BE1030595B1 - Wanddoorvoer - Google Patents
WanddoorvoerInfo
- Publication number
- BE1030595B1 BE1030595B1 BE20225441A BE202205441A BE1030595B1 BE 1030595 B1 BE1030595 B1 BE 1030595B1 BE 20225441 A BE20225441 A BE 20225441A BE 202205441 A BE202205441 A BE 202205441A BE 1030595 B1 BE1030595 B1 BE 1030595B1
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- wall
- air
- sound
- duct
- air inlet
- Prior art date
Links
Classifications
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F12/00—Use of energy recovery systems in air conditioning, ventilation or screening
- F24F12/001—Use of energy recovery systems in air conditioning, ventilation or screening with heat-exchange between supplied and exhausted air
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F13/00—Details common to, or for air-conditioning, air-humidification, ventilation or use of air currents for screening
- F24F13/24—Means for preventing or suppressing noise
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F7/00—Ventilation
- F24F2007/0025—Ventilation using vent ports in a wall
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F13/00—Details common to, or for air-conditioning, air-humidification, ventilation or use of air currents for screening
- F24F13/24—Means for preventing or suppressing noise
- F24F2013/245—Means for preventing or suppressing noise using resonance
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Combustion & Propulsion (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- General Engineering & Computer Science (AREA)
- Duct Arrangements (AREA)
- Ventilation (AREA)
Abstract
Een wanddoorvoer voorzien om ingebouwd te worden in een wand van een gebouw en ingericht om verbonden te worden met een luchtverplaatsingseenheid, de wanddoorvoer omvattende een luchtinlaat en een luchtuitlaat, daardoor gekenmerkt dat tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat een geluidsval met een kamer is voorzien die een kanaal vormt dat is ingericht om een luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat af te bakenen, waarbij het kanaal een schot omvat om een rechtlijnige luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat te verhinderen zodanig dat een propagatie van geluid van de luchtverplaatsingseenheid doorheen de kamer wordt gedempt.
Description
Wanddoorvoer
De uitvinding heeft betrekking op een wanddoorvoer in bijzonder een wanddoorvoer voor een luchtverplaatsingseenheid.
Luchtverplaatsingseenheden worden onder andere gebruikt in ventilatiesystemen die ingericht zijn om gebouwen actief te ventileren.
BE1024294 beschrijft bijvoorbeeld een decentrale ventilatie-unit die ingebouwd kan worden in een spouw. Deze decentrale ventilatie-unit is voorzien van luchtverplaatsingseenheden om lucht op gecontroleerde wijze in en uit een ruimte te laten stromen. De in BE1024294 beschreven decentrale ventilatie-unit is volledig weggewerkt in de spouw en veroorzaakt slechts een minimale esthetische verstoring in de ruimte. Om lucht in en uit de ruimte te laten stromen is een wandoorvoer in de wand voorzien die is ingericht om verbonden te worden met de luchtverplaatsingseenheid. De wandoorvoer omvat een luchtinlaat en een luchtuitlaat. Een nadeel van de luchtverplaatsingseenheden is echter dat deze geluid produceren dat via de wandoorvoer in de ruimte terecht komt. Doordat de genoemde decentrale ventilatie- unit in de spouw is weggewerkt, is de afstand tussen de in de decentrale ventilatie-unit omvatte luchtverplaatsingseenheden en de ruimte welke de decentrale ventilatie- unit voorziet van lucht, beperkt. Onder andere doordat deze afstand beperkt is, ondervindt een in de ruimte aanwezige persoon geluidshinder van het door de luchtverplaatsingseenheden geproduceerde geluid.
Het is een doel van de uitvinding geluidshinder in de ruimte komende van een luchtverplaatsingseenheid te beperken.
Hiertoe voorziet de uitvinding in een wanddoorvoer voorzien om ingebouwd te worden in een wand van een gebouw en ingericht om verbonden te worden met een luchtverplaatsingseenheid. De wandoorvoer wordt gekenmerkt doordat tussen de luchtinlaat en een luchtuitlaat daarvan een geluidsval met een kamer is voorzien. De kamer vormt een kanaal dat is — ingericht om een luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat af te bakenen en omvat een schot om een rechtlijnige luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat te verhinderen zodanig dat ook een propagatie van geluid van de luchtverplaatsingseenheid doorheen de kamer wordt gedempt.
De geluidsval is voorzien om ingebouwd te worden in een wand van een gebouw. Dit laat toe om de geluidsval minstens gedeeltelijk weg te werken in de wand van het gebouw en een esthetisch mooi ogend resultaat te realiseren. De wand is bijvoorbeeld de binnenste schil of binnenmuur van het gebouw, maar de wand kan ook een plafond zijn. Het door de kamer gevormde kanaal bakent een luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat af. Het kanaal is dus ingericht om de lucht van de luchtinlaat naar de luchtuitlaat te geleiden. De kamer omvat verder een schot zodat propagatie van geluid, d.w.z. de voortplanting van geluidsgolven, wordt gedempt. Het schot is in het bijzonder ingericht om te verhinderen dat de luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat rechtlijnig is. Met rechtlijnig wordt bedoeld dat de luchtstroom niet in één rechte lijn van de luchtinlaat naar de luchtuitlaat kan stromen. Anders gezegd wordt een zichtlijnverbinding tussen de luchtinlaat en de luchtinlaat verbroken. Dit heeft het voordeel dat de geluidsval een fysieke barrière rechtsreeks tussen de geluidsoverlast producerende luchtverplaatsingseenheden en de ruimte waarin de persoon aanwezig is, vormt. Het schot verhindert dus ook dat geluid hoofdzakelijk rechtlijnig kan propageren tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat. Het schot laat toe om enerzijds de door de luchtverplaatsingsinrichting geproduceerde geluidsgolven noemenswaardig te absorberen ter plaatste van een kamerwand van de kamer die het kanaal begrenst of ter plaatse van het schot zelf. Bij absorptie worden geluidsgolven geabsorbeerd door het materiaal waaruit het schot is vervaardigd en omgezet in warmte-energie. Het schot laat verder toe om geluid te diffuseren door de geluidsgolven te reflecteren ter plaatste van de kamerwand van de kamer die het kanaal begrenst of ter plaatse van het schot zelf. Bij diffusie wordt de geluidsgolf afgezwakt doordat de geluidsgolf in verscheidene richtingen wordt verspreid door de reflectie. Doordat het schot enerzijds geluidsgolven absorbeert en anderzijds diffuseert worden de geluidsgolven geattenueerd, of, anders gezegd, verzwakt en ondervindt de persoon die in de ruimte aanwezig is geen of minder geluidsoverlast. De term “attenueren”’ (attenuate in
English) wordt in de context van de aanvrage als synoniem gebruikt voor de termen “verzwakken” of “dempen”.
Bij voorkeur heeft een stromingshartlijn van de luchtstroom een lengte die groter is dan een rechtlijnige afstand tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat, bij voorkeur minstens 1.5 keer groter, meer bij voorkeur minstens 2 keer groter. Op deze wijze attenueert de geluidsval op verbeterde wijze geluidsgolven met een lagere frequentie, bijvoorbeeld 250 Hertz (Hz) of lager.
Dergelijke lage frequentie geluidsgolven zijn moeilijker te attenueren dan hoge frequentie golven minstens omdat de energie van de lage frequentiegeluidsgolf minder snel dissipeert.
Bij voorkeur is het schot aangebracht om de luchtstroom langs een enkel primair stromingspad te dwingen. Het voordeel hiervan is gebaseerd op het inzicht dat het schot de luchtweerstand doorheen het kanaal verhoogt in vergelijking met een rechtlijnig kanaal bijvoorbeeld, waardoor het meer energie van de luchtverplaatsingseenheid kost om lucht doorheen het kanaal te leiden. Dit veroorzaakt dan weer meer geluidsoverlast doordat ongewenste geluidsbronnen ontstaan in het kanaal. Echter door de luchtstroom langs een enkele primaire stromingspad te dwingen wordt vermeden dat er geluidsbronnen in het kanaal ontstaan waardoor dit negatieve effect hoofdzakelijk wordt geannuleerd of vermeden.
Bij voorkeur omvat de geluidsval verder minstens één geluidsobstructie in het kanaal, welke obstructie ingericht is om geluid minstens gedeeltelijk te dempen of te weerkaatsen. De geluidsobstructie verbetert de absorptie en diffusie van geluidsgolven in het kanaal verder. Bij verdere voorkeur strekt de geluidsobstructie zich minstens gedeeltelijk uit in een zone van het kanaal, in een richting dwars op een primaire stroomrichting van de luchtstroom ter plaatste van de zone. Op deze manier wordt hoofdzakelijk de diffusie van geluidsgolven verder verbeterd, in bijzonder omdat er meer reflectie van het geluid in het kanaal wordt gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat de geluidsobstructie ook minstens gedeeltelijk geluid zal absorberen. De geluidsobstructie strekt zich in de dwarse richting uit over minstens 5mm, meer bij voorkeur over minstens 10mm.
Bij voorkeur is een geleider voorzien om het kanaal op te delen in minstens twee subkanalen die een verschillende lengte tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat definiëren. Het voordeel hiervan is gebaseerd op het inzicht de verschillende lengte van de subkanalen toe laat om geluidsgolven in een breder frequentiebereik te attenueren. Zo zal het subkanaal met de langere lengte op verbeterde wijze geluidsgolven met lagere frequentie attenueren en zal het subkanaal met een in vergelijking kleinere lengte geluidsgolven met hogere frequentie attenueren.
Bij voorkeur is de geluidsval ingericht om stroomopwaarts van de luchtverplaatsingseenheid voorzien te zijn. Bij verdere voorkeur is het kanaal ingericht om te verhinderen dat geluid propageert van de luchtuitlaat naar de luchtinlaat. De voordelen hiervan zijn gebaseerd op het inzicht dat de prominente geluidsbron van een luchtverplaatsingsinrichting zich hoofdzakelijk ter plaatste van een luchtaanzuigzijde daarvan bevindt. Doordat de geluidsval stroomopwaarts van de luchtverplaatsingseenheid is voorzien wordt het daardoor geproduceerde geluid dus optimaal gedempt.
Bij voorkeur is de geluidsval ingericht is om met een binnenmuur van het gebouw in verbinding te staan. Dit laat toe om zowel de ventilatie-unit alsook de geluidval in de buitenschil of spouw en de binnenschil of binnenmuur van het gebouw te verwerken.
