[go: up one dir, main page]

NL8006710A - Visdobber. - Google Patents

Visdobber. Download PDF

Info

Publication number
NL8006710A
NL8006710A NL8006710A NL8006710A NL8006710A NL 8006710 A NL8006710 A NL 8006710A NL 8006710 A NL8006710 A NL 8006710A NL 8006710 A NL8006710 A NL 8006710A NL 8006710 A NL8006710 A NL 8006710A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
float
guide member
line
float according
fishing
Prior art date
Application number
NL8006710A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Super Hobby Nv
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority claimed from BE0/198603A external-priority patent/BE880673A/nl
Priority claimed from BE0/202856A external-priority patent/BE886244A/nl
Application filed by Super Hobby Nv filed Critical Super Hobby Nv
Publication of NL8006710A publication Critical patent/NL8006710A/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01KANIMAL HUSBANDRY; AVICULTURE; APICULTURE; PISCICULTURE; FISHING; REARING OR BREEDING ANIMALS, NOT OTHERWISE PROVIDED FOR; NEW BREEDS OF ANIMALS
    • A01K93/00Floats for angling, with or without signalling devices

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Animal Husbandry (AREA)
  • Biodiversity & Conservation Biology (AREA)

Description

' * - « r P & c‘ W 4876-6 Ned.
Visdobber.
De uitvinding heeft betrekking op een dobber voor het vissen op elke gewenste afstand van de waterbodem bevattende een lichaam met drijfvermogen en vislijngeleidende oog- of sleufvormige organen aan de dobber om deze langs de vislijn te geleiden, en op een bepaalde plaats, 5 overeenkomend met de gewenste visdiepte te arrêteren, waarbij een geleidingsorgaan aan het ondereinde van de dobber bevestigd is, al of niet voorzien van een tweede geleidingsorgaan aan het drijflichaam of daarboven.
In het verleden viste men met een "vaste" dobber, d.i. een 10 dobber, waarbij de lijn tussen het drijverlichaam of de vlotter en de door de vlotter gestoken steel werd gevoerd, en waarbij de verplaatsing van de dobber langs de lijn "zwaar" verliep.
Daarna kwam de glijdobber, d.i.een dobber, die zich vrijelijk langs de vislijn bewegen kan d.m.v. de vislijngeleidende organen, waarbij 15 de stuwkracht in geval van automatische verplaatsing geleverd wordt door de opwaartse druk, die op de holle vlotter of drijver wordt uitgeoefend, wanneer hij in het water wordt geworpen.
In bijna alle gevallen vist men op de bodem, of direkt daarboven, afhangende van de soort vis die men wil bevissen, danwel de 20 hoogte waarop de vis aast.
Men dient daarom te weten hoe diep het water is op de plaats waar men wil gaan vissen. Meestal gebruikt men daarvoor een peillood hetwelk men op de haak of daaromtrent aanbrengt.
Na de dobber op een hoogte, die men schat, op de lijn vast-25 gezet te hebben, of ook wel door een stuitje op de lijn aan te brengen zodat de dobber in geval het een glijdobber is, niet verder omhoog kan stijgen, gooit men in op de gewenste plaats. Is het water dieper dan men dacht, dan verdwijnt de dobber door het gewicht van het peillood onder water, terwijl als het minder diep is, de dobber plat zal gaan liggen.
50 Men verschuift nu de dobber naar de plaats, die men du denkt dat goed is en gooit wederom in. Meestal blijkt dat de dobber dan weer verdwijnt, of plat gaat liggen en de schatting weer fout is. Dit herhaalt zich vaak 8 tot 10 maal, eer men de juiste diepte weet.
Het nadeel van dit primitieve gedoe is: 55 Men verstoort de visplaats door het steeds weer ingooien van een stuk lood.
«00671 0 - 2 -
Bij een weke bodem zakt het lood in de bodem, en blijkt de diepte nog niet te kloppen.
Op een grotere afstand gebeurt het vaak dat men tijdens het ingooien het lood te ver gooit en derhalve te ver peilt, omdat men het 5 aas op die afstand zonder dit extra loodgewicht niet zover kan gooien.
Nu bestaan er diverse systemen - meestal zeer ingewikkelde -om dit bezwaar op te heffen, o.a. zelfpeilende dobbers, zelfinstellende dobbers enz. enz. meestal zeer ingewikkelde konstrukties, die door de hengelaar niet geapprecieerd werden en daarom door de fabrikant uit de 10 handel genomen moesten worden.
Zo zijn er vele aanvragen en octrooien bekend; o.a. is er bekend een Nederlandse uitvinding van Aanvraagster nr. 70/18350. Dit betreft een zelfinstellende dobber, doch deze bleek te duur in produktie en te ingewikkeld in gebruik te worden. Verder diende Aanvraagster een “ 15 octrooiaanvrage in voor een dobber, waarmede men in eenmaal uit kan peilen, dus waarbij men in eenmaal weet hoe diep het water is; indieningsnummer 71/04614.Deze aanvrage is ook geannuleerd, daar de ene funktie, die dit systeem heeft, vaak niet werkte, vooral op grotere afstand en bij stromend water, of windsterkte. De clou van dit systeem is namelijk dat 20 door het gewicht van het peillood zich een knik in de lijn vormt, waarop de dobber zich vastzet als men de lijn binnen haalt.
In de praktijk blijkt nu, dat als het water maar even stroomt of de wind de lijn strak houdt of de lijn te dik is of de knik te sterk is, de dobber al op de lijn vast gaat zitten en niet naar het wateroppervlak 25 stijgt.
De klemming van dit systeem wordt verkregen door het gewicht te laten drukken op de knik in de lijn. Dit gewicht moet vrij zwaar, zijn, danwel moet de knik vrij sterk zijn.
De bij de bekende dobbers toegepaste knikvorming is niet 30 Voldoende om de met de dobber gemeten visdiepte duidelijk aan te geven, omdat de dobber kan gaan verschuiven o.a. ook als die lijn te dun is. Aan dit bezwaar komt de onderhavige uitvinding tegemoet doordat het onderste geleidingsorgaan uitgerust is met middelen, die naast geleiding bovendien in staat zijn de ongehinderde verplaatsing van de dobber langs de vislijn 35 te remmen resp. geheel tot stilstand te brengen.
