[go: up one dir, main page]

NL9000327A - Informatieoptekeninrichting. - Google Patents

Informatieoptekeninrichting. Download PDF

Info

Publication number
NL9000327A
NL9000327A NL9000327A NL9000327A NL9000327A NL 9000327 A NL9000327 A NL 9000327A NL 9000327 A NL9000327 A NL 9000327A NL 9000327 A NL9000327 A NL 9000327A NL 9000327 A NL9000327 A NL 9000327A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
record carrier
recording device
setting data
information
signal
Prior art date
Application number
NL9000327A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Philips Nv
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Philips Nv filed Critical Philips Nv
Priority to NL9000327A priority Critical patent/NL9000327A/nl
Priority to US07/542,287 priority patent/US5072435A/en
Priority to DE69115304T priority patent/DE69115304T2/de
Priority to EP91200257A priority patent/EP0442566B1/en
Priority to KR1019910002202A priority patent/KR100221461B1/ko
Priority to JP03904891A priority patent/JP3238158B2/ja
Publication of NL9000327A publication Critical patent/NL9000327A/nl
Priority to HK109496A priority patent/HK109496A/en

Links

Classifications

    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B11/00Recording on or reproducing from the same record carrier wherein for these two operations the methods are covered by different main groups of groups G11B3/00 - G11B7/00 or by different subgroups of group G11B9/00; Record carriers therefor
    • G11B11/12Recording on or reproducing from the same record carrier wherein for these two operations the methods are covered by different main groups of groups G11B3/00 - G11B7/00 or by different subgroups of group G11B9/00; Record carriers therefor using recording by optical means
    • GPHYSICS
    • G11INFORMATION STORAGE
    • G11BINFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
    • G11B7/00Recording or reproducing by optical means, e.g. recording using a thermal beam of optical radiation by modifying optical properties or the physical structure, reproducing using an optical beam at lower power by sensing optical properties; Record carriers therefor
    • G11B7/004Recording, reproducing or erasing methods; Read, write or erase circuits therefor
    • G11B7/0045Recording

Landscapes

  • Optical Recording Or Reproduction (AREA)
  • Adjustment Of The Magnetic Head Position Track Following On Tapes (AREA)
  • Supporting Of Heads In Record-Carrier Devices (AREA)
  • Signal Processing For Digital Recording And Reproducing (AREA)