Bij voorkeur omvat de kamer een eerste wanddeel die voorzien is om tegenover de luchtuitlaat te liggen. Bij verdere voorkeur omvat de kamer een tweede wanddeel omvat die nagenoeg haaks staat op het eerste wanddeel en de luchtinlaat omvat. Bij verdere voorkeur is het eerste wanddeel voorzien om zich in de muur opwaarts uit te strekken. Bij nog verdere voorkeur is het eerste wanddeel voorzien om nagenoeg evenwijdig met de muur, bij voorkeur een binnenmuur, te liggen. Enerzijds botsen de door de luchtverplaatsingseenheid geproduceerde geluidsgolven rechtstreek op het eerste wanddeel waardoor de geluidsgolven reeds vroegtijdig worden geattenueerd. Anderzijds is de geluidval op deze wijze esthetisch mooi verwerkbaar in de muur van de ruimte.
Bij voorkeur omvat de geluidsval een frame dat is ingericht om de geluidsval te bevestigen in de muur. Bij verdere voorkeur omvat de geluidsval een scharnier dat is voorzien tussen het eerste wanddeel en het frame zodat het eerste wanddeel scharnierbaar is tussen een open positie en een gesloten positie, waarbij in de open positie de geluidsval minstens gedeeltelijk open is en waarbij in de gesloten positie het eerste wanddeel de kamer begrenst. Dit laat toe om onderhoud uit te voeren. Voorts laat dit ook toe om te reiken tot de genoemde ventilatie-eenheid zodat bijvoorbeeld functionele elementen zoals filters van de ventilatie-eenheid kunnen vervangen worden.
Bij voorkeur is de geluidsval voorzien om in een uitsparing in de muur te worden aangebracht en is de geluidsval ter plaatste van de luchtinlaat ingericht om een ruimte te voorzien tussen de geluidsval en de muur. Bij verder voorkeur wordt de ruimte begrensd door een afgeschuinde wand. Op deze wijze is een schaduwvoeg in de muur realiseerbaar.
Bij voorkeur omvat de geluidsval verder ten minste één eerste luchtfilter in het kanaal. Bij verdere voorkeur is de ten minste ene eerste luchtfilter voorzien ter plaatste van de luchtinlaat. Via de filter kan lucht gezuiverd worden. Ook kan verhinderd worden dat vuil en/of ongedierte via de lucht mee de ruimte wordt binnengezogen.
Bij voorkeur is een binnenwand van het kanaal minstens gedeeltelijk voorzien van een geluidsabsorberende laag. Bij verdere voorkeur is de geluidsabsorberende laag, minstens ter plaatste van de luchtuitlaat, voorzien van een naar binnengerichte zijde van het eerste wanddeel. Zo wordt de attenuatie van het geluid verder verbeterd.
Bij voorkeur is het kanaal hoofdzakelijk U-vormig. De U-vorm ligt bij voorkeur hoofdzakelijk in en vlak dat nagenoeg evenwijdig loopt met de binnenmuur.
Bij voorkeur bevat de geluidsval verder een tweede kamer in lijn met en gescheiden van de eerste kamer, welke tweede kamer voorzien is om een tweede luchtstroom doorheen de wand tussen een tweede luchtinlaat en een tweede luchtuitlaat te faciliteren.
Volgens een verder aspect voorziet de uitvinding verder in een decentrale ventilatie-unit verbonden met een wanddoorvoer zoals hierboven beschreven. Welke ventilatie-unit een warmtewisselaar en een behuizing bevat. De behuizing is ingericht om een eerste kanaal voor het laten stromen van lucht van buiten het gebouw naar binnen, een tweede kanaal voor het laten stromen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, en een warmtewisselaarsvoorziening ingericht om een warmte uitwisseling tussen een luchtstroom in het eerste kanaal en een luchtstroom in het tweede kanaal, te vormen. De decentrale ventilatie-unit is zodanig verbonden met de wanddoorvoer dat de kamer van de wanddoorvoer een verlengstuk vormt van minstens één van het eerste en het tweede kanaal van de ventilatie-unit.
De behuizing is bij voorkeur gevormd door een behuizingsamenstel dat een eerste behuizingsdeel en een tweede behuizingsdeel bevat die onderling verbindbaar en vormcompatibel zijn. Het eerste behuizingsdeel en het tweede behuizingsdeel zijn ingericht om elk minstens een gedeelte van een eerste kanaal voor het laten stromen van lucht van buiten het gebouw naar binnen, een tweede kanaal voor het laten stromen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, en een warmtewisselaarsvoorziening ingericht om de warmtewisselaar te ontvangen, te vormen. De decentrale ventilatie-unit is zodanig verbonden met de wanddoorvoer dat de kamer van de geluidsval bij voorkeur ter plaatse van de luchtuitlaat van het tweede kanaal van de ventilatie-unit is gepositioneerd.
De uitvinding zal nu nader worden beschreven aan de hand van een in de tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeeld. 5 In de tekening laat: figuur 1 een doorsnede zien van een eerste voorbeelduitvoeringsvorm van de uitvinding; figuur 2A, figuur 2B en figuur 2C elk een vooraanzicht zien van voorkeursuitvoeringsvorm van de wanddoorvoer met geluidsval; figuur 3 een perspectief aanzicht zien van een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de geluidsval; figuur 4 een schematische opstaande doorsnede zien van een ventilatie-unit verbonden met een wanddoorvoer bevattende een geluidsval; figuur 5 een ploftekening zien van een ventilatie-unit waarmee de uitvinding bij voorkeur gecombineerd is; en figuur 6 een liggende dwarsdoorsnede zien van een muur ter plaatse van de ventilatie-unit en de wanddoorvoer.
De volgende gedetailleerde beschrijving is gericht op bepaalde specifieke uitvoeringsvormen, de leer hierin kan echter op verschillende manieren worden toegepast. In de tekeningen is aan eenzelfde of analoog element eenzelfde verwijzingscijfer toegekend.
De onderhavige uitvinding zal worden beschreven met betrekking tot specifieke uitvoeringsvormen de uitvinding is echter niet daartoe beperkt, maar alleen door de conclusies.
Zoals hierin gebruikt, omvatten de enkelvoudsvorm "een", “het” en "de" zowel de enkelvouds- als meervoudsreferenties tenzij de context duidelijk anders dicteert.
De termen "omvattende", "omvat" en "samengesteld uit" zoals hierin gebruikt, zijn synoniem met "inclusief", "omvat" of "bevattend", "bevat". De termen "omvattende", "omvat" en "samengesteld uit" bij het verwijzen naar genoemde componenten, elementen of werkwijzestappen omvatten ook uitvoeringsvormen die "bestaan uit” de componenten, elementen of werkwijzestappen.
Verder worden de termen eerste, tweede, derde en verdere in de beschrijving en in de conclusies gebruikt om onderscheid te maken tussen vergelijkbare elementen en niet noodzakelijkerwijs voor het beschrijven van een opeenvolgende of chronologische volgorde, tenzij dit gespecificeerd is. Het is duidelijk dat de aldus gebruikte termen onderling uitwisselbaar zijn onder geschikte omstandigheden en dat de hierin beschreven uitvoeringsvormen van de uitvinding kunnen werken in andere volgorde dan hierin beschreven of geïllustreerd.
Verwijzing in deze specificatie naar “één uitvoering", “een uitvoering", “sommige aspecten", "een aspect" of "één aspect" betekent dat een bepaald kenmerk, structuur of kenmerk dat beschreven is in verband met de uitvoering of aspect is opgenomen in ten minste een uitvoeringsvorm van de onderhavige uitvinding. De verschijningsvormen van de zinnen "in één uitvoering", "in een uitvoering”, “sommige aspecten", "een aspect” of “één aspect" op verschillende plaatsen in deze specificatie verwijzen dus niet noodzakelijk allemaal naar dezelfde uitvoering of aspecten. Verder kunnen de specifieke kenmerken, structuren of kenmerken op elke geschikte wijze worden gecombineerd, zoals voor een vakman op dit gebied duidelijk zal zijn, in een of meer uitvoeringsvormen of aspecten. Verder zijn, hoewel sommige hierin beschreven uitvoeringsvormen of aspecten enkele maar geen andere kenmerken omvatten die in andere uitvoeringsvormen of aspecten zijn opgenomen, combinaties van kenmerken van verschillende uitvoeringsvormen of aspecten bedoeld om binnen de context van de uitvinding te vallen en om verschillende uitvoeringsvormen of aspecten te vormen, zoals zou worden begrepen door de vakman. In de bijgevoegde conclusies kunnen bijvoorbeeld alle kenmerken van de geclaimde uitvoeringsvormen of aspecten in elke combinatie worden gebruikt.
Figuur 1 toont een muur 1 van een gebouw. Figuur 1 toont de muur in een opstaande dwarsdoorsnede. De muur is schematisch voorgesteld en wordt in de praktijk typisch gevormd door een buitenmuur 3 en een binnenmuur 2. Om warmteverlies te beperken wordt tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 typisch een spouw 4 voorzien. De spouw 4 is gedefinieerd door een afstand tussen de binnenmuur en de buitenmuur, welke afstand door lucht of door een isolatiemateriaal gevuld kan zijn. Hierdoor wordt een thermische barrière gecreëerd tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 zodat energie in het gebouw kan vastgehouden worden. De buitenmuur 3 is gedefinieerd als de buitenschil van een gebouw. De binnenmuur 2 is gedefinieerd als de elementen die een binnenschil van een gebouw vormen, waarbij de binnenschil thermisch geïsoleerd is van de buitenschil. De vakman zal begrijpen dat de muren vervaardigd kunnen zijn uit verschillende soorten materialen zoals steen, hout, crepie, kunststofbekleding etc.
Figuur 1 toont verder een ventilatie-unit 7 die in de spouw 4 is aangebracht. De ventilatie- unit 7 maakt bij voorkeur deel uit van een ventilatiesysteem en laat toe om een gecontroleerde luchtstroom van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, doorheen de muur B, M te forceren.
Het ventilatiesysteem kan beschouwd worden als een decentraal ventilatiesysteem. Namelijk in een gebouw kunnen meerdere van dergelijke ventilatie-units 7 voorzien worden, bijvoorbeeld in meerdere kamers van het gebouw zoals de keuken, huiskamer, slaapkamer en/of badkamer. De werking van de decentrale ventilatie-units is afzonderlijk van elkaar stuurbaar. In figuur 1 is de ventilatie-unit 7 in de spouw 4 gemonteerd.
De ventilatie-unit 7 heeft een luchtverplaatsingseenheid met een luchtaanvoerzijde en een luchtafvoerzijde. De luchtaanvoerzijde staat in verbinding met een ruimte O via de binnenmuur 2.
De luchtafvoerzijde staat in verbinding met de buitenomgeving via de buitenmuur 3. Voor de vakman zal duidelijk zijn dat de luchtafvoerzijde eender waar in de buitenmuur kan worden aangebracht, zoals de dagkant van een raam bijvoorbeeld. Een voorbeeld van een luchtverplaatsingseenheid is een ventilator. Door lucht aan te voeren vanuit de ruimte O naar de luchtaanvoerzijde van de luchtverplaatsingseenheid, wordt aldus lucht onttrokken uit de ruimte O.
