[go: up one dir, main page]

NL8303181A - Trekker voorzien van een hefinrichting. - Google Patents

Trekker voorzien van een hefinrichting. Download PDF

Info

Publication number
NL8303181A
NL8303181A NL8303181A NL8303181A NL8303181A NL 8303181 A NL8303181 A NL 8303181A NL 8303181 A NL8303181 A NL 8303181A NL 8303181 A NL8303181 A NL 8303181A NL 8303181 A NL8303181 A NL 8303181A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
agricultural tractor
lifting device
tractor according
frame
lifting
Prior art date
Application number
NL8303181A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Texas Industries Inc
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Texas Industries Inc filed Critical Texas Industries Inc
Priority to NL8303181A priority Critical patent/NL8303181A/nl
Priority to DE19843433740 priority patent/DE3433740A1/de
Priority to FR8414120A priority patent/FR2551941A1/fr
Priority to GB08423206A priority patent/GB2147186B/en
Publication of NL8303181A publication Critical patent/NL8303181A/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B62LAND VEHICLES FOR TRAVELLING OTHERWISE THAN ON RAILS
    • B62DMOTOR VEHICLES; TRAILERS
    • B62D49/00Tractors
    • B62D49/02Tractors modified to take lifting devices
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01BSOIL WORKING IN AGRICULTURE OR FORESTRY; PARTS, DETAILS, OR ACCESSORIES OF AGRICULTURAL MACHINES OR IMPLEMENTS, IN GENERAL
    • A01B59/00Devices specially adapted for connection between animals or tractors and agricultural machines or implements
    • A01B59/06Devices specially adapted for connection between animals or tractors and agricultural machines or implements for machines mounted on tractors
    • A01B59/064Devices specially adapted for connection between animals or tractors and agricultural machines or implements for machines mounted on tractors for connection to the front of the tractor

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Combustion & Propulsion (AREA)
  • Transportation (AREA)
  • Zoology (AREA)
  • Soil Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Lifting Devices For Agricultural Implements (AREA)
  • Agricultural Machines (AREA)

