[go: up one dir, main page]

NL8005294A - Behandeling van afvalwater. - Google Patents

Behandeling van afvalwater. Download PDF

Info

Publication number
NL8005294A
NL8005294A NL8005294A NL8005294A NL8005294A NL 8005294 A NL8005294 A NL 8005294A NL 8005294 A NL8005294 A NL 8005294A NL 8005294 A NL8005294 A NL 8005294A NL 8005294 A NL8005294 A NL 8005294A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
space
settling
chamber
aerator
aeration
Prior art date
Application number
NL8005294A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Red Fox Ind Inc
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority claimed from US06/095,107 external-priority patent/US4268389A/en
Application filed by Red Fox Ind Inc filed Critical Red Fox Ind Inc
Publication of NL8005294A publication Critical patent/NL8005294A/nl

Links

Classifications

    • CCHEMISTRY; METALLURGY
    • C02TREATMENT OF WATER, WASTE WATER, SEWAGE, OR SLUDGE
    • C02FTREATMENT OF WATER, WASTE WATER, SEWAGE, OR SLUDGE
    • C02F3/00Biological treatment of water, waste water, or sewage
    • C02F3/02Aerobic processes
    • C02F3/12Activated sludge processes
    • C02F3/1236Particular type of activated sludge installations
    • C02F3/1242Small compact installations for use in homes, apartment blocks, hotels or the like
    • CCHEMISTRY; METALLURGY
    • C02TREATMENT OF WATER, WASTE WATER, SEWAGE, OR SLUDGE
    • C02FTREATMENT OF WATER, WASTE WATER, SEWAGE, OR SLUDGE
    • C02F2103/00Nature of the water, waste water, sewage or sludge to be treated
    • C02F2103/008Originating from marine vessels, ships and boats, e.g. bilge water or ballast water
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y02TECHNOLOGIES OR APPLICATIONS FOR MITIGATION OR ADAPTATION AGAINST CLIMATE CHANGE
    • Y02WCLIMATE CHANGE MITIGATION TECHNOLOGIES RELATED TO WASTEWATER TREATMENT OR WASTE MANAGEMENT
    • Y02W10/00Technologies for wastewater treatment
    • Y02W10/10Biological treatment of water, waste water, or sewage

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Biodiversity & Conservation Biology (AREA)
  • Microbiology (AREA)
  • Hydrology & Water Resources (AREA)
  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Environmental & Geological Engineering (AREA)
  • Water Supply & Treatment (AREA)
  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Organic Chemistry (AREA)
  • Aeration Devices For Treatment Of Activated Polluted Sludge (AREA)
  • Physical Water Treatments (AREA)