Dit aangeduid in figuur 1 met pijl L.
Figuur 1 toont in zijaanzicht een wanddoorvoer met een geluidsval 100 volgens een voorbeelduitvoeringsvorm. De geluidsval 100 is schematisch en in doorsnede geïllustreerd om het werkingsprincipe weer te geven. Zo stellen de blanco pijlen L een doorheen wanddoorvoer en de geluidsval 100 stromende luchtstroom voor.
De wandoorvoer voorzien om ingebouwd te worden in de binnenmuur 2 van het gebouw en omvat een luchtinlaat en een luchtuitlaat. In de figuur maakt de binnenmuur 2 deel uit van de wand 1 van het gebouw. Dit laat toe om de wandoorvoer weg te werken in de wand van het gebouw en een esthetisch mooi ogend resultaat te realiseren, in bijzonder wanneer deze in lijn ligt met de binnenmuur 2 zoals verder zal worden toegelicht.
De wanddoorvoer is voorzien van een geluidsval 100 tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat. De geluidsval 100 omvat een kamer 110 met een luchtinlaat 120 en een luchtuitlaat 130. De luchtinlaat van de wandoorvoer kan samenvallen met de luchtinlaat van de geluidsval 120.
De luchtinlaat 120 van de geluidsval 100 kan ook de luchtinlaat van de wandoorvoer vormen. De luchtuitlaat van de wandoorvoer kan ook samenvallen met de luchtuitlaat 130 van de geluidsval 100. De luchtuitlaat 130 van de geluidsval 100 kan dus ook de luchtuitlaat 130 van de wandoorvoer vormen. De luchtuitlaat en luchtinlaat van de wanddoorvoer en de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 van de geluidsval 100 worden onderling uitwisselbaar gebruikt in deze aanvrage. De luchtinlaat 120 staat in verbinding met de ruimte O en de luchtuitlaat 130 staat in verbinding met de luchtaanvoerzijde van de luchtverplaatsingsinrichting van de ventilatie-unit 7.
De kamer 110 vormt een kanaal 140 dat is ingericht om een luchtstroom tussen de luchtinlaat en de — luchtuitlaat af te bakenen. Het kanaal 140 is dus ingericht om de lucht van de luchtinlaat 120 naar de luchtuitlaat 130 te leiden. De luchtstroom wordt gerealiseerd door de luchtverplaatsingsinrichting die een onderdruk, door aanzuiging van lucht ter plaatste van de luchtuitlaat 130, creëert zodat een drukverschil heerst tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130. Dit drukverschil realiseert een luchtstroom van de luchtinlaat 120 naar de luchtuitlaat 130.
De kamer 110 omvat verder een schot 150 dat door de aanwezigheid in de kamer mede het kanaal 140 vormt. Het schot is voorzien in de kamer 110 zodat een rechtlijnige luchtstroom P tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 wordt verhinderd. Een dergelijke rechtlijnige luchtstroom P wordt ter verduidelijking in figuur 1 getoond maar is in de praktijk niet mogelijk.
Met rechtlijnig wordt bedoeld dat de luchtstroom in één rechte lijn van de luchtinlaat 120 naar de luchtuitlaat 130 kan stromen, zoals het geval zou zijn wanneer het schot 150 niet zou voorzien zijn.
In figuur 1 liggen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 rechtstreeks tegenover elkaar en bevindt het schot 150 zich tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130. Het schot 150 dwingt de luchtstroom te stromen om het schot 150 heen en vormt een hindernis voor geluid dat wordt geproduceerd door de luchtverplaatsingseenheid. Anders gezegd wordt een zichtlijnverbinding tussen de luchtinlaat 120 en de luchtinlaat 130 verbroken. Zonder het schot 150 zou geluid dat door de luchtverplaatsingseenheid wordt geproduceerd rechtlijnig van de luchtuitlaat 130 naar de luchtinlaat 120 kunnen propageren zonder noemenswaardig geattenueerd te worden. Doordat het schot 150 een hindernis vormt voor het geluid, dempt de geluidsval de rechtstreekse voortplanting van de geluidsgolven. Op deze manier ligt het aan de luchtverplaatsingsinrichting gerelateerde en in de ruimte waarneembare geluidsniveau noemenswaardig lager dan het daadwerkelijke door de luchtverplaatsingseenheid geproduceerde geluidsniveau. Het schot 150 laat toe om enerzijds de door de luchtverplaatsingsinrichting geproduceerde geluidsgolven noemenswaardig te absorberen in de kamer 110, bijvoorbeeld ter plaatste van de kamerwand die het kanaal 140 begrenst. Voorts zal het schot 150 zelf ook geluid absorberen. Het schot 150 laat toe om geluid te diffuseren doordat de geluidsgolven ter plaatste van de kamerwand van de kamer die het kanaal begrenst gereflecteerd worden. Het schot 150 zal zelf ook de geluidsgolven reflecteren. Doordat het schot 150 enerzijds geluidsgolven absorbeert en anderzijds diffuseert worden de geluidsgolven verzwakt en ondervindt de persoon die in de ruimte aanwezig is geen of minder geluidsoverlast. Opgemerkt wordt dat de stromingsrichting van de luchtstroom L en een propagatierichting van het door de luchtverplaatsingseenheid geproduceerde geluid in de geïllustreerde situatie tegengesteld zijn. Dit zal hieronder verder worden toegelicht. Daarbij wordt verder opgemerkt dat het werkingsprincipe van de geluidskamer eenzelfde uitwerking zal hebben wanneer de luchtstroom omgekeerd loopt, zijnde van de ventilator in de ventilatie-unit 7 naar de ruimte O.
De kamer 110 en het schot 150 kunnen uit eenzelfde materiaal vervaardigd zijn, bijvoorbeeld hout of kunststof. Een naar binnen gerichte wand van de kamer 110, bijvoorbeeld een _kamerwand die het kanaal 140 begrenst, alsook het schot 150 kunnen minstens gedeeltelijk voorzien zijn van een geluidsabsorberende laag. Zo wordt de attenuatie van het geluid verder verbeterd. De termen “attenueren” of “attenuatie”, in het engels “ to attenuate” of “attenuation” zijn in de context van de aanvrage synoniem gebruikt met termen zoals “verminderen” “afzwakken”, “verzachten” of “dempen”. De termen duiden op akoestische demping die een maat is voor het energieverlies van geluidsvoortplanting in een media, bv. lucht in de huidige context.
Bij voorkeur is de geluidsabsorberende laag, minstens ter plaatste van de luchtuitlaat 130, voorzien aan een naar binnengerichte zijde van het eerste wanddeel. Een dergelijke geluidsabsorberende laag kan gemaakt worden van een poreus of zacht materiaal zoals textiel of schuim. Ook de textuur en structuur van het oppervlak van de kamerwand en het oppervlak van het schot 150 hebben een invloed op de geluidsattenuatie. Zo kan een plooi in het oppervlak of geweven of andere niet-vlakke textuur de geluidsgolf verder afzwakken doordat de geluidsgolf in verscheidene reflectierichtingen worden gereflecteerd. Textuur en materiaalsoorten kunnen ook gecombineerd worden om de attenuatie verder te verbeteren. Verder wordt opgemerkt dat de geluidsabsorberende laag selectief kan aangebracht worden. Zo kan de geluidsabsorberende laag enkel ter plaatste van de luchtuitlaat 130 zijn aangebracht of over het hele oppervlak van een naar binnengerichte zijde van het kanaal. Verder kan de geluidsabsorberende laag in verscheidene gedeeltes worden aangebracht die elk afzonderlijk vervaardigd zijn van een bepaald materiaal.
De in figuur 1 getoonde voorkeursuitvoeringsvorm van de geluidsval 100 omvat een schot 150 dat zich vanaf een bovenwand neerwaarts uitstrekt. Bovenaan is het schot 150 bevestigd met de bovenwand, of ligt het schot 150 nagenoeg tegen de bovenwand aan om een luchtstroom tussen het schot 150 en de bovenwand nagenoeg volledig te verhinderen. Het schot 150 strekt zich uit tot op een voorafbepaalde afstand van een onderwand van de kamer 110. Er bevindt zich dus een opening tussen een onderste uiteinde van het schot 150 en de onderwand 112 van de kamer 110.
De geluidsval 100 heeft op deze manier een eerste kanaalgedeelte dat neerwaarts is georiënteerd en zich uitstrekt van de luchtinlaat 120 tot het onderste uiteinde van het schot 150, een tweede kanaalgedeelte dat opwaarts georiënteerd is en zich uitstrekt vanaf het onderste uiteinde van het schot 150 tot de luchtuitlaat 130, en een derde kanaalgedeelte dat zich tussen het onderste uiteinde van het schot 150 en de onderwand 112 van de kamer uitstrekt. In dit voorbeeld van het kanaal 140 is het kanaal hoofdzakelijk U-vormig. Opgemerkt wordt dat het schot 150 in overeenstemming met de positie van luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 is aangebracht. Wanneer de positie van de luchtinlaat en de luchtuitlaat wijzigen zal het duidelijk zijn dat het schot 150 overeenkomstig aangepast dient te worden. In de figuur hebben de kanaalgedeeltes een hoofdzakelijk gelijk doorsnedeoppervlak maar dat is niet essentieel. Zo kan het eerste kanaalgedeelte breder zijn dan het tweede kanaalgedeelte, en vice versa. Er kunnen ook obstructies zoals geluidsobstructies en/of geleiders in de kamer voorzien zijn, zoals verder zal worden toegelicht. In figuur 1 is het U- vormige kanaal getekend met een onderste been van de U dwars op de binnenmuur 2 terwijl het U- vormige kanaal in de praktijk bij voorkeur ligt met de U evenwijdig met de binnenmuur 2. De inlaat 120 en uitlaat 130 zijn dan bij voorkeur offset ten opzichte van elkaar voorzien zodat het ene opwaarste been van de U-vorm de inlaat 120 met het kanaal verbindt en het andere opwaarste been van de U-vorm de uitlaat 130 met het kanaal verbindt. Een dergelijke voorkeurs uitvoeringsvorm is in detail getoond in figuur 3. In een dergelijke voorkeurs uitvoeringsvorm zorgt het kanaal dat de lucht in meerdere richtingen evenwijdig met de binnenmuur 2 stroomt tussen de inlaat 120 en de uitlaat 130.