Description

^ v
Texas Industries Ine., Willemstad, Curasao.
"Trekker voorzien van een hefinrichting"
De uitvinding heeft betrekking op een landbouwtrekker met een gestel, ten minste één vooras en één achteras, die van één of meer wielen zijn voorzien en ten minste één hefinrichting.
5 Volgens de uitvinding is de breedte van een aan de voorzijde van de trekker aangebrachte hefinrichting groter dan de afstand tussen de buitenste begrenzingsvlakken van het voorwiel resp. de voorwielen.
Op deze wijze is een zeer stabiele afsteuning van 10 brede aan de hefinrichting gekoppelde machines of werktuigen, in het bijzonder grondbewerkingswerktuigen mogelijk die aanzienlijke, variërende, in de langsrichting van de trekker werkende krachten op de trekker uitoefenen.
De uitvinding zal nader worden toegelicht aan de 15 hand van de volgende figuren.
Figuur 1 is een zijaanzicht van de trekker volgens de uitvinding.
Figuur 2 is een bovenaanzicht van de trekker volgens Figuur 1.
20 Figuur 3 is een schema van een sturingsschakeling van de hefinrichting.
De trekker omvat een gestel 1 dat symmetrisch is uitgevoerd en ten opzichte van het verticale langssymmetrie-vlak 2 van de trekker (fig. 1 en 2).
25 Het gestel 1 omvat een tweetal ongeveer horizontale onderling evenwijdige balken 3 die zich vanaf de achterzijde van het gestel in voorwaartse richting uitstrekken en aan hun voorste einden overgaan in, gerekend ten opzichte van de rijrichting A, schuin opwaarts en voorwaarts gerichte 30 steunbalken 4, die evenals de balken 3 evenwijdig aan het vlak 2 zijn gericht. Op de boveneinden van de beide steunbalken 4 is een horizontale zich loodrecht op het vlak 2 uitstrekkende verbindingsbalk 5 star bevestigd. Aan deze ver-bindingsbalk 5 is een tweetal horizontale, zich vanaf de balk 35 5 in voorwaartse richting uitstrekkende L-profielen 6 beves tigd, die cp afstand van elkaar zijn opgesteld en in voorwaartse richting ten opzichte van elkaar enigszins converge-£ v o ” * ‘ - 2 - * * i rend zijn opgesteld.
De voorste uiteinden van de beide L-profielen 6 zijn door middel van een verticale, loodrecht op het vlak 2 gerichte eindplaat 7 star met elkaar bevestigd. De pro-5 fielen 6 zijn met hun horizontale flenzen naar elkaar toe opgesteld en worden aan hun bovenzijden over hun gezamenlijke breedte door een afdekplaat 8 afgedekt. De opstaande steunbalken 4 en de profielen 6 vormen een zwanenhalsvormige voorzijde van het gestel 1 waaronder nader te bespreken voor-10 wielen zijn opgesteld. De balken 3 die ongeveer op een afstand boven de grond zijn gelegen, welke gelijk is aan de halve diameter van de wielen van de trekker, zijn aan hun achterzijden onderling star verbonden door middel van een horizontale, loodrecht op het vlak 2 gerichte verbindingsbalk 15 9 die aan zijn achterzijde is voorzien van achterwaarts uit stekende oren waarin horizontale, loodrecht op het vlak 2 gerichte' pennen zijn aangebracht waarom onderste hefarmen 10 van een achterste driepuntshefinrichting 11 verzwenkbaar zijn, alsmede van oren, die eveneens zijn voorzien van lood- 20 recht op het vlak 2 gelegen pennen, waarom de onderste uit einden van hydraulische cylinders 12 verzwenkbaar zijn; zoals uit fig. 2 blijkt zijn de onderste hefarmen 10 vanaf het gestel 1 enigszins schuin buitenwaarts en achterwaarts gericht en is elke aan een hefarm 10 toegevoegde hydraulische 25 cylinder 12 verzwenkbaar bevestigd aan de verbindingsbalk 9 op een plaats die op korte afstand buiten de zwenkas ligt door middel waarvan de bijbehorende onderste hefarm 10 aan het gestel is bevestigd.
Zoals uit fig. 1 en 2 blijkt zijn aan de boven-30 zijde van de achtereinden van de beide balken 3 plaatvormige steunen 13 vastgelast, die zich opwaarts en vrij sterk binnenwaarts uitstrekken in de richting van het symmetrievlak 2 en vervolgens evenwijdig aan dit vlak opwaarts gebogen en wel zodanig dat deze afgebogen buitenste uiteinden van de 35 steunen 13 op korte afstand van het symmetrievlak 2 zijn opgesteld. In deze bovenste delen van de steunen 13 is een loodrecht op het vlak 2 gerichte buis 14 aangebracht, waarin een as is gelegerd waarom zich achterwaarts uitstrekkende armen 15 verzwenkbaar zijn gelegerd. De van de buis 14 af-ü - · - 5 J 1 # * - 3 - gekeerde uiteinden van elk der armen 15 is op verzwenkbare wijze door middel van een hefarm 16 verzwenkbaar verbonden met de bijbehorende onderste hefarm 10. Op een plaats gelegen tussen het vrije uiteinde van elke arm 15 en de buis 14 5 is een loodrecht op het vlak 2 gerichte zwenkas aangebracht waarom het vrije uiteinde van de zuigerstang van de bijbehorende hydraulische cylinder 12 verzwenkbaar is bevestigd.
De bovenste delen van de plaatvormige steunen 13 dragen tevens een loodrecht op het vlak 2 gerichte zwenkas waarom 10 een bovenste hefarm 17 verzwenkbaar is die zich vanaf deze zwenkas eveneens in achterwaartse richting uitstrekt. Aan het vrije uiteinde van elke onderste hefarm 10 is een kop-pelpunt 18 bevestigd in de vorm van een naar boven geopende haak. Op analoge wijze is aan het vrije uiteinde van de boven-15 ste hefarm 17 een koppelpunt 19 aangebracht in de vorm van een naar onderen geopende haak. De beide haken 18 en 19 bezitten een snelsluiting in de vorm van een om een loodrecht op het vlak 2 gelegen zwenkas verzwenkbare grendel 20 die een asstomp of pijpstuk van een aan de hefinrichting 11 gekoppelde 20 machine dat in de haken 18 resp.19 is gelegen tijdens bedrijf kan vergrendelen.
De hefinrichting 11 is vanuit een zich in een cabine 24 van de trekker bevindende bestuurderszitplaats 25 op hydraulische wijze bedienbaar.
25 Nabij de voorzijde van de balken 3 is een op de balken 3 rustende en tevens aan de balken 4 bevestigde aan-drijfmotor 26 aangebracht, die enigszins excentrisch ten opzichte van het vlak 2 is opgesteld en wel zodanig dat zijn aan de achterzijde uittredende krukas op enige afstand aan 30 één zijde van het symmetrievlak 2 is opgesteld. De krukas van de motor 26, die een vermogen van ongeveer 60 - 100 kW bezit, vormt een ingaande as van een tandwielkast 27 die tegen de achterzijde van de motor 26 is bevestigd en die zich in zijwaartse richting tot op afstand buiten de meest nabij de 35 krukas gelegen gestelbalken 3 en tot buiten de buitenste be-grenzingsvlakken van de aan die zijde gelegen voorwielen van de trekker uitstrekt. Tegen de achterzijde van de tandwielkast 27 is een vanuit de bestuurderszitplaats 25 bedienbare versnellingsbak 28 bevestigd, waarvan de ingaande as samen- Λ Λ i W i - 4 -
* V
valt met een uitgaande as van de tandwielkast 27 en waarvan de uitgaande as 29 in achterwaartse richting uitsteekt. De as 29 kan in het verlengde van de uitgaande as van de motor 26 zijn gelegen en, gezien in bovenaanzicht, tussen de gestel-5 balken 3 aan een zijde van het symmetrievlak 2. Tegen de achterzijde van het buiten het.gestel 1 uitstekende einde van de tandwielkast 27 zijn een tweetal pompen 30 en 31 bevestigd. De pompen 30 en 31 worden aangedreven door uitgaande assen van de tandwielkast 27 en hebben een door de bestuurder 10 vanaf de zitplaats 25 instelbare vloeistofopbrengst. De pomp 30 is bestemd voor aandrijving van achterwielen van de trekker en de pomp 31 voor het aandrijven van de voorwielen van de trekker. Tegen de voorzijde van de tandwielkast 27 is een tandwieloverbrenging 32 bevestigd die een uitgaande as 33 15 bezit welke vanaf de tandwieloverbrenging in de rijrichting A uitsteekt en een voorste aftakas vormt. Zoals uit de fig.
2 en 3 blijkt, is de aftakas 33 excentrisch ten opzichte van het symmetrievlak 2 opgesteld en ligt op afstand buiten het buitenvlak van het nabijgelegen voorwiel en, in bovenzicht, 20 in het wielspoor van de achterwielen.
De uitgaande· as 29 van de versnellingsbak 28 is door middel van een van twee universele koppelingen voorziene tussenas 34 gekoppeld met een door een leger 35 ondersteunde achterste aftakas 36 waarvan de horizontaal opgestelde hart-25 lijn in het symmetrievlak 2 is gelegen. Het leger 35 steunt op de bovenzijde van de verbindingsbalk 9.
De trekker bezit in totaal twee achterwielen 37 die aan weerszijden van het symmetrievlak 2 zijn aangebracht. Elk der achterwielen 37 is aandrijfbaar door middel van een 30 bijbehorende niet-getekende hydraulische motor waarvan de vloeistofopbrengst door de bestuurder vanaf de bestuurders-zitplaats 25 instelbaar is. De hydraulische motoren van de achterwielen 37 worden gevoed door de hydraulische pomp 30.
De trekker bezit in totaal twee voorwielen 38 die 35 eveneens aan weerszijden van het symmetrievlak 2 zijn gelegen. De spoorbreedte van de voorwielen 38 bedraagt ongeveer 90 cm., de spoorbreedte van de achterwielen 37 bedraagt ongeveer 2^0 cm. De diameter van alle tractorwielen is gelijk en bedraagt ongeveer 135 cm. Alle wielen zijn voorzien van 3 - ,, · -· > e i - 5 - luchtbanden, bijvoorkeur lagedrukbanden, met een breedte van ongeveer 60 cm. Door de genoemde onderlinge opstelling van de voorwielen 38 en achterwielen 37 ontstaat een opstelling waardoor, gezien in vooraanzicht, de voorwielen 38 binnen 5 de achterwielen 37 zijn gelegen, zodat de trekker op de grond rust over een totale breedte van ongeveer 240 cm. Hierdoor ontstaat een zeer geringe gronddruk en wordt bederf van de bodemstructuur met het oog op latere plantengroei voorkomen.
