NL8200024A - Inrichting en werkwijze voor het reinigen van een video bandopneem/weergeefinrichting. - Google Patents
Inrichting en werkwijze voor het reinigen van een video bandopneem/weergeefinrichting. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8200024A NL8200024A NL8200024A NL8200024A NL8200024A NL 8200024 A NL8200024 A NL 8200024A NL 8200024 A NL8200024 A NL 8200024A NL 8200024 A NL8200024 A NL 8200024A NL 8200024 A NL8200024 A NL 8200024A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- ribbon
- cleaning
- housing
- spool
- openings
- Prior art date
Links
Classifications
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B5/00—Recording by magnetisation or demagnetisation of a record carrier; Reproducing by magnetic means; Record carriers therefor
- G11B5/41—Cleaning of heads
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B23/00—Record carriers not specific to the method of recording or reproducing; Accessories, e.g. containers, specially adapted for co-operation with the recording or reproducing apparatus ; Intermediate mediums; Apparatus or processes specially adapted for their manufacture
- G11B23/02—Containers; Storing means both adapted to cooperate with the recording or reproducing means
- G11B23/04—Magazines; Cassettes for webs or filaments
- G11B23/049—Cassettes for special applications not otherwise provided for
Landscapes
- Impression-Transfer Materials And Handling Thereof (AREA)
- Closed-Circuit Television Systems (AREA)
- Cleaning In General (AREA)
- Replacement Of Web Rolls (AREA)
- Automatic Tape Cassette Changers (AREA)
Description
: r D HÖ/T j7JS/Allsop 3 ...... " ...... .............. ......
Reinigingsinrichting voor een opneem en/of weergeef inrichting
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze en een inrichting voor het reinigen van de werkzame, onderdelen van : een video opneem en/of. weergeefinrichting. ·
In een video opneem en/of weergeef inrichting ofwel 5 videorecorder is een videokop aanwezig die de video-informatie ; op een band opneemt of daarvan weergeeft, en verder zijn aan-’ wezig een audiokop, een wiskop en mogelijk andere onderdelen 1 ...
: die met de band in contact komen. Voor een goede werking van de recorder is het gewenst dat de oppervlakken van deze onder- ; 1 10 delen periodiek gereinigd worden.
Er zijn verschillende cassettevormige inrichtingen bekend die voorzien zijn van reinigingselementen welke in aan-grijping kunnen komen met de werkzame onderdelen van de eenheden. Sommige van deze cassettes gebruiken heen en weer be- j.15 wegende of roterende reinigingsorganen. Weer andere omvatten een lint dat langs de audiokop van een audiorecorder kan bewegen.
Bij sommige videorecorders zijn enige van de onderdelen • zodanig gerangschikt dat de band door de geleidingsorganen 20 over een relatief grote afstand in het werkzame gebied van de inrichting bewogen moet worden teneinde in contact te komen met de werkzame onderdelen. Omdat deze onderdelen relatief ontoegankelijk zijn,· zijn deze in het bijzonder moeilijk effectief te reinigen, zonder dat de meer kwetsbare onderdelen 25 worden beschadigd.
Ook werken in sommige videorecorders met dezelfde opstelling van de werkzame onderdelen, de aandrijfmechanismen,, die de spoelen van de cassette waarop de band gewikkeld is roteren, enigszins verschillend. Wanneer daarom het aandrijf-30 mechanisme van de inrichting op de een of andere wijze gebruikt moet worden voor het uitvoeren van een reinigingswer-king op de werkzame onderdelen van de eenheid, treden moeilijkheden op bij het vervaardigen van een reinigingsinrichting die rekening houdt met al deze verschillen.
35 Met het oog hierop is het een doel van de onderhavige 8200024 -2- \ * uitvinding een werkwijze en een inrichting te verschaffen waarmee de werkzame onderdelen van een videorecorder doeltreffend en betrouwbaar gerèihigd kunnen worden, in het bijzonder wanneer de werkzame onderdelen relatief ontoegankelijk 5 zijn en gevoelig zijn voor beschadiging, waarbij de recorder aandrijf eenheden met verschillende eigenschappen heeft.
Er bestaat een reinigingsinrichting die in het bijzon- · der geschikt is voor een recorder die een koporgaan omvat met een kopoppervlak dat blootgesteld wordt aan verontreiniging 10 en die eveneens geleidingsmiddelen omvat welke beweegbaar zijn tussen een eerste teruggetrokken stand en een tweede werkzame stand voor het in werkzaam contact met het koporgaan brengen van een band. De inrichting volgens de onderhavige uitvinding kan tenminste het kopoppervlak reinigen en omvat 15 een huis dat in een werkzame stand ten opzichte, van de 'inrichting gepositioneerd kan worden. In het huis is een reinigings-lint zodanig aangebracht dat dit zich kan bevinden in een teruggetrokken voor-reinigingsstand binnen het huis en een reinigingsstand waarin het lint zich buiten het huis uit-20 strekt.
Het huis heeft een. eerste opening aan een voorste gedeelte van het huis welke opening een eerste gedeelte van de band dat aangegrepen kan worden door de geleidingsmiddelen vrijlaat, welke geleidingsmiddelen het lint uit het huis in de 25 reinigingsstand kunnen bewegen, op een wijze dat èen tweede reinigings gedeelte van het lint in contact wordt bewogen met tenminste het koporgaan.
Het huis heeft een tweede toegangsopening waardoorheen., het tweede gedeelte van het lint toegankelijk is wanneer het 30 lint zich in zijn teruggetrokken stand bevindt, op een wijze dat een reinigingsmateriaal op het tweede lintgedeelte aangebracht kan worden wanneer het lint zich in zijn teruggetrokken stand bevindt.
Het is gewenst dat er een roteerbaar gemonteerde spoel 35 in het huis is aangebracht welke het lint aangrijpt. De Spoel is zodanig ten opzichte van de linten aangebracht dat deze geroteerd kan worden naar een voor-reinigingsstand van de spoel waarin het lint op de spoel is gewikkeld in zijn voor-reini- 8200024 » t • # -3- gingsstand. De inrichting omvat verder plaatsbepalings-middelen voor het positioneren van het lint ;en de spoel in hun respektieve voor-reinigingsstand.
In één vorm omvatten de plaatsbepalingsmiddelen een 5 aanwijsorgaan dat werkzaam verbonden is met de spoel op een zodanige wijze dat bij rotatie van de spoel het aanwijsorgaan beweegt teneinde de positie van het lint ten opzichte van de spoel, aan te geven.
In een andere vorm omvatten'de plaatsbepalingsmiddelen 10 merktekens op het lint .welke de positie van het lint ten opzichte van de voorreinigings stand van het lint ..aangeven.
In weer een andere uitvoeringsvorm omvatten de plaats-: bepalingsmiddelen samenwerkende aanslagraiddelen die in aan-grijping komen wanneer de spoel tot in zijn voor-reinigings-15 stand is geroteerd.
In één uitvoeringsvorm bestaat de toegangsopening uit een aantal op een afstand van elkaar liggende toegangsopeningen die zich langs het randgedeelte van het huis bevinden.
In weer een andere uitvoeringsvorm is de spoel voorzien 20 van een aantal over de omtrek verdeeld aangebrachte gaten die het lint vrijlaten in de over de spoel gewikkelde toestand*
De toegangsopening-omvat tenminste één halsopening die zich nabij de spoelopeningen bevindt, waardoor een reinigings-materiaal door de huisopening op tenminste een gedeelte van 25 het lint aangebracht kan worden, nabij een gedeelte van de spoelopeningen.
In een andere uitvoeringsvorm van de uitvinding zijn er twee-spoelen roteerbaar in het huis gemonteerd, waarbij het lint op elk van de'spoelen gewikkeld kan worden. Elke . .30 spoel heeft tenminste één opening waardoor het lint-vrijgelaten wordt. Het huis heeft openingen die zich nabij de spoelopeningen bevinden, waardoor een reinigingsmateriaal aan de huisopening en door de spoelopeningen toegevoerd kan worden teneinde het reinigingsmateriaal op de lintgedeelten aan 35 te brengen nabij de huisopeningen.
De inrichting omvat verder koppelingmiddelen welke één spoel werkzaam aan kunnen grijpen op een zodanige wijze dat de spoel in een eerste richting roteert, waarbij tenminste een -\ beperkte relatieve rotatie van de spoel in een tweede richting" " 8200024 ...... -4- ...........- - .......-......................... ,· toegelaten wordt. In de voorkeursuitvoeringsvorm omvatten de koppelingmiddelen. tenminste een eerste koppelingorgaan dat met de spoel is gekoppeld en een tweede koppelingorgaan dat het aandrijf or gaan van de inrichting aan kan grijpen. De twee 5 koppelingorganen hebben eerste en. tweede tandmiddelen die in aandrijvend contact met elkaar kunnen komen, en die eveneens een tenminste beperkte 'vrije relatieve rotatie uit kunnen voeren.
Bij de werkwijze volgens de onderhavige uitvinding 10 wordt het reinigingslint in het huis naar een bepaalde voor- streepreinigingsstand bewogen, en wordt een reinigingsmateriaal ; door de openingen in het huis op onderlinge afstanden op het • lint aangebracht. Daarna wordt de inrichting in de recorder gestoken en wordt de recorder ingeschakeld waardoor de ge-15 leidingsmiddelen van de inrichting het lint buitenwaarts naar de reinigingsstand bewegen, waarbij de reinigingsgedeelten’ van het lint met het daarop aangebrachte reinigingsmateriaal in contact komen met tenminste het koporgaan van de recorder.
Andere kenmerken van de uitvinding zullen duidelijk wor-20 den uit de volgende gedetailleerde beschrijving aan de hand van de bijgevoegde tekeningen.
Figuur 1 is een half-schematisch· bovenaanzicht van de belangrijkste werkzame onderdelen van een vide'orecorder waar de onderhavige uitvinding in het bijzonder voor geschikt is; 25 figuur 2 is een met figuur 1 overeenkomend aanzicht, waarin een in de in figuur 1 getoonde inrichting aangebrachte bandcassette wordt getoond.
Figuur .3 is een met figuur 2 overeenkomend aanzicht dat de geleidingsorganen van de eenheid toont terwijl deze de * 30 band uit de cassette naar buiten bewegen tot in de volledige werkzame stand.
Figuur 4 is een met figuur 3 overeenkomend aanzicht dat de toestand toont waarin de geleidingsorganen de band in zijn werkzame stand hebben bewogen.
35 Figuur 5 is een isometrisch aanzicht op de rechter achterhoek van de reinigingsinrichting volgens de onderhavige uitvinding.
Figuur 5A is een doorsnede volgens lijn 5A-5A in ''figuur 5.
8200024 ' * · £ φ . .....- ...... ........ ----: ........" ..... ' ......... ......
Figuur 6 is een isometrisch aanzicht op de rechter voorhoek van de inrichting volgens de onderhavige uitvinding waarbij het cassettedeel van de onderhavige uitvinding getoond wordt in de toestand waarin deze uit het hoofdcassette-5 huis is verwijderd.
Figuur 7 is een aanzicht op het onderoppervlak van de in figuur 5 getoonde inrichting.
Figuur 7A is een aanzicht met uiteengenomen delen van ; de opwindspoel van de inrichting volgens de onderhavige 10 uitvinding, waarbij de aandrijfkoppelinginriehting in een eerste eindstand wordt getoond.
i
Figuur 7B is een met figuur 7A overeenkomend aanzicht ; waarin het onderste gedeelte van de spoel wordt getoond, en ; ; waarbij het koppelingmechanisme in een eerste tussenstand is : 15 bewogen ten gevolge van een eerste stap in een rotatie .tegen de richting van de klok in van de naaf van de spoel.
Figuur 7C is een met figuur 7B overeenkomend aanzicht dat een tweede tussenkoppelingsstand toont waarbij de naaf van de spoel over een tweede stap in de richting tegen de 20 klok in is geroteerd.
Figuur 7D is een met figuur 7B en 7C overeenkomend aanzicht dat het koppelingmechanisme in een tweede eindstand' toont.
