<Desc/Clms Page number 1>
DISTRACTIEMODULE VOOR HET VERBREDEN VAN DE KAAK VAN EEN PERSOON
De uitvinding heeft betrekking op een distractieapparaat met een expansiemodule voor het verbreden van de kaak van een persoon waarbij de twee tegenover elkaar liggende uiteinden van de expansiemodule voorzien zijn van een verbindingsorgaan dat samenwerkt met minstens een steunelement dat aan het bot van de kaak dient te worden bevestigd.
In het octrooidocument WO 01/50976 wordt een dergelijk distractieapparaat beschreven waarbij een expansieschroef vrij tussen twee plaatvormige ankers rust die aan de bovenkaak dienen bevestigd te worden. Dit distractieapparaat kan echter niet aangebracht worden bij personen die een zogenaamd laag palatum hebben, waarbij het gehemelte van de mondholte tussen de tanden nagenoeg vlak is, of die een heel kleine bovenkaak vertonen. Dit is in het bijzonder het geval voor jonge kinderen. Daarenboven is het zeer omslachtig en is veel behendigheid vereist om de expansieschroef tussen genoemde ankers te plaatsen.
Meer bepaald dient men hierbij, enerzijds, de expansieschroef zeer precies tussen de ankers te positioneren en in deze exacte positie vast te houden, terwijl men, anderzijds, tegelijkertijd de expansieschroef dient op te spannen door deze te roteren rond haar as teneinde deze in te klemmen tussen de ankers. Ook bestaat de kans dat de expansieschroef na enige tijd, bijvoorbeeld bij het nuttigen van een maaltijd, los komt van' de ankers en ingeslikt wordt.
Het octrooi US 5 885 290 beschrijft een distractieapparaat dat bijvoorbeeld met behulp van schroeven aan de kaak wordt bevestigd en dat eveneens niet kan gebruikt worden bij kinderen met een kleine bovenkaak of bij personen met een laag palatum. Daarenboven geeft dit distractieapparaat gemakkelijk aanleiding tot ontstekingen en blijven etensresten tussen de onderdelen van de expansieschroef zitten.
Het verbreden van een bovenkaak dient echter bijvoorkeur op een zo jong mogelijke leeftijd te gebeuren. Dit is thans niet mogelijk met de bestaande distractieapparaten.
De uitvinding wil aan deze nadelen verhelpen door een distractieapparaat voor te stellen dat voor zowel personen met een laag palatum als voor kinderen en personen met een heel kleine bovenkaak kan gebruikt worden en dat bovendien op een zeer efficiënte en eenvoudige manier op een kaak kan bevestigd worden.
<Desc/Clms Page number 2>
Tot dit doel, bevat genoemd steunelement een monteerkop die een uitsparing vertoont, waarbij deze monteerkop voorzien is van een toegang tot genoemde uitsparing die door een losneembare afsluitdop dicht gemaakt kan worden en van een opening die eveneens uitgeeft op deze uitsparing, en waarbij genoemd verbindingsorgaan in genoemde uitsparing kan worden ingebracht terwijl dit zich uitstrekt doorheen genoemde opening, zodat de expansiekoppeling een rotatiebeweging kan ondergaan ten opzichte van de monteerkop terwijl het in genoemde uitsparing wordt vastgehouden via genoemd verbindingsorgaan door de afsluitdop.
Doelmatig, bevat genoemd steunelement een fixatiestaaf die aansluit op de monteerkop teneinde deze aan het bot van de kaak te bevestigen.
Op een voordelige wijze, vertoont genoemde fixatiestaaf schroefdraad teneinde in het bot van de kaak bevestigd te worden zodat genoemd steunelement een schroef vormt waarvan de kop bestaat uit genoemde monteerkop.
Volgens een interessante uitvoeringsvorm van het distractieapparaat, volgens de uitvinding, vertoont genoemd verbindingsorgaan een koppelstaaf die zich dwars uitstrekt ten opzicht van de lengterichting van de expansiemodule
Bij voorkeur wordt genoemde koppelstaaf langs weerszijden in een apart steunelement bevestigd.
Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm van het distractieapparaat, volgens de uitvinding, strekt genoemde koppelstaaf zich vrij uit doorheen een oog dat voorzien is aan de het overeenkomstige uiteinde van de expansiemodule.
Andere bijzonderheden en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de hierna volgende beschrijving van enkele bijzondere uitvoeringsvormen van de uitvinding ; deze beschrijving wordt enkel als voorbeeld gegeven en beperkt de draagwijdte niet van de gevorderde bescherming; de hierna gebruikte verwijzingscijfers hebben betrekking op de hieraan toegevoegde figuren.
Figuur 1 is een schematisch zicht op het palatum vanuit de mond met een distractieapparaat volgens een eerste uitvoeringsvorm van de uitvinding.
Figuur 2 is een schematisch vooraanzicht van het distractieapparaat volgens lijn II-II uit figuur 1.
Figuur 3 is een schematische langsdoorsnede volgens lijn III-III van figuur 1 van het distractieapparaat, volgens de uitvinding,.
Figuur 4 is schematische langsdoorsnede van een steunelement volgens de lijn IV-IV uit figuur 3.
<Desc/Clms Page number 3>
Figuur 5 is een schematisch zijaanzicht van een afsluitdop die samen dient te werken met het steunelement uit figuur 4.
Figuur 6 is een schematisch zicht op het palatum vanuit de mond met een distractieapparaat volgens een tweede uitvoeringsvorm van de uitvinding.
Figuur 7 is een schematisch vooraanzicht van het distractieapparaat volgens lijn VII-VII uit figuur 6.
Figuur 8 is een schematisch zijaanzicht van een steunelement, volgens de uitvinding, dat gebruikt kan worden voor het distractieapparaat, volgens genoemde tweede uitvoeringsvorm van de uitvinding.
Figuur 9 is een schematisch zijaanzicht van een steunelement volgens de lijn VII-VII uit figuur 6 met een deel van een verbindingsorgaan.
Figuur 10 is een schematische langsdoorsnede van de expansiemodule volgens lijn X-X uit figuur 6 wanneer deze zich in een uiterste opgespannen positie bevindt.
Figuur 11is een schematische langsdoorsnede van deze expansiemodule volgens lijn X-X uit figuur 6 wanneer deze zich in een uiterste korte positie bevindt.
Figuur 12 is een schematisch zijaanzicht van een deel van een schedel met een bovenkaak waarop een distractieapparaat volgens een derde uitvoeringsvorm van de uitvinding is gemonteerd.
In de verschillende figuren hebben dezelfde verwijzingscijfers betrekking op dezelfde of analoge elementen.
De uitvinding heeft in het algemeen betrekking op een distractieapparaat met een expansiemodule voor het verbreden van de kaak van een persoon. Deze expansiemodule is bijvoorkeur langwerpig en is via de tegenoverliggende uiteinden ervan bevestigd aan steunelementen die in het bot van een kaak dienen verankerd te worden. De expansiemodule laat toe om de afstand tussen deze steunelementen geleidelijk te vergroten teneinde de kaak waarop het distractieapparaat is gemonteerd te verbreden.
Terwijl voor jonge patiënten, zoals kinderen, het volstaat om het distractieapparaat op het deel van de kaak te bevestigen dat dient verbreed te worden, kan het aangewezen zijn om, bijvoorbeeld, voor volwassenen de kaak in twee delen te splitsen door een zaagsnede te voorzien tussen de steunelementen waarop de expansiemodule wordt gemonteerd. Wanneer deze steunelementen geleidelijk van elkaar verwijderd worden door het aanspannen van de expansiemodule, wordt geleidelijk meer bot gevormd tussen deze steunelementen en verbreedt de kaak aldus.
