BE1024294A1 - Ventilatie-unit - Google Patents
Ventilatie-unit Download PDFInfo
- Publication number
- BE1024294A1 BE1024294A1 BE20160105A BE201600105A BE1024294A1 BE 1024294 A1 BE1024294 A1 BE 1024294A1 BE 20160105 A BE20160105 A BE 20160105A BE 201600105 A BE201600105 A BE 201600105A BE 1024294 A1 BE1024294 A1 BE 1024294A1
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- wall
- ventilation unit
- opening
- window
- channel
- Prior art date
Links
- 238000009423 ventilation Methods 0.000 title claims abstract description 160
- 239000004020 conductor Substances 0.000 claims description 7
- 238000001914 filtration Methods 0.000 claims description 7
- 239000002984 plastic foam Substances 0.000 claims description 7
- 239000003570 air Substances 0.000 description 120
- 239000002131 composite material Substances 0.000 description 88
- 230000037072 sun protection Effects 0.000 description 32
- XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N water Substances O XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 24
- 238000010276 construction Methods 0.000 description 7
- 239000011888 foil Substances 0.000 description 6
- 239000002184 metal Substances 0.000 description 6
- 229910052751 metal Inorganic materials 0.000 description 6
- 238000000034 method Methods 0.000 description 6
- 238000009434 installation Methods 0.000 description 5
- 238000011084 recovery Methods 0.000 description 5
- 239000011521 glass Substances 0.000 description 4
- 238000009413 insulation Methods 0.000 description 4
- 238000010025 steaming Methods 0.000 description 4
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 3
- 238000007664 blowing Methods 0.000 description 3
- 238000007373 indentation Methods 0.000 description 3
- 238000012423 maintenance Methods 0.000 description 3
- OKTJSMMVPCPJKN-UHFFFAOYSA-N Carbon Chemical compound [C] OKTJSMMVPCPJKN-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 2
- 238000004026 adhesive bonding Methods 0.000 description 2
- 229910052799 carbon Inorganic materials 0.000 description 2
- 238000009833 condensation Methods 0.000 description 2
- 230000005494 condensation Effects 0.000 description 2
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 2
- 239000004794 expanded polystyrene Substances 0.000 description 2
- 239000006260 foam Substances 0.000 description 2
- 239000003292 glue Substances 0.000 description 2
- 238000004519 manufacturing process Methods 0.000 description 2
- 239000000463 material Substances 0.000 description 2
- 239000004033 plastic Substances 0.000 description 2
- 238000009418 renovation Methods 0.000 description 2
- 230000000717 retained effect Effects 0.000 description 2
- 230000002411 adverse Effects 0.000 description 1
- 229910052782 aluminium Inorganic materials 0.000 description 1
- XAGFODPZIPBFFR-UHFFFAOYSA-N aluminium Chemical compound [Al] XAGFODPZIPBFFR-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 1
- 239000012080 ambient air Substances 0.000 description 1
- 230000004888 barrier function Effects 0.000 description 1
- 239000011248 coating agent Substances 0.000 description 1
- 238000000576 coating method Methods 0.000 description 1
- 238000011161 development Methods 0.000 description 1
- 230000018109 developmental process Effects 0.000 description 1
- 238000003745 diagnosis Methods 0.000 description 1
- 230000004941 influx Effects 0.000 description 1
- 239000011810 insulating material Substances 0.000 description 1
- 230000003993 interaction Effects 0.000 description 1
- 239000004922 lacquer Substances 0.000 description 1
- 230000007246 mechanism Effects 0.000 description 1
- 238000002156 mixing Methods 0.000 description 1
- 238000012856 packing Methods 0.000 description 1
- 238000005192 partition Methods 0.000 description 1
- 230000002093 peripheral effect Effects 0.000 description 1
- 229920006327 polystyrene foam Polymers 0.000 description 1
- 230000008439 repair process Effects 0.000 description 1
- 239000004575 stone Substances 0.000 description 1
- 238000003860 storage Methods 0.000 description 1
- 239000000725 suspension Substances 0.000 description 1
- 230000007704 transition Effects 0.000 description 1
- 230000000007 visual effect Effects 0.000 description 1
- 238000003466 welding Methods 0.000 description 1
- 239000002023 wood Substances 0.000 description 1
Classifications
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F13/00—Details common to, or for air-conditioning, air-humidification, ventilation or use of air currents for screening
- F24F13/28—Arrangement or mounting of filters
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F1/00—Room units for air-conditioning, e.g. separate or self-contained units or units receiving primary air from a central station
- F24F1/02—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing
- F24F1/03—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing characterised by mounting arrangements
- F24F1/031—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing characterised by mounting arrangements penetrating a wall or window
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F1/00—Room units for air-conditioning, e.g. separate or self-contained units or units receiving primary air from a central station
- F24F1/02—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing
- F24F1/032—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing characterised by heat exchangers
- F24F1/0323—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing characterised by heat exchangers by the mounting or arrangement of the heat exchangers
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F1/00—Room units for air-conditioning, e.g. separate or self-contained units or units receiving primary air from a central station
- F24F1/02—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing
- F24F1/0328—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing with means for purifying supplied air
- F24F1/035—Self-contained room units for air-conditioning, i.e. with all apparatus for treatment installed in a common casing with means for purifying supplied air characterised by the mounting or arrangement of filters
-
- F—MECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
- F24—HEATING; RANGES; VENTILATING
- F24F—AIR-CONDITIONING; AIR-HUMIDIFICATION; VENTILATION; USE OF AIR CURRENTS FOR SCREENING
- F24F12/00—Use of energy recovery systems in air conditioning, ventilation or screening
- F24F12/001—Use of energy recovery systems in air conditioning, ventilation or screening with heat-exchange between supplied and exhausted air
- F24F12/006—Use of energy recovery systems in air conditioning, ventilation or screening with heat-exchange between supplied and exhausted air using an air-to-air heat exchanger
-
- Y—GENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
- Y02—TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
- Y02B—CLIMATE CHANGE MITIGATION TECHNOLOGIES RELATED TO BUILDINGS, e.g. HOUSING, HOUSE APPLIANCES OR RELATED END-USER APPLICATIONS
- Y02B30/00—Energy efficient heating, ventilation or air conditioning [HVAC]
- Y02B30/56—Heat recovery units
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Combustion & Propulsion (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- General Engineering & Computer Science (AREA)
- Physics & Mathematics (AREA)
- Thermal Sciences (AREA)
- Building Environments (AREA)
Abstract
Ventilatie-unit bevattende een behuizing die voorzien is om ingebouwd te worden in een muur van een gebouw, waarbij de behuizing een eerste zijwand en een tweede zijwand heeft die, wanneer de ventilatie-unit ingebouwd is, gerelateerd is aan een binnenzijde en een buitenzijde van de muur, respectievelijk, waarbij in de behuizing een eerste kanaal voorzien is voor het laten stromen van lucht van buiten het gebouw naar binnen en een tweede kanaal voorzien is voor het laten stromen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, waarbij twee kanalen voorzien zijn tussen de tweede zijwand en de eerste zijwand, waarbij de twee kanalen elkaar kruisen via een warmtewisselaar en waarbij verder een vijfde opening voorzien is, in de eerste zijwand, die toegang geeft tot een filterelement in het eerste kanaal tussen de eerste opening en de warmtewisselaar.
Description
(71) Aanvrager(s) :
WILMS Erik 2400, MOL België (72) Uitvinder(s) :
WILMS Erik 2400 MOL België (54) Ventilatie-unit (57) Ventilatie-unit bevattende een behuizing die voorzien is om ingebouwd te worden in een muur van een gebouw, waarbij de behuizing een eerste zijwand en een tweede zijwand heeft die, wanneer de ventilatie-unit ingebouwd is, gerelateerd is aan een binnenzijde en een buitenzijde van de muur, respectievelijk, waarbij in de behuizing een eerste kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van buiten het gebouw naar binnen en een tweede kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, waarbij twee kanalen voorzien zijn tussen de tweede zijwand en de eerste zijwand, waarbij de twee kanalen elkaar kruisen via een warmtewisselaar en waarbij verder een vijfde opening voorzien is, in de eerste zijwand die toegang geeft tot een filterelement in het eerste kanaal tussen de eerste opening en de
FIG. 6 warmtewisselaar.
BE2016/0105
Ventilatie-unit
De uitvinding heeft betrekking op een ventilatie-unit met een behuizing die voorzien is om ingebouwd te worden in een gebouw.
Nieuwe inzichten en normeringen betreffende energie-, isoiatie- en ventilatietechnieken in gebouwen maken het noodzakelijk om actieve ventilatie te voorzien in een gebouw. Doordat gebouwen, in het bijzonder nieuwbouwwoningen, meer en meer luchtdicht gebouwd worden, wordt verhinderd dat wärmte kan ontsnappen doorheen kieren en openingen van het gebouw. Echter in een dergelijk luchtdicht gebouw moet een ventilatiesysteem voorzien worden om de lucht in het gebouw te verversen. Recente normen, technieken en ontwikkelingen zijn er op gericht om bij het verversen van de lucht zo weinig mogelijk energie te verliezen. Hiervoor wordt vaak een warmterecuperatiesysteem, typisch door middel van warmtewisselaars, voorzien.
Bekende Systemen bevatten de zogenaamde centrale balansventilatiesystemen met warmterecuperatie. Daarbij wordt een buizennetwerk voorzien in het gebouw om via de buizen lucht in en uit kamers van het gebouw te laten strömen, en wordt typisch één, mogelijk ook enkele centrale balansventilatie-units geplaatst die ingericht zijn om actief lucht aan en af te voeren. In een dergelijk balansventilatiesysteem wordt dan typisch de instromende lucht door middel van een warmtewisselaar met de uitstromende lucht gekruist zodat de inkomende lucht voorverwarmd wordt, of afgekoeld wordt, met de wärmte of koude van de uitgaande lucht. Op die manier kan instromende lucht op een eenvoudige en energie-efficiënte manier op temperatuur gebracht worden zodat energie gerecupereerd wordt.
Het voorzien van een centraal ventilatiesysteem met warmterecuperatie is duur en niet in aile omstandigheden toepasbaar omdat een buizennetwerk in het gebouw moet voorzien worden. Vooral bij renovatieprojecten blijkt dit problematisch.
Het is een doel van de uitvinding om een ventilatiesysteem met energierecuperatie te voorzien dat goedkoop is, eenvoudig plaatsbaar, en gemakkelijk te onderhouden is.
Hiertoe voorziet de uitvinding in een ventilatie-unit bevattende een behuizing die voorzien is om ingebouwd te worden in een muur van een gebouw, waarbij de behuizing een eerste zijwand en een tweede zijwand heeft die, wanneer de ventilatie-unit ingebouwd is, terzijde van een binnenzijde en een buitenzijde van de muur ligt, respectievelijk, waarbij in de behuizing een eerste kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van buiten het gebouw naar binnen en een tweede kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, waarbij het eerste kanaal zieh uitstrekt tussen een eerste opening, in de tweede zijwand, en een tweede opening, in de eerste zijwand, en waarbij het tweede kanaal zieh uitstrekt tussen een
BE2016/0105 derde opening in de eerste zijwand, en een vierde opening, in de tweede zijwand, waarbij het eerste kanaal en het tweede kanaal elkaar kruisen via een warmtewisselaar en waarbij verder een vijfde opening voorzien is, in de eerste zijwand, die toegang geeft tot een filterelement in het eerste kanaal tussen de eerste opening en de warmtewisselaar.
