<Desc/Clms Page number 1>
"Werkwijze voor het afscheiden van zetmeel uit een reststroom van de zetmeelbereiding en aldus verkregen zetmeel".
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het afscheiden van zetmeel uit een reststroom van de zetmeelbereiding uit graan van de groep van tarwe, rogge, gerst en haver volgens welke werkwijze men aan de reststroom een enzymepreparaat dat pentosanaseactiviteit vertoont, toevoegt en op de reststroom laat inwerken, en men deze reststroom nadien scheidt in een zetmeelfractie en een nevenstroom.
Een gebruikelijke werkwijze voor het bereiden van zetmeel uit bij voorbeeld tarwe bestaat erin dat men de tarwe tot bloem maalt en hieruit de gluten door wassen afscheidt. Uit de daarbij ontstane residuele zetmeelstroom scheidt men door centrifugeren het merendeel van het zetmeel af. De vloeibare reststroom bevat nog belangrijke hoeveelheden zetmeel welke aangerijkt is met de fijnkorrelige fractie. De reststromen bevatten naast zetmeel vrij belangrijke hoeveelheden eiwit en pentosanen.
In de praktijk wordt slechts een gedeelte van het aanwezige zetmeel gerecupereerd uit deze stromen via gekende middelen zoals afscheiding door centrifugeren of decanteren. Nadat via centrifugatie een belangrijk gedeelte van het aanwezige zetmeel verwijderd werd, wordt een nevenstroom verkregen die nog altijd een belangrijke hoeveelheid vooral fijnkorrelig zetmeel bevat, naast toenemende hoeveelheden eiwit, pentosanen en andere onzuiverheden. Dergelijke nevenstroom kan, na indikken, terug gescheiden worden, doch het rendement is laag, terwijl de zuiverheid te wensen overlaat en onaanvaardbaar is voor verdere verwerking, zoals versuikering. Dergelijke nevenstromen worden daarom
<Desc/Clms Page number 2>
als veevoedercomponent verwerkt en aan lage prijzen verkocht.
Volgens de werkwijze van het bij de aanvang gedefinieerde type verkrijgt men reeds een verhoogde zetmeelafscheiding uit de reststroom en dus een hoger rendement.
Een dergelijke werkwijze is terloops vermeld in US-A-2 821 501.
In hoofdzaak wordt daarin echter een werkwijze voor de bereiding van pentosanases uit verschillende Bacillus stammen beschreven en een werkwijze volgens dewelke men deze enzymes daar aan de vloeibare zetmeelstroom zelf toevoegt om daaruit met een groter rendement de zetmeelfractie te kunnen afscheiden.
De mogelijkheid om de pentosanases aan de reststroom, verkregen na het afscheiden van een eerste zetmeelfractie, toe te voegen, wordt slechts zeer in het kort als mogelijkheid vermeld. In geen van de voorbeelden wordt deze mogelijkheid verder beschreven.
Wel wordt er benadrukt dat men de pentosanases onder de optimale pH en temperatuursomstandigheden dient te laten inwerken, namelijk bij een pH gelegen tussen 6 en 7 en een temperatuur bij voorkeur tussen 30 en 35 C. Bij een pH lager dan 5 of hoger dan 8 zouden de enzymes inactief zijn.
Uit microscopisch onderzoek van het via de werkwijze volgens US-A-2. 821. 501 verkregen zetmeel blijkt dat een aanzienlijk gedeelte van de korrels aangetast is en dat deze korrels een verzwakt polarisatiekruis vertonen. Verder blijkt uit Coulter Counter resultaten dat een aanzienlijk gedeelte van de korrels groter is dan 12 micrometer.
Een alternatieve werkwijze voor het afscheiden van zetmeel uit reststromen is beschreven in EP-A2-0 201 226.
Volgens deze werkwijze wordt gebruik gemaakt van een
<Desc/Clms Page number 3>
alkalische extractie. Deze werkwijze is dus niet van het hier gedoelde type. Bij deze alkalische extractie wordt een deel van de korrels uitgezwollen of aangetast.
