[go: up one dir, main page]

NL8402929A - Vulklep. - Google Patents

Vulklep. Download PDF

Info

Publication number
NL8402929A
NL8402929A NL8402929A NL8402929A NL8402929A NL 8402929 A NL8402929 A NL 8402929A NL 8402929 A NL8402929 A NL 8402929A NL 8402929 A NL8402929 A NL 8402929A NL 8402929 A NL8402929 A NL 8402929A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
valve
chamber
reservoir
members
liquid
Prior art date
Application number
NL8402929A
Other languages
English (en)
Other versions
NL192122C (nl
NL192122B (nl
Original Assignee
Masco Corp
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Masco Corp filed Critical Masco Corp
Publication of NL8402929A publication Critical patent/NL8402929A/nl
Publication of NL192122B publication Critical patent/NL192122B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL192122C publication Critical patent/NL192122C/nl

Links

Classifications

    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16KVALVES; TAPS; COCKS; ACTUATING-FLOATS; DEVICES FOR VENTING OR AERATING
    • F16K31/00Actuating devices; Operating means; Releasing devices
    • F16K31/12Actuating devices; Operating means; Releasing devices actuated by fluid
    • F16K31/18Actuating devices; Operating means; Releasing devices actuated by fluid actuated by a float
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16KVALVES; TAPS; COCKS; ACTUATING-FLOATS; DEVICES FOR VENTING OR AERATING
    • F16K21/00Fluid-delivery valves, e.g. self-closing valves
    • F16K21/04Self-closing valves, i.e. closing automatically after operation
    • F16K21/18Self-closing valves, i.e. closing automatically after operation closed when a rising liquid reaches a predetermined level
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E03WATER SUPPLY; SEWERAGE
    • E03DWATER-CLOSETS OR URINALS WITH FLUSHING DEVICES; FLUSHING VALVES THEREFOR
    • E03D1/00Water flushing devices with cisterns ; Setting up a range of flushing devices or water-closets; Combinations of several flushing devices
    • E03D1/30Valves for high or low level cisterns; Their arrangement ; Flushing mechanisms in the cistern, optionally with provisions for a pre-or a post- flushing and for cutting off the flushing mechanism in case of leakage
    • E03D1/32Arrangement of inlet valves
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16KVALVES; TAPS; COCKS; ACTUATING-FLOATS; DEVICES FOR VENTING OR AERATING
    • F16K47/00Means in valves for absorbing fluid energy
    • F16K47/02Means in valves for absorbing fluid energy for preventing water-hammer or noise
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/0318Processes
    • Y10T137/0324With control of flow by a condition or characteristic of a fluid
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/3149Back flow prevention by vacuum breaking [e.g., anti-siphon devices]
    • Y10T137/3185Air vent in liquid flow line
    • Y10T137/3294Valved
    • Y10T137/3331With co-acting valve in liquid flow path
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/7287Liquid level responsive or maintaining systems
    • Y10T137/7339By weight of accumulated fluid
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/7287Liquid level responsive or maintaining systems
    • Y10T137/7358By float controlled valve
    • Y10T137/7368Servo relay operation of control
    • Y10T137/7371Fluid pressure
    • Y10T137/7374Flexible diaphragm valve
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/7287Liquid level responsive or maintaining systems
    • Y10T137/7358By float controlled valve
    • Y10T137/7413Level adjustment or selection means
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T137/00Fluid handling
    • Y10T137/7287Liquid level responsive or maintaining systems
    • Y10T137/7358By float controlled valve
    • Y10T137/7439Float arm operated valve
    • Y10T137/7446With flow guide or restrictor

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Public Health (AREA)
  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Hydrology & Water Resources (AREA)
  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • Water Supply & Treatment (AREA)
  • Self-Closing Valves And Venting Or Aerating Valves (AREA)
  • Sanitary Device For Flush Toilet (AREA)
  • Check Valves (AREA)
  • Filling Of Jars Or Cans And Processes For Cleaning And Sealing Jars (AREA)
  • Fluid-Driven Valves (AREA)
  • Details Of Valves (AREA)