De ventilatie-unit volgens de uitvinding voorziet in een decentrale ventilatie-unit met warmterecuperatie. De behuizing heeft tweede zijwanden, waarbij in gemonteerde toestand één zijwand gelegen is parallel aan en richting de buitenmuur van het gebouw, en de andere zijwand parallel aan en richting de binnenmuur van het gebouw. Daarbij zijn openingen voorzien in de zijwanden, en zijn kanalen voorzien in de behuizing, om lucht doorheen de behuizing van buiten het gebouw naar binnen en van binnen het gebouw naar buiten te laten strömen. De kanalen kruisen via een warmtewisselaar zodat energie recupereerbaar is. Om een ventilatie-unit te bekomen dat eenvoudig plaatsbaar en onderhoudsvriendelijk is, zijn ter plaatse van de binnenste wand van de behuizing, dit is de wand die naar de binnenmuur gericht is, in conclusie de eerste zijwand genoemd, drie openingen voorzien. Een eerste opening is voorzien om lucht naar binnen te laten strömen, een tweede opening is voorzien om lucht naar buiten te laten strömen, en een derde opening is voorzien om eenvoudig toegang te geven tot een filterelement dat in de behuizing geplaatst is om de lucht, die van buiten het gebouw naar binnen stroomt, te filteren. Door het voorzien van deze opening aan een binnenzijde, kan de filter steeds zonder noemenswaardige moeite vervangen worden, ook als de ventilatie-unit längs buiten niet toegankelijk is, bijvoorbeeld wanneer het op hoogte en op een afstand van een raam of balkon geplaatst is. Op die manier wordt een ventilatie-unit bekomen dat decentraal is, en dat gemakkelijk te plaatsen en te onderhouden is.
Bij voorkeur bevat de ventilatie-unit verder een eerste luchtpomp die geplaatst is in het eerste kanaal, en een tweede luchtpomp die geplaatst is in het tweede kanaal. Een luchtpomp kan op verschillende manieren uitgevoerd worden, waarvan de meeste bekende manier een ventilator is. De ventilator kan radiaal of axiaal georiënteerde schoepen hebben. Door in elk van het eerste en tweede kanaal een luchtpomp te plaatsen, kan de luchtstroom doorheen elk kanaal afzonderlijk geregeld worden. Hierdoor kan instroom en uitstroom gebalanceerd worden. Verder is het mogelijk om warmte-uitwisseling in de warmtewisselaar te monitoren en de ingaande en uitgaande luchtstroom op basis hiervan te optimaiiseren.
Bij voorkeur is de eerste luchtpomp gepositioneerd tussen de warmtewisselaar en de tweede opening. Verder bij voorkeur is de tweede luchtpomp gepositioneerd tussen de warmtewisselaar en de vierde opening. Daarmee zijn de luchtpompen geplaatst aan de uitgangszijden van de respectievelijke kanalen. Hierdoor wordt de lucht doorheen de warmtewisselaar getrokken in beide richtingen, zodat in de warmtewisselaar geen noemenswaardige drukverschillen optreden. Alternatief worden de luchtpompen geplaatst aan de
BE2016/0105 openingen in de behuizing die aan de buitenmuur grenzen, om de luchtpompen op maximale kanaalafstand van de binnenzijde van het gebouw te positioneren. Hierdoor kan de ventilatie-unit geoptimaliseerd worden om minimaal geluid te produceren binnen in het gebouw.
Bij voorkeur zijn de warmtewisselaar, de eerste luchtpomp en de tweede luchtpomp naast elkaar tussen de eerste zijwand en de tweede zijwand gepositioneerd zodanig dat tussen de eerste en tweede zijwand een minimale afstand is. Daarbij zijn bij voorkeur het eerste en het tweede kanaal zodanig georiënteerd in de behuizing dat ze slechts kruisen ter plaatse van de warmtewisselaar. Het gevolg is dat de behuizing met een minimale dikte kan gevormd worden. De dikte van de behuizing wordt namelijk slechts bepaald door het element met de grootste afmetingen, en wordt niet bepaald door de combinatie of opeenstapeling van elementen in de behuizing. Namelijk, de elementen worden naast elkaar voorzien. Hierdoor kan een ventilatie-unit worden voorzien met een compacte dikte, hetgeen toelaat de ventilatie-unit in een spouwmuur in te bouwen. Daarbij wordt opgemerkt dat in een spouwmuur typisch voldoende hoogte en breedte beschikbaar is voor de ventilatie-unit, zodat het hoger of breder uitvoeren van de behuizing om de elementen naast elkaar te plaatsen geen noemenswaardig nadeel vormt.
Bij voorkeur is aan elk van de eerste, tweede, derde, vierde en vijfde opening een buiselement voorzien aan de buitenzijde van de behuizing, hoofdzakelijk haaks op de eerste zijwand en de tweede zijwand. Deze buiselementen strekken zieh dan typisch uit doorheen de buitenmuur en doorheen de binnenmuur. Meer bepaald zal het buiselement dat zieh bevindt ter plaatse van de eerste en de vierde opening voorzien zijn om zieh doorheen de buitenmuur uit te strekken, en zullen de buiselementen die ter plaatse van de tweede, derde en vijfde opening voorzien zijn, zieh uitstrekken doorheen de binnenmuur. De buiselementen laten toe om de ventilatie-unit in te bouwen met minimale impact in de buitenmuur en binnenmuur.
Bij voorkeur hebben de tweede opening, derde opening en vijfde opening elk een maximale diameter van 20 cm, meer bij voorkeur maximaai 15 cm. De ventilatie-unit zal door de beperkte diameter van de buizen een minimale visuele impact hebben, en eenvoudig afgewerkt worden.
Bij voorkeur is de derde opening voorzien van een filter voor het filteren van binnenlucht die het tweede kanaal instroomt. De derde opening is voorzien ter plaatse van de binnenmuur en kan dus eenvoudig via de binnenmuur bereikt worden om de filter te vervangen. Dit vereenvoudigt onderhoud van de ventilatie-unit.
Bij voorkeur zijn de luchtpompen voorzien van radiale schoepen die voldoende groot zijn om een gewenste luchtstroom te creëren bij een laag toerental van de luchtpompen. Wanneer de luchtpompen een laag toerental hebben, zullen de luchtpompen ook weinig geluid maken, en een stille, laminaire stroming van lucht doorheen het kanaal kunnen vormen.
BE2016/0105
Bij voorkeur is de ventilatie-unit gevormd uit een kunststof schuim blok waarbij de kanalen gevormd zijn als holies in het kunststof schuim blok en waarbij caviteiten voorzien zijn in het kunststof schuim blok voor het plaatsen van de warmtewisselaar en de eerste en de tweede luchtpomp. Een kunststof schuim blok, bijvoorbeeld geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS), biedt goede isolatie-eigenschappen. Verder is het eenvoudig om in een matrijs een dergelijk schuim blok te vervaardigen waarbij holies en caviteiten voorzien zijn om de werkingselementen van de ventilatie-unit in te bouwen en de kanalen te vormen. Daarmee wordt een cassette verkregen die de ventilatie-unit vormt.
Bij voorkeur bevat de ventilatie-unit een deksel waarin luchtgeleiders voorzien zijn die minstens gedeeltelijk geleidingskanalen vormen voor het sturen van de lucht naar een buitenzijde van de muur. De geleidingskanalen kunnen in één uitvoeringsvorm gevormd worden tussen de luchtgeleiders van het deksel en het venstertablet. Deze deksel laat toe om de ventilatieunit op een bedrijfszekere en eenvoudige manier te monieren. Bij voorkeur wordt de tweede zijwand van de behuizing gevormd door een combinatie van de bovenwand en het deksel, waarbij de geleidingskanalen fungeren als verlengstukken van het eerste kanaal en tweede kanaal ter plaatse van de buitenzijde van het gebouw. Dit vereenvoudigt verder de montage van de ventilatieunit in een spouwmuur.
Bij voorkeur bevat de ventilatie-unit verder verbindingsmiddelen voor het bevestigen van de ventilatie-unit in een spouwmuur van een gebouw. De verbindingsmiddelen gevormd worden door twee zijelementen die enerzijds voorzien zijn om de ventilatie-unit te klemmen en anderzijds voorzien zijn om rechtstreeks of onrechtstreeks met een raam te verbinden. Een dergelijke opbouw laat een bedrijfszekere en eenvoudige montage toe van de ventilatie-unit bij een raam.
De uitvinding zal nu nader worden beschreven aan de hand van een in de tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeeld.
In de tekening laat :
figuur 1 een muur van een gebouw zien met een opening voor een raam;
figuur 2 een ploftekening zien van een samenstel van een raam met verdere elementen volgens een voorkeursuitvoeringsvorm van de uitvinding;
figuur 3a en 3b uitvoeringsvormen van een verdere opening in de binnenmuur zien;
figuur 4 een doorsnede zien van een muur met samenstel;
figuur 5 een uitvoeringsvorm van een composiet draagprofiel zien;
figuur 6 een doorsnede van een behuizing met een ventilatie-unit zien;
figuur 7 een perspectief aanzicht zien van een behuizing met een ventilatie-unit;
BE2016/0105 figuur 8 een doorsnede zien van een muur met venstertablet;
figuur 9 een zijsegment van een venstertabletsamenstel volgens een voorkeursuitvoeringsvorm zien; en figuur 10 een langsdoorsnede zien van een venstertabletsamenstel.
In de tekening is aan eenzelfde of analoog element eenzelfde verwijzingscijfer toegekend.
Figuur 1 toont een muur 1 van een gebouw waarin een opening voorzien is voor montage van een raam. Ramen worden typisch voorzien om licht in een gebouw te laten schijnen. De ramen worden dan ook typisch in een muur 1 voorzien die een binnenmuur 2 hebben, grenzend aan een binnenzijde van het gebouw, en een buitenmuur 3 hebben, voorzien aan een buitenzijde van het gebouw. Om warmteverlies te beperken wordt tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 typisch een spouwmuur 4 voorzien. De spouwmuur is gedefinieerd door een afstand tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3, welke afstand door lucht of door een isolatiemateriaal gevuld is. Hierdoor wordt een thermische barrière gecreëerd tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 zodat energie in het gebouw kan vastgehouden worden. In deze beschrijving wordt van binnenmuur 2, buitenmuur 3 en spouwmuur 4 gesproken, echter daarbij zal duidelijk zijn dat dit geen traditionele manier van bouwen impliceert. Een buitenmuur 3 is gedefinieerd als de buitenschil van een gebouw. De binnenmuur 4 is gedefinieerd als de eiementen die een binnenschil van een gebouw vormen, waarbij de binnenschil thermisch gei'soleerd is van de buitenschil. De spouwmuur 4 is gedefinieerd als de ruimte en/of de eiementen die de binnenschil en de buitenschil minstens gedeeltelijk thermisch van elkaar scheiden. De buitenmuur kan gevormd zijn uit steen, metaal, hout, crepie of ander geschikt materiaal om een buitenschil van een gebouw mee te vormen. Spouwmuur kan gevormd zijn door isolatieplaten of schuim die vast verbonden zijn met binnen- en/of buitenmuur. Alternatief kan de spouwmuur gevormd door een luchtlaag.
Recente regelgeving en moderne technieken gaan nog een stap verder dan het creëren van thermische onderbreking tussen de buitenmuur 3 en binnenmuur 2 en voorzien ook in een luchtdichte folie in de muur 1 met als theoretisch doel om de binnenruimte luchtdicht in te pakken. Door deze luchtdichte folie kan lucht binnen in het gebouw niet noemenswaardig, of ten minste niet ongecontroleerd en noemenswaardig, uitwisselen met lucht buiten het gebouw. Hierdoor kan energieverlies verder beperkt worden. Deze luchtdichte folie dient aangesloten te worden aan het raam wanneer het raam in de opening gepîaatst wordt.