De totale breedte van de trekker bedraagt ongeveer 300 cm.
10 Gezien in zijaanzicht volgens fig. 1 strekt de ca bine 24 zich vanaf een verticaal vlak door de draaiingsas van de achterwielen 37 in voorwaartse richting uit over een lengte van ongeveer 200 cm. De grootste loodrecht op het symmetrievlak 2 gemeten breedteafmeting van de cabine 24 15 bedraagt 200 cm zodat de achterzijde van de cabine (fig. 2) ten delen boven de achterwielen 37 is gelegen. De voorzijde van de cabine is in zijaanzicht midden boven de aandrijfmo-tor 25 gelegen.
De trekker omvat aan zijn voorzijde een stuuras 20 die met het verwijzingscijfer 39 is aangeduid. De stuuras 39 is verzwenkbaar om "een (in dit uitvoeringsvoorbeeld) ongeveer verticale zwenkas 40, die - althans in dit uitvoeringsvoorbeeld - in het vlak 2 is gelegen. De stuuras 39 kan aan zijn onderzijde zijn voorzien van slechts één bestuur-25 baar wiel, maar in dit geval vormt de stuuras een centrale verzwenkingsmogelijkheid voor de beide voorwielen 38, die symmetrisch ten opzichte van het vlak 2 zijn gelegen. De stuuras 39 is balkvormig en is in dit uitvoeringsvoorbeeld uitgevoerd als een ronde holle buis, waarvan de middellijn 30 de zwenkas 40 vormt. De stuuras is in de zwanenhalsvormige . ruimte onder de onderling verbonden profielen 6 en vóór de opstaande steunbalken 4 aangebracht in welke ruimte zich eveneens de voorwielen 38 bevinden.
De voorwielen 38 zijn elk voorzien van een hydrauli-35 sche motor die gevoed wordt vanuit de pomp 31. De beide voorwielen 38 zijn draaibaar gelegerd aan een pijpvormige, ongeveer horizontale vooras 41, waarin de hydraulische motoren kunnen zijn ondergebrachr. De vooras 41 is door middel van een horizontale, in het symmetrievlak 2 gelegen zwenkas 42 i*.* sï , f * - 6 - verzwenkbaar ten opzichte van de stuuras 75.
De buisvormige stuuras 39, kan samen met de voorwielen 38 vanuit de zitplaats 25 worden verzwenkt door middel van een hydraulische cylinder 43.
5 De trekker omvat een voorste hefinrichting 44 die bedoeld is voor een stabiele en brede afsteuning van aan deze hefinrichting bevestigde machines of werktuigen die relatief grote trek- of duwkrachten op de trekker uitoefenen. De hefinrichting 44 omvat twee op symmetrische wijze aan weerszij-10 den van het symmetrievlak 2 gelegen onderste hefarmen 45 alsmede twee eveneens op symmetrische wijze aan weerszijden van het symmetrievlak .2 gelegen bovenste hefarmen 46. De beide onderling evenwijdige, kokervormige onderste hefarmen 45 zijn door middel van loodrecht op het symmetrievlak 2 gerichte 15 zwenkassen 47 verzwenkbaar aan het overige deel van de trekker bevestigd. Daartoe is tegen de onderzijde van de beide tot het gestel 1 behorende balken 3 een loodrecht op het vlak 2 gerichte kokervormige balk 48 vastgelast, die een zodanige lengte bezit en aan weerszijden zodanig buiten de buitenzijde 20 van het gestel 1 uitsteekt dat zijn beide uiteinden, gezien in bovenaanzicht (fig. 2), in de respectievelijke wielsporen van de achterwielen 37 zijn gelegen. Tegen de voorzijde van elk der beide uiteinden van de balk 48 zijn, oren 49 vastgelast die in voorwaartse richting uitsteken en die de beide 25 genoemde, aan weerszijden van het vlak 2 en in eikaars verlengde gelegen zwenkassen 47 dragen.
Gezien in het zijaanzicht volgens fig. 1 bevinden de beide zwenkassen zich ongeveer halverwege de afstand tussen de draaiingsassen van de achterwielen 37 en de voorwielen 30 38 en zijn op ongeveer dezelfde hoogte of lager dan de wiel- assen van de wielen 37 en 38 opgesteld.
De beide onderste hefarmen 45 strekken zich in een middenstand vanaf de zwenkassen 47 ongeveer horizontaal naar voren uit. De voorste uiteinden van de beide onderste hefar-35 men 45 zijn, gezien in het zijaanzicht volgens fig. 1, op korte afstand vóór de voorste punten van de voorwielen 38 gelegen. Aan deze voorste uiteinden draagt elk van de onderste hefarmen 45 een loodrecht op het vlak 2 gerichte zwenkas 50 waarbij de beide zwenkassen 50 in eikaars verlengde liggen. » - - ~ i * 1 Λ * - 7 -
De zwenkassen 50 verbinden bijbehorende zwenkarmen 45 met een ongeveer vertikaal opgesteld balkvormig freem 51 op scharnierbare wijze. De hoogteafmeting van het freem 51 is ongeveer 75 - 85% van de diameter van de voor- of achterwielen, 5 bijvoorkeur ongeveer 80% van deze diameter.
Gerekend in de breedterichting is de breedte van het freem 51 ongeveer gelijk aan de afstand tussen de beide buitenste begrenzingsvlakken van de onderste hefarmen 46.
. Het freem 51 omvat een onderste loodrecht op het vlak 2 opge-10 stelde balk 52, die zich over de laatstgenoemde breedte uitstrekt. Op twee symmetrisch ten opzichte van het vlak 2 opgestelde plaatsen zijn op de bovenzijde van de balk 52 kokervormige staanders 53 vastgelast, die in een middenstand van de hefinrichting ongeveer verticaal zijn gericht. Deze staan-15 ders 53 zijn vastgelast op de bovenzijde van de balk 52 op plaatsen die elk ongeveer halverwege het vlak 2 en het vrije einde van de balk 52 zijn gelegen. De bovenste einden van de beide staanders 53 zijn onderling verbonden door een op de bovenzijden van de staanders 53 vastgelaste, evenwijdig 20 aan de balk 52 gerichte kokervormige balk 54 die zich uitsluitend in het gebied' tussen de buitenvlakken van de staanders 53 uitstrekt. Bovendien is de balk 52 met de balk 54 verbonden door een derde kokervormige staander 55, waarvan de hartlijn in het symmetrievlak 2 is gelegen en die tussen 25 de balken 52 en 54 in is gelast.
Nabij de boveneinden van elk der staanders 53 zijn aan de balk 54 een paar oren 56 gelast die ten opzichte van het frame 51 achterwaarts uitsteken. Elk der beide paren oren dragen aan hun achterzijde een zwenkas 57. De beide zwenk-30 assen 57 zijn in eikaars verlengde gelegen en dienen ter bevestiging van de voorste uiteinden van de beide bovenste hefarmen 46 aan het freem 51. Gezien in bovenaanzicht (fig. 2) is elk der bovenste hefarmen 46 ongeveer halverwege tussen een onderste hefarm 45 en het symmetrievlak 2 gelegen. De 33 achterste uiteinden van elk der bovenste hefarmen 47 is door middel van een zwenkas 58 verzwenkbaar verbonden aan oren 59 die tegen de voorzijde van de verbindingsbalk 5 zijn gelast welke op de bovenzijden van de steunbalken 4 is bevestigd. Deze verbindingsbalk 5 strekt zich, gezien in bovenin 1 Λ ^ * rt -f r. w -. ·· . > i * * - 8 - aanzicht (fig. 2) aan weerszijden van het symmetrievlak 2 tot aan de buitenste begrenzingsvlakken van de onderste hefarmen 45 uit. Aan elk der beide uiteinden van de loodrecht op het vlak 2 gerichte verbindingsbalk 5 zijn schuin neer-5 waarts gerichte oren 60 bevestigd, waarin, eveneens aan elk uiteinde, zwenkassen 61 dragen waarom vanuit de bestuurders-zitplaats 25 bedienbare hydraulische cylinders 62 verzwenkbaar zijn waarvan de zuigerstangeinden door middel van zwenkassen 63 op verzwenkbare wijze zijn gekoppeld met de bovenzijden 10 van de onderste.hefarmen 45 op plaatsen die ongeveer halverwege de uiteinden van de onderste hefarmen 45 zijn gelegen. Gerekend vanaf de.zwenkassen 61 strekken de hydraulische cylinders 62 zich schuin neerwaarts en voorwaarts uit. De onderste en bovenste hefarmen vormen met het freem 51 een vier-15 hoekscharnierconstructie met zwenkassen 47, 50, 57, 58. De zwenkassen 58 zijn in bovenaanzicht nabij de achterste punten van de voorwielen gelegen en de bovenste hefarmen 46 liggen recht boven de voorwielen 38. De afstand tussen de zwenkassen 47 en 58 bedraagt, gezien in bovenaanzicht ongeveer de helft 20 van de lengte van de bovenste hefarmen 46.
De beide bovenste hefarmen 46 strekken zich vanaf de in hun achterste uiteinden gelegen zwenkassen 58 in de richting van de in hun voorste uiteinden gelegerde zwenkassen 57 enigszins in neerwaartse richting uit. Gezien in het zij-25 aanzicht volgens fig. 1 bedraagt de lengte van elk der bovenste hefarmen 46 ongeveer 60 - 70%, bijvoorkeur ongeveer 65% van de lengte van elk der onderste hefarmen 45. Hierbij wordt opgemerkt dat de voorste zwenkassen 57 van de bovenste hefarmen 46, gezien in het zijaanzicht volgens fig. 1, ongeveer 30 recht boven de voorste zwenkassen 50 van de onderste hefarmen 45 zijn gelegen. De beide bovenste hefarmen 46 zijn nabij hun voorste uiteinden ter bevordering van hun zijdelingse stabiliteit onderling verbonden door een kokervormige verbindingsbalk 64 die loodrecht op het vlak 2 is gericht en waar-35 van de uiteinden tegen de binnenvlakken van de hefarmen 46 zijn vastgelast.