Description

N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken te Eindhoven. Informatieoptekeninrichting.
De uitvinding heeft betrekking op een informatieoptekeninrichting voorzien van schrijfmiddelen voor het aanbrengen van informatiepatronen op een registratiedrager, van middelen voor het bepalen van registratiedrager afhankelijk instelgegevens, van instelmiddelen voor het in instellen van de schrijfmiddelen overeenkomstig de bepaalde instelgegevens.
Een dergelijke inrichting is beschreven in EP-A-0288114.
In de aldaar beschreven inrichting worden registratiedragers toegepast waarop de instelgegevens, in casu de schrijfstrategie en schrijfintensiteit, vooraf zijn aangebracht tijdens de vervaardiging van de registratiedragers. Na het inbrengen van de registratiedrager in de informatieoptekeninrichting worden de instelgegevens van de registratiedrager gelezen en worden de schrijfmiddelen overeenkomstig de uitgelezen instelgegevens ingesteld. Het bezwaar van de bekende inrichting is echter dat de aldus verkregen instelling van de schrijfmiddelen vaak niet optimaal blijkt te zijn. Dit heeft het gevolg dat de afmetingen van de aangebrachte informatiepatronen afwijkingen kunnen vertonen, waardoor betrouwbare uitlezing van de opgetekende informatie niet altijd mogelijk is.
De uitvinding stelt zich onder meer ten doel een inrichting volgens de openingsparagraaf te verschaffen waarbij een verbeterde instelling van de schrijfmiddelen wordt verkregen. Dit doel wordt volgens de uitvinding bereikt doordat de middelen voor het bepalen van de instelgegevens zijn ingericht om bij verschillende instellingen van de schrijfmiddelen informatiepatronen op te tekenen en om op basis van de opgetekende informatiepatronen, de instelgegevens te bepalen volgens een voorafbepaald criterium, waarbij de informatie optekeninrichting verder is voorzien van opslagmiddelen voor het in een geheugen opslaan van de bepaalde instelgegevens tesamen met identificatiegegevens die indicatief zijn voor de combinatie van de optekeninrichting en de registratiedrager waarvoor de instelgegevens bepaald zijn, en van detectiemiddelen voor het, na het inbrengen van een registratiedrager in de informatieoptekeninrichting, detecteren of voor de betreffende combinatie van registratiedrager en informatieoptekeninrichting instelgegevens zijn opgeslagen in het geheugen, waarbij de instelmiddelen zijn ingericht om in het geval dat voor de genoemde combinatie de instelgegevens zijn opgeslagen de schrijfmiddelen overeenkomstig deze instelgegevens in te stellen. De uitvinding berust mede op het inzicht dat de optimale instelling van de schrijfmiddelen sterk afhankelijk is van zowel de gebruikte registratiedrager als ook voor de gebruikte informatieoptekeninrichting. Voor een bepaalde combinatie van registratiedrager en optekeninrichting blijkt echter de optimale instelling nagenoeg constant te blijven voor het gehele beschrijfbare gebied van de registratiedrager. Ook blijken de optimale instellingen in de loop der tijd nauwelijks te veranderen.
De bepaling van de instelgegevens bij de inrichting volgens de uitvinding blijft dan ook optimaal voor het gehele beschrijfbare gebied van de registratiedrager. Door de opslag van de instelgegevens en de identificatiegegevens in een geheugen behoeft voor een bepaalde combinatie om registratiedrager en informatieoptekeninrichting de instelling slechts éénmalig bepaald te worden, waardoor de benodigde tijd voor de bepaling van de instelgegevens tot een minimum blijft beperkt.
Het is mogelijk om aan de informatieoptekeninrichting een inrichtingsidentificatiecode toe te kennen en de optekeninrichting te voorzien van middelen voor het op de registratiedrager optekenen van de inrichtingidentificatiecode tezamen met de instelgegevens. De voorkeur verdient echter een uitvoeringsvorm van de informatieoptekeninrichting gekenmerkt doordat de opslagmiddelen zijn ingericht voor het in een geheugen van de informatieoptekeninrichting opslaan van de bepaalde instelgegevens tezamen met een registratiedrageridentificatiecode die indicatief is voor de registratiedrager waarvoor de gegevens bepaald zijn, waarbij de optekeninrichting is voorzien van leesmiddelen voor het uitlezen van een registratiedrageridentificatiecode die eventueel op een ingebrachte registratiedrager is aangebracht, en waarbij de detectiemiddelen zijn ingericht om te bepalen of voor de uitgelezen registratieidentificatie instelgegevens zijn opgeslagen in het geheugen van de inrichting. De laatstgenoemde uitvoeringsvorm heeft het voordeel dat de ruimte die op de registratiedrager in beslag genomen wordt door de voor de instelling benodigde gegevens minimaal is. In het bijzonder geldt dit als eenzelfde registratiedrager in meer dan een optekeninrichting wordt gebruikt. Bij de laatstgenoemde uitvoeringsvorm kan dan volstaan worden met de optekening van slechts een registratiedrageridentificatie op de registratiedrager, terwijl bij optekening van een inrichtingidentificatie voor elk van de gebruikte informatieoptekeninrichting een inrichtingidentificatie en de instelgegevens op de registratiedrager opgetekend moet worden. De registratiedrageridentificatie kan in principe bij de fabricage van de registratiedrager aangebracht worden. Bij optische registratiedragers kan dat door het master dat voor de produktie van de registatiedragers wordt gebruikt te voorzien van een identificatiepatroon. Het probleem dat zich daarbij voordoet is dat een complete serie registratiedragers is voorzien van dezelfde registratiedrageridentificatiecode. Omdat binnen eenzelfde serie van registratiedrager de optekeneigenschappen van de registratiedragers kunnen variëren, zou het, in het geval dat in eenzelfde informatieoptekeninrichting twee registratiedragers uit dezelfde serie gebruikt worden, kunnen voorkomen dat de aanbrenging van de informatiepatronen niet voor beide registratiedragers optimaal wordt uitgevoerd.
Een uitvoeringsvorm van de informatieoptekeninrichting die hieraan tegemoet komt wordt gekenmerkt doordat de inrichting is voorzien van middelen voor het aanbrengen van een registratiedrageridentificatie op de registratiedrager. De informatieoptekeninrichting wordt daarbij bij voorkeur voorzien van een willekeurige codegenerator voor het genereren van de op te tekenen registratiedrageridentificatie. In dat geval is de kans dat in massa of in serie gefabriceerde informatieoptekeninrichtingen dezelfde registratiedrageridentificatie optekenen minimaal. Hierdoor wordt de kans op een niet-optimale instelling bij gebruik van dezelfde registratiedrager in verschillende informatieoptekeninrichtingen geminimaliseerd. Verdere uitvoeringsvormen van de optekeninrichting alsmede de voordelen hiervan zal hierna in detail beschreven worden onder verwijzing naar de figuren 1 tot en met 11, waarin figuur 1 en 9 uitvoeringsvormen van de informatieoptekeninrichting volgens de uitvinding tonen; figuur 2 en 10 stroomdiagrammen tonen van programma's die door een besturingseenheid in de inrichting en van figuren 1 en 9 worden uitgevoerd; figuur 3 een geschikt format toont voor de optekening van een registratiedrageridentificatiecode; figuur 4 een geschikte plaats toont voor optekening van de registratiedrageridentificatiecode; figuur 5, 6 en 7 ter illustratie dienen van een mogelijke ijk-procedure voor het bepalen van een optimale instelling; figuur 8 een uitvoeringsvorm toont van een analyse-schakeling voor toepassing in de informatieoptekeninrichting, en figuur 11 een stroomdiagram toont voor een ijk-programma dat door de besturingseenheid voor de informatieoptekeninrichting kan worden uitgevoerd.
Figuur 1 toont bij wijze van voorbeeld een uitvoeringsvorm van een informatieoptekeninrichting volgens de uitvinding. De getoonde uitvoeringsvorm betreft een optekeninrichting waarmee informatie kan worden opgetekend op een registratiedrager 1, bijvoorbeeld een optische registratiedrager, die om een as 2 roterend wordt aangedreven. De informatieoptekeninrichting is voorzien van een gebruikelijke schrijfkop 3, die tegenover de roterende registratiedrager 1 is opgesteld. Met behulp van een gebruikelijke positioneringssysteem bijvoorbeeld in de vorm van een motor 4 en spindel 5, kan de leesschrijfkop 3 in radièle richting ten opzichte van de registratiedrager 1 worden verplaatst onder besturing van een gebruikelijke besturingseenheid 6, welke bijvoorbeeld een microprocessor omvat.
Een op te tekenen informatiesignaal Vi kan via een ingang 6 aan een signaalbewerkingsschakeling 7 toegevoerd worden. De signaalverwerkingsschakeling 7 is er een van gebruikelijke soort die het aangeboden ingangssignaal omzet in een optekensignaal Vop met een voor optekening geschikt format, bijvoorbeeld een CD-format. Het optekensignaal Vop wordt toegevoerd aan een stuurschakeling 8 van een gebruikelijke soort die het optekensignaal Vop omzet in een stuursignaal Vs voor de lees/schrijfkop 3 zodanig dat een met het optekensignaal Vop overeenkomend informatiepatroon op de registratiedrager wordt aangebracht. Ten behoeve van de uitlezing van de aangebrachte informatiepatronen is de lees/schrijfkop 3 voorzien van een uitgang voor het afgeven van een leessignaal VI dat het uitgelezen informatiepatroon vertegenwoordigt. Het leessignaal VI wordt toegevoerd aan een leesschakeling 9 voor het terugwinnen van de informatie die door het leessignaal wordt vertegenwoordigd. De stuurschakeling 8 is er een van een instelbare soort waarbij één of meer parameters waarmee de kwaliteit van het aangebrachte informatiepatroon kan worden beïnvloed ingesteld kunnen worden. Bij toepassing van een optische lees/schrijfkop waarmee een informatiepatroon van optisch detecteerbare effecten wordt aangebracht met behulp van een stralingsbundel, is de intensiteit van de stralingsbundel een belangrijke parameter welke in sterke mate de kwaliteit en het informatiepatroon bepaalt. In het geval dat de lees/schrijfkop een magnetische of magneto-optische schrijfkop is welke ten behoeve van aanbrenging van een informatiepatroon in de vorm van magnetische effecten (domeinen) een magneetveld opwekt, kan de veldsterkte van het opgewekte magneetveld een belangrijke instelparameter zijn.
In het geval dat het informatiepatroon met behulp van schrijfpulsen wordt opgewekt kan de pulsbreedte en belangrijke instelparameter zijn. Het zij opgemerkt dat de hiervoorgenoemde instelparameters slechts een van vele mogelijke instelparameters zijn.
In dit verband wordt in het bijzonder verwezen naar NL-A-9000150 (PHN 13.217) waarin de instelparameter een referentiewaarde betreft voor de snelheid waarmee de effecten worden gevormd. Tijdens de aanbrenging van de effecten wordt daarbij door regeling van de intensiteit van de schrijvende stralingsbundel de snelheid van de effectvorming op de ingestelde referentiewaarde gehouden.
