij voorkeur bevat deze plantaardige additiefsamenstelling een verbinding van formule (I) als hierboven omschreven en ten minste één of de twee primaire nutriënten en de vier secundaire nutriënten als hierboven omschreven.
Bij voorkeur bevat deze plantaardige additiefsamenstelling een verbinding van formule (I) als hierboven omschreven, stikstof, kalium, calcium, magnesium, natrium, zwavel, boor, kobalt, koper, ijzer, mangaan, molybdeen en zink.
11 BE2022/5772
Een vloeibare samenstelling van een plantaardig additief bevat bij voorkeur een oplosmiddel zoals een polair, in water oplosbaar oplosmiddel, een micel of een oppervlakteactieve stof.
De onderhavige uitvinding biedt een methode ter bevordering van de groei van een plant, bestaande uit het toevoegen aan het groeimedium of de grond waarop die plant wordt geteeld, van een verbinding van formule (|) als hierboven omschreven, of van een samenstelling van plantadditieven die bestaat uit een verbinding van formule (I) als hierboven omschreven en een formuleringshulpstof als hierboven omschreven.
De methode volgens deze uitvinding is niet bedoeld om de groei van een plant te bevorderen door de groei van een andere plant (b.v. een onkruid) te remmen.
Het groeimedium omvat een vloeibaar, halfvast of vast medium dat geschikt is om de groei van een plant te ondersteunen. Het kan bijvoorbeeld een minerale voedingsoplossing zijn of een inert materiaal zoals heydiet, kleikorrels, perliet, vermiculiet of steenwol. Het groeimedium bevat bij voorkeur de voedingsstoffen die nodig zijn om de groei van de plant te ondersteunen.
De onderhavige uitvinding voorziet het gebruik van een verbinding van formule (I) zoals hierboven gedefinieerd voor het bereiden van een plantaardige additiefsamenstelling zoals hierboven gedefinieerd nuttig voor het bevorderen van de groei van een plant.
Een of meer verbindingen van formule (I) kunnen worden gebruikt als plantengroeibevorderaars in de hieronder besproken meststof. Voorts kunnen mengsels van een of meer verbindingen van algemene formule (I) worden gebruikt. Dit blijkt uit de uitdrukking formule (|).
Verwacht wordt dat de plantengroeibevorderaars van de onderhavige uitvinding gunstige toxicologische eigenschappen bezitten, een lage dampdruk hebben en goed in de bodem worden opgenomen. Dientengevolge wordt de plantengroeibevorderaar niet in significante mate door sublimatie in de atmosfeer uitgestoten of gemakkelijk door water uitgeloogd.
Daardoor ontstaan in de eerste plaats economische voordelen, zoals een hoge rentabiliteit gezien de langduriger werking van de plantengroeibevorderaars, en milieuvoordelen, zoals een vermindering van de belasting van de lucht (klimaatgasreductie) en van het oppervlakte- en grondwater.
De plantengroeibevorderaars kunnen worden toegepast op bodems of substraten die worden bemest met een anorganische, organische of organisch-minerale meststof. Gewoonlijk worden zij gebruikt in een meststofmengsel dat een dergelijke meststof en de verbinding van algemene formule (|) bevat. Gewoonlijk wordt de verbinding van algemene formule (I) gebruikt in een hoeveelheid van 10 tot 10000 ppm in gewicht, bij voorkeur 100 tot 10000 ppm in gewicht, op basis van de meststof zonder water. De toepassingshoeveelheid is gebaseerd op de droge meststof.
De plantengroeibevorderaars volgens de onderhavige uitvinding kunnen in substantie, in
12 BE2022/5772 oplossing, dispersie of emulsie worden gebruikt. Daarom heeft de uitvinding ook betrekking op een oplossing, dispersie of emulsie die de verbinding van algemene formule (I) van deze uitvinding bevat, bij voorkeur in een hoeveelheid van 0,1 tot 50 wt%, meer bij voorkeur 0,5 tot 30 wt%, bij voorkeur 1 tot 20 wt%.
Bij voorkeur worden volgens deze uitvinding meststoffen gebruikt voor het vormen van een meststoffenmengsel, dat verbindingen A en B bevat.
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. 10 tot 10000 gewichtsprocent, bij voorkeur 100 tot 10000 gewichtsprocent, op basis van de meststof, van de verbinding van algemene formule (I) zoals hierboven gedefinieerd.
De waterfractie in verbinding A en in het meststoffenmengsel bedraagt vaak niet meer dan 1,5 wt%, bij voorkeur niet meer dan 1,0 wt%, bij voorkeur niet meer dan 0,5 wt%, en bij voorkeur niet meer dan 0,3 wt%. De verbindingen A en B maken bij voorkeur ten minste 95 wt% en bij voorkeur ten minste 98 wt% van het meststoffenmengsel uit.
Het stikstofgehalte van component A (zonder water) bedraagt vaak ten minste 12 wt%, bij voorkeur ten minste 20 wt%, en bij voorkeur ten minste 22 wt%. Het stikstofgehalte kan bijvoorbeeld 25 tot 29 wt% bedragen, in het bijzonder 26 tot 28 wt%. Het stikstofgehalte kan worden verdeeld over snelwerkende nitraatstikstof en langzaam werkende ammoniumstikstof.
De anorganische meststoffen zijn bij voorkeur ammonium- en/of ureumhoudende meststoffen, bij voorkeur ammoniumhoudende meststoffen die bovendien ureum kunnen bevatten.
Ureumhoudende meststoffen zijn verder beschreven in WO 2016/207210.
Meststoffen leveren meestal, in verschillende verhoudingen: -drie belangrijke macronutriënten: -Stikstof (N): bladgroei -Fosfor (P): Ontwikkeling van wortels, bloemen, zaden, vruchten; -Kalium (K): Sterke stengelgroei, beweging van water in planten, bevordering van bloei en vruchtvorming; drie secundaire macronutriënten: calcium (Ca), magnesium (Mg) en zwavel (S); -microvoedingsstoffen : koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo), zink (Zn), boor (B). Van incidenteel belang zijn silicium (Si), kobalt (Co) en vanadium (V).
De meststoffen die volgens de onderhavige uitvinding worden gebruikt, kunnen van natuurlijke of synthetische oorsprong zijn en worden op de bodem of op plantenweefsel aangebracht om een of meer plantenvoedingsstoffen te leveren die essentieel zijn voor de groei van planten. De meststoffen die volgens deze uitvinding worden gebruikt, moeten ten minste stikstof als nutriënt leveren. Andere nutriënten zijn bijvoorbeeld K en P.
Multinutriëntenmeststoffen/complexe meststoffen leveren twee of meer nutriënten.
13 BE2022/5772
Anorganische meststoffen sluiten koolstofhoudende materialen uit, behalve ureum.
Organische meststoffen zijn gewoonlijk van planten of dieren afkomstig.
Ook organominerale meststoffen (een combinatie van anorganische en organische meststoffen) kunnen worden gebruikt.
De belangrijkste enkelvoudige meststof op basis van stikstof is ammoniak of oplossingen daarvan. Ook ammoniumnitraat wordt veel gebruikt. Ureum is een andere populaire stikstofbron, met als voordeel dat het vast en niet-explosief is. Een andere meststof op basis van stikstof is calciumammoniumnitraat.
De belangrijkste enkelvoudige fosfaatmeststoffen zijn de superfosfaten. "Enkelvoudig superfosfaat" (SSP) bestaat voor 14-18% uit P, O, , ook weer in de vorm van Ca(H, PO, ), , maar ook uit fosfogips (CaSO, - 2H, O). Drievoudig superfosfaat (TSP) bestaat doorgaans voor 44-48% uit P, Os en niet uit gips. Een mengsel van enkelvoudig superfosfaat en drievoudig superfosfaat wordt dubbel superfosfaat genoemd. Meer dan 90% van een typische superfosfaatmeststof is oplosbaar in water.
Diammoniumfosfaat (DAP) werd al snel het handelsartikel dat tegenwoordig door de telers het meest wordt gebruikt, en het heeft de hoogste concentratie fosfaat en stikstof bij 18 N- 46P, Os -0K, O
Monoammoniumfosfaat (MAP) is in wezen hetzelfde als DAP, maar heeft een lagere stikstofconcentratie van 11 N - 52 P, O, -0 K, O. Het is volledig oplosbaar in water en heeft een korrelig materiaal; het mengt goed en dient vaak als ingrediënt van meststoffen in bulk.
Gegranuleerd drievoudig superfosfaat (GTSP) lijkt sterk op de superfosfaatmeststof die 46%
P, O5 , wat calcium en zwavel aan planten levert. GTSP wordt gevormd door reactie van fosfaatgesteente met fosforzuur.
Superfosforzuur is een zuur dat wordt gebruikt om een geconcentreerde of vloeibare meststof te maken.
Fosforzuur wordt gebruikt in granulatie-installaties waar ammoniak wordt toegevoegd aan fosforzuur om de geammoniseerde fosfaatmeststof te produceren.
Fosfaatmeststoffen worden verkregen door extractie uit fosfaatgesteente, dat twee belangrijke fosforhoudende mineralen bevat, namelijk fluorapatiet Ca, (PO, ), F (CFA) en hydroxyapatiet Ca, (PO, ), OH. Deze mineralen worden omgezet in wateroplosbare fosfaatzouten door behandeling met zwavelzuur (H, SO, ) of fosforzuur (Hs PO, ).
In het nitrofosfaatproces of Odda-proces wordt fosfaatgesteente met een fostorgehalte tot 20% (P) opgelost met salpeterzuur (HNO; ) om een mengsel van fosforzuur (H, PO, ) en calciumnitraat (Ca(NO, ), ) te verkrijgen. Dit mengsel kan met een kaliummeststof worden
14 BE2022/5772 gecombineerd tot een samengestelde meststof met de drie macronutriënten N, P en K in gemakkelijk oplosbare vorm.
De belangrijkste enkelvoudige meststof op basis van kalium is kaliumchloride (MOP).
Ook binaire (NP, PK) meststoffen kunnen worden gebruikt:
Belangrijke tweecomponentenmeststoffen leveren zowel stikstof als fosfor aan de planten.
Deze worden NP-meststoffen genoemd. De belangrijkste NP-meststoffen zijn monoammoniumfosfaat (MAP) en diammoniumfosfaat (DAP). De werkzame stof in MAP is
NH, H, PO, . De werkzame stof in DAP is (NH, ), HPO, . Ongeveer 85% van de meststoffen
MAP en DAP is oplosbaar in water.
NPK-meststoffen zijn driecomponentenmeststoffen die stikstof, fosfor en kalium leveren.
NPK-meststoffen kunnen worden geproduceerd door de hierboven genoemde enkelvoudige meststoffen in bulk of per korrel te mengen, zoals in Nitrophoska® . In sommige gevallen kunnen chemische reacties optreden tussen de twee of meer componenten.
NPK-meststoffen zijn ten minste uit drie componenten bestaande meststoffen die stikstof, fosfor en kalium leveren. NPK-meststoffen kunnen worden geproduceerd door de hierboven genoemde enkelvoudige meststoffen in bulk of in elke korrel te mengen, zoals in Nitrophoska® . In sommige gevallen kunnen chemische reacties optreden tussen de twee of meer componenten.