Deze werkwijze heeft bovendien nog het nadeel dat na de alkalische behandeling een neutralisatie dient uitgevoerd te worden, waardoor het waswater met mineralen belast wordt, terwijl een bijkomende wassing nodig is om residueel zout uit het zetmeel te verwijderen.
Verder blijven er problemen bestaan bij het indikken van de pentosanen bevattende effluenten.
De uitvinding heeft tot doel deze nadelen te verhelpen en een werkwijze van het in de aanhef genoemde type te verschaffen die toelaat op een eenvoudige manier en met een hoog rendement zetmeel van goede kwaliteit uit reststromen van de zetmeelbereiding af te zonderen.
Tot dit doel dikt men, alvorens het enzyme-preparaat toe te voegen, de reststroom in tot een droge stof gehalte van 17 tot 25 gew. % en laat men het enzymepreparaat gedurende 0, 5 tot 4 uur bij een pH van 2, 6 tot 3g-7 en een temperatuur tussen 30 en 50 C inwerken.-
Verrassenderwijze geeft de toepassing van de enzymepreparaten onder de hiervoor genoemde reactieomstandigheden merkelijk hogere zetmeelopbrengsten dan wanneer gewerkt wordt onder de door de leverancier van deze enzymen opgegeven optimale werkingscondities.
Een bijkomend onverwacht voordeel van de werkwijze bestaat erin dat de verkregen zetmeelfractie bestaat uit een gekalibreerd, fijnkorrelig zetmeel, dit houdt in dat ten minste 90 gew. % van de korreltjes een diameter hebben van 3 tot 12 micrometer.
Het verkregen zetmeel is qua granulometrie praktisch identiek aan rijstzetmeel, heeft een hoge zuiverheid en bevat weinig of geen aangetaste korrels.
Wegens zijn granulometrie heeft dit fijnkorrelig zetmeel bijzondere toepassingen onder meer in cosmetica,
<Desc/Clms Page number 4>
als stijfsels, in specifieke papiersoorten en in bioafbreekbare kunststoffen.
Dergelijk zuiver fijnkorrelig zetmeel werd tot nog toe verkregen door de fijne zetmeelfractie met korreltjes met een diameter van 3 tot 10 micrometer (25 ä 30 gew. % van tarwezetmeel) uit tarwezetmeel af te scheiden. Zoals onder meer beschreven in US-A-2 642 185 kan dit gebeuren door middel van een hydrocycloon waardoor men een sterk verdunde oplossing van het zetmeel voert.
Het afscheiden van de fijne zetmeelfractie is evenwel niet eenvoudig en brengt een groot waterverbruik met zich mee.
In een bijzondere uitvoeringsvorm van de uitvinding wast en droogt men de verkregen zetmeelfractie.
In een merkwaardige uitvoeringsvorm van de uitvinding gebruikt men een enzymepreparaat afkomstig van een organisme uit de groep van de schimmels en de gisten.
Geschikte organismen zijn organismen uit de groep van Aspergillus niger, Trichoderma viride, Trichoderma reesei, Penecillium emersonii en Humicola insolens.
Wat het zetmeel betreft, is vooral tarwezetmeel geschikt voor het uitvoeren van de werkwijze volgens de uitvinding.
In een doeltreffende uitvoeringsvorm van de uitvinding laat men het enzymepreparaat bij een pH van 3, 0 tot 3, 4 inwerken.
De uitvinding heeft ook betrekking op het zetmeel verkregen volgens de werkwijze volgens een van de vorige uitvoeringsvormen.
Andere bijzonderheden en voordelen van de uitvinding zullen blijken uit de hiervolgende beschrijving van een werkwijze voor het afscheiden van zetmeel uit een reststroom van een zetmeelbereiding en van een aldus verkregen zetmeel volgens de uitvinding ; deze beschrijving
<Desc/Clms Page number 5>
wordt enkel als voorbeeld gegeven en beperkt de uitvinding niet.