In figuur 1 is duidelijk zichtbaar dat de wandoorvoer, en bij uitbreiding, de geluidsval zodanig ingericht zijn om een luchtstroom minstens gedeeltelijk doorheen de wand M te faciliteren. De luchtstroom stroomt primair in een richting dwars op de wand. Hierbij is een oriëntatie van de wand niet essentieel, zo kan de wand een opstaande wand zijn, zoals in figuur 1 is geïllustreerd. De wand kan ook liggend georiënteerd zijn, bijvoorbeeld een plafondwand. Hoewel de luchtstroom primair in een richting dwars op de wand stroomt, verhindert de geluidsval 100 dat de luchtstroom rechtlijnig van de luchtinlaat 120 naar de luchtuitlaat 130 stroomt. De geluidsval 100 doet de luchtstroom dus secundair een afstand afleggen. Figuur 1 toont hoe de geluidsval 100 de luchtstroom secundair een afstand doet afleggen in een eerste richting. De eerste richting is hoofdzakelijk opstaand georiënteerd en ligt in een vlak dat nagenoeg evenwijdig ligt met de binnenwand. Echter, de geluidsval kan ingericht zijn om de luchtstroom secundair een afstand in meerdere richting te doen afleggen, zoals verder zal worden toegelicht. Een geluidsval 100 met een geheel analoge werking kan anders georiënteerd zijn, waarbij het schot zich van een eerste wand tot op een afstand van een tweede wand uitstrekt.
Figuur 1 toont dat het schot bij voorkeur is aangebracht om de luchtstroom langs een enkele primaire stromingspad te dwingen. Een primair stromingspad is een pad of weg waarlangs de luchtstroom voornamelijk stroomt, in de figuur is een eerste segment van het primaire stromingspad neerwaarts gericht. Een tweede segment van het primaire stromingspad stroomt horizontaal terwijl een derde segment van het primaire stromingspad opwaarts gericht is. De drie segmenten samen vormen een U-vormig pad of een U-vormige weg. Anders gezegd vormt het primaire stromingspad een U-bocht tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130. Door de grootte van het kanaal ruim genoeg te maken, wordt de luchtweerstand doorheen het kanaal nagenoeg niet verhoogd in vergelijking met een rechtlijnig kanaal. Hierdoor vergt het nauwelijks meer energie van de luchtverplaatsingseenheid om lucht doorheen het kanaal te leiden, zodat ook de geluidsproductie van de luchtverplaatsingseenheid niet verhoogt.
Figuur 1 toont verder dat een stromingshartlijn van de luchtstroom doorheen het kanaal een lengte kan hebben die groter is dan een rechtlijnige afstand tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130, bij voorkeur minstens 1.5 keer groter, meer bij voorkeur minstens 2 keer groter. In figuur 1 wordt de stromingshartlijn geïllustreerd aan de hand van de blanco pijlen aangeduid met het referentiecijfer L. De stromingshartlijn van de luchtstroom is een fictieve hartlijn die door nagenoeg het midden van het kanaal 140 loopt. Doordat de stromingshartlijn een lengte heeft die groter is dan de rechtlijnig afstand tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 attenueert de geluidsval op verbeterde wijze geluidsgolven. In het bijzonder geluidsgolven met een lagere frequentie, bijvoorbeeld 250 Hertz (Hz) of lager worden op verbeterde wijze geattenueerd.
Dergelijke lage frequentie geluidsgolven zijn moeilijker te attenueren dan hoge frequentie golven minstens omdat de energie van de lage frequentiegeluidsgolf minder snel dissipeert. Een rechtlijnige afstand zou bijvoorbeeld 10 cm kunnen zijn. Een lengte van het kanaal daarentegen kan bijvoorbeeld 20 cm zijn of meer, bijvoorbeeld 50 cm. Des te langer het kanaal is, des te efficiënter de geluidsval 100 lagere frequenties zal attenueren, althans binnen redelijke grenzen die door de vakman gekend zijn en/of eenvoudig getest kunnen worden.
Figuren 2A, 2B en 2C tonen verdere voorbeelden van een geluidsval 100. De figuren tonen een binnenmuur 2 in een vooraanzicht recht op de wand. De buitenmuur is in de figuren niet zichtbaar. Zoals in figuur 1 getoond, omvat de geluidsval 100 een bovenwand 111 en een onderwand 112. Tussen de boven- en onderwand 111, 112 strekken zich twee zijwanden 113 uit.
Deze zijwanden 113 strekken zich opwaarts uit in de binnenmuur 2. Het kanaal 140 wordt verder begrensd door een eerste wanddeel 114, en een tweede wanddeel. Het tweede wanddeel is niet getoond in figuren 2A, 2B en 2C doch wel zichtbaar in figuren 1 en 3, waar het tweede wanddeel aangeduid is met referentiecijfer 115. De zijwanden 113 zijn, anders gezegd tweede wanddelen van de kamer 110, die nagenoeg haaks staan op het eerste wanddeel 113. In vergelijking met het in figuur 1 geïllustreerde dwarsliggende kanaal, tonen figuren 2A, 2B en 2C een kanaal 140 dat in een vlak ligt dat nagenoeg evenwijdig is met de binnenwand. Op deze manier kan de geluidsval de luchtstroom secundair een afstand doen afleggen in een richtingen gelegen in een vlak dat nagenoeg evenwijdig is met de binnenwand 2. Uit de voorbeelduitvoeringsvormen van figuren 2A, 2B, en 2C zal duidelijk blijken dat de geluidsval tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat de luchtstroom secundair een afstand doet afleggen in meerdere richtingen gelegen in een vlak dat nagenoeg evenwijdig ligt met de binnenwand. Deze afstand is noemenswaardig groter dan de rechte afstand tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat.
Figuren ZA, 2B en 2C tonen dat de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 op verschillende locaties kunnen zijn voorzien of dat meer dan één luchtinlaat en/of luchtuitlaat kan worden voorzien. Dit laat bijvoorbeeld toe om de totale luchtinlaatopening te vergroten. Zo toont figuur 2A bijvoorbeeld dat twee of meer luchtinlaten 120 voorzien kunnen worden. Eén van de twee luchtinlaten 120 is voorzien in de bovenwand 111 van de kamer 110. Een andere van de twee luchtinlaten is voorzien in een zijwand 113 van de kamer 110. Voorts tonen figuren 2A, 2B en 2C ook dat de oriëntatie van de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 ten opzichte van het kanaal op verschillende manieren kunnen voorzien zijn. Zo wordt in figuren 2A, 2B en 2C getoond dat de luchtinlaat 120 dwars georiënteerd is op de wand 2. In vergelijking, in figuur 1 is de luchtinlaat 120 evenwijdig met de binnenwand georiënteerd. Figuur 2A toont dan weer dat de inlaatopening zowel liggend als opstaand georiënteerd kan zijn. Verder tonen 2A, 2B en 2C dat de luchtuitlaat 130 in een vlak ligt evenwijdig met de binnenmuur 2. de luchtuitlaat en de luchtinlaat kunnen dus haaks ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd.
Figuur 2A toont dat de luchtuitlaat 130 in een eerste wanddeel 114 voorzien is. Dit eerste wanddeel 114 bevindt zich ter zijde van de spouw en ligt bij voorkeur in een vlak evenwijdig met de binnenwand. De luchtuitlaat kan gepositioneerd zijn ter hoogte van de luchtinlaat doch aan een andere zijde van het schot 150 om te verhinderen dat de luchtstroom rechtlijnig van de luchtinlaat naar de luchtuitlaat kan stromen. Uit de figuur blijkt dat de luchtuitlaat 130 dwars gericht kan zijn ten opzichte van elk van de luchtinlaten 120. Het eerste wanddeel (niet getoond op figuren 2A, 2B en 2C) is bij voorkeur voorzien om tegenover de luchtuitlaat 130 te liggen. Geluid dat doorheen de luchtuitlaat propageert zal op deze manier dus nagenoeg onmiddellijk botsen op het eerste wanddeel (niet getoond). Op ingenieuze wijze wordt dus een extra geluidsobstructie voorzien zonder daarbij een doorvoeropening van het kanaal 140 te reduceren zodat de luchtweerstand laag blijft. Enerzijds botsen de door de luchtverplaatsingseenheid geproduceerde geluidsgolven rechtstreek op het eerste wanddeel waardoor de geluidsgolven reeds vroegtijdig worden geattenueerd. Anderzijds blijft de luchtdrukval in het kanaal beperkt waardoor de luchtverplaatsingseenheid efficiënt blijft functioneren.
Figuur 2B toont een voorbeeld van de geluidsval 100 met minstens één geluidsobstructie 161, 162 in het kanaal, welke obstructie 161, 162 ingericht is om geluid minstens gedeeltelijk te dempen of te weerkaatsen. Dit verbetert de absorptie en diffusie van geluidsgolven in het kanaal verder. Figuur 2B toont dat de geluidsval 100 realiseerbaar is met twee of meer geluidsobstructies 161, 162. Zo is een voorbeeld getoond met twee geluidsobstructie 161, 162. Een eerste geluidsobstructies 161 is ter plaatste van een uiteinde van het schot 150 voorzien. Voor de vakman zal duidelijk zijn dat de geluidsobstructie 161 zich ook op een andere plaats in het kanaal kan bevinden en zelfs op meerdere plaatsen kan bevinden. Op deze manier wordt hoofdzakelijk de diffusie van geluidsgolven verder verbeterd, in bijzonder omdat er meer reflectie van het geluid in het kanaal 140 plaatsvindt.
Figuur 2B toont verder dat een tweede geluidsobstructie is voorzien tegen de onderwand.
De tweede geluidsobstructie strekt zich uit in het kanaal ter plaatste van het tweede kanaalgedeelte.
De tweede geluidsobstructie creëert twee nissen. Vermoed wordt dat deze nissen hoofdzakelijk verhinderen dat het geluid rond het schot zal propageren doordat deze nissen de geluidsgolven ten minste gedeeltelijk terug reflecteren in een richting van de luchtuitlaat of luchtinlaat. Testen hebben aangetoond dat de in figuur 2B getoonde uitvoeringsvorm bijzonder effectief is in het _ attenueren van geluidspropagatie van de luchtuitlaat 130 naar de luchtinlaat 120. Daarbij wordt opgemerkt dat een dergelijke geluidsobstructie 162 eenvoudig te produceren is. Wanneer te veel soortgelijke geluidsobstructies geplaatst worden, wordt een te hoge drukval gegenereerd waardoor de luchtverplaatsingseenheid minder efficiënt werkt en meer geluid zal produceren. Het geniet dan ook de voorkeur dat het aantal geluidsobstructies beperkt blijft en het aantal geluidsobstructies zoals in figuur 2B getoond zijn, worden voorzien. Opgemerkt wordt dat de geluidsobstructies ook op andere manieren kunnen worden voorzien.
Figuur 2C toont nog een verder voorbeeld van een geluidsval 100. In figuur 2C is een geleider 170 voorzien om het kanaal 140 op te delen in minstens twee subkanalen 141, 142 die een verschillende lengte tussen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 definiëren. Opgemerkt wordt dat de geleider geen noemenswaardige stromingsobstructie zal vormen omdat de geleider hoofdzakelijk de luchtstroom zal leiden doorheen het kanaal. De geleider 170 kan maar hoeft niet noodzakelijk geluidsattenuerend ingericht te zijn. Zo kan de geleider 170 voorzien zijn van een geluidsabsorberend textiel maar kan de geleider 170 ook vervaardigd zijn van een hard materiaal.