<Desc/Clms Page number 4>
In de figuren 1 tot 3 is schematisch een eerste uitvoeringsvorm van het distractieapparaat volgens de uitvinding weergegeven. Dit distractieapparaat is voorzien van een expansiemodule 1 die aan de tegenover elkaar liggende uiteinden 2 en 3 voorzien is van verbindingsorganen 4 en 5. Via deze verbindingsorganen 4 en 5 is de expansiemodule bevestigd op steunelementen 6 en 7 die in het bot 8 van een kaak 9 zijn verankerd.
Elk steunelement 6 en 7 vertoont een monteerkop 10 waarin een uitsparing 11 is voorzien, zoals is weergegeven in figuur 3 en 4. Deze monteerkop 10 heeft de vorm van een cilinder, waarin genoemde uitsparing 11zich centraal uitstrekt. Via een toegang 12 geeft de uitsparing 11uit op het bovenvlak 13 van de monteerkop 10.
De toegang 12 wordt gevormd door een van inwendige schroefdraad voorziene boring die coaxiaal is met de cilindervormige monteerkop 10 en die door een afsluitdop 14 dicht gemaakt kan worden. In figuur 5 is een dergelijke afsluitdop 14 weergegeven die eveneens cilindrisch is en die uitwendige schroefdraad vertoont zodanig dat deze in de toegang 12 kan geschroefd worden teneinde deze laatste te sluiten. De afsluitdop 14 vormt aldus een bout.
Verder geeft genoemde uitsparing 11 via een opening 15 uit op het zijdelingse oppervlak van de monteerkop 10 of met andere woorden op de mantel van de cilinder die deze monteerkop 10 vormt.
De verbindingsorganen 4 en 5 zijn in genoemde uitsparing 11 van het respectievelijke steunelement 6 en 7, waarbij de overeenkomstige openingen 15 naar elkaar toe gericht zijn. Aldus verbindt de expansiemodule beide steunelementen 6 en 7 terwijl het verbindingsorgaan 4 en 5 zich uitstrekt doorheen genoemde opening 15.
Het verbindingsorgaan 4 en 5 wordt in het bijzonder via genoemde toegang 12 in de uitsparing 11 geplaatst waarbij dit geleid wordt door genoemde opening 15 die zich uitstrekt tot aan de toegang 12. Teneinde de toegang 12 dicht te maken zodanig dat het verbindingsorgaan 4 en 5 wordt vastgehouden in de uitsparing 11wordt genoemde afsluitdop 14 in de toegang 12 bevestigd.
Nadat de afsluitdop 14 is aangebracht kan de expansiemodule 1 nog een rotatie ondergaan ten opzichte van de monteerkop 10 terwijl deze wordt vastgehouden via het verbindingsorgaan 4 en 5. Dit laatste kan in het bijzonder enigszins verplaatst worden volgens een rotatiebeweging in de uitsparing 11. Hiertoe wordt er bijvoorbeeld voor gezorgd dat er een kleine vrije ruimte aanwezig is tussen de afsluitdop 14 en het verbindingsorgaan 4 en 5.
<Desc/Clms Page number 5>
Het uiteinde van de afsluitdop 14 dat aansluit op het verbindingsorgaan 4 en 5 concaaf is uitgevoerd zodat het verbindingsorgaan 4 en 5 in de aldus gevormde concave ruimte een verplaatsing, in het bijzonder een rotatieverplaatsing, kan ondergaan.
Teneinde de rotatieverplaatsing van de expansiemodule 1 toe te laten, vormt genoemde opening 15 een sleuf die aansluit op de toegang 12, waarbij de breedte van de sleuf kleiner is dan de afmeting van het verbindingsorgaan 4 en 5 in een richting dwars op de lengterichting van de expansiemodule. Dit laatste zorgt ervoor dat de expansiemodule 1 niet los kan komen van het steunelement 6 en 7 doorheen de opening 15.
Het steunelement 6 en 7 is verder voorzien van een fixatiestaaf 16 die aansluit op de monteerkop 10. Via deze fixatiestaaf 16 wordt het bevestigingselement 6 en 7 aan het bot 8 van de kaak 9 bevestigd.