Bij de scheiding van tarwebloem in zetmeel en vitale gluten verkrijgt men een residuele zetmeelstroom.
Deze zetmeelstroom verkregen na de glutenwassing wordt, op zijn beurt, eventueel na indikking, gescheiden bij voorbeeld door centrifugeren, in een zetmeelfractie en een reststroom.
Om een groot gedeelte van het nog in deze reststroom aanwezige zetmeel eruit te halen, gaat men als volgt de werk :
Men dikt deze reststroom in tot een droge stof gehalte van 17 tot 25 gew. %.
De droge stof van de ingedikte reststroom is samengesteld uit 65 tot 75 gew. % zetmeel, 4 tot 6 gew. % eiwit, 4 tot 6 gew. % pentosanen, 10 tot 15 gew. % oplosbare stoffen, l tot 2 gew. % lipiden, vezels, as en enkele andere stoffen.
Dit zetmeel kan moeilijk gedroogd worden. Versuikering van dit zetmeel leidt tot problemen tijdens de raffinage van de verkregen stropen.
Aan de ingedikte reststroom voegt men nu een enzymepreparaat toe dat pentosanase-activiteit vertoont, waarbij men de pH instelt tussen 2, 6 en 3, 7 en bij voorkeur tussen 3, 0 en 3, 4.
Men laat het enzyme-preparaat inwerken bij een temperatuur van 30 tot 500C en bij voorkeur bij een temperatuur van 38 tot 420C en dit gedurende 0, 5 tot 4 uur en bij voorkeur l tot 2 uur.
De enzyme-preparaten die een pentosanase-activiteit vertonen, werden verkregen uit schimmels of gisten.
Men maakt gebruik van dergelijke preparaten die commercieel beschikbaar zijn en bij voorbeeld verkregen zijn uit Aspergillus niger, Trichoderma viride, Trichoderma reesei, Penecillium emersonii of Humicola insolens.
Men laat een of meer van deze enzymepreparaten
<Desc/Clms Page number 6>
inwerken bij voorwaarden die duidelijk verschillen van de door de leveranciers opgegeven werkingsvoorwaarden.
Door de leveranciers worden waarden van pH opgegeven tussen 4, 5 en 5, 5 bij temperaturen tussen 40 en 600C en bij voorkeur rond de 50 C.
De verkregen suspensie scheidt men na deze enzymatische behandeling met behulp van een centrifuge of een decanter in een zetmeelfractie en een tweede reststroom waarna men de zetmeelfractie wast en droogt.
Geschikte enzymepreparaten zijn bij voorbeeld het preparaat MKC Developmental Product Pentosanase van Miles Kali-Chemie GmbH & Co. K. G. uit Duitsland.
Deze leverancier raadt pH-waarden aan tussen 4 en 6 en temperaturen tussen 40 en 700C en bij voorkeur rond de 55 C.
Een ander geschikt enzymepreparaat is Xylanase 500 van Rapidase B. V. uit Nederland, welke leverancier een pH aanraadt van 3 tot 6 en bij voorkeur 4, 7 bij een temperatuur van 55 C.
Een nog ander geschikte enzymepreparaat is het preparaat in de handel gebracht door Biocom Ltd. onder de benaming Biopentosanase X. Deze leverancier geeft een pH-gebied van 3, 5 tot 5, 5 bij temperaturen van 50 tot 550C op.
Verrassenderwijze werd vastgesteld dat door onder andere omstandigheden te werken, de recuperatie van zetmeel uit de reststroom met een rendementstoenamevan 10 tot 40 % kan geschieden ten opzichte van zetmeel gerecupereerd onder de optimale werkomstandigheden opgegeven door de enzymeleveranciers.
Deze rendementen worden bepaald door centrifugatie van de suspensie verkregen na de enzymatische behandeling.