Description

»»1 803298/Ee/cd
Korte aanduiding: Behandeling van afvalwater#
Be uitvinding heeft betrekking op de behandeling van afvalwater, en meer in het bijzonder een werkwijze en inrichting voor behandeling van afvalwater aan boord van schepen met gebruikmaking van het beginsel van de verlengde beluchting# 5 Enkele voorbeelden van bekende inrichtingen voor de be handeling van afvalwater worden beschreven in de Amerikaanse oc-trooischriften 2#709<>680 (Watson), 2«901#114 (Smith et al.), 3«497«064 (Valdespino) en 3<>552»725 (Bay)# let octrooischrift van Smith stelt een poging voor om 10 4e afmetingen van de behandelingsinrichting te verkleinen# Be verschillende kamers hebben echter allemaal verschillende diameters, waardoor een groot aantal verschillende delen vereist iso Gesteld wordt dat de luchtdiffusor een rollende beweging van het afvalwater in de beluchter doet ontstaan en ervoor zorgt dat de inhoud van de 15 stabilisator gaat draaien alvorens het slib erin terug gevoerd wordt naar de beluchter# Er is niet gebleken dat de bij deze inrichting aan het afvalwater gegeven beweging iets anders doet dat vergroten van het kontakt tussen lucht en vaste stoffen#
Be rotor in de inrichting van Bay blijkt ten doel te 20 fcefrbea om de luchtcirculatie te verbeteren boven een afvalwaterput#
Be inrichting van Valdespino bevat een beluchter die aangebracht is op een afstand van een in elkaar geplaatste kombinatie van een be zink bak en van een chloreerinrichting, waarbij alle drie de eenheden een verschillende middellijn hebben# 25 Be inrichting van Vatson bevat een roterende mechanische argitator met motoraandrijving, voorzien van bladen voor agitatie van het afvalwater# Er is echter geen beluchter opgenomen, alleen volgende trappen van chemische behandeling#
Moeilijkheden met deze en andere bekende inrichtingen 50 betreffen de kostprijs, het benodigde grote aantal bedrijfsonderdelen en de afmetingen# Be uitvinding beoogt dan ook deze moeilijkheden te ondervangen en een zeer efficients behandelingsinrichting te verschaffen die geschikt is voor gebruik aan boord waa^&e in- 80 0 5 29 4 2 richting onderhevig is aan een voortdurend veranderende schuine stande Toigens de uitvinding omvat een inrichting twee bekervor-mige cilindrische vaten of modulen die met de openingsranden tegenover elkaar zijn geplaatst, waarbij een vlakke schijf, die met zijn buiten-5 omtrek tussen de randen van de vaten is geklemd, de twee vaten scheidt zodat een bezinkkamer wordt gevormd in het onderste vat dat rechtop staat, en een beluchtingskamer in het omgekeerd staande bovenste vat· Een afgeknot kegelvormige bak is in het onderste vat geplaatst zodat er tussenin een chloreerkamer wordt gevormd, waarbij de 10 bovenrand van die bak ook ingesloten is tussen de randen van de vaten, waarbij alle vier de randen met bouten aan elkaar zijn bevestigd· Tangekiale spuitstukken bij de bodem van de beluchtingskamer zorgen voor het ontstaan van centrifugaalscheiding en ook voor macereren en een verhoogde bacteriSle reduktie van afvalwater· Vaste suspensies 15 met lage dichtheid worden uit de beluchtingskamer afgevoerd door een centrale poort die omgeven wordt door een cilindrisch schot dat uitstijgt boven het niveau van de luchtspuitstukken ost mee te heipen aan het geleiden van de vloeistof in de beluchter zodat een rondgaande beweging ontstaat· Vloeistof met een fijne vaste suspensie, die door 20 de centrale poort gaat bij de bodem van de beluchtingskamer naar de bezinkkamer, wordt naar de bodem van de kamer geleid door een rokvor-mige plaat die aan de omtrek van de centrale poort naar beneden hangt, zodat de ruimte bovenin de bezinkkamer in rusttoestand gelaten wordt· Vloeistof stroomt uit de bezinkkamer naar de chloreerkamer door een 25 standpijp in de beluchtingskamer, en dvarspijp in de beluchtingskamer (die een antisifonontluchting heeft naar de beluchtingskamer) en een uitwendige valpijp die diametraal tegenover de standpijp ligt ten opzichte van de cilinderas van de inrichting· Een terugstroomleiding voor het slib loopt concentrisch vanaf een punt nabij de bodem van de be-30 zinkkamer naar het bovenste gedeelte van de beluchtingskamer en mondt uit bij een inlaat voor afvalwater bovenin de beluchtingskamer· Een luchtliftpijp loopt concentrisch door de slibterugvoerleiding heen·
Een natriumhypochloridtank buiten de beluchter zorgt voor toevoer onder invloed van de zwaartekracht door een instelbare naaldklep naar 35 de daaJpijp of rechtstreeks in de zijwand van de chloreerkamer· Gechloreerd effluent wordt uit de behandeüngsinrichting afgevoerd door 80 0 5 29 4 « 4 5 overlopen via een poort in het onderste vat nabij de bovenkant van de chloreerkamer* Sr zijn geschikte poorten aanwezig voor het aan** vankelijk ontluchten van de ehloreerkamer, voor het voortdurend, luchten van de beluchtingskamer, en voor het schoonmaken van de inrieh-5 ting, terwijl het geleidingsschot in de beluchtingskamer voorzien is van sleuven om algehele lediging mogelijk te maken· he uitvinding zal hierna worden toegelicht aan de hand van de bijgaande tekening·
Pigo 1 is een axiale vertikale doorsnede door een inrich-1Q ting volgens de uitvinding in een voorkeursui tvoe ring $
Fig· 2 toont de inrichting in bovenaanzicht; fig» 3 toont een aanzicht van links (waarbij de rechterkant van de inrichting, zoals gezien in fig· 1, als vóórkant wordt beschouwd) ; 13 Fig· 4 en 3 zijn horizontale doorsneden volgens de corres ponderende aanduidingen voorziene pijlen in fig· 3;
Fig. 6 is een achteraanzicht van de inrichting;
Fig· 7 Ie een vooraanzicht van de inrichting;
Fig· 8 is een lijst van materialen voor de inrichting; 20 Fig· 9 is een vertikale doorsnede door een gewijzigde 'uit voeringsvorm van de uitvinding;
Fige10 is een vertikale doorsnede volgens de pijlen 10-10 in fig, 9;
Fig· 11 is een zijaanzicht van de inrichting volgens fig· 25 9i
Fig· 12 is een bovenaanzicht bij fig· 11;
Fig· 13 is een horizontale doorsnede volgens de pijlen 13-13 ia fig· 10;
Fig· 14 toont schematisch de uitvoeringsvorm van de uit-30 vinding volgens fig· 9 t/m 13.
- Modulaire vaten -
Nu in het bijzonder verwijzend naar fig· 1, en vervolgens ook naar andere figuren, is een behandelingsinrichting 31 voor afvalwater weergegeven· De configuratie van de inrichting is in hoofdzaak 33 cilindrisch en hij bestaat uit twee soortgelijke cilindrische beker- 80 0 5 29 4 4 vormige vaten of modulen 35» 35« De vaten 33» 35 aid** omgekeerd re-spektievelijk rechtop met de openingsranden tegen elkaar geplaatste Poorten 34» 36 in de vaten 33 reap* 35 vormen een inlaat en een uitlaat voor de inrichting· Poorten 34, 36 dienen te worden verbonden met (niet 5 weergegeven) pijpen voor toe- en afvoer van vloeistof.
- Plensverbinding -