Aan de voorzijde van elk der staanders 53 van het freem 51 is een zwenkas 65 bevestigd waarbij de beide zwenkassen 65 in eikaars verlengde en loodrecht op het vlak 2 zijn - ^ -1 o x .· > i - 3 - 9 - gelegen. De zwenkassen 65 zijn op een afstand boven de bovenzijde van de balk 52 opgesteld die ongeveer 30 -40% bedraagt van de verticale afstand tussen de bovenzijde van de balk 52 en de onderzijde van de balk 54 . Om elk der beide 5 zwenkassen 65 is een zich vanaf deze zwenkas naar voren uitstrekkende drager 66 scharnierbaar, die zich nabij de bijbehorende scharnieras 65 in zijn bedrijfsstand eerst horizontaal naar voren uitstrekt en vervolgens, op afstand van het freem 51, ter plaatse van een knikpunt 67 onder een hoek van 10 ongeveer 45° schuin voorwaarts en neerwaarts is afgebogen en aan zijn onderste uiteinde een wielas 68 van een hulpwiel 69 draagt. De beide dragers 66 zijn ten opzichte van het vlak 2 symmetrisch opgesteld (fig. 2) en zijn nabij het knikpunt 67 onderling star verbonden door middel van een buis 70 die 15 loodrecht op het vlak 2 is gericht en star aan de beide dragers 66 is bevestigd. De beide dragers 66 zijn samen met hun hulpwielen 69 in hoogterichting scharnierbaar ten opzichte van het freem'51 van de voorste hefinrichting 44. De eenheid die gevormd wordt door de kokervormige drager 66, de buis 20 70 en de wielen 69 is ten opzichte van de hefinrichting 44 los neembaar door middel van de uitneembare pennen 65 en vormt een hulpgestel van de hefinrichting 44. Ter plaatse van het bovenste uiteinde van de derde staander 55 is tegen de voorzijde van de bovenbalk 54 een paar oren 71 aangebracht waarin 25 sen loodrecht op het vlak 2 gerichte zwenkas 72 is gelegerd waarom een vanaf de bestuurderszitplaats 25 bedienbare hydraulische cylinder 73 zwenkbaar is. Het einde van de zuiger-stang van de cylinder 73 is om een evenwijdig aan de zwenkas 72 opgestelde zwenkas 74 verzwenkbaar verbonden met het midden 30 van de buis 70. De hydraulische cylinder 73 is evenals de beide hydraulische cylinders 62 bijvoorkeur dubbelwerkend uitgevoerd, zodat de hefinrichting 44 zowel opwaarts als neerwaarts kan worden gedrukt en de dragers 66 ten opzichte van de hefinrichting 44 eveneens op- en neerwaarts kunnen worden 35 gedrukt, maar de cylinders 62 en 73 kunnen ook enkelwerkend worden uitgevoerd zodat de hefinrichting 44 opwaarts kan worden geheven (inclusief een zwevende stand) en de starre combinatie van de dragers 66 met de hulpwielen 69 ten opzichte van de hefinrichting 44 neerwaarts kan worden gedrukt, even- _ - * -v t --"1 _ , -i s 'r. v- V ^ ♦ **-T * Λ* * - 10 - eens inclusief een zwevende stand waarin dit samenstel bij rijden op oneffen terrein vrij op en neer kan bewegen ten opzichte van de hefinrichting 44.
Ter plaatse van elk der staanders 53 is tegen het voorvlak 5 van de balk 52 en tegen het voorvlak van de betreffende staander een paar evenwijdige naar voren uitstekende plaatvormige oren 75 vastgelast, die de vorm hebben van naar boven geopende haken. De beide paren oren 75 vormen de onderste aankoppel-punten van de driepuntshefinrichting 44. Nabij de bovenzijde 10 van de uithollingen in de oren 75 zijn vanuit de bestuurders-cabine verzwenkbare grendels 76 zwenkbaar aangebracht teneinde in de aankoppelpunten rustende koppelpennen van een aangekoppelde machine of werktuig tijdens bedrijf te verhinderen in opwaartse richting uit te treden. Nabij de bovenzijde 15 van de staander 55 is eveneens een paar oren 77 (fig. 1) bevestigd die identiek aan de oren 75 zijn uitgevoerd en nabij de bovenzijde van de naar boven geopende uitsparing eveneens is voorzien van een vanuit de bestuurderszitplaats bedienbare grendel 76.
20 In het getekende uitvoeringsvoorbeeld is een aan gedreven grondfrees 78 aan de aankoppelpunten 75en 77 van de hefinrichting 44 bevestigd, die voor de voorzijde van het freem 51 van de hefinrichting is opgesteld en die door de naar voren uitstekende dragers 66 van het hulpgestel wordt 25 overbrugd. Het zal duidelijk zijn dat in plaats van de grondfrees 78 ook andere machines aan de hefinrichting 44 kunnen worden bevestigd, zoals rotoreggen, wieders, cultivators, ploegen en dergelijke. Indien hooggebouwde machines dienen te worden aangekoppeld kan het hulpgestel 66, 70 worden afge-30 koppeld door de pennen 65 en 72 uit te nemen. Dit geldt in het bijzonder bij hooibouwmachines, maaimachines en dergelijke waarbij het gebruik van het hulpgestel 66, 70 minder noodzakelijk kan zijn.
De grondfrees 78 bezit een gestel dat twee evenwij-35 dig en op afstand boven de grond gelegen kokervormige gestel-balken 79 omvat, die zich loodrecht op de rijrichting A uitstrekken. De beide gestelbalken 79 zijn aan hun uiteinden onderling verbonden door neerwaarts gerichte platen 80 waarin een aandrijfas 81 van het freeslichaam 82 is gelegerd.
v- , < > > 3 * # if - 11 -
De aandrijfas 81 is voorzien van buitenwaarts gerichte frees-tanden 83 die aangedreven worden in de draairichting B (fig.
1) , welke draairichting overeenkomt met die van de trekker-wielen. De aandrijving van de aandrijfas 81 vindt aan één 5 buitenzijde van het gestel plaats door middel van een aan-drijfkast 84 waarin een ketting of tandwieloverbrenging is aangebracht die aandrijfbaar is door middel van een evenwijdig aan de gestelbalken 79 gerichte aandrijfas 85. De aandrijf- · as 85 zelf is aandrijfbaar door middel van een paar in een 10 tandwielkast 86 aangebrachte conische tandwielen 87 (fig.
2) . Het aandrijvende tandwiel 87 is op een ingaande as 88 bevestigd die, indien de grondfrees 78 aan de hefinrichting 44 is gekoppeld, door middel van een van universele koppelingen voorziene tussenas 89 in aandrijvende verbinding is 15 met de aftakas 33 van de trekker, welke aftakas aan de zelfde zijde van de trekker is opgesteld. Gezien in bovenaanzicht ligt de tussenas evenals de aftakas 33 op excentrische wijze ten opzichte van het gestel en bevindt zich, gezien in bovenaanzicht, in het wielspoor van de achterwielen 37.
20 Op een plaats, die gezien in het bovenaanzicht vol gens fig. 2, tussen de'beide dragers 66 van het hulpgestel is gelegen is op de bovenzijde van de beide gestelbalken 79 een tweetal opwaartse en binnenwaarts gerichte platen 90 aangebracht die aan hun boven- en achterzijden een aankoppelpen 25 91 voor de aankoppeling van de frees aan het bovenste punt van de hefinrichting dragen. De platen 90, die star aan het gestel 79 zijn bevestigd, vormen een aankoppelbok van de frees.
De beide platen strekken zich vanaf de legering van de pen 91 in neerwaartse richting voort tot onder en achter de ach-30 terste gestelbak 79 en legeren aldaar aankoppelpennen 92 die .tijdens bedrijf in de oren 75 rusten welke de beide onderste aankoppelpunten van de hefinrichting 44 vormen.
Teneinde de frees 78 te kunnen aankoppelen rijdt de trekker in een richting loodrecht op de langsrichting van 35 de balken 79 op de grondfrees toe waarbij de bestuurder door middel van de hydraulische cylinder 73 het hulpgestel 66, 70, die voorzien is van de beide hulpwielen 69 » zodanig dat dit samenstel over de frees heen beweegt, totdat de stand is bereikt waarin de pennen 91 en 92 in de aankoppelpunten m * - 12 - van de driepuntshefinrichting 44 kunnen worden gelegd. Daarna wordt het hulpgestel 66, 70 weer door middel van de hefinrichting 73 neerwaarts bewogen totdat de wielen 79 op de grond rusten.
5 De hefinrichting 44, al of niet voorzien van het hulpgestel 66, 70, 69, kan uiteraard ook aan de achterzijde van een trekker worden aangebracht, waarbij echter de onderlinge afstand tussen de onderste hefarmen 45 geringer moet zijn teneinde tussen de achterwielen 37 door te kunnen steken, 10 aannemende dat de maximaal toelaatbare breedte van de trekker door de buitenvlakken van de achterwielen 37 wordt bepaald. Indien dit niet het geval is kunnen de onderste hefarmen 45 in dit geval langs de buitenvlakken van de achterwielen worden gelegd.
15 Tijdens bedrijf worden de in de tandwielkast 27 gelegerde tandwielen door de aandrijfmotor 26 aangedreven evenals de versnellingsbak 28 waarvan de uitgaande as 29, de tussenas 34' en daarmede de af takas 36 aandrijft. De om-wentelingssnelheid van de aftakas 36 kan met behulp van de 20 versnellingsbak ongeveer evenredig met de rijsnelheid van de trekker worden ingesteld. Hiermee kan niet alleen een zaai-machine maar bijvoorbeeld ook een aandrijfbare aan de achterste hefinrichting 11 bevestigde rol worden 'aangedreven waarbij de omtrekssnelheid van de rol ongeveer gelijk is 25 aan de rijsnelheid van de trekker zodat de rol een deel van de voortstuwingskracht van de trekker levert. De door de tandwielen van de tandwielkast 27 aangedreven pompen 30 en 31 drijven de achterwielen respectievelijk de voorwielen op hydraulische wijze aan, waarbij deze wielen zijn voorzien van 30 vanuit de bestuurderszitplaats 25 instelbare, niet getekende hydraulische motoren. De tandwielen van de tandwielkast 27 drijven eveneens de aftakas 33 aan die aan een zijkant van de trekker is opgesteld. In het uitvoeringsvoorbeeld wordt deze aftakas 33 gebruikt om de grondfrees 78 op de hiervoor 35 aangeduide wijze te bedrijven.