Zo worden monoammonium- en diammoniumfosfaten, die planten zowel van N als van P voorzien, geproduceerd door neutralisatie van fosforzuur (uit fosfaatgesteente) en ammoniak:
NH; + Hs PO, — (NH, )H, PO, 2 NH; + Hs PO, — (NH, ), HPO,
Naast de hoofdbestanddelen, zoals N, P en K, kunnen micronutriënten (sporenelementen) in de meststoffen aanwezig zijn. De belangrijkste micronutriënten zijn molybdeen, zink, boor en koper. Deze elementen worden doorgaans als in water oplosbare zouten geleverd.
Voorkeursmeststoffen bevatten ammonium of ureum. Voorbeelden van ammoniumhoudende meststoffen van voorkeur zijn NPK-meststoffen, calciumammoniumnitraat, ammoniumsulfaatnitraat, ammoniumsulfaat en ammoniumfosfaat.
Andere preferente ingrediënten van de meststofsamenstellingen zijn bijvoorbeeld sporenelementen, andere mineralen, normalisatoren en bindmiddelen.
Organische meststoffen zijn meststoffen van organische of biologische oorsprong, d.w.z. meststoffen die afkomstig zijn van levende of vroeger levende materialen, zoals dieren, planten of algen. Meststoffen van organische oorsprong omvatten dierlijk afval, plantaardig afval, bijvoorbeeld van de voedselverwerking of de landbouw, compost en behandeld zuiveringsslib (biosolids). Dierlijke bronnen kunnen mest zijn, maar ook producten van het
15 BE2022/5772 slachten van dieren, zoals bloedmeel, beendermeel, verenmeel, huiden, hoeven en hoorns.
Bodemverbeteraars zoals turf of kokos, schors en zaagsel kunnen ook worden gebruikt.
Meststoffen kunnen zonder beperking ammoniumsulfaat, ammoniumnitraat, ammoniumsulfaatnitraat, ammoniumchloride, ammoniumbisulfaat, ammoniumpolysulfide, ammoniumthiosulfaat, waterige ammoniak, ammoniumpolyfosfaat, aluminiumsulfaat, calciumnitraat, calciumammoniumnitraat, calciumsulfaat gebrand magnesiet, calcitische kalksteen, calciumoxide, hampene (ijzerchelaat), dolomitische kalksteen, hydraatkalk, calciumcarbonaat, diammoniumfosfaat, monoammoniumfosfaat, kaliumnitraat, kaliumbicarbonaat, monokaliumfosfaat, magnesiumnitraat, magnesiumsulfaat, kaliumsulfaat, kaliumchloride, natriumnitraten, magnesiakalksteen, magnesia, dinatriumdihydromolybdaat, kobaltchloridehexahydraat, nikkelchloridehexahydraat, indolboterzuur, L-tryptofaan, ureum, ureumformaldehyden, ureumammoniumnitraat, zwavelhoudend ureum, polymeerhoudend ureum, isobutylideendiureum, K, SO, -2MgS0,, kainiet, sylviniet, kieseriet, Epsomzouten, elementaire zwavel, mergel, gemalen oesterschelpen, vismeel, oliekoeken, vismest, bloedmeel, rotsfosfaat, superfosfaten, slakken, beendermeel, houtas, biochar, algen, algenextract, struviet, mest, vleermuisguano, veenmos, compost, groen zand, katoenzaadmeel, verenmeel, krabmeel, visemulsie of een combinatie daarvan. De meststof met micronutriënten kan bestaan uit boorzuur, boraat, boortfrit, kopersulfaat, koperfrit, koperchelaat, natriumtetraboraat-decahydraat, ijzersulfaat, ijzeroxide, ijzerammoniumsulfaat, ijzerfrit, ijzerchelaat mangaansulfaat, mangaanoxide, mangaanchelaat, mangaanchloride, mangaanfrit, natriummolybdaat, molybdizuur, zinksulfaat, zinkoxide, zinkcarbonaat, zinkfrit, zinkfosfaat, zinkchelaat of een combinatie daarvan. In een bijzondere uitvoeringsvorm bevat deze meststof of meststofsamenstelling geen onoplosbaar selenium, seleniummineraal, oplosbaar selenium of zouten daarvan.
De behandelde (anorganische, organische of organisch-minerale) meststoffen volgens de uitvinding zijn bij voorkeur aanwezig in poedervorm, prilvorm of in korrelvorm.
Naast de verbinding van de algemene formule (I) kunnen formuleringen die bestaan uit de verbinding en agronomische hulpstoffen worden gebruikt om de plantengroeibevorderaars in de meststof op te nemen. Agronomische hulpstoffen zijn bijvoorbeeld oplosmiddelen, dispergeermiddelen, pH-regelaars, vulstoffen, stabiliteitsverbeteraars en oppervlakteactieve stoffen.
De plantengroeibevorderaars kunnen in het meststoffenmengsel worden opgenomen door ze of de formulering die ze bevat te mengen met een vaste of vloeibare meststof of meststofformulering. Bij voorkeur is het meststoffenmengsel in vaste vorm en wordt de plantengroeipromotor op het oppervlak van de (anorganische, organische of organominale) meststof aangebracht.
In een proces voor de vervaardiging van het meststoffenmengsel van de onderhavige uitvinding kunnen de plantengroeibevorderaars of de formulering die ze bevat, in de (anorganische, organische of organisch-minerale) meststof worden ingebracht en/of op het
16 BE2022/5772 oppervlak van de meststof worden aangebracht.
Mestkorrels worden geïmpregneerd of gecoat met de plantengroeibevorderaars, bijvoorbeeld door ze te besproeien met een formulering zoals een oplossing of een dispersie van de plantengroeibevorderaars en vervolgens te drogen. De methode is bijvoorbeeld bekend uit
DE-A-41 28 828. Het verzegelen van de geïmpregneerde korrels met bijvoorbeeld een paraffinewas, wat in laatstgenoemd document een extra voorstel is, is mogelijk, maar over het algemeen niet nodig.
Granuleerhulpmiddelen die kunnen worden gebruikt voor de bereiding van vaste meststofsamenstellingen kunnen kalk, gips, siliciumdioxide of kaoliniet zijn.
Een alternatief is de toevoeging van de nitrificatieremmer tijdens de eigenlijke productie van de meststof of bijvoorbeeld in de drijfmest.
In de regel worden de groeibevorderaars op de bodem gebracht in hoeveelheden die doeltreffend zijn voor de gewenste werking.
Afgifte van de plantengroeibevorderaars in vloeibare meststofformules kan bijvoorbeeld geschieden door fertigatie met of zonder wateroverschot zoals beschreven in DE-C-102 30 593.
Het meststofmengsel kan ten minste één nitrificatieremmer bevatten. Deze ten minste één verdere nitrificatieremmer remt bij voorkeur ammoniakoxiderende bacteriën (AOB) en wordt bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit 2-(3,4-dimethyl-pyrazol-1-yl)-barnsteenzuur, 3,4-dimethylpyrazool (DMP), 3,4-dimethylpyrazoolfosfaat (DMPP), dicyaandiamide (DCD), 1H-1,2,4-triazool, 3-methylpyrazool (3-MP), 2-chloor-6-(trichloormethyl)-pyridine, 5-ethoxy- 3-trichloormethyl-1,2,4-thiadiazol, 2-amino-4-chloor-6-methyl-pyrimidine, 2-mercapto- benzothiazool, 2-sulfanilamidothiazool, thioureum, natriumazide, kaliumazide, 1- hydroxypyrazool, 2-methylpyrazool-1-carboxamide, 4-amino-1,2,4-triazool, 3-mercapto- 1,2,4-triazool, 2.,4-diamino-6-trichloormethyl-5-triazine, koolstofbisulfide, ammoniumthiosulfaat, natriumtriocarbonaat, 2,3-dihydro-2,2-dimethyl-7-benzofuranol- methylcarbamaat en N-(2,6-dimethylfenyl)-N-(methoxyacetyl)-alanine-methylester. Ook nitrificatieremmers die ammoniakoxiderende archaea (AOA) remmen kunnen samen met de verbinding van algemene formule (|) worden gebruikt.
Wanneer de nitrificatieremmer wordt gebruikt, is de gewichtsverhouding tussen de verbinding van algemene formule (|) en de nitrificatieremmer bij voorkeur 0,01 tot 100 : 1, meer bij voorkeur 0,1 tot 10 : 1.
Voorts kan het meststoffenmengsel ten minste één ureaseremmer bevatten, die bij voorkeur wordt gekozen uit N-n-butylthiofosfortriamide (NBTPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT). Een ureaseremmer wordt gewoonlijk toegevoegd wanneer de meststof ureum bevat. Ureumstikstof komt door de werking van urease vrij als ammonium, en het ammonium kan nitrificatie ondergaan. Daarom kan het voordelig zijn een ureaseremmer te combineren met de nitrificatieremmer.
17 BE2022/5772
Indien de verbinding van algemene formule (I) van de onderhavige uitvinding wordt gecombineerd met N-n-butylthiofosfortriamide (NBTPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPTPT), is de gewichtsverhouding tussen plantengroeibevorderaar(s) en ureaseremmer bij voorkeur 0,01 tot 100 : 1, meer bij voorkeur 0,1 tot 10 : 1.
Het is bekend dat thiofosfortriamiden relatief gemakkelijk worden omgezet in de overeenkomstige fosfortriamiden en thiofosfortdiamiden, alsmede in andere metabolieten.
Aangezien vocht in het algemeen niet volledig kan worden uitgesloten, zijn thiofosfortriamide en de overeenkomstige fosfortriamide vaak in een mengsel met elkaar aanwezig. In deze specificatie duidt de term "(thio)fosforhoudende triamide" derhalve niet alleen de zuivere thiofosforhoudende triamiden en fosforhoudende triamiden aan, maar ook mengsels daarvan.
Volgens deze uitvinding kunnen ook mengsels van N-(n-butyl)thiofosfortriamide en N-(n- )propylthiofosfortriamide worden gebruikt, zoals beschreven in EP-A-1 820 788.
De meststofmengsels kunnen andere ingrediënten bevatten, zoals coatings, bijvoorbeeld van anorganische of organische polyzuren, die worden beschreven in US 6.139.596.
Verder kunnen coatings van poeders, prills en granules worden gevormd van anorganisch materiaal, zoals coatings op basis van zwavel of mineralen, of met een organisch polymeer.
De respectieve coatings worden beschreven in WO 2013/121384 op bladzijde 23, regel 37 tot bladzijde 24, regel 16.
Zoals gezegd worden de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) bevatten, gebruikt in "effectieve hoeveelheden". Dit betekent dat zij worden gebruikt in een hoeveelheid waarmee het gewenste effect kan worden bereikt, namelijk een (synergetische) verbetering van de gezondheid of de groei van een plant, maar die geen fytotoxische symptomen op de behandelde plant veroorzaakt.
Voor gebruik volgens de onderhavige uitvinding kunnen de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten, worden omgezet in de gebruikelijke formuleringen, bijvoorbeeld oplossingen, emulsies, suspensies, stof, poeders, pasta's en korrels. De gebruiksvorm hangt af van het specifieke beoogde doel; in elk geval moet hij zorgen voor een fijne en gelijkmatige verdeling van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) van deze uitvinding bevatten. De formuleringen worden op een voor de vakman bekende wijze bereid.