Daarbij ontstaan drie lagen : Een bovenliggende vloeistoffractie die oplosbare stoffen bevat, een slijmlaag
<Desc/Clms Page number 7>
die residueel zetmeel gebonden aan pentosanen en eiwit bevat en een zetmeellaag met hoge zuiverheid. De hoeveelheid zetmeel in deze laatste laag is dan een maat voor het rendement.
Niet door een enzymepreparaat behandelde zetmeelsuspensies of zetmeelsuspensies die behandeld werden met hetzelfde enzymepreparaat maar bij een pH tussen 4, 5 en 5, 5 gaven duidelijk een kleiner rendement.
Tevens werd vastgesteld dat de concentraties aan oplosbare stoffen in de bovenliggende fractie van een niet behandeld staal en een staal dat behandeld werd volgens de uitvinding, praktisch gelijk waren.
Wanneer echter gewerkt werd bij pH-waarden van 4, 0 tot 5, 0, dus niet volgens de uitvinding, trad er een duidelijke toename op aan oplosbaar materiaal.
Deze toename werd veroorzaakt door de stijging van de maltose- en maltotriose-concentatie in deze bovenliggende vloeistoffractie.
Deze toename aan suikers dient toegeschreven te worden aan zetmeelafbraak, wat leidt tot een rendementsverlies dat 5 tot 20 % van het aanwezige zetmeel kan bedragen.
Verkorten van de reactietijd kon het gehalte aan oplosbare suikers wel terugdringen maar een verhoogd zetmeelrendement werd niet vastgesteld.
Reactietemperaturen hoger dan 50 OC tijdens het inwerken van het enzymepreparaat zijn niet geschikt wegens het risico op verstijfseling van het aanwezige zetmeel.
Door de inwerking van het enzymepreparaat onder de hogergenoemde voorwaarden volgens de uitvinding kan 40 tot 80 gew. % van het in de reststroom aanwezige zetmeel, naar gelang de samenstelling van de reststroom,
<Desc/Clms Page number 8>
afgescheiden worden.
Na wassen van de zetmeelfractie verkrijgt men een zuiver zetmeelprodukt bestaande uit 97 tot 98 gew. % zetmeel, 0, 3 tot 0, 5 gew. % eiwit, 1 tot 1, 5 gew. % totale lipiden en 0, 3 tot 0, 5 gew. % aso
Niet alleen verkrijgt men een zuiver zetmeelprodukt maar tevens werd door middel van Coulter Counter analyses vastgesteld dat het verkregen zetmeel samengesteld is uit korreltjes waarvan 90 gew. % een diameter bezitten die tussen 2 en 12 pm gelegen is. Uitgedrukt in aantallen blijken meer dan 99, 5 % van de korreltjes een diameter tussen deze grenzen te bezitten.
Door onder de voorkeursvoorwaarden van pH en temperatuur te werken bij de enzymatische behandeling, verkrijgt men zelf een zetmeelfractie die samengesteld is uit korrels waarvan ten minste 90 %, op gewichtsbasis, een diameter bezitten tussen 3 en 10 am en waarvan 99 % eveneens op gewichtsbasis, een diameter bezitten tussen 3 en 12 pm.
Volgens de hiervoor beschreven werkwijze volgens de uitvinding verkrijgt men dus een gekalibreerd fijnkorrelig tarwezetmeel met een granulometrie analoog aan deze van rijstzetmeel.
Microscopisch onderzoek van de zetmeelfractie verkregen volgens de uitvinding toont duidelijk aan dat er geen aantasting van de korrels heeft plaatsgevonden.
Microscoop-opnamen onder gepolariseerd licht van het zetmeel verkregen volgens de uitvinding en van het zetmeel verkregen door alkalische extractie of enzymatische behandeling bij de door de leveranciers voorgeschreven optimale reactievoorwaarden, tonen duidelijk dat bij het eerstgenoemde zetmeel weinig of geen grote korrels aanwezig zijn, dat de korrels niet aangetast zijn en een duidelijk polarisatiekruis vertonen, dit in tegenstelling tot de andere zetmelen.