De vaten hebben naar buiten omgezette radiale flenzen 37, 39 aan hun openingsranden· Sen vlakke ronde plaat of schijf 41 is tussen de twee vaten geplaatst, waarbij de buitenom trek ervan tussen de' 10 flenzen aan de vaten ligt· Sen afgeknot kegelvoxmige bak 43 is in het onderste of rechtopstaande vat 35 aangebracht, waarbij de vlakke bodem 35 van die bak rust op de vlakke bodem 47 van het vat· De bak heeft een naar buiten omgezette radiale flens 49 sa** zijn bovenrand, die rust op de randflens 39 van het staande vat. De buitenomtrek 51 van de 15 schijf 41 heeft dezelfde afmetingen en vorm als de flenzen 37» 39 en kan worden beschouwd als een flens aan de ontrek van de schijf. De schijfflens 51 rust bovenop de flens 49 aan de rand van de bak, en de rand 37 van het omgekeerde vat rust op de flens 51« De vier flenzen zijn aan elkaar bevestigd met bevestigingsmiddelen die worden gevormd 20 door een aantal bouten 53 en moeren 55» waarbij de bouten steken door met onderlinge afstanden langs de ontrek aangebrachte gaten 57 (fig.2) in flens 37 en corresponderende gaten in flenzen 39» 49, 51» - De beluchter - 7at 33 en schijf 41 vormen een beluchtingskamer 59« In de 25 vlakke plaat bovenaan de beluchtingskamer (fig. 2) is een rechthoekige toegangsopening 63 aanwezig die afgesloten wordt door een rechthoekige dekselplaat die losneembaar aan de bovenplaat 61 bevestigd is door een aantal tapbouten 67. Aan het deksel 65 is een handgreep 69 gelast. De beluchtingskamer heeft een voortdurende ontluchting van overtollige 30 lucht en onder gas zoals koolzuur via de poort 71 in de plaat 61, Normaal zal de poort 71 verbonden zijn met een (niet weergegeven) ventila-tiepijp waardoor het ventilatiegas weggevoerd wordt naar een op afstand gelegen plaats.
- De bezinkbak met verbinding naar de beluchter - 35 Bak 43 en schijf 41 vormen de bezinkkamer 73· De centrale 8005294 5 » * poort 75 in de schijf 41 verbindt de beluchtingskamer 59 met de be zink -kamer 75· Be ronde geleiding 77 die zich vanaf de schijf 41 naar boven uitstrekt rondom de poort 75» en de ronde afhangende plaat 79 onderaan de schijf 41 rondom de poort 75 vormen schotten die de ver-5 binding beperken tassen de beluchtingskamer naar de axiale of centrale delen ervan» Bij voorkeur is de geleider 77 niet doorlopend; er kunnen bijvoorbeeld drie vertikale sleuven openingen 81 in aanwezig zijn met gelijke omtreksafstanden, waardoor de beluchtingskamer desgewenst ge» heel kan worden geledigd» 10 - Ghloreerkamer en verbinding met be zink bak -
Vat 55 en bak 43 vormen een chloreerkamer 85· Een inspektie en doorspoelpoort bovenin de chloreerkamer wordt afgesloten door een schroefdop 84 (fig· 3)o Een afvoerpoort in de zijwand van de chloreerkamer nabij de bodemplaat 47 wordt afgesloten door een schroefdeksel 15 36»
Be chloreerkontaktkamer 85 is met de bezinkkamer 73 verbonden door de leiding 85 die gedeeltelijk door de beluchtingskamer 59 loopt» leiding 85 bevat de standpijp 89 die onderaan verbonden is met een poort 90 in de schijf 41 welke zich radiaal buitenwaarts be-20 vindt ten opzichte van de poort 75 en de mantel 79» Een leiding 85 bestaat verder uit een horizontale dwarspijp 91 die het boveneinde van de standpijp 89 verbindt met het boveneinde van een daalpijp 93 buiten de vaten 53 en 35» welke daalpijp verbonden is met een poort 95 in de zijkant van het vat 55· poort 95 ligt diametraal tegen-25 over de poort 90»
Hen ziet dat de hoogte van de standpijp 89, of nauwkeuriger gesproken de hoogte van de onderkant van het inwendige van de dwarspijp 91, het maxiamele vloeistofniveau 97 in de beluchter 59 bepaalt» Wanneer het vloeistofniveau de hoogte van de onderkant 30 van het inwendige van de pijp 91 overschrijdt zal vloeistof uit de bezinkruimte overlopen tut de standpijp 89 via de dwarspijp 91 naar de daalpijp 93 om dan naar de chloreerkontaktkamer 83 te stromen»
Vloeistof die zo uit de bezinkruimte verdwijnt zal worden vervangen door vloeistof uit de beluchtingsruimte via poort 75 in schijf 41<> 35 Een tank 94 sluit opzij aan de daalpijp 95 aan, in het 80 0 5 29 4 6 onderste deel ervan, via een met de hand instelbare naaldklep 86 en pijp 88« Natriumhypochlorid (bleekmiddel) of een ander desinfektie-middel in de tank 94 wordt onder invloed van de zwaartekracht uit de tank 94 door de daalpijp 93 uaar de chloraerkamer gevoerd met een 3 snelheid die wordt bepaald door de instelling van de naaldklep· Ook is het mogelijk dat de pijp 88 rechtstreeks me te de chloreexkamer ver* bonden wordt via de inlaatpijp $6 onder besturing door de klep 92·
De chioreerkontaktkamer 83 zorgt voor de kontakttijd voor desinfektie· - ïerugvoerleiding voor slib - 10 De bezinkbak 73 is met de beluchter 59 verbonden via de terugvoerleiding 101« De leiding 101 bevat een stijgpijp 103 die axiaal door de poort 83 loopt en coaxiaal naar beneden loopt doorhet vat 33, de bak 43 en de mantel 79 tot een hoogte onder de mantel 79» ongeveer 10 cm van de bodem van de bak 43 in de weergegeven uitvoeringo 15 De pijp 103 loopt naar boven tot aan een T-stuk 105 dat aansluit op een zij-uitlaat 107 die uitmondt boven de vloeistofspiegel 97· Naar boven stijgende lucht wordt nabij het ondereinde van de stijgbuis 103 ingevoerd door middel van de buis 109« De buis 109 is concentrisch met de pijp 103 en heeft een kleinere uitwendige middellijn dan de 20 inwendige middellijn van pijp 103, waardoor daartussenin een ringvormige stromingsdoorlaat 111 overblijft· De buis 109 loopt naar boven door het T-stuk 105 en vandaar door een poort 113 in de bovenplaat 61 van de inrichting, afgedicht door een schotpakking 115· Buiten de inrichting sluit de buis 111 aan op de koppeling 117 die verbonden moet 25 worden met een tuss(niet weergegeven)bron van lucht onder druk·
Men ziet dat lucht die vanuit de buis 109 toegelaten wordt naar de ring 111 de dichtheid van het fluïdum (een mengsel van lucht, vloeistof en vaste stoffen) zal verlagen in de ring 111 vergeleken met de dichtheid van het fluïdum buiten de pijp 103» met als gevolg dat 30 het fluïdum in de ring zal stijgen en boven het vloeistofniveau zal weglopen naar de beluchter· Op deze manier zal zwaar slib dat zich onderin de bezinkruimte verzamelt de pijp 103 ingetrokken worden en teruggevoerd naar de beluchter om te mengen met de vloeistof die binnenkomt bij poort 34. Uit fig· 4 blijkt dat de dwarspijp 91 gebogen 35 is om de bovenkant van de beluchter zodat hij om de terugloopleiding 8005294 7 101 komt vanuit de standpijp 90 naar de daalpijp 95 die er diametraal tegenover ligt* - Beluchting - lucht onder een geringe druk van bijvoorbeeld 0,2 tot 0,35 5 atm., d.w.z» voldoende om de statische druk van de vloeistof in de inrichting te overwinnen en de luchtlift van de slib terugstroomleiding te laten verken, wordt aan de beluchtingskamer toegelaten door twee mondstukken 121 (fig· 4) die zich bij de bodem van de beluchtings-ruimte bewinden en dichtbij de buitenomtrek ervan» De mondstukken 10 zijn verbonden met luchtinlaatpijpen 123 die lopen door poorten in de zijwand van het vat 55* welke pijpen ten opzichte van het vat afgedicht zijn door middel van afdichtingen 1250 Zoals weergegeven in fig» 2, 4 en 6 liggen de twee mondstukken 121 op een afstand van 180° om de hartlijn van de beluchtingskamer» Sr kunnen echter meer of min-15 der mondstukken worden gebruikt» Bij voorkeur wordt een aantal mondstukken gebruikt die op gelijke afstanden om de hartlijn van de be-luchtingsruimte liggen»
Be mondstukken zijn met de hartlijnen van hun uitstroomope-ningen tangentiaal gericht, d»w0Zo loodrecht op stralen die getrokken 20 zijn vanaf de hartlijn van de beluchtingsruimte naar de mondstukken»
Het deze opstelling heeft de uit de mondstukken komende lucht de vorm van tangentiale stralen die ervoor zorgen dat het materiaal in de beluchtingskamer om de hartlijn van de kamer gaat ronddraaien· Omdat de stralen beneden het pijl van de bovenkant van de geleider 77 liggen is 25 die geleider behulpzaam bij het doen ontstaan van de rondgaande beweging van de vloeistof in de kamer door de stralen»