Figuur 7E is een vergroot aanzicht op de inrichting 25 volgens de onderhavige uitvinding waarbij een bedieningsknop daarvan in zijn eerste werkzame stand wordt getoond.
Figuur 7F is een met figuur (e) overeenkomend, aanzicht dat de knop in eert tweede werkzame stand toont.
Figuur 7G is een doorsnede volgens de lijn 7G-7G in . 30 figijur 7A.
Figuur 8 is. een met figuur 2 overeenkomend aanzicht dat echter de inrichting volgens de onderhavige uitvinding toont terwijl deze aangebracht is in de videorecorder van figuur 1, en waarbij het deksel voor de duidelijkheid is verwijderd.
35 Figuur 9 is een met figuur 8 overeenkomend aanzicht waarin de geleidingsorganen van de eenheid worden getoond terwijl deze het reinigingslint volgens de onderhavige uitvinding naar buiten bewegen tot in reinigend contact met de pnderdelen van de eenheid. - 8200024 .
<r » t - -6*
Figuur 10 is een met figuur 9 overeenkomend aanzicht waarin het reinigingslint wordt getoond in zijn volledige reinigingsstand.
Figuur 11 is een met figuur 10 overeenkomend aanzicht 5 dat het reinigingslint toont terwijl dit zijn beweging langs de reinigingsbaan voltooit.
Figuur 12 tot en met 15 zijn aanzichten die respektie.ve-i' I i . ! lijk met de figuren 8 tot en met 11 overeenkomen, waarbij : echter de inrichting volgens de onderhavige uitvinding ge- 10 toond wordt in een videorecorder van figuur 1 van een tweede i en derde type, en waarbij het deksel voor de duidelijkheid is weggelaten»
Figuur 16 is een bovenaanzicht van een reinigings-inrichting volgens een tweede uitvoeringsvorm van de onder-:15 havige uitvinding waarbij een gedeelte van het deksel van het huis voor de duidelijkheid is weggebroken.
Figuur 17 is een onderaanzicht van de in figuur 1 getoonde inrichting.
Figuur 18 is een doorsnede volgens de lijn 18-18 in 20 figuur 16.
Figuur 19 is een met figuur 10 en 14 overeenkomend aanzicht dat het reinigingslint van de eenheid in zijn geheel uitgetrokken reinigingsstand toont.
Figuur 20 is een met figuur 19 overeenkomend aanzicht 25 dat het reinigingslint toont terwijl dit door de inrichting is bewogen in de reinigingscyclus daarvan.
Figuur: 21 is een vooraanzicht van het reinigingslint in zijn teruggetrokken stand, waarbij merktekens op het lint worden· igatoond die dienen voor de plaatsing van het lint in 30 zijn voor-reinigingsstand.
De eerste uitvoeringsvorm van de onderhavige uitvinding is in het bijzonder geschikt voor het reinigen van de werkzame onderdelen van een videorecorder die geschikt voor een in een bandcassette opgenomen magneetband, waarbij de werkzame 35 onderdelen daarvan, die in aangrijping komen met de band, op relatief ontoegankelijke plaatsen in het werkzame gebied van de inrichting zijn aangebracht. Een dergelijke inrichting . is bijvoorbeeld bekend onder het handelsmerk "BETAMAX" en V.
wordt vervaardigd door de Sony Company of Japan. ......
8200024 , · i * ................-7- ....................................
. Aangenomen wordt dat de huidige uitvinding beter zal worden begrepen wanneer eerst de werkzame onderdelen van de "BETAMAX" videorecorder worden beschreven.
Hierna zal de videorecorder 10, "de video eenheid” of 5 eenvoudig "de eenheid" worden genoemd. Met betrekking tot figuur 1 zullen de termen "voor" en "achter" betrekking hebben op respektievelijk de bovenkant en de onderkant van de eenheid r 10 zoals getoond in figuur 1. Qvereenkomstigerwijze zullen de termen "rechts” en "links" duiden'op de gedeelten van de 10 eenheid 10 zoals getoond in de rechter* respektievelijk linkerdelen van de tekening van figuur 1.
Voordat verder wordt gegaan, moet benadrukt worden dat , de in figuur 1 tot en met 4 getoonde onderdelen (die nu zullen 1 worden beschreven) reeds deel uitmaken van de stand van de 15 techniek, en dat de onderhavige uitvinding geschikt is om te-samen met deze bekende inrichtingen gebruikt te worden.
De eenheid 10 heeft een huis 12 dat voorzien is van een uitsparing 14 voor het opnemen van een bandcassette 16 (getoond in de figuren 2 tot en met 4). In figuur 1 is verder 20 te zien dan in de uitsparing 14 een eerste,rechter opwindspil 18 en een tweede, linker terugwikkelspil 20 is opgenomen. Elk van de spillen 18 en 20 is voorzien van een aantal tanden 22, 'die in aangrijping kunnen komen met een betreffende spoel van een bandcassette, terwijl een tussenring 24 aanwezig is voor 25 het ondersteunen van die betreffende spoel. Ook is aan. elke spil 18 en 20 een bijbehorende aandrijfring 26 bevestigd die in contact kan komen met een bijbehorende aandrijfrol 28. Aan. de linker spiX. 20 is eveneens een remorgaan 30 aangebracht, dat de linkeraandrijfring 26 aan kan grijpen en de rotatie van de 30 linkerspil 2Q .kanostoppen.
Voor de uitsparing 14 bevindt zich een werkzaam gebied waarin drie magnetische werkzame onderdelen aanwezig zijn die ofwel reageren op de magnetische signalen op een band, deze magnetische signalen op de band beïnvloeden, of beide doen.
35 Deze magnetische werkzame onderdelen zijn: een videokop 32, een audiokop 34 en een wiskop 36. De videokop 32 kan als af— speelkop zowel als opneemkop werken. De videokop 32 heeft in het algemeen de vorm van een cirkelvormige schijf (dat wil ,· •\ zeggen een lage cilinder) en heeft aan de omtrek een cilin- / 8200024 * ' .-1 drisch werkzaam oppervlak 38. Op het omtreksoppervlak 38 zijn êën of meer aftastelementen 40 aangebracht waarbij de kop 32 om de centrale hardlijn 42 van het cilindrische oppervlak 38 roteert.
5 De audiokop 34 werkt samen met het audiogedeelte van een band teneinde audiosignalen op de band weer te geven (in de. afspeelstand) of om audiasignalen op de band op te nemen ·\-, wanneer de eenheid 10 zich in zijn opneemstand bevindt. De ! wiskop 36 wordt in werking gesteld om, zoals zijn naam aan-10 geeft, de magnetische signalen op de band uit te wissen.
Om de koppen 32,34 en 36 heen is een relatief grote ! cirkelvormige geleidingsring 44 gepositioneerd. Op bepaalde : plaatsen op de geleidingsring 44 zijn vijf geleidingselementen aangebracht die respektievelijk 46,48,50,.52 en 54 zijn ge-15 nummerd. In bedrijf roteert deze geleidingsring 44 om zijn centrale hardlijn zodat de verschillende geleidingselementen 46 tot en met 54 in contact komen met de band teneinde deze naarbuiten te bewegen in contact met de koppen 32 tot en met 35.
20 Behalve de beweegbare geleidingselementen 46 tot en met 54 zijn er vier vaste geleidingselementen 56,58,60 respektievelijk 62 aangebracht. Op een vaste plaats links van het werkzame gebied is een kaapstander 64 gepositioneerd terwijl een drukrol 66 aan het achterste gedeelte van de ring 44 is 25 gemonteerd zodanig dat deze rol naar de . ring 44 mee beweegbaar is. Zoals later nog zal worden beschreven roteert de ring 44 de drukrol 66 in een stand waarin deze in contact kan komen met. de kaapstander 64 teneinde de af speel- of op-neemband door- de eenheid 10 te bewegen.
30 Nabij 70 is aan de stationaire constructie een plaats- J
bepalingsarm 68 scharnierend gemonteerd. Aan het uiteinde of zwaaieinde van de arm 68 is een beweegbaar geleidingsorgaan 72 aangebracht. Tenslotte is een stopmechanisme dat een de-tectie-element 74 omvat aan gebracht. Dit detect! e-element 74 35 is stationair en is op een middelmatige afstand boven de ring 44 aangebracht, zodanig dat de ring 44 kan roteren zonder dat de geleidingselementen 50,52 en 54 in contact komen met het detectie-element 74.
•\s Voor de beschrijving van de gebruikelijke, werking van de 8200024 -9-............................. ....... ' * I · bekende hierboven beschreven eenheid 10 wordt nu verwezen naar de figuren 2 tot en met 4. In figuur 2 is te zien dat in de uitsparing 14 een bandcassette 16 is geplaatst. Deze cassette 16 omvat een huis 76 waarvan het bovendeksel 77 weggebroken 5 is teneinde de belangrijke onderdelen van de cassette 16 te . tonen. In de cassette is een rechter opwindspoel 78 aanwezig die samenwerkt met de rechterspil 18 en een linker terugwikkèl-spoèl 80 die samenwerkt met de linkerspil 20. Het huis 76 is , voorzien van rechter- en linkerplaatsbepalingsgaten voor het 10 respektievelijk opnemen van rechter en linker plaatsbepalings-pennen 82 en 84.
Het cassettehuis 76 omvat een afspeel/opneemband 86, die : op de twee spoelen 78 en 80 is gewikkeld. Deze band 86 strekt zich uit van de linkerzijde van de linkerspoel om twee linker 15 voorstegeleidingsorganen 88 en 90 in het huis 76, en vervolgens langs het voorste gedeelte van het cassettehuis bij 92.
De band 86 aan de rechterzijde van het huis 76 is in contact met twee rechter voorstegeleidingsorganen 94 en 96 en komt vervolgens terecht op de rechterzijde van de rechterspoel 78.
20 In het middelste voorste gedeelte van het huis 76 bevindt zich een stationaire plaatsbepalingsvinger 98 die het voorste bandgedeelte 92 op de juiste wijze voorin het huis 76 positioneert. De vinger 98 is enigszins boven de bovenrand van het voorste bandgedeelte 92 geplaatst en heeft een zich 25 naar beneden uitstrekkend deel (in figuur . 2 tot en met 4 niet .zichtbaar) dat in werkelijkheid in contact is met de achterzijde van het voorste bandgedeelte 92.
De geieidingsring 44 is in de eenheid 10 op een zodanige wijze gemonteerd dat deze naar links schuin naar be-* 30 neden loopt, zoals, in de figuren 1 tot en met 4 is te zien. :
Het linkerdeel van de ring 44 bevindt zich dus op een lager . niveau terwijl de voorste en achterste gedeelten van de ring 44 zich op tussenliggende niveaus bevinden en het rechtergedeelte van de ring 44 zich op het hoogste niveau bevindt.
35 De rotatieas van de ring 44 staat eveneens schuin en wel loodrecht op het door de ring 44 bepaalde vlak. Wanneer de eenheid 10 zich in zijn aan de bedrijfsklare toestand voorafgaande toestand bevindt, nemen de verschillende onderdelen de Λ in figuur 1 getoonde positie in. Wanneer de cassette in de 8200024 it * -10- uitsparing 14 is geplaatst, bevindt het voorste bandgedeelte 92 zich direct voor de twee geleidingselementen 46 en 44, de drukrol 66 en het geleidingsorgaan 72.
Er zijn tenminste drie typen videorecorders met in het 5 algemeen dezelfde fysieke optelling zoals de in figuur 1 tot en met 4 getoonde eenheid heeft. De werking vaneen eerste van deze eenheden zal éérst worden beschreven. Daarna zullen de werkingen van de tweede en derde types worden beschreven. ' Wat betreft het eerste type wordt, zodra de cassette 10 16 in de uitsparing 14 is geplaatst een mechanisme in de een- ; heid 10 automatisch in gang gezet dat de geleidingsring 44 : in de richting tegen de klok in laat roteren. Tegelijkertijd' ; wordt de plaatsvervangingsarm 68 naar voren gezwaaid en komt ' de rem 30 in aangrijping met de aandri jffing 26 van de linker-15 spil. 20 teneinde rotatie van de linkerspil 20 te verhinderen.