Ten behoeve van de bepaling van de optimale instelling van de stuurschakeling 8 is de inrichting voorzien van een analyseschakeling 10 die uit het leessignaal een analysesignaal voor af te leiden dat indicatief is voor de kwaliteit van het uitgelezen informatiepatroon. De bepaling van de optimale instelling kan worden verkregen door bij verschillende instellingen van de stuurschakeling testinformatiepatronen aan te brengen op de registratiedrager 1, en op basis van het analysesignaal Va die instelling te selecteren waarvoor het analysesignaal een optimale kwaliteit aangeeft. Voor het aanbrengen van het testinformatiepatroon kan in principe het informatiesignaal Vi gebruikt worden. Echter is het ook mogelijk om daarvoor een testsignaalgenerator 11 te gebruiken, die dan bijvoorbeeld opgenomen kan zijn in de signaalbewerkingsschakeling 7. De bepaling van de optimale waarde van de instelling wordt uitgevoerd onder besturing van de besturingseenheid 15, die daartoe is gekoppeld met de analyseschakeling 10, de stuurschakeling 8 en eventueel de testsignaalgenerator 11 en die bovendien is geladen met een geschikt programma, of voorzien is van een geschikte "hardware“-schakeling. De bepaling van optimale instelling wordt bij voorkeur uitgevoerd tijdens een ijkprocedure die wordt uitgevoerd nadat een registratiedrager voor de eerste maal in de informatieoptekeninrichting is ingebracht. De gegevens van de optimale instelling en identificatiegegevens die indicatief zijn voor combinatie van registratiedrager en optekeninrichting worden daarna opgeslagen. De opgeslagen instelgegevens kunnen dan in het geval dat dezelfde registratiedrager opnieuw in de optekeninrichting wordt ingediend, gebruikt worden waardoor de uitvoering van een nieuwe ijkprocedure overbodig wordt. Dit levert een aanzienlijke tijdsbesparing op.
Ten aanzien van de opslag van instelgegevens wordt opgemerkt dat deze instelgegevens zowel op de registratiedrager zelf alsook in een geheugen 12 van de informatieoptekeninrichting opgeslagen kunnen worden. Bij opslag van de instelgegevens op de registratiedrager kunnen identificatiegevens in de vorm van een inrichtingsidentificatie, tesamen met de instelgegevens opgetekend worden. In dat geval kan na invoering van een registratiedrager in de informatieoptekeninrichting op basis van de op de registratiedrager opgetekende inrichtingsidentificatie eenduiding vastgesteld worden of voor de betreffende combinatie van registratiedrager en informatieoptekeninrichting de instelgegevens reeds bepaald zijn. Zo ja dan is een ijkprocedure overbodig en kan de stuurschakeling 8 overeenkomstig de bij de inrichtingsidentificatie behorende instelgegevens ingesteld worden.
Alhoewel bij de hiervoor genoemde methode van opslag van instelgegevens steeds op eenduidige wijze bepaald kan worden of de bepaling van de instelgegevens in een eerder uitgevoerde ijkprocedure reeds is uitgevoerd, heeft deze methode het nadeel dat de hoeveelheid ruimte die op de registratiedrager in beslag wordt genomen door de instelgegevens en inrichtingsidentificatiecodes groot kan zijn. Dit geldt in het bijzonder in het geval dat dezelfde registratiedrager in een groot aantal inforraatieoptekeninrichingen wordt gebruikt. Immers in dat geval zal elke informatieoptekeninrichting zijn eigen instelgegevens en inrichtingsidentificatiecode optekenen op de registratiedrager.
Aan dit bezwaar wordt tegemoet gekomen indien de registratiedrager wordt voorzien van een registratiedrager-identificatiecode en waarbij in de informatieoptekeninrichting de identificatiegevens in de vorm van registratiedrager identificatiecode en de bijbehorende instelgegevens worden opgeslagen.
De registratiedrageridentificatiecode kan in principe bij de fabricage op de registratiedrager worden aangebracht. Het bezwaar daarbij is dat hiervoor vaak alleen methodes in aanmerking komen waarbij steeds complete series van registratiedragers worden van dezelfde registratieidentificatiecode. Indien dan twee of meer registratiedragers in dezelfde informatieoptekeninrichting gebruikt worden bestaat de kans dat, vanwege gebruikelijk voorkomende onderlinge verschillen tussen de optekeneigenschappen van de registratiedragers, de schrijfschakeling 8 niet voor alle registratiedragers uit dezelfde serie optimaal wordt ingesteld. Het verdient dan ook de voorkeur om de registratiedrager-identificaticode door de eerste informatieoptekeninrichting waarin deze gebruikt wordt te laten aanbrengen. Bij voorkeur wordt de op te tekenen registratiedrageridentificatiecode een willekeurig gegenereerde code gebruikt. In dat geval is de kans minimaal dat bij gebruik van twee of meer informatieoptekeninrichtingen van eenzelfde merk en type dezelfde registratiedrageridentificatiecode wordt gegenereerd voor verschillende registratiedragers.
Voor de bepaling van de willekeurige registratiedrageridentifacitiecode kan de informatieoptekeninrichting worden voorzien van een willekeurige codegenerator 13. De willekeurige codegenerator 13 kan bijvoorbeeld bestaan uit ruisbron waarvan een uitgangssignaal wordt bemonsterd en wordt gedigitaliseerd met een digitaal-analoog omzetter. De willekeurige codegenerator kan ook bestaan uit een cyclische teller waarmee de pulsen van een hoogfrequent kloksignaal worden geteld. Echter ook andere codegenerators zijn mogelijk zoals bijvoorbeeld een van een met programmatuur gerealiseerde soort, die opgenomen is in de programmatuur van de besturingseenheid 51.
In figuur 2 is een stroomdiagram weergegeven van een programma voor bepalen en opslaan van de instelgegevens voor het geval dat de registratiedrager voorzien wordt van een registratiedrageridentificatie en dat de identificatiegegevens en de bijbehorende instelgegevens in het geheugen 12 van de informatieoptekeninrichting worden opgeslagen.
Het stroomdiagram omvat een stap A11 waarin onder besturing van de besturingseenheid 5 een eventueel op de registratiedrager 1 aangebrachte registratiedrageridentificatie wordt uitgelezen. Daarbij wordt de lees/schrijfkop 3 onder besturing van de besturingseenheid 5 naar een voor optekening van de registratiedrageridentificatiecode bestemd registratiedragergedeelte gebracht. In stap A12 wordt getest of voor de uitgelezen registratiedrageridentificatie instelgegevens in het geheugen 12 zijn opgeslagen. Zo ja dan wordt stap A13 uitgevoerd, waarin de stuurschakeling 8 overeenkomstig de bij de uitgelezen registratiedrageridentificatiecode instelgegevens ingesteld. Zo nee dan wordt in stap A14 een ijkprocedure uitgevoerd waarin de optimale instelling wordt bepaald. Een uitvoeringsvorm van de ijkprocedure zal verderop in de aanvrage in detail worden beschreven.
Na de uitvoering van de ijkprocedure wordt in stap A15 getest of de registratiedrager 1 al van een registratiedrager-identificatiecode is voorzien. Zo ja dan wordt in stap A16 de registratiedrageridentificatiecode tesamen met de instelgegevens in het geheugen 12 opgeslagen, bijvoorbeeld in een tabel waarin een aantal combinaties van registratiedrageridentificatiecode en instelgegevens kunnen worden opgeslagen. Vervolgens wordt verder gegaan met de uitvoering beschreven stap A13. Indien bij de uitvoering van stap A15 blijkt dat de registratiedrager 1 nog niet voorzien is van een registratiedrageridentificatiecode dan wordt in stap A17 met behulp van de willekeurige codegenerator 13 een nieuwe registratiedrager-identificatiecode gegenereert. Eventueel wordt nog getest of deze code reeds voorkomt in de tabel om te voorkomen dat aan twee registratiedragers dezelfde registratiedrageridentificatiecodes is toegekend. De nieuw gegenereerde registratiedrageridentificatiecode wordt op een terugvindbare plaats op de registratiedrager opgetekend. Bij toepassing van een registratiedrager welke is voorzien van adresinformatie kan daarvoor een gedeelte van de registratiedrager met een voorafbepaald adres worden gebruikt. Het is echter ook mogelijk om deze informatie op een voorafbepaalde plaats op de registratiedrager op te tekenen, bijvoorbeeld op een voorafbepaalde afstand van het rotatiepunt van de registratiedrager. In het geval dat de informatie op een plaats met een voorafbepaalde adres wordt opgetekend, dient ter bepaling van de adressen van de informatieoptekeninrichting te worden voorzien van een adresdetectieschakeling 15 die die adresinformatie terugwint uit het leessignaal VI terugwint en de teruggewonnen adresinformatie toevoert aan de besturingseenheid 5. Bij de optekening van de registratiedrageridentificatiecode wordt de lees/schrijfkop 3 onder besturing van de besturingseenheid 5 op een gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld op basis van de ontvangen adresinformatie tegenover de voor optekening van de registratiedrageridentificatiecode bestemde gedeelte geplaatst en wordt vervolgens de lees/schrijfkop 3 in een schrijfmode gebracht en wordt een informatiesignaal Vident, dat de registratiedrageridentificatiecode vertegenwoordigt naar een ingang van de signaalverwerkingsschakeling 7 gestuurd. Daarbij zet de signaalverwerkingsschakeling 7 het signaal Vident om in het voor optekening geschikt optekensignaal en wordt een hiermee overeenkomend identificatiepatroon op de registratiedrager 1 opgetekend.
Na beëindiging van stap A17 wordt verder gegaan met de uitvoering van de reeds besproken stap A16 en A13. Na de uitvoering van stap A13 kan in stap A18 onder optimale condities met de optekening van het signaal Vi worden aangevangen.
In het hiervoorgaande is een uitvoeringsvorm van de informatieoptekeninrichting geopenbaard welke geschikt is voor optekening van informatie op een schrijfvormige registratiedrager. Het zij echter opgemerkt dat de uitvinding niet beperkt is tot de dergelijke optekeninrichtingen. Zij kan evengoed toegepast worden bij optekeninrichtingen waarbij de informatie op een band, bijvoorbeeld een magneetband, wordt opgetekend.
Verder zij het opgemerkt dat de toe te passen ijkprocedure voor de bepaling van de optimale instelgegevens afhankelijk is van het in de informatieoptekeninrichting toegepaste optekenprincipe. Voor een aantal verschillende ijkprocedures die toepasbaar zijn binnen het kader van de uitvinding wordt verwezen naar de Nederlandse octrooiaanvragen NL-A-8901345 (PHQ 89.016), NL-A-8901591 (PHN 12.994) en NL-A-900150 (PHN 13.217), welke octrooiaanvragen hierbij door verwijzing worden geacht te zijn opgenomen in de beschrijving. De optimale plaats voor optekening van de registratiedrageridentificatiecode en de vorm waarin de identificatiecode wordt opgetekend hangen sterk af van de type registratiedrager dat wordt toepast en het format waarin het informatiesignaal ten behoeve van de optekening wordt omgezet. Bij een inrichting voor de optekening van een standaard CD-signaal verdient het de voorkeur om de op te tekenen registratiedrageridentificatiecode op te nemen in het zogeheten subcode Q-kanaal van het CD-signaal. In dat geval is bij uitlezing de registratiedrageridentificatiecode eenvoudig uit het uitgelezen signaal te ontbreken met een subcode detector die gebruikelijk in CD-spelers wordt toegepast. Dit in tegenstelling tot het geval waarin de registratiedrageridentificatiecode in het hoofdkanaal van het CD-signaal is opgenomen. In het laatste geval vergt de bepaling van de registratiedrageridentificatiecode additionele hardware. Een geschikt format voor de registratiedrageridentificatiecode in het subcode Q-kanaal is weergegeven in figuur 3. Hierin zijn een aantal bits 30 in een frame 31 van het subcode Q-kanaal bestemd voor het aangeven van de registratiedrageridentificatiecode. Een geschikte registratiedrager voor het optekenen van standaard