Be rondgaande beweging van het fluïdum (suspensie van vaste stoffen in een mengsel van lucht en water) in de beluchtingsruimte zal tot gevolg hebben dat het materiaal met grotere dichtheid naar het 30 buitenste deel van de beluchtingsruimte gaat en het minder dichte materiaal naar het midden bij de hartlijn» Het andere woorden er zal een centrifugaalscheiding ontstaan» Vanneer fluïdum van de beluchtingsruimte naar de bezinkruimte gaat zal dit minder dicht, grondiger ge-macereerd en verteerd fluïdum zijn dat als eerste de beluchtingsruimte 33 verlaat» Intussen zal het dichtere, minder grondig gemacereerde en verteerde materiaal in het buitenste gedeelte van de beluchtingsruimte 80 0 5 29 4 8 blijven, waarbij wrijving met de wand van het vat 33 enige turbulentie kan veroorzaken en bevordelijk is voor het macereren, beluchten en verteren ervan· - Werking in het algemeen» 5 Om de inrichting te laten werken worden de beluchtings» ruimte en bezinkruimte eerst met water gevuld door de inlaat 34 tot een hoogte boven de onderkant van de dwarspijp 91 in de beluchtings» ruimte· De door het deksel 131 afgesloten poort is de pijp 133 ver» bonden met een poort 135 in de schijf 41· lucht die zich eventueel 10 bovenin de bezinkruimte bevindt tijdens het vullen van de inrichting met water zal verdwijnen door de pijp 133, en wanneer dan het water-pijl de bovenzijde van de geleider 177 bereikt zal het water via pijp 133 naar buiten komen, hetgeen betekent dat het water in de in» richting het minimale pijl heeft bereikt om te starten· Bij voorkeur 15 wordt meer water toegelaten totdat er water uit de uitlaatpoort 36 in de bezinkruimte komt·
Dan kan er afvalwater in de inrichting toegelaten worden via de inlaatpoort 54o ftoxmaal zal vloeistof bij de poort 34 inter* mitterend binnenkomen· Het afvalwater zal worden gemengd met het water 20 onderin de beluchtingsruimte· Behandelingslucht zal aan het materiaal in de beluchtingsruimte toegelaten worden via de mondstukken 121 met een snelheid die aangepast is aan de verwachte gemiddelde stromingssnelheid van het binnenkomende afvalwater, en in een hoeveelheid die voldoende is voor het macereren van de vaste stoffen en voor aëroob 25 verteren ervan door bacteriën zodat het afvalwater gereduceerd wordt tot een fijne suspensie·
Wanneer het pijl van het afvalwater in de beluchtingsruimte het hoogste pijp heeft bereikt van de onderzijde van de dwarspijp 91 zal eerst water, en na enige tijd werken van de inrichting gezuiverd 30 water, vanuit de bezinkruimte door de standpijp 89 naar boven stromen, door de dwarspijp 91 en dan via de daalhuis 93 naar de chloreexkamer» Intussen zal de naaldklep 86 geopend zijn om desinfektie» middel (natriumhypochlorid) uit de tank 94 in de chloreerkamer toe te laten met een snelheid die voldoende is om de bacterietelling in de 33 uitstromende vloeistof tot een gewenst niveau terug te brengen· 80 0 5 29 4 9
Nu zal een gewijzigde uitvoeringsvorm worden beschreven, in het bijzonder aan de hand van fig» 9 t/m 14, waarin ook «en behandelingsinrichting 131 voor afvalwater is weergegeven.
Se inrichting in zijn geheel heeft cilindrische configuratie en be-5 staat uit twee geometrisch overeenkomstige, cilindrische, bekervormige vaten of modulens 133 en 135 met tussen zich twee cilindrische secties 226 en 227 bevinden, omgekeerd en rechtopstaand. Poorten 134 en 136 in vaten 133 neep. 135 vormen een in- en een uitlaat voor de inrichting. Poorten 134, 136 zijn bestemd om te worden verbonden met 4Λ * u een (niet weergegeven) pijp voor binnenkomende vloeistof en een pijp voor uitstromende vloeistof. * , - Flensverbinding -
Be vaten hebben naar buiten omgezette radiale flenzen 137 aan de openingsranden. Sen vlakke ronde plaat of schijf 120 is tussen ^ de twee vaten geplaatst met de buitenomtrek tussen de flenzen aan de vaten. Sen afgeknot kegelvoxmige bak 143 is in het onderste rechtopstaande vat 135 aangebracht, waarbij de platte bodem 135 van de bak rust op de platte, bodem 137 van het staande vat. Be bak heeft een naar buiten omgezette radiale flens 149 aan de bovenrand, rustend op de ^ flens 139 van het staande vat. Be buitenomtrek van de schijf 120 heeft dezelfde vorm en afmeting als de flenzen 137 en 139 en kan worden beschouwd als een flens aan de omtrek van de schijf. Be schijfflens 151 rust bovenop de flens 139 van de bovenste cilindrische bezinkbaksec-tie, en de flens 137 van de cilindrische onderste sectie van de be-luchtingskamer rust op de flens 131. Alle flenzen zijn aan elkaar bevestigd met bevestigingsmiddelen die bestaan uit een aantal bouten en moeren, waarbij de bouten gestoken zijn door gaten 137 °P onderlinge afstanden langs de ontrek (fig.' 10).
- Be beluchter - 30 Vat 133 en schijf 120 vormen een beluchtingskamer 159»
In de vlakke plaat 161 bovenop de beluchtingskamer (fig. 10) bevindt zich een rechthoekige toegangsopening 163 die afgesloten wordt door een rechthoekig deksel dat losneembaar aan de bovenplaat 161 is bevestigd door een aantal tapeinden en vleugelmoeren 167· De beluchtings-35 kamer heeft een continu werkende afvoer van overtollige lucht en ander gas zoals koolzuur via poort 171 in plaat 161. Normaal zal de poort 80 0 5 29 4 10 171 verbonden zijn met een (niet weergegeven) afvoerpijp die het afgevoerde gas geleid naar een op afstand gelegen plaats· - Bezinkruimte en verbinding met beluchter -
Bak 143, schijf 120 en de bovenste cilindrische sectie 5 227 van de bezinkbak vormen de bezinkkamer 173· De centrale poort 175 in de schijf 120 verbindt de beluchtingskamer 159 met de bezinkkamer 173« De cilindrische geleider 177 die vanaf de schijf 120 rondom de poort 175 naar boven loopt vormt een schot waardoor de verbinding wordt beperkt tussen de beluchtingskamer naar de axiale of middelste 10 delen daarvan. Bij voorkeur is de geleider 177 Biet continu; er zijn bijvoorbeeld twee vertikale openingen 161 aan de zijkant, met gelijke omtreksafstanden, waardoor de beluchtingskamer desgewenst volledig kan worden geledigd· - Afvoerkamer van bezinkruimte en verbinding daarvan met de 15 bezinkruimte -
Vat I35 en bak 143 vormen een afvoerkamer 183 voor de bezinkruimte· Sen inspectie en doorspoelpoort in het bovenste deel van die afvoerkamer wordt afgesloten door het schroefdeksel 185 (fig. 9)· Sen aftappoort in de zijkant van de afvoerkamer van de bezinkruimte, 20 waarbij de bodemplaat 147» wordt afgesloten door het schroefdeksel 186.
De afvoerkamer 183 van de bezinkruimte is met de bezinkruimte 173 verbonden door de leiding 110 die gedeeltelijk door de beluchtingskamer of beluchter 159 loopt. De leiding 110 bestaat onder-25 meer uit de standpijp 118 die onderaan verbonden is met een poort in schijf 120 die zich radiaal buitenwaarts bevind: ten opzichte van poort 175 en mantel 177· Leiding 110 omvat verder een horizontale dwarspijp 191 die het boveneinde van de standpijp 118 verbindt met het boveneinde van een daalpijp 193 buiten de vaten 133 en 135» welke 50 daalpijp verbonden is met een poort 195 ia de zijkant van het vat 135.
Men ziet dat de hoogte van de standpijp 118, of nauwkeuriger gezegd de hoogte van de onderkant van het inwendige van de dwarspijp 191» bet maximale vloeistofpijp 197 in de beluchter 159 bepaalt. 55 Wanneer het vloeistofpijp stijgt boven de hoogte van de onderzijde van het inwendige van de pijp 191 zo vloeistof uit de be- 80 0 5 29 4 11 zinkruimte vanuit de standpijp 118 overlopen en via de dwars pijp 191 naar de daalpijp 193 gaan om dan in de afvoerkamer 183 van de bezink-ruimte te stromen· Aldus uit de bezinkruimte verdwijnende vloeistof zal worden vervangen door vloeistof uit de beluchter die door poort 5 173 in schijf 120 stroomt· - Slibterugstroomleiding -