Wanneer de ring 44 begint te roteren, komt het voorste geleidingsorgaan 46 in contact met het achteroppervlak van het voorste bandgedeelte 92 teneinde de band 86 naar buiten te trekken. Daar de rem 30 de spil 20 vasthoudt, wordt de 20 band 86 van de rechterspoel 78 af gewikkeld die in deze toestand vrij kan roteren in de richting tegen de klok in.
In figuur 3 is te zien dat de ring 44 over iets meer dan 90° is geroteerd, zodat de band 86 met een deel van het omtreksoppervlak 38 van de videokop 32 in contact is. De ring 25 44 roteert verder vanuit de in figuur 3 getoonde stand totdat deze de geheel gedraaide toestand, zoals getoond in figuur 4 heeft bereikt- .Te zien is dat de ring 44 nagenoeg driekwart van een gehele omwenteling heeft geroteerd (dat wil zeggen ongeveer 270°) teneinde de positie van figuur 4 te bereiken.
' 30 Zoals hierboven is- aangegeven, is de eenheid 10 zo uitgevoerd dat deze de band 86 automatisch naar .de stand van figuur 4 beweegt wanneer de cassette 16 in de uitsparing 14 wordt geplaatst. Wanneer het gewenst is om de eenheid 10 in bedrijf te stellen, wordt de afspeel- of de opneemtoets ingedrukt waar-35 door de drukrol 66 over een kleine afstand naar rechts wordt bewogen waarbij de band 86 tegen de kaapstander 58 aangedrukt wordt. Tegelijkertijd begint de kop 82 te roteren en deze bereikt zeer snel een hoge rotatiesnelheid. Wanneer de drukrol V · - - .........
8200024 -n- 66 in contact komt met de kaapstander 64 laat de rem 30 los waardoor de linkerspoel 80 kan roteren. De kaapstander 64 roteert in de richting tegen de klok in waardoor de band .86 in zijn langsrichting beweegt en van de spoel 80 op de rechter 5 spoel 78 wordt gewikkeld.
Tegelijkertijd roteert de rechterspil 18 in de richting van de klok teneinde de opwindspoel 78 te roteren zodat de band 86 wordt gespannen. De videokop 32 roteert met een relatief hoge omwentelingssnelheid (bijvoorbeeld 1000 tot 2000 10 omwentelingen per.minuut) zodat het element of de elementen 40 op de kop 32 de band 86 af kunnen tasten wanneer deze langs beweegt.
Nabij het einde van de band/ die op de linkerspoel 80 is gewikkeld, bevindt zich een stuk metaalfolie waarop het 15 detecterende uitschakelelement 74 kan reageren. Wanneer dit stuk folie op de band 86 het element 74 passeert, reageert dit element 74 en schakelt het aandrijfsysteem van de eenheid 10 uit, zodanig dat de drukrol 66 weg beweegt van de kaapstander 64, de opwindspoel 78 met roteren stopt en de band 86 20 stil blijft staan. Voor het terugspoelen van de band wordt -de terugspoeltoets op de eenheid 10 ingedrukt zodat de linkerspil 20 in de richting tegen de klok in begint te roteren voor het roteren van de spoel 80 in de richting tegen de klok in met een relatief hoge snelheid, waarbij de band 86 op de 25 linkerspoel 80 wordt gewikkeld. Het rechtereinde van de band 86 is stevig met rechterspoel 78 verbonden, zodat wanneer de band 86 geheel van de spoel 78 af gewikkeld is verdere rotatie van de afwindspoel 80 wordt tegengewerkt waardoor een mechanisme in gang wordt gesteld dat de rotatie van de terugwik— - 30 kelspoel 80 stopt.. Ook kan een tweede uitschakelmechanisme zoals het uitschakelmechanisme 74 worden gebruikt.
Wanneer daarna een uitstoottoets wordt ingedrukt, roteert de ring 44 in de richting van de klok terug naar de in figuur 2 getoonde stand, waarbij de plaatsbepalingsarm 68 zich terug-35 trekt in de stand van figuur 2. Tegelijkertijd roteert de opwindspoel 78 in de richting van de klok waardoor het resterende gedeelte van de band 86 op de rechterspoel 78 wordt gewikkeld. Wanneer de band 86 zich in deze stand bevindt, is ƒ Λde cassette 16 gereed voor een tweede weergave of opname, j 8200024 ’ -12“........... ’ ......."...............
op dezelfde wijze als hierboven werd beschreven.
Er bestaat een tweede type videorecorder die in principe dezelfde werkzame onderdelen heeft als getoond in de figuren 1 tot en met 4. De werking van de tweede eenheid 5 verschilt van de hierboven beschreven eerste eenheid daarin dat bij de tweede eenheid de afspeelkop 32 direct begint te roteren wanneer de bandcassette in de uitsparing 14 wordt . geplaatst. Wanneer.de geleidingsring 44 dus de band 92 aangrijpt om deze naarbuiten te bewegen tot in zijn afspeelpositie 10 roteert de kop 32 reeds. Een ander kenmerk van dit tweede type eenheid is dat wanneer de ring 44 roteert om de band 92 ; in de afspeelpositie te bewegen de remwerking op de linkerspoel 80 niet aanwezig is of een minimale reinkracht uitoefent op de linkerspoel 80. Verder is de werking van het tweede 15 type eenheid/ voorzover deze direct relevant is voor de onderhavige uitvinding, vrijwel hetzelfde als die van de eenheid van het eerste type.
De eenheid van het derde type heeft eveneens in hoofdzaak dezelfde opstelling van de fysieke onderdelen zoals in 20 figuur 1 tot en met 4 wordt getoond. Wanneer de bandcassette echter in de machine wordt aangebracht en de ring 44 roteert om de band 86 naar buiten te trekken tot in de speelpositie, blijft de rechterspil, die in aangrijping is met de opwind-spoel, -stilstaan, terwijl de linkerspil, die in aangrijping 25 is met de voorraadspoel, kan roteren. De band 86 wordt dus naarbuiten getrokken tot in de afspeelstand op een zodanige wijze dat de-band 8.6 van de linker voorraadspoel 80 wordt afgewikkeld* Wanneer de terugtrektoets wordt ingedrukt, waardoor de ring 44 terug beweegt tot in de teruggetrokken stand, - 30 wordt het teveel aan band opgewikkeld op de rechter opwindspoel-
Een van de problemen bij al deze eenheden is de opbouw van oxiden of andere vreemde deeltjes op de werkzame onderdelen, in het bijzonder op de video- en audiokoppen 32 en 34.
Een dergelijke verontreiniging kan bijvoorbeeld het gevolg 35 zijn van het af zetten van deeltjes van de band op het afspeel- · oppervlak. (Dit kan in het bijzonder optredén wanneer regelmatig gebruik gemaakt wordt van weergaven van een stilstaand beeld, waarbij een beeld vastgehouden wordt op de snelroteren-de videokop 32). Ook kunnen stof en andere verontreinigingen 82 0 0 0 2 4 Ί -13- in de lucht een opeenhoping op de werkzame oppervlakken van de twee koppen 32 en 34 veroorzaken. Het is ook gewenst dat de kaapstander· 64 en de drukrol 66 periodiek worden gereinigd.
Zoals.eerder werd opgemerkt, bestaan alle onderdelen 5 die tot dusver aan de hand van figuur 1 tot en met 4 zijn. beschreven reeds. De onderhavige uitvinding is in het bijzonder geschikt om een doeltréffende reiniging uit te voeren.van bepaalde werkzame onderdelen van de eenheid 10, en dit zal nu aan de hand van de figuren 5 tot en met 11 worden beschreven. 10 De inrichting van de onderhavige uitvinding heeft de vorm van een reinigingsinrichting van het cassette type, die aangegeven is met 100 en in figuur 5 in een isometrisch aanzicht wordt getoond. Te zien is dat de reinigingsinrichting 100 een huis constructie 102 omvat met dezelfde vorm als het 15 huis 76 van de bekende bandcassette 16. De huisconstructie 102 kan dus gemakkelijk in de uitsparing 14 van de eenheid 10 worden geplaatst.
Het huis 102 bestaat uit een hoofdconstructie 104 en een cassette 106 die verwijderbaar in de hoofdconstructie 104 20 is gemonteerd. De andere belangrijke onderdelen van de cassette— reinigingsinrichting 100 zijn een reinigingslint 108, een rechteropwindspoel 110, een linker plaatsbepalingspoel 112 en een begrenzingsstang ovèrbrenging 114. De belangrijkste reden voor de verwijderbare cassette 106 is het verschaffen van een 25 eenvoudige vervanging van het reinigingslint 108, hetgeen hierna uitgebreider zal worden beschreven.
In figuur 8 wordt de reinigingscassette 100 getoond in de toestand-waaxin deze juist in de uitsparing 14 van de een- . : - heid 10 is aangebracht, zodat de ring 44 nog'niet verdraaid • 30 is of de plaatsbepalingsarm 68 bewogen heeft. De rechterspoel 110 is in de cassette 106 gemonteerd en kan de rechterspil 18 opnemen. De spoel 110 heeft een relatief grote diameter en in de positie van figuur 8 is het reinigingslint 108 ongeveer drie slagen om de spoel 110 gewikkeld. De linker plaatsbepalings-35 spoel 112 heeft ook een relatief grote diameter en het reinigingslint 108 is ongeveer over een halve slag op de linkerspoel 112 opgewikkeld. Het reinigingslint 108 strekt zich uit van de linkerzijde van de spoel 112 en bij 116 naar voren naar 82 0 0 0 2 4 -14- een linker voorstegeleidingsrol 118, vervolgens bij 120 langs het voorste .gedeelte van het huis 102 naar .een rechter voorste geleidingsrol 122, en vervolgens bij 124 naar achteren naar de rechterzijde van de spoel 110 teneinde daar opgewikkeld 5 te worden. In het middelste voorste gedeelte van het huis 102 bevindt zich een plaatsbepalingsvinger 126 die wat betreft de constructie en werking sterk overeenkomt met de vinger 98 van een conventioneel cassettehuisj 76. Ook is een bescher- ; mingsdeksel 128 aanwezig dat zich.over het gehele voorste 10 gedeelte van het huis 102 uitstrekt. Dit deksel 128 is aan de einden 130 en 132 scharnierend aan respektievelijk de : rechter en linker voorste gedeelten van het huis 102 gemon-; teerd. In figuur 5 wordt het deksel 128 in zijn gesloten stand getoond,, waarbij het het voorste lintgedeelte 120 bedekt en 15 in figuur 6 wordt het deksel in de geopende stand getoond.
De eerdergenoemde begrenzingsstang overbrenging 114 is het beste te zien in de figuren 9 en 10, maar wordt in figuur 6 niet getoond. Deze standoverbrenging 114 omvat een eerste arm 134 die bij 136 scharnierend gemonteerd is aan de hoofd-20 constructie van het huis 104. Het uiteinde van de arm 134 heeft een tweede scharnierverbinding 138 met een tweede arm 140.
De tweede arm 140 heeft een langwerpige doorgaande sleuf 142 die het opstaande geleidingsorgaan 72 opneemt dat aangebracht is aan het vrije einde van de plaatsbepalingsarm. 68 van de 25 eenheid 10. De. reden voor de langwerpige vorm van de sleuf 142 is dat in verschillende eenheden 10 de plaatsbepalingsarm 68 verschillende plaatsen heeft, zodat de teruggetrokken stand van het- geleidingsorgaan 72 (welke positie in figuur 8 wordt aangegeven) van eenheid tot eenheid varieert- De sleuf 142 . 30 is dienovereenkomstig zodanig aangebracht dat deze de uit het beweegbare geleidingsorgaan 72 op verschillende plaatsen op kan nemen.