Volgens de uitvoeringsvorm van het distractieapparaat, volgens de uitvinding, die weergegeven is in de figuren 1 tot 5, vertoont deze fixatiestaaf 16 aan het uiteinde tegenoverliggend aan de monteerkop 10 schroefdraad 17. Via deze schroefdraad 17 dient het steunelement 6 en 7 in het bot 8 van de kaak 9 geschroefd teneinde dit te bevestigen. Aldus vormt het steunelement 6 en 7 een schroef waarvan de kop bestaat uit genoemde monteerkop 10.
Om het distractieapparaat op een kaak 9 te monteren wordt, in een eerste stap, aan weerszijden van het te verbreden deel van de kaak een steunelement 6 en 7 in het bot van de kaak geschroefd. Hierbij strekt het deel 18 van de fixatiestaaf 16, dat enigszins conisch is uitgevoerd en een cirkelvormige dwarsdoorsnede vertoont, zich uit doorheen het tandvlees dat het bot 8 van de kaak 9 omgeeft.
In een tweede stap wordt het verbindingsorgaan 4 of 5 van één van beide uiteinden 2 of 3 van de expansiemodule 1 via de toegang 12 in de uitsparing 11 gebracht van een eerste steunelement 6 of 7. Vervolgens wordt deze toegang 12 dicht gemaakt met genoemde afsluitdop 14 zodat het overeenkomstige verbindingsorgaan 4 of 5 in de uitsparing 11wordt vastgehouden.
Tenslotte wordt het verbindingsorgaan 4 of 5 van het andere uiteinde 2 of
3 van de expansiemodule 1 via de toegang 12 van het andere steunelement 6 of 7 in de uitsparing 11van dit laatste gebracht. Dit gebeurt op een zeer eenvoudige manier zonder veel vaardigheid te vereisen aangezien de expansiemodule 1 een rotatieverplaatsing kan ondergaan ten opzichte van de monteerkop 10 van het eerste steunelement 6 of 7 zonder dat het los komt van dit laatste.
<Desc/Clms Page number 6>
Nadat het overeenkomstige verbindingsorgaan 4 of 5 aan dit tweede steunelement 6 of 7 is bevestigd wordt de overeenkomstige toegang 12 eveneens dicht gemaakt met een afsluitdop 14.
Het deel van het verbindingsorgaan 4 en 5 dat in genoemde uitsparing 11 rust is kubusvormig en sluit op het genoemd uiteinde 2 of 3 aan via een halsvormige vernauwing zoals werd voorgesteld in figuur 3. Het spreekt echter voor zich dat dit zeer uiteenlopende vormen kan aannemen en, bijvoorbeeld, via een sferisch deel in de uitsparing 11kan rusten. Ook kan het verbindingsorgaan bijvoorbeeld de vorm van een T vertonen, waarbij een kruisvormige uitsparing 11 is voorzien in de monteerkop 10 die via vier openingen uitgeeft op het zijdelings oppervlak van deze monteerkop 10.
In de figuren 6 tot 11 is een tweede uitvoeringsvorm van het distractieapparaat volgens de uitvinding weergegeven. Dit distractieapparaat is verschillende van vorige uitvoeringsvorm doordat, onder andere, elk van de uiteinden 2 en 3 van de distractiemodule aan de kaak 9 worden bevestigd via twee steunelementen zodat in totaal vier steunelementen 6, 6', 7 en 7' zijn voorzien.
Verder vertoont het verbindingsorgaan 4 en 5 een koppelstaaf 19 die zich dwars, en bij voorkeur loodrecht, uitstrekt ten opzichte van de lengterichting van de expansiemodule 1 zodat de verbindingsorganen 4 en 5 de vorm van een T aannemen.
Hierbij is het deel van het verbindingsorgaan 4 en 5 dat vast is met het respectievelijk uiteinde 2 en 3 van de expansiemodule 1 voorzien van een oog 20 waardoorheen de koppelstaaf 19 zich vrij uitstrekt.