Een betere remming en klemming dan tot dusverre bij de 8006710 5» 4.
- 3 -
I I
gebruikelijke dobbers mogelijk was, zonder nochtans een te sterke knikvorming (want die moet vermeden worden, omdat anders de dobber op de lijn gaat vastzitten en niet vrijelijk langs de lijn kan bewegen) wordt verkregen doordat het onderste geleidingsorgaan zich horizontaal of een 5 weinig schuin omlaag ten opzichte van de steel uitstrekt.
Bij de bekende dobber staat het onderste geleidingsorgaan vertikaal en het heeft de vorm van een in het onderste steeleinde ingesneden axiaal vrij grote sleuf. Bij de onderhavige dobber echter strekt het onderste geleidingsorgaan zich in de vorm van een oogje of 10 sleuf horizontaal uit of staat onder een weinig daarvan afwijkende hoek. Daardoor wordt de knik in de vislijn kleiner. Ook het feit dat het bij de onderhavige dobber toegepaste oogje of sleufje van betrekkelijk geringe afmetingen is, bevordert het stijgen naar het wateroppervlak zonder noemenswaardige remming.
15 De knikvorming kan versterkt worden zonder te veel remming te veroorzaken, doordat bij de uitvinding het onderste geleidingsorgaan dubbel is uitgevoerd waarbij de beide elementen zich naast elkaar danwel boven elkaar bevinden.
Nu zijn er wel dobbers bekend, waar misschien ook hele scherpe 20 knikken in de lijn gelegd kunnen worden. Men doet dit dan door de lijn te vlechten door twee tegenover elkaar gelegen gaatjes in de steel of met êën zijgaatje, waarbij de lijn na het passeren van het zijgaatje door de holle steel verder loopt.
Inderdaad zijn zo ook scherpe knikken mogelijk, maar het 25 toegepaste middel daarvoor - het zijgaatje - maakt dat de daardoorheen gevlochten lijn remmend werkt op de dobber, en is niet geschikt voor andere maatregelen, die verband houden met het beheersen van de mate van afremming of inklemming. Daarvoor leent zich een "uitwendig" orgaan beter. Bovendien beïnvloedt een zijgaatje onmiddellijk het drijfvermogen van de 30 dobber, als het gaatje beneden de waterlijn is aangebracht en dat is niet altijd gewenst, terwijl in veel gevallen zoals bij wind, stroom, dikke lijn etc. de dobber niet zal stijgen.
Als de knik maar scherp genoeg is, hoeft er geen speciale eis gesteld te worden aan het materiaal, waaruit het onderste geleidingsorgaan 35 gemaakt is. Het kan dan ook glad zijn, zoals wanneer het bijvoorbeeld uit 8006710 - 4 - metaal vervaardigd is. De dan gevormde knik is wel voldoende om de plaats van de stijghoogte te markeren, maar niet om na het peilen te vissen, waarbij de dobber als glijdobber moet functioneren. Immers zal de dobber zich elke keer weer op de lijn vastzetten, terwijl tijdens het vissen het 5 meestal nodig is dat de dobber langs de lijn naar beneden glijdt bij het binnenhalen. Hij mag dan niet vast gaan zitten, dan zou hij immers de lijn-doorloop «oor de ogen van de hengel blokkeren. Daarvoor is een bijzonder bovenste geleidingsorgaan nodig. Volgens de uitvinding zijn de beide elementen vervaardigd uit glad materiaal, terwijl het geleidingsorgaan als 10 geheel kan samenwerken met een bovenste geleidingsorgaan in de vorm van een "uitneembaar" oogje.
Onder "uitneembaar" oogje wordt hier verstaan een oogje, dat gevormd is uit een oogvormig gebogen draadstukje van verenstaal, dat gemakkelijk van buiten af een vislijn kan opnemen via de opening tussen de over 15 elkaar gekruiste benen zonder dat de lijn door de opening in het oogje gestoken behoeft de worden. De lijn wordt niet in het oog gebracht in vertikale, maar in laterale richting. Omgekeerd kan men op dezelfde wijze de vislijn weer uit het oogje nemen. Als men dus de visdiepte op de vislijn wil markeren, maakt men de lijn lateraal uit het bovenste oogje los, waarna 20 de dobber kantelt om de plaats waar de lijn door het onderste dubbele oogje loopt, waarna men vervolgens als de dobber binnengehaald is, de dobber vast kan zetten op de vislijn.
Daarmede zijn voornamelijk de nadelen van het vissen op grotere afstand opgelost, maar de behoefte aan verbetering was daar ook 25 wel het grootst. Met zo'n oogje bovenaan kan men dus nu gemakkelijk de lijn daaruit nemen tijdens het peilen.
i>
Hierbij is zelfs geen peillood nodig: de lijn loopt door de bijv. 8-vorm van het onderste oog doordat de dobber horizontaal op het water ligt. Haalt men de lijn nu binnen dan tuimelt de dobber. Hij gaat dus op zijn kop hangen en houdt daardoor de lijn vast. Dit werkt zeer goed, ook op zeer grote afstanden, terwijl men de visplaats niet heeft verstoord door het ingooien met een stuk lood. Ook de dikte van de lijn speelt hierbij geen parten op het al dan niet functioneren.
Maakt men de 8-vorm scharnierend of met één oog daarvan (van de 8-vorm) uitneembaar, dan kunnen tijdens het vissen de twee oogjes tegen elkaar geklapt en de lijn uit het uitneembare oog genomen worden,1 waardoor 8006710 - 5 - * t ,
, I
9f' * men/ zoals dat in Engeland de gewoonte is, met slechts één oog onderaan fee gebruikend de dobber vist, dus zonder het bovenste oog of ringV.'Döör' de 'q dicht te klappen of de lijn uit één oog van de 8-vorm te nemen, is het een gewone glijdobber met één oog onder - graag gezien in Engeland - ; door nu de 8 5 uit te klappen of te buigen of de lijn in het tweede oog van de 8-vorm te leggen kan men op grote afstand in éénmaal peilen. Legt men de lijn in een aan het bovengelegen deel van de dobber of drijflichaam aanwezig uitneem-baar oogje, dan functioneert de dobber als een normale glijdobber, zoals deze meestal in de Europese landen behalve Engeland, wordt gebruikt.
10 Dit systeem heeft het voordeel dat het dus op grote afstand goed werkt, doch als men vertikaal of loodrecht onder de hengeltop vist, zal het niet functioneren. Men trekt dan de lijn gewoon terug door de 8.