De begrenzingsstand overbrenging 114 heeft een teruggetrokken stand, zoals getoond in figuur 8, en verder is een 35 verend orgaan 144 aanwezig dat tegen de eerste arm 134 aandrukt teneinde deze in de teruggetrokken stand te dwingen. In het bijzonder heeft dit veerorgaan 144 een middelste schroef-veergedeelte dat op een pen 146 is gemonteerd met twee zich •^buitenwaarts uit strekkende armen, waarvan er één een tweede 8200024 -15- pen 148 aangrijpt en de andere de arm 184 naar achteren drukt.
De huis constructie 102 is voorzien van een aantal toe-gangsopeningen die bevochtigingsvensters warden genoemd en ·. in de onderhavige uitvindingsvorm zijn er vijf van deze 5 vensters 150/152,154,156 en 158 aangebracht- De reden voor deze vensters 150 tot en met 158 is dat het reinigingslint vervaardigd ds van een'absorberend materiaal dat geschikt is voor reiniging, zoals eén synthetisch zeemleer materiaal. Het is belangrijk om een reinigingsoplossing (in het algemeen een 10 vloeibare reinigingsoplossing) op die delen van het reinigingslint 108 aan te brengen die in contact komen met de onderdelen van de eenheid.10 die gereinigd moeten worden. Het is echter niet gewenst om een te grote hoeveelheid reinigingsoplossing , op het lint 108 aan té brengen. De bevochtigingsvensters 150 15 tot en met 158 zijn dus niet alleen aangebracht om toegang te verkrijgen voor het bevochtigen van het lint 108, maar ook om de optimale plaats van de bevochtigde gedeelten van het lint 108 aan te geven.
In de hier getoonde speciale uitvoeringsvorm zijn vier 20 van de vensters 150 tot en met 156 aangebracht in de omtrek van de cassette 106. In het bijzonder zijn de twee .vensters 105 en 152 aangebracht aan het achterste gedeelte van de cassette 106 en zijn de twee vensters 154 en 156 aangebracht aan de rechterzijde van de cassette 106. Het vijfde venster 158 is 25 in het voorste rechtergedeelte van het deksel 128 gevormd.
Alle vijf de vensters 150 tot en met 158 zijn dus in de rechterzijde van de huis cons truc tie 102 gevormd. Opgemerkt moet worden dat het aantal, de afmeting en de plaats van deze vensters 150 tot en met 158 kan variëren voor aanpassing aan 30 andere video eenheden.
In figuur 7 wordt het bodemoppervlak van de reinigings-casse.tte 100 getoond. Het zal duidelijk zijn. dat de plaats-bepalingsspoel 112 vier lippen 160 heeft die zich benedenwaarts van de onderzijde van de spoel 112 uitstrekken. Een 35 van deze lippen, aangegeven met 160a, steekt radiaal verder buitenwaarts uit dan de andere drie lippen 160, zodat de lip 160a in aangrijping kan komen met een stoporgaan 162. Het doel van dit stoporgaan 162 is om de spoel 112 in een bepaalde startstand te kunnen draaien voordat de reinigingscassette 100 ,, 82 0 0 0 2 4 • in de uitsparing 14 wordt geplaatst voor het uitvoeren van de reinigingswerking.
Aan de hand van figuur 8 wordt opgemerkt dat aan het uiteinde van de eerste arm 134 van de begrenzingsstang over-5 brenging 114 een aanslagorgaan 164 is aangebracht. Dit aanslag- of stoporgaan 164 is in de positie van figuur 8 in contact met een bijbehorend aanslagorgaan 166 terwijl in de rotatie van de spoel 112 in de richting van de klok te ver- • hinderen. Wanneer de begrenzingsstang overbrenging 114 zich 1Ö echter7 zoals getoond in figuur 9, uitstrekt, komt'liet .stoporgaan 164 los waardoor de spoel 112 in de richting van de klok kan roteren.
Een foliestuk 169 is vast aan het lint 108 bevestigd op een plaats die op een kleine afstand ligt van het eindge-15 deelte van het lint dat zich nabij de spoel 112 bevindt. Dit foliestuk 169 is aangebracht voor het activeren van een de-tectieelement 74 van het uitschakelmechanisme teneinde verdere beweging van het lint 108 te stoppen aan het einde van de reinigingscyclus.
20 Zoals eerder werd opgemerkt is de huisconstructie 102 opgebouwd uit een hoofdconstructie 104 en een verwijderbare cassette 106. Deze onderdelen zijn duidelijker te zien in figuur 6, waar de cassette 106 getoond wordt-terwijl deze uit de hoofdconstructie 104 is verwijderd.
25 Zoals eerder werd opgemerkt blijft het reinigingslint 108 permanent.aan de rechterspoel in de cassette 106 bevestigd. Het andere einde van het lint 108 is voorzien van een be~ vestigingssleuf 167' die aan een bevestigingsstrook 168 bevestigd kan worden welke strook permanent bevestigd is aan 30 de linkerspoel 112. Teneinde de cassette 106 in de constructie 104 te monteren, wordt eerst het lint 108 van de rechterspoel 110 afgewikkeld, door de rechter voorste opening 170 in de huisconstructie 104 gestoken en vervolgens aan de strook 168 bevestigd zoals in figuur 6 is aangegeven.
35 Voor het aanbrengen van de cassette 106 in de constructie 104 is een kleine pen 172 aangebracht die van de onder rechter voorwand van de cassette 106 naar beneden uitsteekt (zie figuur 5a) en deze pen past in een bijbehorend gat 174 in het rechter voorste gedeelte van de onderwand van de constructie 8200024
f I
.................. ...................................-17- ....... ....................
104. De cassette 106 wordt dan, gezien In figuur 6, in dè richting van de klok gezwenkt in de in figuur 5 getoonde stand. Het middelste achterste gedeelte van de constructie 104 is voorzien van bovenste en onderste uitsparingen (waarbij de 5 onderste in figuur 6 bij 176 wordt getoond), en deze passen op bovenste en onderste uitsteeksels of bultjes 178 voor het op zijn plaats houden van de cassette 106. De voorste en linker bovenrandgedeelten 180 van de cassette 106 zijn enigszins uitgespaard en passen onder de bijbehorende randgedeelten 10 182 van de constructie 104 teneinde de cassette 106 stevig op zijn plaats te houden.
Om de cassette 106 uit de constructie 104 te verwijderen zijn er bovenste en onderste duimgrepen 184 aangebracht na- · -bij de uitsteeksels 178 op de cassette 106. Deze worden naar 15 elkaar toe geknepen voor het uit de uitsparing 176 losnemen van de uitsteeksels 178. De cassette 106 kan dan uit de constructie 104 worden gezwenkt en worden verwijderd tot in de stand van figuur 6. Het lint 108 wordt dan losgemaakt van de strook 168 en een andere cassette kan op zijn plaats worden 20 gebracht. Zoals eerder werd opgemerkt zal deze vervangings- cassette gebruikt worden wanneer het lint 108 van de andere cassette zodanig vuil geworden of versleten is dat dit zijn reinigingsfunctie niet meer goed uit k'an voeren.
De rechter opwindspoel 110 is detailleerder in de figuren 25 7a tot en met 7d. weergegeven. Deze spoel 10 omvat een bovenste en onderste helft 190 respektievelijk 192, waarbij elke helft 190 en -1.92 cirkel- en schijfvormig is. De bovenste helft 190 is voorzien van een gedeeltelijke cilindrische zijwand 194 aan zijn onderopper vlak, en deze wand 194 past om plaatsbe-30 palingsribben 196 die verbonden zijn met de onderhelft 192.
Een geschikt deksel 198 met dezelfde cirkelvormén·. =als de zijwand 194 is verwijderbaar aan de twee helften 190 en 192 bevestigd. Wanneer de twee helften 190 en 192 met elkaar worden verbonden past de cilindrische zijwand 194 over de plaatsbe-35 palingsribben 196 en daaromheen waardoor een één geheel vormende spoel 110 wordt verkregen. Het deksel 198 past tussen de bovenste en onderste helften 190 en 192 en vormt met de cilindrische zijwand 194 een volledig cilindrisch oppervlak van 360°.
: 8200024 -18-
Roteerbaar in het midden van de onderste helft 192 van de spoel 110 is een naaforgaan 200 gemonteerd. De naaf 200 heeft een cirkelvormig basisdeel 202 met inwendige uitsparingen die passen op de aandrijftanden 22 van de eenheid 10.. Aan het 5 basisgedeelte 202 is stevig een steun 204 bevestigd die zich omhoog uitstrekt en in een opening past in de bovenste- helft .· 190. Het basisdeel 202 ‘heeft aan zijn omtrek een eerste koppelingtand ^206. .
Op de steun 204 zijn drie koppelingringen 208 roteerbaar 10 gemonteerd, op een zodanige wijze dat de ringen 208 op elkaar gestapeld zijn. Elke koppelingring 208 heeft aan zijn omtrek ; één enkele koppelingtand 210 die enigszins onder het oppervlak . van de bijbehorende ring 208 uitsteekt. Voor de eenvoud van de beschrijving zijn de onderste ring 208 en de tand 210 daar-15 van aangegeven als 208a en 210a; de tussenliggende ring en bijbehorende tand met 208b en 210b; en de bovenste ring met bijbehorende tand als 208c en 210c. Wanneer de ringen 208 op elkaar gestapeld zijn zoals in figuur 7a tot en met 7d wordt getoond, kan de tand 210 in aangrijping komen met de tand 206; 20 de tand 210b kan in aangrijping komen met de tand 210a; en de tand 210c kan in aangrijping komen met de tand 210b. Het zal dus duidelijk zijn dat elk van de ringen 208a-c nagenoeg een volledige omwenteling uit kan voeren vanuit één positie in aangrijping met de tand direct, daaronder tot een positie in aan-25 grijping met diezelfde tand aan de andere zijde daarvan.
Van het oppervlak van de bovenste helft 190 van de spoel 110 strekt z±ch-rnaar beneden toe een vijfde koppelingtand 212 uit die zodanig is aangebracht dat deze in contact kan komen met de bovenste tand 210c. De tand 206 op de naaf 200, de 30 tand 212, en de drie ringen 208a-c met hun tanden 210a-c vormen tesamen een aandrijfkoppeling 214, die het kenmerk heeft dat deze een beperkte vrije rotatie toelaat. Om dit te illustreren wordt verwezen naar figuur 7a, waarin te zien is dat alle tanden 206, 210a-c en 212 zich in een aangrijpings- 35 stand bevinden waarbij rotatie van de naaf 200 in de richting van de klok een positieve aangrijping met de spoel 110 tot gevolg heeft zodat de spoel 110 op overeenkomstige wijze in de richting van de klok zal roteren. Zoals hierna nog uitge-breider uiteen gezet zal worden, vindt deze rotatieinrichting 8200024 -19- van de klok plaats wanneer het reinigingslint 108 teruggewikkeld. wordt op de rechter opwindspoel 110. Wanneer de naaf 200 echter in de tegengestelde richting wordt geroteerd (dat ·. wil zeggen in een richting tegen de klok in) kan de naaf 200 5 vrij over nagenoeg vier omwentelingen roteren voordat de koppelinrichting 214 weer in aangrijping komt.
Dit is te zien door figuur 7a tot en met 7d achtereenvolgens te bekijken. Wanneer de naaf 200 een volledige omwenteling uitvoert bereikt deze de stand van 7b zodat de 10 onderste . tand 206 in contact, komt met de direct daarboven liggende tand 210a. Een tweede omwenteling van de naaf 200 ; heeft tot gevolg dat de onderste ring 208 nagenoeg een volledige omwenteling uitvoert, dodat de tand 210 a in contact komt met de volgende tand 210b daarboven. (Deze toestand 15 wordt in figuur 7c getoond). Een volgende omwenteling van de naaf 200 heeft, tot gevolg dat de beide ringen 208a en 208b over nagenoeg een gehele omwenteling roteren zodat de tand 210b in contact komt met de tand 210c. Een volgende omwenteling van de naaf 200 zou de tand 210c in contact brengen met de 20 tand 212. Het zal duidelijk zijn dat in die toestand de spoel 110 dan in de richting tegen de klok in over nagenoeg vier volledige omwentelingen kan roteren voordat het koppeling-mechanisme 214 weer in aandrijvénde aangrijping komt zoals getoond in de stand van'.'figuur 7a. Zoals uitgebreider hierna 25 beschreven zal worden, vindt deze vrije rotatie van de spoel in de richting van de klok. plaats met het derde type eenheid 10 zoals hierboven werd beschreven, wanneer het reinigingslint van de rechterspoel 110 afgewikkeld wordt om buitenwaarts bewogen te worden tot in zijn werkzame stand.