<Desc/Clms Page number 9>
Vastgesteld werd dat het rendement en de zuiverheid van het verkregen zetmeel wel enigszins afhankelijk is van de instelling van de gebruikte centrifuge of decanter. Men gebruikt een centrifuge met hoge g-waarde en een vrij lage variabele snelheid van de schroef.
In functie van de gewenste zetmeelkwaliteit kan deze instelling gewijzigd worden.
De uitvinding zal nader gelllustreerd worden aan de hand van volgende voorbeelden :
Voorbeelden 1 tot 3 :
De residuele zetmeelstroom verkregen door de scheiding van tarwebloem in vitale gluten en zetmeel werd ingedikt van 4 gew. % droge stof tot 18 gew. % droge stof. Deze zetmeelstroom werd vervolgens gecentrifugeerd om het aanwezige vrije zetmeel te verwijderen. De verkregen reststroom werd dan op zijn beurt ingedikt tot een concentratie van 18 gew. % droge stof.
Het zetmeelgehalte berekend op de droge stof van de ingedikte reststroom bedroeg 68 gew. % en het eiwitgehalte 3, 9 gew. %.'
Van deze ingedikte reststroom werden drie stalen genomen.
Aan een van de stalen werd geen enzyme toegevoegd (voorbeeld 1).
Aan het tweede staal werd 0, 1 ml per kg droge stof Biopen R toegevoegd (voorbeeld 2).
Aan het derde staal werd 7, 5 mg per kg droge stof MKC pent toegevoegd (voorbeeld 3).
Bij de voorbeelden 2 en 3 liet men het enzyme
EMI9.1
inwerken gedurende twee uur bij 45 C. De pH van de reststroom werd aangepast tot pH 3,
Vervolgens werd de stroom gedurende 5 minuten gecentrifugeerd met een labocentrifuge bij 3000 toeren per minuut.
<Desc/Clms Page number 10>
De hoeveelheid bovenliggende vloeistof-slijmfractie en zetmeelfractie werd dan bepaald evenals het gehalte aan droge stof daarvan. Daaruit werd dan een hoeveelheid materiaal die in elk van deze lagen aanwezig is, berekend.
De resultaten zijn weergegeven in de volgende tabel :
EMI10.1
<tb>
<tb> voorbeeld <SEP> bovenliggende <SEP> slijmfrac- <SEP> zetmeel- <SEP> rendement <SEP>
<tb> vloeistof <SEP> tie <SEP> (s1udge) <SEP> fractie
<tb> 1 <SEP> 8, <SEP> 6 <SEP> % <SEP> 83, <SEP> 4 <SEP> % <SEP> 8 <SEP> % <SEP> 11, <SEP> 8 <SEP> %
<tb> 2 <SEP> 11, <SEP> 3 <SEP> % <SEP> 51, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 37, <SEP> 2 <SEP> % <SEP> 54, <SEP> 7 <SEP> %
<tb> 3 <SEP> 11, <SEP> 6 <SEP> % <SEP> 46, <SEP> 3 <SEP> % <SEP> 41, <SEP> 1 <SEP> % <SEP> 60, <SEP> 4 <SEP> %
<tb>
De verschillende percentages zijn het aandeel van de droge stof die in de verschillende lagen teruggevonden werd, terwijl het zetmeelrendement verkregen werd door deze hoeveelheid zetmeel te delen door het zetmeelgehalte van het uitgangsmateriaal.
Uit deze drie voorbeelden blijkt duidelijk de invloed van de enzyme-inwerking volgens de uitvinding, ten opzichte van een niet-behandeld staal.
Voorbeelden 4 tot 7
Er werd uitgegaan van een analoge reststroom als in de voorbeelden 1 tot 3 maar met een iets andere samenstelling. Deze reststroom werd immers ingedikt tot een droge stof gehalte van 23, 3 gew. %. Het zetmeelgehalte van de droge stof bedroeg 75 gew. % en het eiwitgehalte 3, 4 %.