De agrochemische formuleringen kunnen ook hulpstoffen bevatten die gebruikelijk zijn in agrochemische formuleringen. De gebruikte hulpstoffen zijn afhankelijk van de specifieke toepassingsvorm en de werkzame stof. Voorbeelden van geschikte hulpstoffen zijn oplosmiddelen, vaste dragers, dispergeermiddelen of emulgatoren (zoals verdere oplosbaarheidsbevorderaars, beschermende colloïden, oppervlakteactieve stoffen en adhesiemiddelen), organische en anorganische verdikkingsmiddelen, bactericiden, antivriesmiddelen, antischuimmiddelen, eventueel kleurstoffen en tackifiers of bindmiddelen
18 BE2022/5772 (bijvoorbeeld voor formuleringen voor zaadbehandeling).
Geschikte oplosmiddelen zijn water, organische oplosmiddelen zoals minerale oliefracties met een gemiddeld tot hoog kookpunt, zoals kerosine of dieselolie, verder koolteeroliën en oliën van plantaardige of dierlijke oorsprong, alifatische, cyclische en aromatische koolwaterstoffen, bijv. tolueen, xyleen, paraffine, tetrahydronaftaleen, gealkyleerde naftalenen of derivaten daarvan, alcoholen zoals methanol, ethanol, propanol, butanol en cyclohexanol, glycolen, ketonen zoals cyclohexanon en gamma-butyrolacton, dimethylamiden van vetzuren, vetzuren en vetzuuresters en sterk polaire oplosmiddelen, bijvoorbeeld aminen zoals N-methylpyrrolidon.
Vaste dragers zijn minerale aarden zoals silicaten, silicagels, talk, kaolien, kalk, krijt, steenkool, löss, klei, dolomiet, diatomeeënaarde, calciumsulfaat, magnesiumsulfaat, magnesiumoxide, gemalen kunststoffen, meststoffen zoals bijvammoniumsulfaat, ammoniumfosfaat, ammoniumnitraat, ureum, en producten van plantaardige oorsprong, zoals graanmeel, boomschorsmeel, houtmeel en notendopmeel, cellulosepoeders en andere vaste dragers.
Geschikte oppervlakteactieve stoffen (hulpstoffen, bevochtigers, tackifiers, dispergeermiddelen of emulgatoren) zijn alkalimetaal-, aardalkalimetaal- en ammoniumzouten van aromatische sulfonzuren, zoals ligninesulfonzuur, fenolsulfonzuur, naftaleensulfonzuur, dibutylnaftaleensulfonzuur en vetzuren, alkylsulfonaten, alkyl- arylsulfonaten, alkylsulfaten, laurylether-sulfaten, vetalcoholsulfaten, en gesulfateerde hexa- ‚ hepta- en octadecanolaten, gesulfateerde vetalcoholglycolethers, voorts condensaten van naftaleen of van naftaleensulfonzuur met fenol en formaldehyde, polyoxy-ethyleen- octylfenylether, geëthoxyleerd isooctylfenol, octylfenol, nonylfenol, alkylfenylpolyglycolethers, tributylfenylpolyglycolethers, tristearylfenylpolyglycolethers, alkylarylpolyetheralcoholen, alcohol- en vetalcohol/ethyleenoxidecondensaten, geëthoxyleerde ricinusolie, polyoxyethyleenalkylethers, geëthoxyleerd polyoxypropyleen, laurylalcoholpolyglycoletheracetaal, sorbitolesters, ligninesulfietafvalvloeistof en -eiwitten, gedenatureerde eiwitten, polysachariden (bijv.bijvoorbeeld methylcellulose), hydrofoob gemodificeerd zetmeel, polyvinylalcoholen, polycarboxylaten, polyalkoxylaten, polyvinylamines, polyvinylpyrrolidon en de copolymeren daarvan. Voorbeelden van verdikkingsmiddelen (d.w.z. verbindingen die een gewijzigde vloeibaarheid aan formuleringen verlenen, d.w.z. een hoge viscositeit in statische omstandigheden en een lage viscositeit bij agitatie) zijn polysacchariden en organische en anorganische klei zoals Xanthaangom.
Een biostimulant is elke stof of elk micro-organisme, in de vorm waarin het wordt toegepast op planten, zaden of het wortelmilieu, met de bedoeling natuurlijke processen van planten te stimuleren die de efficiëntie van het nutriëntengebruik en/of de tolerantie voor abiotische stress ten goede komen, ongeacht het nutriëntengehalte, of elke combinatie van dergelijke stoffen en/of micro-organismen die voor dit gebruik bestemd is.
Een biostimulant voor planten is elk micro-organisme of elke stof op basis van natuurlijke hulpbronnen, in de vorm waarin het wordt toegepast op planten, zaden of de bodem en elk
19 BE2022/5772 ander substraat met de bedoeling de natuurlijke processen van planten te stimuleren om hun efficiëntie bij het gebruik van voedingsstoffen en/of hun stressbestendigheid te verbeteren, ongeacht het gehalte aan voedingsstoffen, of elke combinatie van dergelijke stoffen en/of micro-organismen die voor dit gebruik bestemd is.
Een "bestrijdingsmiddel" is iets dat een schadelijk organisme ("plaag") of een ziekte voorkomt, vernietigt of bestrijdt, of planten of plantaardige producten tijdens de productie, de opslag en het vervoer beschermt.
De term omvat onder meer: herbiciden, fungiciden, insecticiden, acariciden, nematiciden, molluskiciden, rodenticiden, groeiregulatoren, afweermiddelen, rodenticiden en biociden, alsmede gewasbeschermingsmiddelen.
Gewasbeschermingsmiddelen (GBP's) zijn "bestrijdingsmiddelen" die gewassen of gewenste of beoogde planten beschermen. Zij worden hoofdzakelijk gebruikt in de landbouwsector, maar ook in de bosbouw, de tuinbouw, in recreatiegebieden en in tuinen voor eigen gebruik.
Zij bevatten ten minste één werkzame stof en hebben een van de volgende functies: -planten of plantaardige producten beschermen tegen plagen/ziekten, voor of na de oogst; -beïnvloeden de levensprocessen van planten (zoals stoffen die hun groei beïnvloeden, met uitzondering van voedingsstoffen); -behoud van plantaardige producten; -de groei van ongewenste planten of plantendelen vernietigen of voorkomen.
Zij kunnen ook andere bestanddelen bevatten, waaronder beschermstoffen en synergisten.
Een werkzame stof is elke chemische stof, plantenextract, feromoon of micro-organisme (met inbegrip van virussen) dat werkzaam is tegen "plagen" of op planten, delen van planten of plantaardige producten.
Het meest gebruikelijke gebruik van pesticiden is in de vorm van gewasbeschermingsmiddelen (GBP's).
De term "bestrijdingsmiddel" wordt vaak door elkaar gebruikt met "gewasbeschermingsmiddel", maar bestrijdingsmiddel is een ruimere term die ook toepassingen omvat die niet met planten/gewassen te maken hebben, bijvoorbeeld biociden.
Er kunnen biociden worden toegevoegd, zoals herbiciden, bactericiden, molluskiciden, algiciden, fytotoxische middelen, fungiciden en mengsels daarvan.
Ter conservering en stabilisering van de formulering kunnen bactericiden worden toegevoegd.
Voorbeelden van geschikte bactericiden zijn die op basis van dichlorofeen en benzylalcohol hemi formal (Proxel® van ICI of Acticide® RS van Thor Chemie en Kathon® MK van Rohm &
Haas) en isothiazolinone derivaten zoals alkylisothiazolinonen en benzisothiazolinonen (Acticide® M BS van Thor Chemie). Voorbeelden van geschikte antivriesmiddelen zijn
20 BE2022/5772 ethyleenglycol, propyleenglycol, ureum en glycerine. Voorbeelden voor antischuimmiddelen zijn siliconenemulsies (zoals bijvoorbeeld Silikon” SRE, Wacker, Duitsland of Rhodorsil° ,
Rhodia, Frankrijk), alcoholen met lange keten, vetzuren, zouten van vetzuren, fluororganische verbindingen en agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) daarvan bevatten.
Geschikte kleurstoffen zijn pigmenten met een lage oplosbaarheid in water en in oplosmiddelen oplosbare, bijvoorbeeld in water oplosbare, kleurstoffen.
Voorbeelden van adhesiebevorderende stoffen, zoals tackifiers of bindmiddelen, zijn polyvinylpyrrolidonen, polyvinylacetaten, polyvinylalcoholen en cellulose-ethers (Tylose’ ,
Shin-Etsu, Japan).
Korrels, bijvoorbeeld gecoate korrels, geïmpregneerde korrels en homogene korrels, kunnen worden bereid door de werkzame stoffen aan vaste dragers te binden. Voorbeelden van vaste dragers zijn minerale aarden zoals kiezelaarde, silicaten, talk, kaolien, attaclay, kalk, krijt, bole, löss, klei, dolomiet, diatomeeënaarde, calciumsulfaat, magnesiumsulfaat, magnesiumoxide, gemalen kunststoffen, meststoffen, zoals bijv, ammoniumsulfaat, ammoniumfosfaat, ammoniumnitraat, ureum, en producten van plantaardige oorsprong, zoals graanmeel, boomschorsmeel, houtmeel en notendopmeel, cellulosepoeders en andere vaste dragers.
Er kunnen antiklontermiddelen zoals oliën en/of wassen worden toegevoegd.
De agrochemische formuleringen bevatten in het algemeen tussen 0,01 en 95%, bij voorkeur tussen 0,1 en 90%, bij voorkeur tussen 0,5 en 90%, in gewicht aan werkzame stoffen. De verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten worden gebruikt in een zuiverheid van 90% tot 100%, bij voorkeur van 95% tot 100% (volgens hun NMR-spectrum).
De verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) bevatten, kunnen als zodanig of in de vorm van hun landbouwsamenstellingen worden gebruikt, bijvoorbeeld in de vorm van rechtstreeks verstuifbare oplossingen, poeders, suspensies, dispersies, emulsies, oliedispersies, pasta's, stuifbare producten, strooimiddelen of korrels, door middel van verstuiven, vernevelen, bestuiven, verspreiden, borstelen, onderdompelen of gieten. De toepassingsvormen hangen volledig af van de beoogde doeleinden; het is de bedoeling in elk geval de best mogelijke verdeling te verzekeren van de verbindingen die aanwezig zijn in de agrochemische formules die de verbindingen van formule (|) bevatten.
Waterige toepassingsvormen kunnen worden bereid uit emulsieconcentraten, pasta's of bevochtigbare poeders (verspuitbare poeders, oliedispersies) door toevoeging van water. Om emulsies, pasta's of oliedispersies te bereiden kunnen de stoffen, als zodanig of opgelost in een olie of oplosmiddel, in water worden gehomogeniseerd met behulp van een bevochtiger, tackifier, dispergeermiddel of emulgator. Een andere mogelijkheid is de bereiding van
21 BE2022/5772 concentraten bestaande uit een werkzame stof, een bevochtiger, tackifier, dispergeermiddel of emulgator en eventueel een oplosmiddel of olie, en dergelijke concentraten zijn geschikt voor verdunning met water.