Het voordeel hiervan is gebaseerd op het inzicht de verschillende lengte van de subkanalen 141, 142 toe laat om geluidsgolven in een breder frequentiebereik te attenueren. Zo zal het subkanaal 142 met de langere lengte op verbeterde wijze geluidsgolven met lagere frequentie attenueren en zal het subkanaal 141, met een in vergelijking kleinere lengte, geluidsgolven met hogere frequentie attenueren.
Verder wordt opgemerkt dat een stromingsrichting van de luchtstroom doorheen de doorvoeropening in meerdere verschillende richtingen kan stromen. Zoals hierboven beschreven kunnen de luchtinlaat 120 en de luchtuitlaat 130 op verschillende posities en op verschillende wijzen worden georiënteerd. Een stromingsrichting van de luchtstroom in een geluidsvaldeel, bijvoorbeeld het kanaal 140, is hoofdzakelijk evenwijdig met de binnenmuur 2 gericht. Ter plaatste van de luchtuitlaat 130 die zelf in een vlak ligt dat ook evenwijdig ligt met de muur moet de stromingsrichting van de luchtstroom draaien van een met de muur evenwijdige richting naar een richting die dwars gericht is op de muur. Zo kan de luchtstroom, langs de luchtuitlaat 130, via een muurdoorvoerdeel naar buiten worden geleid.
In elk van de uitvoeringen uit figuren 1 en 2A — 2C is de luchtinlaat 120 offset ten opzichte van de luchtuitlaat 130 gepositioneerd. Met offset wordt bedoeld dat de luchtinlaat 120 en luchtuitlaat 130, geprojecteerd op het vlak van de binnenmuur 2 niet samenvallen. Daarbij zal duidelijk zijn dat een projectie in een richting dwars op de binnenmuur 2 wordt gemaakt.
Figuur 3 toont een perspectief aanzicht van een verdere voorkeursuitvoeringsvorm van de geluidsval 100. De figuur toont de geluidsval in een voorkeurs uitvoeringsvorm waarbij de geluidval functioneel verbonden is met een decentrale ventilatie-unit 7 zoals die verder in figuur 5 zal worden beschreven. Figuur 3 toont verder een dagkantafwerking 13.
Figuur 3 toont de geluidsval 100 in een open toestand. De geluidsval 100 is opgebouwd met een vast gedeelte of frame 180 dat ingebouwd kan worden in een binnenmuur. Via scharnieren 190 is het frame 180 verbonden met een deurdeel (nummer). Wanneer dit deurdeel gesloten wordt door het roteren van het deurdeel naar het frame 180, vormt zich de kamer met het kanaal 140 dat de buitengrenzen van de luchtstroom definieert.
De geluidsval 100 is voorzien van een eerste kamer 110 en een tweede kamer 210. De eerste kamer 110 is een kamer zoals hierboven reeds uitvoerig besproken. Zo omvat de eerste kamer 110 twee geluidsobstructies 161, 162 zoals in figuur 2B getoond. Figuur 3 toont verder het tweede wanddeel 115 van de kamer 110.
Figuur 3 toont voorts dat het schot 150 zich niet noodzakelijk recht hoeft uit te strekken.
Zo kan ook een gelijkaardig, hoofdzakelijk U-vormig kanaal gevormd worden op de wijze getoond in figuur 3, bijvoorbeeld door zich vanaf een zijwand 113 nagenoeg horizontaal en inwaarts uit te strekken en vervolgens een bocht te vormen in de richting van de onderwand waar de tweede geluidsobstructie 162 is gevormd.
In figuur 3 is de muur van het gebouw niet getoond om te illustreren dat de wanddoorvoer een frame 180 kan omvatten. Het frame 180 is ingericht om de geluidsval te bevestigen in de muur.
Het frame 180 kan ook voorzien zijn om functioneel verbonden te worden met een ventilatie-unit 7 in de spouw. Het frame 180 laat toe om de geluidsval 100 robuust in de muur te bevestigen. Zo laat het frame bijvoorbeeld toe om de geluidsval 100 minstens gedeeltelijk scharnierbaar ten opzichte van de muur te monteren, bij voorkeur ten opzichte van het frame 180. Hiertoe kan een scharnier 190 tussen het frame 180 en enkele wanden van de geluidsval 100 voorzien zijn. Op deze wijze is een deurdeel van de geluidsval scharnierbaar tussen een open positie en een gesloten positie.
Figuur 3 toont de geluidsval 100 in een open positie. Wanneer de geluidsval 100 zich in de gesloten positie bevindt, fungeert het tweede wanddeel 115 als deksel en de randen van de wanden 113, 111, 112, 113, als afdichting tussen het eerste wanddeel 114 en het tweede wanddeel 115.
Door het scharnier 190 is de kamer dus steeds vrij toegankelijk om bijvoorbeeld onderhoud uit te voeren. Voorts laat dit ook toe om te reiken tot de genoemde ventilatie-eenheid zodat bijvoorbeeld functionele elementen, zoals de luchtverplaatsingseenheid, van de ventilatie-eenheid kunnen vervangen worden, hardware en/of software updates kunnen uitgevoerd worden enzoverder. Het zal duidelijk zijn dat, wanneer de geluidsval 100 zich in de gesloten positie bevindt, het tweede wanddeel zich tegenover en op een afstand van de luchtuitlaat 130 bevindt. De afstand tussen het eerste wanddeel 114 en het tweede wanddeel 115 komt overeen met een hoogte van het kanaal, alsook met de hoogte van de wanddelen 113, 112, 111 als met de hoogte van het schot 150. Deze hoogte is minstens 2 cm, bij voorkeur minstens 4 cm, meer bij voorkeur minstens 6 cm, meest bij voorkeur minstens 8cm, en is maximum 18cm, bij voorkeur maximum 16cm, meer bij voorkeur maximum 14cm en meest bij voorkeur maximum 12cm, en is bijvoorbeeld ongeveer 10 cm.
De in figuur 3 getoonde geluidsval 100 omvat twee luchtinlaten 120. Deze luchtinlaten zijn bij voorkeur voorzien van een luchtfilter. De luchtinlaten hebben bij voorkeur een hoofdzakelijk gelijke afmeting. Dit laat toe om de filters te standaardiseren op basis van afmeting zodat variaties in wisselstukken beperkt blijven. De filters vormen, wanneer ze geplaatst zijn, minstens een gedeelte van de wanden 112, 111 om zo de openingen te vormen. De filters verhinderen dat stof, vuil en ongedierte het kanaal 140 kunnen binnenkomen. Dezelfde filters met dezelfde afmetingen kunnen bij voorkeur ook gebruikt worden als uitlaat uit de hieronder besproken verdere tweede kamer 210.
De geluidsval 100 is verder bij voorkeur voorzien om in een uitsparing in de muur te worden aangebracht, bijvoorbeeld met behulp van het frame 180. Bovendien is ter plaatste van de luchtinlaat de geluidsval 100 ingericht om een ruimte te voorzien tussen de geluidsval 100 en het frame 180. Anders gezegd bevindt een gedeelte van een buitenste zijde van de wanden 111 en 113 van de geluidsval 100 zich op een afstand van een daar tegenoverliggend gedeelte van het frame 180. Hierbij wordt opgemerkt dat het frame 180 niet noodzakelijk rechtstreeks tussen de wanden 111 en 113 geplaatst moet zijn. De buitenste zijden van de geluidsval kunnen afgeschuind zijn waarbij de dikte afneemt richting de ventilatie-unit 7. Op deze manier is de geluidsval ingericht om ineen uitsparing van de muur aangebracht te worden en een ruimte te voorzien tussen de geluidsval 100 en het frame 180. De wanden vormen een zogenaamde schaduwvoeg op deze manier en laten toe dat lucht via deze schaduwvoeg kan aangezogen worden. Op deze manier wordt nagenoeg de gehele geluidsval onttrokken aan het zicht zodat de geluidsval in nagenoeg elke wand kan verwerkt worden zonder een esthetische verstoring te veroorzaken. Bovendien houdt dit de drukval laag.
In figuur 3 is de geluidsval 100 hoofdzakelijk balkvormig. Hierbij hebben de bovenwand 111, onderwand 112, en de twee zijwanden 113 nagenoeg dezelfde breedte, bijvoorbeeld 10 cm.
Het zal duidelijk zijn dat de breedte van de wanden 111, 112 en 113 de maat dwars op de muur is.
De twee zijwanden 113 hebben in vergelijking met de bovenwand 113 en de onderwand 112 een grotere lengte, bijvoorbeeld 75 cm ten opzichte van 40 cm.
Zoals in figuur 3 getoond kan de muurdoorvoer een tweede kamer 210 omvatten. Deze kamer is voorzien zodat zowel de uitstroom van lucht uit de ruimte alsook de instroom van lucht op één locatie in de muur kan worden gefaciliteerd. Het is niet essentieel dat de tweede kamer 210 voorzien is van een schot omdat het geluid dat geproduceerd wordt reeds gedeeltelijk doch noemenswaardig wordt geattenueerd in de ventilatie-unit zelf. Alternatief wordt ook de tweede kamer 210 voorzien van een geluidsval zoals hierboven beschreven. Verdere alternatieve uitvoeringen waarbij enkel de onderste kamer voorzien is van een geluidsval zijn ook mogelijk.
Figuur 4 toont een schematische doorsnede, in zijaanzicht, van een wanddoorvoer met een geluidsval 100 die verbonden is aan een decentrale ventilatie-unit 7. De geluidsval 100 en decentrale ventilatie-unit 7 zijn schematisch en in doorsnede geïllustreerd om het werkingsprincipe weer te geven. De geluidsval 100 omvat een eerste kamer 110 en een tweede kamer 210. De eerste en tweede kamer 110, 210 werden hierboven reeds uitvoerig besproken, in figuur 4 is aan eenzelfde of analoog element eenzelfde verwijzingscijfer toegekend zoals in figuren 1, 2A, 2B, 2C en 3 werd weergeven. Voorts stellen de blanco pijlen L een doorheen de wanddoorvoer en de geluidsval 100 stromende luchtstroom voor.