Description

:* ϊχ - &
V
V . m * 70 6562 Vulklep.
De uitvinding heeft betrekking op een vulklep voor water-niveauregeling in het toiletreservoirs en soorgelijke reservoirs.
Vulkleppen dienen om een vooraf bepaald vloeistofniveau in een reservoir te onderhouden en worden op grote schaal toegepast 5 bij toiletreservoirs en andere reservoirs. Een typerende vulklep omvat een inlaat, welke bestemd is om te worden verbonden met een bron van vloeistof onder druk, een uitlaat, welke in verbinding staat met het reservoir, een klep om de stroom naar het reservoir te regelen, een inrichting voor het detecteren van het niveau van de vloeistof in 10 het reservoir en een stelsel voor het openen van de klep wanneer het gedetecteerde vloeistofniveau onder het vooraf bepaalde niveau is gelegen. Tot nu toe zijn vele vulkleppen van het vlotterkraantype j ! geweest, waarbij de klep door een vlotter wordt geregeld. De Amerikaanse octrooischriften nr. 3.895.645 en nr. 4.18Q.096 beschrij-15 ven vulkleppen, die voordelen vertonen ten opzichte van vlotterkranen, waaronder een*compacte bouw en geringe kosten. Deze vulkleppen zijn j geheel ondergedompeld en bij deze vulkleppen wordt gebruik: gemaakt van membranen, die in responsie op de vloeistofdruk het vloeistofniveau detecteren.
20 Ofschoon de inrichtingen als beschreven in de bovengenoemde
Amerikaanse octrooischriften, succesvol zijn omdat het daarmede beoogde doel wordt bereikt, kan het in sommige gevallen gewenst zijn, dat de vulklep niet geheel is ondergedompeld opdat een atmosferische vacuum-onderbrekingsinrichting in de vloeistofstroombaan kan worden opgenomen.
25 Derhalve is één doel van de uitvinding het verschaffen van verbeterde vulklep van het type, waarbij de klep of een gedeelte daarvan in een reservoir boven het vloeistofniveau is gemonteerd en waarbij een vacuumverbreekvermogen aanwezig is.
Eén moeilijkheid, welke zich bij vlotterkranen en andere 30 vulkleppen heeft voorgedaan die..zich boven het watemiveau uitstrekken, is een gevolg van het grote aantal verschillende reservoirconfiguraties, waarbij dergelijke kleppen kunnen worden toegepast. Variaties in re-servoirhoogte maken het gewenst, dat de hoogte van de vulklep, evenals 8402929 - 2 - het waterniveau, instelbaar is opdat de vulklep op een universele wijze in verschillende reservoirs kan worden toegepast. Een ander doel van de uitvinding is het verschaffen van een vulklep, welke betrouwbaar is en op een eenvoudige wijze kan worden ingesteld voor 5 een aanpassing aan reservoirs met verschillende diepten.
Bij de in de bovengenoemde Amerikaanse octrooi schrift en:'‘beschreven vulkleppen wordt gebruik gemaakt van een zeer betrouwbaar en doeltreffend klepstelsel, voorzien van een hoofdklep en een pilootklep, welke worden bestuurd door membraan, dat dient om het waterniveau in 10 het reservoir te detecteren. Het is gewenst dit klepstelsel in een niet-ondergedompelde. vulklep op te nemen. Derhalve is een ander doel van. de uitvinding het verschaffen van een vulklep voorzien van een verbeterd stelsel met een zich naar beneden uitstekende standpijp voor het besturen van een drukresponsiefmembraan overeenkomstig het vloei-15 stofniveau in een reservoir'.
Het is bij de werking van een vulklep gewenst,, dat het openen en sluiten van de klep op een positieve wijze plaatsvindt om een eventuele neiging tot “schommelen" of een werking in een gedeeltelijk open toestand te vermijden. Een verder doel van de uitvinding is het ver-20 schaffen van een vulklep, waarbij een stabiele werking wordt verkregen omdat de openende en sluitende waterniveaus ten opzichte-ovan elkaar zijn verschoven.
Tot de andere belangrijke oogmerken van de uitvinding behoren het verschaffen van een vulklep, waarbij zich de bezwaren van de tot 25 nu toe gebruikte vulkleppen niet voordoen, het verschaffen van een vulklep, welke veilig en gemakkelijk te bedrijven is, een rustige • werking vertoont, en welke eenvoudig en betrouwbaar is.
In het kort worden de oogmerken en voordelen van de uitvinding, waaronder die, welke boven zijn genoemd, verkregen door een vul-30 klep, voorzien van een klepkopstelsel, dat op een bepaalde hoogte in het reservoir boven het vooraf bepaalde waterniveau wordt ondersteund door een telescoperend stijgbuisstelsel. Het stijgbuisstelsel omvat een stijgbuis met een steelgedeelte, dat aan een wand van het reservoir is bevestigd en is voorzien van inlaat- en uitlaatsecties. Inlaat-35 en uitlaatstroomleidingen strekken zich vanuit het klepkopstelsel naar 8402929 * * 4 - 3 - beneden uit en zijn telescopeerbaar instelbaar ten opzichte van de inlaat- en uitlaatsecties van de stijgbuis. Een met de stijgbuis samenwerkende instelmoer werkt via schroefdraad samen met de inlaat- en uitlaatleidingen om de hoogte van het klepstelsel in het reservoir in 5 te stellen en tegelijkertijd het vooraf bepaalde vloeistofniveau in te stellen.
Een hoofdklep in het klepkopstelsel opent en sluit de communicatie tussen de inlaat- en uitlaatleidingen onder bestuur van een membraan, dat een ontluchtingskamer en een besturingskamer van 10 elkaar scheidt. Een vacuumverbrekingskamer bevindt zich in een uit-laatstroombaan, welke zich vanuit de hoofdklep naar het inwendige van het reservoir uitstrekt. De -vacuumonderbrekingskarner omvat eerst de poortorganen, welke in verbinding staan met de hoofdklep, tweede poortorganen, welke in verbinding staan met de ontluchtingskamer en 15 derde poortorganen, welke stroomafwaarts langs de uitlaatstroombaan in verbinding staan. Een vacuumverbreekklep in de vorm van een eenvoudig, plaatvormig, elastomeeronderdeel overdekt de eerste poortorganen wanneer de hoofdklep is gesloten en de tweede poortorganen wanneer de hoofdklep open is.
20 Een standpijp, welke in verbinding staat met de besturings kamer strekt zich naar beneden in het reservoir uit en oefent op het membraan in responsie op een toenemend vloeistofniveau een druk uit.
Set membraan is niet-horizontaal en wanneer de hoofdklep open is, is de ontluchtingskamer gedeeltelijk met vloeistof gevuld om het membraan 25 hydraulisch te belasten met het gevolg, dat het vloeistofniveau, dat nodig is om de hoofdklep te sluiten, wordt vergroot. De ontluchtingskamer wordt geleegd wanneer de hoofdklep wordt gesloten, zodat bij het opnieuw openen van de hoofdklep een lager vloeistofniveau optreedt.
De uitvinding zal onderstaand nader worden toegelicht onder 30 verwijzing naar de tekening. Daarbij toont: fig. 1 een verticaal zijaanzicht met weggebroken gedeelten van een vulklep volgens de uitvinding; fig. 2 een ander verticaal zijaanzicht van de vulklep, beschouwd vanaf de lijn II-II van fig. 1; 35 v fig. 3 een doorsnede op een vergrootte schaal over de lijn III-III van fig. 2, waarbij gedeelten van het stijghuisstelsel van de vulklep zijn aangegeven; 8402923 -------—^^ - '* - 4 - fig. 4 een doorsnede van het kopstelsel en een deel van het stijgbuisstelsel van de vulklep, beschouwd over de lijn IV-IV van fig. 2; fig. 5 een doorsnede over de lijn V-V van fig. 4; 5 fig. 6 een doorsnede over de lijn VI-VI van fig. 4; fig. 7 een doorsnede over de lijn VII-VII van fig. 4; fig. S een doorsnede over de lijn VIII-VIII van fig. 4; fig* 9 een doorsnede over de lijn IX-IX van fig. 4; fig. 10 een gedeeltelijke doorsnede over de lijn X-X van 10 fig. 5; fig. 11 een uiteen genomen perspectivisch aanzicht, gedeel telijk in doorsnede, van de diffusie-inrichting, het hoofdkleponder-deel en de kap, v<5<5r de montage,* fig. 12. een uiteen genomen perspectivisch aanzicht, gedeel-15 telijk in doorsnede, van het lichaam, de diffusie-inrichting, de afdichting, het vacuumverbreekkleponderdeel en de kap, vdór de montage; fig. 13 een uiteen genomen perspectivisch aanzicht, gedeeltelijk in doorsnede, dat het lichaam van de vulklep met andere daarmede gemonteerde componenten en het membraanstelsel en het deksel vódr de 20 montage toont.