De concentraties van de werkzame stoffen in de gebruiksklare preparaten kunnen binnen betrekkelijk ruime marges worden gevarieerd. In het algemeen bedragen zij 0,0001 tot 10%, bij voorkeur 0,001 tot 1% van het gewicht van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten.
De agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) bevatten, kunnen ook met succes worden gebruikt in het ultra-low-volume proces (ULV), waarbij het mogelijk is samenstellingen toe te passen die meer dan 95 gewichtspercenten werkzame stof bevatten, of zelfs de werkzame stof zonder toevoegingen toe te passen.
Verschillende soorten oliën, bevochtigers, hulpstoffen, herbiciden, fungiciden, andere pesticiden of bactericiden kunnen aan de werkzame stoffen worden toegevoegd, eventueel pas vlak voor gebruik (tankmengsel). Deze middelen kunnen worden gemengd met de verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten in een gewichtsverhouding van 1:100 tot 100:1, bij voorkeur 1:10 tot 10:1.
Samenstellingen van deze uitvinding kunnen ook meststoffen (zoals ammoniumnitraat, ureum, kaliumcarbonaat en superfosfaat), fytotoxische stoffen en plantengroeiregulatoren (plantengroeimixen) en beschermstoffen bevatten. Deze kunnen achtereenvolgens of in combinatie met de hierboven beschreven samenstellingen worden gebruikt, eventueel ook pas vlak voor gebruik toegevoegd (tankmix). De plant(en) kan (kunnen) bijvoorbeeld worden besproeid met een samenstelling van deze uitvinding vóór of na de behandeling met de meststoffen.
In de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten, hangt de gewichtsverhouding van de verbindingen in het algemeen af van de eigenschappen van de verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) bevatten.
De verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (I) bevatten, kunnen afzonderlijk of reeds geheel of gedeeltelijk met elkaar gemengd worden gebruikt om de samenstelling volgens de uitvinding te bereiden. Zij kunnen ook worden verpakt en verder worden gebruikt als combinatiesamenstelling zoals een kit van delen.
De gebruiker brengt de samenstelling volgens de uitvinding gewoonlijk aan vanuit een voordoseringsapparaat, een rugspuit, een spuittank of een sproeivlak. Hierbij wordt de agrochemische samenstelling aangevuld met water en/of buffer tot de gewenste toepassingsconcentratie, waarbij eventueel nog andere hulpstoffen kunnen worden toegevoegd, en zo wordt de gebruiksklare spuitvloeistof of de agrochemische samenstelling volgens de uitvinding verkregen. Gewoonlijk wordt 50 tot 500 liter van de gebruiksklare _ spuitvloeistof per hectare nuttig landbouwgebied toegepast, bij voorkeur 50 tot 400 liter.
22 BE2022/5772
In een bepaalde belichaming wordt de absolute hoeveelheid van de werkzame stoffen, vertegenwoordigd door formule (I), gebruikt in een bereik tussen 1 mg/liter en 100 mg/liter, in het bijzonder in een bereik tussen 1 mg/l en 20 mg/l, in het bijzonder in een bereik tussen 1mg/len 25 mg/l, in het bijzonder in een bereik tussen 2 mg/l en 200 mg/l, in het bijzonder tussen 2 mg/l en 100 mg/l, in het bijzonder tussen 2 mg/l en 50 mg/l, in het bijzonder tussen 2 mg/l en 25 mg/l, in het bijzonder tussen 4 mg/l en 40 mg/l, in het bijzonder tussen 4 mg/l en 20 mg/l, in het bijzonder tussen 4 mg/l en 16 mg/l, in het bijzonder tussen 4 mg/l en 12 mg/l.
Volgens één belichaming kunnen de afzonderlijke verbindingen van de agrochemische formuleringen die de verbindingen van formule (|) bevatten, als samenstelling (of formulering) zoals delen van een kit of delen van het inventieve mengsel door de gebruiker zelf in een spuittank worden gemengd en kunnen eventueel verdere hulpstoffen worden toegevoegd (tankmix). "Agrochemische stof", zoals hier gebruikt, betekent elke werkzame stof die kan worden gebruikt in de agrochemische industrie (met inbegrip van landbouw, tuinbouw, bloementeelt en gebruik in huis en tuin, maar ook producten die bedoeld zijn voor gebruik dat niet met gewassen te maken heeft, zoals gebruik voor de volksgezondheid/pestbestrijding, gebruik ter bestrijding van ongewenste insecten en knaagdieren, huishoudelijk gebruik, zoals huishoudelijke fungiciden en insecticiden en middelen, ter bescherming van planten of delen van planten, gewassen, bollen, knollen, vruchten (bv.bv. tegen schadelijke organismen, ziekten of plagen); om de groei van planten te beheersen, bij voorkeur te bevorderen of te vergroten; en/of ter bevordering van de opbrengst van planten, gewassen of de geoogste plantendelen (bv. de vruchten, bloemen, zaden enz.).
Een "agrochemische samenstelling”, zoals hierin gebruikt, is een samenstelling voor agrochemisch gebruik, zoals hierin gedefinieerd, die ten minste één werkzame stof van een verbinding van formule (I) bevat, optioneel met één of meer additieven die een optimale dispersie, verstuiving, depositie, bevochtiging van het blad, distributie, retentie en/of opname van agrochemische stoffen bevorderen. Dergelijke additieven zijn bijvoorbeeld verdunningsmiddelen, oplosmiddelen, hulpstoffen, oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, oliën, plakkers, viscositeitsregelaars (zoals verdikkingsmiddelen, penetranten), pH-regelaars (zoals buffermiddelen, aanzuringsmiddelen), antiklontermiddelen, antivriesmiddelen, fotobeschermers, antischuimmiddelen, biociden en/of driftbestrijdingsmiddelen.
Een "drager", zoals hier gebruikt, betekent elke vaste, halfvaste of vloeibare drager waarin of waarop een werkzame stof op geschikte wijze kan worden opgenomen, ingesloten, geïmmobiliseerd, geadsorbeerd, geabsorbeerd, gebonden, ingekapseld, ingebed, gehecht of samengesteld. Niet-limiterende voorbeelden van dergelijke dragers zijn nanocapsules, microcapsules, nanosferen, microsferen, nanodeeltjes, microdeeltjes, liposomen, blaasjes, bolletjes, een gel, zwakke ionische harsdeeltjes, liposomen, transportmiddelen voor cochleaten, kleine korrels, granulaten, nanobuisjes, bucky-balls, waterdruppels die deel
23 BE2022/5772 uitmaken van een water-in-olie-emulsie, oliedruppels die deel uitmaken van een olie-in- water-emulsie, organische materialen zoals kurk, hout of andere van planten afkomstige materialen (bv.bijvoorbeeld in de vorm van zaadhulzen, houtsnippers, pulp, bolletjes, kralen, vellen of elke andere geschikte vorm), papier of karton, anorganische materialen zoals talk, klei, microkristallijne cellulose, silica, aluminiumoxide, silicaten en zeolieten, of zelfs microbiële cellen (zoals gistcellen) of geschikte fracties of fragmenten daarvan.
De termen "effectieve hoeveelheid", "effectieve dosis" en "effectieve hoeveelheid", zoals hierin gebruikt, betekenen de hoeveelheid die nodig is om het gewenste resultaat of de gewenste resultaten te bereiken. Meer voorbeeldige informatie over hoeveelheden, toepassingswijzen en geschikte verhoudingen wordt hieronder gegeven. De vakman is zich terdege bewust van het feit dat een dergelijke hoeveelheid binnen een breed bereik kan variëren en afhankelijk is van verschillende factoren zoals de behandelde cultuurplant en de klimaat- en bodemomstandigheden.
In dit document worden de termen "bepalen", "meten", “beoordelen”, "controleren" en "bepalen" door elkaar gebruikt; zij omvatten zowel kwantitatieve als kwalitatieve bepalingen.
Het is duidelijk dat de agrochemische samenstelling stabiel is, zowel tijdens opslag als tijdens gebruik, wat betekent dat de integriteit van de agrochemische samenstelling behouden blijft onder opslag- en/of gebruiksomstandigheden van de agrochemische samenstelling, waaronder verhoogde temperaturen, vries-dooicycli, veranderingen in pH of in ionensterkte,
UV-straling, aanwezigheid van schadelijke chemicaliën en dergelijke. Bij voorkeur blijven de hierin beschreven verbindingen van formule (|), (I) stabiel in de agrochemische samenstelling, hetgeen betekent dat de integriteit en de activiteit van de verbindingen behouden blijven onder opslag- en/of gebruiksomstandigheden van de agrochemische samenstelling, waaronder verhoogde temperaturen, vries-dooicycli, veranderingen in pH of in jonensterkte, UV-straling, aanwezigheid van schadelijke chemicaliën en dergelijke. Bij voorkeur blijven genoemde verbindingen van formule (I), (I) stabiel in de agrochemische samenstelling wanneer de agrochemische samenstelling gedurende twee jaar bij omgevingstemperatuur wordt opgeslagen of wanneer de agrochemische samenstelling gedurende twee weken bij 54° C wordt opgeslagen. Bij voorkeur behoudt de agrochemische samenstelling van deze uitvinding ten minste ongeveer 70% activiteit, bij voorkeur ten minste 70% tot 80% activiteit, bij voorkeur 80% tot 90% activiteit of meer. Voorbeelden van geschikte draagstoffen zijn onder meer alginaten, gommen, zetmeel, -cyclodextrinen, celluloses, polyurea, polyurethaan, polyester of klei.
De agrochemische samenstelling kan voorkomen in elke soort formulering; voorkeursformuleringen zijn poeders, bevochtigbare poeders, bevochtigbare granulaten, in water dispergeerbare granulaten, emulsies, emulgeerbare concentraten, stof, suspensies, suspensieconcentraten, suspoemulsies, capsulesuspensies, waterige dispersies, oliedispersies, spuitbussen, pasta's, schuimen, slurries of stroombare concentraten.
In nog een andere vorm voorziet de uitvinding in het gebruik van de agrochemische samenstellingen van de uitvinding voor het verhogen van de abiotische stresstolerantie in
24 BE2022/5772 planten.
De agrochemische samenstelling volgens de uitvinding kan eenmaal op een gewas worden aangebracht, of het kan twee of meer keren na elkaar worden aangebracht met een interval tussen elke twee toepassingen. De agrochemische samenstelling volgens de uitvinding kan alleen of gemengd met andere materialen, bij voorkeur andere agrochemische samenstellingen, op het gewas worden toegepast; als alternatief kan de agrochemische samenstelling volgens de uitvinding afzonderlijk op het gewas worden toegepast met andere materialen, bij voorkeur andere agrochemische samenstellingen, die op verschillende tijdstippen op hetzelfde gewas worden toegepast.