Figuur 4 toont dat een decentrale ventilatie-unit 7 verbonden is met een wanddoorvoer bevattende de geluidsval 100 zoals hierboven beschreven. De decentrale ventilatie-unit 7 bevat een warmtewisselaar (niet getoond) en een behuizing. De behuizing is ingericht om een eerste kanaal 20 voor het laten stromen van lucht van buiten het gebouw naar binnen, een tweede kanaal 30 voor het laten stromen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, en een warmtewisselaarsvoorziening ingericht om een warmte uitwisseling tussen een luchtstroom in het eerste kanaal 20 en een luchtstroom in het tweede kanaal 30, te vormen. Het eerste kanaal van de decentrale ventilatie-unit wordt ook wel een eerste ventilatiekanaal genoemd. Het tweede kanaal van de decentrale ventilatie-unit wordt ook wel een tweede ventilatiekanaal genoemd. In de figuur is getoond hoe het eerste kanaal 20 zich uitstrekt tussen een aanzuigopening 21 naar een uitblaasopening 22 van het eerste kanaal 20. Verder strekt het tweede kanaal 30 zich uit tussen een aanzuigopening 31 en een uitblaasopening 32. Figuur 4 toont verder dat de decentrale ventilatie- unit 7 zodanig is verbonden met de wanddoorvoer dat de kamer 110 van de wanddoorvoer een verlengstuk vormt van minstens één van het eerste en het tweede kanaal van de ventilatie-unit. Zo staat de aanzuigopening 31 van het tweede kanaal 30 bij voorkeur in verbinding met de luchtuitlaat 130 van de eerste kamer en staat de uitblaasopening 22 van het eerste kanaal 20 bij voorkeur in verbinding met de luchtinlaat 220 van de tweede kamer. In bijzonder vormt de eerste kamer 110 een verlengstuk van het tweede kanaal 30 en vormt de tweede kamer een verlengstuk van het eerste kanaal 20. Om lucht aan te voeren in de ruimte O is een luchtuitlaat 230 in de tweede kamer 210 voorzien. Het geniet de voorkeur dat de decentrale ventilatie-unit zodanig is verbonden met de wanddoorvoer dat de kamer 110 van de geluidsval 100 ter plaatse van de luchtinlaat 31 van het tweede kanaal 30 van de ventilatie-unit 7 is gepositioneerd.
Figuur 4 toont verder dat de ventilatie-unit 7 bij voorkeur voorzien is om geplaatst te worden in een spouw van een gebouw. Daarbij heeft de ventilatie-unit bij voorkeur een omkasting die vast voorzien is in de spouw en één of meerdere functionele modules die in en uit de omkasting kunnen gemonteerd worden. Met vast voorzien wordt bedoeld dat de omkasting niet kan verwijderd worden zonder ingrijpende werken uit te voeren. Dergelijke ingrijpende werken zijn vaak minstens gedeeltelijk destructief en vereisen bijvoorbeeld het afbreken van een gedeelte van een muur. De uitblaasopening 32 van het tweede ventilatiekanaal 30 en de aanzuigopening 21 van het eerste ventilatiekanaal 20 bevinden zich ter plaatste van een eerste zijde de ventilatie-unit 7 die bij voorkeur opstaand gericht is. De eerste zijde wordt in gemonteerde toestand bij voorkeur evenwijdig met een dagkant georiënteerd. In de context van deze aanvrage wordt een dagkant als volgt beschreven. Wanneer een opening voorzien wordt in een muur, wordt ook de dagkant gevormd. De dagkant is gedefinieerd als een rechte, afgeschuinde of geprofileerde binnenkant van een raamopening, poortopening of boogopening, welke binnenkant bij voorkeur dwars of nagenoeg dwars op de muur staat. Bij voorkeur staat de dagkant steeds loodrecht op de muur. In de praktijk ligt de eerste zijde bij voorkeur nagenoeg in lijn met de dagkant. Voor de vakman zal echter ook duidelijk zijn dat de eerste zijde evenwijdig met en op een afstand van de dagkant kan liggen, bijvoorbeeld 20 cm van de dagkant.
Figuur 5 toont een muur 1 van een gebouw waarin een opening voorzien is voor montage van een raam. Ramen worden typisch voorzien om licht in een gebouw te laten schijnen.
Een raam is een voorbeeld van een functionele opening in een gebouw. Andere functionele openingen omvatten deuren, poorten, schuiframen en andere soortgelijke openingen. Functionele openingen worden dan ook typisch in een muur 1 voorzien die een binnenmuur 2 hebben, grenzend aan een binnenzijde van het gebouw, en een buitenmuur 3 hebben, voorzien aan een buitenzijde van het gebouw. Om warmteverlies te beperken wordt tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 typisch een spouw 4 voorzien. De spouw is gedefinieerd door een afstand tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3, welke afstand door lucht of door een isolatiemateriaal gevuld is. Hierdoor wordt een thermische barrière gecreëerd tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 zodat energie in het gebouw kan vastgehouden worden. In deze beschrijving wordt van binnenmuur 2, buitenmuur 3 en spouw 4 gesproken, echter daarbij zal duidelijk zijn dat dit geen traditionele manier van bouwen impliceert. Een buitenmuur 3 is gedefinieerd als de buitenschil van een gebouw. De binnenmuur 2 is gedefinieerd als de elementen die een binnenschil van een gebouw vormen, waarbij de binnenschil thermisch geïsoleerd is van de buitenschil. De spouw 4 is gedefinieerd als de ruimte en/of de elementen die de binnenschil en de buitenschil minstens gedeeltelijk thermisch van elkaar scheiden. De buitenmuur kan gevormd zijn uit steen, metaal, hout, crepie of ander geschikt materiaal om een buitenschil van een gebouw mee te vormen.
Spouw kan gevormd zijn door isolatieplaten of schuim die vast verbonden zijn met binnen- en/of buitenmuur. Alternatief kan de spouw gevormd worden door een luchtlaag. De buitenmuur 3 is niet noodzakelijk zelfdragend, en kan via de spouw 4 structureel met de binnenmuur verbonden zijn.
Recente regelgeving en moderne technieken gaan nog een stap verder dan het creëren van thermische onderbreking tussen de buitenmuur 3 en binnenmuur 2 en voorzien ook een luchtdichte folie in de muur 1 met als theoretisch doel om de binnenruimte luchtdicht in te pakken.
Door deze luchtdichte folie kan lucht binnen in het gebouw niet noemenswaardig, of ten minste niet ongecontroleerd en noemenswaardig, uitwisselen met lucht buiten het gebouw. Hierdoor kan energieverlies verder beperkt worden. Deze luchtdichte folie dient aangesloten te worden aan het raam wanneer het raam in de opening geplaatst wordt.
Reeds jaren is bekend om ook raamprofielen, waarmee ramen opgebouwd worden, van een thermische onderbreking te voorzien zodanig dat de profielen een buitendeel en een binnendeel bevatten, waarbij het buitendeel voorzien is om aan de buitenzijde van het gebouw te liggen en het binnendeel voorzien is om aan de binnenzijde van het gebouw te liggen. Dergelijke raamprofielen worden dan gemonteerd ofwel met hun buitendeel tegen de buitenmuur 3, ofwel met hun binnendeel tegen de binnenmuur 2. Hierdoor kan de thermische onderbreking die tussen de buitenmuur 3 en binnenmuur 2 voorzien is doorgetrokken worden naar het raam. Op die manier kan de thermische onderbreking doorlopend gevormd zijn zodat geen koudebruggen ontstaan die energie-uitwisseling van buiten naar binnen in het gebouw en omgekeerd faciliteren. Daarbij zal voor de vakman duidelijk zijn dat als zowel binnendeel als buitendeel van een raam op één van een buitenmuur 3 of binnenmuur 2 geplaatst wordt, een ongewenste warmte-uitwisseling gefaciliteerd zou worden tussen ofwel buitenmuur en binnendeel van het raamprofiel ofwel binnenmuur en buitendeel van het raamprofiel zodat een koudebrug ontstaat. De luchtdichte folie die in de muur 1 voorzien is, wordt tegen een rand van het raamprofiel gekleefd om luchtdicht aan te sluiten tegen het raamprofiel. Door het voorzien van een raam in een opening van een gebouw rekening houdend met de aspecten die hierboven zijn beschreven, kan een gebouw met een raam energetisch geoptimaliseerd worden.
Wanneer een opening voorzien wordt in een muur 1, wordt ook een zogenaamde dagkant gevormd. De dagkant is gedefinieerd als een rechte, afgeschuinde of geprofileerde binnenkant van een raamopening, poortopening of boogopening, welke binnenkant bij voorkeur dwars of nagenoeg dwars op de muur staat. Bij voorkeur staat de dagkant steeds loodrecht op de muur. De dagkant toont de dikte van de binnenmuur 2, de dikte van de spouw 4 en de dikte van de buitenmuur 3. Figuur 5 toont een gedeelte van de opstaande dagkant en een gedeelte van de bovenste dagkant van een raamopening.
Figuur 5 toont verder een ventilatie-unit 7. De ventilatie-unit maakt bij voorkeur deel uit van een ventilatiesysteem en laat toe om een gecontroleerde luchtstroom van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, doorheen de muur 1, te forceren. Meerdere dergelijke ventilatie- units kunnen in meerdere respectievelijke kamers van een gebouw geplaatst worden om samen het ventilatiesysteem van het gebouw te vormen. Omdat elke ventilatie-unit uit het ventilatiesysteem individueel opereert, kan het ventilatiesysteem uitgelegd worden in deze beschrijving door de werking van één ventilatie-unit te beschrijven. Het zal daarbij duidelijk zijn dat meerdere ventilatie-units wel onafhankelijk kunnen werken, maar dat de vakman deze operationeel kan koppelen om een vooraf bepaalde werkingsinteractie te krijgen tussen de verschillende ventilatie- units in het ventilatiesysteem.
De ventilatie-unit uit het ventilatiesysteem is opgebouwd met een omkasting 5 en één of meerdere modules die voorzien zijn van een warmtewisselaar voor een energie-uitwisseling tussen de instromende en uitstromende lucht. Het ventilatiesysteem kan beschouwd worden als een decentraal ventilatiesysteem. Namelijk in een gebouw kunnen meerdere van dergelijke ventilatie- units 7 voorzien worden, bijvoorbeeld bij meerdere raamopeningen in meerdere kamers van het gebouw, waarvan de werking afzonderlijk van elkaar stuurbaar is.
Figuur 5 toont de omkasting 5 van de ventilatie-unit 7. De omkasting 5 is zo gevormd dat ze vast voorzien kan worden in de spouw van een gebouw. Met vast voorzien wordt bedoeld dat de omkasting 5 niet kan verwijderd worden zonder ingrijpende werken uit te voeren.