Be bezinkruimte 173 is verbonden met de beluchter 159 via de slibterugstroomleiding 112. Be leiding 112 loopt axiaal door de poort 173 en dan naar beneden coaxiaal ten opzichte van vat 133 en 10 155, bak 143 en mantel 177 tot een hoogte beneden de mantel 177» onge veer 2,5 cm vanaf de bodem van de bak 143 in de weergegeven uitvoeringsvorm. Be pijp 121 loopt naar boven tot een T-stuk dat uitkomt boven het vloeistofpijp 197* Opstijgende lucht wordt bij het ondereinde van de stijgpijp 112 ingevoerd door middel van een buis 109· Be buis 109 15 loopt naar boven door de schijf 120 en vandaar door een poort 113 in de onderste cilindrische sectie 226 van de beluchtingskamer, afgedicht door een pakking 115. Buiten de behandelingsinrichting vormt de buis 109 een aansluiting aan een bron van lucht onder druk vanuit de ventilator 8, fig. 14· 20 Men ziet dat lucht die aan de leiding 112 wordt toegevoerd vanuit de buis 109 de dichtheid van het fluïdum zal verlagen (een mengsel van lucht, vloeistof en vaste stoffen) in de leiding 112 in vergelijking met de dichtheid van het fluïdum buiten de pijp 112, met als gevolg dat het fluïdum in de pijp 112 omhoog gaat en verdwijnt 25 boven het vloeistofniveau in de beluchter. Op deze manier zal zwaar slib dat zich verzamelt onderin de bezinkbak naar de pijp 112 worden gezogen en teruggevoerd worden naar de beluchter om te worden gemengd met de binnenkomende vloeistof bij poort 134«
Zoals het beste blijkt uit fig. 14 wordt de periodieke 50 werking van de slibterugvoerleiding geregeld door een instelbare tijdklok T die een elektrische klep S zal bekrachtigen. Vanneer de elektrisch bediende klep in werking wordt gesteld zal hij open gaan en lucht in de buis 109 laten. Sen (niet weergegeven) naaldklep is geinstalleerd in de luchttoevoerleiding in de buis 109 om instelling van de terug-55 stroomsnelheid van het slib mogelijk te maken. Be periodieke werking 80 0 5 29 4 12 van de slibterugstroomleiding zal de hydraulische agitatie van de vloeistof in de bezinkbak minimaal maken die tot gevolg heeft dat slib in suspensie blijft, inplaats van te bezinken. Een normaal workings programma voor de elektrisch bediende klep ia bijvoorbeeld 5 1 min./uur. 3)e werkfrequentie kan echter worden veranderd bij de da gelijkse gemiddelde stroom van afvalwater voor elke toepassing waarbij een behandelingseenheid voor afvalwater is geinstalleerd. Aan de hand van fig. 11 en 12 kan worden opgemerkt dat de dwarspijp 191 gebogen is om het boveneinde van de beluchter zodat hij om de slibterug-10 stroomleiding 112 loopt vanuit de standpijp 118 naar de daalpijp 193 die er diametraal tegenover ligt.
- Beluchting -
Lucht onder een geringe overdruk, d.w.z. voldoende voor het overwinnen van de statische druk van de inrichting en het doen 15 werken van de luchtlift van de slibterugvoerleiding, wordt aan de beluchtingskamer toegelaten door een viertal spuitstukken 121 (fig.13) die zich bevinden.bij de bodem van de beluchter en dichtbij de buitenomtrek daarvan, Be spuitstukken zijn verbonden met luchtinlaatpijpen 123 die lopen door poorten in.de zijwand van het vat 226, waarbij de 20 pijpen ten opzichte van het vat zijn afgedicht door pakkingen. Zoals weergegeven in fig. 12 staan de spuitstukken 121 met onderlinge afstanden van 43° om de cilinderas van de beluchtingskamer. Men kan echter minder of extra spuitstukken gebruiken. Bij voorkeur gebruikt men een aantal spuitstukken dat met gelijke onderlinge afstanden om de as 25 staat.
Be spuitstukken zijn met de hartlijnen van de uitstroom-openingen tangentiaal gericht, d.w.z. loodrecht op stralen die getrokken zijn van de hartlijn van de beluchter naar de spuitstukken.
Met deze plaatsing heeft de lucht die de mondstukken verlaat de vorm 30 van horizontale tangentiale stralen die ervoor zorgen dat het materiaal in de beluchter in een rondgaande baan om de as van de beluchter gaat bewegen.
Boer de aanvankelijke horizontale tangentiale stroming van lucht vanuit de stralen zal een langere kontakttijd mogelijk zijn voor 35 overdracht van zuurstof tussen de lucht en vloeistof in de beluchtingskamer en zullen de afzetbare vaste stoffen in suspensie blijven.
80 0 5 29 4 13 - Besinfektie -
Se chloorkontaktafvoerput 169 is met de afvoerkamer van de bezinkbak verbonden door een pijp 1$6. Se vloeistof die vanuit de afvoerkamer van de bezinkbak door deze verbindingspijp 136 stroomt 5 wordt gedesinfekteerd door natriumhypochlorid (bleekmiddel) of een ander desinfektiemiddel in tank 194* Se desinfekterende stof stroomt onder invloed van de zwaartekracht door plastikbuizen 117 naar de verbindingspijp 136· Seze stroming onder invloed van de zwaartekracht wordt geregeld door een instelbare naaldklep 155» 10 Se afvoerlijn voor de bezinkruimte komt uit in de chloor kontaktafvoerput door de verbindingspijp 136 tussen de afvoerkamer en die put· Sen afzonderlijke afsluitklep is in deze verbinding aangebracht voor de afloop uit de bezinkbak en de afvoerkamer van de bezinkbak. Be chloorkontaktafvoerput verschaft kontakttijd voor desin-15 fekt-ie.
Steeds wanneer het vloeistofniveau in de chloreerkamer 183 stijgt tot de hoogte van de uitlaatpoort 185 zal vloeistof weg-stromen naar een (niet weergegeven) bewaartank of een andere plaats waar het kan worden bewaard. Se bewaartank (of de chloreerkamer 183 20 zelf) kan kontinu of periodiek worden uit gepompt.
Gedurende de tijd waarin de vloeistofsuspensie uit de be-luchtingskamer in de bezinkkamer in rust is kunnen vaste stoffen zich als slib onderin de bezinkruimte afzetten. Se vaste stoffen worden naar het midden van de bodem van de ruimte geleid door de helling van 25 de conische zijden van de bezinkruimte. Het slib wordt continu of intermitterend van de bodem van de bezinkruimte verwijderd door de slib-terugvoerleiding 112. Het slib wordt afgevoerd naar de bovenkant van de beluchter 159 nabij het punt waar nieuw afvalwater binnenkomt; door deze opstelling wordt binnenkomend afvalwater gemengd met slib dat 30 rijk is aan bacteriën om te zorgen voor een onmiddellijk begin van het verteringsproces wanneer lucht toegevoegd wordt aan het afvalwater in de beluchter.
Zoals het beste blijkt uit fig. 12 is de dwarspijp I9I voorzien van een anti-sifonontluchting 241 om de hoge kant van de pijp 35 191 te ontluchten naar de atmosfeer buiten de beluchtingskamer 159 door de ontluchtpijp l£la. Voor een verdere beschrijving van deze funk- 80 0 5 29 4 Η tie wordt verwezen naar de Ned«octrooiaanvrage 60 03404 betreffende een inrichting voor het verwerken van afvalwater voor schepen.
De hier beschreven behandelingsinrichting is speciaal bestemd voor gebruik aan boord van schepen· Wanneer-het schip rolt of 5 stampt en de cilindsras van de behandelingsinrichting schuin komt te staan ten opzichte van de vertikaal zal fluïdum in de beluchter stijgen ten opzichte van één kant van de beluchter. Wanneer de richting van de schuine stand of een component ervan gericht is naar de standpijp 118 zal de vloeistof in de standpijp 118 stijgen. Deze stijging zal 10 echter op zichzelf geen extra stroming van fluïdum uit de beluchter naar de bezinkbak veroorzaken, want gelijktijdig zal het boveneinde van de daalpijp 193 omhoog gaan. Omdat de daalpijp 193 diametraal tegenover de standpijp 112 ligt zal de daalpijp 193 steeds omhoog gaan wanneer de standpijp 118 omlaag gaat. De schuine stand van de as van 13 de behandelingsinrichting ten opzichte van de vertikaal zal dus geen aanleiding geven tot het voortijdig ledigen van de beluchter, d.w.z. ledigen voordat het niveau van het fluïdum erin, wanneer de inrichting niet schuin staat, beneden de onderzijde van de dwarspijp 191 ligt.