Reeds jaren is bekend om ook raamprofielen, waarmee ramen opgebouwd worden, van een thermische onderbreking te voorzien zodanig dat de profielen een buitendeel en een binnendeel bevatten, waarbij het buitendeel voorzien is om aan de buitenzijde van het gebouw te
BE2016/0105 liggen en het binnendeel voorzien is om aan de binnenzijde van het gebouw te liggen. Dergelijke raamprofielen worden dan gemonteerd ofwel met hun buitendeel tegen de buitenmuur 3, ofwel met hun binnendeel tegen de binnenmuur 2. Hierdoor kan de thermische onderbreking die tussen de buitenmuur 3 en binnenmuur 2 voorzien is doorgetrokken worden naar het raam. Op die manier kan de thermische onderbreking doorlopend gevormd zijn zodat geen koudebruggen ontstaan die energie-uitwisseling van buiten naar binnen in het gebouw en omgekeerd faciliteren. Daarbij zal voor de vakman duidelijk zijn dat als zowel binnendeel als buitendeel van een raam op één van een buitenmuur 3 of binnenmuur 2 geplaatst wordt, een ongewenste warmte-uitwisseling gefaciliteerd zou worden tussen ofwel buitenmuur en binnendeel van het raamprofiel ofwel binnenmuur en buitendeel van het raamprofiel zodat een koudebrug ontstaat. De luchtdichte folie die in de muur 1 voorzien is wordt tegen een rand van het raamprofiel gekleefd om luchtdicht aan te sluiten tegen het raamprofiel. Door het voorzien van een raam in een opening van een gebouw rekening houdend met de aspecten die hierboven zijn beschreven, kan een gebouw met een raam energetisch geoptimaliseerd worden.
Figuur 2 toont een ploftekening van een raam 5 met toegevoegde functionaliteiten, dat voorzien is om ingebouwd te worden in de opening in de muur 1 zoals getoond in figuur 1. Het raam 5 bestaat uit raamprofielen. De raamprofielen vormen in gemonteerde toestand het raam, ook wel raamwerk genoemd, waarin glas 6 geplaatst kan worden. Het raam kan star zijn of voorzien zijn van Scharnieren en/of andere elementen die toelaten om het raam te openen waardoor het een multifimctioneel raam is. Dergelijke technieken zijn bekend en worden daarom in deze beschrijving niet verder in detail beschreven. De term raamprofielen is in deze beschrijving een verzamelnaam voor alle profielen incl. Scharnieren en/of andere elementen die gebruikt worden om een raam, star of multifimctioneel te vervaardigen.
Figuur 2 toont verder een ventilatiesysteem 7 dat hieronder verder in detail zal besproken worden met verwijzing naar figuren 6 en 7. Het ventilatiesysteem is getoond als een ventilatie-unit en laat toe om een gecontroleerde luchtstroom van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, doorheen de muur 1, te forceren. Meerdere ventilatie-units kunnen in meerdere respectievelijke kamers van een gebouw geplaatst worden om samen het ventilatiesysteem van het gebouw te vormen. Omdat elke ventilatie-unit uit het ventilatiesysteem individueel opereert, kan het ventilatiesysteem uitgelegd worden in deze beschrijving door de werking van één ventilatieunit te beschrijven. Het zal daarbij duidelijk zijn dat meerdere ventilatie-units wel onafhankelijk kunnen werken, maar dat de vakman deze operationeel kan koppelen om een vooraf bepaalde werkingsinteractie te krijgen tussen de verschillende ventilatie-units in het ventilatiesysteem. Elke ventilatie-unit uit het ventilatiesysteem is voorzien van een warmtewisselaar voor een energieuitwisseling tussen de instromende en uitstromende lucht. Het ventilatiesysteem kan besehouwd
BE2016/0105 worden als een decentraal ventilatiesysteem. Namelijk in een gebouw kunnen meerdere van dergelijke ventilatie-units 7 voorzien worden, bijvoorbeeld bij meerdere raamopeningen in meerdere kamers van het gebouw, waarvan de werking afzonderlijk van elkaar stuurbaar is.
Figuur 2 toont verder een composiet draagprofiel 8. Het composiet draagprofiel 8 is voorzien om enerzijds verbonden te worden met het raam 5 om het raam 5 te ondersteunen, en anderzijds om verbonden te worden met de ventilatie-unit 7 om de ventilatie-unit te dragen. Daarmee vormt het composiet draagprofiel 8 een intermediair element tussen het raam 5 en de ventilatie-unit 7. Het composiet draagprofiel zal hieronder in meer detail besproken worden aan de hand van figuur 3 en figuur 5. Het composiet draagprofiel is langwerpig en is aan beide einden voorzien om met de muur 1 te verbinden. Zo kan het raam 5, dat met een gedeelte van zijn periferie verbonden is met het composiet draagprofiel, onrechtstreeks via dit composiet draagprofiel 8 met de muur 1 verbonden worden. Hierdoor zal het raam goed bestand zijn tegen laterale krachten die op het raam aangrijpen, bijvoorbeeld ten gevoige van wind die tegen het glas 6 blaast. Het composiet draagprofiel 8 heeft in een voorkeursuitvoeringsvorm een verdere functie, namelijk het vormen van het achtersegment van het frame voor een venstertabletsamenstel. Dit is hieronder verder toegelicht aan de hand van figuur 8.
Figuur 2 toont een verder composiet draagprofiel 9 dat voorzien is voor het monteren van een zonneweringskast 10 boven het raam 5. Het verder composiet draagprofiel 9 is langwerpig en aan beide einden voorzien om met de muur 1 verbonden te worden. Ook kan het verder composiet draagprofiel 9 voorzien zijn om via de zijden die tegen de binnenmuur aanliggen, met de binnenmuur te verbinden. Laterale geleiders 11 worden voorzien ter plaatse van overstaande opstaande profielen van het raam 5 om een zonneweringsscherm of rolluik uit de zonneweringskast 10 te geleiden. Een zonneweringskast en laterale geleiders zijn bekend en worden daarom niet verder beschreven in deze beschrijving. Net zoals het composiet draagprofiel 8, zal ook het verder composiet draagprofiel 9 langwerpig zijn en aan beide einden voorzien zijn om met de muur 1 te verbinden. Zo kan het raam 5, dat met een bovenste periferie verbonden is met het verder composiet draagprofiel, onrechtstreeks via dit verder composiet draagprofiel 9 met de muur 1 verbonden worden. Hierdoor zal het raam goed bestand zijn tegen laterale krachten die op het raam aangrijpen, bijvoorbeeld ten gevoige van wind die tegen het glas 6 blaast.
Figuur 2 toont verder een venstertablet 12 dat samen met een venstertabletframe gevormd door het achtersegment 8 en twee zij Segmenten 13 en 13’ een venstertabletsamenstel vormt om afwatering ter plaatse van de buitenzijde van het raam 5 te optimaliseren. Het venstertabletsamenstel met het venstertablet 12 en de zij Segmenten 13 en 13’ zijn hieronder verder in detail beschreven aan de hand van figuren 8, 9 en 10.
δ
ΒΕ2016/0105
Figuren 3A en 3B tonen verschillende vormen van openingen in een binnenmuur om een raam 5 met ventilatie-unit 7 en zonneweringskast 10 te monteren. Daarbij wordt uitgegaan van een renovatiesituatie waarbij de buitenmuur 3 maximaal behouden blijft. Door het maximaal behouden van de buitenmuur 3, kan de esthetiek van de buitenmuur behouden blijven, en moet de buitenmuur 3 niet geretoucheerd worden.
Omdat het raam 5 met de zonneweringskast 10 en de ventilatie-unit bij voorkeur als geheel gemonteerd wordt in de opening, zal de binnenmuur 2 van een verdere opening 18 voorzien worden die meerdere secties bevat. Een eerste sectie 14 van de verdere opening stemt hoofdzakelijk overeen met de grootte van het raam 5, en bij voorkeur ook met de opening 17 in de buitenmuur. Daarbij kan de breedte van de eerste sectie 14 van de verdere opening indien gewenst breder gemaakt worden dan de breedte van de opening 17 in de buitenmuur 3 om minstens een gedeelte van de raamprofïelen van het raam 5 aan het oog te onttrekken, kijkend van buiten het gebouw naar de buitenmuur 3.
Ter plaatse van de bovenkant van de eerste sectie 14 van de verdere opening is een derde sectie 16 voorzien van de verdere opening. Door het voorzien van deze derde sectie 16 kan de zonneweringkast 10, via de opening in de binnenmuur 2, tot in de spouwmuur 4 gebracht worden.
De verdere opening 18 vertoont verder een tweede sectie 15 die aangepast is om de ventilatie-unit 7 via de verdere opening 18 tot in de spouwmuur 4 te brengen. In de uitvoeringsvorm uit figuur 3A is de tweede sectie 15 voorzien onder de eerste sectie 14. De tweede sectie 15 is noemenswaardig minder breed dan de eerste sectie 14 omdat de ventilatie-unit 7 typisch noemenswaardig minder breed is dan het raam 5. In een tweede uitvoeringsvorm, getoond in figuur 3B, is de tweede sectie 15’ gevormd grenzend aan een opstaande rand van de eerste sectie 14. Dit laat toe om de ventilatie-unit 7 naast het raam 5 te positioneren. In het bijzonder wanneer onder het raam 5 niet voldoende, of geen ruimte is voor het piaatsen van de ventilatie-unit 7, wordt deze uitvoeringsvorm toegepast. Voorbeeldsituaties zijn ramen die zieh onderaan tot dichtbij een vloeroppervlak uitstrekken, en ramen waarvan een onderkant hoofdzakelijk gelijk met een vloemiveau geplaatst is, bijvoorbeeld ramen die als doorgang gebruikt worden. Door het voorzien van deze tweede sectie 15 kan de ventilatie-unit 7, via de opening in de binnenmuur 2, tot in de spouwmuur 4 gebracht worden.
Figuur 3A toont de posities 22 waar het verder composiet draagprofiel 9 met de binnenmuur kan verbonden worden. Figuur 3 A toont verder posities 22’ waar het composiet draagprofiel 8 met de binnenmuur verbonden is. Daarbij toont figuur 3A dat het composiet draagprofiel 8 een breedte heeft die noemenswaardig gelijk is aan de breedte van de eerste sectie 14 van de verdere opening, zodanig dat het composiet draagprofiel 8 de tweede sectie 15 van de
BE2016/0105 verdere opening overspant. Het composiet draagprofïel 8 kan met andere woorden op de opstaande wanden van de tweede sectie 15 van de verdere opening gelegd worden om zo de tweede sectie 15 af te dekken. Het composiet draagprofïel 8 vormt daarmee hoofdzakelijk de onderzijde van de eerste sectie 14 van de verdere opening. In een alternatieve uitvoeringsvorm waarbij een raam met ventilatie-unit, zonder zonnewering, voorzien wordt, is sectie 16 niet voorzien, en zal de opening in de binnenmuur enkel de secties 14 en 15 bevatten.
Volgens een alternatieve uitvoeringsvorm zoals getoond in figuur 3B, wordt het composiet draagprofïel 19 gepositioneerd in de tweede sectie 15’ van de verdere opening, tussen de posities 22. Met andere woorden wordt het composiet draagprofïel 19 niet onderaan en liggend gepositioneerd, maar wel opstaand en ter plaatse van een zijwand van het raam geplaatst. In deze uitvoeringsvorm wordt de ventilatie-unit ook ter plaatse van deze zijwand van het raam geplaatst. Het verder composiet draagprofïel 9 kan dan bevestigd worden tussen enerzijds het composiet draagprofïel 19 in de tweede sectie 15’ en de positie 22 in de derde sectie 16, die aan de linkerzijde van de opening uit figuur 3B weergegeven is anderzijds. De openingen zoals getoond in figuur 3A en 3B laten toe om een raam dat vooraf verbonden is met de ventilatie-unit en/of zonneweringskast via de binnenmuur te monieren. Hierdoor kan voorbereidend montagewerk maximaal elders, bijvoorbeeld in een raamfabriek, uitgevoerd worden terwijl de montagestappen op de werf, dit is in het gebouw met de muur 1 waarin het raam 5 voorzien moet worden, geminimaliseerd worden. Niet enkel heeft dit een positieve invloed op de constructietijd, maar ook wordt de kans op foutieve montage geminimaliseerd. Verder kan het minimale vaardigheids- en kennisniveau van personen, die het raam in de muur 1 plaatsen, minimaal zijn.