Dergelijke ingrijpende werken zijn vaak minstens gedeeltelijk destructief en vereisen bijvoorbeeld het afbreken van een gedeelte van een muur. Hiertoe is de omkasting 5 aan een buitenzijde voorzien van bevestigingsmiddelen. Bij voorkeur zijn deze bevestigingsmiddelen voorzien ter plaatse van, dit wil zeggen in een nabijheid van, de eerste zijde 8. De omkasting 5 heeft een eerste zijde 8 die bij voorkeur opstaand gericht is. De eerste zijde 8 wordt in gemonteerde toestand evenwijdig met de dagkant georiënteerd. Ook is de eerste zijde 8 gericht naar de dagkant, dit wil zeggen dat de eerste zijde 8 van alle zijdes het dichtst bij de dagkant ligt. In de praktijk ligt de eerste zijde 8 volgens een eerste uitvoeringsvorm zoals getoond in figuren 1 en 2 nagenoeg in lijn met de dagkant of ligt de eerste zijde 8 volgens een tweede uitvoeringsvorm zoals getoond in figuren 3-5 evenwijdig met, en op een afstand van de dagkant, waarbij de afstand bij voorkeur kleiner is dan 15cm, meer bij voorkeur kleiner is dan 10cm. De eerste zijde 8 van de omkasting 5 is voorzien van een opening 9. In de getoonde uitvoering strekt de opening 9 zich uit over nagenoeg de gehele eerste zijde 8.
De omkasting 5 heeft een tweede zijde 5 die voorzien is om evenwijdig te liggen met de muur. De tweede zijde 5 heeft meerdere openingen 35’en 37’, hieronder verder toegelicht.
De tweede zijde 5 ligt bij voorkeur aan tegen de binnenmuur 2 wanneer het raam op of bij de binnenmuur gemonteerd is, en ligt bij voorkeur aan tegen de buitenmuur wanneer het raam op of bij de buitenmuur gemonteerd is. Hierdoor zal steeds één van de eerste zijde en tweede zijde naar buiten aanliggen en zal een andere van de eerste zijde en tweede zijde naar binnen aanliggen.
Hierboven is uitgebreid besproken hoe de binnenmuur 2 kan voorzien worden van een doorvoer wanneer de tweede zijde 5 aanligt tegen de binnenmuur 2. De omkasting heeft een maximale buitenafmeting, gemeten dwars op de tweede zijde, van 30cm, bij voorkeur 25cm, meer bij voorkeur 21cm, om mogelijk te maken dat de gehele omkasting in de muur ingebouwd wordt. Dit wil zeggen dat de gehele omkasting zich na het bevestigen daarvan in de muur tussen een binnenschil en buitenschil van de muur bevindt.
De omkasting 5 heeft verder een derde zijde 11 die bij voorkeur de bodemzijde van de omkasting 5 vormt. De derde zijde 11 heeft een afwateropening 12 om condens en ander water dat de omkasting 5 is binnengekomen af te voeren.
De omkasting 5 is bij voorkeur balkvormig. Dit wil zeggen dat tegenover de eerste zijde een verdere eerste zijde ligt met een oppervlakte die nagenoeg gelijk is aan die van de eerste zijde. Ook tegenover de tweede en de derde zijde liggen verdere tweede en verdere derde zijdes, respectievelijk, die nagenoeg gelijke oppervlaktes hebben aan die van de tweede en derde zijde, respectievelijk. Het aldus verkregen balkvormige omkasting is eenvoudig in te bouwen in een spouw 4. De eerste zijde 8 is bij voorkeur kleiner dan de tweede zijde 10. De eerste en de tweede zijde 8 en 10 staan bij voorkeur opwaarts. De derde zijde 11 is bij voorkeur kleiner dan de eerste zijde 8. Hierdoor is de inbouwdiepte voor functionele modules 6 kleiner dan de inbouwhoogte via de eerste zijde 8. De derde zijde 11 strekt zich bij voorkeur liggend uit als bodemvlak.
Figuur 5 toont schematisch één of meerdere functionele modules 6 van een ventilatie-unit 7. De functionele modules 6 kunnen ingebouwd worden in de omkasting 5 via de opening 9 in de eerste zijde 8. Ook kunnen de functionele modules 6 gedemonteerd worden uit de omkasting 5 via de opening 9 in de eerste zijde 8. In figuur 5 is voor de eenvoud één functionele module getoond die alle functies omvat. De functionele modules 6 bevatten bij voorkeur een eerste behuizingsdeel en het tweede behuizingsdeel met daarin één of meerdere van de sensoren, ventilatoren en warmtewisselaar. De omkasting 5 is hiertoe gevormd met afmeting die overeenstemmen met een gemonteerd samenstel van eerste behuizingsdeel en tweede behuizingsdeel zodanig dat de behuizingsdelen in gemonteerde toestand in en uit de omkasting kunnen gemonteerd worden via de eerste zijde 8. Daarbij zal in gemonteerde toestand de eerste zijde 8 van de omkasting 5 nagenoeg samenvallen met de hierboven beschreven eerste zijde A van het behuizingsamenstel.
De warmtewisselaar 24 is van het type lucht-lucht, zodat een warmte-uitwisseling tussen een eerste en een tweede luchtstroom mogelijk is. Hiertoe is de warmtewisselaar 24 voorzien voor het kruislings laten vloeien van de luchtstromen ten opzichte van elkaar op zodanige wijze dat warmte-uitwisseling tussen de stromen geoptimaliseerd is. Lucht-lucht warmtewisselaars zijn bekend, en de details van deze warmtewisselaar en zijn daarom niet verder in detail beschreven in deze beschrijving. De warmtewisselaar kan voorzien zijn om enkel warmte uit te wisselen, maar kan ook een zogenaamde recuperator zijn. Met een recuperator wordt niet enkel warmte uitgewisseld, maar wordt ook vocht gerecupereerd. Dit wordt ook een enthalpiewarmtewisselaar genoemd.
Het tweede kanaal 30 start ter plaatse van een tweede aanzuigopening 31 die voorzien is in een tweede zijde van de ventilatie-unit die, wanneer de ventilatie-unit 7 in de muur ingebouwd is, grenst aan een binnenzijde van het gebouw. De eerste uitblaasopening 22 is voorzien voor het laten uitstromen via het eerste kanaal 20 van lucht naar de ruimte van buiten naar binnen.
Wanneer het behuizingsamenstel gemonteerd is in de omkasting 5, is de tweede aanzuigopening 31 gealigneerd met de opening 35’ en is de eerste uitblaasopening 22 gealigneerd met de opening 37’.
De ventilatie-unit 7 bevat optioneel verder een vijfde opening 36 die bij voorkeur gevormd is in dezelfde zijde dan de tweede opening 35 en derde opening 37. Deze vijfde opening 36 is optioneel (niet getoond) gepositioneerd ter plaatse van een filter voor het filteren van de instromende buitenlucht. Een voordeel daarvan is dat deze filter toegankelijk is via de vijfde opening 36. De vijfde opening 36 is bij voorkeur gepositioneerd tussen de tweede opening 35 en de derde opening 37. Als gevolg van deze positionering van de openingen, in het bijzonder de positionering van de vijfde opening 36, kunnen alle filters die in de ventilatie-unit 7 aanwezig zijn, meer bepaald de filter voor het filteren van de lucht die van binnen naar buiten stroomt en de filter die voorzien is voor het filteren van de lucht die van buiten naar binnen stroomt via de binnenmuur 2 vervangen worden. Bij voorkeur bevat de filter een koolstoffilter, meer bij voorkeur een actieve koolstoffilter, die inkomende lucht reinigt. Dit maakt onderhoud van de ventilatie-unit 7 uiterst eenvoudig.
Figuur 5 toont hoe de aanzuigopening 21 en de uitblaasopening 32 zich ter plaatse van een eerste zijde A van de omkasting 5 bevinden wanneer het behuizingsamenstel in de omkasting 5 ingebouwd is.
Figuur 5 toont verder een dagkantafwerking 13 voor de opstaande dagkant en een afwerking 14 voor de bovenste dagkant. Een segment van de dagkantafwerking 13 komt, wanneer de dagkantafwerking gemonteerd wordt, voor de opening 9 in de eerste zijde 8 van de omkasting 5 en voor de eerste zijde A van het behuizingsamenstel te liggen. Dit segment fungeert daarom als deksel 15 voor de opening 9 in de eerste zijde 8. In het bijzonder wanneer luchtstroomopeningen van de functionele modules 6 openen ter plaatse van de eerste zijde 8, is het deksel 15 voorzien van perforaties 16 om de luchtstroom doorheen het deksel 15 toe te laten.
Figuur 6 toont een doorsnede van een muur ter plaatse van de ventilatie-unit.
Daarmee toont figuur 6 de hierboven beschreven onderdelen waaronder de buitenmuur 3, de spouw 4 met isolatie 17, de binnenmuur 2, de omkasting 5 en de laterale geleider 19 van een scherminrichting. De figuur 6 toont verder met name dat ter plaatse van de omkasting 5 een zone 17’ voorzien is tussen de binnenmuur 2’ en de omkasting 5. De zone 17’ vormt een barrière tussen de omkasting 5 en de binnenmuur 2. Verder toont figuur 6 hoe een raam 53 voorzien is ter plaatse van een binnenmuur 2. Dit raam 53 is via een thermische plaat 54 verbonden met de binnenmuur om koudebruggen te vermijden. De zone 17’ en de thermische plaat 54 worden beschouwd als deel van de binnenschil van het gebouw omdat De zone 17’ en de thermische plaat 54 de vorm en positie van de binnenmuur 2 minstens gedeeltelijk definiëren. In de uitvoering zoals getoond in figuur 6 zal daarom ook de gehele omkasting 5 tussen de buitenschil 3 en de binnenschil 2, 2°, 17” en 54 vallen. Omdat het behuizingsamenstel ook bij voorkeur uit warmte-isolerend materiaal gevormd is, zal ook het behuizingsamenstel van de ventilatie-unit een isolerend effect hebben.
Tussen de omkasting 5 en de binnenmuur 2 kan een zone 17’ voorzien worden op twee manieren. In de figuur is een uitvoering getoond waarbij de binnenmuur 2 smaller gemaakt is ter plaatse van de omkasting zodat de zone 17’ tussen de smallere binnenmuur en de omkasting 5 past (smaller beschouwd in een richting dwars op de muur). In deze uitvoering kan de omkasting 5 even breed uitgevoerd zijn dan de spouw 4, beschouwd in een richting dwars op de muur. In een alternatieve uitvoering is de omkasting 5 smaller dan de spouw 4 en wordt het verschil in breedte opgevuld met de zone 17’. In elk geval is er bij voorkeur een overlapping van de zone 17’ en isolatiemateriaal 17 om koudebruggen te vermijden en om een goede isolatie te bekomen. Een combinatie van de hierboven genoemde uitvoeringen is uiteraard ook mogelijk.
Omdat het behuizingsamenstel ook bij voorkeur uit warmte-isolerend materiaal gevormd is, zal de ruimte in de binnenmuur die in figuur 6 opgevuld is door zone 17’ ook gebruikt kunnen worden, zonder noemenswaardig nadelig warmte-isolerend effect, om de hierboven beschreven geluidsval 100 te voorzien. Zo kan de zone 17’ en eventueel ook het stuk binnenmuur
2’ integraal vervangen worden door het frame 180 met de geluidsval 100 zoals getoond in figuur 3, of door een variant daarvan, om de doorvoer voor lucht doorheen de binnenmuur 2 verder te optimaliseren.