In de tekening is een vulklep volgens de uitvinding weergegeven, die in zijn geheel met 20 is aangeduid. De vulklep 20 is gemonteerd op een wand 22 van een reservoir, zoals een toiletwaterre-servoir, en dient om het niveau van de vloeistof in het reservoir op 25 een vooraf gekozen niveau te houden. Ofschoon de vulklep 20 bestemd is om, zoals aangegeven, in een opening 24· in de bodem van 22 van het reservoir te worden gemonteerd, kan de uitvinding ook worden toegepast op reservoirs met andere typen inlaatstelsels, zoals een inlaat in een zijwand.
30 In het algemeen omvat de vulklep 20 een stijgbuisstelsel, in het algemeen aangeduid met 26 (fig. 1-4), door middel waarvan een klepkopstelsel in het algemeen aangegeven met 28, naar boven of naar beneden kan worden bewogen voor een aanpassing aan reservoirs met verschillende hoogten. Het klepkopstelsel omvat een hoofd- of besturings-35 klepstelsel, in het algemeen aangegeven met 30(fig. 4), dat bestuurd wordt door een op het waterniveau responsief drukdetectiestelsel, dat 8402929 . * * - 5 - in het algemeen is aangeduid met 32 (fig- 4) om water aan het reservoir toe te laten wanneer het waterniveau onder gekozen niveau daalt.
Een vacuumverbreekklepstelse1, in het algemeen aangegeven met 34 (fig. 4) werkt een tarugstromen via de vulklep 20 tegen, voorziet in een atmos-5 ferische vacuumverbrekingsinrichting en draagt, zoals later zal worden beschreven, tot de positieve in- en uitwerking van de vulklep 20 bij',
De voornaamste componenten van de vulklep 20 bestaan bij voorkeur uit gevormd kunststo fmateriaal en kunnen op een eenvoudige wijze worden gemonteerd zonder afzonderlijk bevestigingsorganên of 10 dergelijke om de verschillende bedrijfssecties van het kopstelsel 28 te bepalen. Deze hoof componenten omvatten een lichaam 100, dat instelbaar is gerelateerd aan een stijgbuis 200, en een deksel 300, een kap 400 en een diffusie-inrichting 500, welke met het bovenste gedeelte van het lichaam 100 zijn gemonteerd voor het vormen van het kopstelsel 28.
15 Als ..een bijdrage tot de onderlinge relatie tussen de bijgaande tekeningen met de beschrijving, zijn elementen van de klepcomponenten 100, 200, 300, 400 respectievelijk 500 aangegeven door referenties van drie cijfers, beginnende met hetzelfde cijfer 1, 2, 3, 4 of 5.
De stijgbuis 200 (fig. 1-4) omvat een steelgedeelte 202, 20 dat zich door de reservoirwandopening 24 uitstrekt. De steel is van schroefdraad voorzien voor het opnemen van een moer 38 om de stijgbuis 200 te ondersteunen, en een koppelmcer 36, welke samenwerkt met een drukplaat 37 en een afdichting 38 om de steel 202 van de stijgbuis te verbinden met een leiding 39, welke water of een andere vloeistof 25 onder druk aan de vulklep 20 toevoert. Een pakking 40, die door een onderste flens 204 van de stijgbuis 200 samen gedrukt wordt gehouden, dicht de opening 24 in de reservoirwand 24 af.
In het reservoir omvat de stijgbuis 200 een in het algemeen cirkelvormige, 'cilindrische inlaatsectie 206 en uitlaatsectie 208, die 30 zich in het algemeen evenwijdig aan elkaar uitstrekken. De inlaatsectie staat via de steel 202 met de toevoerleiding 39 in verbinding en de uitlaatsectie 208 staat met het inwendige van het reservoir in verbinding via een uitlaatpoort 210 bij de onderflens 204 bij het onderste gedeelte van de uitlaatsectie 208.
35 De inlaat- en uitlaatsecties 206 en 208 bestaan uit lang werpige buisvormige stelsels die zich evenwijdig aan elkaar vanaf de bodem van het reservoir naar boven uitstrekken. Zij zijn bij de bodem 8402929 5 ï - 6 - door een webgedeelte 212 en aan de bovenzijde door een bovenste flens 214 met elkaar verbonden. De bovenste flens 214 gaat over in een in het algemeen U-vormige wand 216 om aan de bovenzi jde van de uitlaatsectie 208 een in het algemeen rechthoekige opening of een venster 218 te 5 bepalen. De opening 218 is vanaf beide zijden van de stijgbuis 200 toegankelijk en is ook open naar het bovenste gedeelte van de inlaat-sectie 206 (zie fig. 1 en 4).
Het lichaam 100 omvat een bovenste kopgedeelte 102, in het algemeen met een aan de bovenzijde open komvorm (fig. 12) . Vanuit 10 het kopgedeelte 102 verstrekken zich een inlaatleiding 104 en een uitlaat-leiding 106 naar beneden uit, welke tezamen met de stijgbuis 200 het stijgbuisstelsel 26 vormen. De leidingen 104 en 106 strekken zich evenwijdig aan elkaar uit en zijn ten opzichte van elkaar en ten opzichte van het kopgedeelte 102 verstijfd door een aantal webben 108.
15 Bij de afgebeelde uitvoeringsvorm volgens de uitvinding is het de bedoeling, dat de inlaat- en uitlaatleidingen 104 en 106 verticaal zijn en het kopgedeelte 102 onder een hoek van 45° helt. De niet-horizontale oriëntatie van het kopstelsel 28 en‘ van het kopgedeelte 102 vervult een belangrijke functie bij de werking van de vulklep 20, zoals 20 hierna meer gedetailleerd zal worden besproken.
De inlaat- en uitlaatleidingen 104 en 106 zijn in de inlaat-en uitlaatsecties 206 en 208 van de stijgbuis telescoperend. Een O-ring 41 dicht het uitwendige van de inlaatleiding 104 ten opzichte van het binnenste van de inlaatsectie 206 af. Een spanelement 42.en een stroom-25 beperkingsinrichting 43 zijn bij het eind van de inlaatleiding 104 gemonteerd. Wanneer het hoofdklepstelsel 30 van de vulklep 20 open is, vloeit vloeistof vanuit de toevoerleiding 39 naar de inlaatsectie 206 en van daaruit naar de inlaatleiding 104 naar het kopstelsel 28.
Vanuit het kopstelsel 28 stroomt de vloeistof via de uitlaatleiding 106 30 naar de uitlaatsectie 208 en via de uitlaatpoort 210 in het reservoir.
De vulklep 20 kan worden geïnstalleerd in reservoirs met verschillende hoogten en volgens de uitvinding kan de hoogte van de vulklep op een eenvoudige wijze worden ingesteld. Het stijgbuisstelsel 26 omvat niet slechts de stijgbuis 200 en delen van het lichaam 100 35 doch ook een instelmoer 44, die zich in de opening 218 van de stijgbuis 200 bevindt. Zowel de inlaatleiding 104 als de uitlaatleiding 106 hebben een schroefdraadstructuurin de vorm van tanden 110, welke zich 8402929
* X
- 7 - over een. betrekkelijk grote afstand in de lengterichting van de leidingen uitstrekken. De tanden 110 vormen heugeltandwielstelsels, welke via schroefdraad samenwerken met een uitwendige schroefdraad 44A en een inwendige schroefdraad 44B van de instelmoer 44, waarbij de : 5 schroefdraden 44A an 44B elk iets meer dan één volledige convolutie omvatten.