CD-signalen, is beschreven in NL-A-8901591 en NL-A-8900766 (PHN 12.994 en PHN 12.887). Een dergelijke registratiedrager is voorzien van een spiraalvormig servospoor dat bestemd is voor optekening van informatie. Het servospoor is voorzien van een spoormodulatie bijvoorbeeld en FM-gemoduleerde spoorwobbel die adressen in de vorm van absolute tijdcodes ATIP vertegenwoordigen. Het servospoor is verdeeld in een aantal gebieden zoals aangegeven in figuur 4. In deze figuur is het spiraalvormig spoor schematisch weergegeven als een rechte lijn en aangeduid met verwijzingscijfer 40. Het servospoor 40 omvat een gebied PA (Program Area) bestemd voor optekening van informatiesignalen, zoals bijvoorbeeld gedigitaliseerde audiosignalen, een gebied LI (Lead In) dat bestemd is voor de optekening van een inhoudstabel in de vorm van de door de CD-standaard voorgeschreven "TOC* (Table of Contents), een gebied PMA dat bestemd is voor de optekening van een tijdelijke inhoudstabel zoals beschreven in NL-A-8900766 (PHN 12.887), een gebied PCA dat bestemd is voor het optekenen van testinformatiepatronen ten behoeve van de bepaling van de optimale instelgegevens. De beginadressen van de gebieden PCA, PMA, LI en PA zijn respectievelijk aangegeven door TPCA, TPMA, TLI en TPA. Bij de in figuur 4 getoonde indeling van het servospoor 40 zijn voor de optekening van de registratiedrageridentificatiecode vooral de gebieden PCA en PMA geschikt. In figuur 4 zijn bij wijze van voorbeeld een tweetal is geschikte gebieden aangegeven met de verwijzingscijfers 41 en 41a. Het gebied 41 zal voortaan het identificatiegebied IA genoemd worden en het adres van dit gebied zal worden aangeduid met TIA. De gebieden 41 en 41a hebben liggen buiten de gebieden LI en PA zijn gelegen, welke een door de CD-standaard voor "Compact-Disc" van het "read-only"-type vastgelegd format hebben. Dit heeft het voordeel dat de uitlezing van een registratiedrager van het beschrijfbare type waarop een standaard CD-signaal is opgetekend niet wordt verstoord door de aanwezigheid van de registratiedragersidentificatiecode indien deze uitlezing bestemd wordt uitgevoerd door een uitleesinrichting die bestemd is voor het uitlezen van "Compact-Disc" van het "read-only"-type.
Hierna zal bij wijze van voorbeeld een uitvoeringsvorm en de optekeninrichting volgens de uitvinding beschreven worden voor het optekenen van informatie op de hiervoor beschreven optische registratiedrager. Hierbij zal allereerst een geschikte werkwijze voor de bepaling van de optimale instelgegevens verklaard worden. Bij optische uitleesbare registratiedrager kan een informatiepatroon, bestaande uit effecten met veranderende reflectie-eigenschappen, worden aangebracht door de registratiedrager af te tasten met een stralingsbundel waarvan de intensiteit I wordt geschakeld tussen een laag niveau II waarbij geen reflectieverandering optreedt en een hoog schrijfniveau Is waarbij een reflectieverandering optreedt in het afgetastte gedeelte van de registratiedrager. Een voorbeeld van een dergelijke intensiteitsverloop en het bijbehorende patroon van effecten 58 met veranderende reflectie-eigenschappen en tussengebieden 59 met onveranderde eigenschappen is weergegeven in figuur 5. Het aangebracht informatiepatroon van effecten 58 en tussengebieden 59 kan worden uitgelezen door het patroon af te tasten met een leesbundel met een constante intensiteit, die voldoende laag is om een detekteerbare verandering van de optische eigenschappen te voorkomen. Bij de aftasting wordt de door de registratiedrager gereflekteerde leesbundel gemoduleerd overeenkomstig het afgetaste informatiepatroon. De modulatie van de leesbundel kan op een gebruikelijke wijze worden gedetekteerd met een stralingsgevoelige detector die een leessignaal VI opwekt dat indicatief is voor de bundelmodulatie. Het leessignaal VI is eveneens in figuur 5 aangegeven. Het leessignaal VI wordt weer omgezet in een tweewaardige signaal door vergelijking van het leesignaal met een referentieniveau Vref. Voor een betrouwbare omzetting is het gewenst dat de punten waarop het leessignaal VI het referentieniveau doorsnijdt goed gedefinieerd zijn, met andere woorden de "jitter" in het leessignaal VI moet minimaal zijn. Zoals bekend is bij optische uitlezing is de "jitter" van het leessignaal VI minimaal als het informatiepatroon symmetrisch is, dat wil zeggen als de gemiddelde lengte van de effecten 58 gelijk is aan de gemiddelde lengte van de tussengebieden 59. Een probleem dat zich daarbij voordoet is dat de lengte van de effecten 58 sterk afhangt van de schrijfintensiteit Is. Is de schrijfintensiteit te groot dan worden de effecten 58 te lang, terwijl bij een te lage schrijfintensiteit de effecten 58 ee kort worden. Derhalve is het gewenst de schrijfintensiteit nauwkeurig in te stellen. Een methode voor de bepaling voor de optimale schrijfintensiteit zal aan de hand van figuur 6 nader worden verklaard. Figuur 6a, 6b en 6c tonen het intensiteitsverloop I, het daarbij behorende informatiepatroon van effecten 8 en tussengebieden 59, en het leessignaal VI voor het geval dat de schrijfintensiteit Is respectievelijk te laag, optimaal en te hoog is.
In figuur 6 variëren de leessignalen VI tussen een maximum niveau A1 en een minimum niveau A2. Met het niveau DC wordt de waarde van het gelijkspanningsniveau in het leessignaal VI aangegeven. Zoals uit figuur 6 blijkt ligt het gelijkspanningsniveau DC van het leessignaal VI nagenoeg in het midden tussen de niveaus A1 en A2, in het geval dat de schrijfintensiteit op de optimale waarde is ingesteld. In het geval dat het schrijfniveau te laag is ligt het gelijkspanningsniveau DC boven het midden tussen de niveaus A1 en A2, terwijl in het geval dat het schrijfniveau te hoog is het gelijkspanningsniveau DC beneden het midden tussen de niveaus A1 en A2 is gelegen. Een optimale instelling van schrijfintensiteit kan dus worden verkregen door de schrijfintensiteit Is in te stellen op een waarde waarbij het gelijkspanningsniveau DC in hoofdzaak midden tussen de niveaus A1 en A2 is gelegen.
Aan de hand van figuur 7a zal een verbetering van de hiervoor beschreven methode voor de bepaling van de optimale intensiteit worden verklaard. Bij deze methode wordt ten behoeve van de bepaling van de optimale intensiteit een informatiepatroon opgetekend, dat een aantal deelpatronen 70 omvat die elk bestaan uit een kort effecten 58 en een kort tussengebiedje 59 dat wordt opgetekend met behulp van een schrijfsignaal met een pulsverhouding (duty-cycle) van 50%. Verder omvat het informatiepatroon een tweede deelpatroon 71 dat bestaat een relatief lang effect 58 en een relatief lang tussengebied 59 dat eveneens met behulp van een schrijfsignaal met een pulsverhouding van 50% is opgetekend. Het aantal deelpatronen 70 is veel groter gekozen dan het aantal deelpatronen 71. Verder is het leessignaal VI dat bij uitlezing met behulp van een optische uitleesinrichting wordt verkregen weergegeven in figuur 7a.
De afmetingen van de deelpatronen 70 zijn zo gekozen dat de amplitude van de met deze deelpatronen 70 overeenkomende signaal-componenten in het leessignaal VI wezenlijk kleiner is dan de amplitude van de met de deelpatronen 71 overeenkomende signaalcomponenten. Dit kan worden gerealiseerd door de afmetingen van de deelpatronen 70 zo te kiezen dat alleen de 1e harmonische van dit patroon beneden de optische afsnijfrequentie van de optische aftastinrichting is gelegen. De afmetingen van de het deelpatroon 71 worden zodanig gekozen dat tenminste de 1e en de 2e harmonische van dit patroon beneden deze optische afsnijfrequentie is gelegen. In het uitleessignaal VI wordt het gelijkspanningsniveau DC hoofdzakelijk bepaald door de signaalcomponenten welke overeenkomen met de deelpatronen 70. Het verschil tussen de maximum A1 en minimum waarde A2 van het leessignaal VI wordt uitsluitend bepaald door de met het deelpatroon 71 overeenkomende waarde. Daar een verandering in het schrijfvermogen Is een aanzienlijk grotere invloed heeft op de verhouding tussen de lengtes van de effecten 58 en de tussengebieden 59 van deelpatronen 70, dan op de verhouding tussen deze lengte bij de deelpatronen 71, zal het gelijkstroomniveau DC bij de in figuur 4 getoonde methode eveneens aanzienlijk gevoeliger zijn voor schrijfniveau-veranderingen dan bij de in figuur 6 getoonde methode waarbij de amplitude van het leessignaal VI
hetzelfde is voor alle in het informatiepatroon voorkomende deelpatronen. Dit alles betekent dat de bepaling van het optimale schrijfvermogen met de in figuur 7a getoonde methode eveneens aanzienlijk nauwkeuriger is.
Behalve de in figuur 7a getoonde informatiepatroon, dat is aangebracht met een optimale schrijfintensiteit, zijn in figuren 7b en 7c soortgelijke informatiepatronen weergegeven welke zijn aangebracht met respectievelijk een te laag schrijfniveau en een te hoog schrijfniveau. Zoals uit figuur 7 blijkt ligt de optimale schrijfintensiteit het gelijkspanningsniveau DC weer nagenoeg in het midden tussen de maximum (A1) en de minimum signaal waarde (A2) in het signaal VI, terwijl bij een te laag respectievelijk een te hoog schrijfniveau het gelijkspanningsniveau DC boven respectievelijk beneden dit midden is gelegen. Het in figuur 7 getoonde informatiepatroon is slechts een van de mogelijke informatiepatronen dat een relatief groot aantal uit korte effecten en tussengebieden opgebouwde deelpatronen en een relatief klein aantal uit lange effecten en tussengebieden opgebouwde deelpatronen omvat. Een eveneens zeer geschikt deelpatroon is een met een patroon dat overeenkomt met een volgens de CD-standaard voorgeschreven EFM-signaal. Een dergelijke patroon bestaat uit gebiedjes met een lengte die overeenkomt met minimaal 3 bits (I3-effect) en maximaal met 11 bits (111-effect). Ongeveer een derde van alle effecten in een dergelijk EFM-patroon zijn I3-effecten, terwijl slechts 4% van alle effecten 111-effecten zijn. De afmetingen van de I3-effecten zijn zodanig dat alleen de grondharmonische van deze effecten, beneden de optische afsnijfrequentie van het optische uitleessysteem ligt. Van de 111-effecten ligt tenminste de 1e, 2e en 3e harmonische beneden de optische afsnijfrequentie.
Figuur 8 een uitvoeringsvorm van de analyseschakeling 10 waarmee uit het leessignaal VI een analysignaal Va kan worden afgeleid dat aangeeft hoeveel het gelijkspanningsniveau DC afwijkt van het niveau dat overeenkomt met de optimale schrijfintensiteit. De analyseschakeling 10 in figuur 8 omvat een laagdoorlaatfilter 80 voor het bepalen van de gelijkspanningsniveau DC in het leessignaal VI. Verder is de analyseschakeling 10 voorzien van een positieve piekdetektor 81 voor het bepalen van de maximumwaarde A1 in het leessignaal VI en van een negatieve piekdetektor 82 voor het bepalen van de minimum waarde A2 in het leessignaal VI. De uitgangssignalen van de piekdetektoren 81 en 82 worden toegevoerd aan niet inverterende ingangen van een optelschakeling 83, terwijl het uitgangsignaal voor het laagdoorlaatfilter 80, tweemaal versterkt, naar een inverterende ingang van de optelschakeling 83 wordt toegevoerd, zodat het als het analysesignaal Va fungerende uitgangssignaal van de optelschakeling gelijk is aan Va = A1 + A2 - 2DC, en dus aangeeft in welke mate de signaalwaarde DC afwijkt van het midden tussen de maximum signaalwaarde A1 en de minimum signaalwaarde A2.