Vist men onder de top of direkt daarbij dan kan men beter werken met een systeem, waarbij bij voorkeur de beide elementen van het dubbel uitge-15 voerde geleidingsorgaan van elkaar verwijderd zijn.
Om meer grip op de lijn te krijgen zonder dat de knikvorming te remmend werkt bij het stijgen van de dobber of een element te hebben, dat voor een goede rem- of klemwerking minder afhankelijk is van de lijndikte, verdient het aanbeveling, dat het onderste geleidingsorgaan of 20 - bij de dubbele uitvoering - één der beide elementen ervan taps toeloopt.
Zou men echter een remmende stof op het punt aanbrengen waar de knik komt te zitten, dan is een beduidend kleinere druk ofwel een minimale knik nodig, waardoor een lichter lood voldoende is, en^tijdens het straktrekken van de lijn door de druk van stroom of wind ide dobber!toch kan stijgen tot 25 het wateroppervlak, waarna hij binnengehaald wordt en gemakkelijk op de plaats tot waar hij steeg, blijft zitten.
De dobber volgens de uitvinding is zodanig uitgevoerd, dat de rem en/of klemkracht van het betreffende element of orgaan op de vislijn berust op het feit, dat dit element of orgaan vervaardigd is uit ten 30 minste een materiaal met goede, verend elastische eigenschappen. Deze uitvindingsgedachte laat zich op verschillende manieren realiseren. Het verend elastische materiaal kan tevens glad zijn. Te denken is aan veren staal. Hiermede heeft Aanvraagster treffende staaltjes van goede inklemming bereikt. De eigen vering in de benen van de v-vorm is voldoende om een 35 vislijn daarin vast te houden.
ftonfi 71 o t - 6 -
Een andere realisatievorm is die, welke volgens de uitvinding tot kenmerk heeft, dat het verend elastische materiaal tevens stroef is.
Een haast ideale uitvoeringsvorm ontstaat, indien het betreffende element of orgaan een combinatie omvat van glad en stroef 5 materiaal. Hieronder valt o.a. ook een realisatievorm, waarbij het geleide-orgaan niet uit draad gebogen is, maar uit een band, bijvoorbeeld een smalle band, die met rubber, schuimrubber, schuimkunststof o.d. bedekt is, uiteraard aan de zijde, waar kontakt met de vislijn mogelijk is. Hieronder valt ook de uitvoering, waarbij het gladde materiaal geheel omgeven 10 is door het stroeve materiaal, of waarbij het stroeve materiaal het gladde materiaal slechts gedeeltelijk bekleedt. Vandaar dat volgens een veel omvattende maatregel volgens de uitvinding het stroeve materiaal het gladde materiaal geheel of gedeeltelijk bedekt.
De voorkeur gaat uit naar een dobber, die gekenmerkt wordt 15 doordat het stroeve materiaal een inwendige kern heeft van glad materiaal. Voor de kern kan met veel voordeel verenstaal gebruikt worden, dat geheel of ten dele bedekt wordt met bijvoorbeeld jrubber (door spuiten, dompelen, etc). Als het verenstaal tot een V-vorra omgebogen is, heeft het in die vorm zoveel veerkracht, dat wanneer een vislijn zover in het nauwere 20 gedeelte gebracht wordt, dat de benen van de V-vorm uit elkaar gaan, de terugdrijvende kracht in die benen de lijn vastklemt. Dit nu in combinatie met stroef materiaal (bijvoorbeeld rubber) maakt dat de lijn niet alleen in onbelaste toestand (bij het peilen),maar ook in belaste toestand (in geval van beet) vastgehouden wordt, terwijl toch met zachte en harde tikjes 25 de lijn op elk gewenst ogenblik losgemaakt kan worden.
Een geheel stroef element kan teveel weerstand geven zelfs in het voor de lijn wijde gedeelte ervan. Dit kan verbeterd worden, doordat het taps toelopende element/orgaan in het nauwere gedeelte ervan stroef is, en in het wijdere gedeelte ervan glad is.
30 In een eenvoudige uitvoeringsvorm is ter realisatie van de hiervoor genoemde maatregel voorgeschreven dat de middelen voor het geleiden en bevestigen een oog aan het ondereinde van het dobberlichaam omvatten, welk oog gedeeltelijk is opgevuld met een waterbestendig anti-slipmiddel. Het waterbestendige anti-slipmiddel bestaat bij voorkeur uit 35 rubber, hars, tweecomponentenlijm of dergelijk materiaal, doch ook materialen met soortgelijke eigenschappen kunnen worden toegepast.
8006710 nr %.
- 7 - Vérder omvatten de middelen voor het geleiden en bevestigen een zijdelings aan het dobberlichaam bevestigde bovenste geleidingsorgaan zoals een ring, die ervoor zorgt dat de bijvoorbeeld door een peillood gespannen vislijn zich bij vertikale stand van de dobber ver genoeg langs het dobberlichaam uitstrekt.
In de praktijk is gebleken, dat het opbrengen van het stroeve materiaal op het gladde materiaal met zekere moeilijkheden gepaard gaat.
Een eenvoudiger maatregel is nu om het stroeve mareriaal aan de buitenzijde te voorzien van een sponning, waarin het gladde materiaal - onder veer-spanning staande - is aangebracht.
Het stroeve materiaal kan daarbij schijfvormig zijn met aan de omtrek naar buiten gekeerd een sponning, waarbij in de schijf een V-vormige sectie wordt uitgesneden of geknipt.
Anderzijds kan het stroeve materiaal met sponning, dat van rubber, hars of kunststof is, een van een schijf of cirkel afwijkende vorm hebben, bijvoorbeeld een V-vorm. Met deze vorm is het vrij gemakkelijk de mate van remming, die door dit orgaan geleverd wordt, aan te passen aan de dikte van de vislijn.
Brengt men nu de remstof in de V-vorm gleuf, en laat men nu de lijn door het bovenste en het onderste oog evenals door de V-vorm lopen, zodanig dat wanneer de dobber vertikaal staat, de lijn de remstof niet raakt, dan zal hij ook als er geen peillood wordt gebruikt, ongehinderd op grote afstand eveneens naar het oppervlak stijgen. Daar aangekomen gaat de dobber schuin staan en daarna plat liggen. Dit is nu door de remmende V-vorm niet het geval; zodra de dobber nl. schuin staat - altijd naar de zijde van de oogjes - loopt de lijn, dik of dun, vast in de V-vorm en zal de dobber dus onmiddellijk voor ingooi om te vissen gereed zijn.