Figuur 4 toont een opstaande dwarsdoorsnede van een muur met een opening waarin een raam geplaatst is. De figuur toont hoe de muur een binnenmuur 2 en een buitenmuur 3 heeft. In de buitenmuur is een opening 17 voorzien die hoofdzakelijk overeenstemt met de afmetingen van het raam 5. In de binnenmuur 2 is een verdere opening 18 voorzien die groter is dan de afmetingen van het raam 5, nl. de verdere opening 18 heeft, zoals hierboven uitgebreid beschreven, een eerste sectie 14, een tweede sectie 15 en een derde sectie 16 voor het monieren van het raam 5, de ventilatie-unit 7 en de zonneweringskast 10 respectievelijk. De figuur toont ook hoe tussen de binnenmuur 2 en de buitenmuur 3 een spouwmuur gevormd is. Daarbij iilustreert figuur 4 hoe de ventilatie-unit 7, de zonneweringskast 10 en de laterale geleiders 11 zieh volledig in de spouwmuur kunnen uitstrekken.
In de uitvoeringsvorm uit figuur 4 is nagenoeg de volledige spouwmuur, beschouwd in de dwarsrichting daarvan, opgevuld door de ventilatie-unit 7, onder het raam 5, en de zonneweringskast 10 boven het raam 5. Dit is het gevolg van de diepte van de spouwmuur die in de uitvoeringsvorm uit figuur 4 overeenstemt met de inbouwdiepte van de ventilatie-unit 7 en
BE2016/0105 van de zonneweringskast 10. Dit is een voorkeurssituatie die in de praktijk niet altijd voorkomt, en die ook niet altijd nodig is. Wanneer de spouwmuur dieper is dan de vereiste inbouwdiepte voor de ventilatie-unit 7 en/of de zonneweringskast 10, zal een spatie ontstaan tussen de buitenmuur 3 en de ventilatie-unit 7 en/of de zonneweringskast 10. Deze spatie kan afgewerkt worden op traditionele wijze door middel van buitenschrijnwerk. Deze spatie ontstaat met name wanneer het raam 5 uitgelijnd wordt ter plaatse van de binnenmuur 2. Alternatief kan het raam 5 dieper in de muur gemonteerd worden op de spatie tussen de buitenmuur 3 en de ventilatie-unit en/of de zonneweringskast 10 te minimaliseren. Hiervoor kunnen steunelementen voorzien worden op de binnenmuur 2 om het raam 5 te dragen wanneer het raam zieh dieper in de muur, dit is dan typisch in de spouwmuur, uitstrekt.
In een andere situatie is de diepte van de spouwmuur kleiner dan de inbouwdiepte van de ventilatie-unit 7 en/of de zonneweringskast. In een dergelijke situatie kan de ventilatie-unit en/of de zonneweringskast partieel in de spouwmuur en partieel in de opening 18 gemonteerd worden. Het raam 5 zal zieh dan, in de dwarsrichting van de muur beschouwd, dichter bij de binnenzijde van de binnenmuur bevinden dan getoond is in de uitvoeringsvorm van figuur 4.
Figuur 4 toont een optimale situatie voor het monteren van een raam met extra functionaliteiten, die belichaamd zijn door elementen die aan het raam 5 bijgebouwd worden. Zo toont figuur 4 het raam 5, en een ventilatie-unit 7 die voorzien is voor het op gecontroleerde wijze van binnen naar buiten en van buiten naar binnen laten strömen van lucht. Daarbij bevat de ventilatie-unit een warmtewisselaar zodat energie gerecupereerd kan worden. De ventilatie-unit bevat openingen naar een binnenmuur 2, waarvan één opening weergegeven is in de figuur en aangeduid is met referentiecijfer 35. De ventilatie-unit 7 zal hieronder meer in detail besproken worden aan de hand van figuren 6 en 7. De ventilatie-unit 7 is verbonden met een composiet draagprofiel 8, dat verder verbonden is met het raam 5. Op die manier vormt het raam 5 één geheel met de ventilatie-unit 7, en kan het als geheel doorheen de verdere opening 18 ingebouwd worden. De ventilatie-unit 7 wordt voorzien, minstens ter zijde van de binnenmuur 2 en van de onderkant, van een waterdichte laag 75. Omdat in de ventilatie-unit, zoals hieronder in detail toegelicht wordt, ten gevolge van het forceren van een luchtstroom, drukverschillen zullen ontstaan, en omdat in de ventilatie-unit wärmte uitgewisseld wordt, waardoor condens kan ontstaan, is het niet ondenkbaar dat de ventilatie-unit in de praktijk condenswater zal lekken. Dit water wordt door de waterdichte laag 75 verhinderd om naar de binnenmuur te vloeien. Het water wordt door de waterdichte laag 75 richting de buitenmuur 3 geleid, zodat het van daar verder naar buiten kan vloeien. Zo worden vochtplekken aan de binnenmuur voorkomen, en wordt voorkomen dat isolatie nat wordt. De waterdichte laag 75 is bij voorkeur gevormd als een waterdichte folie die zieh uitstrekt vanaf het composiet draagprofiel 8 tot aan de buitenmuur 3, waarbij de ventilatie-unit zieh aan de
BE2016/0105 buitenmuurzijde van de folie bevindt. Als alternatief voor de waterdichte laag 75 kan de ventilatieunit voorzien worden in een behuizing, bijvoorbeeld uit kunststof, waarbij de behuizing hoofdzakelijk waterdicht gevormd is en een uitlaat bevat voor water ter piaatse van de buitenmuur
3. Verder alternatief wordt de behuizing voorzien van een waterdichte coating zodat een hoofdzakelijk waterdichte bak verkregen is.
Het composiet draagprofiel 8 wordt, wanneer het raam in de muur gemonteerd wordt, verbonden met de binnenmuur 2, bijvoorbeeld ter piaatse van verbindingsposities 22’ zoals getoond in figuur 3A. Daarmee vormt het composiet draagprofiel 8 een onderste steunbalk voor het raam 5 zodat het raam 5 op het composiet draagprofiel 8 kan rüsten en daarmee verbonden is, om zo ter piaatse van een onderste deel van de periferie van het raam onrechtstreeks met de binnenmuur 2 verbonden te worden via het composiet draagprofiel 8. Op die manier kan het raam 5 optimaal laterale krachten opvangen. Het composiet draagprofiel 8 vormt verder een ophangelement voor de ventilatie-unit 7, zodat verdere steunpunten in de muur voor de ventilatieunit 7 onnodig zijn. Dit maakt montage van het geheel van ventilatie-unit, composiet draagprofiel en raam 5 uiterst eenvoudig.
Figuur 4 toont verder een zonneweringskast 10 die in de spouwmuur geplaatst is en vastgehouden wordt door een verder composiet draagprofiel 9. Het verder composiet draagprofiel 9 kan verbonden worden met de binnenmuur 2 ter piaatse van verbindingsposities 22 die aangeduid zijn in figuur 3 A. daarmee kan de zonneweringskast 10 gepositioneerd worden in de spouwmuur. Ook kan de zonneweringskast 10 via het verder composiet draagprofiel met het raam 5 verbonden zijn. Daarmee vormt het verder composiet draagprofiel 9 het verbindingselement tussen enerzijds het raam 5 en anderzijds de zonneweringskast 10. Net zoals bij de ventilatie-unit 7, heeft dit als voordeel dat het raam 5 samen met de zonneweringskast 10 als één geheel gemonteerd kan worden in de opening 18. Verder kan het raam, via het verder composiet draagprofiel, met de muur verbonden zijn ter piaatse van zijn bovenste periferie, om zo optimaal laterale krachten op het raam te kunnen opvangen. Onder de zonneweringskast 10 strekken zieh typisch laterale geleiders 11 uit voor het geleiden van de laterale zijden van de zonnewering. Daarbij kan de zonnewering gevormd worden door een zonneweringseherm of door een rolluik. Dergelijke zonneweringskasten met laterale geleiders en schermen en/of rolluiken zijn bekend en worden daarom niet verder in detail beschreven in deze beschrijving.
Het raam 5 wordt bij voorkeur verder voorzien van een venstertablet 12 dat water en/of vuil naar een buitenzijde van de buitenmuur 3 kan geleiden. Het venstertablet 12 strekt zieh uit vanaf het raam 5 tot aan de buitenmuur 3. Ter piaatse van het raam 5 is het venstertablet 12 bij voorkeur verbonden met het composiet draagprofiel 8. Het composiet draagprofiel 8 vormt daarmee een achterste segment van een frame dat deel uitmaakt van een venstertabletsamenstel.
BE2016/0105
Verder worden twee zij Segmenten 13 voorzien. Het venstertabletsamenstel wordt hieronder verder in detail toegelicht aan de hand van figuren 8, 9 en 10. Het venstertablet 12 heeft ter plaatse van het raam 5 een achterste opwaartse rand die voorzien is om aan te leunen tegen een opstaande steunwand 47 van het composiet draagprofiel 8. Hiermee is de positie van het venstertablet, minstens in de dwarsrichting van de muur, vast bepaald wanneer het venstertablet 12 met zijn achterste rand tegen de steunwand van het draagprofiel 8 ligt. In deze positie rust venstertablet 12 met zijn zijkanten op de zijsegmenten 13, en zijn de zijsegmenten voorzien om water af te voeren naar een buitenzijde van de buitenmuur, zoals hieronder verder toegelicht zal worden. Elk van de zijsegmenten 13 vormt bij voorkeur verder een onderste afwerkingselement van de laterale geleider 11.
Bij voorkeur hebben de zonneweringskast 10, de laterale geleider 11, het zijsegment 13 en de ventilatie-unit 7 een hoofdzakelijk gelijke inbouwdiepte zodanig dat het geheel van het raam 5 met één of meer van deze voorgenoemde elementen eenvoudig in te bouwen is in een opening van een muur.
Figuur 4 toont een situatie van een raam met elementen waarbij de relatieve positie van de elementen ten opzichte van het raam 5 gekozen is om te passen in een opening zoals weergegeven in figuur 3A. daarbij strekt het composiet draagprofiel 8 zieh uit onder het raam 5 over hoofdzakelijk de volledige breedte daarvan.
In figuur 4 wordt verder een voorbeeld getoond van een blaasmond 77 die voorzien wordt ter plaatse van de binnenmuur en die kanalen bevat om een luchtstroom 78 hoofdzakelijk parallel met de muur te realiseren. Daarbij kan instroom en uitstroom in een tegenovergestelde richting gerealiseerd worden, bijvoorbeeld uitstroom naar onder en instroom via boven. Zo worden strömen optimaal van elkaar gescheiden. Ook wordt via de blaasmond 77 een directe horizontale luchtstroom loodrecht op de binnenmuur, die voor een gebruiker of bewoner snel als oncomfortabel kan ervaren worden, vermeden worden en omgezet in een luchtstroom hoofdzakelijk parallel met de binnenmuur.
Figuur 5 toont een alternatief composiet draagprofiel 19 dat voorzien is voor het verbinden met het raam 5 op een relatieve positie die geoptimaliseerd is om in te bouwen in een opening zoals getoond in figuur 3B. Daarbij strekt het alternatief draagprofiel 19 zieh uit over een gedeelte van een opstaande perifere rand van het raam 5, en is het alternatief composiet draagprofiel 19 voorzien om verbonden te worden met de binnenmuur ter plaatse van verbindingsposities 22 die getoond zijn in figuur 3B. Het verder composiet draagprofiel 9 strekt zieh dan uit tussen de binnenmuur enerzijds en het alternatief composiet draagprofiel 19 anderzijds. In deze uitvoeringsvorm kan de ventilatie-unit 7 via het composiet draagprofiel 19 met het raam 5 verbonden worden. Bij voorkeur zal in deze uitvoeringsvorm de ventilatie-unit 7 met de
BE2016/0105 laterale geleiders 6 verbonden worden, welke laterale geleiders 6 met het raam verbonden zijn zodat de ventilatie-unit 7 via de laterale geleiders 6, onrechtreeks, met het raam verbonden is. Daarbij zal het composiet draagprofiel 9 een stevige verbinding tussen het raam 5 en de binnenmuur verzorgen.
Het aiternatief composiet draagprofiel 19 is verder voorzien van openingen om de luchtstroom en toegang tot de filter in de ventilatie-unit toe te laten. De openingen zijn aangeduid in figuur 5 met referentiecijfer 21.