Aan deze reststroom werd 40 mg per kg droge stof Xylanase R toegevoegd. De enzymatische reactie wordt uitgevoerd gedurende 2 uur bij 400C en bij verschillende pH-waarden.
<Desc/Clms Page number 11>
Voor de verschillende voorbeelden zijn de pH-waarden evenals de resultaten in de hierna volgende tabel weergegeven.
De vermelde percentages zijn opnieuw de hoeveelheden droge stof die aanwezig zijn in de respectievelijke lagen, dit ten opzichte van de totale droge stof van het uitgangsmateriaal.
EMI11.1
<tb>
<tb> voorbeeld <SEP> pH <SEP> bovenliggende <SEP> slijmfrac- <SEP> zetmeel-rendement <SEP>
<tb> vloeistof <SEP> tie <SEP> (sludge) <SEP> fractie <SEP>
<tb> 4 <SEP> 3, <SEP> 0 <SEP> 7, <SEP> 0 <SEP> % <SEP> 39 <SEP> % <SEP> 54 <SEP> % <SEP> 72 <SEP> %
<tb> 5 <SEP> 3, <SEP> 5 <SEP> 6, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 39, <SEP> 2 <SEP> % <SEP> 54, <SEP> 3 <SEP> % <SEP> 72, <SEP> 4 <SEP> %
<tb> 6 <SEP> 4, <SEP> 0 <SEP> 9, <SEP> 9 <SEP> % <SEP> 41, <SEP> 6 <SEP> % <SEP> 48, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 64, <SEP> 7 <SEP> % <SEP>
<tb> 7 <SEP> 4, <SEP> 5 <SEP> 10, <SEP> 8 <SEP> % <SEP> 41, <SEP> 8 <SEP> % <SEP> 47, <SEP> 7 <SEP> % <SEP> 63,
<SEP> 6 <SEP> %
<tb>
Voorbeelden 6 en 7 werden uitgevoerd bij een pH hoger dan 3, 7 en voldoen bijgevolg niet aan de uitvindingsvoorwaarden.
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk dat ten minste 10 % meer zetmeel kan gerecupereerd worden wanneer nen volgens de uitvinding werkt en dat men in het totaal tot meer dan 70 gew% van het oorspronkelijk aanwezige zetmeel kan recupereren.
Een Coulter Counter analyse van het produkt bij pH 3 en pH 4, 5 wordt in de hiervolgende tabel weergegeven.
De percentages zijn uitgedrukt in gewichtsprocent.
EMI11.2
<tb>
<tb> diameter <SEP> pH <SEP> = <SEP> 3 <SEP> pH <SEP> = <SEP> 4, <SEP> 5 <SEP>
<tb> 2-5 <SEP> u <SEP> 48, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 32, <SEP> 2 <SEP> %
<tb> 6-9 <SEP> u <SEP> 44, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 47, <SEP> 9 <SEP> %
<tb> 10-12 <SEP> u <SEP> 7 <SEP> % <SEP> 11, <SEP> 9 <SEP> %
<tb> > 12 <SEP> u <SEP> - <SEP> 8 <SEP> %
<tb>
<Desc/Clms Page number 12>
Voorbeelden 8 tot 11.
In deze voorbeelden werd uitgegaan van een gedeelte van de tot een droge stof gehalte van 18 gew. % ingedikte reststroom uit de voorbeelden 1 tot 3 gemengd met de effluenten verkregen na scheiding van een ander gedeelte van deze ingedikte reststroom, zonder enzymatische behandeling, in een zetmeelrijke fractie en effluenten.
De gemengde stromen werden ingedikt tot een droge stof gehalte van 17, 3 gew. %. De droge stof bevat 65 gew. % zetmeel en 3, 5 gew. % eiwit.