Een aanbeet van de vis wordt waargenomen als normaal. Zwemt de vis echter weg met het aas, dan gaat de lijn uit de V-vorm, hetgeen als minder gunstig ervaren wordt. Daarom is het nodig om, als de dobber bewegingloos is geworden doordat de lijn min of meer vast is gelopen in de V-vorm een tikje aan de lijn te geven waardoor, omdat de lijn onder de dobber loodrecht naar beneden loopt en het bovenste deel van de lijn op het water horizontaal ligt, en deze lijnstukken dus samen een hoek vormen, de lijn vaster in de V-vorm getikt wordt; zgn. schrikeffekt. Geeft men een harder tik je, dan is het zelfs mogelijk de lijn tijdens dit vast tikken iets meer of x 8006710 - 8 - minder omhoog door de dobber te trekken om zodoende, indien gewenst, iets van de bodem af te vissen. Geeft men nu een harde tik dan komt de lijn weer los. Immers door deze plotselinge krachtige nik gaat de lijn krom staan, waardoor er een kracht ontstaat,· die de lijn uit de V-groef wegduwt.
5 De genoemde mogelijkheden van dit type dobber zijn vooral van belang bij het vissen op roofvissen zoals snoekbaars. Hierbij is het einde van de vislijn verzwaard met kleine loodkogeltjes, die zorgen dat het aas over de grond sleept. Voor het vangen van snoekbaars moet men trekkend vissen, d.w.z. de lijn door het water trekken. Het peilen geschiedde tot dusver me 10 vaste dan wel glijdobber, welke zgn. zinkend werden uitgelood. Zonk.: de dobber dan wist men dat men een kuil passeerde en in een kuil houden de roofvissen, waartoe de snoekbaars behoort, zich normaal op, loerend op een prooi. Het is duidelijk, dat .het vissen op snoekbaars met een conventionele dobber, die als het ware de verandering van bodemgesteldheid (w.o. het 15 passeren van kuilen) niet "volgen" kon, niet ideaal verliep. Om die reden vist men vaak zonder dobber op het gevoel op het gevoel op dit soort vissen. Men mist dan echter veel van de spanning en charme, die men bij het visueel vissen ervaart, o.a. de waarneming' door de dobber van de aanbeet en het verloop daarvan. Bovendien vangt men daarbij ook vaak de vis 20 niet eens, omdat deze schrikt van de weerstand die hij voelt bij het op gevoel vissen.
De nieuwe dobber is ideaal voor dit facet van de hengelsport, omdat men met zachte en harde tikjes de dobber vast of los kan zetten op de lijn, zodat op elk moment de lijn op de gewenste visdiepte ingesteld 25 kan worden. Ziet men dus de dobber zinken en realiseert men zich dat men bij het trekkende vissen, waarmee men bezig is, een kuil passeert, dan kan men onmiddellijk slagvaardig daarop reageren. Om de vislijnlengte te vergroten, moet men een forse tik of ruk aan het topeinde van de hengel geven, waardoor de lijn uit de sleufinklemming vrijkomt en de gezonken 30 dobber pijlsnel naar boven schiet naar het wateroppervlak. Met een klein tikje zet men de dobber op de vislijn vast en kan dan de kuil met staande zichtbare dobber uitvissen.
Het platliggen van de dobber duidt aan, dat men de kuil gepasseerd is. De vislijn in het water is nu te lang en met harde tikjes kan 35 men de lijn door de klemming in de sleuf doortrekken en zo de juiste 8006710 - 9 - vislijnlengte instellen totdat de dobber weer recht staat.
Dit type. dobber is eveneens bijzonder bruikbaar voor het vissen bij eb en vloed, een verschijnsel dat zich in ons land in open water voordoet en de hengelaar dwingt voortdurend de waterdiepte te 5 peilen. Met de nieuwe dobber kan men met de lijn in het water blijven en behoeft men alleen af en toe de vislijnlengte met kleine tikjes te corrigeren. Wanneer het water van ebbe is (het waterpeil zich beweegt van eb naar vloed) zal men harde tikken moeten geven omdat de dobber dan steeds even van de lijn losgemaakt moet worden. Bij dalend waterpeil 10 daarentegen moet men met kleinere rukjes de lijn door de inklemming heen doortrekken om te voorkomen dat de dobber plat op het wateroppervlak gaat liggen. Met de conventionele dobber kan dit niet. Ook kan men bij de nieuwe dobber het stuitje weglaten of de dobber ver weg werpen. Vrijwel alles is mogelijk, terwijl de dobber zelf heel eenvoudig van konstruktie. is. 15 Deze klemmende rem kan ook in plaats van een V-vorm gemaakt worden van een schuin ingesneden rubber of verende armpjes (verenstaal) e.d. of ook zo, dat de armpjes schuin boven elkaar zitten, en daardoor een knik in de lijn geven, waardoor een effektievere klem ontstaat.
Een verdere verbetering in het bijzonder voor het vissen onder 20 de top is die, waarbij men een zo licht mogelijke dobber, waarmee men meestal het beste vist, tijdens het peilen een grotere opwaartse druk geeft. Dit leidt dan, al of niet in combinatie met ëên of meer der voorafgaande maatregelen tot een kenmerkende konstruktie, waarbij het dobberlichaam hol is en in het onderste deel van de vlotter of het 25 drijverlichaam een zij-opening in de wand is aangebracht, die dient als lekgaatje, dat samenwerkt met het bovenste deel, waarvan de steel verschuifbaar is, zodat het drijfvermogen regelbaar is.
Bij het vissen onder de top blijft de lijn vertikaal boven het water en dobber, waardoor de lijn niet zo gauw strak komt te zitten.