Terwijl vloeistof de bezinkruimte verlaat via de stand-20 pijp 118 zal extra vloeistof de ruimte binnenkomen via de poort 175·
De geleider 177 dient ook als een schot waardoor wordt voorkomen dat dichte vaste stoffen op de bodem van de beluchter die beluchter verlaten. Deze vaste stoffen zullen uiteindelijk gereduceerd worden door de macererende werking van de luchtstralen in de ring die gevormd wordt 25 tussen de geleider 177 ®n het vat 133 en dan verteren wanneer ze rondwervelen in de beluchter op een hoogte boven deze macereerring in het bovenste gedeelte of verteringsgedeelte van de beluchter, om uiteinde-lijk als fijne vaste stoffen in suspensie te verdwijnen via het kerngedeelte van de beluchter rond de hartlijn ervan boven de poort 175· 30 Deze suspensie, die uit de kern van de beluchter door de poort 175 naar beneden valt, zal de bezinkruimte binnentreden door de mantel 177 > die ook een leiding vormt. De suspensie stroomt langs de binnenzijde van deze leiding of mantel naar beneden, naar het onderste gedeelte van de bezinkruimte nabij, doch iets boven het ondereinde van de slibte-35 rugvoerleiding 112. De mantel of leiding 177 houdt dus de suspensie die binnenkomt vanuit de beluchter buiten aanraking met de betrekkelijk 80 0 5 29 4 15 rustige inhoud van de bezinkruimte buiten de mantel 177 boven het ondereinde daarvan· Hierdoor kunnen voortdurend vaste stoffen vanuit het bovenste gedeelte van de bezinkruimte naar onderen vallen, waarbij de snelheid van de vloeistof in dit bovenste gedeelte van de be-5 zinkruimte kleiner is dan binnen de mantel 177* Bovendien zal materiaal in de vloeistof waarvan de dichtheid kleiner is dan 1 weer naar boven drijven door de leiding of mantel 177 en uiteindelijk teruggestuurd worden naar de beluchter 159·
Men ziet dat de centrifugaalscheiding in de beluchter 10 aangevuld wordt door zwaartekrachtscheiding in de bezinkruimte.
De uitvoering van fig. 9 t/m 15·
Men ziet in fig. 14 de stromingsbaan van de vloeistof wanneer die wordt behandeld en de verschillende onderdelen van het behandelingssysteem.
15 Afvalwater stroomt door de zwaartekracht naar de beluch- tingskamer 159 van de behandelingseenheid door een inlaatopening 154 van 7»5 cm· Het in de beluchtingskamer gevoerde afvalwater mengt zich met het water en het bacteriehoudende slib in de beluchtingskamer.
Het normale vloeistofniveau 197 in de beluchtingskamer 20 159 blijft konstant. Vloeistof stroomt door de behandelingseenheid door middel van een zwaartekrachtsverplaatsing. Bit betekent dat, wanneer afvalwater de beluchtingskamer instroomt, een gelijk volume aan behandelde vloeistof door de zwaartekracht zal stromen naar de chlo-reerkontaktafvoerput 169· 25 De luchtstraaldiffusors 121 blazen luchtbellen door de vloeistof in de beluchtingskamer om aan de bacteriën de zuurstof te verschaffen die ze nodig hebben om het juiste soort bacteriën aktief te houden en ook om het slib en het afvalwater zo goed mogelijk gemengd te houden zodat het afvalwater sneller door de bacteriën zal 30 worden geconsumeerd. De door de luchtbellen veroorzaakte menging is ook bevorderlijk voor het afbreken van vaste stoffen in het afvalwater die de beluchtingskamer binnenkomen en voorkomt dat slib en vaste stoffen zich af zetten op de bodem van de beluchtingskamer. De luchtstroom in de diffusor-straal wordt geregeld door de naaldkleppen 10.
35 Afvalwater dat de beluchtingskamer binnenstroomt zou een gelijk volume vloeistof dwingen de bezinkruimte 175 te verlaten. Wan- 8005294 -16- neer de vloeistof de beluchtingskamer verlaat door de bezinkruimte zullen het bacterieslib en andere vaste stoffen van het water worden gescheiden en op de bodem van de kegel 1U3 in de bezinkruimte vallen. Het opgezamelde slib wordt in de cyclus teruggevoerd in de beluchtingskamer 5 159 door de slibterugvoerleiding 112.
Een deel van de lucht uit de ventilator 8 van de afvalwaterbe-handelingseenheid wordt afgevoerd naar het ondereinde van de slibterug-stroomleiding. De naar die leiding afgevoerde lucht stijgt naar boven. Wanneer dit gebeurt wordt een deel van de vloeistof in de slibterug- 10. stroomleiding ook gedwongen mee naar boven te gaan en de afvoeropening in die leiding te verlaten. De leiding fungeert als luchtliftpomp waardoor bezonken slib en water van onder uit de kegel van de bezinkruimte teruggepompt worden naar de beluchtingskamer. De stroomsnelheid in die slibterugstroomleiding wordt geregeld door de naalden 9 en een elek- 19 trisch bediende klep S zodat afwisselende werking mogelijk is. Hierdoor wordt een langere bezinktijd voor het slib toegelaten.
De vloeistof die vanuit de beluchtingskamer verdreven wordt stroomt naar de bezinkruimte door een rond pijpschot 177 in de bezinkruimte met een middellijn van ongeveer 15 cm. Dit pijpschot houdt het slib in 20 de vloeistof die de bezinkruimte instroomt gescheiden van het schone water dat uit de bezinkruimte wordt af gevoerd. Bovendien zal eventueel drijvend materiaal gescheiden worden van de vloeistof die de bezinkruimte instrocmt en weer naar boven drijven naar de beluchtingskamer 159, omdat deze materie lichter zal zijn dan de vloeistof die langzaam door het ronde 25 pijpschot stroomt.
De heldere vloeistof boven in de bezinkruimte wordt uit die ruimte afgevoerd door het spruitstuk 118' van de dwarsleiding. De heldere vloeistof stroomt dit spruitstuk binnen door openingen boven in de pijp. Dan stroomt de vloeistof naar boven in de pijp, de beluchtingskamer in, en 30 naar teneden de afvoerkamer 183 in door de spruitstukdwarspijp 193 aan de buitenkant.
De naar boven aan de lus in de spruitstukpijp levert een statische vloeistofafdichting waardoor het vloeistofpijp in de beluchtingskamer 159 hoog genoeg wordt gehouden zodat er geen luchtruimte boven in de bezink-35 kamer 173 zal zijn waardoor vloeistof in die ruimte op en neer zou kunnen klotsen met het rollen en stampen van het schip.
Door dit klotsen zou het slib weer in de bezinkruimte worden gemengd 80 0 5 29 4 -17- en zou het ach niet afzetten.
De afvoerkamer van de hezinkruimte levert een extra verblijftijd voor het oxyderen van eventuele slibdeeltjes die uit de hezinkruimte gekomen zijn.
5 Het verplaatste -water uit de afvoerkamer van de hezinkruimte stroomt onder invloed van de zwaartekracht door een PVC klep van 5 cm en een afvoerleiding 136 naar de chloreercontact afvoerput 169.
Een vloeibaar chemisch desinfectiemiddel in de vorm van een chloorverbinding (bleekmiddel) stroomt door de zwaartekracht de vloeistof in 10 wanneer deze de afvoerkamer van de hezinkruimte uitstroomt.
Het bleekmiddel wordt bewaard in een tank 19^ voor dit ehloreer-middel, met een inhoud van ongeveer 20 liter, aangebracht, aan de zijkant van de eenheid. De stroomsnelheid van het bleekmiddel wordt geregeld door een PVC naaldklep 155· Het Heelmiddel wordt door de zwaartekracht afge-15 voerd naar de afvoerleiding door plastic buizen.
De chloreercontactafvoerput voldoet aan twee eisen. Allereerst is de inhoud van de put groot genoeg om te bereiken dat de verblijftijd van de vloeistof voordat deze wordt afgevoerd lang genoeg is om de chemicaliën op chloorbasis in aanraking te laten zijn met de bacteriën en die te do-20 den. Op de tweede plaats verschaft de put, omdat de meeste installaties een afvoerpomp nodig hebben, het werkvolume voor de regeling van de werking van de pomp.
80 0 5 29 4