Het lichaam 100 is in de figuren 1, 2 en 4 weergegeven in, in''hoofdraak de onderste stand daarvan ten opzichte van stijg-buis 200. Om de hoogte van de vulklep 20 in te stellen, wordt de moer 44 10 bij de open zijden van de opneing 218 vastgenomen en geroteerd. Een samenwerking van de schroefdraden 44A en 44b met de tanden 110 veroorzaakt, dat het lichaam 100 ten opzichte van de stijgbuis 200.tot de gewenste hoogte naar boven of naar beneden wordt bewogen. Ten gevolge van de mechanische overbrenging van de schroefdraden en tanden 13 en de wrijving, welke wordt verschaft door de 0-ring 41, zal het lichaam 100 in elke stand waarin het lichaam wordt ingesteld, blijven.
De hoogte van het lichaam 100 kan worden ingesteld terwijl de vulklep^ 20 aan een vloeistofdruk wordt onderworpen. Xndien het lichaam 100 naar een extreme bovenste positie wordt bewogen, be-20 weegt de Q-ring 41 zich langs een drukontluchtingspoort 213 en wordt de toevoervloeistof direct naar het inwendige van-het reservoir omgeleid.
Hierdoor wordt belet, dat de inlaatdruk het lichaam 100 met kracht uit de stijgbuis 200 duwt in het geval dat het lichaam 100 te ver naar boven wordt bewogen.
25 Door een instelling van de relatieve posities van het lichaam 100 en de stijgbuis 200 wordt de totale hoogte van de vulklep 20 gevarieerd en wordt de hoogte van het kopstelsel 28 boven de reservoirwand 22 bepaald. Het door de vulklep 20 in het reservoir onderhouden watemiveau wordt ten opzichte van de plaats van het kop- j 30 stelsel 28 zodanig bepaald, dat door een instelling van de hoogte van het kopstelsel 28 ook het watemiveau wordt ingesteld.
Haast het kopgedeelte 102 van het lichaam 100 omvat het kopstelsel 28 van de vulklep 20 het deksel 300, de kap 400 en de diffusie-inrichting 300. Zoals blijkt uit fig. 4, is wanneer de vulklep 35 20 is gemonteerd, de diffusie-inrichting 500 in het komvormige kop gedeelte 102 van het lichaam 100 door de kap 400 opgesloten. Het hoofd-kleostelsel 30 en het vacuumverbreekklepstelsel 34 bevinden zich onder 840 2 9 2.9 ! ï * - 8 - de kap 400 en boven de diffusie-inrichting 500. Het deksel 300 is over het open bovenzijde van het kopgedeelte 102 van het lichaam bevestigd, en werkt met het kopgedeelte 102 van het lichaam en de kap 400 samen voor het verschaffen van een membraanholte 52 van het drukdetectie-5 stelsel 32.
De diffusie-inrichting 500 bevindt zich in het kopgedeelte 102 en voorziet in een baan voor de vloeistof vanuit het hoofdklep-stelsel 30 naar het vacuumverbreekklepstelsel 34. Een ringvormige bovenwand 502 bepaalt de: bodem van een vacuumverbreekkamer 45. Een 10 centraal naafachtig element 504 strekt zich boven de bovenwand 502 uit en bepaalt het buitenste omtreksgedeelte van een klepvlak 46 van het hoofdklepstelsel 30. Het lichaam 100 omvat een cirkelvormige klep-zitting 114 in het kopgedeelte 102, welke wordt bepaald door het bovenste eind van de inlaatleiding 104. De zitting 114 is omgeven 15 door een aantal in radiale richting naar buiten, gerichte wanden 116, welke daar tussen een aantal hoofdkleppoorten 47 bepalen. De zitting 114 en de wanden 116 bevinden zich in de centrale naaf 5Q4 van de diffusie-inrichting 500 en- de poorten 47 bevinden zich in het klepvlak 46 en bezitten in een radiaal naar buiten gerichte richting 20 toenemende breedten.
Vloeistof, welke zich vanuit het hoofdklepstelsel 30 via de hoofdkleppoorten 47 beweegt, bereikt een radiaal naar binnen • gelegen gebied 506 van de diffusie-inrichting 500, dat zich onder de bovenwand 502 bevindt (fig. 4 en 9). De diffusie-inrichting omvat 25 een continue buitenste afhangende wand 508 en het ringvormige gebied tussen het binnenste gedeelte 506 en de buitenwand 508 is in het algemeen in quadranten gesplitst door vier verschillende wandstelsels •510, 512, 514 en 516. Zoals later meer'gedetailleerd zal blijken, bergt het wandstelsel 510 een uitlaatpoort 48 van het vacuum-30 verbreekklepstelsel 34. De wandstelsels 512 bepalen een paar uitlaat-stroompoorten van de diffusie-inrichting. Het wandstelsel 514 is een schot tussen twee quadranten van de stroombaan van de diffusie-inrichting .
Om de stroomsnelheid te dissiperen en de vloeistofdrukken 35 in de vulklep 20 te dempen, omvat de diffusie-inrichting een aantal schotten 516 in elk van de vier stroombaanquadranten. De schotten 516 8402929 • * τ * ί - 9 - zijn afwisselend in tegengestelde richting doorschoten voor het bepalen van stroombaansegmenten met een aantal bochten, onder in hoofdzaak een rechte hoek:,bij elk waarvan een energieverlies in de stromende vloeistof optreedt. Het effect van de zich herhalende rechte hoeken 5 is, dat de stroomsnelheid door de vulklep 20 tot een gewenste waarde wordt geregeld terwijl de inlaatdruk wordt gedissipeerd. Andere abrupte veranderingen van de richting van de vloeistof, welke door de vulklep 20 stroomt, b.v. bij het klepvlak 46, de uitlaatpoorten 512 van de diffu-sie-inrichting, en de uitlaatpoort 48 hebben een soortgelijk effect.
10 De stroombeperkingsinrichting 43 is aanwezig ter ondersteuning van het regelen van de totale stroomkarakteristieken van de vulklep 20..
Om de diffusie-inrichting 500 op te stellen en te ondersteunen omvat het kopgedeelte 102 van het'lichaam 100 een onderwand 118 met een naar boven gericht stelsel van holten 120 (fig. 4, 7, 8, 10 15 en 12). Waneer de diffusie-inrichting 500 in het lichaam 100 is ondergebracht ,-worden de buitenwand 508, de wandstelsels 510, 512 en 514 en de schotten 516 zodanig in de lichaamsholten 120 opgenomen, dat de * gedeelten van de diffusie-inrichting op een juiste wijze worden onder-steund en geen vloeistof onder de diffusie-inrichting wordt omgeleid.
20 Het lichaamskopgedeelte 102 bezit een cirkelvormige zijwand 122, welke zich vanuit de bodemwand 118. naar boven uitstrekt, waar binnen de buitenwand 508 van de diffusie-inrichting nauwsluitend en glijdbaan wordt opgenomen.
De kap 400 houdt de diffusie-inrichting 500 in het lichaam 25 100 op zijn plaats en is met een bajonetsluiting aan het lichaam 100 bevestigd. Tussen het lichaam 100. en de kap 400 bevindt zich een afdichting 56. De kap omvat een ringvormige buitenwand 402 uit welke wand zich een aantal bajonetuitsteeksels 404 in radiale richting uitstrekken. Het lichaam 100 omvat een soortgelijk aantal bajonetgrendel-30 randen 124. Cm de kap in het lichaam te monteren, wordt de kap in de cirkelvormige zijwand 122 gebracht, waarbij de uitsteeksels 404 ten opzichte van de randen 124 zijn verschoven. De kap wordt dan naar de grendelpositie, aangegeven in da tekening (zie fig. 6) geroteerd, waarbij nokvlakken op de uitsteeksels 404 deze werking vereenvoudigen
J
35 en aanslagvlakken op de uitsteeksels 404 in de volledig gemonteerde positie met de einden van de randen 124 samenwerken.
8402929 i ί » - 10 -
Zoals blijkt uit de figuren 4 en 7, houdt de kap 400 de diffusie-inrichting 500 stevig in het lichaam 100 op zijn plaats.
De ringvormige wand 402 bevat een gedeelte, dat samenwerkt met een cirkelvormige opstaande wand 518 van de dif fusie-inrichting (zie ook 5 fig. 12). Bovendien omvat de kap 400 een centraal naafvormig, gedeelte 406, dat met de buitenomtrek van de centrale naaf 504 van de diffusie-inrichting 500 samenwerkt.
De onderzijde van de kap 400 werkt samen met de diffusie-inrichting 500 bij het bepalen van de vacuumverbreekkamer 45. Boven-10 dien bepaalt de centrale naaf 406 van de kap een kamer 49 boven het klepvlak 46 voor het hoofdklepstelsel 30. Wanneer de kap 400 en de dif fusie-inrichting 500 met het lichaam 100 zijn gemonteerd, bevindt zich een vacuumverbreekkleponderdeel 50 in de vacuumverbreekkamer 45 • en bevindt een hoofdkleponderdeel 51 zich in de hoofdklepkamer 49.