30 In de figuren 7e en 7f wordt een terugsteIveerinrichting getoond die in de linkerzijde van het cassettehuis 102 is aangebracht nabij de linkerzijde van de linkerplaatsbepalings-spoel 112. Deze veerinrichting 216 heeft een aangrijpings-positie, weergegeven in figuur 7e en een ontkoppelde positie, 35 weergegeven in figuur 7f.
De veerinrichting 216 omvat een langwerpige bladveer 218 met een voorste einde 220 die door drie plaatsbepalingspennen 222, 224 en 226 wordt vastgehouden. De drie pennen 222,224 en 226 zijn· op een zodanige plaats aangebracht dat deze het 8200024 ........ ..........................................-20- ................... ~V".............- --- voorste einde 220 verankeren en beweging van het middelste gedeelte van de bladveer 218 naar links tegengaan» Het ondereinde 228 van de veer 218 is opgenomen in een sleuf in een bedieningsknop 213 die roteerbaar in de linkerachterhoek van 5 het huis 102 is gemonteerd. Aan de knop 230 is een plaats-bepalingsorgaan 232 vast gemonteerd, welk plaatsbepalings-orgaan 232 twee uitsparingen 234 en 236 heeft die een plaats-bepalingspen 238 aan kunnen grijpen. Wanneer de uitsparing 236 in aangrijping is met de pen 238, zoals getoond in figuur 10 7e', rust de bladveer 218 tegen de linkerzijde van de spoel 112. De spoel 112 heeft aan de omtrek een uitstekend gedeelte ! 240 dat bij rotatiebeweging van de spoel 112 de bladveer 218 aangrijpt teneinde dit naar buiten en naar links te duwen. Het zal dus duidelijk zijn dat de bladveer 218 de rotatie van de 15 spoel 212 meegevend tegengaat wanneer de veer 218 zich-in de stand van figuur 7e bevindt.
Wanneer de knop 213 in de tweede stand wordt bewogen, zodat de uitsparing 234 in aangrijping is met de pen 238, wordt de bladveer 218 naar links uitgebogen, zoals in figuur 20 7f wordt getoond. In deze toestand van de veer 218 kan de linkerspoel 112 zonder enige weerstand van de veer 218 roteren.
Voor het beschrijven van de werking van dè reinigings-cassette 100 wordt aangenomen dat deze gebruikt wordt met 25 de eenheid 10 van het eerste type. .Voor een eenheid, van dat type wordt de bedieningsknop 230 in de in figuur 7f getoonde stand gedraaid zodat de veerinrichting 216 in de ontkoppelde toestand staat. Aangenomen wordt dat de cassette 106 op de juiste plaats is aangebracht zoals in figuur 5 wordt getoond. 30 De eerste stap is het op juiste wijze positioneren van het reinigingslint 108 in de huisconstructie 102.
Voor het juist positioneren van het lint 108, zodat dit zijn reinigingswerking uit kan voeren, wordt de cassette 100 eerst ondersteboven gepositioneerd, zoals in figuur 7 wordt 35 getoond. Vervolgens wordt de rechterspoel 110, die zich in figuur 7 links bevindt, geroteerd waardoor alle vrije ruimte in het lint 108 wordt opgenomen zodat het voorste gedeelte 120 van het lint 108 zich volgens een rechte lijn langs het voorste gedeelte van de reinigingsinrichting 100 uitstrekt, 8200024
' - - I
-21- zoals getoond in figuur 7 en 8. Vervolgens wordt de linker plaatsbepalingsspoel 112 (in figuur 7 rechts getoond) in een richting gedraaid die in figuur. 7 in de richting van de klok is, waardoor een gedeelte van de lint 108 op de spoel 112 5 wordt gewikkeld. Deze verdraaiing gaat voort totdat dé lip 160a in aangrijping komt met het aanslagorgaan van 62. In deze toestand bevindt het reinigingslint 108 zich op de juiste plaats voor het toevoegen van de reinigingsoplossing.
Voor het toevoegen van de reinigingsoplossing wordt het 10 deksel 128 in zijn neergelaten stand geplaatst (zoals in figuur 5 getoond) zodat het voorvenster 158 zich voor het lint 108 bevindt. Een geschikte reinigingsoplossing zou bijvoorbeeld zijn een oplossing van alcohol en een vloeibare fluorkoolstof. De reinigingsoplossing wordt op conventionele 15 wijze aan gebracht door de vijf vensters 150 tot en met 158 op de gedeelten van het lint 108 die door deze vensters 150 tot en met 158 bereikbaar zijn. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren met een langwerpig aanbrengorgaan dat aan zijn uiteinde voorzien is van een sponsachtig orgaan dat de reinigingsvloeistof 20 uit een fles op kan nemen en deze reinigingsvloeistof op het lint 108 aan kan brengen.
Wanneer de reinigingsoplossing aldus door de vensters 150 tot en met 158 is aangebracht, wordt‘het voorste deksel 128 omhoog bewogen en wordt de reinigingscassette in de 25 uitsparing 14 van de video-eenheid 10 geplaatst.
De cassette inrichting 100 waarvan de huisconstructie in hoofdzaak. dezelfde vorm heeft als een conventionele band-cassatta 16 past gemakkelijk in de uitsparing 14. De rei-nigingsinrichting 100 is voorzien van plaatsbepalingsgaten 30 185, die passen op.overeenkomende plaatsbepalingspennen in de uitsparing 14 van de eenheid 10. Direct nadat de cassette in de uitsparing 14 is geplaatst, bevindt deze zich in de in figuur 8 getoonde positie, waarbij het reinigingslint 108 zich direct voor de twee geleidingselementen 46 en 48 bevindt 35 en eveneens voor de drukrol 66 en de geleidingspen 72.
Wanneer de cassette 100 in de uitsparing 14 is geplaatst, start hierdoor ogenblikkelijk het mechanisme in de video-eenheid 10 dat de geleidingsring 44 in de richting tegen de klok in laat roteren en de plaatsbepalingsarm 68 naar voren 8200024 -22- laat zwaaien om zijn scharnier 70. Tegelijkertijd grijpt het remorgaan 30 de aandrijfring 26 aan waardoor.deze de. linkerspil en de bijbehorende plaatsbepalingspoel 112 vasthoudt. Het aanslagorgaan 164 verzekert dat de spoel 112 niet roteert 5 totdat de begrenzingsstang overbrenging naar zijn voorste stand is bewogen. Dit aanslagorgaan 164 kan enigszins naar voren verschuiven zodat het bijbehorende aanslagorgaan 166 op,.de spoel 112 door het orgaan 164 bewogen kan worden wanneer de spoel 112, gezien in figuur 8, in de richting tegen de 10 klok in wordt geroteerd. Wanneer de twee aanslagorganen 164 en 166 met elkaar in aangrijping zijn (zoals getoond in figuur 8) wordt rotatie van de spoel 112 in de richting van = de klok verhinderd totdat de buitenwaartse beweging van de plaatsbepalingsarm 68 de begrenzingsstang overbrenging 114 15 buitenwaarts beweegt (zoals in figuur 9 wordt getoond) -teneinde het orgaan 164 uit zijn aanslagstand te bewegen.
Wanneer de geleidingsring 44 in de richting tegen de klok in roteert, trekt het voorste geleidingselement 46 het reinigingslint 108 naar voren zodat dit van de rechterspoel 20 110 afwikkelt, waarbij de linkerspoel 112 stil blijft staan.
Bij de eenheid 10 van dit eerste type is de rechter aandrijf-vertanding ontkoppeld van zijn aandrijving tijdens dit gedeelte van de werking, zodat de rechterspoel 110 vrij kan roteren voor het afwikkelen van het lint 108. De geleidings-25 ring 44 beweegt continue door de positie van figuur 9 en komt tenslotte tot stilstand in de positie van figuur 10. Hierdoor komen de vijf- bevochtigde gedeelten van het reinigingslint 108 in een positie ten opzichte van de videokop 32, de audio- · kop 34, de kaapstander 64 en de drukrol 66 teneinde de 30 reinigingscyclus aan te vangen. In figuur 10 worden de vijf bevochtigde gedeelten als donkere gebieden op het lint 108 getoond, terwijl aan deze gebieden verwijzingscijfers zijn gegeven overeenkomend met hun voorafgaande vensterlocatie in de teruggetrokken positie, waarbij aan deze verwijzingscijfers 35 een "a" is toegevoegd. Het gedeelte van het lint 108 dat dus voor het venster 105 in de positie van figuur 8 lag, heeft in figuur 10 het verwijzingscijfer 150a. Op overeenkomstige wijze is het gedeelte van het lint 108 dat voor het venster 152 lag aangegeven in figuur 10 als 152a, enzovoort, tot aan de plaats 8200024 -23-....... .......... · ...........
van 158a.
Terwijl het lint zich in de positie van figuur 10 bevindt, wordt de toets "voorwaarts afspelen" van de video eenheid 10 ingedrukt waardoor de drukrol 66 in contact beweegt 5 met de kaapstander 64 die in de richting tegen de klok in roteert, 2oals in figuur 10 wordt getoond. Tegelijkertijd begint de rechter opwindspoel 110 in de richting van de klok te roteren en ontkoppelt het remorgaan 30 waardoor de spoel 112 kan roteren. In deze toestand bij de aanvang van de 10 reinigingscyclus is te zien dat de drie bevochtigde gedeelten 158a,156a en 154a in contact zijn met het oppervlak 38 van de videokop 32. Ook komt het bevochtigde bandgedeelte 150a juist in contact met het werkzame oppervlak van de audiokop .
34- Zodra de afspeeltoets op de video eenheid 10 is ingedrukt, 15 begint de videokop te roteren met een relatieve hoge om- wentelingssnelheid, waardoor de reinigingswerking van de bevochtigde gedeelten 158a,156a en 154a dus wordt versterkt. De drukrol 66 drukt het lint 108 ook tegen de kaapstander 64 aanr waardoor een lineaire beweging van het lint door de eenheid 10 20 wordt verkregen.
Het reinigingslint beweegt van de positie van figuur 10 ongeveer o.ver 3 tot 5 inch (7,5-12,5 cm) in langsrichting, tot in de stand van figuur 11. Te· zien. is dat de bevochtigde gedeelten van het lint 108 langs de audiokop 34 zijn bewogen, 25 dan tussen de kaapstander 64 en de drukrol 66 door teneinde deze onderdelen te reinigen. Op dit moment beweegt het folie— deel 169 langs het detectie-element 74 teneinde-het uitscha-kelmechanisme te activeren zodat de drukrol 66 over een korte afstand, van de kaapstander 64 af beweegt voor het vrijlaten 30 van het lint 108. Direct hierna roteert de geleidingsring in de richting van de klok terug naar zijn uitgangsstand van figuur 8, en roteert de rechter opwindspoel in de richting van de klok teneinde het lint 108 op de spoel 110 op te wikkelen. De plaatsbepalingsarm 68 beweegt ook terug naar de 35 positie van figuur 8, waarbij de stangoverbrenging 114 eveneens terug beweegt onder invloed van de werking van het veer-orgaan 144.
Wanneer de verschillende onderdelen terugbewogen zijn tot in de stand van figuur 8, kan de cassette 100 eenvoudig 8200024
, I
-24- uit de uitsparing 14 worden genomen. Om de reinigingsinrich-ting 100 voor een volgende werking gereed te maken, wordt .:, deze eenvoudig omgekeerd en wordt de spoel 112 tot in de in -figuur 7 getoonde stand geroteerd. Hierna kan het lint 108.