30 Ver weg gebeurt dit wel vaak, waarvoor een groter drijfvermogen tijdelijk een oplossing kan geven. Doch in de praktijk zal deze maatregel niet zo effektief zijn, alhoewel het drijfvermogen voor het vissen met levend aas zeer gunstig zal zijn. Immers is een visje na een tijd moe en trekt de dobber niet zo gemakkelijk meer mee, waardoor het verstandig is iets minder 35 weerstand te geven. Bovendien heeft men met het vissen met levend aas nooit 8 00 6 7 1 0 1· - 10 - vissen van dezelfde kracht en grootte. Hierdoor zou men eigenlijk elk moment de dobber moeten verzwaren *"(van lood voorzien)of omgekeerd. Dit kan dus nu ook simpel gewijzigd worden m.b.v. de indringdiepte van de steel. Als de steel diep in de vlotter gedreven is, kan er maar weinig 5 water instromen via het zijgaatje omdat zodra het ondereinde van de steel in het water steekt, de lucht in de vlotter niet meer kan ontwijken. Het luchtvolume blijft dus groot en dus ook het drijfvermogen. Als men de steel optrekt, kan er veel water instromen en het drijfvermogen neemt evenredig af.
10 Verder zal men bij stromend water meer lood nodig hebben dan bij stilstaand water om de dobber en aas op de juiste plaats te houden.
Bij de onderhavige dobber kan simpelweg de weerstand van de dobber op de aanwezige hoeveelheid lood ingesteld worden. Er was reeds een systeem waarmede men de weerstand kon instellen, nl. door twee buisjes over elkaar 15 heen te laten schuiven met een dichte bodem. Doordat dit gauw gaat lekken, werd het uit de handel genomen. Ook bestaan er dobbers die men kan vullen met zand of water en daarna kan afsluiten met een kurkje bijv., om daardoor de gewenste weerstand te geven. Het systeem van Aanvraagster is anders: niet het drijfvermogen van de dobber wordt gewijzigd, doch alnaar wens 20 wordt meer of minder water toegelaten^terwijl de lucht door de steel kan ontsnappen |tot de ingestelde hoogte, waardoor men veel sneller even de weerstand tijdens het vissen kan en zal wijzigen.
Zodoende kan men een dobber verkrijgen die voor vele doelen gebruikt kan worden, dus universeel is, maar zo dat het voor de hengelaar 25 praktisch geen wijziging geeft op zijn tot nu toe gebruikelijke handelingen, terwijl bovendien het geheel praktisch geen kostprijsverhoging geeft, nl. zeer simpel te verwerken, en hoogstens bijv. één V-vorm oogje extra, te vervaardigen door dompeling in een remmende stof (rubber of latex) o.d. veel wrijving gevende stof. Misschien zelfs niet eens nodig als stand van 30 de V-vorm iets gekanteld wordt.
De uitvinding zal hieronder aan de hand van enige in de figuren der bijgaande tekening weergegeven uitvoeringsvoorbeelden nader worden toegelicht.
Pig. 1 toont een dobber van het kanteltype voor vissen op 35 afstand; 8006710 -m - 11 -
Fig. 2 toont een dobber met onderaan een dubbel geleidings- orgaan;
Fig. 3 geeft een soortgelijke dobber als in fig. 2, maar met een enkelvoudig geleidingsorgaan onderaan voor het vissen onder de top, 5 of daaromtrent;
Fig. 4 laat een dobber zien, die van een zijgaatje is voorzien;
Fig. 5-9 tonen enige uitvoeringsvoorbeelden van het onderste geleidingsorgaan of -element, waarin eveneens de uitvindingsgedachte 10 gerealiseerd is;
Fig. 10 toont een dobber volgens de uitvinding voorzien van een anti-slipmiddel;
Fig. 11 geeft een doorsnede van een gewijzigde uitvoeringsvorm van het onderste orgaan? 15 Fig. 12 toont een doorsnede over de lijn XII-XII in fig. 11 en 13; en
Fig. 13 geeft een variant van de uitvoeringsvorm van fig. 11.
De in fig. 1 getoonde dobber 10 bestaat uit een drijflichaam of vlotter 11 met een "antenne" of bovensteel 12 en een ondersteel 13. Aan 20 deze dobber zijn geleidingsorganen bevestigd en wel een bovenste geleidingsorgaan 14 in de vlotter of drijver 11 en een onderste geleidingsorgaan 15 nabij het einde van de ondersteel 13. De geleidingsorganen dienen voor het geleiden van de dobber 10 langs een vislijn 16. Het bovenste geleidingsorgaan 14 is uitgevoerd als een "uitneembaar" oogje, terwijl het 25 onderste geleidingsorgaan 15 als een dubber oogje of achtje gevormd is.
Deze dobber is dus geschikt om op afstand te vissen. Men kan zonder peil- vdobber lood de visdiepte meten, omdat deS gemakkelijk vooraf bij het bovenoog 14 van de vislijn 16 los te maken is. Bij een wijze van vissen, die in Engeland zeer geliefd is, vervalt oogje 14, terwijl één oog van de acht-vorm 30 dan uitneembaar is. Tijdens het peilen wordt de lijn dan in dat oog gelegd, terwijl de lijn tijdens het daadwerkelijke vissen uit dat oog wordt genomen, de dobber glijdt dan door het ene enkele oog goed heen en weer.
De dobber zal na het ingooien, indien de dobber voor het peilen is ingesteld (dus alleen door de twee oogjes van de acht-vorm) dus vrij snel langs de 35 vislijn 16 omhoog stijgen. Haalt men op dan zal dë dobber kantelen om de verbinding bij het onderste geleidingsorgaan 15 en vervolgens door de 8006710 - 12 - dubbele oogjes vast blijven zitten op de vislijn wegens de sterke knik, die de vislijn dan ondervindt. Het onderste deel van de 8 kan bijvoorbeeld langwerpig of in V-vorm of ovaal o.d. vorm gemaakt worden en voorzien van een remmende laag.
5 In fig. 2 is een ander type dobber 20 weergegeven, waarbij de beide elementen 27 en 28 van het onderste geleidingsorgaan over zekere afstand van elkaar verwijderd zijn. Bij de in de fig. weergegeven uitvoeringsvorm is het element 28 V-vormig en voorzien van remstof 29.
In fig. 3 ziet men een dobber 30, waarbij het onderste 10 geleidingsorgaan 35 enkelvoudig is. Het kan V-vormig uitgevoerd zijn en in de V-vormige punt voorzien zijn van remstof 39, bijvoorbeeld een bolletje latex verkregen door de punt,van de V-vorm te dompelen in solutie nadat het latex-oplosmiddel verdempt is. Hier is weer duidelijk te zien dat evenmin als bij de andere uitvoeringsvormen, geen bijzondere moeite 15 gedaan wordt om een knik tot stand te brengen. In tegendeel, het is de bedoeling dat de baan van de vislijn 36 door de oogjes 34, 35 zo recht mogelijk is, zodat de dobber snel kan opstijgen. De remming en klemming wordt geheel verkregen door de V-vorm en de aanwezigheid van de remstof 39.