15 Het vacuumverbreekkleponderdeel 50 bestaat bij voorkeur uit een eenvoudig plaatvormig lichaam van rubber of een ander elastomeer-materiaal, dat_vrij en los in de vacuumverbreekkamer 45 is ondergebracht. Het kleponderdeel 50 werkt samen met de uitlaatpoorten 512 van de diffusie-inrichting om een eventueel terugstromen via de vulklep 20 20 tegen te werken en werkt ook met een cirkelvormig stelsel van ont-luchtingspoorten 408 in de kap 400 samen om de vacuumverbreekkamer 45 naar de buitenlucht te ontluchten wanneer de vulklep 20 wordt gesloten.
Het hoofdkleponderdeel 51 is aan de omtrek daarvan stevig ingevangen tussen de naafgedeelten 406 en 504 van de kap 400 en de 25 diffusie-inrichting 500. Het centrale gedeelte van het hoofdkleponderdeel 51 bezit een opening, welke kan glijden om een uitsteeksel 410, dat zich in neerwaartse richting uit het kapnaafgedeelte 406 uitstrekt. Het uitsteeksel 410 is voorzien van inkepingen 412 (fig. 11), welke voorzien in een beperkte stroombaan vanuit de inlaatleiding 104 naar de 30 hoofdklepkamer 49.
Het deksel 300 is ook door een bajonetsluiting aan het kopgedeelte 102 van het lichaam bevestigd. Het deksel omvat een bovenwand 302 met een zich naar beneden uitstekende wand 304, die om de cirkelvormige zijwand 122 van het lichaam 100 past. De bajonetgrendel-35 uitsteeksels 126 strekken zich in radiale richting naar buiten uit de zijwand 122 van het lichaam. 100 uit en werken samen met grendelranden 306, die zich in radiale richting naar binnen vanuit de afhangende wand 8402929 • # i - 11 - ι 304 van het deksel uitstrekken. Cm het deksel 300 op het lichaam 100 te monteren/ wordt het deksel op het kopgedeelte 102 van het lichaam geplaatst/ waarbij de uitsteeksels 126 zich op een afstand van de randen 306 bevinden. Het deksel wordt geroteerd om de bajonetvergren-5 deling tot stand te brengen. Nofcvlakken op de gréndeluitsteeksels 126 dragen er toe bij / dat de grendel— en aanslagvlakken de volledig gemonteerde positie bewerkstelligen.
Het drukdetectiestelsel 32 omvat een membraanholte 52, welke boven de kap 400 en binnen het deksel 300 is bepaald. Deze kamer 10 is in een onderste ontluchtingskamer 52A en een bovenste besturingskamer 52B verdeeld door middel van een membraan 53, dat tussen het deksel 300 en het lichaam 100 wordt vast gehouden. Set membraan 53 omvat een kraalvormige omtrek, die opeen afdichtende wijze tussen het deksel en het lichaam is ingeklemd. Het membraan 53 bestaat uit een geschikt 15 buigzaam en 'veerkrachtig materiaal zoals rubber, en aan het membraan 53 is een verstijvingsschijf 54 gevormd, b.v. door een stel kleine openingen in de schijf 54 met het materiaal van het membraan 53 te vullen, zoals aangegeven (fig. 4 en 13).
Een uitsteeksel 308 strekt zich vanuit een bovenwand 302 20 van het deksel naar beneden uit en begrenst de opwaartse beweging van het membraan 53 om een ongewenste belasting van het membraan te beletten. Een pilootklepgedeelte 53A van het membraan werkt samen met een I
pilootklepzitting 414 van de kap 400, die zich vanuit de ontluchtingskamer 52A naar de hoofdfclepkamer 49 uitstrekt via een klein kanaal, dat 25 zich door het centrale naafgedeelte 406 van de kap 400 uitstrakt.
De onderste ontluchtingskamer 52A van de membraanholte 52 wordt vrij naar het inwendige van het reservoir boven het watemiveau ontlucht via ontluchtingspoorten 128, die in de cirkelvormige zijwand 122 van het lichaam 100 zijn gevormd. De speling tussen de afhangende 30 wand 304 van het deksel en de zijwand 122 van het lichaam verzekert een niet belemmerde ontluchting van de kamer 52A.
De bovenste besturingskamer 52B van de membraanholte 52 staat via een kanaal 310 in verbinding met het inwendige van een zich naar beneden uitstrekkend standpijpgedeelte 312 van het deksel 300.
35 Wanneer het vloeistofniveau boven het ondereind 314 van de standpijp · stijgt, neemt de druk van de lucht, die in de besturingskamer 52b is 8402329 ? - 12 - ingevangen, toe en wordt op het membraan 53 een kracht uitgeoefend, welke de neiging heeft om het pilootklepgedeelte 53A tegen de piloot-klepzitting 414 te sluiten.
Thans zal de werking van de vulklep 20 worden beschreven. De vulklep wordt geïnstalleerd in een vloeistof bevattend reservoir, waarbij 5 de toevoerleiding 39 met een bron van vloeistof onder druk is verbonden.
| De hoogte van het kopstelsel 28 wordt ingesteld door de instelmoer 44 te beïnvloeden, zoals boven is beschreven, teneinde de hoogte van het vloeistofniveau in het reservoir te kiezen en te onderhouden. Het inwendige van de inlaatleiding 104 onder het hoofdkleponderdeel 51 staat 10 continu en direct in verbinding met de vloeistof onder druk. De vulklep 20 dient om een vooraf bepaald waterniveau te onderhouden en het reservoir opnieuw te vullen wanneer het waterniveau daalt.
Wanneer het waterniveau in het reservoir zich op het vooraf bepaalde niveau bevindt, wordt het hoofdkleponderdeel 51 tegen de 15 hoofdklepzitting 114 gesloten en wordt belet, dat vloeistof via de hoofdklepzitting 47 stroomt. De vernauwde communicatie langs de inkepingen 412 in het uitsteeksel 410 brengt de hoofdklepkamer 49 onder druk omdat ingevangen en onder druk staande lucht in de besturingskamer 52B het membraan 53 beïnvloedt om de pilootklepzitting 414 te sluiten.
20 Het hoofdkleponderdeel 51 wordt op een positieve wijze klemmend gesloten omdat het onder druk staande bovenste gebied in de hoofdklepkamer 49 groter is dan het onder druk staande onderste gebied, omschreven door de hoofdklepzitting 114.
Wanneer het waterniveau in het reservoir voldoende daalt, 25 neemt de druk in de besturingskamer 52B af en beweegt het pilootklepgedeelte 53A van het membraan 53 zich van de pilootklepzitting 414 af. Hierdoor wordt de druk bóven het hoofdkleponderdeel 51 in de hoofdklepkamer 49 gereduceerd en het hoofdkleponderdeel 51 opent met een radiale rolwerking vanaf de klepzitting 114 en het klepvlak 46. Dientengevolge 30 vloeit vloeistof vanuit de inlaatleiding 104 via de kleppoorten 47 naar' het centrale binnenste gebied 506 van de diffusie-inrichting.
In de diffusie-inrichting stroomt vloeistof via de vier quadranten van de stroombaan van de diffusie-inrichting langs de schotten 516. De vloeistof, welke de buitenomtrek van de diffusie-35 inrichting 500 bereikt, verenigt zich bij de twee uitlaatpoorten 512 van de diffusie-inrichting, van waaruit de vloeistof zich naar boven 8402929 - 13 - naar de vacuumverbreekkamer 45 onder het vacuumverbreekklepcnderdee1 50 beweegt. Normaliter ligt het kleponderdeel 50 los in de kamer en wel bij benadering in de positie, aangegeven in fig. 4, zodat de stroombaan via het kopstelsel 28 tussen de inlaat- en uitlaatleidingen 104 en 106 5 naar de buitenlucht in de vacuumverbreekkamer 45 wordt ontlucht via de ontluchtingspoorten 408 in de kap en de ontluchtingspoorten 128 van het lichaam. Wanneer de vloeistof door de vulklep 20 stroomt drijft de kracht van de vloeistof, welke uit de uitlaatpoorten 512 van de diffusie-inrichting uittreedt, het kleponderdeel 50 van de vacuumver-10 brekingsinrichting naar boven naar de ontluchtingspoorten 408 van de kap, waardoor de stroom door de vacuumverbrskingskamer 45 niet wordt belemmerd. Deze stroom bereikt de uitlaatleiding 106 via de uitlaat-poort 48 van de vacuumverbrekingsinrichting. De poort 48 wordt bepaald door het bovenste eind van de uitlaatleiding 106 en dit eind omvat een 15 uitsteeksel, dat zich iets in de vacuumverbreekkamer uitstrekt om een deel van het kleponderdeel 50 van de vacuumverbrekingsinrichting iets boven de bovenwand 502 van de diffusie-inrichting 500 te houden.