De koppelstaaf 19 is langs weerszijden via het uiteinde ervan bevestigd in een steunelement 6,6', 7 en 7'. Aldus is elke koppelstaaf 19 van het respectievelijk verbindingsorgaan 4 en 5 vast met twee op korte afstand naast elkaar geplaatste steunelementen 6,6' en 7,7'.
Het steunelement 6,6', 7 en 7', dat in meer detail is weergegeven in figuren 8 en 9, is heeft de vorm van een schroef waarbij de kop gevormd wordt door een monteerkop 10 waarin een gleufvormige uitsparing 11 is voorzien die aan twee tegenoverliggende zijden uitgeeft op het zijdelings oppervlak van deze monteerkop 14 en aldus twee openingen 15 vormt die zich uitstrekken tot in het bovenvlak 13. Verder vertoont het bovenvlak 13 van deze monteerkop 10 een toegang 12 voor de uitsparing 11 die kan dicht gemaakt worden met behulp van een afsluitdop 14.
De monteerkop 14 is cilindervormig en is voorzien van uitwendige schroefdraad 21, waarbij de afsluitdop 14 een huls vormt met een cilindervormige
<Desc/Clms Page number 7>
uitholling waarin schroefdraad aanwezig is. Aldus wordt de toegang 12 dicht gemaakt door deze afsluitdop 14 over de monteerkop 14 te plaatsen en vast te draaien via genoemde uitwendige schroefdraad 21 zoals schematisch is weergegeven in figuur 9.
Hierbij wordt genoemde koppelstaaf 19 in de uitsparing 11 geplaatst zodanig dat deze hierin geklemd wordt tussen de afsluitdop 14 en het deel van de fixatiestaaf 16 dat aansluit op de monteerkop 10.
In het bovenvlak 22 van de afsluitdop 14 is een uitsparing 23 aanwezig die toelaat om via een geschikt gereedschap, zoals bijvoorbeeld een schroevendraaier, de afsluitdop 14 op de monteerkop 14 te monteren.
Wanneer het distractieapparaat, volgens deze tweede uitvoeringsvorm van de uitvinding, op een kaak 9 wordt gemonteerd, plaatst men in, een eerste stap, genoemde vier steunelementen 6,6', 7 en 7' gegroepeerd per twee langs weerszijden van de kaak 9. Vervolgens wordt een eerste uiteinde 2 of 3 van de expansiemodule 1 via het overeenkomstige verbindingsorgaan 5 of 6 bevestigd aan twee naast elkaar geplaatste steunelementen 6,6' of 7,7' door de overeenkomstige koppelstaaf 19 langs weerszijden in de uitsparing 11 van het respectievelijk steunelement 6,6' of 7,7' te brengen. Hierbij dienen de respectievelijke uitsparingen 11 van de twee naast elkaar geplaatste steunelementen zich in elkaars verlengde uit te strekken.
Nadat op elk van deze steunelementen 6, 6' of 7, 7' een overeenkomstige afsluitdop 14 bevestigd is, bevindt genoemd uiteinde 2 of 3 van de expansiemodule 1 zich tussen deze twee naast elkaar gelegen steunelementen 6,6' of 7, 7', terwijl deze expansiemodule zich vrij kan bewegen over de koppelstaaf 19. De expansiemodule kan aldus zich, enerzijds, verplaatsen volgens de lengterichting van de koppelstaaf 19, en kan, anderzijds, een rotatieverplaatsing ondergaan rond deze koppelstaaf 19 ten opzichte van de overeenkomstige monteerkoppen 10 van beide steunelementen 6, 6' of 7, 7'.
Doordat het aldus mogelijk is om de expansiemodule 1 te verplaatsen ten opzichte van deze eerste twee monteerkoppen 10, kan het andere uiteinde 2 of 3 van de expansiemodule 1 eenvoudig in de overeenkomstige uitsparingen 11van de overige twee steunelementen 6,6' of 7,7' bevestigd worden via het andere verbindingsorgaan 5 of 6.