In nog een andere belichaming voorziet de uitvinding in een methode voor de vervaardiging van ("of de productie van" is een gelijkwaardige formulering) een agrochemische samenstelling volgens de uitvinding, bestaande uit de formulering van een molecuul van formule (|) zoals hiervoor gedefinieerd, samen met ten minste één gebruikelijke agrochemische hulpstof. Geschikte productiemethoden zijn bekend in de kunst en omvatten, maar zijn niet beperkt tot, mengen met hoge of lage schuifkracht, nat of droog malen, druppelgieten, inkapselen, emulgeren, coaten, korstelen, pilling, extrusiegranulatie, wervelbedgranulatie, co-extrusie, sproeidrogen, sproeikoelen, verneveling, additie- of condensatiepolymerisatie, interfaciale polymerisatie, in situ polymerisatie, coacervation, spray encapsulation, koeling van gesmolten dispersies, oplosmiddelverdamping, fasescheiding, oplosmiddelextractie, sol-gelpolymerisatie, wervelbedcoating, pancoating, smelten, passieve of actieve absorptie of adsorptie.
De gebruikelijke agrochemische hulpstoffen zijn algemeen bekend in de kunst en omvatten bij voorkeur, maar zijn niet beperkt tot, waterige en/of organische oplosmiddelen, pH- regelaars (zoals buffermiddelen, aanzuringsmiddelen), oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, adhesiebevorderaars (zoals tackifiers, kleefstoffen), draagstoffen, vulstoffen, viscositeitsregelaars (zoals verdikkingsmiddelen), emulgatoren, dispergeermiddelen, sekwestratiemiddelen, antiklontermiddelen, coalescentiemiddelen, reologiemodificatoren, antischuimmiddelen, fotobeschermers, antivriesmiddelen, aanvullende of verdere biostimulanten (waaronder bacteriële en/of schimmelinoculanten of micro-organismen naast niet-microbiële materialen), biociden (bij voorkeur geselecteerd uit herbiciden, bactericiden, fytotoxische middelen, fungiciden, pesticiden/plantenbeschermingsmiddelen en mengsels daarvan), aanvullende of verdere plantengroeiregulatoren, beschermstoffen, penetratiemiddelen, antiklontermiddelen, minerale en/of plantaardige oliën en/of wassen, kleurstoffen en driftbestrijdingsmiddelen of een geschikte combinatie daarvan.
Als de verbindingen in formule (I) worden beschouwd als biostimulatoren en/of plantengroeiregulatoren, kan de aanvullende hulpstof verwijzen naar aanvullende of verdere biostimulatoren en/of plantengroeiregulatoren die verschillen van de verbindingen in formule (1).
Het insecticide kan bestaan uit een organofosfaat, een carbamaat, een pyrethroïde, een
25 BE2022/5772 acaricide, een alkylftalaat, boorzuur, een boraat, een fluoride, zwavel, een haloaromatisch gesubstitueerd ureum, een koolwaterstofester, een insecticide op biologische basis of een combinatie daarvan. Het herbicide, gebruikt om ongewenste planten te verwijderen, kan bestaan uit een chloorfenoxyverbinding, een nitrofenolverbinding, een nitrocresolverbinding, een dipyridylverbinding, een acetamide, een alifatische acide, een anilide, een benzamide, een benzoëzuur, een benzoëzuurderivaat, een anijszuur, een anijszuurderivaat, een benzonitril, benzothiadiazinondioxide, een thiocarbamaat, een carbamaat carbanilaat, chloor- pyridinyl, een cyclohexeenderivaat, een dinitroaminobenzeenderivaat, een fluorodinitrotoluïdineverbinding, isoxazolidinon, nicotinezuur, isopropylamine een isopropylaminederivaat, oxadiazolinon, een fosfaat, een ftalaat, een picolinezuurverbinding, een triazine, een triazool, een uracil, een ureumderivaat, endothall, natriumchloraat of een combinatie daarvan. Het fungicide kan bestaan uit een gesubstitueerd benzeen, een thiocarbamaat, een ethyleenbis-dithiocarbamaat, een thiofthalidamide, een koperverbinding, een organische kwikverbinding, een organotinverbinding, een cadmiumverbinding, anilazine, benomyl, cyclohexamide, dodine, etridiazool, iprodione, metlax-yl, thiamimefon, triforine, of een combinatie daarvan. De schimmelinoculant kan bestaan uit een schimmelinoculant van de familie Glomeraceae, een schimmelinoculant van de familie Claroidoglomeraceae, een schimmelinoculant van de familie Acaulosporaceae, een schimmelinoculant van de familie
Sacculosprace-ae, een schimmelinoculant van de familie Entrophosporaceae, een schimmelinoculant van de familie Pacid-sproraceae, een schimmelinoculant van de familie
Diversisporaceae, een schimmelinoculant van de familie Paraglomeraceae, een schimmelinoculant van de familie Archaeosporaceae, een schimmelinoculant van de familie
Geosiphonaceae, een schimmelinoculant van de familie Ambisporacea, een schimmelinoculant van de familie Scutellosproaceae, een schimmelinoculant van de familie
Dentiscultataceae, een schimmelinoculant van de familie Racocetraceae, een schimmelinoculant van het phylum Basidiomycota, een schimmelinoculant van het phylum
Ascomycota, een schimmelinoculant van het phylum Zygomycota, een schimmelinoculant van het genus Glomus of een combinatie daarvan. De bacteriële entstof kan een bacteriële entstof van het geslacht Rhizobium omvatten, een bacteriële entstof van het geslacht
Bradyrhizobium, een bacteriële entstof van het geslacht Mesorhizobium, een bacteriële entstof van het geslacht Azorhizobium, een bacteriële entstof van het geslacht Allorhizobium, bacteriële inoculatiestof van het geslacht Burkholderia, bacteriële inoculatiestof van het geslacht Sinorhizobium, bacteriële inoculatiestof van het geslacht Kluyvera, bacteriële inoculatiestof van het geslacht Azotobacter, bacteriële inoculatiestof van het geslacht
Pseudomonas, bacteriële entstof van het geslacht Azosprillium, bacteriële entstof van het geslacht Bacillus, bacteriële entstof van het geslacht Streptomyces, bacteriële entstof van het geslacht Paenibacillus, bacteriële entstof van het geslacht Paracoccus, bacteriële entstof van het geslacht £nterobacter, bacteriële inoculant van het geslacht A/caligenes, bacteriële inoculant van het geslacht Mycobacterium, bacteriële inoculant van het geslacht
Trichoderma, bacteriële inoculant van het geslacht G/ioc/adium, bacteriële inoculant van het geslacht Æ/ebsie/la, of een combinatie daarvan.
Het mengsel kan bovendien ten minste één micro-organisme bevatten uit de lijst bestaande uit Bacillus subtilis stam 713, Bacillus amyloliquefaciens MBI 600, Bacillus pumillus QST 2808,
Pseudomonas fluorescens, Bradyrhizobium japonicum, Trichoderma vireus, Pseudomonas
26 BE2022/5772 putida, Trichoderma harzianum Fifai stam T22, Penicillium bilaï, Mesorhizobium,
Azospirillum, Azotobacter vinelandiien Clostridium pasteurianum, Glomus-soorten.
De verbindingen van algemene formule (I) die volgens de onderhavige uitvinding worden gebruikt, kunnen in combinatie met deze hulpstoffen worden gebruikt. De gebruikte hulpstoffen zijn afhankelijk van de specifieke toepassingsvorm en de werkzame stof en omvatten bij voorkeur oplosmiddelen, vaste dragers, dispergeermiddelen of emulgatoren, zoals oplosmiddelen, beschermende colloïden, oppervlakte-actieve stoffen en adhesiemiddelen. Voorts kunnen organische en anorganische verdikkingsmiddelen, bactericiden, antivriesmiddelen, antischuimmiddelen, eventueel kleurstoffen en tackifiers of bindmiddelen worden gebruikt in combinatie met de nitrificatieremmers en in het meststoffenmengsel. Geschikte hulpstoffen worden besproken in WO 2013/121384 op blz. 25-26.
Andere mogelijke voorkeursingrediënten zijn oliën, bevochtigers, hulpstoffen, biostimulanten, herbiciden, bactericiden, andere fungiciden en/of pesticiden. Zij worden bijvoorbeeld besproken in WO 2013/121384 op blz. 28/29.
De meststofmengsels zijn bij voorkeur in vaste vorm, waaronder poeders, prils en korrels.
Voorts is het mogelijk de nitrificatieremmer in de vorm van een formulering, oplossing of dispersie afzonderlijk of gelijktijdig met een meststof toe te dienen.
Voor de respectieve toepassingen kan worden verwezen naar US 6.139.596 en WO 2013/121384 alsook WO 2015/086823 en WO 2016/207210.
De uitvinding heeft ook betrekking op een methode voor het bemesten van landbouw- of tuinbouwgronden, waarbij een meststofmengsel dat verbindingen A en B bevat
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. 10 tot 10000 gewichtsprocent, op basis van de anorganische meststof, van een verbinding van algemene formule (|) zoals hierboven gedefinieerd, of verbindingen A en B afzonderlijk, maar binnen een periode van 0 tot 5 uur, bij voorkeur 0 tot 1 uur, bij voorkeur ongeveer gelijktijdig, wordt op de bodem aangebracht.
Parallel aan de verbetering van het gebruik van fosfor en eventueel stikstof in de fosfor- en eventueel ammonium- of ureumhoudende minerale, organische en organominerale meststoffen, heeft het gebruik van de plantengroeibevorderaars volgens de onderhavige uitvinding en van samenstellingen die deze bevatten, tot gevolg dat de opbrengst en de productie van biomassa van gewassen, in sommige gevallen aanzienlijk, toeneemt.
De volgens de uitvinding te behandelen of in grond te wortelen planten worden bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit landbouw-, bosbouw-, sier- en tuinbouwplanten, elk in hun natuurlijke of genetisch gemodificeerde vorm. Bij voorkeur worden niet-transgene landbouwplanten behandeld.
27 BE2022/5772
Bij voorkeur worden landbouwgewassen gekozen uit de groep bestaande uit aardappelen, suikerbieten, tarwe, gerst, rogge, haver, sorghum, rijst, maïs, katoen, koolzaad, koolzaad, sojabonen, erwten, veldbonen, zonnebloemen, suikerriet; komkommers, tomaten, uien, prei, sla, pompoenen; nog liever wordt de plant gekozen uit de groep bestaande uit tarwe, gerst, haver, rogge, soja, maïs, koolzaad, katoen, suikerriet, rijst en sorghum.
Bij voorkeur wordt de te behandelen plant gekozen uit de groep bestaande uit tomaat, aardappel, tarwe, gerst, haver, rogge, soja, maïs, koolzaad, canola, zonnebloem, katoen, suikerriet, suikerbiet, rijst, sorghum, weidegras en grasland.
In een andere voorkeursuitvoering van de uitvinding wordt de te behandelen plant gekozen uit de groep bestaande uit tomaat, aardappel, tarwe, gerst, haver, rogge, soja, maïs, koolzaad, canola, zonnebloem, katoen, suikerriet, suikerbiet, rijst en sorghum.
Ineen bijzonder geprefereerde uitvoering van de uitvinding worden de te behandelen planten gekozen uit de groep bestaande uit tomaat, tarwe, gerst, haver, rogge, maïs, koolzaad, koolzaad, suikerriet en rijst.