Figuur 5 toont hoe de langseinden van het aiternatief composiet draagprofiel 19 en het verder composiet draagprofiel 9 voorzien zijn van verbindingselementen 20 voor het verbinden van het composiet draagprofiel met de binnenmuur 2. Deze verbindingselementen 20 zijn in de uitvoeringsvorm gevormd als L-vormige onderdelen, waarbij één deel van de L-vorm met het composiet draagprofiel verbonden wordt, en een ander been van de L-vorm met de muur verbonden kan worden. Verbinden van het verbindingselement met het composiet draagprofiel kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld met schroeven, bouten, lijmen of lassen. Aiternatief of aanvullend kan het verbindingselement vormcompatibel zijn met het composiet draagprofiel zodat het verbindingselement door zijn vorm verbonden kan worden met het draagprofiel. Daarbij kan het composiet draagprofiel gevormd zijn met een groef, en kan het verbindingselement zo gevormd zijn dat het in de groef kan grijpen om de positie van het verbindingselement ten opzichte van het composiet draagprofiel minstens gedeeltelijk vast te leggen. Volgens een altematieve uitvoeringsvorm zijn de verbindingselementen 20 integraal en in één stuk gevormd met het composiet draagprofiel.
Figuur 6 toont een doorsnede van een ventilatie-unit 7. De ventilatie-unit 7 bevat een warmtewisselaar 24, een eerste kanaal 33 en een tweede kanaal 40 voor het laten strömen van lucht van buiten naar binnen en van binnen naar buiten, respectievelijk, een eerste luchtpomp 34 en een tweede luchtpomp 41, die samen de ventilatie-unit 7 vormen en die in een behuizing 23 gemonteerd zijn. Het eerste kanaal 33 strekt zieh uit tussen een eerste opening 29 en een tweede opening 35. De eerste opening 29 is gevormd in een zijde van de behuizing 23 die grenst, wanneer de behuizing in de muur ingebouwd is, aan een buitenzijde van de muur 1. In het voorbeeld uit figuur 6 is de opening 29 gevormd in een bovenste wand van de behuizing 23 van de ventilatieunit 7. De eerste opening 29 is voorzien voor het laten strömen van buitenlucht naar binnen in het gebouw, hetgeen in figuur 6 geïllustreerd is met pijl 30. In het eerste kanaal 33 is een filter 31 voorzien voor het filteren van de instromende buitenlucht, die bij voorkeur geplaatst is om de lucht te filteren voordat de instromende lucht 30 doorheen de warmtewisselaar 24 vloeit.
De warmtewisselaar 24 is van het type lucht-lucht, zodat een warmte-uitwisseling tussen een eerste en een tweede luchtstroom mogelijk is. Hiertoe bevat de warmtewisselaar 24 een
BE2016/0105 eerste ingang 25 en een eerste uitgang 26 voor het laten strömen van een eerste luchtstroom, en bevat de warmtewisselaar 24 een tweede ingang 27 en een tweede uitgang 28 voor het laten strömen van een tweede luchtstroom. Daarbij is de warmtewisselaar 24 voorzien voor het kruislings laten vloeien van de luchtstromen ten opzichte van elkaar op zodanige wijze dat warmte-uitwisseling tussen de strömen geoptimaliseerd is. Lucht-lucht warmtewisselaars zijn bekend, en de details van deze warmtewisselaar en zijn daarom niet verder in detail beschreven in deze beschrijving. Elk van de ingangen 25,27 en uitgangen 26,28 kunnen verder voorzien worden van luchtstroomgeleiders (niet weergegeven in figuur 6) om de luchtstroom te begeleiden. De luchtstroomgeleiders zijn verder voorzien, bij voorkeur ter plaatse van de binnenmuur 2, om de ingangen en uitgangen visueel af te werken.
Het eerste kanaal 33 is verbonden met de eerste ingang 25 en eerste uitgang 26 van de warmtewisselaar 24 en het tweede kanaal 40 is verbonden met de tweede ingang 27 en de tweede uitgang 28 van de warmtewisselaar 24, zodanig dat het eerste kanaal 33 en het tweede kanaal 40 elkaar kruisen ter plaatse van de warmtewisselaar 24. In de warmtewisselaar 24 wordt dan energie uitgewisseld tussen enerzijds de lucht die stroomt in het eerste kanaal 33 en anderzijds de lucht die stroomt in het tweede kanaal 40. Zo is wärmte of koelte recupereerbaar.
De stroming van de lucht doorheen het eerste kanaal 33 wordt aangedreven door een eerste luchtpomp 34. De stroming van lucht doorheen het tweede kanaal 40 wordt aangedreven door een tweede luchtpomp 41. De eerste luchtpomp 34 en de tweede luchtpomp 41 zijn bij voorkeur identieke luchtpompen en kunnen synchroon of individueel aangedreven worden, afhankelijk van de werkingsvoorkeuren van de ventilatie-unit 7. Elke luchtpomp 34, 41 is bij voorkeur gevormd middels een luchtpomp die minimaal geluid produceert. Hiervoor is bij voorkeur een luchtpomp gekozen die aan een laag toerental draait. Daarbij is een laag toerental gedefinieerd als een toerental lager dan 1000 toeren per minuut (tr/min), bij voorkeur lager dan 500 tr/min, meer bij voorkeur lager dan 300 tr/min. Luchtpompen 34, 41 kunnen gekozen worden uit luchtpompen die lucht in een axiale richting beweging of in een radiale richting bewegen, axiaal en radiaal beschouwd ten opzichte van de primaire rotatie-as van de ventilator. Bij voorkeur zijn de luchtpompen 34, 41 voorzien voor het radiaal verplaatsen van lucht. Luchtpompen, waaronder Ventilatoren met radiale of axiale schoepen zijn bekend en worden daarom niet verder in detail beschreven in deze beschrijving.
Het eerste kanaal 33 eindigt ter plaatse van een tweede opening 35 die voorzien is in een wand van de behuizing 23 die, wanneer de ventilatie-unit 7 in de muur ingebouwd is, grenst aan een binnenzijde van het gebouw. In het uitvoeringsvoorbeeld uit figuur 6 is de tweede opening 35 voorzien in de wand die parallel ligt met de binnenmuur 2. Doorheen de tweede opening 35 kan lucht de ruimte van het gebouw binnenstromen, hetgeen in de figuur is aangeduid met pijl 36.
BE2016/0105
Het tweede kanaal 40 is analoog opgebouwd aan het eerste kanaal 33. Het tweede kanaal 40 strekt zieh uit tussen derde opening 37 die bij voorkeur gevormd is in dezelfde wand van de behuizing 23 dan de tweede opening 35. Verder bij voorkeur is de derde opening gepositioneerd op een afstand ten opzichte van de tweede opening 35 die groter is dan de som van de diameters van de tweede opening 35 en de derde opening 37, meer bij voorkeur groter is dan tweemaal de som van de diameters van de tweede opening 35 en de derde opening 37. Altematief is de tweede opening 35 geplaatst aan een eerste langszijde van de behuizing 23, in figuur 6 de linkerzijde, en is de derde opening 37 geplaatst aan een overstaande langszijde van de behuizing 23, in de figuur 6 de rechterzijde. Zo is de afstand tussen de tweede opening 35 en de derde opening 37 maximaal, rekening houdend met de grootte van de behuizing 23.
De derde opening 37 is voorzien voor het laten instromen in het tweede kanaal 40 van lucht die van binnen naar buiten stroomt, hetgeen in figuur 6 aangeduid is met pijl 39. De derde opening 37 is verder voorzien van een filter 38 voor het filteren van de instromende lucht. Deze filter 38 is eenvoudig toegankelijk via de opening 37. De lucht die via de derde opening 37 het tweede kanaal 40 instroomt, stroomt doorheen de warmtewisselaar 24, meer bepaald doorheen de tweede ingang 27 en de tweede uitgang 28, via de tweede luchtpomp 41 naar een vierde opening 42 in de behuizing 23. De vierde opening 42 is bij voorkeur geplaatst in een zelfde wand van de behuizing 23 dan de eerste opening 29. Via de vierde opening 42 kan de lucht die van binnen komt naar buiten strömen, hetgeen aangeduid is in figuur 6 met pijl 43.
De behuizing 23 bevat verder een vijfde opening 32 die bij voorkeur gevormd is in dezelfde wand van de behuizing 23 dan de tweede opening 35 en derde opening 37. Deze vijfde opening 32 is verder gepositioneerd ter plaatse van de filter 31 voor het filteren van de instromende buitenlucht. Als gevolg is deze filter 31 toegankelijk via de vijfde opening 32. De vijfde opening 32 is bij voorkeur gepositioneerd tussen de tweede opening 35 en de derde opening
37. Als gevolg van deze positionering van de openingen, in het bijzonder de positionering van de derde opening 37 en de vijfde opening 32, kunnen alle filters die in de ventilatie-unit 7 aanwezig zijn, meer bepaald de filter voor het filteren van de lucht die van binnen naar buiten stroomt, dit is filter 38, en de filter die voorzien is voor het filteren van de lucht die van buiten naar binnen stroomt, dit is filter 31, via de binnenmuur 2 vervangen worden. Bij voorkeur bevat de filter 31 een koolstoffilter, meer bij voorkeur een actieve koolstoffilter, die inkomende lucht reinigt. Dit maakt onderhoud van de ventilatie-unit 7 zoals getoond in figuur 6 uiterst eenvoudig. Via de vijfde opening 32 is bij voorkeur verder de elektronica en/of sturing in de behuizing 23 toegankelijk. Hiertoe kan een connector voorzien worden in de behuizing 23 ter plaatse van de vijfde opening 32, via welke connector een technieker de elektronica en/of sturing en/of controller van de ventilatie-unit kan verbinden met een extern diagnose en/of programmeertoestel.
BE2016/0105
Figuur 7 toont een perspectiefaanzicht van de ventilatie-unit 7 uit figuur 6. Daarbij toont figuur 7 hoe de eerste opening 29 en de vierde opening 42 in een bovenste wand van de behuizing 23 gevormd zijn. Altematief kunnen deze openingen in een achterwand gevormd worden, de achterwand zijnde de wand die in de gemonteerde toestand van de ventilatie-unit parallel ligt aan, en grenst aan de buitenwand 3. Figuur 7 toont verder de tweede opening 35, de derde opening 37 en de vijfde opening 32, die zieh in een zelfde wand de behuizing 23 uitstrekken, en die elk voorzien zijn van een buisdeel. Het buisdeel vergemakkelijkt het afwerken van de binnenmuur 2 na het plaatsen van de ventilatie-unit 7. Om esthetische redenen zijn de tweede 35, derde 37 en vijfde 32 opening bij voorkeur hoofdzakelijk symmetrisch gevormd rondom een opstaande symmetrieas.
Figuur 7 toont verder hoe verdere aansluitingen 44 en 45 kunnen voorzien worden voor het aansluiten van bijvoorbeeld een extra te ventileren ruimte. Bijvoorbeeld ruimtes die niet aan een buitenmuur grenzen, bijvoorbeeld een badkamer of berging, kunnen geventileerd worden door deze ruimtes aan te sluiten aan de aansluiting 44 en 45. Op basis van de beschrijving van figuur 6 zal duidelijk zijn dat de aansluiting 44 intern in de behuizing 23 gekoppeld wordt met de opening 37 om lucht aan te zuigen uit een extra ruimte, en dat aansluiting 45 intern gekoppeld wordt met de opening 35 om verse lucht (van buiten) in de ruimte te blazen. Het gebruik van deze extra aansluitingen 44 en 45 is optioneel en biedt de mogelijkheid om de functionaliteit van de ventilatie-unit 7 verder uit te breiden. Via buizen in de spouwmuur kunnen ruimtes die niet rechtstreeks aan een buitenmuur grenzen alsnog geventileerd worden.