De driepuntshefinrichting 44 is door middel van de zwenkassen 47 en 58 met het overige deel van de trekker scharnierbaar verbonden. Zoals reeds hiervoor werd vermeld ligt de zwenkas 47 van de onderste hefarmen op gelijke hoogte p ' -· • * - 13 - of onder het vlak door de draaiingsassen van de wielen 37 en 38 zodat hier een zeer laag aangrijpingspunt op de trekker gewaarborgd is. De zwenkas 47 ligt, gezien in zijaanzicht, ongeveer midden tussen de draaiingsassen van deze wie-5 len 37 en 38. De zwenkassen 58 liggen, gerekend in vertikale richting, ongeveer midden tussen de voorwielas en de hartlijn van de zwenkassen 47, echter ter hoogte van de bovenzijde van de motor 25. De motor 25 is gezien, in zijaanzicht tussen de zwenkassen 47 en 58 opgesteld (fig. 1).
10 Gezien in zijaanzicht volgens fig. 1 is het zwaarte punt van de gehele trekker nabij de verbindingslijn tussen de zwenkassen 47 en 58 gelegen. Tijdens het rijden op oneffen terrein zal, gezien in zijaanzicht, de trekker knikbewegingen uitvoeren om een as door het zwaartepunt van de trekker, welke 15 as loodrecht op het vlak 2 is gericht, resp. om een lager dan het zwaartepunt gelegen dwarsas. Ten gevolge van het feit dat de hefinrichting 44 nabij het zwaartepunt is opgehangen, zal, gezien in zijaanzicht, de stand van het freem 51, die bepalend is voor de stand van het aangekoppelde werk-20 tuig, alsmede de op- en neergaande beweging tijdens bedrijf van het freem 51, die deze bewegingen aan het aangekoppelde werktuig oplegt, aanzienlijk minder variëren dan wanneer de hefinrichting op afstand vóór het zwaartepunt van de trekker aan de voorzijde van het trekkergestel zou zijn bevestigd, 25 zoals bij bekende hefinrichtingen het geval is. Hierdoor is het derhalve mogelijk dat niet alleen de stand maar ook de diepte waarop een aangekoppelde grondbewerkingsmachine in de grond werkt, als zeer gelijkmatig kan worden omschreven.
De hiervoor beschreven dimensionering van de hef-30 inrichting 44 leidt er verder toe dat tijdens heffen of neerwaarts drukken van het freem 51, de stand van het freem in zijaanzicht en gerekend in het praktisch gebruikte bereik ervan, niet of nauwelijks verandert. De hiervoor geschetste hefinrichting 44 bewerkstelligt derhalve een gelijkmatige 35 beweging van het aangekoppelde werktuig ten opzichte van de grond; dit geldt tevens voor machines die geen grondbewerkingsmachine zijn.
Verder wordt een gevolge van de brede basis van de bevestiging van de hefinrichting 44 aan de trekker, een KJ — i . < - 14 - zeer stabiele afsteuning voor werktuigen bereikt, die relatief grote en variërende krachten op de trekker uitoefenen.
Tengevolge van de plaats van de ligging van de bevestiging van de onderste hefarmen 45 aan de trekker, welke 5 plaats ongeveer midden tussen de voor- en achterwielen is gelegen, wordt eveneens bereikt dat indien op het aangekoppelde werktuig krachten werken die excentrisch liggen ten opzichte van het vlak 2, zowel de voor- als de achterwielen volledig meewerken aan het opheffen van het door deze excen-10 trische krachten veroorzaakte moment.
Met behulp van de hydraulische cylinders 62 kan een werktuig niet alleen van de grond of uit de grond worden geheven, maar kan het werktuig in het geval van een grondbewer-kingsmachine, ook in de grond worden gedrukt tot op de ge-15 wenste diepte, indien de cylinders 62 dubbelwerkend zijn uitgevoerd. Indien het hulpgestel 66, 70, voorzien van de wielen 69, aan de hefinrichting 44 is gekoppeld, kan worden bereikt dat een zeer nauwkeurige werkdiepte van een aangekoppelde • grondbewerkingsmachine kan worden ingesteld indien bijvoor-20 beeld de hydraulische cylinders 62 een neerwaartse kracht op het freem 51 uitoefenen, en de hydraulische cylinder 73 van het hulpgestel 66, 70, hydraulisch geblokkeerd is; in dit geval bepalen de hulpwielen 69 samen met de trekkerwielen 37 en 38 nauwkeurig'de werkdiepte. Door bekrachtiging van 25 de hydraulische cylinder 73 kan worden bereikt dat het gestel 66, 70 neerwaarts beweegt en de wielen 69 een aanzienlijk deel van het werktuig en ook een deel van het trekkergewicht opnemen, zodat de voor de grondstructuur nadelige aanlegdruk van de voorwielen 38 vermindert. Daartoe zijn de hulpwielen 30 69 gezien in het bovenaanzicht volgens fig. 2 tevens tussen de wielsporen van de achterwielen 37 en de voorwielen 38 opgesteld. Hierdoor wordt een vergroting van het afsteunoppervlak van het totale gewicht bereikt die de gronddruk van de wielen van de trekker vermindert zodat voorkomen kan worden dat de 35 bodemstructuur van de grond wordt aangetast. De aanwezigheid van het hulpgestel 66, 70 is vooral bij het bedrijven van grondbewerkingsmachines van belang.
In het bijzonder indien de trekker met een aan de hefinrichting 44 aangekoppeld grondbewerkingswerktuig zoals :: ' ·; ' ‘2 « » - 15 - een ploeg wordt bedreven is het van belang om niet alleen het specifieke brandstofverbruik, resp. het op het bewerkte oppervlak betrokken brandstofverbruik, maar ook de totaal-kosten van de trekker per bewerkte oppervlakte-eenheid mini-5 maal te houden. De motor-instelling heeft hier betrekking op de combinatie van het op de aandrijfbare wielen uitgeoefende aandrijfmoment en het motortoerental, bij verschillende hoeveelheden.ingespoten brandstof per tijdseenheid. Het is gebleken dat minimale totaalkosten voor het bedrijven van 10 de trekker veelal optreden nabij de instelling waarbij "vol gas" gereden wordt, enigszins afhankelijk van het feit of in lichte of zware bodem wordt geploegd. Zowel voor het bereiken van een motorinstelling waarbij het specifieke brandstofverbruik een minimum is als bij een instelling waarbij 15 de totaal-kosten minimaal zijn, blijkt het van groot belang om een bepaald toerental van de aandrijfmotor 26 te handhaven.
De grootte van dit toerental is afhankelijk van de eigenschappen van de betreffende aandrijfmotor en zal voor motoren van verschillend fabrikaat andere waarden bezitten. Teneinde 20 hierin te voorzien, is bij de trekker volgens de uitvinding een regeling bewerkstelligd ter handhaving van een van te voren bepaald motortoerental(dat derhalve afhankelijk is van de eigenschappen van het gebruikte motortype). Indien een ploeg in een gedeelte van het veld komt waar de grond 25 zwaarder wordt, zal het motortoerental de neiging hebben beneden de gewenste waarde te geraken, terwijl op een gedeelte van het veld waar de grond lichter is, het motortoerental de neiging zal hebben toe te nemen. Gezien de gewenste optimalisering van de kosten, voorziet de hierna beschreven rege-30 ling door middel van een stuurverbinding met de hefinrichting, in een constant houden van het toerental, zodanig dat indien de ploeg in zware grond komt, de hefinrichting automatisch enigszins wordt geheven Indien het motortoerental onder het gewenste normtoerental komt, terwijl de hefinrichting automa-35 tisch neerwaarts wordt bewogen indien de ploeg in lichtere grond komt waarbij het toerental boven het normtoerental zou uitstijgen. Bij deze regeling kan de ingespoten hoeveelheid brandstof per tijdseenheid constant worden gehouden. Verder wordt de overbrengingsverhouding tussen motor en wielen althans _ Λ — Λ Λ pi ö i - 16 - * in principe constant gehouden.
Een schema van deze regeling is in fig. 3 aan-, gegeven. Aan de omtrek van de uitgaande as van de motor 26 van de trekker is op niet-getekende wijze een stalen uitsteek-5 sel aangebracht, dat derhalve met deze as ronddraait. In de nabijheid van de door het uitsteeksel doorlopen baan is een electro-magnetische opnemer vast ten opzichte van het trekker-gestel aangebracht, waarin op bekende wijze een electrische impuls wordt opgewekt indien het uitsteeksel de opnemer pas-10 seert. Deze impulsen worden op bekende wijze aan een impulsvormer toegevoerd, die deze impulsen in rechthoekige impulsen omzet, die door de e.lectronische schakeling volgens fig. 3 kunnen worden verwerkt. Deze rechthoekige impulsen worden bij een ingang 93 (fig. 3) ingevoerd.
15 In het onderstaande voorbeeld wordt verondersteld dat het gewenste aan te houden normtoerental van de aandrijf-motor 1620 omw./min. bedraagt, overeenkomend met 27 omw./sec. Door uit te gaan van het aantal omwentelingen per seconde is het op eenvoudige wijze mogelijk de hydraulische hefin-20 richting afhankelijk van het motortoerental te sturen waarbij ongeveer om de andere 'seconde een al of niet corrigerende uitlezing plaatsvindt.
De stuurverbinding volgens fig. 3 bèvat in dit uit-voeringsvoorbeeld geïntegreerde circuits van het TTL-type 25 of daarmee compatibele eenheden waarvan de typen in fig. 3 zijn weergegeven. De schakeling wordt gevoed met een gelijkspanning van 5 V die door middel van een spanningsregelaar van de trekker accu wordt betrokken. Deze voedingsspanning is met Vg aangeduid; aardleidingen worden met G aangegeven.
30 De schakeling volgens fig. 3 vergt- kosten die verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de trekker-investeringskosten.
Klokimpulsen met een duur van één seconde, worden betrokken uit een 555-IC, verwijzingscijfer 94, waarvan de eigenschappen met betrekking tot tijdsduur van de afgegeven 35 impulsen bekend staan als zeer stabiel en zeer onafhankelijk van de omgevingstemperatuur. Het IC 94 is op op zichzelf bekende wijze als astabiele multivibrator geschakeld en de waarden van de omringende weerstanden en condensatoren is zodanig gekozen dat een uitgaande impuls met een tijdsduur van nauw- 8 0 I 4 1 « «r - 17 - keurig één seconde wordt afgegeven via een verbinding 95.