Tenslotte worden deze twee laatste steunelementen 6, 6' of 7, 7' afgesloten met behulp van een afsluitdop 14.
De uitvoeringsvormen van het distractieapparaat, volgens de uitvinding, die hierboven beschreven werden zijn uitermate geschikt om gemonteerd te worden in de mondholte op het palatum van een persoon.
<Desc/Clms Page number 8>
Figuur 12 geeft een derde uitvoeringsvorm van het distractieapparaat volgens de uitvinding weer dat zijdelings op een bovenkaak 24 van een persoon bevestigd is teneinde deze kaak 24 te verlengen. Dit distractieapparaat is eveneens voorzien van een expansiemodule 1 die aan beide uiteinden met een verbindingsorgaan is bevestigd in een monteerkop 10 van een respectievelijk steunelement 6 en 7. Deze twee steunelementen 6 en 7 worden langs weerszijden van een zaagsnede 25 geplaatst op het bot van de bovenkaak 24 zodat met behulp van de expansiemodule 1 de tegenover elkaar liggende oppervlakken van de zaagsnede geleidelijk ten opzichte van elkaar kunnen verschoven worden. De zaagsnede 25 wordt aangebracht in het bot van de bovenkaak 24 in een vlak dat bij voorkeur evenwijdig is aan het vlak dat door de tandenboog van deze kaak wordt gevormd.
Een eerste steunelement 6 wordt aan de onderzijde van de zogenaamde zygoma bevestigd zodanig dat dit vast is met de schedel, terwijl het tweede steunelement 7 op het deel van de bovenkaak 24 is gemonteerd dat zich onder genoemde zaagsnede 25 bevindt en aldus kan verplaatst worden ten opzichte van de schedel.
Naast een monteerkop 10 die aansluit op een fixatiestaaf 16 vertonen deze steunelementen 6 en 7 een zogenaamde osteosyntheseplaat 26 die toelaat om het steunelement 6 en 7 met schroeven 27 in het bot van de bovenkaak 24 te verankeren. De osteosyntheseplaat 26 strekt zich in het bijzonder in het verlengde van de fixatiestaaf 16 uit aan het uiteinde van deze laatste dat tegenover de monteerkop 10 ligt.
De monteerkop 10 van de steunelement 6 en 7 van het distractieapparaat, volgens deze uitvoeringsvorm van de uitvinding, stemt bij voorkeur overeen met de monteerkop 10 van de hierboven beschreven eerste uitvoeringsvorm van het distractieapparaat die o.a. voorgesteld werd in de figuren 3 en 4
De expansiemodule 1 die in detail is weergegeven in de figuren 3,10 en
11 twee coaxiale staven 28 en 29 die elk aansluiten op een van de uiteinden 2 en 3 van de expansiemodule 1. Deze staven 28 en 29 zijn voorzien van uitwendige schroefdraad met een aan elkaar tegengestelde zin en zijn met elkaar verbonden via een van inwendige schroefdraad voorziene mof 30. Wanneer deze mof 30 rond de langsas wordt geroteerd ten opzichte van de staven 28 en 29, worden deze laatste in tegengestelde zin verplaatst.
Aldus is het mogelijk om de expansiemodule 1 te verlengen en een drukkracht uit te oefenen op de steunelementen 6, 6', 7 en 7'.
Een eerste staaf 28 vertoont een axiale cilindrische uitsparing 31 met een diameter die groter is dan de diameter van de tweede staaf 29, zodanig dat deze laatste in
<Desc/Clms Page number 9>
deze cilindrische uitsparing 31 past wanneer de expansiemodule zich in haar kortste toestand bevindt zoals voorgesteld in figuur 11.
De uitvinding is natuurlijk niet beperkt tot de hierboven beschreven, en in bijgaande figuren voorgestelde uitvoeringsvormen van het distractieapparaat, volgens de uitvinding. Zo kan de expansiemodule bijvoorbeeld uit om het even welk element bestaan dat toelaat om de afstand tussen de uiteinden ervan geleidelijk te vergroten.