Figuur 7 toont verder hoe een deksel 71 voorzien is op de ventilatie-unit 7. Bij voorkeur is de ventilatie-unit gevormd als een cassette die in en uit de betreffende opening kan gemonteerd worden, en is het deksel 71 voorzien om de cassette vast te zetten. Het deksel voorziet daarbij in luchtstroomgeleiders, meer bepaald een instroomgeleider 72 en een uitstroomgeleider 73 die respectievelijk instromende lucht en uitstromende lucht geleiden. De geleiders 72 en 73 houden daarmee de instromende lucht 30 en uitstromende lucht 43 gescheiden en bij voorkeur op maximale afstand 76 van elkaar, zodat geen of slechts een minimale circulatie ontstaat tussen uitstromende lucht en instromende lucht. Het deksel 71 is bij voorkeur voorzien van bevestigingselementen 74 om het deksel 71 vast te zetten. Het deksel is voorzien van aansluitingen om de geleiders 72 en 73 te verbinden met de openingen 29 en 42, respectievelijk, zodat de lucht uit/naar de openingen door de luchtstroomgeleiders kan strömen.
Figuur 8 toont een doorsnede van de muur ter plaatse van het venstertablet 12. Daarbij toont figuur 8 een gedeelte van de binnenmuur 2 en een gedeelte van de buitenmuur 3. De doorsnede is gesitueerd naast de tweede sectie en in de eerste sectie van de verdere opening, bijvoorbeeld ter plaatse van de verbindingspositie 22’ in figuur 3A. Als gevolg toont figuur 8 hoe
BE2016/0105 het draagprofiel 8 ter plaatse van het de verbindingspositie 22’ op de binnenmuur 2 ligt. Daarbij kan het draagprofiel 8 verder verbonden worden met de binnenmuur 22’ op verschillende manieren, bijvoorbeeld door schroeven, lijmen of andere technieken (niet weergegeven). De figuur toont verder hoe het raam 5 op het composiet draagprofiel 8 geplaatst is. Daarbij kan het raam 5 zowel met buitendeel als met een binnendeel op het composiet draagprofiel 8 geplaatst zijn, zonder dat dit een noemenswaardig nadelig effect heeft op de isolatie werking. Namelijk een composiet draagprofiel 8 is typisch een siechte geieider van wärmte zodanig dat het composiet draagprofiel 8 geen noemenswaardig koudebrug vormt tussen het binnendeel en het buitendeel van het raam 5 wanneer het binnendeel en het buitendeel beiden op het composiet draagprofiel 8 geplaatst zijn. Alternatief (niet weergegeven) kan het raam 5 slechts met het binnendeel verbonden worden met het composiet draagprofiel 8.
De figuur toont verder hoe het composiet draagprofiel 8 een groef 46 heeft voor het verbinden van de ventilatie-unit 7 met het composiet draagprofiel 8. De groef 46 is slechts één uitvoeringsvoorbeeld waarmee de ventilatie-unit 7, in het bijzonder de behuizing 23 daarvan, met het composiet draagprofiel 8 verbonden kan zijn. Alternatief kan de ventilatie-unit 7 door schroeven, lijmen of andere technieken verbonden worden met het composiet draagprofiel 8. Het verbinden door middel van de groef 46 heeft als voordeei dat de positie van de ventilatie-unit 7 in de breedterichting van het raam eenvoudig wijzigbaar is door het verschuiven van de ventilatieunit 7 in de groef 46. Dit laat toe aan de plaatsers van het raam 5 met de ventilatie-unit 7 om de positie van de ventilatie-unit 7 aan te passen aan de positie van de opening zoals getoond in figuur 3A. Verder kan d ventilatie-unit 7 rechtstreeks of onrechtstreeks met de groef 46 verbonden zijn. In één uitvoeringsvorm, zijn twee zij-elementen (niet weergegeven) rechtstreeks met de groef 46 verbonden, en is de ventilatie-unit 7 gevormd als een cassette die tussen de twee zij-elementen past. In een andere uitvoeringsvorm is de ventilatie-unit 7 rechtstreeks verbonden met de groef 46. In een verdere uitvoeringsvorm is de ventilatie-unit 7 via een intermediair element verbonden met de groef 46.
Het venstertablet 12 is in figuur 8 getoond in de werkingspositie, die ook de tweede positie van het venstertablet 12 genoemd wordt. De werkingspositie van het venstertablet 12 is de positie van het venstertablet 12 ten opzichte van het raam 5 en de buitenmuur 3, waarin water en/of vuil door het venstertablet 12 naar een buitenzijde van de buitenmuur 3 geleid wordt. Meer bepaald kan water en/of vuil tegen het raam 5 terechtkomen, en längs het raam 5 naar beneden strömen, en kan water en/of vuil tussen het raam 5 en een buitenzijde van de buitenmuur 3 terechtkomen. Het venstertablet 12 is in zijn werkingspositie voorzien om dergelijk water en vuil naar een buitenzijde van de buitenmuur 3 te geleiden zodat geen noemenswaardige hoeveelheid water en/of vuil in de spouwmuur en ter plaatse van de binnenmuur 2 kan terechtkomen. Hiertoe
BE2016/0105 heeft het venstertablet 12 een achterste opwaartse rand 48. De achterste opwaartse rand 48 is voorzien om aan te drukken tegen een opstaande steunwand 47 van het composiet draagprofiel 8. Typisch wordt het venstertablet 12 met zijn achterste opwaartse rand 48 aangedrukt tegen de opstaande steunwand 47 door middel van schroeven of bouten 66. Verder wordt tussen de opstaande rand 48 en de opstaande steunwand 47 bij voorkeur een achterste dichting 49 voorzien. De achterste dichting 49 kan bijvoorbeeld gevormd worden door een strook rubber. De vakman zal op basis van de functie en de mechanische opbouw begrijpen welke materialen en vormen geschikt zijn als dichting tussen de opstaande rand 48 en de steunwand 47. Het composiet draagprofiel 8 vormt, door deze opbouw, het achtersegment van het frame van het venstertabletsamenstel. Verder kan een kapje 67 voorzien worden om water dat naar beneden stroomt längs het raam maximaai te verhinderen om achter het venstertablet 12 terecht te komen. Het kapje 67 is bij voorkeur gevormd als een profiel met een flexibele lip die zieh opwaarts uitstrekt om tegen het raam aan te drukken. Verder is het kapje 67 bij voorkeur voorzien om op de één of meerdere koppen van schroeven 66 bevestigd te worden, bijvoorbeeld door klemming.
Het venstertabletsamenstel bevat meerdere elementen, waaronder het venstertablet 12, en een frame dat minstens een achtersegment 8 en tweede zijsegmenten 13 bevat, welke elementen samenwerken om het water en vuil naar een buitenzijde van de buitenmuur 3 te geleiden. Het composiet draagprofiel 8 vormt in het venstertabletsamenstel het achtersegment van het frame. Het composiet draagprofiel 8 is daarom multifunctioneel wanneer zowel de ventilatieunit 7 alsook het venstertablet 12 daarmee verbonden is.
Het composiet draagprofiel 8 uit de uitvoeringsvorm van figuur 8 vertoont verder een steunvlak of uitsteekstel voor het ondersteunen van een achterste deel van het venstertablet 12. Het steunvlak of uitsteeksel strekt zieh uit, in de gemonteerde toestand van het venstertablet 12, onder de opstaande steunwand 47 zodanig dat, wanneer het venstertablet 12 met zijn opstaande rand 48 tegen de steunwand 47 gedrukt is, het venstertablet 12 niet naar beneden kan vallen, namelijk het venstertablet 12 wordt ter plaatse van zijn achterkant ondersteund door het steunvlak of uitsteeksel. Het venstertablet 12 wordt bij voorkeur gemonteerd door een verschuiving van het venstertablet 12 richting de steunwand 47, en waarbij de verschuiving zieh uitstrekt in een richting die hoofdzakelijk gelijk is aan het vlak van het venstertablet 12. Alternatief kan montage en demontage van het venstertablet 12 gebeuren door een rotatie van het venstertablet 12 rond de achterste opwaartse rand 48. Bij een dergelijke montage kan de voorzijde van het venstertablet 12 opgelicht worden zodanig dat de opwaartse rand 48, door de rotatie van het venstertablet 12 van de opstaande steunwand 47 wegbewogen wordt. Hierdoor kan het venstertablet 12 uit zijn werkingspositie gehaald worden. Deze positie wordt ook de eerste positie van het venstertablet 12 genoemd. Door het halen van het venstertablet 12 uit zijn werkingspositie en in de eerste positie,
BE2016/0105 wordt toegang verschaft tot de spouwmuur 4. In het bijzonder wanneer een ventilatie-unit 7 gemonteerd is in de spouwmuur, is het een voordeel om relatief eenvoudig toegang te hebben tot de spouwmuur om onderhouds- of herstellingswerken te kunnen uitvoeren aan de ventilatie-unit.
De zij segmenten van het frame van het venstertabletsamenstel zijn geplaatst ter plaatse van de laterale zijden van het venstertablet 12, om het venstertablet 12 te ondersteunen. Het zijsegment 13 bevat een kanaalverlengstuk 52. Het zijsegment 13 is voorzien om geplaatst te worden in de spouwmuur. Omdat water en/of vuil geleid moeten worden tot aan een buitenzijde van de buitenmuur 3, wordt een kanaalverlengstuk 52 voorzien dat zieh uitstrekt doorheen de opening in de buitenmuur 3. Verdere details van het zijsegment 13 zullen gegeven worden aan de hand van de figuren 9 en 10.
De voorzijde van het venstertablet 12, ook de neus van het venstertablet 12 genoemd, strekt zieh uit over de buitenmuur 3. Daarbij kan het venstertablet 12 zieh rechtstreeks en zonder hulpelementen tot over de buitenmuur 3 uitstrekken. Alternatief, zoals weergegeven in figuur 8, wordt de buitenmuur 3 van venstertablet neus 68, bijvoorbeeld een metalen profiel, voorzien, dat op de buitenmuur bevestigd is zodanig dat de voorzijde van het venstertablet 12 op de venstertablet neus 68 kan rüsten. De venstertablet neus 68 is verder bij voorkeur voorzien van perforaties 62. De perforaties zijn bij voorkeur gepositioneerd aan een onderzijde ter plaatse van de oversteek over de buitenmuur. Hierdoor zijn de perforaties 62 niet zichtbaar in een frontaal aanzicht van de buitenmuur. De perforaties 62 laten een luchtstroom toe tussen de spouwmuur en de omgevingslucht. Dit is in het bijzonder relevant wanneer een ventilatie-unit 7 voorzien wordt, zoals hierboven uitgebreid beschreven, van openingen in een bovenste wand van de ventilatie-unit, welke openingen dan voorzien zijn om buitenlucht aan en af te voeren. De luchtstroom die hierdoor ontstaat is in figuur 8 aangeduid met pijl 43. Daarbij zal duidelijk zijn dat één of meerdere schotten (niet weergegeven) voorzien kunnen worden tussen de openingen 29 en 42 van de ventilatie-unit 7 en het venstertablet 12 zodanig dat de afgevoerde lucht maximaal gescheiden blijft van de aangevoerde lucht totdat de lucht via de perforaties 62 naar buiten gebracht is. Zo ontstaat in de spouwmuur geen noemenswaardige menging tussen de eerste en de tweede luchtstroom. De venstertablet neus 68 is bij voorkeur via een montagehulpstuk 69 met de buitenmuur bevestigd. Dit montagehulpstuk 69 kan op een vooraf bepaalde hoogte ten opzichte van de opening in de binnenmuur bevestigd worden via een schroef of lijm of ander bevestigingsmechanisme. Eventueel kan een verder montagehulpstuk 70 voorzien zijn als intermediair element om tussen het montagehulpstuk 69 en de venstertablet neus 68 te plaatsen. In een alternatieve uitvoeringsvorm, waarbij de ventilatie-unit 7 aan een zijkant van het raam gemonteerd wordt, kan de laterale geleider voorzien worden van openingen voor het laten strömen van lucht ter plaatse van de buitenzijde van de muur. De zijwand van de behuizing van de
BE2016/0105 ventilatie-unit ter plaatse van de laterale geleider zal daarom besehouwd worden als de zijde die gerelateerd is aan de buitenzijde van de muur.