Claims (15)

1. Inrichting voor het "behandelen van afvalwater, omvattend een hellichter, een bezinkruimte en een desinfectieruimte, en is de doorgang om fluïdum uit de beluchter naar de bezinkruimte te leiden, en een tweede doorgang om fluïdum uit de bezinkruimte naar de desinfectieruimte te lei-5 den, waarbij de beluchter voorzien is van een inlaat voor aangevoerde vloeistof en de desinfectieruimte voorzien is van een uitlaat voor de uitstromende vloeistof, met het kenmerk, dat de beluchter een vat omvat en middelen om lucht aan dat vat toe te laten in een zodanige richting dat het fluïdum in het vat in een rondgaande haan cm een verticale as 10 gaat bewegen.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het vat een ronde dwarsdoorsnede heeft,-waarbij de genoemde verticale as door het middelpunt van die dwarsdoorsnede gaat, en waarbij de rondgaande beweging een cirkelvormige beweging om de genoemde as is.
3. Inrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de middelen voor heütoelaten van lucht gevormd worden door een aantal spruitstuk-ken die tangentiaal gericht zijn ten opzichte van de as en die gelijke afstanden langs de omtrek hebben om die as. U. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, 20 dat de bezinkruimte opgesteld is onder de beluchter en dat de bovenkant van de bezinkruimte, met een gemeenschappelijke rand, de bodem vormt van de beluchter, en dat de genoemde eerste doorlaat wordt gevormd door een centrale poort in de gemeenschappelijke wand en een rand geleidingsschot om die poort, waarbij de mondstukken geplaatst zijn beneden de bovenkant 25 Tan het geleidingsschot.
5. Inrichting volgens conclusie met het kenmerk, dat de bezinkruimte een kegelvormige configuratie heeft concentrisch met de beluchter, dat gemeenschappelijke wand een vlakke schijf is, dat de eerste doorlaat verder een vanaf de schijf naar beneden gerichte mantel omvat om de poort 30 waardoor een geleidingsmiddel wordt gevormd voor het fluïdum vanaf die poort tot nabij de bodem van de bezinkruimte en waardoor een schot wordt gevormd zodat een rustige ruimte ontstaat in de bezinkruimte buiten die mantel.
6. Inrichting volgens conclusie 5S met het kenmerk, dat de desinfectie-35 ruimte bestaat uit een vat met vlakke bodem en cirkelvormige dwars- 80 0 5 29 4 -19- door snede waarbinnen coaxiaal de kegelvormige bezinkruimte ingezet is , waarbij de bezinkruimte een vlakke bodem beeft die rust op de vlakke bodem van de desinfectieruimte.
7. Inrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de bezink- 5 ruimte met de beluchter verbonden is door een.derde doorlaat die een slib-terugstroomleiding omvat coaxiaal met desinfectieruimte, bezinkruimte en beluchter lopend van een punt nabij de bodem van de bezinkruimte onder de genoemde mantel tot nabij de bovenzijde van de beluchter nabij de genoemde inlaat, waarbij de derde doorlaat verder een luchtpijp omvat co-10 axiaal met de genoemde leiding en een kleinere uitwendige middellijn dan de inwendige middellijn van die leiding, en lopend van een punt nabij het ondereinde van die leiding naar boven tot een punt boven in de beluchtings-ruimte.
8. Inrichting volgens conclusie 7S met het kenmerk, dat de tweede 15 fluïdum doorlaat een excentrische poort omvat in de gemeenschappelijke wand, aangebracht aan een kant van de centrale poort, een standpijp in de beluchtingsruimte die vanuit die beluchtingsruimte omhoog gaat diametraal tegenover de genoemde standpijp ten opzichte van de as van de beluchtingsruimte, en een dwarspijp lopend vanaf het boveneinde van de 20 standpijp om de slibterugstroomleiding naar het boveneinde van de delpijp, waarbij het ondereinde van de delpijp verbonden is met de zijkant van de bezinkruimte boven de onderkant van de mantel.
9. Inrichting volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat het beluch-tingsvat de vorm heeft van een omgekeerde kom met een naar buiten ge- 25 richte flens aan de opening van de kom, dat het vat van de desinfector de vorm heeft van een rechtopstaande kom van dezelfde vorm en afmetingen als het vat van de beluchter met een soortgelijke naar buiten gerichte flens aan de openingsrand, dat de bezinkruimte de vorm heeft van een afgeknot kegelvormige bak met een naar buiten gerichte flens aan de openings-30 rand, dat de gemeenschappelijke wand de vorm heeft van een vlakke schijf waarvan de vlakke buitenste omtrek een flens vormt, en waarbij de flenzen van de schijf en de bak ingesloten zijn tussen de flenzen van de beluchtingsruimte en de desinfectieruimte, en waarbij deze flenzen onderling zijn verbonden door bouten die gestoken zijn door een aantal met onder-35 linge afstanden langs de omtrek in de flens van de beluchtingsruimte aangebrachte gaten en corresponderende gaten in de andere drie flenzen.
10. Inrichting volgens conclusie 9> met het kenmerk, dat deze een poort 80 0 5 29 4 -20- omvat "boven in de beluchter waardoor die beluchter voortdurend wordt geventileerd, een ontluchtopening in de dwarspijp naar de beluchter, sleuven in het geleidingsschot, zich uitstrekkend tot onderaan de beluchter, en derde poort in de gemeenschappelijke wand welke door middel van een 5 zich door de beluchter uitstrekkende pijp verbonden is met een poort in de zijwand van de beluchter ter hoogte van de bovenzijde van het gelei-dingsschot en normaal afgesloten door een schroefdop, een normaal gesloten aftapgat in de zijwand van de desinfectieruimte nabij de bodem ervan, normaal gesloten toegangspoorten in de zijwand van de desinfectieruimte 10. en boven in de beluchter, een tank voor desinfectiemiddel welke door een met de hand instelbare naaldklep verbonden is met de delpijp in het onderste gedeelte daarvan, en een normaal gesloten poort om de tank met desinfectiemiddel rechtstreeks met de desinfectieruimte in verbinding te brengen.
11. Inrichting voor het behandelen van afvalwater, met het kenmerk, dat deze een verticale opeenstapeling omvat van cilindrische onderdelen, bestaande uit een beluchtingskamer bovenaan, onder die beluchtingskamer, en daarmee in verbinding staande, een bezinkkamer, een afvoerkamer voor de bezinkkamer onder de beluchting- en bezinkkamers, een chloreercontact 20 afvoerkamer die verbonden is met de genoemde afvoerkamer van de bezink-ruimte, middelen die de bezinkkamer in verbinding brengen met de afvoerkamer van die bezinkruimte, en een anti-sifon gasafvoer inricht-^ing in die verbindingsleiding tussen de bezinkkamer en de chloreercontactafvoer-kamer, en in hoofdzaak liggend in het geometrische middelpunt van de be-25 luchtingskamer.
12. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat deze verder een slibdoorstroomleiding anvat die in verbinding staat met de bodem van de bezinkkamer en met het bovenste gedeelte van de beluchtingskamer, terwijl verder een luchttoevoerleiding voor de slibterugstroomleiding aanwezig 30 is, met die slibterugstroomleiding verbonden, en voorzien van middelen voor het pulseren van de luchttoevoer.
13. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat de middelen voor het pulseren van de luchttoevoer gevormd worden door een spoel met door werkbediening in de luchttoevoerleiding. 35 1H. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat deze verder een aantal straaldiffussers omvat die langs de omtrek zijn aangebracht en horizontaal op afstand boven de bodem van de beluchtingskamer bestaan. 80 0 5 29 4 “21-
15. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de bezink-ruimte een conische configuratie heeft concentrisch met de beluchtings-kamer, -waarbij een vlakke schijf met een opening een gemeenschappelijke wand vormt tussen de beluchtingskamer en de bezinkkamer, en waarbij ver-5 der een cilindrische mantel door de opening in de schijf gaat waardoor een leiding wordt gevormd om fluïdum uit de opening te geleiden tot nabij de bodem van de bezinkkamer zodat een mstige zone ontstaat in de bezinkruimte buiten de mantel.
16. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat deze verder 10 een desinfectiekamer omvat met een vat dat een vlakke bodem heeft en een ronde dwarsdoorsnede, en waarbinnen de bezinkruimte coaxiaal is ingezet, welke bezinkruimte een vlakke boden heeft die rust op de vlakke bodem van de desinfectieruimte.
17. Inrichting volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat de beluchtings-15 kamer de vorm heeft van een omgekeerde kom met een naar buiten gerichte flens aan de openingsrand van de kom, dat de desinfectiekamer de vorm heeft van een rechtopstaande kom waar dezelfde vorm en afmetingen als het beluchtingsvat en een soortgelijke naar buiten gerichte flens aan de openingsrand van die rechtopstaande kom, dat de bezinkruimte de vorm heeft 20 van een afgeknot kegelvormige bak met een naar buiten gerichte flens aan de openingsrand van die bak, dat de gemeenschappelijke wand de vorm. heeft van een vlakke schijf waarvan een vlakke buitenomtrek een flens vormt, en waarbij de flenzen van de schijf en de bak ingesloten zijn tussen de flenzen van de belucht er en de desinfectieruimte, welke flenzen aan el-25 kaar zijn bevestigd met bouten die gestoken zijn door een aantal met onderlinge afstanden langs de cmtrek in de flens van de beluchter aangebrachte gaten alsmede corresponderende gaten in de andere drie flenzen. 8005294
NL8005294A 1979-11-16 1980-09-23 Behandeling van afvalwater. NL8005294A (nl)