5 op de verschillende plaatsen weer bevochtigde worden en kan een volgende reinigingscyclus worden uitgevoerd op de boven beschreven wijze.
Aan de hand van figuur 12 tot en met 15 zal nu de werking van de onderhavige uitvinding worden beschreven bij 10 gebruik in een videorecorder van het tweede type, zoals eerder werd beschreven. Zoals werd gesteld, begint de kop 32 bij de recorder van dat type te roteren zodra het reinigingslint naarbuiten wordt bewogen tot in contact met de kop 32. Ook is bij de recorder van het tweede type het remorgaan 30 niet 15 aanwezig of oefent dit remorgaan een remkracht uit die ‘in bepaalde gevallen niet voldoende is om het aandrijf or gaan 20 voldoende af te remmen.
Zoals in figuur 12 wordt weergegeven, wordt de veerin-richting 216 voor het gebruik van de cassette reinigingsin-20 richting 100 bij dit tweede type eenheid 10 in de aangrijpings-stand bewogen, waarbij de bladveer 218 de aanvangsrotatie van de spoel 112 in de richting van de klok tegenwerkt. In andere opzichten is de werking van de cassette reinigingsinrichting 100, zoals weergegeven, in de figuren 12 tot en met 15, vrijwel 25 gelijk aan- de werking van de eenheid zoals getoond in de • figuren 8 tot en met 11. Zoals in figuur 13 is te zien, blijft de arm. 68 in zijn teruggetrokken stand wanneer de ring 44 roteert om hét reinigingslint 108 naarbuiten te bewegén. Zeer kort daarna begint de arm 68 naar buiten te bewegen en het 30 aanslagorgaan 164 uit aangrijping met hetbijbehorende aan-slagorgaan 166 te bewegen. Daar het reinigingslint 108 nog steeds naar buiten wordt getrokken, treedt een spanning op in het lint 108 waardoor dit lint, behalve van de spoel 110, ook van de spoel 112 wordt af gewikkeld. Dit wordt tegengewerkt 35 door het veer orgaan 218 dat tegen het uitstekende orgaan 240 van de spoel 112 aanrust. Wanneer het lint 108 geheel uitgetrokken is, zoals getoond in figuur 14, is de volgende werking het indrukken van de afspeeltoets zodat het reinigingslint aangegrepen wordt door de kaapstander 64 en de drukrol 66 8200024 -25- gedwongen wordt door de eenheid 10 te bewegen. Hierdoor wordt een grotere spanningsbelasting op het lint 108 uitgeoefend dat zich op de spoel 112 bevindt, en dit is voldoende om de werking van de veer 218 te overwinnen. Het reinigingslint 5 wordt dus van de spoel 112 af gewikkeld terwijl de spoel 112 roteert, en het lint beweegt voorts door zijn reinigingscyclus tot in de stand van figuur 15. Daarna wordt het reinigingslint op dezelfde wijze teruggetrokken als hierboven werd beschreven voor de werking van de casettereinigingsinrichting 100 in de 10 eenheid 10 van het eerste type.
De reden dat het veerorgaan 218 buiten aangrijping met : de spoel 112 blijft in de toepassing bij de eenheid 10 van t het eerste type (zoals getoond in de figuren 8.:tot en met 11) ! is dat de rotatie van de kop 32 wordt vertraagd totdat het 15 lint 108 geheel uitgetrokken is en de afspeeltoets is ingedrukt. Wanneer de afspeeltoets ingedrukt wordt voor het doen aanvangen van de rotatie van de kop 32 en ook om de kaapstander 64 en de drukrol 66 in aangrijping met elkaar te laten komen en het lint 1Q8 naar buiten te laten trekken, zal, 20 wanneer er een voldoende grote tegenwerkende kracht op de spoel 112 werkt, de spanning in het lint 108 toenemen waardoor deze met een grotere kracht tegen de kop 32 aandrukt. Wanneer de kop 32 teveel weerstand tegen rotatie ondervindt wordt hierdoor een automatisch uitschakelmechanisme in de 25 eenheid 10 in. gang gezet.
Bij de eenheid 10 van het tweede type is de resulterende kracht op de kop 32 echter niet voldoende groot om het uit— schakelmechanisme in deze eenheid in gang te zetten daar de kop 32 reeds met een relatief hoge snelheid roteert wanneer - 30 de kaapstander 64 met de drukrol 66 in aangrijping komt.
De werking van de cassettereinigingsinrichting 100 in de videorecorder eenheid 10 van het derde type zal nu verder worden beschreven aan de hand van de figuren 12 tot en met 15. Zoals eerder werd opgemerkt is dit derde type van de eenheid 35 10 zo uitgevoerd dat wanneer de band van een conventionele bandcassette uit de bandcassette wordt getrokken, de rechter aandrijf spil 18 stil blijft staan en de band van de linkerspoel 80 wordt af gewikkeld. Wanneer deze werking echter op zou •-treden wanneer de cassettereinigingsinrichting 100 in de werk— 8200024 ' zame stand in de eenheid 10 wordt geplaatst, zouden de bevochtigde reinigingsgedeelten van het lint 108 in het cassette-huis 102 blijven. Om dit probleem op. te lossen is de. eerdergenoemde koppelinrichting 214 aangebracht.
5 Teneinde de cassettereinigingsinrichting 100 voor te bereiden voor het ’ aanbrengen in de uitsparing 14 van het huis 12 van de eenheid, 10, wordt de cassette omgekeerd zodat het bodemoppervlak naarboven gekeerd is zoals in figuur 7 • wordt getoond. De spoel 112 wordt'daarna in de richting van 10 de klok geroteerd (zoals hierboven reeds eerder werd beschreven met betrekking tot de werking van een eenheid 10 van het . eerste type) totdat de lip 160a in contact kan komen met het : aanslagorgaan 162. Daarna wordt de spoel 110, zoals in figuur : 7 wordt getoond, tegen de richting van de klok in geroteerd 15 : om ruimte in het reinigingslint 108 op te nemen. De naaf 200 wordt daarna, in de richting van de klok geroteerd totdat de koppelingtanden 206 ,.210a-2l0c en 212 in aangrijping komen.
Door dit te doen wordt de spoel 110 ten opzichte van de naaf 200 gepositioneerd zodat de spoel 110 vrij kan roteren over 20 nagenoeg vier volle omwentelingen in de afwikkelrichting, terwijl de naaf 200 stil blijft staan.
De cassettereinigingsinrichting 100 wordt daarna in de uitsparing 14 van de eenheid 10 geplaatst op de eerder beschreven wijze. De veer inrichting 216 wordt eveneens in de vast-25 hondstand geplaatst zoals getoond in de figuren 12 tot en met 15. De afspeeltoets van de eenheid 10 wordt vervolgens ingedrukt om de ring 44 te laten roteren en het lint 108 naar buiten te laten trekken tot in de werkzame stand. Daar het ; veer orgaan .218 in aangrijping is met het uitsteeksel 240 op 30 de spoel 112, zal de spoel’ 112 niet direct gaan roteren. Daar het koppelingmechanisme 214 echter een vrije rotatie van de rechterspoel 110 over verscheidende omwentelingen toelaat, wordt reinigingslint 118 van de spoel 110 afgewikkeld.
Wanneer het lint 108 zich in de in figuur 14 getoonde 35 stand bevindt, wordt de afspeeltoets van de eenheid 10 ingedrukt waardoor de kaapstander 64 en de drukrol 66 het lint 108 aangrijpen en dit door zijn reinigingscyclus bewegen. Tegelijkertijd begint de rechter aandrijfvertanding 18 te roteren xwaardoor het koppelingmechanisme 214 in aangrijping komt voor 40 82 0 0 02 4 4 ............... ....... ...... .......' -27- ...... " ' ' ......· het weer op de rechter spoel 110 wikkelen van het lint 108.
Aan het einde_van de reinigingscyclus wordt de eenheid 10 bediend teneinde de ring 44 te doen roteren en het lint 108 terug te laten trekken, terwijl tegelijkertijd de spoel 110 5 wordt geroteerd door de aandrijfvertanding, voor het op de spoel 110 wikkelen van het lint 108.
De figuren 16 tot en met 21 geven een tweede uitvoeringsvorm van de onderhavige uitvinding weer.. Getoond wordt een cassettehuis 300 met in het algemeen dezelfde vorm als een 10 bandcassette en geschikt om in de'recorder geplaatst te worden. Dit huis 300 heeft een bovenwand 302, een onderwand 304, een voorwand 306, een achterwand 308 en twee zijwanden 310. Het rechtergedeelte van de voorwand 306 is weggenomen en het aangrenzende gedeelte van de bodemwand 304 is bij 312 15 voorzien van een uitsparing voor het opnemen van geleidings— organen die op dit moment in conventionele recorders aanwezig zijn.
In het huis 300 zijn in hoofdzaak identieke rechter- en linkerspoelen 314 respektievelijk 316 gemonteerd. Op elk van 20 de spoelen 314 en 316 is een reinigingslint 318 gewikkeld dat zich van de spoelen uitstrekt door openingen in de voorwand 306 aan weerszijden van de uitsparing 312. Het voorste ge-•deelte van het lint 308 strekt zich dus bij 324 langs het voorste gedeelte van het huis 300 uit vlak voor de uitsparing 25 312. Het lint 318 is voldoende lang zodat de einden van het lint elk. over ongeveer 4 tot 6 slagen om beide spoelen 314 en 316 gewikkeld kan zijn.
In figuur 18 is te zien dat elke spoel 314 of 316 een naaf gedeelte-.. 325 omvat met een onderste buisvormig gedeelte 30 328 met een relatief kleine diameter en een schijf gedeelte 330 dat drie gaten 332 heeft die daarin zijn gevormd door het opnemen van aandrijfelementen van de recorder. Met het naaf-gedeelte 326 is het buitenste gedeelte van de spoel 314 of 316 verbonden, waarbij dit buitenste gedeelte een binnenste 35 cylindrische wand 334 en een buitenste cylindrische wand 336 omvat die stijf met elkaar zijn verbonden aan hun bovenranden door middel, van een ringvormig gedeelte 338. De bovenste en onderste ringvormige flenzen 340 en 342 strekken zich buitenwaarts van de buitenwand 336 uit voor het vormen van een ring-xvormige uitsparing waarin het reinigingslint 318 gewikkeld kan φ· -28- worden. Elk van de flenzen 340 en 342 is voorzien van een aantal op gelijkmatige afstanden aangebrachte boogvormige toegangsopeningen 344 die van elkaar zijn gescheiden door.
. spaakorganen 346 met een relatief .geringe breedte. De boven-5 wand .302 en de bodemwand 304 zijn ook elk voorzien van een paar diametraal tegenover elkaar liggende verticaal gerichte toegangsopeningen 348 respektievelijk 350. Deze openingen 348 en 350 zijn respektievelijk direct boven en onder de flenzen 340 en 342 van een bijbehorende spoel 314 of 316 10 gepositioneerd, zodanig dat deze verticaal op éën lijn liggen met de spoeltoegangsopeningen 344 die zich op elk moment nabij ; de openingen 348 en 350 bevinden. Wanneer de reinigingsvloei-. stof dus door de toegangsopeningen 348 en/of 350 wordt gegoten, worden de gedeelten van het reinigingslint 318,,die zich 15 tussen een paar toegangsopeningen 348 en 350 bevinden, bevochtigd met de reiiiigingsoplossing, terwijl de andere gedeelten van het lint 318 droog blijven.
Ook zijn in de bovenwand 304 van het huis 300 rechter en linker cirkelvormige openingen 352 respektievelijk 354 ge-20 vormd, op de plaats van de naaf gedeelten 326 van de rechter-en linkerspoelen 314 en 316. Deze openingen 352 en 354 maken 'het mogelijk dat de aandrijf elementen van de recorder in aan— grijping komen met het naafgedeelte 326. In de hier getoonde speciale uitvoeringsvorm bevinden de twee paar diametraal 25 tegenover elkaar liggende bodemtoegangsopeningen 350 zich aan weerszijden van de openingen 352 en 354.