Figuur 9 toont het zijsegment 13, bij voorkeur gevormd als een metalen afwerkstuk 51. Het metalen afwerkstuk 51 is bij voorkeur gelakt of voorzien van een afwerkingslaag die hetzelfde is dan de lak of afwerkingslaag van de laterale geleider 11. Alternatief kan het zijsegment 13 uit één stuk gevormd zijn, bijvoorbeeld geffeesd zijn uit een metalen blok.
Het zijsegment heeft een kanaal 53. Het kanaal 53 is voorzien om water en/of vuil te laten strömen richting een buitenzijde van de buitengevel 3. Hiertoe is het kanaal 53 afwaterend gevormd van het raam richting de buitenzijde van de buitenmuur. Het kanaal 53 wordt dan typisch verlengd, zoals getoond in figuur 9, door een kanaalverlengstuk 52. Het kanaal 53 heeft binnenste opstaande rand 54, en een buitenste opstaande rand 55. De binnenste opstaande rand 54 en buitenste opstaande rand 55 definiëren hoofdzakelijk de breedte van het kanaal 53. De binnenste opstaande rand 54 is bij voorkeur minder hoog gevormd dan de buitenste opstaande rand 55. Het gevolg hiervan is, zoals getoond is in figuur 10, dat het venstertablet 12 op de binnenste opstaande randen 54 en 54’ kan gelegd worden, en zieh dan tussen de buitenste opstaande randen 55, 55’ uitstrekt. Dit wordt hieronder verder toegelicht aan de hand van figuur 10. Verder vertoont het zijsegment een wanddeel van de bovenste sectie 56, die zodanig gepositioneerd is om eenvoudig opwaarts röteren van het venstertablet 12 uit zijn werkingspositie toe te laten. De buitenste opstaande randen 55 kunnen, zoals getoond in figuur 9, een inspringing bevatten die als functie heeft om een minimale spatie tussen het venstertablet 12 en de buitenste opstaande randen 55 te creëren. Dit laat toe water van het venstertablet 12 eenvoudig af te voeren naar het kanaal 53. Deze inspringing dient dan als aanslag voor het venstertablet, om het venstertablet in zijn optimale positie te centreren.
Het zijsegment 13 bevat bij voorkeur een achterwand 60. In gemonteerde toestand ligt de achterwand 60 bij voorkeur in lijn met een opstaande steunwand 47 die in figuur 8 getoond is. Het gevolg hiervan is dat de opwaartse achterste rand 48 van het venstertablet 12 tegen de achterwand 60 aanleunt zodat water en/of vuil optimaal afgevoerd kunnen worden naar een buitenzijde van de buitenwand 3. Daarbij is de binnenste opstaande rand 54 voorzien van een zijdelingse dichting 65, die zieh over de binnenste opstaande rand 54 uitstrekt en die doorloopt over de achterwand 60, in het verlengde van de binnenste opstaande rand 54, tot een bovenzijde van de achterwand 60. Hierdoor zal, wanneer het venstertablet 12 gemonteerd wordt, een overlapping ontstaan tussen de achterste dichting 49, die tegen de opstaande steunwand 47 en de achterwand 60 aanligt, en de zijdelingse dichting 65, die zieh tot een bovenzijde van de achterwand 60 uitstrekt. Door deze overlapping van de zijdelingse dichting 65 met de achterste
BE2016/0105 dichting 49, wordt de aansluiting van het venstertablet met de hoek tussen zijsegment en achtersegment optimaal waterdicht gemaakt. In figuur 9 is de achterste dichting 49 geïllustreerd in stippellijn, zodat de overlapping ter plaatse van de achterwand 60 zichtbaar is.
Het zijsegment 13 bevat verder een achterste zij wand 61. Verder kan het zijsegment 13 voorzien worden van een zonneweringsgroef 64. In de zonneweringsgroef 64 kan de onderste afwerkingslat van het zonneweringsscherm, of de onderste lamel van een rolluik opgenomen worden wanneer het rolluik of het zonneweringsscherm naar beneden gelaten is. Zo kan het rolluik tot nagenoeg op het venstertablet 12 naar beneden gelaten worden, zodat een esthetisch optimaal geheel verkregen wordt. Het zijsegment bevat verder een lekbakje 63 dat water in het zijsegment 13 afwatert naar het kanaal 53. Wanneer laterale geleiders voorzien worden van roosters ter aanvoer en afvoer van lucht naar en van de ventilatie-unit, zouden deze roosters bij slagregen water in de geleider kunnen toelaten. Door het zijsegment 13 te voorzien van een lekbakje 63 dat afwatert naar het kanaal 53, kan water dat in de laterale geleider terechtkomt via het lekbakje 63 en het kanaal 53 naar een buitenzijde van de buitenmuur geleid worden.
Figuur 9 iliustreert verder hoe het composiet draagprofiel 8 voorzien is van een eindstuk 50. Dit eindstuk kan uit composiet gevormd zijn, maar kan ook uit een kunststof of metaal gevormd zijn. Het eindstuk 50 vormt een stop voor het composiet draagprofiel 8, dat typisch hol gevormd is, zodat geen luchtstroom door het holle composiet draagprofiel 8 kan optreden. Verder kan het eindstuk 50 geoptimaliseerd zijn voor verbinding met het zijsegment 51 zodat het zijsegment via het eindstuk 50 met het composiet draagprofiel 8 verbonden is. Voor het bepalen van de lengte van het composiet draagprofiel 8, wordt het eindstuk 50 bij voorkeur mee in rekening genomen.
Figuur 10 toont een linker- en een rechterzijsegment 13, 13’, respectievelijk. De zijsegmenten 13 en 13’ zijn in gemonteerde toestand bij voorkeur symmetrisch, dit wil zeggen vlaksymmetrisch ten opzichte van een vlak dat zieh opwaarts en dwars ten opzichte van de muur uitstrekt tussen de zijsegmenten 13 en 13’. Figuur 10 is een doorsnede A-A waarvan de positie in figuur 8 getoond is.
Figuur 10 toont een alternatieve uitvoeringsvorm waarbij elk zijsegment een basislichaam heeft waarop een afwerkstuk 51 voorzien is. De principes die in figuur 10 getoond zijn, zijn eveneens geldig voor afwerkstukken 51 die (zonder basislichaam) het zijsegment 13 vormen, zoals getoond in figuur 9. Ook toont figuur 10 het kanaal 53 met de binnenste opstaande rand 54 en de buitenste opstaande rand 55. Uit de figuur is duidelijk dat de eiementen in het zijsegment aan de linkerzijde van de figuur met referentiecijfers zonder accent aangeduid zijn, terwijl overeenstemmende eiementen in het zijsegment dat aan de rechterzijde weergegeven is, met overeenstemmende referentiecijfers met een accent aangeduid zijn.
BE2016/0105
Figuur 10 maakt duidelijk hoe de afstand tussen de binnenste opstaande randen 54 en 54’, welke afstand in de figuur aangeduid is met pijl 57, kleiner is dan de breedte van het venstertablet 12, zodanig dat het venstertablet 12 door de binnenste opstaande randen 54 en 54’ kan ondersteund worden. Het venstertablet ligt dan met zijn zijkanten op deze binnenste opstaande randen 54, 54’. De buitenste opstaande randen 55 strekken zieh hoger uit dan de binnenste opstaande randen 54, en hebben een breedte 58 tussen de buitenste opstaande randen 55, 55’ die hoofdzakelijk gelijk is aan de breedte van het venstertablet 12. Daarmee kan het venstertablet 12 tussen deze buitenste opstaande randen 55 en 55’ gepositioneerd worden. Hierdoor wordt de positie van het venstertablet 12, in het bijzonder in de breedterichting van het raam, vast bepaald. De figuur toont verder hoe de bovenste sectie van de zijsegmenten 13 een wand 56 hebben die zodanig geplaatst is dat de tussenafstand 59 tussen deze wanden 56 en 56’ groter is dan de breedte van het venstertablet 12. Hierdoor krijgt het venstertablet 12 ruimte om op een eenvoudige wijze opwaarts bewogen te worden uit zijn werkingspositie. Dit maakt montage en demontage van het venstertablet 12 noemenswaardig eenvoudiger. Verder worden beschadiging aan het zijsegment 13 of het venstertablet 12 of de laterale geleiders 11 geminimaliseerd omdat bij montage het venstertablet 12 voldoende ruimte heeft en dus niet tegen deze elementen moet schuren.
In het zijsegment 13 kunnen drie secties onderscheiden worden, namelijk een onderste sectie ter plaatse van de onderste opwaartse rand 54, waarbij tussen de overstaande onderste secties een afstand 57 is die kleiner is dan de breedte van het venstertablet 12, een bovenste sectie hoofdzakelijk gedefinieerd door de wanddelen 56 met een tussenafstand 59 tussen de wanden 56 van de bovenste sectie die noemenswaardig groter is dan de breedte van het venstertablet 12, en een intermediaire sectie die ligt tussen de onderste sectie en de bovenste sectie, die gedefinieerd is door minstens een gedeelte van de buitenste opstaande randen 55 van het kanaal 53, en waarbij tussen overstaande intermediaire secties een afstand 58 is die hoofdzakelijk gelijk is aan de breedte van het venstertablet 12. Water en/of vuil dat ter plaatse van een zijkant van het venstertablet 12 terechtkomt, kan ofwel door het venstertablet 12 naar de buitenzijde van de buitenwand geleid worden, ofwel via de zijkant van het venstertablet 12 in het kanaal 53 terechtkomen, waarbij het water dan via het kanaal 53 tot aan een buitenzijde van de buitenwand 3 geleid wordt. Deze opbouw van het venstertabletsamenstel met de voorkeurskenmerk in de figuren en hierboven beschreven, garanderen een optimale werking van het venstertablet waarbij het venstertablet geoptimaliseerd is om toegang te geven op een eenvoudige wijze tot de spouwmuur 4, en waarbij in een werkingspositie van het venstertablet 12 het venstertablet geoptimaliseerd is om water en/of vuil te geleiden naar een buitenzijde van de buitenmuur 3. Daarbij wordt ook water en/of vuil dat ter plaatse van een achterste rand van het
BE2016/0105 venstertablet 12 of ter plaatse van een zijkant van het venstertablet 12 terechtkomt correct geleid naar een buitenzijde van de buitenwand 3.
Het composiet draagprofiel heeft, in de uitvoeringsvorm waar de ventilatie-unit onder het raam gepositioneerd is, een breedte die hoofdzakelijk gelijk is aan de afstand 57 tussen de overstaande onderste secties. Het venstertablet is dan breder dan het composiet draagprofiel, zodat het venstertablet uitsteekt ten opzichte van het composiet draagprofiel. Dit laat toe om het uitsteeksei van het venstertablet tegen de zij Segmenten, meer bepaald de achterwand daarvan, te drukken, zodat aan weerszijden van het venstertablet een overlapping ontstaat tussen de achterste dichting en de zijdelingse dichting. Bij voorkeur sluit de achterwand 60 nagenoeg naadloos aan tegen het draagprofiel 8, meer bepaald tegen de opstaande stcunwand 47, zodat de achterste dichting 49 water kan verhinderen om ter plaatse van de overgang achter het venstertablet te strömen.
Op basis van de beschrijving hierboven zal de vakman begrijpen dat de uitvinding op verschillende manieren en op basis van verschillende principes kan uitgevoerd worden. Daarbij is de uitvinding niet beperkt tot de hierboven beschreven uitvoeringsvormen. De hierboven beschreven uitvoeringsvormen, alsook de figuren zijn louter illustratief en dienen enkel om het begrip van de uitvinding te vergroten. De uitvinding zal daarom niet beperkt zijn tot de uitvoeringsvormen die hierin beschreven zijn, maar wordt gedefinieerd in de conclusies.