De stroom, welke de vacuumverbrekingskamer 45 via de poort 48 verlaat, bereikt de uitlaatklep 210 van de vulklep vief de 20 uitlaatleiding 106 en de uitlaatsectie 208 van de stijgbuis- 200.
Sen deel van deze stroom wordt afgeleid via een hervulkanaal 130 (fig. 8) dat zich uit de uitlaatleiding 106 uitstrekt. Wanneer de vulklep 20 bij een toiletwaterreservoir wordt gebruikt, staat het hervulkanaal 130 via een hervulbuis 55 in verbinding met de overstroom-25 pijp van het toiletreservoir om de toiletpot en -hals na elk doorspoelen opnieuw te vullen.
Volgens een belangrijk kenmerk van de uitvinding zijn de openings- en sluithandelingen van de vulklep 20 ten opzichte van elkaar ten aanzien van het vloeistofniveau in het reservoir verschoven.
30 Hierdoor verkrijgt men een grendel- of vasthoudwerking, welke een onstabiele openings- en sluitwerking van de klep belet. Deze verschuiving in werking wordt op een zeer betrouwbare eenvoudige en automatische wijze verkregen door een hydraulische belasting van het membraan 53 wanneer het hoofaklepstelsei 30 open is voor het opnieuw vullen van 35 het reservoir.
Wanneer de vloeistof door de vulklep 20 bij een reservoir-vulhandeling stroomt, wordt een deel van de stroom afgeleid naar de 8402929 - 14 - onderste ontluchtingskamer 52A van de membraanholte 52. Eén component van deze afgeleide vloeistof stroomt via de inkepingen 412 in het kapuitsteeksel 410 en de pilootklepzitting 414 naar de kamer 52A-Om nog een component van de afgeleide stroom moge lijk te maken, omvat 5 de kap 400 naar beneden gerichte uitsteeksels 416 bij de ontluchtings-poorten 408 (fig. 4 en 11). De uitsteeksels 416 beletten, dat het kleponderdeel 50 van de vacuumverbrekingsinrichting geheel over de ontluchtingspoorten 408 sluit, zodat een deel van de vloeistof, welke door de vacuumverbrekingskamer 45 stroomt, langs het kleponderdeel 50 10 en naarde membraanontluchtingskamer 52A stroomt. Aangezien het kleponderdeel 50 uit een buigzaam materiaal bestaat, wordt deze stroom-component automatisch gecompenseerd en heeft deze de neiging om ondanks variaties in de vloeistofinlaatdruk constant te blijven. Wanneer de druk toeneemt, wordt het kleponderdeel 50 steviger over de ontluchtings-15 poorten 408 gedrukt. Omgekeerd vermindert, indien de druk kleiner is, het kleponderdeel' 50 op een automatische wijze de beperking van de stroom via de poorten 408.
Het membraan 53 is niet-horizontaal en het vloeistofniveau « in de kamer 52A tijdens het opnieuw vullen van het reservoir wordt 20 zodanig geregeld, dat een vooraf bepaalde vloeistofdruk tegen de onderzijde van het membraan wordt opgewekt. Bovendien wordt na het opnieuw vullen van het reservoir de kamer 52A in zo sterke mate geleegd, dat de vloeistofdruk tegen het membraan 53 wordt onderbroken.
Meer in het bijzonder vloeit de vloeistof uit de kamer 52A 25 op twee verschillende wijzen weg. Wanneer de vloeistof via de poorten 408 en de pilootklepzitting 414 het niveau van de ontluchtingspoorten * 128 in de zijwand 122 van het lichaam bereikt, stroomt de vloeistof op een relatief onbeperkte wijze uit de kamer 52A over. Derhalve bewerkstelligt de hoogte van de ontluchtingspoorten 128 van het lichaam 30 een benaderd vooraf bepaald maximaal vloeistofniveau in de kamer 52A.
Vloeistof welke vanuit de membraanontluchtingskamer 52A via de poorten 128 overstroomt, wordt op een rustige wijze zonder ongewenste stroomruis naar het inwendige van het reservoir teruggevoerd. Deze vloeistof beweegt zich langs de randen 132 naar beneden, welke zich 35 in radiale richting naar buiten uit de zijwand 122 van het kopgedeelte 102 van het lichaam uitstrekken. De vloeistof, welke deze rand bereikt, 8402929 * » - IS - stroomt langs de rand tussen de zijwand 122 van het lichaam en de hangende wand 304 van het deksel naar beneden naar een gebied boven de standpijp 312 (2ie fig. 6). In dit gebied is de rand 132 niet aanwezig en beweegt de vloeistof -zich naar beneden naar een oppervlak 316,.
5 dat gedeeltelijk door de.standpijp 314 en gedeeltelijk door een uitstekende rand 318 wordt bepaald. Het oppervlak 316 leidt de overstroomde vloeistof op een soepele wijze naar de inlaatsectie 206 van de stijgpijp 200, waarlangs de vloeistof op een niet turbulente wijze naar de bodem van het reservoir vloeit.
10 .Vloeistof, welke in de kamer 52A op een vooraf bepaald niveau wordt gehouden door een overstroom via de ontluchtingspoorten 128, dompelt een vooraf bepaald deel van het membraan 53 onder- Hierdoor wordt op het membraan een vooraf bepaalde kracht uitgeoefend, welke de neiging heeft om het membraan op een afstand van de pilootklepzitting 15 414 te houden- Wanneer het vloeistofniveau in het reservoir toeneemt,
heeft lucht onder druk, -welke in de besturingskamer 52b is ingevangen, de neiging om het membraan tegen de pilootklepzitting 414 te bewegen. J
£e vloeistofdruk in de kamer 52A belet, dat de pilootklepzitting 414 * l wordt gesloten voordat de vloeistof een niveau bereikt, dat aanmerkelijk 20 hoger ligt dan het niveau, dat zou optreden bij het sluiten van de klep indien geen vloeistof in de kamer 52 aanwezig zou zijn om het membraan 53 hydraulisch te belasten.
Wanneer de pilootklepzitting 414 door het pilootklepge-deelte 53A van het membraan wordt gesloten, neemt de druk in de hoofd-25 klepkamer 49 toe en wordt het hoofdkleponderdeel 41 stevig gesloten over de klepzitting 114 en tegen het ringvormige stelsel van hoofd-kleppoorten 47, waardoor de stroom via de vulklep 20 wordt beëindigd.
Nadat de klep is gesloten, kan de vloeistof vanuit de ontluchtingska-mer 52A wegstromen om de hydraulische belasting van het membraan 43 30 te onderbreken. Dientengevolge wordt het vloeistofniveau, dat leidt tot het openen van de pilootklepzitting 414, verschoven van en is lager dan het vloeistofniveau, dat leidt tot het sluiten van de klep.
Cm de kamer 52A na een hervulhandeling van de vulklep 20 te legen, is een beperkte stroombaan vanuit de kamer 52A aanwezig.
35 Vloeistof in de kamer kan op een beperkte wijze via een paar kleine openingen 134 stromen, welke openingen in het onderste gebied van de 8402929 «
* V
- 16 - kamer 52A aanwezig zijn (zie fig. 10 en 13) . Verdere vloeistof kan wegstromen via spelingen, welke aanwezig zijn tussen de bajonetgrendel-uitsteeksels 404 van de kap 400 en de bajonetgrendelranden 124 van het lichaam 100. Tengevolge van de beperkte stroom daalt de vloeistof in de 5 kamer 52A onder het membraan 53 en wel een korte tijd nadat de klep is gesloten. Om op een doeltreffende wijze- een hydraulische belasting " van het membraan te verkrijgen, dient de afgeleide stroom naar de kamer 52A groter de zijn dan de beperkte stroom uit de kamer 52A en voldoende te zijn om een bestuurde overstroom via de ontluchtingspoorten 10 128 te veroorzaken.
8402929