Teneinde^ da plaats van het lint 318 op de twee spoelen 314 en 316 aan te geven is een wijzerorgaan 356 aangebracht dat roteerbaar in het. middéndeel van 'het huis 300 is gemon-• '30 teerd. Deze wijzer, 356 heeft een aantal over de omtrek op een afstand van elkaar liggende .tanden 358 die éën enkele tand 360 aan kunnen grijpen welke zich op de omtrek van de linkerspoel 316 bevindt. Het wijzerorgaan 356 wordt meegevend in elke willekeurige positie gehouden door een bladveer 362 die 35 door·'middeluvan een paar:.pennen 364 in het huis is gemonteerd.
Wanneer de spoel 316 één enkele omwenteling maakt, komt deze in aan grijping met een aangrenzende tand 358 en beweegt deze de wijzer 356 over één stap die gelijk is aan de afstand ‘^van een aangrenzend paar tanden 358. Na een dergelijke stap 8200024 grijpt de veer 362 de volgende-tand 358 aan teneinde de wijzer 356 in de nieuwe stand vast te houden. De tanden zijn opeenvolgend genummerd en in de bovenwand 3Q2 is een aanwijs opening 366, die zodanig gepositioneerd is dat het nummer wordt ge-5 toond dat zich nabij de voorste tand 358 bevindt. Zoals in figuur 1 wordt getoond, verschijnt het nummer in het venster 366. Wanneer het nummer "1" in het venster 366 ver-• schijnt betekent dit dat het lint 318 het juiste aantal slagen op elk van de spoelen 3.14 en 316 is gewikkeld zodat het lint 10 318 zich in zijn juist voor-reinigingstoestand bevindt.
Voor wat betreft de werking van deze twee uitvoeringsvorm worden eerste de twee spoelen 314 en 316 zodanig geroteerd dat het lint 318 zich in zijn juist voor-reinigingsstand bevindt, zoals aangegeven wordt door het in het. venster 366 (op de 15 direct hierboven beschreven wijze) verschijnen van het cijfer " 1". In deze toestand is het lint gelijkmatig op de twee spoelen 314 en 316 gewikkeld. De volgende stap is het aanbrengen van de- reinigingsoplossing in het juiste stel toegangs-gaten 348 en 350. Dit zal afhangen van de kenmerken van de 20 recorder waarbij de eenheid wordt gebruikt. In de eenheid 370 die in figuur 19 slechts gedeeltelijk wordt getoond, wordt bij i de normale werkwijze de band van de rechterspoel van de band-cassette af gewikkeld. Voor deze .speciale eenheid 370 wordt de reinigingsoplossing dus eerst-door het rechter stel bovenste 25 gaten 348 aangebracht; vervolgens wordt het huis 300 omgekeerd zodat de bovenzijde 304 naar boven is gekeerd; en wordt reinigingsoplossing ook door de twee rechter bodemgaten 350 aangebracht,
Het gevolg van het feit dat de stellen gaten 348 en 350 30 diametraal tegenover elkaar liggen is dat de reinigingsoplossing op het lint wordt aangebracht op over de omtrek op een afstand van elkaar liggende plaatsen. Daar in de voor-reini-gingstoestand het. lint ongeveer vier tot zes maal met slagen op de spoel 314 is opgewikkeld, wordt de reinigingsoplossing 35 op tenminste acht plaatsen op het lint 318 aangebracht.
Het huis 300 wordt daarna in de recorder eenheid 370 geplaatst en de eenheid wordt bediend teneinde de geleidings-organen 371 van de eenheid 370 het voorste lintgedeelte 324 aan te laten grijpen en dit in een baan om· de afspeelkop 372 ' ^ 4 heen en in aangrijping daarmee te bewegen. Vervolgens wordt de eenheid bediend om de kaapstander 374 en de drukrol 376 het lint 318 aan te laten grijpen en het lint 318 door de eenheid 370 te laten bewegen. Tegelijkertijd zorgen de aan-5 drijfeenheden van de eenheid 370 ervoor dat de spoelen 314 en 315 roteren volgens de bewegingsrichting van het lint 318.
Dit heeft tot gevolg dat de gedeelten van het lint 318 die met de reinigingsoplossing zijn bevochtigd (aangegeven met 378) langs de verschillende onderdelen van de eenheid 370 i 10 bewegen waardoor deze worden gereinigd. Het afwisselende contact van eerst een bevochtigd gedeelte van het lint en ver-; volgens een droog gedeelte van het lint 318 met de verschil-; lende onderdelen van de eenheid 370 heeft in feite een be-! vochtiging- en droogwerking tot gevolg die de reiniging van 15 de kop 372 en de andere onderdelen verbetert.
Voor. de beëindiging van de reinigingscyclus is het lint 318 voorzien van een uitschakelgedeelte (bijvoorbeeld een doorzichtig gedeelte of een metalen deel) waardoor de eenheid. 370 de geleidingsorganen 371 terugbeweegt in de teruggetrokken 20 stand. Tegelijkertijd worden ëên of beide spoelen 314 en 316 door de aandrijfelementen van de eenheid 370 geroteerd teneinde het lint 318 in het huis 300 op te wikkelen.
Een van de problemen die optreden bij een reinigings-inrichting voor>'.videorecorders is dat er verscheidene een-25 heden zeer vaak van elkaar verschillen wat betreft de wijze waarop de afspeelband van de spoelen wordt afgewikkeld. Bij 'sommige eenheden wordt de band van de rechterspoel afgewikkeld en bij weer andere van de linkerspoel. Bij deze tweede uitvoeringsvorm wordt dit probleem op unieke wijze opgelost door '30 het mogelijk te maken dat het lint 318 met een reinigingsoplossing bevochtigd kan worden. Op de plaats van de rechter-en linkerspoel 314 en 316 of van beide, waardoor het lint 318 van beide spoelen 314 of 316 afgewikkeld kan worden.
Een modificatie van de tweede uitvoeringsvorm is in 35 figuur 21 weergegeven. In plaats van gebruik te maken van het wijzerorgaan 356 voor het aan geven van de plaats van het lint 318, is het eenvoudigweg mogelijk om kenmerken, (bijvoorbeeld nummers) op het onbedekte oppervlak van het lint 318 aan te . brengen op over de lengte van het lint op afstand van elkaar • 82 0 0 0 2 4 * * , * « liggende plaatsen. Wanneer een bepaalde numerieke waarde verschijnt op het voorste vrij liggende gedeelte 324 van het lint 318 weet de gebruiker dat het lint 318 zich in zijn juiste - voor-reinigingsstand bevindt. Zoals in figuur 21 is weerge-5 geven, verschijnt het nummer M'* bijvoorbeeld bij de opening 316. De gebruiker roteert de spoelen 314 en 316 eenvoudig op geschikte wijze zodat de juiste numerieke waarde (bijvoorbeeld • "0") ter plaatse van. de opening 316 verschijnt. .Het lint 318 ; bevindt zich dan in de juiste voor-reinigingsstand. ' 10 8200024
Claims (10)
1. Reinigingsinrichting in het bijzonder geschikt voor gebruik met een af speel· en/of weergeefinrichting, omvattende een koporgaan met een aan vervuiling blootstaand kopoppervlak en tussen een eerste teruggetrokken stand en een tweede werk— 5 zame stand beweegbare geleidingsmiddelen voor het in werkzaam ’ contact met het koporgaan bewegen'van een band, waarbij de inrichting geschikt is voor het reinigen van tenminste het r kopoppervlak en gekenmerkt wordt door een in een werkzame : stand ten opzichte van de recorder aan te brengen huis, een '10 in het huis gemonteerd reinigingslint dat een teruggetrokken ' voor-reinigingsstand in het huis en een reinigingsstand waarin het. lint zich gedeeltelijk buiten het huis bevindt, in kan nemen, waarbij het huis eerste openingen heeft aan een voorste gedeelte van het huis.voor het vrijlaten van een eerste aan-15 grijpingsgedeelte van het lint voor aangrijping daarvan door -de geleidingsmiddelen zodat het lint door de geleidingsmiddelen aangegrepen kan worden en uit het huis getrokken kan worden tot in zijn reinigingsstand, op een zodanige wijze dat een tweede reinigingsgedeelte van hét lint in contact wordt be-20 wogen met tenminste het koporgaan, en doordat het huis tweede toegangsopeningen heeft waardoorheen het tweede gedeelte van het lint toegankelijk is wanneer het lint zich in zijn teruggetrokken, stand bevindt, op een zodanige wijze dat een rei-nigingsmateriaal op het tweede lintgedeelte aangebracht kan 25 worden wanneer· het lint zich in zijn teruggetrokken stand bevindt » 2. “Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat in het huis een roteerbaar gemonteerde spoel in aangrij— * \ ping met het lint is aangebracht, dat de spoel ten opzichte 30 van het lint zodanig is aangebracht dat deze in een voor-reinigingsstand geroteerd kan worden waarin het lint op de spoel in zijn voor-reinigingsstand is gewikkeld, waarbij de inrichting verder plaatsbepalingsmiddelen omvat voor het in hun respektievelijk voor-reinigingsstanden positioneren van het 35 lint en de spoel. ^ 3- Inrichting volgens conclusie. 2, met het kenmerk, ... 82 0 0 0 2 4 - . —33-..... ....... ....... dat de plaatsbepalingsmiddelen een zodanig werkzaam, met de spoel verbonden aanwijsorgaan, omvatten dat door rotatie van de spoel het aanwijsorgaan beweegt teneinde de positie-van het lint ten opzichte van de spoel aan te geven*
4. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de plaatsbepalingsmiddelen merktekens op het lint omvatten voor het aangeven van de positie van het lint ten opzichte van , de voor-reinigingsstand- van hetilint*
5. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat 10 de plaatsbepalingsmiddelen samenwerkende aanslagmiddelen omvatten die aangrijping komen wanneer de spoel in zijn voor-reinigingsstand is geroteerd. ;
6. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de toegangsopeningen een aantal langs een randgedeelte van het 15 huis op onderlinge afstanden aangebrachte toegangsopeningen zijn. . 7. Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de spoel voorzien is van een aantal over de omtrek ver&eeld aangebrachte gaten die het op de spoel gewikkelde lint vrij-20 laten, waarbij de toegangsopeningen tenminste één huisopening nabij de spoelopeningen omvatten, zodat een reinigingsmateriaal door de huisopening gevoerd kan worden teneinde toegevoerd te worden aan tenminste een gedeelte van de spoelopeningen op een op de spoel gewikkeld lint.
8. Inrichting volgens conclusie 1, methet kenmerk, dat · twee spoelen roteerbaar in het huis zijn gemonteerd, dat het lint op elk van-de spoelen gewikkeld kan worden, dat elke spoel op-het lint vrij latende openingen heeft, dat het huis nabij de spoelopeningen gepositioneerde huisopeningen heeft, - 30 waardoor een reinigingsmateriaal aan de huisopeningen toegevoerd kan worden en door de spoelopeningen heen zodat het reinigingsmateriaal aangebracht wordt op de lintgedeelten nabij de huisopeningen.
9. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat 35 er twee roteerbaar in huis gemonteerde spoelen aanwezig zijn, waarbij het lint op beide spoelen gewikkeld kan zijn, waarbij tenminste één van de spoelen met een aandrij felement van de inrichting verbonden kan worden, terwijl de inrichting verder koppelingmiddelen omvat die de ene spoel op een zodanige ./wij ze 8200024 ........... .............."............-34-”................ .......... ..... ........ .* « • aan kan grijpen dat de spoel in een eerste richting wordt geroteerd, terwijl tenminste een beperkte relatief vrije rotatie van de spoel in een tweede richting wordt toegelaten.