Applications Claiming Priority (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
US06/095,107 US4268389A (en) 1979-11-16 1979-11-16 Sewage treatment
US9510779 1979-11-16
US06/151,405 US4317723A (en) 1979-11-16 1980-05-19 Sewage treatment
US15140580 1980-05-19

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL8005294A true NL8005294A (nl) 1981-06-16

Family

ID=26789765

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8005294A NL8005294A (nl) 1979-11-16 1980-09-23 Behandeling van afvalwater.

Country Status (14)

Country Link
US (1) US4317723A (nl)
AR (1) AR222914A1 (nl)
AU (1) AU6400980A (nl)
CA (1) CA1144666A (nl)
DE (1) DE3043090A1 (nl)
DK (1) DK453480A (nl)
FR (2) FR2469383A1 (nl)
GB (2) GB2079264B (nl)
GR (1) GR71934B (nl)
IT (1) IT1147069B (nl)
LU (1) LU82897A1 (nl)
NL (1) NL8005294A (nl)
NO (1) NO803438L (nl)
PT (1) PT71994B (nl)

Families Citing this family (9)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JPH0523687A (ja) * 1991-07-18 1993-02-02 Inax Corp 汚水処理装置
AT401047B (de) * 1994-07-19 1996-05-28 Kastner Helmut F Ing Kläranlage, insbesondere bodenfilterkläranlage
ES2091721B1 (es) * 1995-01-27 1997-06-01 Redondo Jose Angel Serrano Torres para tratamiento biologico de aguas residuales.
JP3549090B2 (ja) * 1998-10-28 2004-08-04 日東工器株式会社 2流路空気供給装置
US8544827B1 (en) 2009-04-28 2013-10-01 Nested Nozzle Mixers, Inc. Nested nozzle mixer
RU170494U1 (ru) * 2016-06-15 2017-04-26 Общество с ограниченной ответственностью "Эколайн" Установка для очистки сточных вод
US11433328B1 (en) * 2019-09-11 2022-09-06 Crescent Gdg Filter Venture, Llc Non-discharge backwash filter system
RU201979U1 (ru) * 2020-03-03 2021-01-26 Виталий Игоревич Залыгин Септик
CN118754270A (zh) * 2024-06-25 2024-10-11 合肥阿米巴数据服务有限公司 一种基于大数据的工业污水过滤系统及设备

Family Cites Families (30)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3285422A (en) * 1966-11-15 Sand trap
US1642206A (en) * 1924-08-25 1927-09-13 Imhoff Karl Apparatus for sewage treatment by activated sludge in combination with sludge digestion
US2413838A (en) * 1940-08-02 1947-01-07 Edward B Mallory Waste purification apparatus having superposed aerating and clarifying chambers
US2709680A (en) * 1951-06-02 1955-05-31 Youngstown Welding & Engineeri Sewage disposal apparatus
US2769546A (en) * 1951-10-17 1956-11-06 Stamicarbon Process and apparatus for causing a liquid to flow along different conduits depending on the viscosity of the liquid concerned
US2901114A (en) * 1957-04-17 1959-08-25 Mcphee Sewage treatment apparatus
US3220706A (en) * 1963-06-07 1965-11-30 Pacific Flush Tank Co Sewage treatment system
US3271304A (en) * 1964-06-26 1966-09-06 Pacific Flush Tank Co Venturi aerator and aerating process for waste treatment
US3335865A (en) * 1964-08-18 1967-08-15 Crane Co System for sewage treatment
DE1246605B (de) * 1964-11-26 1967-08-03 Schreiber August Verfahren und Vorrichtung zum Belueften von Abwasser in einem Belueftungsbecken
US3298526A (en) * 1965-01-26 1967-01-17 Pacific Flush Tank Co Waste treatment package plant
US3347784A (en) * 1965-05-05 1967-10-17 Fmc Corp Sewage treatment process and apparatus
US3397789A (en) * 1966-10-20 1968-08-20 Pacific Flush Tank Co Sewage treatment system
US3419146A (en) * 1967-10-16 1968-12-31 Koulovatos James Sewerage treatment plant
US3415381A (en) * 1967-12-29 1968-12-10 Paul M. Thayer Sewage treatment plants
US3535234A (en) * 1968-02-20 1970-10-20 Pall Corp Sewage treatment process and apparatus
USRE26931E (en) 1969-03-27 1970-07-07 Aerobic waste treatment system
US3552725A (en) * 1969-03-28 1971-01-05 Future Products Dev Corp Acceleration units
US3497064A (en) * 1969-04-17 1970-02-24 Water Pollution Controls Inc Aerobic waste system with pneumatic ejection and chlorination
US3744634A (en) * 1971-02-25 1973-07-10 N Schlenz Package sewage treatment plant
US3837493A (en) * 1971-03-16 1974-09-24 Y Lin Sewage treatment apparatus
US3753897A (en) * 1971-03-16 1973-08-21 Y Lin Sewage treatment method and apparatus
US3764011A (en) * 1971-12-16 1973-10-09 D Owens Sewage treatment apparatus
US3879285A (en) * 1972-04-05 1975-04-22 Coate Burial Vault Inc Aerobic sewage treatment system
CH546708A (de) * 1972-07-02 1974-03-15 Kaelin J R Verfahren und einrichtung zur reinigung von abwasser.
US3819053A (en) * 1972-10-02 1974-06-25 Gen Electric Waste treatment system
US3850801A (en) * 1973-06-07 1974-11-26 Mcquay Perfex Inc Waste water purification system
GB1465003A (en) * 1974-03-27 1977-02-16 Hamworthy Engineering Sewage treatment apparatus particularly for marine applications
US3997437A (en) * 1975-07-25 1976-12-14 Prince Jack E Aerobic type sewage digestion system
US4231874A (en) * 1976-12-14 1980-11-04 Heiligtag Raymond W Gyratory aerobic aeration treatment tank

Also Published As

Publication number Publication date
PT71994A (en) 1980-11-01
FR2469383A1 (fr) 1981-05-22
GR71934B (nl) 1983-08-19
GB2063236A (en) 1981-06-03
IT8050170A0 (it) 1980-11-14
GB2079264A (en) 1982-01-20
GB2079264B (en) 1984-03-14
PT71994B (en) 1981-10-13
CA1144666A (en) 1983-04-12
AR222914A1 (es) 1981-06-30
DK453480A (da) 1981-05-17
IT1147069B (it) 1986-11-19
US4317723A (en) 1982-03-02
NO803438L (no) 1981-05-18
AU6400980A (en) 1981-05-21
FR2480737A1 (nl) 1981-10-23
DE3043090A1 (de) 1981-05-27
LU82897A1 (fr) 1981-03-24

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US4259182A (en) Waste treatment apparatus
US4882046A (en) Multi-chamber septic tank assembly
CA1114961A (en) Method for maintaining a constant gas to solids ratio in effluent from a long vertical shaft bioreactor
US6200472B1 (en) Three stage sewage treatment system
NO148105B (no) Fremgangsmaate og anordning for behandling av vaeske ved sirkulasjon i kontakt med gass
NL8005294A (nl) Behandeling van afvalwater.
US4440645A (en) Dissolving gas in a liquid
NO803177L (no) Fremgangsmaate og anordning for behandling av avloepsvaesker
NZ195076A (en) Activated sludge sewage disposal system adapted for marine use
US3709363A (en) Extended aeration, activated sludge plant
NZ193051A (en) Free turbines in tube divide bubbles
US4452701A (en) Biological treatment of sewage
US20160089619A1 (en) System for mixing industrial waste water within a gravity settling tank
US6228258B1 (en) Sewage treatment system with chlorinator
US10040697B2 (en) Method for mixing industrial waste water within a gravity settling tank
US4268389A (en) Sewage treatment
US3239067A (en) Combined clarifier and digester of high capacity
US6413416B1 (en) Water treatment vessel with cartridge holder for holding tablets
WO1986005412A1 (en) A lamella separator
EP0055705A4 (en) WASTE TREATMENT APPARATUS.
US6093316A (en) Sewage treatment apparatus
JP2577673B2 (ja) 汚水処理槽
US5110464A (en) Apparatus for recirculation of liquids
US5876598A (en) Water purification decant assembly
US10526221B2 (en) System and method for static mixing in a EPT using a fluid containment assembly

Legal Events

Date Code Title Description
BV The patent application has lapsed