Voor andere uitvoeringsvormen van geschikte analyseschakelingen wordt verwezen naar NL-A-8901591 (PHN 12.994).
Figuur 9 toont in detail een uitvoeringsvorm van een informatieoptekeninrichting voor het optekenen van standaard CD-signalen. Hierin zijn de elementen die overeenkomen met reeds eerder beschreven elementen met hetzelfde verwijzingscijfer aangeduid. De getoonde optekeninrichting omvat aandrijfmiddelen, in de vorm van een motor 100 en draaitafel 101 voor het om de as 2 doen roteren van de stralingsgevoelige registratiedrager 1, welke van de hiervoor beschreven een soort is waarop door middel van de spoormodulatie van het servospoor de adresinformatie is opgetekend. De spoormodulatie kan bestaan uit een zogeheten spoorwobbel waarbij de frequentie van de wobbel is gemoduleerd overeenkomstig een plaatsinformatiesignaal dat absolute tijdcodes ATIP omvat. De lees/schrijfkop 3 is er een van een gebruikelijke soort voorzien van halfgeleiderlaser voor het opwekken van een stralingbundel 107a met intensiteit die instelbaar is door middel van de stuurschakelding 8. De stralingsbundel 107 wordt op bekende wijze gericht op het servospoor van de registratiedrager 1. De stralingsbundel 107a wordt daarbij gedeeltelijk gereflekteerd door de registratiedrager 1, waarbij de gereflekteerde bundel overeenkomstig de spoorwobbel, en bij aanwezigheid van een informatiepatroon, tevens overeenkomstig het informatiepatroon gemoduleerd wordt. De gereflekteerde bundel wordt naar een stralingsgevoelige detektor 108a geleid, welke het leessignaal VI opwekt dat overeenkomt met de bundelmodulatie. Het signaal VI omvat een door de spoorwobbel veroorzaakte component met een frequentie die bij nominale aftastsnelheid ongeveer 22 kHz bedraagt. Het behulp van een motorstuurschakeling 108 voor het sturen van de motor 100 wordt de snelheid van de motor zodanig geregeld dat de frequentie van de door de spoorwobbel veroorzaakte component in het leessignaal VI in hoofdzaak gelijk van 22 kHz wordt gehouden. De adresdetectieschakeling 15 is van een soort die uit de door de spoorwobbel veroorzaakte component in het leessignaal VI de tijdcodes ATIP afleidt en toevoert aan de besturingseenheid 5. Verder wordt het leessignaal VI aan een versterkerschakeling 111 met een hoogdoorlaatkarakterestiek voor het elimineren van de door de spoorwobbel veroorzaakte signaalcomponenten in het leessignaal VI toegevoerd. Het aldus van zijn laagfrequente componenten ontdane leessignaal VI wordt toegevoerd aan de analyseschakeling 10. De signaalverwerkingsschakeling 7 omvat is verder voorzien van een gebruikelijke CIRC-kodeerschakeling 112, waaraan via een door de besturingseenheid 5 gestuurde schakelaar 11a het op tekenen signaal Vi kan worden toegevoerd. De CIRC-kodeerschakeling 112 is in serie geschakeld is met een gebruikelijke EFM-modulator 113 die de aan de CIRC-encoder 112 ontvangen hoofdinformatie subcodeinformatie toevoegt en vervolgens de deze informatie omzet in een EFH-gemoduleerd signaal. Ten behoeve van de subcode informatie is de EFM-modulator gekoppeld met de besturingseenheid 5. De uitgang van de EFM-modulator 113 is aangesloten op de stuurschakeling 8. De stuurschakeling 8 is van een bestuurbare soort. Afhankelijk van de besturingseenheid 5 ontvangen stuursignalen stelt de stuurschakeling 8 de intensiteit van de opgewekte stralingsbundel 107a in op een constante lage intensiteit II, of regelt de stuurschakeling 8 de intensiteit van de stralingsbundel overeenkomstig het van de EFM-modulator 113 ontvangen EFM-gemoduleerde signaal tussen het lage niveau II en het schrijfniveau Is. Bovendien kan de hoogte van het schrijfniveau Is door besturingseenheid 5 ingesteld worden. Ten behoeve van de optekening van de testinformatiepatronen is de in figuur 9 getoonde optekeninrichting voorzien van een signaalgenerator 11 welke de schakelaar 11a en een signaalgenerator 11b omvat. De signaalgenerator 11b wekt een willekeurig digitaal signaal of een signaal dat overeenkomt met digitale signaalwaarde nul (digitale stilte) op. Het door de signaalgenerator 11b opgewekte signaal wordt via de schakelaar 11a toegevoerd aan de CIRC-kodeerschakeling 112. De schakelaar 11a is er een van een gebruikelijke soort waarbij, afhankelijk van het van de besturingseenheid 5 ontvangen stuursignaal, het op te tekenen signaal Vi dan wel het uitgangssignaal van de signaalgenerator 11b wordt doorgegeven.
De leesschakeling 9 omvat een EFM-demodulator 114 van een gebruikelijke soort welke de in het leessignaal VI aanwezige EFM-woorden terug omzet in informatiewoorden en die de subcode-informatie scheidt van de hoofdinformatie. De subcode-informatie in het bijzonder de subcode Q-informatie wordt toegevoerd aan de microcomputer 110. De hoofdinformatie wordt toegevoerd aan een CIRC-decoder 115 van een gebruikelijke soort die het oorspronkelijke informatie signaal Vi weer reconstrueert uit de van de EFM-demodulator 114 ontvangen hoofdinformatie. Voor de bepaling van de instelling van de schrijfintensiteit is de besturingseenheid 5 geladen met een geschikt programma. Een stroomdiagram van een dergelijk programma is getoond in figuur 10, dat in hoofdzaak overeenkomt met het in figuur 2 getoonde stroomdiagram, maar waarin een aantal stappen zijn onderverdeeld in deelstappen. In stap A11 wordt weer de eventueel opgetekende registratiedrageridentificatiecode uitgelezen. Daarbij worden twee deelstappen B1 en B2 uitgevoerd. In stap B1 wordt onder besturing van de besturingseenheid 5 het gebied op de registratiedrager opgezocht met het beginadres TIA van het identificatiegebied IA. Zodra dit gebied bereikt is wordt door de besturingseenheid uit het van de leesschakeling 9 ontvangen subcode Q-signaal de registratiedrageridentificatiecode teruggewonnen. Daarna wordt weer in stap A12 getest of voor deze code de instelgegevens, in casu de optische instelwaarde Iopt van de schrijfintensiteit, zijn opgeslagen in het geheugen 12. Zo ja dan wordt in stap A13 de schrijfintensiteit overeenkomstig de instelwaarde Iopt ingesteld door de besturingseenheid 5. Zo nee dan wordt in A14 de optimale instelwaarde Iopt voor de schrijfintensiteit afgeleid tijdens de uitvoering van een ijkprogramma dat verderop onder verwijzing naar figuur 11 in detail zal worden beschreven. Na stap A14 wordt in stap A15 getest of de registratiedrager reeds een registratiedrageridentificatieco de heeft. Zo ja dan wordt in stap A16 de instelwaarde tesamen met de registratiedrageridentificatiecode in het geheugen 12 opgeslagen en wordt vervolgens het programma met de uitvoering van stap A13 voortgezet.
Zo nee dan wordt in stap A17 de registratiedrager voorzien van een registratiedrageridentificatiecode. Daarbij worden de deelstappen B3 tot en met B7 uitgevoerd. In stap B3 wordt met behulp van de willekeurige codegenerator 13 een nieuwe registratiedrageridentificatiecode gegenereert. In stap B4 wordt het identificatiegebied IA met het adres TIA opgezocht. Zodra dit gebied bereikt is wordt in stap B5 de optekening gestart door de lees/schrijfkop in de schrijfmode te brengen. In stap B6 wordt de nieuwe registratiedrageridentificatiecode in het voor het subcode Q-kanaal vereist format gezet en toegevoerd aan de EFM-modulator 113. Bij voorkeur worden een aantal subcode Q-frames met de registratiedrageridentificatiecode, bijvoorbeeld 10r achter elkaar opgetekend, omdat hierdoor de betrouwbaarheid van de uitlezing van de registratiedrageridentificatiecode op een later tijdstip verhoogd wordt. Na de optekening van het genoemde aantal subcode Q-frames met registratiedrageridentificatiecode wordt in stap B7 de lees/schrijfkop 3 weer in de leesmode gezet, en wordt verder gegaan met de uitvoering van stap A16.
Figuur 11 toont een stroomdiagram van het ijkprogramma dat in stap A14 wordt uitgevoerd. In stap S1 wordt een testgebied geselecteerd binnen het gebied PCA waarin de testinformatiepatronen kunnen worden opgetekend. De wijze waarop een dergelijke bepaling kan plaatsvinden is onder andere in detail beschreven in de reeds genoemde NL-A-8901591 (PHN 12.994). In stap S2 wordt onder besturing van de besturingseenheid 5 het geselecteerde gebied opgezocht. Zodra dit gebied is bereikt wordt in stap S4 de schrijfintensiteit Is op een aanvangswaarde Io ingesteld. De waarde van Io voor de betreffende registratiedrager wordt bij voorkeur van te voren opgetekend op registratiedrager op een wijze zoals is beschreven in de octrooiaanvrage NL-A-8901145 (PHN 12.925). Deze waarde kan dan voorafgaand aan de instelcyclus uitgelezen worden. Bovendien wordt onder besturing van de besturingseenheid 5 door middel van de bestuurbare schakelaar 11a de signaalgenerator 11b aangesloten op de CIRC-kodeerschakeling 112, zodat een door het uitgangssignaal van de signaalgenerator bepaald EFM-gemoduleerd testsignaal door de EFM-modulator 113 wordt opgewekt. Tenslotte wordt in stap S4 de lees/schrijfkop 3 in de schrijfmode gezet, hetgeen resulteert in de optekening van een met een EFM-signaal overeenkomend testinformatiepatroon. Tijdens stap S5 wordt het door de adresdetektieschakeling 15 gedekteerde absolute tijdcode ATIP uitgelezen door de besturingseenheid 5. In stap S6 wordt getest of deze absolute tijdcode ten opzichte van de overige uitlezing is veranderd. Zo nee, dan wordt stap S5 opnieuw uitgevoerd Zo ja, dan wordt tijdens uitvoering van stap S7 getest of de uitgelezen absolute tijd code het einde van het testgebied aangeeft. Zo nee, dan wordt stap S8 uitgevoerd waarin de schrijfintensiteit Is met een kleine stap ΔΙ wordt verhoogd, waarna vervolgens het programma met stap S5 wordt vervolgd. Indien tijdens de uitvoering van stap S7 is gebleken dat het einde van het testgebied is bereikt dan wordt stap S9 uitgevoerd, waarin de lees/schrijfkop 3 weer in de leesmode wordt gebracht. In stap S10 wordt het begin van het zojuist beschreven testgebied weer opgezocht en uitgelezen. In stap S11 het analysesignaal Va gelezen door de besturingseenheid 5. In stap S12 wordt getest of de waarde van het analyse signaal Va overeenkomt met de optimale schrijfintensiteit. Zo nee, dan wordt verder gegaan met stap S11. Zo ja, dan wordt de door de adresdetektieschakeling 15 gedekteerde absolute tijd code uitgelezen in stap S13. Vervolgens wordt in stap S14 de optimale schrijfintensiteit berekend welke behoort bij de uitgelezen in stap S13 absolute tijdcode. Dit kan bijvoorbeeld door het verschil in de laatste uitgelezen absolute tijdcode en de tijdcode behorende bij het begin van het test gebied te bepalen. Aan de hand van dat verschil kan bepaald worden met hoeveel stappen ΔΙ de aanvangswaarde Io is verhoogd voordat bij de optekening van het testinformatiepatroon het door de laatste uitgelezen absolute tijdcode ATIP werd bereikt. Door dit aantal stappen en de aanvangswaarde Io is de optimale schrijfenergie Iopt vastgelegd.
Het zij nogmaals opgemerkt dat de hier beschreven ijkprocedure slechts een van de vele mogelijk is voor dit type van optische registratiedragers. Een andere bijzonder geschikte ijkprocedure voor dit type registratiedragers is bijvoorbeeld beschreven in NL-A-900150 (PHN 13.217).