In één geval is de volgens de methode van de uitvinding te behandelen plant een landbouwplant. "Landbouwgewassen" zijn planten waarvan een deel (b.v. zaden) of het geheel op commerciële schaal wordt geoogst of geteeld of die dienen als een belangrijke bron van veevoer, voedsel, vezels (b.v. katoen, linnen), brandstoffen (b.v. hout, bio-ethanol, biodiesel, biomassa) of andere chemische verbindingen. Voorkeurslandbouwgewassen zijn bijvoorbeeld granen, b.v. tarwe, rogge, gerst, triticale, haver, sorghum of rijst, bieten, b.v. suikerbieten of voederbieten; vruchten, zoals pit-, steen- of zachtvruchten, b.v. appelen, peren, pruimen, perziken, amandelen, kersen, aardbeien, frambozen, bramen of kruisbessen; peulvruchten, zoals linzen, erwten, luzerne of sojabonen; oliehoudende planten, zoals koolzaad, raapzaad, canola, lijnzaad, mosterdzaad, olijven, zonnebloemen, kokosnoot, cacaobonen, ricinuszaad, oliepalmen, aardnoten of sojabonen; cucurbitaceae, zoals pompoenen, komkommers of meloenen; vezelgewassen, zoals katoen, vlas, hennep of jute; citrusvruchten, zoals sinaasappelen, citroenen, grapefruits of mandarijnen; groenten, zoals spinazie, sla, asperges, kolen, wortelen, uien, tomaten, aardappelen, cucurbitaceae of paprika's; melkachtige planten, zoals avocado’s, kaneel of kamfer; energie- en grondstoffenplanten, zoals maïs, soja, koolzaad, canola, suikerriet of oliepalm; tabak; noten; koffie; thee; bananen; wijnstokken (tafeldruiven en druivensap); hop; turf; natuurlijke rubberplanten.
Weidegras en grasland bestaan uit gras of grasmengsels met bijvoorbeeld blauwgrasland (Poa spp.), bentgras (Agrostis spp.), raaigras (Lolium spp), zwenkgras (Festuca spp, hybriden en cultivars), Zoysiagras (Zoysia spp.), Bermudagras (Cynodon spp.), St.
Augustinusgras, Bahiagras (Paspalum), Duizendguldenkruid (Eremachloa), Tapijtgras (Axonopus), Buffalgras en Graangras. Weiden kunnen ook bestaan uit mengsels van voornoemde grassen, bijvoorbeeld raaigras, en Trifolium-soorten, bijvoorbeeld Trifolium pratensis en Trifolium repens, Medicago-soorten zoals Medicago sativa, Lotus-soorten zoals
Lotus corniculatus, en Melilotus-soorten, bijvoorbeeld Melilotus albus.
28 BE2022/5772
In één geval is de volgens de methode van de uitvinding te behandelen plant een tuinbouwplant. Onder "tuinbouwgewassen" worden planten verstaan die gewoonlijk in de tuinbouw worden gebruikt - bijvoorbeeld de teelt van sierplanten, kruiden, groenten en/of fruit. Voorbeelden voor sierplanten zijn graszoden, geranium, pelargonia, petunia, begonia en fuchsia. Voorbeelden voor groenten zijn aardappelen, tomaten, paprika's, komkommers, meloenen, watermeloenen, knoflook, uien, wortelen, kool, bonen, erwten en sla en bij voorkeur van tomaten, uien, erwten en sla. Voorbeelden van fruit zijn appels, peren, kersen, aardbeien, citrusvruchten, perziken, abrikozen en bosbessen. In de tuinbouw vervangt een substraat vaak (een deel van) de grond.
In één geval is de volgens de methode van de uitvinding te behandelen plant een sierplant. "Sierplanten" zijn planten die gewoonlijk in de tuin worden gebruikt, bijvoorbeeld in parken, tuinen en op balkons. Voorbeelden zijn graszoden, geranium, pelargonia, petunia, begonia en fuchsia.
In één geval is de volgens de methode van de uitvinding te behandelen plant een bosbouwplant. De term "bosbouwgewas" moet worden opgevat als bomen, meer bepaald bomen die worden gebruikt in herbebossing of industriële aanplantingen. Industriële plantages dienen in het algemeen voor de commerciële productie van bosproducten, zoals hout, pulp, papier, rubberbomen, kerstbomen of jonge bomen voor tuinieren. Voorbeelden van bosbouwgewassen zijn naaldbomen, zoals dennen, met name Pinus spec, sparren, eucalyptus, tropische bomen, zoals teak, rubberboom, oliepalm, wilg (Salix), met name Salix spec, populier (cottonwood), met name Populus spec, beuk, met name Fagus spec, berk, oliepalm en eik.
De volgende definities zijn van toepassing:
De term "plantengroeibevorderaars" moet worden opgevat als verbindingen van formule (I) die de opname van voedingsstoffen of water en/of het gebruik van de daarmee behandelde planten verbeteren en/of tot een betere plantengroei kunnen leiden.
Onder "planten" wordt verstaan planten van economisch belang en/of door de mens gekweekte planten. Zij worden bij voorkeur gekozen uit landbouw-, bosbouw-, sier- en tuinbouwplanten, elk in hun natuurlijke of genetisch gemodificeerde vorm. De hier gebruikte term "plant" omvat alle delen van een plant, zoals ontkiemende zaden, opkomende zaailingen, kruidachtige vegetatie, alsmede gevestigde houtachtige planten, met inbegrip van alle ondergrondse delen (zoals de wortels) en bovengrondse delen.
De term "bodem" moet worden opgevat als een natuurlijk lichaam dat bestaat uit levende (bv. micro-organismen (zoals bacteriën en schimmels), dieren en planten) en niet-levende materie (bv. mineralen en organische stoffen (bv. organische verbindingen in uiteenlopende mate van ontbinding), vloeistoffen en gassen) die op het landoppervlak voorkomt, en wordt gekenmerkt door bodemhorizonten die als gevolg van diverse fysische, chemische, biologische en antropogene processen kunnen worden onderscheiden van het
29 BE2022/5772 oorspronkelijke materiaal.
De term "nitrificatieremmer" moet worden opgevat als elke chemische stof die het nitrificatieproces dat gewoonlijk in (bemeste) grond plaatsvindt, vertraagt of vertraagt.
Nitrificatieremmers vertragen de natuurlijke omzetting van ammonium in nitraat en richten zich op micro-organismen en bij voorkeur op ammoniakoxiderende bacteriën (AOB), bij voorkeur door remming van de activiteit van de bacteriën, zoals Nitrosomonas spp. en/of
Nitrosospira spp. Zij kunnen bovendien inwerken op ammoniakoxiderende archaea (AOA). De nitrificatieremmer wordt meestal gecombineerd met een meststof, bij voorkeur een (ammonium)stikstofhoudende meststof, bijvoorbeeld een vaste of vloeibare anorganische, organische en/of organominerale meststof, of mest.
De term "nitrificatie" moet worden begrepen als de biologische oxidatie van ammoniak (NH; ) of ammonium (N H,* ) met zuurstof tot nitriet (NO, ), gevolgd door de oxidatie van deze nitrieten tot nitraten (NO, ) door micro-organismen. Naast nitraat (NO, ) wordt door nitrificatie ook lachgas geproduceerd. Nitrificatie is een belangrijke stap in de stikstofcyclus in de bodem.
De term "meststoffen" moet worden opgevat als (chemische) verbindingen die worden toegepast om de groei van planten en vruchten te bevorderen. Meststoffen worden gewoonlijk via de bodem (voor opname door de plantenwortels) of via het blad (voor opname via de bladeren) toegediend. De term "meststoffen" kan worden onderverdeeld in twee grote categorieën: a) organische meststoffen (samengesteld uit verteerd plantaardig/dierlijk materiaal) en b) anorganische meststoffen (samengesteld uit chemische stoffen en mineralen). Organische meststoffen omvatten gier, wormengieten, turf, zeewier, rioolwater en guano. Vervaardigde organische meststoffen zijn compost, bloedmeel, beendermeel en zeewierextracten. Andere voorbeelden zijn enzymatisch verteerd eiwit, vismeel en verenmeel.
De afbraak van gewasresten van voorgaande jaren en mest zijn een andere bron van vruchtbaarheid. Daarnaast worden ook in de natuur voorkomende mineralen, zoals mijnfosfaat, kaliumsulfaat en kalksteen, tot de anorganische meststoffen gerekend.
Anorganische meststoffen worden gewoonlijk vervaardigd via chemische processen (zoals het Haber-Bosch-proces), waarbij eveneens gebruik wordt gemaakt van natuurlijk voorkomende afzettingen, terwijl deze chemisch worden gewijzigd (bijvoorbeeld geconcentreerd drievoudig superfosfaat). Tot de natuurlijk voorkomende anorganische meststoffen behoren Chileens natriumnitraat, mijnsteenfosfaat en kalksteen. Als derde categorie kunnen organominerale meststoffen worden genoemd, een combinatie van anorganische en organische meststoffen.
Onder “meststof die ureum bevat" wordt verstaan synthetische meststoffen die ureum bevatten, met uitzondering van natuurlijke meststoffen die ureum bevatten (bijvoorbeeld mest als voorbeeld van een natuurlijke meststof die ureum bevat). Voorbeelden van meststoffen die ureum bevatten zijn ureumammoniumnitraat (UAN), isobutylideendiureum (IBDU), crotonylideendiureum (CDU) en ureumformaldehyde (UF). Ureum wordt gewoonlijk in de vorm van korrels of prills gemaakt. Ureummeststoffen kunnen worden vervaardigd door het vloeibare ureum uit een prill-toren te laten vallen en het product te drogen. Ureum kan
30 BE2022/5772 ook worden verkregen als een vloeibare formulering, die kan worden gebruikt voor bladbemesting, bijvoorbeeld op aardappelen, tarwe, groenten en sojabonen, en voor vloeibare toepassing op het veld. Het wordt gewoonlijk gemengd met ammoniumnitraat tot VAN met 28% N.
De term "locus" (habitat van de plant) moet worden opgevat als elke soort omgeving, bodem, gebied of materiaal waar de plant groeit of moet groeien. Volgens de uitvinding verdient grond de voorkeur.
De uitvinding wordt verder geïllustreerd door de volgende voorbeelden, waaruit blijkt dat de verbindingen van formule (|) sterke wortelhaarinductoren zijn.
Korte beschrijving van de tekeningen
Figuur 1 toont representatieve beelden van het effect van de geteste verbindingen op wortelhaarinductie en -strekking. De schaalbalk is 0,5 mm.
Voorbeelden
Wij maken melding van een groep stoffen die wortelharen en wortelhaarverlenging induceren. Deze stoffen werden gevonden door een reeks kleine moleculen te testen en te screenen op hun wortelhaarinducerend vermogen.