Zowel de van de draaiende motoras afkomstige impulsen 93 als de één-seconde-impuls vanaf het IC 94 worden aan de ingangen van een AND-poort 96 toegevoerd, zodat de uitgang 5 van de poort 96 telkens gedurende één seconde de van de ingang 93 afkomstige impulsen afgeeft via een verbinding 97. De tijdsduur tussen twee achtereenvolgende, van het IC 94 afkomstige pulsen kan ook ongeveer één seconde in beslag nemen, maar deze tijdsduur kan ook korter worden gekozen. De van de poort 10 96 afkomstige impulsen worden toegevoerd aan de ingang van een tweetal in cascade geschakelde tellers 98 en 99, die het aantal aan de ingang 93 aangeboden impulsen per seconde tellen. Dit getelde aantal impulsen per seconde staat aan de uitgangen van de tellers 98 en 99 in de vorm van in totaal acht bits 15 ter beschikking in BCD-code. De teller 98 toont aan zijn uitgangen de eenheden van het aantal getelde impulsen per seconde in binaire vorm en de teller 99 de tientallen. Deze uitgangen van de tellers 98 en 99 zijn toegevoerd aan de ingangen van twee in cascade geschakelde latches 100 en 101 die de getelde 20 pulsen direct naar zijn uitgang doorleidt zolang de spanning aan de stuuringangen (ingangnummer 4 en 13) hoog (H) is maar indien de spanning aan de stuuringangen laag (L) is, blijft aan de uitgangen het laatste aan de ingangen aangeboden getal staan dat vóór de overgang van H naar L aanwezig was.
25 Het door de bestuurder gewenste normtoerental wordt met een serie van acht schakelaars 102, 103 door de bestuurder ingesteld. In het gevalvan het uitvoeringsvoorbeeld waarbij het getal "27" moet worden ingezet, worden de schakelaars S1-S4 op getal "7" ingesteld (in de volgorde S1-S4 dus 30 Η H -H L) en de schakelaars S5-S8 op het getal "2", dus in de volgorde S5-S8 : L H L L. Deze instelling wordt vóór aanvang van het bedrijf van de trekker ingesteld door de schakelaars te sluiten of te openen. Indien de schakelaar met de spanningsleiding V wordt verbonden, staat op de betreffende 35 uitgang van een schakelaar het H-signaal, indien de schakelaar in dit geval in de geopende stand met de aardleiding is verbonden, staat op de betreffende uitgang van de schakelaar nee L-signaai. De uitgangen van de schakelaars 102, 103 worden aan de B-ingangen en de uitgangen van de latches 101, > ^ · ; ' ·ι * « m - 18 - worden aan de A-ingangen (fig. 3) van een tweetal in cascade geschakelde comparators 104 en 105 toegevoerd. De comparator 105 heeft drie uitgangen (nummers 5, 6, 7). Uitgang nr. 5 wordt H indien het aan de zijde A aangeboden getal groter 5 is dan het aan de zijde B ingestelde getal en waarbij de beide andere uitgangen L blijven. Uitgang nr. 7 wordt H indien het aan de zijde A aangeboden getal kleiner is dan het aan de zijde B ingestelde getal, waarbij de beide andere uitgangen L blijven. De derde uitgang (nr. 6) wordt alleen H 10 wanneer de aan beide zijden aangeboden getallen aan elkaar gelijk zijn; deze uitgang is hier verder niet van belang.
Indien het door het IC 94 opgewekte signaal aan het einde van een tijdsduur van één seconde laag wordt, stopt wegens de aard van de poort 96 het aanbieden van impulsen 15 aan de tellers 98 en 99 en aan de latches 100 en 101. Dit L-signaal (verbinding 95) doet tevens het doortellen van de uitgangen van deze IC's stoppen zodat aan deze uitgangen het hoogst getelde getal blijft staan, hetwelk tevens aan de A-zijde van de comparators is ingevoerd. Op dit moment worden 20 de tellers 98 en 99 tevens gereset vanaf de verbinding 95 en een inverter 106 zodat de tellers weer op O staan en gereed zijn om opnieuw te tellen van vanaf een nieuwe volgende één-seconde-impuls. De uitgang nr. 5 van de comparator 105 is via een inverter 107 verbonden met de aansturing van (des-25 gewenst) een Darlington-transistor 108 die een relais 108 kan bedienen. Door middel van het relais 108 kan een electro-magnetische spoelbekrachtiging van een hydraulische stuur-schuif van de hefinrichtingscylinders 62 (of de cylinder 73) worden bediend in een bepaalde richting.
30 Op analoge wijze is de uitgang nr. 7 van de compara tor 105 via een inverter 110 verbonden met de stuuringang van een Darlington-transistor 111 die een relais 112 kan bedienen. Het relais 112 bedient dezelfde genoemde electromag-netische bekrachtiging van dezelfde hydraulische schuif van 35 de hefinrichtingscylinders 62 en/of 73, maar in een richting die tegenovergesteld is aan de bedieningsrichting van de schuif indien deze door het relais 109 wordt gestuurd. De relais 109 en 112 kunnen met de direct uit de trekker accu betrokken voedingsspanning van 12 V worden bedreven (V^g).
2 - 19 -
Indien nu gedurende elke tijdsduur van één seconde die door het IC 94 wordt afgegeven, de tellers 98, 99 vollopen vanaf het getal 0 tot bijvoorbeeld het getal 26 (dus lager dan het normtoerental) is het aan de A-zijde van de compara-5 tors 104, 105 aangeboden eindgetal aan het einde van de één-seconde-impuls kleiner dan het aan de B -zijde door middel van de schakelaar 102, 103 ingezette normgetal. Dit betekent dat de uitgang nr. 5 van de comparator 105 (fig. 3) L was en blijft, waardoor aan de stuuringang van de transistor 108 10 een doorlopend H-signaal optreedt, wegens de inverter 107.
De transistor 108 geleidt en het relais 109 wordt gesloten, de bekrachtigingsspoel van de hydraulische schuif doet de schuif in bepaalde richting verplaatsen, waardoor de hefin-richtingscylinders 62 de hefinrichting doen heffen. Ten ge-15 volge van dit heffen, wordt de werkdiepte in de grond van het grondbewerkingswerktuig kleiner, de door de trekker te overwinnen weerstand vermindert en het motortoerental neemt toe in de richting van het normtoerental ("27"). Indien het normtoerental hierna wordt overschreden is het aan de A-zijde 20 van de comparators 104, 105 aangeboden getal aan het einde van de één-seconde-impuls groter, bijvoorbeeld "28", dan het aan de B-zijde door de schakelaars 102, 103 voorgeschreven getal "27". In dit geval wordt uitgang nr. 7 van de comparator 105 gedurende de tijd tussen twee één-seconde-impulsen 25 in L en de uitgang nr. 5 wordt H. Wegens de aanwezigheid van de inverter 110 wordt de transistor 111 opengestuurd en het relais 112 wordt gesloten. De bekrachtigingsspoel van de hydraulische schuif van de hefcylinders 62 wordt stroomvoerend zodat de schuif zich verplaatst, echter in de tegenovergestel-30 de richting zodat de hydraulische cylinders 62 de hefinrichting 44 neerwaarts drukken waardoor de werkdiepte van de grond-bewerkingsmachine toeneemt, evenals de door de trekker ondervonden weerstand, zodat het motortoerental afneemt. Op het zelfde moment heeft de uitgang nr. 5 van de comparator 105 35 H-signaal en wegens de aanwezigheid van de inverter 107 wordt aan de basis van de transistor 108 L spanning toegevoerd en het relais 109 blijft open.
Op deze wijze kan worden bereikt dat de regeling volgens fig. 3 binnen vrij nauwe grenzen rondom een door de Λ Λ ~ ^ j .J ^ i > j - 20 - bestuurder ingesteld normtoerental wordt gehouden, doordat een verlaging van het motortoerental een heffing van de hef-inrichting veroorzaakt en omgekeerd. De regeling geeft aan het heffen van de hefinrichting bij te lage toerentallen een 5 voorkeur(gedurende de tijd dat de tellers vollopen) boven de omgekeerde situatie daar het bewerkte oppervlak per tijdseenheid bij te lage toerentallen de neiging heeft te verminderen. Het zal duidelijk zijn dat de regeling volgens fig.
3 niet alleen kan worden teogepast op de hefcylinders 62 van 10 de driepuntshefinrichting 44 (bijvoorbeeld indien het hulp-gestel 66, 70 niet aanwezig is) maar ook kan worden toegepast op de hydraulische cylinder 73 van het hulpgestel 66, 70 indien de hydraulische schuif van de cylinders 62 door de bestuurder in een stand is gebracht waarin de hefinrichting 44 in hoogte-15 richting vrij beweegbaar is. Door het aanhouden van het van te voren vastgestelde gewenste normtoerental kan worden bereikt dat de trekker met aangekoppeld werktuig nabij een minimum van de gevergde totale bedrijfskosten van de trekker kan worden bedreven.
20 Het is aan te bevelen in de beide hydraulische lei dingen, die de stuurschuif met de beide einden van de hefcylinders verbindt een (bijvoorkeur regelbaar) smoorventiel aan te brengen. Daarbij kan de smoring van de hydraulische vloeistof die naar de met "heffen" corresponderende zijden 25 van de cylinders stroomt desgewenst groter worden gekozen dan die in de leiding die een neerwaarts bewegende hefinrichting bewerkstelligt indien de hiervoor genoemde voorkeur voor de hefbeweging niet zou worden gewenst.
De smoorventielen bewerkstelligen in de eerste plaats 30 echter een rustige aanpassing van de werkdiepte van het werktuig als functie van het motortoerental.
-Conclusies- _ ^ λ, - 1 ^ Ί v: ... . , . -, i *«· ' '