Claims (4)

1. Informatieoptekeninrichting voorzien van schrijfmiddelen voor het aanbrengen van informatiepatronen op een registratiedrager, van middelen voor het bepalen van registratiedrager afhankelijk instelgegevens, van instelmiddelen voor het in instellen van de schrijfmiddelen overeenkomstig de bepaalde instelgegevens, met het kenmerk, dat de middelen voor het bepalen van de instelgegevens zijn ingericht om bij verschillende instellingen van de schrijfmiddelen informatiepatronen op te tekenen en om op basis van de opgetekende informatiepatronen, de instelgegevens te bepalen volgens een voorafbepaald criterium, waarbij de informatie optekeninrichting verder is voorzien van opslagmiddelen voor het in een geheugen opslaan van de bepaalde instelgegevens tesamen met identificatiegegevens die indicatief zijn voor de combinatie van de optekeninrichting en de registratiedrager waarvoor de instelgegevens bepaald zijn, en van detectiemiddelen voor het, na het inbrengen van een registratiedrager in de informatieoptekeninrichting, detecteren of voor de betreffende combinatie van registratiedrager en informatieoptekeninrichting instelgegevens zijn opgeslagen in het geheugen, waarbij de instelmiddelen zijn ingericht om in het geval dat voor de genoemde combinatie de instelgegevens zijn opgeslagen de schrijfmiddelen overeenkomstig deze instelgegevens in te stellen.
2. Informatieoptekeninrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de opslagmiddelen zijn ingericht voor het in een geheugen van de informatieoptekeninrichting opslaan van de bepaalde instelgegevens tezamen met een registratiedrageridentificatiecode die indicatief is voor de registratiedrager waarvoor de gegevens bepaald zijn, waarbij de optekeninrichting is voorzien van leesmiddelen voor het uitlezen van een registratiedrageridentificatiecode die eventueel op een ingebrachte registratiedrager is aangebracht, en waarbij de detectiemiddelen zijn ingericht om te bepalen of voor de uitgelezen registratieidentificatie instelgegevens zijn opgeslagen in het geheugen van de inrichting.
3. Informatieoptekenrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van middelen voor het aanbrengen van een registratiedrageridentificatie op de registratiedrager.
4. Informatieoptekeninrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat de optekeninrichting is voorzien van een willekeurige codegenerator voor het genereren van de registratiedrageridentificatiecode.
NL9000327A 1990-02-12 1990-02-12 Informatieoptekeninrichting. NL9000327A (nl)