I. Materialen en methoden
Voor wortelhaar metingen, Arabidopsis thaliana Columbia-0 zaailingen werden gekweekt op een gemodificeerde Murashige en Skoog medium (modMS - 1,25 mM KH, PO, , 20 mM NH,
NO, , 0,1 mM H, BO, , 3 mM CaCl, ‚0,1 uM CoCl, *6H, O0, 0.1 u M CuSO, *5H, O, 0,1 MM Na,
EDTA*2H, O, 0,1 mM FeSO, *7H, O, 1,5 mM MgS0, *7H, O0, 0,1 MM MnS0, *H, O0, 1 u M Na,
MoO, *4H, O, 5 u M KI, 19 mM KNO: , 0. 03 mM ZnSO O, 0.03 mM ZnSO, *7H, O, 0,1 g/L myo-inositol, 0,5% sucrose en 0,5 g/L MES (pH 5,7)). Arabidopsis zaden werden gestratificeerd gedurende 2 dagen bij 4° C vóór ontkieming. Zaailingen werden ontkiemd in klimaatgecontroleerde groeikamers bij 22 ° C onder continu licht (100 4 mol m2 s 1). De geteste verbindingen werden opgelost in DMSO en hadden een eindconcentratie van 10 uM (0,1 % DMSO). Aan de controles zonder verbinding werd DMSO (eindconcentratie 0,1%) toegevoegd.
Na 10 dagen werden de wortels in beeld gebracht met een stereomicroscoop of een VHX- 6000. Het aantal en de lengte van de wortelharen werd bepaald op 4 tot 6 mm boven de wortelmeristeem. De lengte van de wortelharen werd gemeten met de ImageJ-software.
II. Resultaten 1. … Anilino-derivaten induceren wortelharen
34 BE2022/5772
Om nieuwe stoffen te identificeren die wortelharen induceren, werd het wortelhaar- inducerende effect van een reeks kleine moleculen beoordeeld. Geconstateerd werd dat een groep op anilino gebaseerde moleculen of varianten daarvan een positief effect hadden op het aantal en/of de lengte van de wortelharen (tabel 1/figuur 1). Meerdere substituties aan de benzeenring versterken het effect (vergelijk bijvoorbeeld voorbeeld 8 (
SR LH, DH, > =
Ô OO Ô sa ), 9 ( SF ) en 10 ( we ) - tabel 1/figuur 1), terwijl de aanwezigheid van een alkyl- of andere koolwaterstofgroep aan het heteroatoom het effect eveneens versterkt (vergelijk bijvoorbeeld voorbeeld 15 ( vs me opk en! 5 Sc
MO, | {
MO D
), 16 ( ) en 17 ( ) - tabel 1/figuur 1). Een op positie 2 van de koolwaterstofgroep gesubstitueerde carboxamidegroep op het heteroatoom (vergelijk bijvoorbeeld voorbeeld 11 ( OD ) en 20 ( ee, in ) - Tabel 1/Figuur 1) versterkt dit effect nog in hoge mate. Een ringafsluiting door twee substituties op de benzeenring (bv. voorbeeld 25 (
COP
Ô
) - tabel 1/figuur 1) heeft eveneens een positief effect. Tenslotte hebben wij ook geconstateerd dat de stikstof van de anilino kan worden vervangen door een
HO
RO
> ander heteroatoom (bv. voorbeeld 4 ( ) - Tabel 1).
Tabel1: Anilino-derivaten en structuurvarianten met een positief effect op de lengte van de wortelharen en/of het aantal wortelharen, uitgedrukt in de gemiddelde totale
32 BE2022/5772 lengte van de wortelharen per mm wortel.
Totale wortelhaarlengte in % vergeleken met de
DMSO-controle zonder
Voorbeeld Structuur groeiregulator
NH, 1 155
HC
NH
2 346
HC
3 No
OS
3 713
HC
3 No
HO pu 4 193
HC
SAH
CH, 907
33 BE2022/5772
HC
3 NH
HC” 5 6 3 668
HC
Nm
CH, 7 1118
CH, si 469
CH,
L,
He ' 746
CH;
L
Hc” ‘ 401 0 NH,
TC
11 3226
34 BE2022/5772 oO
I CH my 12 830 0 OH
TL
13 842 1”
Ca 14 : 799
NH,
HO { 179
HC
DSH
HO
16 325
H.C
CH, NH 0
O
17 659
35 BE2022/5772
HC
CH” SH 3
A
Ô
CH
18 5 1176
CH;
X
19 287 cn 3192
HO oO
LC
21 124
NH,
AA
O
Ho” Û 22 689
S
N
23 594
36 BE2022/5772 ï NH 24 1106 (OÙ 25 0 1351 (UT
D
26 1985
Tabel van de Engelse uitdrukkingen in de tekeningen
Voorbeeld
Claims (10)
1. Het gebruik van een verbinding van de algemene formule (I) R1 R2 ax" >) © Met de volgende definities: X heteroatoom ‚ gekozen uit de groep bestaande uit stikstof en zuurstof, waarbij X bij voorkeur stikstof is; R1; R2 indien X stikstof is, zijn R1 en R2 onafhankelijk van elkaar waterstof of een C,_, koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C, koolwaterstofresidu, dat één tot zeven heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur heeft R1 of R2 een ketogroep en/of een aminogroep, nog liever is R1 een C2 hycrocarbon met een carboxamidegroep op C2 van R1 en is R2 waterstof; R1 indien X zuurstof is, is R1 waterstof of een C,, koolwaterstofresidu, bij voorkeur een C, koolwaterstofresidu, dat één tot zeven heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel; R3 onafhankelijk van elkaar waterstof, halogeen, heteroatoom functionele groep, C12 -koolwaterstofresidu, bij voorkeur een Cs -koolwaterstofresidu, nog liever een C,_; -koolwaterstofresidu, dat één of twee halogeenatomen en/of één tot drie heteroatomen kan bevatten, gekozen uit de groep bestaande uit stikstof, zuurstof en zwavel, bij voorkeur zuurstof, het is ook mogelijk dat R1 en R3 covalent verbonden zijn tot een heterocyclische ring met 5 tot 8 leden, die 1 of 2 halogeenatomen en/of 1 tot 3 andere heteroatomen kan bevatten naast de heteroatomen N die reeds deel uitmaken van de heterocyclische ring, waarbij R3 bij voorkeur een waterstof, een methylgroep of een methoxygroep is; n 0; 1; 2; 3; 4 of 5, waarbij n bij voorkeur 0 of 1 is;
als plantengroeipromotor, waarin de plantengroeipromotor het volgende BE2022/5772 verbetert - de wortelhaarontwikkeling, - Fosfaatgebruik efficiëntie/opname - efficiëntie van het nutriëntengebruik van planten, - opname van voedingsstoffen door planten, - beschikbaarheid van voedingsstoffen, - wateropname van planten, - voedsel- en watervoorziening door planten, - droogtebestendigheid, - wortelpenetratie in de bodem, - verankering in de bodem, - nuttige symbiotische interacties van planten, - bescherming tegen schadelijke micro-organismen, en/of - plantengroei of opbrengst; en/of voor het verlichten en/of verminderen van honger aan voedingsstoffen, droogte, zout en/of osmotische stress bij planten.
2. Het gebruik volgens het conclusie 1, waarin de verbinding van formule (|) wordt gekozen uit een van de volgende verbindingen: 5 ie 5 HC CH, ’ di CL. N pe I La Od DA He oe HO ! N MO 2 Ô CO im On ei fist, te Ÿ > NH EN AA.
sh. € ö es
> BE2022/5772 HC CO ii OH Du ; Nu Ch | ; fs N Oo. He, se CH, a His © a H CH, : Feu CH, PO 7 L } NN N CH: Ho, Le NH 3 o 7 © > NH H,C i DW Sen U CH YT NH oM Ses F D SN Sa HC © Ds 0 Saut > X NH T 14 > Ch N ehs N vr a, N 5 HOL CH HE, HOL 20 AN a
De . t Ÿ “it Eu 05 ;
3. Het gebruik volgens een van de voorgaande conclusies, waarin de verbinding van formule (I) een verbinding van formule (Il) is: 5 | À
(IN) BE2022/5772
4. Het gebruik volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de pH-waarde van het substraat of de bodem tussen 4,5 en 7,5 ligt, bij voorkeur tussen 5 en 7, en nog liever tussen 5,5 en 6,5;
5. Een mengsel dat ten minste één verbinding bevat van algemene formule (|) zoals gedefinieerd in een van de voorgaande conclusies, en ten minste één extra agrochemisch middel, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit - ten minste één anorganische en/of organische en/of organominerale meststof, - ten minste één nitrificatieremmer, bij voorkeur geselecteerd uit de groep bestaande uit 2-(3,4-dimethyl-pyrazol-1-yl)-barnsteenzuur (DMPSA), 3,4-dimethylpyrazool (DMP), 3,4-dimethylpyrazoolfosfaat (DMPP), dicyaandiamide (DCD), 1H-1,2,4- triazool, 3-methylpyrazool (3-MP), 2-chloor-6-(trichloormethyl)-pyridine, 5-ethoxy- 3-trichloormethyl-1,2,4-thiadiazol, 2-amino-4-chloor-6-methyl-pyrimidine, 2- mercapto-benzothiazool, 2-sulfanilamidothiazool, thioureum, natriumazide, kaliumazide, 1-hydroxypyrazool, 2-methylpyrazool-1-carboxamide, 4-amino-1,2,4- triazool, 3-mercapto-1,2,4-triazool, 2,4-diamino-6-trichloormethyl-5-triazine, koolstofbisulfide, ammoniumthiosulfaat, natriumtrithiocarbonaat, 2,3-dihydro-2,2- dimethy!-7-benzofuranol methylcarbamaat en N-(2,6-dimethylfenyl)-N- (methoxyacetyl)-alanine methylester, - ten minste één ureaseremmer, bij voorkeur geselecteerd uit N-n- butylthiofosfortriamide (NBPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPPT), - ten minste één gebruikelijke agrochemische hulpstof, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit waterige en/of organische oplosmiddelen, pH-regelaars, oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, hechtingsbevorderaars, draagstoffen, vulstoffen, viscositeitsregelaars, emulgatoren, dispergeermiddelen, sekwestratiemiddelen antiklontermiddelen, coalescentiemiddelen, reologiemodificatoren, antischuimmiddelen, fotobeschermers, antivriesmiddelen, biostimulatoren, pesticiden, biociden, plantengroeiregulatoren, beschermingsmiddelen, penetratiemiddelen, antiklontermiddelen, minerale en/of plantaardige oliën en/of wassen, kleurstoffen en driftcontrolemiddelen, en mengsels daarvan.
6. Een mengsel van meststoffen, bestaande uit
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. effectieve hoeveelheid, bij voorkeur 10 tot 10000 gewichtsprocent, gebaseerd op de meststof, van een verbinding van de algemene formule (I) zoals gedefinieerd in een van de conclusies 1 tot en met 3.