Claims (40)

1. Landbouwtrekker met een gestel, ten minste één vooras en één achteras, die van één of meer wielen zijn voorzien, en ten minste één herinrichting, met het kenmerk, dat de breedte van een aan de voorzijde van de trekker aangebrach-5 te hefinrichting groter is dan de afstand tussen de buitenste begrenzingsvlakken van het voorwiel resp. de voorwielen.
2. Landbouwtrekker volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de hefinrichting, tenminste gezien in zijaanzicht, een vierhoekscharnierconstructie omvat.
3. Landbouwtrekker volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat, gezien in zijaanzicht, de beide aan het trek-kergestel bevestigde zwenkassen van de vierhoekscharnierconstructie aan weerszijden en nabij het zwaartepunt van de trekker zijn gelegen.
4. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat, gezien in zijaanzicht, een verbindingslijn tussen de van de aan de trekker.bevestigde zwenkassen afgekeerde zijde van de hefinrichting gelegen zwenkassen ongeveer verticaal is gericht.
5. Landbouwtrekker volgens conclusie 4, met het ken merk, dat de hefinrichting zodanig is gedimensioneerd dat de verbindingslijn binnen een practisch bereik voor het bedrijven van aangekoppelde machines of werktuigen, tijdens op en neer bewegen van de hefinrichting ongeveer evenwijdig 25 aan zichzelf verplaatst. - δ. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de hefinrichting onderste hefarmen bezit die, gezien in zijaanzicht, ongeveer midden, tussen de draaiingsassen van de vóór- en achterwielen aan het 30 gestel zijn bevestigd.
7. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de hefinrichting onderste hefarmen bezit, die zich, gezien in zijaanzicht, tot vóór de voorste punten van de voorwielen uitstrekken.
8. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de onderste hefarmen op afstand buiten de buitenzijden van het trekkergestel zijn gelegen en ongeveer evenwijdig aan het symmetrievlak van de trekker o - - 1 3 1 Q v v '-J * u * - 22 - zijn opgesteld*
9. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de hefinrichting twee bovenste hefarmen bezit.
10. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de lengte van een bovenste hefarm kleiner is dan die van een onderste hefarm.
11. Landbouwtrekker volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de zwenkas die een bovenste hefarm met het trek- 10 kergestel verbindt, in verticale zin ongeveer recht boven het achterste punt van een voorwiel is gelegen.
12. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat een bovenste hefarm,vanaf zijn bevestiging aan het gestel schuin neerwaarts verloopt.
13. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat een bovenste hefarm van de hef-inrichting ongeveer boven een voorwiel is gelegen.
14. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 9-13, met het kenmerk, dat de horizontale afstand tussen de boven- 20 ste hefarmen ongeveer de helft van die tussen de onderste hefarmen bedraagt.
15. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de bevestiging van de onderste hefarm aan het gestel meer achterwaarts is gelegen dan die 25 van de bovenste hefarm.
16. Landbouwtrekker volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat, gezien in bovenaanzicht, de afstand tussen de aan het gestel bevestigde zwenkassen van bovenste resp. onderste hefarm ongeveer de helft van de lengte van de bovenste 30 hefarm bedraagt.
17. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 10 - 16, met het kenmerk, dat, gezien in bovenaanzicht, de voorste zwenkassen van de bovenste resp. onderste hefarm ongeveer samenvallen.
18. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat een scharnierpunt van de vier-hoekscharnierconstructie op ongeveer dezelfde hoogte of lager dan de wielas van het voorwiel en tussen de voor- en achteras van de trekker is gelegen. - Λ '7 11 " '! 8 o - - * v 1 - 23 - v. landbouwtrekker met een gestel, ten minste één vooras en één achteras, die van één of meer wielen zijn voorzien, en ten minste één hefinrichting, met het kenmerk, dat de aan de trekker aangebrachte hefinrichting scharnierbaar 5 aan het gestel van de trekker is aangebracht met ten minste één scharnierpunt dat of ongeveer op dezelfde hoogte of lager dan de wielas van het voorwiel en tussen de voor- en achteras van de trekker ligt.
20. Landbouwtrekker volgens conclusie 18 of 19, met 10 het kenmerk, dat het scharnierpunt onder het trekkergestel is gelegen.
21. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de voorstezwenkassen of scharnierpunten van de hefinrichting een freem ter bevestiging 15 van machines of werktuigen dragen.
22. Landbouwtrekker volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat het freem van twee onderste aankoppelpunten en een bovenste aankoppelpunt is voorzien.
23. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con-20 clusies, met het kenmerk, dat de hefinrichting van ten minste één hydraulische, vanuit de bestuurdersplaats bedienbare hef-cylinder is voorzien die scharnierbaar is beves-tigd aan een draagbalk waaraan tevens een bovenste hefarm van de hefinrichting scharnierbaar is bevestigd.
24. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat de hefinrichting aan zijn voorzijde een of meer loopwielen omvat.
25. Landbouwtrekker met een gestel, ten minste één vooras en een achteras die één of meer wielen dragen, en ten 30 minste één hefinrichting, met het kenmerk, dat de aan de voorzijde van de trekker aangebrachte hefinrichting aan zijn voorzijde één of meer loopwielen omvat.
26. Landbouwtrekker volgens conclusie 24, of 25, met het kenmerk, dat het loopwiel vóór de voorste scharnieren 35 van de vierhoekscharnierconstructie zijn gelegen.
27. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 24 - 26, met het kenmerk, dat het loopwiel in hoogterichting instelbaar is door middel van een vanaf de bestuurderszitplaats bedienbare hydraulische cylinder. - ' · : n i \ - 24 -
28. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 24 - 27, met het kenmerk, dat twee loopwielen zijn aangebracht.
29. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 24 - 28, met het kenmerk, dat het loopwiel door middel van een 5 hulpgestel verzwenkbaar aan de hefinrichting is bevestigd.
30. Landbouwtrekker volgens conclusie 29, met het kenmerk, dat het hulpgestel aan het freem van de hefinrich-ting is bevestigd.
31. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 24 10 - 30 dat de diameter van het loopwiel ongeveer 60 cm. be draagt.
32. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 29 - 31, met het kenmerk, dat het loopwiel en het hulpgestel van de hefinrichting losneembaar zijn.
33. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat tussen een aandrijfmotor van de trekker en de hefinrichting een stuurverbinding is aangebracht die zodanig is uitgevoerd dat een verlaging van het motortoerental een heffing van de hefinrichting veroorzaakt.
34. Landbouwtrekker met een aandrijfmotor, ten minste één voor- en achteras -die van wielen zijn voorzien en ten minste één hefinrichting, met het kenmerk, dat tussen de aan-drijfmotor en de hefinrichting een stuurverbinding is' aangebracht die zodanig is uitgevoerd dat een verlaging van het 25 motortoerental een heffing van de hefinrichting veroorzaakt.
35. Landbouwtrekker volgens conclusie 33 of 34, met het kenmerk, dat een vermeerdering van het motortoerental een neerwaartse beweging van de hefinrichting bewerkstelligt.
36. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 33 30 - 35, met het kenmerk, dat de stuurverbinding een motortoeren tal nabij een van te voren ingesteld normtoerental bewerkstelligt.
37. Landbouwtrekker volgens conclusie 36, met het kenmerk, dat het normtoerental instelbaar is.
38. Landbouwtrekker volgens een der conclusies 33 - 37, met het kenmerk, dat de trekker een opnemer voor het aantal omwentelingen van ten minste één trekkerwiel omvat, die samenwerkt met een impulsgever voor het opwekken van impulsen met vaste tijdsduur. « .. ·> » " 1 - 25 -
39. Landbouwtrekker volgens conclusie 38, met het kenmerk, dat de stuurverbinding een of meer comparators omvat ter vergelijking van het aantal wielomwentelingen per tijdsduur met een getal dat het normtoerental voorstelt.
40. Landbouwtrekker volgens conclusie 39, met het kenmerk, dat middelen zijn aangebracht voor het sturen van de hefinrichting bij afwijking van het getelde aantal wielomwentelingen per tijdsduur ten opzichte van het het normtoerental voorstellende getal.
41. Landbouwtrekker volgens conclusie 40, met het kenmerk, dat de middelen ten minste één door de comparator gestuurd relais omvatten, dat samenwerkt met een hydraulische schuif van ten minste één hydraulische cylinder van de hefinrichting en/of een hydraulische cylinder van het hulpgestel 15 van de hefinrichting.
42. Landbouwtrekker volgens een der voorgaande con clusies, met het kenmerk, dat in de hydraulische voeding, van de hefinrichting een of meer smoorventielen zijn aangebracht. • -o-o-o-o-o- a ^ n ~ ' ·!
NL8303181A 1983-09-15 1983-09-15 Trekker voorzien van een hefinrichting. NL8303181A (nl)