Voorts wordt in fig. 4 een dobber 40 weergegeven, waarvan de 20 opwaartse druk instelbaar is. Die instelbaarheid wordt verkregen met behulp van een zijgaatje 45 in de holle vlotter 41 en de lengte waarover de bovensteel 42 in de vlotter 41 ingestoken kan worden. Deze bövensteel is dus op- en neer-beweegbaar (zie pijl 48), en hol, zodat bij het instromen van water door het gaatje 45 de lucht in de holte 47 via de steel 42 kan 25 ontwijken. Hoe dieper de holle steel 42 in de vlotter 41 gestoken wordt, des te minder water kan via het gaatje 45 in de inwendige holte 47 van de vlotter binnendringen. Zodat bij grote insteekdiepte van de bovensteel 42 het drijfvermogen het grootst is.
Is de dobber 40 nu zo licht, dat men bij praktisch niet-30 ingestoken bovensteel 42 dus bij vrijwel geheel met water gevulde vlotter kan vissen, dan zal men bij voorkeur peilen met een ver ingestoken bovenste steel 42, zodat de dobber een grote opwaartse kracht ondervindt en daardoor bij stroom of wind of dikkere lijnen wordt voorkomen dat de dobber dan reeds onder water vast gaat klemmen, dacu: de vergrote opwaartse druk dit 35 voorkomt.
8006710 « - 13 -
In fig. 5-9 zijn vier vormen weergegeven van een geleidingsorgaan, dat overeenkomst vertoont met het in fig. 2 getekende element 28 van het onderste geleidingsorgaan. Dit element is in fig. 7 nogmaals afzonderlijk weergegeven. Alle drie uitvoeringsvormen betreffen een 5 combinatie van glad materiaal 51, 56 en stroef materiaal 52, 57. Hierbij kan gedacht worden aan verenstaal resp. rubber.
In fig. 5, waarvan een doorsnede getekend is in fig. 6, is het gladde materiaal 51 geheel omgeven door stroef materiaal 52. Wanneer een vislijn in het nauwere gedeelte 54 komt, zal zij de benen 58 van de V 10 een weinig uit elkaar buigen, waarbij de terugdrijvende veerkracht in de benen de vislijn vasthoudt. Dit effekt wordt versterkt door de aanwezigheid van het stroeve materiaal 52, waarmede de metaaldraad 51 bekleed is.
Mocht dit geleidingsorgaan door het stroeve materiaal 52 te veel weerstand of wrijving ondervinden, dan vormt het in fig. 7 weergegeven 15 uitvoeringsvoorbeeld een verbetering, omdat daarin het stroeve materiaal 52 beperkt is tot het nauwer wordende gedeelte 54, terwijl het wijde gedeelte 53 glad is. In dat gedeelte kan de vislijn dus snel verplaatst worden, terwijl zij in het nauwere gedeelte 54 gemakkelijk vastgehouden kan worden.
20 Een derde uitvoeringsvorm is weergegeven in fig. 8, die een dwarsdoorsnede door een (niet-weergegeven) geleidingsorgaan toont analoog aan die van fig. 556. Men ziet hieruit dat het gladde materiaal 56 uitgevoerd is als een platte band, die aan de binnenzijde - die met de vislijn in kontakt komt - bedekt is met stroef materiaal 57.
25 Een vierde uitvoeringsvorm wordt getoond in fig. 9, waarin de benen 58 van het geleidingsorgaan niet in een punt, maar in een spiraaltje 59 eindigen.
De in fig. 10 weergegeven dobber bestaat uit een naar beide einden enigszins taps toelopend dobberlichaam 61 dat aan de bovenzijde 30 voorzien is van een pennetje 62 dat gedurende het hengelen boven het wateroppervlak dient uit te steken zolang geen aanbeet plaats heeft gevonden. Aan de onderzijde is het dobber lichaam voorzien van een dog 63 van bijvoorbeeld messing of soortgelijk materiaal, waarbij het vlak van het oog bij vertikale stand van de dobber ongeveer horizontaal is, dat wil 35 zeggen horizontaal of iets beneden horizontaal. Verder werkt met het finn fi 7 1 0 - 14 - bovengedeelte van het dobberlichaam 61 een cylindrisch busje 64 samen.
Een met een streeppuntlijn 65 aangeduide vislijn die aan het ondereinde een haak 66 draagt, kan tussen het busje 64 en het dobberlichaam 61 worden vastgeklemd indien het busje tevoren op de vislijn is geschoven. Tot zover 5 kan men spreken van een normale dobber. Als de vislijnlengte tussen de dobber en de bodem van het viswater te groot is, zal het pennetje 62 na de worp op het water liggen, is hij te kort dan verdwijnt het pennetje geheel onder water. Door telkens de vislijn met het busje 64 een andere stand te geven, kan een ervaren visser na tenminste zeven keer werpen de 10 juiste stand hebben gevonden.
Het bijzondere van de uitvinding is nu gelegen in het anti-slipmiddel 67 dat een gedeelte van het oog 63 opvult, tezamen met het zijdelings op het dobberlichaam aanbrengen van een ring 6B waar de vislijn ook doorheen gaat.
15 Trekt men nu het busje 64 terug op de vislijn en werpt men de dobber met een stukje lood aan de haak 66 in het water dan zal nadat het geheel op de bodem is beland de dobber langs de lijn omhoog bewegen totdat het wateroppervlak is bereikt. Haalt men vervolgens het gehele vistuig uit het water dan zal het dobberlichaam 61 ten gevolge van het anti-slipmiddel 20 67 in het oog 63 niet over de vislijn 65 verschuiven en kan de vislijn worden vastgezet door het busje 64 over het dobberlichaam 61 te schuiven.
In fig. 11 ziet men wederom het onderste orgaan of oog 63 weergegeven, waarbij een draad 71 van glad verend materiaal aangebracht is in een naar buiten gekeerde sponning 77 (zie fig. 12), terwijl het geheel 25 omgeven is door een schijfvormige bedekking 72 van stroef materiaal, waarin een taps toelopende opening 73 is uitgespaard. Dit orgaan moet onder zekere voorspanning in de dobber 61 worden aangébracht, hetgeen niet altijd even gemakkelijk is.
In fig. 13 wordt een andere weg bewandeld. Hierbij is eveneens 30 in het stroeve materiaal 76 langs de buitenomtrek een sponning 77 (zie ook fig. 12) uitgespaard, waarin een gevouwen draad 78 van glad, verend materiaal onder veerspanning geplaatst wordt. Dit wordt bereikt doordat de draad 78 in ontspannen toestand op de plaats van de bocht of vouw 79 tussen de benen 81 een kleinere hoek vormt dan de hoek 82, die de benen 83 van het 35 stroeve materiaal 76 maken.
8006710