7. Het meststoffenmengsel van claim 5, waarin het meststoffenmengsel in vaste vorm is en de verbinding van de algemene formule (|) in de meststof is opgenomen of op het oppervlak van de, bij voorkeur anorganische, meststof is aangebracht. BE2022/5772
8. Het meststoffenmengsel als bedoeld in een van de conclusies 5 of 6, waarin het meststoffenmengsel ten minste één extra agrochemisch middel bevat, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit - ten minste één nitrificatieremmer, bij voorkeur geselecteerd uit de groep bestaande uit 2-(3,4-dimethyl-pyrazol-1-yl)-barnsteenzuur (DMPSA), 3,4-dimethylpyrazool (DMP), 3,4-dimethylpyrazoolfosfaat (DMPP), dicyaandiamide (DCD), 1H-1,2,4- triazool, 3-methylpyrazool (3-MP), 2-chloor-6-(trichloormethyl)-pyridine, 5-ethoxy- 3-trichloormethyl-1,2,4-thiadiazol, 2-amino-4-chloor-6-methyl-pyrimidine, 2- mercapto-benzothiazoo, 2-sulfanilamidothiazool, thioureum, natriumazide, kaliumazide, 1-hydroxypyrazool, 2-methylpyrazool-1-carboxamide, 4-amino-1,2,4- triazool, 3-mercapto-1,2,4-triazool, 2,4-diamino-6-trichloormethyl-5-triazine, koolstofbisulfide, ammoniumthiosulfaat, natriumtrithiocarbonaat, 2,3-dihydro-2,2- dimethyl-7-benzofuranol methylcarbamaat en N-(2,6-dimethylfenyl)-N- (methoxyacety!)-alanine methylester, - ten minste één ureaseremmer, bij voorkeur geselecteerd uit N-n- butylthiofosfortriamide (NBPT) en/of N-n-propylthiofosfortriamide (NPPT), - ten minste één gebruikelijke agrochemische hulpstof, bij voorkeur gekozen uit de groep bestaande uit waterige en/of organische oplosmiddelen, pH-regelaars, oppervlakteactieve stoffen, bevochtigingsmiddelen, spreidmiddelen, adhesiebevorderaars, draagstoffen, vulstoffen, viscositeitsregelaars, emulgatoren, dispergeermiddelen, sekwestratiemiddelen antiklontermiddelen, coalescentiemiddelen, reologiemodificatoren, antischuimmiddelen, fotobeschermers, antivriesmiddelen, biostimulatoren, pesticiden/plantaardige productiemiddelen, biociden, plantengroeiregulatoren, beschermingsmiddelen, penetratiemiddelen, antiklontermiddelen, minerale en/of plantaardige oliën en/of wassen, kleurstoffen en driftcontrolemiddelen, en mengsels daarvan.
9. Een procédé voor de productie van het meststoffenmengsel als beweerd in een van de conclusies 5 tot en met 7 door de verbinding van de algemene formule (|) in de meststof te brengen en/of de verbinding van de algemene formule (I) op het oppervlak van de meststof aan te brengen.
10. Een methode voor het bemesten van landbouw- of tuinbouwgronden, waarbij een meststofmengsel dat verbindingen A en B bevat
A. een anorganische en/of organische en/of organisch-minerale meststof en
B. 10 tot 10000 gewichtsprocent, op basis van de meststof, van een verbinding van de algemene formule (|) zoals gedefinieerd in een van de beweringen 1 tot en met 3, of verbindingen Aen B afzonderlijk, maar binnen een periode van 0 tot 5 uur, bij voorkeur 0 tot 1 uur, bij voorkeur ongeveer gelijktijdig, wordt op de bodem aangebracht.
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20225772A BE1030915B1 (nl) | 2022-09-27 | 2022-09-27 | Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars |
| EP23772285.5A EP4593600A1 (en) | 2022-09-27 | 2023-09-22 | Anilino-derivatives as plant growth promoters |
| PCT/EP2023/076253 WO2024068474A1 (en) | 2022-09-27 | 2023-09-22 | Anilino-derivatives as plant growth promoters |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20225772A BE1030915B1 (nl) | 2022-09-27 | 2022-09-27 | Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars |
Publications (2)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1030915A1 BE1030915A1 (nl) | 2024-04-19 |
| BE1030915B1 true BE1030915B1 (nl) | 2024-04-22 |
Family
ID=83508811
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE20225772A BE1030915B1 (nl) | 2022-09-27 | 2022-09-27 | Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP4593600A1 (nl) |
| BE (1) | BE1030915B1 (nl) |
| WO (1) | WO2024068474A1 (nl) |
Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB1178871A (en) * | 1966-01-07 | 1970-01-21 | Basf Ag | Substituted N-Phenyl Carbamates and Herbicides containing them |
| US4283221A (en) * | 1972-02-07 | 1981-08-11 | Ciba-Geigy Corporation | Plant growth regulating agent |
| EP0124154A2 (en) * | 1983-04-22 | 1984-11-07 | Shell Internationale Researchmaatschappij B.V. | Aniline compositions, their preparation, compositions containing them, and method of combating fungus and/or combating or regulating plant growth |
Family Cites Families (7)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| DE4128828A1 (de) | 1991-08-30 | 1993-03-04 | Basf Ag | Ammonium- oder harnstoffhaltige duengemittel und verfahren zu ihrer herstellung |
| DE19631764A1 (de) | 1996-08-06 | 1998-02-12 | Basf Ag | Neue Nitrifikationsinhibitoren sowie die Verwendung von Polysäuren zur Behandlung von Mineraldüngemitteln die einen Nitrifikationsinhibitor enthalten |
| DE10230593C1 (de) | 2002-07-06 | 2003-08-07 | Compo Gmbh & Co Kg | Bewässerungsdüngung von landwirtschaftlich oder gärtnerisch genutzten Substraten |
| EP1820788A1 (de) | 2006-02-16 | 2007-08-22 | BASF Aktiengesellschaft | Zubereitungen mit verbesserter Urease-hemmender Wirkung und diese enthaltende harnstoffhaltige Düngemittel |
| WO2013121384A2 (en) | 2012-02-16 | 2013-08-22 | Basf Se | Mixtures for reducing nitrous oxide and/or ammonia emission from soils |
| HRP20190840T2 (hr) | 2013-12-13 | 2023-03-17 | Eurochem Agro Gmbh | Mješavina gnojiva koja sadrži inhibitor nitrifikacije |
| ES2691371T3 (es) | 2015-06-22 | 2018-11-27 | Eurochem Agro Gmbh | Mezcla para el tratamiento de fertilizantes con contenido en urea |
-
2022
- 2022-09-27 BE BE20225772A patent/BE1030915B1/nl active IP Right Grant
-
2023
- 2023-09-22 WO PCT/EP2023/076253 patent/WO2024068474A1/en not_active Ceased
- 2023-09-22 EP EP23772285.5A patent/EP4593600A1/en active Pending
Patent Citations (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB1178871A (en) * | 1966-01-07 | 1970-01-21 | Basf Ag | Substituted N-Phenyl Carbamates and Herbicides containing them |
| US4283221A (en) * | 1972-02-07 | 1981-08-11 | Ciba-Geigy Corporation | Plant growth regulating agent |
| EP0124154A2 (en) * | 1983-04-22 | 1984-11-07 | Shell Internationale Researchmaatschappij B.V. | Aniline compositions, their preparation, compositions containing them, and method of combating fungus and/or combating or regulating plant growth |
Non-Patent Citations (7)
| Title |
|---|
| HALL RANDAL C. ET AL: "Synthesis of Dinitroaniline as Plant Growth Regulators and for Identification of Amines", J. AGRIC. FOOD CHEM., vol. 20, no. 3, 1 May 1972 (1972-05-01), pages 546 - 552, XP093040352, DOI: 10.1021/jf60181a010 * |
| LAO S-H ET AL: "3,4-Dichloroaniline is detoxified and exported via different pathways in Arabidopsis and soybean", PHYTOCHEMISTRY, ELSEVIER, AMSTERDAM , NL, vol. 63, no. 6, 1 July 2003 (2003-07-01), pages 653 - 661, XP004433860, ISSN: 0031-9422, DOI: 10.1016/S0031-9422(03)00289-9 * |
| LI AIXIA ET AL: "Action of Salicylic Acid on Plant Growth", FRONTIERS IN PLANT SCIENCE, vol. 13, 27 April 2022 (2022-04-27), XP093040325, DOI: 10.3389/fpls.2022.878076 * |
| SKINNER J J: "Effect of Vanillin as a Soil Constituent", THE PLANT WORLD, vol. 18, no. 12, 19 April 1915 (1915-04-19), pages 321 - 330, XP093040236, Retrieved from the Internet <URL:https://www.jstor.org/stable/pdf/43477431.pdf?refreqid=excelsior:9ba9d7cd4dfd2715763627cb62df4781&ab_segments=&origin=&initiator=&acceptTC=1> * |
| TAO NAN ET AL: "Effects of aniline on growth, oxidative and DNA damage of rice (Oryza sativa L.) seedlings", ENVIRONMENTAL TECHNOLOGY & INNOVATION, vol. 28, 29 April 2022 (2022-04-29), pages 102583, XP093039940, ISSN: 2352-1864, DOI: 10.1016/j.eti.2022.102583 * |
| TAO NAN ET AL: "Genotoxicity and growth inhibition effects of aniline on wheat", CHEMOSPHERE, PERGAMON PRESS, OXFORD, GB, vol. 169, 24 November 2016 (2016-11-24), pages 467 - 473, XP029853045, ISSN: 0045-6535, DOI: 10.1016/J.CHEMOSPHERE.2016.11.063 * |
| ZHANG X-H ET AL: "Phytotoxicity of dimethyl sulfoxide (DMSO) to rice seedlings", INTERNATIONAL JOURNAL OF ENVIRONMENTAL SCIENCE AND TECHNOLOGY, CENTER FOR ENVIRONMENT AND ENERGY RESEARCH AND STUDIES (C E E R S), IR, vol. 13, no. 2, 14 October 2015 (2015-10-14), pages 607 - 614, XP035971581, ISSN: 1735-1472, [retrieved on 20151014], DOI: 10.1007/S13762-015-0899-6 * |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| WO2024068474A1 (en) | 2024-04-04 |
| BE1030915A1 (nl) | 2024-04-19 |
| EP4593600A1 (en) | 2025-08-06 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| BE1028575B1 (nl) | Pyrazolo[3,4-b]pyridine-4-carboxamide nitrificatieremmer | |
| BE1029485B1 (nl) | Efficientieverhoging van het fosforgebruik als groeibevorderaar voor planten | |
| US20240206469A1 (en) | Phosphorus use efficiency enhancers as plant growth promotors | |
| BE1028573B1 (nl) | Heterocyclische verbindingen gebruikt als nitrificatieremmer | |
| BE1030915B1 (nl) | Anilino-derivaten als plantengroeibevorderaars | |
| EP4490154A1 (en) | Use of pyrazolo[3,4-b]pyridine compounds as nitrification inhibitor | |
| BE1029484B1 (nl) | P-Booster | |
| BE1029769B1 (nl) | Gebruik van pyrazolo[3,4-b]pyridineverbindingen als nitrificatieremmer | |
| CN116234786A (zh) | N-杂环化合物用作硝化抑制剂 | |
| EP4242195A1 (en) | Use of pyrazolo[3,4-b]pyridine compounds as nitrification inhibitor | |
| BR122024010709A2 (pt) | Compostos n-heterocíclicos utilizados como inibidor da nitrificação | |
| BR122024010715A2 (pt) | Compostos n-heterocíclicos utilizados como inibidor da nitrificação | |
| BR122024010711A2 (pt) | Compostos n-heterocíclicos utilizados como inibidor da nitrificação | |
| BR122024010699A2 (pt) | Compostos n-heterocíclicos utilizados como inibidor da nitrificação |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| FG | Patent granted |
Effective date: 20240422 |