Claims (17)

1. Kiepstelsel voor het regelen van het niveau van een vloei stof... in een reservoir gekenmerkt «foor een kiepkopstelsel, inlaat-en uitiaatstroomleidingen, die zich in het algemeen evenwijdig aan elkaar vanuit het kiepkopstelsel uitstrekken, een stijgbuis, voorzien 5 van steelorganen, welke bestemd is om op een wand van een reservoir te worden gemonteerd en welke in verbinding staat met een vloeistofbron, welke stijgbuis is voorzien van een inlaatsectie, die met de steel in verbinding staat, een uitlaatpoart, en een uitlaatsectie, welke met de uitlaatpoort in verbinding staat, waarbij de inlaat- en uitlaatstroom-iO leidingen telescoperend ten opzichte van de inlaat- en uitlaatsecties van de stijgbuis zijn ondersteund en ten opzichte van de stijgbuis beweegbaar zijn om de hoogte van het kiepkopstelsel in het reservoir selectief te variëren, en kleporganen in het kiepkopstelsel om de inlaat- en uitiaatstroomleidingen ten opzichte van elkaar te isoleren 15 wanneer het vloeistofniveau een gekozen niveau op een vooraf bepaalde afstand onder het kópklepstelsel bereikt en de inlaat- en uitlaatstroom-* leidingen met elkaar in verbinding te brengen wanneer het watemiveau onder het gekozen niveau daalt.
2. Kiepstelsel volgens conclusie 1, gekenmerkt door een 20 instelmoer, welke roteerbaar op de stijgbuis is ondersteund en met de i inlaat- en uitiaatstroomleidingen kan samenwerken. * j
3. Kiepstelsel volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de stroomleidingen zijn voorzien van zich in longitudinale richting uitstrekkende schroefdraadstelsels, en de instelmoer is voorzien van 25 schroef draadorganen, welke met deze schroefdraadstelsels samenwerken.
4. Kiepstelsel volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat de sehroefdraadorganen inwendige en uitwendige schroefdraden op de moer omvatten, waarbij de moer één van de stroomleidingen omgeeft.
5. Een vloeistofniveaubesturingsklep te gebruiken bij een 30 vloeistofreservoir gekenmerkt door een inlaatleiding, een klepzitting, welke met de inlaatleiding in verbinding staat, een hoofdkleponderdeel, dat beweegbaar is om de klepzitting te openen en te sluiten, organen om het kleponderdeel in responsie op het vloeistofniveau in het reservoir te besturen, welke besturingsorganen zijn voorzien van een holte en 35 membraan, dat da holte in een ontluchtingskamer en een besturingskamer 3402929 - 18 - splitst, een uitlaatstroombaan, welke zich vanuit de klepzitting naar het inwendige van het reservoir uitstrekt en een vacuumverbreekkamer omvat, eerste poortorganen in de vacuumverbreekkamer, welke met de klepzitting in verbinding staan, tweede poortorganen in de vacuumver-5 breekkamer, welke met de ontluchtingskamer in verbinding staan, derde poortorganen in de vacuumverbreekkamer, welke stroomafwaarts langs de uitlaatstroombaan in verbinding staan, en een vacuumverbreekklep in de vacuumverbreekkamer, welke zich boven de eerste poortorganen bevindt wanneer het hoofdkleponderdeel zich in de gesloten positie bevindt, 10 en de tweede poortorganen overdekt wanneer het hoofdkleponderdeel zich in de open positie bevindt.
6. Een vloeistofniveaubesturingsklep volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat de vacuumverbreekkamer in het algemeen ringvormig is uitgevoerd met naar elkaar gekeerde ringvormige boven- en onderwanden, 15 waarbij de eerste -en tweede poortorganen zich respectievelijk in de onder- en bovenwanden bevinden, en de vacuumverbreekklep bestaat uit een elastomeerplaatvormig lichaam met een in het algemeen uniforme-dwarsdoorsnede om de centrale as daarvan.
7. Een vloeistofniveaubesturingsklep volgens conclusie 5, ge-20 kenmerkt door organen om de besturingskamer overeenkomstig het vloeistofniveau in het reservoir onder druk te brengen, waarbij het membraan niet-horizontaal is, en organen aanwezig zijn om de ontluchtingskamer gedeeltelijk met vloeistof te vullen wanneer het hoofdkleponderdeel zich in de open positie daarvan bevindt. 25
8. Een vloeistofniveaubesturingsklep volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat de organen voor het gedeeltelijk vullen zijn voorzien van belemmeringsorganen in de vacuumverbreekkamer om te beletten, dat de vacuumverbreekklep de tweede poortorganen geheel afsluit.
9. Een vloeistofniveaubesturingsklep volgens conclusie 8, met 30 het kenmerk, dat de organen voor het gedeeltelijk vullen verder zijn voorzien van eerste relatief onbeperkte afvoerorganen, welke zich op een afstand van de bodem van de ontluchtingskamer bevinden, en tweede beperkte afvoerorganen bij de bodem van de ontluchtingskamer.
10. Een vloeistofniveaubesturingsklep volgens conclusie 7, met 35 het kenmerk, dat de drukorganen zijn voorzien van een standpijp, welke zich vanuit de besturingskamer naar beneden in het reservoir uitstrskt. 8402923 * I W _* I - 19 -
11. Klep voor het besturen van het niveau van een vloeistof in een reservoir of dergelijke gekenmerkt door een inlaat en een uitlaat en kleporganen voor het openen en sluiten van de communicatie tussen . de inlaat en de uitlaat, organen, welke een holte bepalen, een membraan, 5 dat in deze holte is opgesteld en de holte in een ontluchtingskamer en een besturingskamer splitst, waarbij het membraan in de holte in een niet-horizontale positie is gemonteerd, organen om in de besturingskamer overeenkomstig het vloeistofniveau in het reservoir een druk op te wekken, kiepbedieningsorganen om de kleporganen in responsie rsspec-10 tievelijk op een expansie en contractie van de besturingskamer te openen en te sluiten, en organen om de expansie van de besturingskamer tijdens het vullen van het reservoir te vertragen, welke vertragingsor-ganen zijn voor zien van organen om de ontluchtingskamer gedeeltelijk met vloeistof te vullen wanneer de kleporganen open zijn.
12. Klep volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de ontluch tingskamer is voorzien van een beperkte afvoer aan de bodem van de ontluchtingskmaer en relatief onbeperkte afvoer, die zich op een afstand van de bodem van de ontluchtingskamer bevindt, waarbij de organen voor het gedeeltelijk vullen zijn voorzien van een stroombaan, welke zich 20 vanuit de kleporganen naar de ontluchtingskamer uitstrekken, en beper-r kingsorganen in deze stroombaan om vloeistof aan de ontluchtingskamer toe te voeren met een stroomsnelheid, welke groter is dan de stroomsnelheid van de beperkte afvoer. *
13. Klep volgens conclusie 12 met het kenmerk, dat de beperkings-25 organen zijn voorzien van stroomregelorganen om de stroombeperking in responsie op een verlaging van de inlaatvloeistofdruk te verkleinen.
14. Klep volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de druk- j toevoerorganen zijn voorzien van standpijporganen, welke met de besturingskamer in verbinding staan en zich naar beneden in het reservoir 30 uitstrekken.
15. Werkwijze voor het besturen van een reservoirvulklep met het kenmerk, dat aan een besturingskamer aan een eerste zijde van een membraan de druk wordt verhoogd wanneer het vloeistofniveau in het reservoir toeneemt, een ontluchtingskamer aan de tweede zijde van het 35 membraan wordt ontlucht, de klep wordt gesloten waneer het membraan zich van de besturingskamer af beweegt, de klep wordt geopend wanneer het 3402929 · ,1 - · * - 20 - membraan zich naar de besturingskamer toe beweegt, en op de tweede zijde van het membraan een tijdelijke belastingsdruk wordt uitgeoefend wanneer de klep open is.
16. Werkwijze volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat bij 5 niet-horizontaal membraan het tijdelijk uitoefenen van een belastings-. druk het toelaten van vloeistof aan de ontluchtingskamer aan de tweede zijde van het membraan omvat.
17. Werkwijze volgens conclusie 16 met het kenmerk, dat het tijdelijk uitoefenen van een belastingsdruk het op een vooraf bepaald 10 niveau houden van het vloeistofniveau in de ontluchtingskamer wanneer de klep open is, en het afvoeren '-van vloeistof uit de ontluchtingskamer wanneer de klep gesloten is, omvat. 8402929
NL8402929A 1983-09-28 1984-09-26 Reservoirvulklep. NL192122C (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
US53677883 1983-09-28
US06/536,778 US4574826A (en) 1983-09-28 1983-09-28 Adjustable vacuum breaker fill valve