Deze ingedikte stroom werd als volgt behandeld :
Voorbeeld 8 :
Geen enkele behandeling
Voorbeeld 9 : Een enzymatische behandeling gedurende twee uur bij 40 C en bij een pH van 3, 0 met 0, 2 ml
EMI12.1
n per kg droge stof van het commerci le pentosanase
Voorbeeld 10 : Een enzymatische behandeling gedurende twee uur bij 400C en een pH van 4, 5 met 0, 2 ml per kg droge stof van het hiervoor genoemde pentosanase Biopen.
Voorbeeld 11 : Een alkalische behandeling zoals beschreven in EP 201 226.
Enkel voorbeeld 9 is volgens de uitvinding.
De verkregen resultaten zijn in de volgende tabel weergegeven.
EMI12.2
<tb>
<tb> voorbeeld <SEP> bovenliggende <SEP> slijmfrac- <SEP> zetmeel- <SEP> rendement <SEP>
<tb> vloeistof <SEP> tie <SEP> (sludge) <SEP> fractie
<tb> 8 <SEP> 14, <SEP> 2 <SEP> % <SEP> 85, <SEP> 8 <SEP> - <SEP> - <SEP>
<tb> 9 <SEP> 17, <SEP> 5 <SEP> % <SEP> 56, <SEP> 2 <SEP> % <SEP> 26, <SEP> 3 <SEP> % <SEP> 40, <SEP> S <SEP> %
<tb> 10 <SEP> 21, <SEP> 3 <SEP> % <SEP> 56, <SEP> 9 <SEP> % <SEP> 21, <SEP> 8 <SEP> % <SEP> 33, <SEP> 5 <SEP> %
<tb> 11 <SEP> 11, <SEP> 7 <SEP> % <SEP> 73, <SEP> 2 <SEP> % <SEP> 15, <SEP> 1 <SEP> % <SEP> 23, <SEP> 2 <SEP> %
<tb>
<Desc/Clms Page number 13>
De verkregen zetmeelstalen werden gewassen en via Coulter Counter analyse op hun deeltjesgrootte verdeling beoordeeld.
De resultaten daarvan zijn in de volgende tabel weergegeven.
De korrelgrootte-verdeling werd uitgedrukt in gewichtsprocent.
EMI13.1
<tb>
<tb> pH <SEP> = <SEP> 3 <SEP> pH <SEP> = <SEP> 4, <SEP> 5 <SEP> alkalisch
<tb> 2-6 <SEP> u <SEP> 56 <SEP> % <SEP> 49 <SEP> % <SEP> 10 <SEP> %
<tb> 6-10 <SEP> u <SEP> 30 <SEP> % <SEP> 28 <SEP> % <SEP> 8 <SEP> %
<tb> 10-12 <SEP> u <SEP> 6 <SEP> % <SEP> 7 <SEP> % <SEP> 7 <SEP> %
<tb> > 12 <SEP> u <SEP> 8 <SEP> % <SEP> 16 <SEP> % <SEP> 75 <SEP> %
<tb>
Microscopisch onderzoek van de zetmeelkorrels toonde duidelijk aan dat bij een pH van 4, 5 de korrels meer aangetast zijn, een minder duidelijk polarisatiekruis vertonen en in grotere mate uitgezwollen zijn.
De beste resultaten worden duidelijk verkregen met een pH van 3, dat is dus de behandeling volgens de uitvinding.
Volgens de beschreven voorbeelden volgens de uitvinding verkijgt men dus niet alleen een groter zetmeelrendement maar ook een zetmeel dat gekalibreerd en fijnkorrelig is.
De uitvinding is geenszins beperkt tot de hiervoor beschreven uitvoeringsvormen, en binnen het raam van de uitvinding kunnen aan de beschreven uitvoeringsvormen vele veranderingen worden aangebracht.
<Desc/Clms Page number 14>
In het bijzonder is de werkwijze niet noodzakelijk beperkt tot het afscheiden van zetmeel uit de reststroom van de tarwezetmeelbereiding.
Ook de reststromen van het bereiden van zetmeel uit andere granen zoals tarwe, rogge, gerst en haver kunnen volgens de uitvinding behandeld worden.