BE2016/0105
Legende van de figuren
1. muur
2. binnenmuur
3. buitenmuur
4. spouwmuur
5. raam/raamprofielen
6. glas
7. ventilatie-unit
8. composiet draagprofiel + achtersegment van frame
9. verder composiet draagprofiel
10. zonneweringskast
11. laterale geleider
12. venstertablet
13. zij segment van frame
14. eerste sectie van verdere opening in binnenmuur
15. tweede sectie van verdere opening in binnenmuur
16. derde sectie van verdere opening in binnenmuur
17. opening in buitenmuur
18. verdere opening in binnenmuur
19. alternatief composiet draagprofiel
20. verbindingselement
21. openingen
22. verbindingspositie van verbindingselement
22’. verbindingspositie van composiet draagprofiel
23. behuizing
24. warmtewisselaar
25. eerste warmtewisselaar ingang
26. eerste warmtewisselaar uitgang
27. tweede warmtewisselaar ingang
28. tweede warmtewisselaar uitgang
29. ingang eerste kanaal (eerste opening)
30. instromende lucht buiten 3 binnen
31. filter instromende buitenlucht
32. vijfde opening
BE2016/0105
| 33. | eerste kanaal | |
| 34. | eerste luchtpomp | |
| 35. | tweede opening (uitstroom buiten binnen) | |
| 36. | uitstromende lucht buiten -> binnen | |
| 5 | 37. | derde opening (instroom binnen buiten) |
| 38. | filter instromende binnenlucht | |
| 39. | instromende binnenlucht | |
| 40. | tweede kanaal | |
| 41. | tweede luchtpomp | |
| 10 | 42. | vierde opening (uitstroom binnen -> buiten) |
| 43. | uitstromende lucht binnen -> buiten | |
| 44. | extra aansluiting binnen -> buiten | |
| 45. | extra aansluiting buiten -> binnen | |
| 46. | groef voor connectie met behuizing van ventilatie-unit | |
| 15 | 47. | opstaande steunwand |
| 48. | achterste opwaartse rand | |
| 49. | achterste dichting | |
| 50. | eindstuk composietdraagprofiel | |
| 51. | aluminium afwerkstuk zij segment | |
| 20 | 52. | kanaalverlengstuk |
| 53. | kanaal | |
| 54. | binnenste opstaande rand | |
| 55. | buitenste opstaande rand | |
| 56. | wand bovenste sectie | |
| 25 | 57. | afstand tussen zij Segmenten bij onderste sectie |
| 58. | afstand tussen zij Segmenten bij intermediaire sectie | |
| 59. | afstand tussen zij Segmenten bij bovenste sectie | |
| 60. | achterwand | |
| 61. | achterste zijwand | |
| 30 | 62. | perforaties |
| 63. | lekbakje | |
| 64. | zonneweringgroef | |
| 65. | zijdelingse dichting | |
| 66. | schroef | |
| 35 | 67. | kapje |
BE2016/0105
| 68. | venstertabletneus |
| 69. | montagehulpstuk |
| 70. | verder montagehulpstuk |
| 71. | deksel |
| 72. | instroomgeleider |
| 73. | uitstroomgeleider |
| 74. | bevestigingselement |
| 75. | folie/waterkering |
| 76. | afstand tussen in- en uitstroom |
| 77. | blaasmond |
| 78. | luchtstroom |
| 79. | inspringing van buitenste opstaande rand |
BE2016/0105
Claims (14)
- Conclusies1. Ventilatie-unit bevattende een behuizing die voorzien is om ingebouwd te worden in een muur van een gebouw, waarbij de behuizing een eerste zijwand en een tweede zijwand heeft die, wanneer de ventilatie-unit ingebouwd is, gerelateerd is aan een binnenzijde en een buitenzijde van de muur, respectievelijk, waarbij in de behuizing een eerste kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van buiten het gebouw naar binnen en een tweede kanaal voorzien is voor het laten strömen van lucht van binnen het gebouw naar buiten, waarbij het eerste kanaal zieh uitstrekt tussen een eerste opening, in de tweede zijwand, en een tweede opening, in de eerste zijwand, en waarbij het tweede kanaal zieh uitstrekt tussen een derde opening, in de eerste zijwand, en een vierde opening, in de tweede zijwand, waarbij het eerste kanaal en het tweede kanaal elkaar kruisen via een warmtewisselaar en waarbij verder een vijfde opening voorzien is, in de eerste zijwand, die toegang geeft tot een filterelement in het eerste kanaal tussen de eerste opening en de warmtewisselaar.
- 2. Ventilatie-unit volgens conclusie 1, verder bevattende een eerste luchtpomp die geplaatst is in het eerste kanaal en een tweede luchtpomp die geplaatst is in het tweede kanaal.
- 3. Ventilatie-unit volgens conclusie 2, waarbij de eerste luchtpomp gepositioneerd is tussen de warmtewisselaar en de tweede opening.
- 4. Ventilatie-unit volgens conclusie 2 of 3, waarbij de tweede luchtpomp gepositioneerd is tussen de warmtewisselaar en de vierde opening.
- 5. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies 2-4, waarbij de warmtewisselaar, de eerste luchtpomp en de tweede luchtpomp naast elkaar tussen de eerste zijwand en de tweede zijwand gepositioneerd zijn zodanig dat tussen de eerste en de tweede zijwand een minimale afstand is.
- 6. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij minstens aan elk van de tweede, derde en vijfde opening een buiselement voorzien is aan de buitenzijde van de behuizing, hoofdzakelijk haaks op de eerste zijwand en de tweede zijwand.
- 7. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij minstens de tweede opening, derde opening en vijfde opening elk een maximale diameter hebben van 20cm, meer bij voorkeur maximaal 15cm.
- 8. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de derde opening voorzien is van een filter voor het filteren van binnenlucht die het tweede kanaal instroomt.BE2016/0105
- 9. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het eerste en tweede kanaal zodanig geplaatst zijn tussen de eerste en de tweede zijwand dat het eerste en het tweede kanaal elkaar slechts ter plaatse van de warmtewisselaar kruisen.
- 10. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies en conclusie 2, 5 waarbij de ventilatie-unit gevormd is uit een kunststof schuim blok waarbij de kanalen gevormd zijn als holtes in het kunststof schuim blok en waarbij caviteiten voorzien zijn in het kunststof schuim blok voor het plaatsen van de warmtewisselaar en de eerste en de tweede luchtpomp.
- 11. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de ventilatie-unit een deksel bevat waarin luchtgeleiders voorzien zijn die minstens gedeeltelijk10 geleidingskanalen vormen voor het sturen van de lucht naar een buitenzijde van de muur.
- 12. Ventilatie-unit volgens conclusie 11, waarbij de tweede zijwand van de behuizing gevormd wordt door een combinatie van de bovenwand en het deksel, waarbij de geleidingskanalen fongeren als verlengstukken van het eerste kanaal en tweede kanaal ter plaatse van de buitenzijde van het gebouw.15
- 13. Ventilatie-unit volgens één van de voorgaande conclusies, bevattende verbindingsmiddelen voor het bevestigen van de ventilatie-unit in een spouwmuur van een gebouw.
- 14. Ventilatie-unit volgens conclusie 13, waarbij de verbindingsmiddelen gevormd worden door twee zijelementen die enerzijds voorzien zijn om de ventilatie-unit te20 klemmen en anderzijds voorzien zijn om rechtstreeks of onrechtstreeks met een raam te verbinden.-29BE2016/0105
Priority Applications (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2016/0105A BE1024294B1 (nl) | 2016-06-14 | 2016-06-14 | Ventilatie-unit |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE2016/0105A BE1024294B1 (nl) | 2016-06-14 | 2016-06-14 | Ventilatie-unit |
Publications (2)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1024294A1 true BE1024294A1 (nl) | 2018-01-16 |
| BE1024294B1 BE1024294B1 (nl) | 2018-01-23 |
Family
ID=56344935
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE2016/0105A BE1024294B1 (nl) | 2016-06-14 | 2016-06-14 | Ventilatie-unit |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| BE (1) | BE1024294B1 (nl) |
Cited By (2)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CN109724171A (zh) * | 2019-02-03 | 2019-05-07 | 广东美的制冷设备有限公司 | 窗式空调器的密封组件和具有其的窗式空调器 |
| EP4290151A1 (en) | 2022-06-07 | 2023-12-13 | Wilms NV | Wall passage |
Family Cites Families (5)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP2382425B1 (en) * | 2009-01-23 | 2013-08-28 | Swegon AB | Low profiled air handling unit with tilted rotary heat exchange |
| DE102009025651A1 (de) * | 2009-06-17 | 2011-01-05 | Meltem Lüftungsgeräte GmbH & Co. KG | Vorrichtung zum Frostschutz einer rekuperativen Luftaustauschvorrichtung und Verfahren zum Betrieb der Vorrichtung |
| DE102010042948B4 (de) * | 2010-10-26 | 2014-11-27 | Blumartin Gmbh | Dezentrale Raumlüftungsvorrichtung mit Wärmerückgewinnung |
| DE202012010671U1 (de) * | 2012-05-16 | 2012-12-17 | Ltg Aktiengesellschaft | Lufttechnisches Gerät zur Be- und Entlüftung |
| DE202012102899U1 (de) * | 2012-08-01 | 2013-11-07 | Meltem Wärmerückgewinnung GmbH & Co. KG | Verteilergehäuse für eine Luftaustauschvorrichtung |
-
2016
- 2016-06-14 BE BE2016/0105A patent/BE1024294B1/nl active IP Right Grant
Cited By (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| CN109724171A (zh) * | 2019-02-03 | 2019-05-07 | 广东美的制冷设备有限公司 | 窗式空调器的密封组件和具有其的窗式空调器 |
| CN109724171B (zh) * | 2019-02-03 | 2024-05-28 | 广东美的制冷设备有限公司 | 窗式空调器的密封组件和具有其的窗式空调器 |
| EP4290151A1 (en) | 2022-06-07 | 2023-12-13 | Wilms NV | Wall passage |
| BE1030595A1 (nl) | 2022-06-07 | 2024-01-09 | Wilms N V | Wanddoorvoer |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| BE1024294B1 (nl) | 2018-01-23 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| FI3504382T3 (en) | Fixing profile allowing the air passage and assembly of ceiling comprising such a profile | |
| RU2454523C2 (ru) | Двухслойное окно с функцией вентиляции | |
| BE1024294B1 (nl) | Ventilatie-unit | |
| BE1024295B1 (nl) | Raam met ventilatie-unit | |
| JP6554543B2 (ja) | 通風装置の空気吐出口 | |
| JP6636763B2 (ja) | カーテンウォール | |
| JP7337000B2 (ja) | 窓 | |
| JP6605284B2 (ja) | 窓装置 | |
| BE1024296B1 (nl) | Venstertablet | |
| JP6449037B2 (ja) | 建具 | |
| JP5128878B2 (ja) | 開口部装置 | |
| BE1028853A9 (nl) | Ventilatie-unit met omkasting | |
| KR100913767B1 (ko) | 환기장치 | |
| BE1030597B1 (nl) | Ventilatie-unit met behuizing | |
| EP2157272A2 (en) | Frame for a window, door or the like | |
| KR20130081810A (ko) | 우드셔터의 설치구조 및 설치방법 | |
| KR101461264B1 (ko) | 공틀확장 창호시스템 | |
| JP4240491B2 (ja) | 扉取付け用建具 | |
| RU2781080C2 (ru) | Вентиляционное устройство | |
| JP4866024B2 (ja) | カーテンウォール構造 | |
| KR20180012412A (ko) | 루버셔터의 장치 및 시스템 | |
| JP7752005B2 (ja) | 改装建具 | |
| KR20200143829A (ko) | 환기장치 | |
| FI12468U1 (fi) | Tuloilmajärjestely | |
| NL1012861C2 (nl) | Ventilatie-inrichting en gevelgedeelte met een ventilatie-voorziening. |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| FG | Patent granted |
Effective date: 20180123 |
|
| PD | Change of ownership |
Owner name: JOS WILMS N.V.; BE Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), CESSION, POWER; FORMER OWNER NAME: WILMS ERIK Effective date: 20180316 |
|
| HC | Change of name of the owners |
Owner name: WILMS NV; BE Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), CHANGE OF OWNER(S) NAME; FORMER OWNER NAME: JOS WILMS N.V. Effective date: 20210204 |