Op basis van de beschrijving hierboven zal de vakman begrijpen dat de uitvinding op verschillende manieren en op basis van verschillende principes kan uitgevoerd worden. Daarbij is de uitvinding niet beperkt tot de hierboven beschreven uitvoeringsvormen. De hierboven beschreven uitvoeringsvormen, alsook de figuren zijn louter illustratief en dienen enkel om het begrip van de uitvinding te vergroten. De uitvinding zal daarom niet beperkt zijn tot de uitvoeringsvormen die hierin beschreven zijn, maar wordt gedefinieerd in de conclusies.
Claims (24)
1. Een wanddoorvoer voorzien om ingebouwd te worden in een wand van een gebouw en ingericht om verbonden te worden met een luchtverplaatsingseenheid, de wanddoorvoer omvattende een luchtinlaat en een luchtuitlaat, daardoor gekenmerkt dat tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat een geluidsval met een kamer is voorzien die een kanaal vormt dat is ingericht om een luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat af te bakenen, waarbij het kanaal een schot omvat om een rechtlijnige luchtstroom tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat te verhinderen zodanig dat een propagatie van geluid van de luchtverplaatsingseenheid doorheen de kamer wordt gedempt.
2. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij een stromingshartlijn van de luchtstroom een lengte heeft die groter is dan een rechtlijnige afstand tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat, bij voorkeur minstens 1.5 keer groter, meer bij voorkeur minstens 2 keer groter.
3. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het schot aangebracht is om de luchtstroom langs een enkele primaire stromingspad te dwingen.
4. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, verder omvattende minstens één geluidsobstructie in het kanaal, welke obstructie ingericht is om geluid minstens gedeeltelijk te dempen of te weerkaatsen.
5. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij de geluidsobstructie zich minstens gedeeltelijk uitstrekt in een zone van het kanaal, in een richting dwars op een primaire stroomrichting van de luchtstroom ter plaatste van de zone.
6. De wanddoorvoer volgens conclusie 3, waarbij een geleider voorzien is om het kanaal op te delen in minstens twee subkanalen die een verschillende lengte tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat definiëren.
7. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de geluidsval ingericht is om stroomopwaarts van luchtverplaatsingseenheid voorzien te zijn.
8. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij het kanaal is ingericht om geluid dat propageert van de luchtuitlaat naar de luchtinlaat te reduceren.
9. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de kamer een eerste wanddeel omvat die voorzien is om tegenover de luchtuitlaat te liggen.
10. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij de kamer een tweede wanddeel omvat die nagenoeg haaks staat op het eerste wanddeel en de luchtinlaat omvat.
11. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies 9-10, waarbij het eerste wanddeel voorzien is om zich in de muur opwaarts uit te strekken.
12. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies 9-11, waarbij het eerste wanddeel voorzien is om nagenoeg evenwijdig met de muur, bij voorkeur een binnenmuur, te liggen.
13. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, verder omvattende een frame dat is ingericht om de geluidsval te bevestigen in de muur.
14. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, voorzien om een luchtstroom minstens gedeeltelijk doorheen een wand te faciliteren, welke luchtstroom primair in een richting dwars op de wand stroomt, en waarbij de geluidsval tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat de luchtstroom secundair een afstand doet afleggen in meerdere richtingen gelegen in een vlak dat nagenoeg evenwijdig ligt met de wand, welke afstand noemenswaardig groter is dan de rechte afstand tussen de luchtinlaat en de luchtuitlaat.
15. De wanddoorvoer volgens conclusie 9, 13 en 14, verder omvattende een scharnier dat is voorzien tussen het eerste wanddeel en het frame zodat het eerste wanddeel scharnierbaar is tussen een open positie en een gesloten positie, waarbij in de open positie de geluidsval minstens gedeeltelijk open is en waarbij in de gesloten positie het eerste wanddeel de kamer begrenst.
16. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij de geluidsval voorzien is om in een uitsparing in de muur te worden aangebracht en ter plaatste van de luchtinlaat ingericht is om een ruimte te voorzien
17. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij de ruimte begrensd wordt door een afgeschuinde wand.
18. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, verder omvattende ten minste één eerste luchtfilter in het kanaal.
19. De wanddoorvoer volgens de voorgaande conclusie, waarbij de ten minste ene eerste luchtfilter voorzien is ter plaatste van de luchtinlaat.
20. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij een binnenwand van het kanaal minstens gedeeltelijk is voorzien van een geluidsabsorberende laag.
21. De wanddoorvoer volgens conclusie 19 en 9, waarbij de geluidsabsorberende laag, minstens ter plaatste van de luchtuitlaat, voorzien is aan een naar binnengerichte zijde van het eerste wanddeel.
22. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, waarbij het kanaal hoofdzakelijk U-vormig is.
23. De wanddoorvoer volgens één der voorgaande conclusies, verder bevattende een tweede kamer in lijn met en gescheiden van de eerste kamer, welke tweede kamer voorzien is om een tweede luchtstroom doorheen de wand tussen een tweede luchtinlaat en een tweede luchtuitlaat te faciliteren.
24. Decentrale ventilatie-unit verbonden met een wanddoorvoer volgens één van de voorgaande conclusies, de ventilatie-unit bevattende - een warmtewisselaar en - een behuizing ingericht om een eerste kanaal voor het laten stromen van lucht van buiten het gebouw naar binnen, een tweede kanaal voor het laten stromen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, en een warmtewisselaarsvoorziening ingericht om een warmte uitwisseling tussen een luchtstroom in het eerste kanaal en een luchtstroom in het tweede kanaal, te vormen; waarbij decentrale ventilatie-unit zodanig is verbonden met de wanddoorvoer dat de kamer van de wanddoorvoer een verlengstuk vormt van minstens één van het eerste en het tweede kanaal van de ventilatie-unit.
Priority Applications (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20225441A BE1030595B1 (nl) | 2022-06-07 | 2022-06-07 | Wanddoorvoer |
| EP23163849.5A EP4290151A1 (en) | 2022-06-07 | 2023-03-23 | Wall passage |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20225441A BE1030595B1 (nl) | 2022-06-07 | 2022-06-07 | Wanddoorvoer |
Publications (2)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1030595A1 BE1030595A1 (nl) | 2024-01-09 |
| BE1030595B1 true BE1030595B1 (nl) | 2024-01-15 |
Family
ID=82020938
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE20225441A BE1030595B1 (nl) | 2022-06-07 | 2022-06-07 | Wanddoorvoer |
Country Status (2)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP4290151A1 (nl) |
| BE (1) | BE1030595B1 (nl) |
Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| JPS57142432A (en) * | 1981-08-10 | 1982-09-03 | Naka Tech Lab | Sound-shielding cylinder for use in vent-port |
| DE19623708C1 (de) * | 1996-06-14 | 1997-12-11 | Maico Elektroapparate | Lüftungseinrichtung |
| WO1998040598A1 (en) * | 1997-03-11 | 1998-09-17 | Nemcek Milan | Opening filling with special adjustment providing simultaneous ventilation and sound damping |
| DE20305801U1 (de) * | 2003-04-08 | 2003-07-17 | LTG Aktiengesellschaft, 70435 Stuttgart | Dezentrales Lüftungs- oder Klimagerät |
| WO2009071963A1 (en) * | 2007-12-04 | 2009-06-11 | Eur.Ex S.R.L. | Silenced air intake for ventilation ducts, silencer for the air intake and method of operation of the air intake and silencer |
Family Cites Families (1)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| BE1024294B1 (nl) | 2016-06-14 | 2018-01-23 | Erik Wilms | Ventilatie-unit |
-
2022
- 2022-06-07 BE BE20225441A patent/BE1030595B1/nl active IP Right Grant
-
2023
- 2023-03-23 EP EP23163849.5A patent/EP4290151A1/en active Pending
Patent Citations (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| JPS57142432A (en) * | 1981-08-10 | 1982-09-03 | Naka Tech Lab | Sound-shielding cylinder for use in vent-port |
| DE19623708C1 (de) * | 1996-06-14 | 1997-12-11 | Maico Elektroapparate | Lüftungseinrichtung |
| WO1998040598A1 (en) * | 1997-03-11 | 1998-09-17 | Nemcek Milan | Opening filling with special adjustment providing simultaneous ventilation and sound damping |
| DE20305801U1 (de) * | 2003-04-08 | 2003-07-17 | LTG Aktiengesellschaft, 70435 Stuttgart | Dezentrales Lüftungs- oder Klimagerät |
| WO2009071963A1 (en) * | 2007-12-04 | 2009-06-11 | Eur.Ex S.R.L. | Silenced air intake for ventilation ducts, silencer for the air intake and method of operation of the air intake and silencer |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP4290151A1 (en) | 2023-12-13 |
| BE1030595A1 (nl) | 2024-01-09 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US9493949B2 (en) | Panel and panel structure for ventilation and both reactive and dissipative sound dampening | |
| US9534385B2 (en) | Room delimitation element | |
| US10612239B2 (en) | Panel and panel structure for ventilation and both reactive and dissipative sound dampening | |
| JP4410698B2 (ja) | 電子機器収容箱 | |
| BE1030595B1 (nl) | Wanddoorvoer | |
| JP5236036B2 (ja) | 通気防音ドア | |
| JP7453748B2 (ja) | ルーバー、ダブルスキン、騒音低減構造 | |
| EP3120086A1 (en) | Panel and panel structure for ventilation and both reactive and dissipative sound dampening | |
| RU2523224C2 (ru) | Клапан приточной вентиляции | |
| CN104271417A (zh) | 用于压缩机装置中的空气供应系统的有隔音特性的抽吸盒 | |
| JP4624871B2 (ja) | 換気口用消音装置 | |
| JP5513352B2 (ja) | 燃焼装置 | |
| KR102311161B1 (ko) | 창호 장착형 환기장치 및 이를 갖는 창호 시스템 | |
| CN112177508A (zh) | 通风降噪窗 | |
| JPS6326658Y2 (nl) | ||
| EP3614067A1 (en) | Openable panel unit | |
| SU937660A1 (ru) | Строительный элемент с вентил ционной полостью | |
| JP3094153B2 (ja) | 空調用室内機 | |
| CA2847131C (en) | Panel and panel structure for ventilation and both reactive and dissipative sound dampening | |
| CN112739883A (zh) | 通风装置 | |
| KR100684546B1 (ko) | 건축용 안전 방음도어 | |
| JP2008122023A (ja) | 消音装置 | |
| RU4325U1 (ru) | Шумозащитное вентиляционное устройство | |
| RU1783088C (ru) | Шумопоглощающее устройство с вентил ционной полостью дл оконных проемов | |
| JPS6329832Y2 (nl) |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| FG | Patent granted |
Effective date: 20240115 |