Claims (22)

1. Dobber voor het vissen op elke gewenste afstand van de waterbodem bevattende een lichaam met drijfvermogen en vislijngeleidende oog- of sleufvormige organen aan de dobber om deze langs de vislijn te geleiden, en op een bepaalde plaats, overeenkomend met de gewenste vis- 5 diepte te arrêteren, waarbij een geleidingsorgaan aan het ondereinde van de dobber bevestigd is, al of niet voorzien van een tweede geleidingsorgaan aan het drijf lichaam of daarboven, met het kenmerk, dat het onderste geleidingsorgaan (19 uitgerust is met middelen, die naast de geleiding bovendien in staat zijn de ongehinderde verplaatsing van de dobber GO) langs 10 de vislijn (IQ te remmen resp. geheel tot stilstand te brengen.
2. Dobber volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het onderste geleidingsorgaan (IQ zich horizontaal of een weinig schuin omlaag van de steel (13?* ‘uitstrekt.
3. Dobber volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat het 15 onderste geleidingsorgaan (15) dubbel is uitgevoerd, waarbij de beide elementen zich naast elkaar danwel boven elkaar bevinden.
4. Dobber volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat bij het bovenste oogje (15a) van het dubbele onderste geleidingsorgaan (15) de vislijn uitneembaar is zonder dat' demontage van het vistuig nodig is.
5. Dobber volgens conclusie 4, met het kenmerk, dat de - beide elementen! van het dubbel uitgevoerde geleidingsorgaan (15) scharnierend met elkaar verbonden)zijn of op andere wijze samenklapbaar zijn.
5. Dobber volgens . conclusie : 3 of 4, met het kenmerk, dat de beide elementen (27,28) van het dubbel uitgevoerde geleidingsorgaan 25 van elkaar verwijderd zijn (fig. 2).
7. Dobber volgens één der conclusies 2-6, met het kenmerk, dat het onderste geleidingsorgaan (28) of - bij dubbele uitvoering - één der beide elementen (bijv.28) ervan eindigt in een tapse punt (29) of in een spiraaltje (59).
8. Dobber volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat de rem- en/of klemkracht van het betreffende element of orgaan op de vislijn berust op het geit, dat dit element of orgaan (51,56) vervaardigd is uit tenminste een materiaal met goede, verend elastische eigenschappen.
9. Dobber volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat het 35 verend elastische materiaal tevens glad is. 8006710 - 16 -
10. Dobber volgens conclusie 9, met het kenmerk, dat het materiaal verenstaal is.
11. Dobber volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat het verend elastische materiaal tevens stroef is.
12. Dobber volgens één der conclusies 8-11, met het kenmerk, dat het betreffende element of orgaan een combinatie omvat vanglad en stroef materiaal (fig. 57.).
13. Dobber volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het stroeve materiaal het gladde materiaal geheel of gedeeltelijk bedekt 10 (fig. 5 , 7, 8).
14. Dobber volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat het stroeve materiaal een inwendige kern heeft van glad materiaal (fig. 5-7:).
15. Dobber volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat het stroeve materiaal aan de buitenzijde is voorzien van een sponning, waarin 15 het gladde materiaal - onder veerspanning staande — is aangebracht.
16. Dobber volgens conclusie 13-15, met het kenmerk, dat het taps toelopende element/orgaan in het nauwere gedeelte ervan stroef is, en in het wijdere gedeelte ervan glad is (fig. 57).
17. Dobber volgens conclusie 12-16, met het kenmerk, dat 20 de middelen voor het geleiden en bevestigen een oog (3) aan het ondereinde van het dobberlichaam omvatten, welk oog gedeeltelijk is opgevuld met een waterbestendig anti-slipmiddel (7).
18. Dobber volgens conclusie 17, met het kenmerk, dat het waterbestendige anti-slipmiddel bestaat uit rubber, hars, tweecomponenten- 25 lijm of dergelijk materiaal.
19. Dobber volgens één der voorafgaande conclusies, met het kenmerk, dat het dobberlichaam (40) hol is en in het onderste deel van de vlotter of het drijver lichaam (41) een zij-opening (45) in de wand is aangebracht, die dient als lekgaatje, dat samenwerkt met het bovenste deel, 30 waarvan de steel (42) verschuifbaar is, zodat het drijfvermogen regelbaar is (19) (Fig. 4).
20. Dobber volgens één der voorafgaande conclusies, met het kenmerk, dat de middelen voor het geleiden en bevestigen verder een zijdelings aan het dobberlichaam bevestigde bovenste geleidingsorgaan zoals 35 een ring (6$) omvatten, die ervoor zorgt dat de bijvoorbeeld door een peillood gespannen vislijn (65) zich bij vertikale stand van de dobber ver 8006710 I . r - 17 - genoeg langs het dobberlichaam uitstrekt.
21. Dobber volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat het onderste geleidingsorgaan (15) als geheel samenwerkt met het bovenste geleidingsorgaan (14), dat de vorm heeft van een "uitneembaar" oogje 5 (14,24,34,44).
22. Dobber zoals weergegeven in de tekening en/of besproken aan de hand daarvan.
NL8006710A 1979-12-18 1980-12-10 Visdobber. NL8006710A (nl)