10. Inrichting volgens conclusie 9, -met het kenmerk, dat 5 de koppelingmiddelen tenminste een eerste koppelingorgaan omvatten dat verbonden is met de spoel en een tweede koppelingorgaan dat het aandrijf or gaan van de inrichting aan kan grijpen, waarbij de twee koppelingorganen eerste en tweede kantmiddelen hebben die in aandrijvende aangrijping met elkaar 10 kunnen komen, en ook een tenminste beperkte vrije relatieve rotatie toelaten. ) 11. Werkwijze voor het reinigen van tenminste een kop- orgaan van een weergeef en/of opneeminrichting, waarbij de inrichting geleidingsmiddelen omvat die beweegbaar zijn tussen 15 een eerste teruggetrokken stand en een tweede werkzame .stand teneinde een band. in werkzaam contact met het koporgaan te : brengen, gekenmerkt door het verschaffen van een in een werkzame positie ten opzichte van de inrichting aan te brengen huis en een in het huis aangebracht reinigingslint, het in 20 een teruggetrokken voor-reinigingsstand brengen van het lint op een zodanige wijze dat reinigingsgedeelten van het lint zich nabij toegangsopeningen in het huis bevinden, het door de toegahgsopeningen op de reinigingsgedeelten aanbrengen van een reinigingsmateriaal, het in de recorder steken van het huis 25 en het. in werking stellen van de inrichting waardoor de geleidingsmiddelen een voorste gedeelte van het lint aangrijpen om het lint- in contact te bewegen met het koporgaan, waarbij de reinigingsgedeelten van het lint in reinigingscontact komen met het koporgaan. . 30 12. Werkwijze# volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat ! het lint in zijn voor-reinigingsstand wordt gebracht door een dpoel te roteren die zich in het huis bevindt en waarop het lint is gewikkeld, teneinde een aanwijsorgaan in een de voor-reinigingsstand aanwijzende stand te bewegen.
13. Werkwijze volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het lint in de voor-reinigingsstand wordt gebracht door plaats-bepalingsmerktekens op het lint in een juiste stand ten opzichte van het huis te brengen. ' ' -- - - * ' · " 8200024 -35- .* Λ
14. Werkwijze volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het lint in zijn voor-reinigingsstand wordt gebracht door een spoel waarop het lint gewikkeld is in het huis te roteren waardoor samenwerkende aanslagmiddelen in aangrijping komen 5. wanneer het lint zich in zijn voor-reinigingsstand bevindt.
15. Werkwijze volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het lint in het huis op twee spoelen is gewikkeld, en dat i ! reinigingsmateriaal selectief door toegangsopeningsmiddelen : in het huis en in tenminste één van de spoelen wordt gebracht 10 teneinde reinigingsmateriaal selectief aan reinigingsgedeelten van het lint op tenminste één van de spoelen toe te voeren, ! ; dat vervolgens de inrichting in bedrijf wordt gesteld waardoor • de lintgedeelten, waarop het reinigingsmateriaal is aangebrachtr : in contact komen met de kop van de inrichting. 15 ’ 8200024
Applications Claiming Priority (6)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| US06/223,025 US4387411A (en) | 1980-01-04 | 1981-01-06 | Apparatus and method for cleaning a video player/recorder |
| US22302581 | 1981-01-06 | ||
| US25394381A | 1981-04-14 | 1981-04-14 | |
| US25394381 | 1981-04-14 | ||
| US33233381 | 1981-12-21 | ||
| US06/332,333 US4498113A (en) | 1981-04-14 | 1981-12-21 | Apparatus and method for cleaning a video player/recorder |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8200024A true NL8200024A (nl) | 1982-08-02 |
Family
ID=27397171
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8200024A NL8200024A (nl) | 1981-01-06 | 1982-01-06 | Inrichting en werkwijze voor het reinigen van een video bandopneem/weergeefinrichting. |
Country Status (16)
| Country | Link |
|---|---|
| AU (1) | AU541655B2 (nl) |
| CH (1) | CH654687A5 (nl) |
| DE (1) | DE3200119A1 (nl) |
| DK (1) | DK1082A (nl) |
| FI (1) | FI820014L (nl) |
| FR (1) | FR2497594B1 (nl) |
| GB (1) | GB2094539B (nl) |
| HK (1) | HK82285A (nl) |
| IE (1) | IE50645B1 (nl) |
| IL (1) | IL64708A (nl) |
| IT (1) | IT1189202B (nl) |
| MX (1) | MX151203A (nl) |
| NL (1) | NL8200024A (nl) |
| NO (1) | NO820013L (nl) |
| NZ (1) | NZ199427A (nl) |
| SE (1) | SE8200048L (nl) |
Families Citing this family (12)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4462056A (en) * | 1981-11-30 | 1984-07-24 | Stephen Kara | Video tape recorder cleaning device |
| JPS58169320A (ja) * | 1982-03-31 | 1983-10-05 | Pioneer Electronic Corp | ヘツドクリ−ニング用カセツト |
| US4490761A (en) * | 1982-08-02 | 1984-12-25 | Calibron Corporation | Casette recorder cleaning unit |
| BE894385A (fr) * | 1982-09-13 | 1983-01-03 | Staar Sa | Cassette ou cartouche de nettoyage pour appareils d'enregistrement et/ou de lecture de bandes magnetiques |
| BE894387A (fr) * | 1982-09-13 | 1983-01-03 | Staar Sa | Methode de nettoyage des organes d'un appareil d'enregistrement et de lecture de bandes magnetiques-cassette et appareil pour la mise en oeuvre de cette methode |
| DE8318007U1 (de) * | 1983-06-22 | 1983-12-01 | Willburger, Ulrich, 8110 Seehausen | Reinigungskassette |
| US4635154A (en) * | 1983-12-23 | 1987-01-06 | Allsop, Inc. | Cleaning ribbon and method for cleaning a video player/recorder |
| GB2175435A (en) * | 1985-05-17 | 1986-11-26 | Viva Magnetics Ltd | Cleaning device for a video recorder/player |
| IE60596B1 (en) * | 1985-07-26 | 1994-07-27 | Fritsch Joseph Frederick | Plastic apparatus |
| US4894743A (en) * | 1986-01-10 | 1990-01-16 | Allsop, Inc. | Replaceable cleaner/drive members for a tape drive machine |
| EP0259477A1 (en) * | 1986-02-25 | 1988-03-16 | Allsop, Inc. | Method and apparatus for cleaning operating components of a video player/recorder |
| GB2428863B (en) * | 2005-07-29 | 2007-08-08 | Hewlett Packard Development Co | A cleaning cartridge and data transfer apparatus |
Family Cites Families (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR1233242A (fr) * | 1958-08-01 | 1960-10-12 | Metro Sound Mfg Company Ltd | Dispositif pour le nettoyage des surfaces de contact des têtes de magnétophones et appareils analogues |
| BE758390A (fr) * | 1970-01-30 | 1971-04-16 | Ampex | Appareil de desaimantation et de nettoyage de tete d'enregistreur ou reproducteur de bande magnetique |
| US3810230A (en) * | 1972-01-12 | 1974-05-07 | Ampex | Demagnetizer and cleaning cartridge |
| US3931643A (en) * | 1973-04-06 | 1976-01-06 | Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. | Magnetic head cleaning tape cartridge for use in magnetic recording and reproducing apparatus of the rotary head type |
| GB1482410A (en) * | 1974-08-09 | 1977-08-10 | Emi Ltd | Device for cleaning magnetic tape recording and/or reproducing machines |
| US4100643A (en) * | 1977-06-20 | 1978-07-18 | Horian Richard C | Magnetic tape sensing head cleaner |
| US4141053A (en) * | 1977-07-18 | 1979-02-20 | Stephen Kara | Magnetic tape head cleaning apparatus |
| GB2066999B (en) * | 1980-01-04 | 1984-01-04 | Allsop Inc | Video player/recorder cleaning apparatus and method |
-
1982
- 1982-01-04 IL IL64708A patent/IL64708A/xx unknown
- 1982-01-04 AU AU79171/82A patent/AU541655B2/en not_active Ceased
- 1982-01-05 FI FI820014A patent/FI820014L/fi not_active Application Discontinuation
- 1982-01-05 IE IE8/82A patent/IE50645B1/en unknown
- 1982-01-05 NO NO820013A patent/NO820013L/no unknown
- 1982-01-05 GB GB8200191A patent/GB2094539B/en not_active Expired
- 1982-01-05 DE DE19823200119 patent/DE3200119A1/de not_active Withdrawn
- 1982-01-05 DK DK1082A patent/DK1082A/da not_active Application Discontinuation
- 1982-01-06 NZ NZ199427A patent/NZ199427A/en unknown
- 1982-01-06 NL NL8200024A patent/NL8200024A/nl not_active Application Discontinuation
- 1982-01-06 CH CH43/82A patent/CH654687A5/de not_active IP Right Cessation
- 1982-01-06 FR FR8200097A patent/FR2497594B1/fr not_active Expired
- 1982-01-06 MX MX190878A patent/MX151203A/es unknown
- 1982-01-07 SE SE8200048A patent/SE8200048L/ not_active Application Discontinuation
- 1982-06-06 IT IT47509/82A patent/IT1189202B/it active
-
1985
- 1985-10-24 HK HK822/85A patent/HK82285A/xx unknown
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| NO820013L (no) | 1982-07-07 |
| AU541655B2 (en) | 1985-01-17 |
| IL64708A (en) | 1985-07-31 |
| IE820008L (en) | 1982-07-06 |
| AU7917182A (en) | 1982-07-15 |
| IE50645B1 (en) | 1986-05-28 |
| GB2094539B (en) | 1985-01-23 |
| SE8200048L (sv) | 1982-07-07 |
| CH654687A5 (de) | 1986-02-28 |
| DK1082A (da) | 1982-07-07 |
| GB2094539A (en) | 1982-09-15 |
| FR2497594B1 (fr) | 1985-12-13 |
| IT8247509A1 (it) | 1983-12-06 |
| FR2497594A1 (fr) | 1982-07-09 |
| HK82285A (en) | 1985-11-01 |
| MX151203A (es) | 1984-10-09 |
| IL64708A0 (en) | 1982-03-31 |
| NZ199427A (en) | 1984-07-31 |
| IT8247509A0 (it) | 1982-01-06 |
| FI820014A7 (fi) | 1982-07-07 |
| FI820014L (fi) | 1982-07-07 |
| DE3200119A1 (de) | 1982-11-04 |
| IT1189202B (it) | 1988-01-28 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US4387411A (en) | Apparatus and method for cleaning a video player/recorder | |
| US3672603A (en) | Tape cartridge | |
| NL8200024A (nl) | Inrichting en werkwijze voor het reinigen van een video bandopneem/weergeefinrichting. | |
| CA1045607A (en) | Tape cassette | |
| US3254856A (en) | Transducing machine | |
| US4575778A (en) | Tape cassette containing run counter disc | |
| US4498113A (en) | Apparatus and method for cleaning a video player/recorder | |
| US4345540A (en) | Tape cassette | |
| GB2140962A (en) | Cleaning playing/recording apparatus | |
| US4637088A (en) | Tape cleaning machine | |
| EP0285384A2 (en) | Disposable non-rewinding tape cassette | |
| US5541794A (en) | Magnetic tape recording head cleaning apparatus | |
| US5859755A (en) | Magnetic tape recording head cleaning apparatus | |
| US5461529A (en) | Video player/recorder head drum cleaning device | |
| US3781487A (en) | Reel-over-reel video tape cartridge and transport apparatus with sliding pivot | |
| CA1182558A (en) | Apparatus and method for cleaning a video player/recorder | |
| JP3464312B2 (ja) | 磁気テープカセット用リール | |
| BE891096A (fr) | Cassette de nettoyage pour enregistreurs magnetiques | |
| US5430593A (en) | Head cleaning device utilizing a cleaning ribbon | |
| JPH0124745Y2 (nl) | ||
| GB2175435A (en) | Cleaning device for a video recorder/player | |
| CA1264374A (en) | Method and apparatus for cleaning operating components of a video player/recorder | |
| JPH0555926B2 (nl) | ||
| JP2530922Y2 (ja) | 小型テープカセット | |
| JPH0124746Y2 (nl) |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BV | The patent application has lapsed |