Priority Applications (7)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL9000327A NL9000327A (nl) 1990-02-12 1990-02-12 Informatieoptekeninrichting.
US07/542,287 US5072435A (en) 1990-02-12 1990-06-21 Information recording device which adjusts its recording parameters to the record carrier to be recorded
DE69115304T DE69115304T2 (de) 1990-02-12 1991-02-08 Informationsaufzeichnungsanordnung
EP91200257A EP0442566B1 (en) 1990-02-12 1991-02-08 Information recording device
KR1019910002202A KR100221461B1 (ko) 1990-02-12 1991-02-09 정보 레코딩 장치
JP03904891A JP3238158B2 (ja) 1990-02-12 1991-02-12 情報記録装置
HK109496A HK109496A (en) 1990-02-12 1996-06-27 Information recording device

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL9000327 1990-02-12
NL9000327A NL9000327A (nl) 1990-02-12 1990-02-12 Informatieoptekeninrichting.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL9000327A true NL9000327A (nl) 1991-09-02

Family

ID=19856577

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL9000327A NL9000327A (nl) 1990-02-12 1990-02-12 Informatieoptekeninrichting.

Country Status (7)

Country Link
US (1) US5072435A (nl)
EP (1) EP0442566B1 (nl)
JP (1) JP3238158B2 (nl)
KR (1) KR100221461B1 (nl)
DE (1) DE69115304T2 (nl)
HK (1) HK109496A (nl)
NL (1) NL9000327A (nl)