Applications Claiming Priority (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE0/198603A BE880673A (nl) 1979-12-18 1979-12-18 Visdobber
BE198603 1979-12-18
BE0/202856A BE886244A (fr) 1980-11-19 1980-11-19 Visdobber
BE202856 1980-11-19

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL8006710A true NL8006710A (nl) 1981-07-16

Family

ID=25651804

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8006710A NL8006710A (nl) 1979-12-18 1980-12-10 Visdobber.

Country Status (5)

Country Link
DE (1) DE3047260A1 (nl)
FR (1) FR2472915B1 (nl)
GB (1) GB2068202B (nl)
IT (1) IT1134761B (nl)
NL (1) NL8006710A (nl)

Families Citing this family (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB2423225A (en) * 2005-02-22 2006-08-23 Stephen Mark Dawson Angling float
CN113558021B (zh) * 2020-04-28 2022-12-02 钱国章 一种自动钓鱼器

Family Cites Families (14)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE7406026U (de) * 1974-08-22 Herrmann A Abnehmbarer Schwimmer
GB191223330A (en) * 1912-10-12 1912-11-14 Frederick King Improvements in Anglers' Floats.
GB614801A (en) * 1939-01-17 1948-12-22 Jean Marie Grizaud Improvements in fishing floats
US2775059A (en) * 1953-05-04 1956-12-25 Kosanovich John Fish bobber attachment
US2815604A (en) * 1956-01-06 1957-12-10 Raymond L Fiscus Fishing bobber
US2842886A (en) * 1956-05-07 1958-07-15 Donald A Williams Fish line float and clamp
GB1200910A (en) * 1967-12-01 1970-08-05 David Harold Harris Improvements in and relating to means for measuring the depth of a liquid
GB1226464A (nl) * 1969-04-10 1971-03-31
NL7018350A (nl) * 1970-12-16 1972-06-20
NL7104614A (nl) * 1971-04-06 1972-10-10
US3747254A (en) * 1971-04-22 1973-07-24 G Caruso Trolling rig
DE7620778U1 (de) * 1976-07-01 1976-11-25 Geiss, Guenter, 8261 Emmerting Schwimmer fuer die angelfischerei
FR2380730A1 (fr) * 1977-02-18 1978-09-15 Baron Charles Perfectionnement aux equipements de lignes pour cannes a peche
DE7716952U1 (de) * 1977-05-28 1977-10-06 Kayka, Heinrich, 4690 Herne Abnehmbarer schwimmer

Also Published As

Publication number Publication date
IT1134761B (it) 1986-08-13
GB2068202A (en) 1981-08-12
GB2068202B (en) 1983-12-07
FR2472915B1 (fr) 1986-08-22
DE3047260A1 (de) 1981-10-15
FR2472915A1 (fr) 1981-07-10
IT8026712A0 (it) 1980-12-17

Similar Documents

Publication Publication Date Title
CA1131911A (en) Arrangement for a casting float
US4845884A (en) Fishing line float
US4746253A (en) Fishing line movement indicator
US2931124A (en) Fishing bobber
US3698120A (en) Float-sinker
US3832795A (en) Fishing float
US7475510B2 (en) Quick change fishing implement
US20080022581A1 (en) Snag resistant line reversing device for fishing tackle
US2592441A (en) Bobber for use in casting for fish
CA2545355A1 (en) Bottom fish rig
US2694878A (en) Combined castable bobber and automatic sounding device
US7162829B2 (en) Fishing device
US7340858B2 (en) Slip-on hydrodynamic symmetrical fishing sinker
NL8006710A (nl) Visdobber.
US3714731A (en) Fishing device
US6192619B1 (en) Fisherman's release clip
US2792665A (en) Fishing float
US2254800A (en) Casting bobber
US5235776A (en) Fishing line floater
US6857221B2 (en) Tip-up bobber strike indicator
US2772504A (en) Fishing float
US2778147A (en) Quick change fishing line floats
US5327672A (en) Slip bobber for ice fishing
US5775025A (en) Limited resistance dive-action bait-navigating fishing bobber
AU2017204428B2 (en) Fishing Lure

Legal Events

Date Code Title Description
A85 Still pending on 85-01-01
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
BV The patent application has lapsed