Priority Applications (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL8303181A NL8303181A (nl) 1983-09-15 1983-09-15 Trekker voorzien van een hefinrichting.
DE19843433740 DE3433740A1 (de) 1983-09-15 1984-09-14 Landwirtschaftlicher schlepper mit hebevorrichtung
FR8414120A FR2551941A1 (fr) 1983-09-15 1984-09-14 Tracteur muni d'un dispositif de levage avant perfectionne
GB08423206A GB2147186B (en) 1983-09-15 1984-09-14 An agricultural tractor

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL8303181A NL8303181A (nl) 1983-09-15 1983-09-15 Trekker voorzien van een hefinrichting.
NL8303181 1983-09-15

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL8303181A true NL8303181A (nl) 1985-04-01

Family

ID=19842402

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8303181A NL8303181A (nl) 1983-09-15 1983-09-15 Trekker voorzien van een hefinrichting.

Country Status (4)

Country Link
DE (1) DE3433740A1 (nl)
FR (1) FR2551941A1 (nl)
GB (1) GB2147186B (nl)
NL (1) NL8303181A (nl)

Families Citing this family (5)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE8701093U1 (de) * 1987-01-23 1987-03-26 Maschinenfabriken Bernard Krone Gmbh, 4441 Spelle Traggestell für eine landwirtschaftliche Maschine
DE29507859U1 (de) * 1995-05-12 1995-08-10 ISEKI - Maschinen GmbH, 40670 Meerbusch Frontkraftheber
JP3771301B2 (ja) * 1995-07-07 2006-04-26 株式会社クボタ トラクタの補強枠組構造
FR2788758B1 (fr) 1999-01-27 2001-02-23 Potain Sa Procede et dispositif pour le montage de la tete de mat des grues a tour
SE536172C2 (sv) * 2011-05-01 2013-06-11 Hans Kaelvesten Stabiliseringsanordning

Family Cites Families (11)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB575928A (en) * 1943-08-26 1946-03-12 Leverton & Company Ltd H An agricultural machine for cutting crops
GB617997A (en) * 1945-10-10 1949-02-15 Willys Overland Motors Inc Improvements in vehicle mounted implement
GB825351A (en) * 1957-06-12 1959-12-16 Clark Equipment Co Improvements in or relating to bulldozer vehicles
GB879790A (en) * 1959-08-13 1961-10-11 Ford Motor Co Improvements in or relating to hydraulic valves
DE1757480A1 (de) * 1968-05-14 1971-04-22 Fahr Ag Maschf Landwirtschaftliches Fahrzeug mit Vorrichtung zum Koppeln von Anbaugeraeten
US3528509A (en) * 1968-09-11 1970-09-15 Clark Equipment Co Bulldozer blade with extendible cutting edge
CH519291A (de) * 1968-10-07 1972-02-29 Lely Nv C Van Der Als Schlepper verwendbare selbstfahrende landwirtschaftliche Maschine
CH533729A (it) * 1972-02-25 1973-02-15 Domenighetti Domenico Macchina per costipare composita semovente con dispositivo di livellamento, per la contemporanea livellazione e compattazione del terreno
US3815687A (en) * 1972-11-06 1974-06-11 Fmc Corp Hitch assembly
US4181181A (en) * 1977-11-21 1980-01-01 Massey-Ferguson Inc. Tractor implement hitch with rubbing surfaces to limit sway
NL8203654A (nl) * 1982-09-21 1984-04-16 Patent Concern Nv Trekker, in het bijzonder een trekker voor landbouwdoeleinden.

Also Published As

Publication number Publication date
DE3433740A1 (de) 1985-04-11
GB2147186B (en) 1987-07-22
GB8423206D0 (en) 1984-10-17
GB2147186A (en) 1985-05-09
FR2551941A1 (fr) 1985-03-22

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US5535832A (en) Land leveler and cultivator
US6109012A (en) Hay-making machine
US3828860A (en) Agricultural implement with foldable wings
NL8300453A (nl) Trekker of dergelijk voertuig.
US4535849A (en) Implement with horizontal linkage depth control
GB2132461A (en) Mower attachment draft linkage
US5129218A (en) Vehicle for use on flat or sloped surfaces
US3115190A (en) Rotary tiller
US4444271A (en) Tillage apparatus with independent depth adjustment
US2423148A (en) Quick demountable cultivator
US3810513A (en) Motor vehicle with two driving units, especially for agricultural purposes
NL8303181A (nl) Trekker voorzien van een hefinrichting.
NL8303818A (nl) Trekker.
US4266617A (en) Tractor with full-floating tool bar
HU203440B (en) Collapsible trailed underframe for plough-land implements particularly rotary scythes
CA1103510A (en) Vehicle for agricultural use
NL8300732A (nl) Trekker, in het bijzonder een trekker voor landbouwdoeleinden.
CN215774128U (zh) 一种便于控制的旋耕开沟机
NL1034636C2 (nl) Getrokken landbouwmachine.
NL8303381A (nl) Grondbewerkingsmachine.
NL8500758A (nl) Trekker.
US4206812A (en) Rotary rock windrower
US5343972A (en) Belly mount tractor
EP1575350B1 (en) Automated hitching system
US5186261A (en) On-land plow assembly with a plurality of adjustable plow units

Legal Events

Date Code Title Description
BV The patent application has lapsed