Families Citing this family (52)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US5303217A (en) * 1989-06-23 1994-04-12 U.S. Philips Corporation Optical recording device wherein recording beam intensity is set in accordance with an optimum value of the DC component of a recorded signal
JP2915098B2 (ja) * 1990-06-29 1999-07-05 株式会社日立製作所 ディジタル信号記録再生装置
US5418770A (en) * 1990-06-29 1995-05-23 Hitachi, Ltd. Method of and apparatus for correcting edge interval of pit in optical recording/read-out apparatus
JP2809835B2 (ja) * 1990-07-30 1998-10-15 松下電器産業株式会社 光ディスク装置および光ディスク
JP2896925B2 (ja) * 1990-09-04 1999-05-31 三菱電機株式会社 光ディスク記録装置
JPH04139666A (ja) * 1990-09-30 1992-05-13 Ricoh Co Ltd 追記型光デイスクの信号処理用半導体集積回路および半導体装置
US5220549A (en) * 1991-02-19 1993-06-15 Olympus Optical Co., Ltd. Information recording/reproducing apparatus which includes pickup having memory for storing specific characteristics thereof
US5341356A (en) * 1991-04-02 1994-08-23 U.S. Philips Corporation Method and device for recording information volumes in a track of a record carrier, and a device for reading the record carrier
US5878019A (en) * 1991-04-02 1999-03-02 U.S. Philips Corporation Record carrier having at least two information volumes
ES2122981T3 (es) * 1991-04-02 1999-01-01 Philips Electronics Nv Soporte de registro, aparato de lectura de un soporte de registro, asi como un metodo y aparato de registro para el registro de la informacion en un soporte de registro.
JP3141429B2 (ja) * 1991-04-11 2001-03-05 ソニー株式会社 記録再生装置の映像調整装置
JP3050336B2 (ja) * 1991-07-05 2000-06-12 パイオニア株式会社 追記型光ディスクへの記録方法及び光ディスク記録装置
NL9200397A (nl) * 1992-03-04 1993-10-01 Philips Nv Informatie-optekeninrichting.
JP3433811B2 (ja) * 1992-09-30 2003-08-04 ソニー株式会社 デイスク複製装置
JP3212415B2 (ja) * 1993-04-26 2001-09-25 株式会社リコー 光記録装置の制御方法
US5444686A (en) * 1993-09-28 1995-08-22 Dunlavy; John H. Method and apparatus for correcting distortion in compact disc recording and playback system
US5737289A (en) * 1994-05-31 1998-04-07 Sony Corporation Data recording apparatus adapted for recording data signals onto an optical recording medium
US6011897A (en) * 1994-08-31 2000-01-04 Sony Corporation Still picture system for high speed reproduction
US5548572A (en) * 1995-03-31 1996-08-20 International Business Machines Corporation Spare and calibration sector management for optical WORM media
US5696756A (en) * 1995-04-14 1997-12-09 Kabushiki Kaishia Toshiba Optical disk having an evaluation pattern for evaluating the optical disk
JPH08321045A (ja) * 1995-05-23 1996-12-03 Sharp Corp 光ディスク装置
JPH0916964A (ja) * 1995-06-26 1997-01-17 Pioneer Electron Corp 光学式記録媒体および光ビームの供給パワー設定方法
JP3284296B2 (ja) * 1995-06-27 2002-05-20 富士通株式会社 光記録媒体及びその記録再生方法
BE1009677A3 (nl) * 1995-09-29 1997-06-03 Philips Electronics Nv Informatiedrager en inrichting voor het beschrijven van een informatiedrager.
US5978335A (en) * 1996-06-28 1999-11-02 Ibm Integrated calibration apparatus for a multi-mode information storage system
KR100601598B1 (ko) * 1998-06-15 2006-07-14 삼성전자주식회사 기록 방지 정보를 저장하는 기록 매체와 기록 방지 방법
US6744713B1 (en) 1998-06-15 2004-06-01 Samsung Electronics Co., Ltd. Recording medium for storing write protection information and write protection method thereof
US6925040B1 (en) * 1998-08-04 2005-08-02 Hitachi, Ltd. Information recording method, information recording medium and information recording apparatus
JP3076033B1 (ja) 1998-09-14 2000-08-14 松下電器産業株式会社 光学情報の記録再生装置および情報記録媒体
KR100288783B1 (ko) 1998-09-18 2001-05-02 구자홍 광기록매체의 기록 광파워 검출저장 및 이를 이용한 기록 광파워 조절장치와 그 방법
EP1026671B1 (en) * 1999-02-02 2002-12-04 Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. Optical recording medium
US6552982B1 (en) 1999-03-08 2003-04-22 Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. Information recording medium, information recording and reproduction method, and information recording and reproduction apparatus
EE200000688A (et) * 1999-03-23 2002-04-15 Koninklijke Philips Electronics N.V. Infokandja, kodeerimisseade, kodeerimismeetod, dekodeerimisseade ja dekodeerimismeetod
WO2000057417A1 (en) * 1999-03-23 2000-09-28 Koninklijke Philips Electronics N.V. Method of decoding a stream of channel bits of a signal relating to a binary channel signal into a stream of source bits of a signal relating to a binary source signal
EP1450362A3 (en) 1999-04-28 2007-01-10 Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. Optical disk, optical disk recording and reproducing apparatus, method for recording, reproducing and deleting data on optical disk, and information processing system
AU5566200A (en) 1999-06-22 2001-01-09 Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. Optical disk, optical disk device, and reproducing method for optical disk
KR100350983B1 (ko) * 2000-02-03 2002-08-28 삼성전자 주식회사 레이저 다이오드 드라이버, 이에 적합한 광기록/재생기기의 초기화 방법, 그리고 레이저 다이오드 드라이버의구동 방법
JP3839635B2 (ja) 2000-03-03 2006-11-01 株式会社リコー 光情報記録方法、光情報記録装置及び光情報記録媒体
US6611927B1 (en) * 2000-05-25 2003-08-26 Oak Technology, Inc. Apparatus and method for ideal value estimation in an optical PRML read channel
DE10032034A1 (de) * 2000-07-05 2002-01-17 Thomson Brandt Gmbh Verfahren zum schnellen Herstellen der Lese- und/oder Scshreibbereitschaft eines Geräts zum Lesen und/oder Beschreiben eines optischen Aufzeichnungsträgers sowie entsprechend ausgestaltetes Gerät
JP2002056531A (ja) * 2000-08-14 2002-02-22 Ricoh Co Ltd 光ディスク情報記録方法および記録媒体
JP4114767B2 (ja) 2000-10-13 2008-07-09 パイオニア株式会社 情報記録装置及び情報記録方法
JP2002245625A (ja) * 2001-02-19 2002-08-30 Pioneer Electronic Corp 記録媒体、情報記録装置及び情報記録方法、情報記録媒体並びに記録プログラム
WO2004019324A1 (ja) * 2002-08-23 2004-03-04 Sony Corporation レーザ出力設定方法および光記録装置
AU2003256010A1 (en) 2002-09-11 2004-04-30 Koninklijke Philips Electronics N.V. Multilayer optical disc having a recording stack type indicator
JP3734816B2 (ja) * 2003-03-25 2006-01-11 株式会社リコー 光情報記録装置、光情報記録媒体、光情報記録方法、プログラム、及び記憶媒体
CN100449632C (zh) * 2003-05-19 2009-01-07 皇家飞利浦电子股份有限公司 盘驱动设备和为盘驱动设备中的重新校准定时的方法
WO2004102557A2 (en) * 2003-05-19 2004-11-25 Koninklijke Philips Electronics N.V. Disc drive apparatus, and method for timing recalibration in a disc drive apparatus
CN100487797C (zh) * 2003-06-03 2009-05-13 松下电器产业株式会社 记录重放装置、记录重放方法和记录重放系统
US20060044980A1 (en) * 2003-06-03 2006-03-02 Toshiyuki Fukushima Recording/reproduction device, recording /reproduction method, recording/reproduction system, program thereof, and recording medium
CN1833275A (zh) * 2003-09-19 2006-09-13 株式会社理光 信息记录装置和信息记录系统
WO2005114661A1 (en) * 2004-05-18 2005-12-01 Koninklijke Philips Electronics N.V. Optical disc drive for writing on blank recordable or rewritable media

Family Cites Families (5)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FR2546325B1 (fr) * 1983-05-20 1988-07-08 Thomson Csf Procede et dispositif de calibration de la puissance optique appliquee a un disque optique pour l'enregistrement de donnees
JPS6050666A (ja) * 1983-08-29 1985-03-20 Hitachi Ltd 記録制御方式
US4717971A (en) * 1984-08-24 1988-01-05 Eastman Kodak Company Partitioned editing method for a collection of video still pictures
JP2609593B2 (ja) * 1986-10-24 1997-05-14 株式会社日立製作所 ディスク媒体の記録方法及びディスク装置
US4943861A (en) * 1987-03-03 1990-07-24 Analogic Corporation Apparatus and method for exposing photosensitive recording media with digital image data

Also Published As

Publication number Publication date
EP0442566B1 (en) 1995-12-13
DE69115304T2 (de) 1996-07-11
KR100221461B1 (ko) 1999-10-01
JPH04214208A (ja) 1992-08-05
DE69115304D1 (de) 1996-01-25
HK109496A (en) 1996-07-05
EP0442566A1 (en) 1991-08-21
US5072435A (en) 1991-12-10
JP3238158B2 (ja) 2001-12-10
KR910015982A (ko) 1991-09-30

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL9000327A (nl) Informatieoptekeninrichting.
EP0404249B1 (en) Method of and device for adjusting recording parameters
NL9000150A (nl) Werkwijze en inrichting voor het aanbrengen van een patroon van gebiedjes met veranderde optische eigenschappen in een registratiedrager.
KR0169103B1 (ko) 광 검출 가능한 정보 패턴을 레코드 캐리어에 레코딩하는 레코딩 장치
US7123552B2 (en) Wobble signal detecting circuit for optical disc system
US6392971B1 (en) Focus control method and optical disc recording/reproducing apparatus
KR960010329B1 (ko) 광디스크장치
US5453971A (en) Recorded area detection to prevent information overwriting
JPH0896396A (ja) 光学式記録再生装置
JPH0512675A (ja) デイスク装置の信号処理回路
CN100456362C (zh) 光盘信号处理装置以及光盘再生装置
JP3795555B2 (ja) 光ディスク装置
JP2633194B2 (ja) 光情報処理装置
JPH0191325A (ja) ミラー面検出回路
JP2633195B2 (ja) 光情報処理装置
JPH05266578A (ja) 記録エリア検知回路
JP2001297532A (ja) 光ディスク装置及び光ディスク装置のクロック調整方法
JP2000155941A (ja) 記録装置
JPH09212877A (ja) 光ディスク装置
JPH06333247A (ja) 光情報記録再生装置
JPH06162662A (ja) 信号再生方式
JPH0896385A (ja) 光ディスク装置
JPH0512676A (ja) デイスク装置の信号処理回路
JP2001250234A (ja) 光ディスク装置
JPH05266487A (ja) 情報処理装置

Legal Events

Date Code Title Description
A1B A search report has been drawn up
BV The patent application has lapsed