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL8402929A true NL8402929A (nl) 1985-04-16
NL192122B NL192122B (nl) 1996-10-01
NL192122C NL192122C (nl) 1997-02-04

Family

ID=24139897

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8402929A NL192122C (nl) 1983-09-28 1984-09-26 Reservoirvulklep.

Country Status (16)

Country Link
US (1) US4574826A (nl)
JP (1) JPS6092523A (nl)
KR (1) KR910008269B1 (nl)
AU (2) AU575071B2 (nl)
BE (1) BE900689A (nl)
BR (1) BR8404884A (nl)
DE (1) DE3435726A1 (nl)
DK (2) DK166976B1 (nl)
ES (1) ES289298Y (nl)
FR (1) FR2552465B1 (nl)
GB (2) GB2148505B (nl)
IE (1) IE55574B1 (nl)
IT (1) IT1196274B (nl)
LU (1) LU85560A1 (nl)
NL (1) NL192122C (nl)
PH (1) PH22352A (nl)

Families Citing this family (25)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
USD294383S (en) 1985-05-01 1988-02-23 Ou Pi-Yu Toilet tank fill valve
USD293709S (en) 1985-05-30 1988-01-12 Shames Sidney J Ball cock
US5154774A (en) * 1985-09-19 1992-10-13 Ugine Aciers De Chatillon Et Gueugnon Process for acid pickling of stainless steel products
US4765363A (en) * 1986-08-27 1988-08-23 Pi Yu Ou Intake valve for toilet tank
US4887635A (en) * 1989-04-03 1989-12-19 Masco Corporation Of Indiana Fluid fill valve with accurate fill level mechanism
US4996726A (en) * 1989-04-26 1991-03-05 Masco Corporation Of Indiana Accelerated rim wash for a toilet
US4973402A (en) * 1989-04-26 1990-11-27 Masco Corporation Of Indiana Flow restrictor and strainer assembly for a toilet tank fill valve and the like
US4945944A (en) * 1989-06-28 1990-08-07 Chen Shu Yuan Fill valve for toliet tanks
US5154205A (en) * 1992-01-03 1992-10-13 Langill Edwin R Method and apparatus for maintaining level of water in above-ground swimming pools
US5255703A (en) * 1992-07-08 1993-10-26 Johnson Dwight N Float operated fill valve
IL111126A (en) * 1994-10-03 1998-06-15 Rosenberg Peretz Buoyant body control device
AU713138B2 (en) * 1995-06-07 1999-11-25 Lazzzy Way Multi-purpose automatic filling and leveling liquid basin with liquid transfer
US5771921A (en) * 1995-09-19 1998-06-30 Ctb, Inc. Pressure regulator
US5715859A (en) * 1996-10-02 1998-02-10 Hunter Plumbing Products Adjustable fill valve assembly
US6102067A (en) * 1997-06-05 2000-08-15 Orlando; Mark A. Bifurcated fill valve assembly
US5964247A (en) * 1997-11-19 1999-10-12 American Standard Inc. Fill valve
US6047725A (en) * 1999-04-19 2000-04-11 Moen Incorporated Adjustable height fill valve
RU2180066C2 (ru) * 2000-08-03 2002-02-27 Закрытое акционерное общество "Уклад" Поплавковый клапан
US8590067B2 (en) * 2005-02-03 2013-11-26 Danco, Inc. Control of toilet bowl fill flow
KR20090093955A (ko) * 2006-10-16 2009-09-02 마이크로플로우 인터내셔널 피티와이 리미티드 유체 레벨 제어 밸브
IN2014KN01195A (nl) 2011-12-14 2015-10-16 Numatics Inc
WO2015112109A1 (en) 2014-01-21 2015-07-30 Numatics, Incorporated Pressure controlled and pressure control valve for an inflatable object
DE102014113830B4 (de) * 2014-09-24 2018-12-27 Guido Neumann Verfahren und Vorrichtung zur Realisierung von Schaltfunktionen für ein Füllventil
MX2017011738A (es) * 2015-03-12 2018-04-11 Fluidmaster Desviador de flujo con antisifon.
WO2023177680A1 (en) * 2022-03-15 2023-09-21 As America, Inc. Plumbing fixture auxiliary port

Family Cites Families (12)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US2442927A (en) * 1945-04-21 1948-06-08 John Matosh Tank inlet valve means
US2685301A (en) * 1950-11-16 1954-08-03 Dreier Brothers Inc Liquid inlet control assembly
US2986155A (en) * 1957-10-25 1961-05-30 Orville K Doyle Valve
US3242940A (en) * 1963-11-19 1966-03-29 Sirotek Louis Liquid flow control valve for toilet flush tanks
US3895645A (en) * 1973-03-09 1975-07-22 Jh Ind Inc Fluid level control valve
US4065095A (en) * 1975-02-18 1977-12-27 Johnson Dwight N Fluid level control valve
US4100928A (en) * 1976-07-19 1978-07-18 Adolf Schoepe Ball cock construction for controlling the level of liquids such as water in tanks
US4108202A (en) * 1976-07-19 1978-08-22 Adolf Schoepe Ball cock having vertically adjustable outlet tube
US4180096A (en) * 1977-06-23 1979-12-25 J. H. Industries, Inc. Fill valve
JPS54112022A (en) * 1978-02-20 1979-09-01 Brandelli Anthony R Expansionnfree ball cock
HU178678B (en) * 1978-10-24 1982-06-28 Jozsef Pataki Closing valve for filling liquid and for keeping as well as controlling level
US4338964A (en) * 1980-12-29 1982-07-13 Adolf Schoepe Side inlet ballcock having flow and structural improvements

Also Published As

Publication number Publication date
GB2148505B (en) 1988-04-13
DK466784A (da) 1985-03-29
DK118892D0 (da) 1992-09-25
IT1196274B (it) 1988-11-16
LU85560A1 (de) 1985-04-02
IT8422920A0 (it) 1984-09-28
IE842460L (en) 1985-03-28
JPH0557378B2 (nl) 1993-08-23
BR8404884A (pt) 1985-08-13
PH22352A (en) 1988-08-12
KR910008269B1 (ko) 1991-10-12
DK166976B1 (da) 1993-08-09
FR2552465A1 (fr) 1985-03-29
AU592701B2 (en) 1990-01-18
NL192122C (nl) 1997-02-04
DK466784D0 (da) 1984-09-28
NL192122B (nl) 1996-10-01
JPS6092523A (ja) 1985-05-24
AU575071B2 (en) 1988-07-21
GB8423946D0 (en) 1984-10-31
GB2148505A (en) 1985-05-30
DE3435726C2 (nl) 1990-09-06
GB2187287A (en) 1987-09-03
FR2552465B1 (fr) 1988-01-08
US4574826A (en) 1986-03-11
AU3323584A (en) 1985-04-04
DE3435726A1 (de) 1985-04-11
ES289298Y (es) 1986-11-16
GB8702544D0 (en) 1987-03-11
ES289298U (es) 1986-04-01
AU1501388A (en) 1988-07-14
DK118892A (da) 1992-09-25
KR850002894A (ko) 1985-05-20
BE900689A (nl) 1985-01-16
GB2187287B (en) 1988-04-13
IE55574B1 (en) 1990-11-07

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8402929A (nl) Vulklep.
US6158456A (en) Vehicle refueling valve
US5439025A (en) Float operated fill valve
US6578597B2 (en) Fuel tank vent system with liquid fuel filter
HU224900B1 (en) Over filling interdiction, vent and roll over valve
US5566705A (en) Snap-closure float valve assembly
CA2284983C (en) Tank venting control system
KR100979843B1 (ko) 연료 탱크용 이중 기능 밸브
US4646779A (en) Adjustable vacuum breaker fill valve
JP3998980B2 (ja) 改良された燃料バルブ
US4357718A (en) Liquid dispenser
US7028704B2 (en) Fill valve
JP5683318B2 (ja) 洗浄タンク装置
JPH0160620B2 (nl)
JP2023502933A (ja) フロート弁、フロート弁を備えた圧縮空気システム及びフロート弁を備えた圧縮空気システム用乾燥機
CN109923267B (zh) 排水配件
US10428502B2 (en) Flush mechanism for toilets
US20230025882A1 (en) Fluid limit vent valve with splash prevention
US4694854A (en) Device for regulating the discharge of fluid from a container
EP3823858B1 (en) Tank filling device
RU2273785C1 (ru) Универсальный поплавковый наполнительный клапан
US5850848A (en) Float valve
RU1770949C (ru) Автоматический регул тор межфазного уровн в емкости
SU1068900A1 (ru) Регул тор уровн верхнего бьефа
SU1084755A1 (ru) Устройство дл регулировани уровней воды в каналах

Legal Events

Date Code Title Description
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
BX A request for additional search has been filed
BX A request for additional search has been filed
BY An additional search report has been drawn up
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 19990401