NL8004898A - Inrichting voor putbehandeling. - Google Patents
Inrichting voor putbehandeling. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8004898A NL8004898A NL8004898A NL8004898A NL8004898A NL 8004898 A NL8004898 A NL 8004898A NL 8004898 A NL8004898 A NL 8004898A NL 8004898 A NL8004898 A NL 8004898A NL 8004898 A NL8004898 A NL 8004898A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- pipe
- gravel
- passage
- fluid
- sleeve
- Prior art date
Links
Classifications
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B33/00—Sealing or packing boreholes or wells
- E21B33/10—Sealing or packing boreholes or wells in the borehole
- E21B33/12—Packers; Plugs
- E21B33/124—Units with longitudinally-spaced plugs for isolating the intermediate space
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E21—EARTH OR ROCK DRILLING; MINING
- E21B—EARTH OR ROCK DRILLING; OBTAINING OIL, GAS, WATER, SOLUBLE OR MELTABLE MATERIALS OR A SLURRY OF MINERALS FROM WELLS
- E21B43/00—Methods or apparatus for obtaining oil, gas, water, soluble or meltable materials or a slurry of minerals from wells
- E21B43/02—Subsoil filtering
- E21B43/04—Gravelling of wells
- E21B43/045—Crossover tools
Landscapes
- Geology (AREA)
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mining & Mineral Resources (AREA)
- Environmental & Geological Engineering (AREA)
- Fluid Mechanics (AREA)
- Physics & Mathematics (AREA)
- General Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Geochemistry & Mineralogy (AREA)
- Earth Drilling (AREA)
- Non-Reversible Transmitting Devices (AREA)
- Revetment (AREA)
- Consolidation Of Soil By Introduction Of Solidifying Substances Into Soil (AREA)
Description
* * >/
Inrichting voor putbehandeling.
Ongeconsolideerde formaties, in het bijzonder die welke losse zanden en zachte zandsteenlagen bevatten, geven voortdurend moeilijkheden bij putproduktie als gevolg van migratie van losse zanden en geerodeerde zandsteen tot in de putboring wanneer de 15 formatie achteruit gaat onder de druk en de stroming van fluïdums daar doorheen. Deze migratie van deeltjes kan uiteindelijk de stromingsdoorgangen in het produktiestelsel van de put verstoppen, en kan de uitrusting in ernstige mate aantasten. In bepaalde gevallen kan het verstopt raken van het produktiestelsel leiden 20 tot een volledig ophouden van de stroming of ’’doden” van de put.
Een hoofdwerkwijze voor het regelen van de zandmigratie in een putboring bestaat uit het plaatsen van een grindmantel op het uitwendige van een van openingen of sleuven voorzien buis-stuk of zeef, die over een ongeconsolideerde formatie wordt ge-25 plaatst voor het verschaffen van een wering tegen migrerend zand vanuit die formatie en het toch toelaten van een fluïdumstroming.
Het grind wordt naar de formatie gedragen in de vorm van een brij, waarbij het draagfluïdum wordt verwijderd en teruggevoerd naar het oppervlak. Er moet een juiste afmeting van het grind 30 worden gebruikt voor het doeltreffend stilzetten van zandmigratie door de mantel, waarbij de openingen van het buisstuk of de zeef zodanig zijn bemeten, dat het grind op zijn uitwendige uitzakt, waarbij het brijfluïdum, dat het grind draagt, het buisstuk of de zeef vanaf zijn uitwendige binnengaat.
35 ’Omgekeerde circulatie” is een wijd verbreide werkwijze 8004898 2
V
waarmee putten worden voorzien van een mantel. Tegenwoodig wordt een buisstuksamenstel met een van openingen voorzien buisstuk of zeef over de ongeconsolideerde formatie, die gewoonlijk wordt aangeduid als de van een mantel te voorziene "zone", geplaatst, 5 waarna een gereedschap voor het aanbrengen van een grindmantel boven de zone wordt geplaatst tussen het buisstuk en de putver-buizing of, indien geen verhuizing aanwezig is, de putboring-wand voor het scheiden van dat gebied ten opzichte van die er boven. Een pomppijpkolom wordt in het buisstuksamenstel gelaten 10 bij het gebied van de zone, waarbij tussen het buisstuk en inwendige pomppijpkolom een ringruimte wordt gevormd. Grindbrij wordt in deze ringruimte gepompt, naar buiten in de ringruimte tussen het buisstuk en de verhuizing of putboringwand op een juiste plaats boven het gebied, waar het daalt, en het grind 15 wordt afgezet in het gebied van de zeef wanneer het draagfluïdum het buisstuksamenstel weer binnengaat door de zeef, welk fluïdum door de inwendige pomppijpkolom wordt verwijderd. Een doorgangs-inrichting, opgenomen in de inrichting voor het aanbrengen van een mantel, leidt het terugkerende fluïdum terug tot buiten het 20 buisstuksamenstel, waarna het fluïdum naar boven beweegt naar het oppervlak. Aan het oppervlak wordt een drukopbouw waargenomen wanneer de grindhoogte de bovenkant bereikt van de zeef, hetgeen aangeeft dat een bevredigende mantel is verkregen. Daarna wordt de stroming van het met grind beladen fluïdum stilgezet.
25 Indien gewenst, kan de doorgangsinrichting worden gesloten, en druk uitgeoefend in dezelfde richting als de brijstroming voor het in de formatie persen van de brij en het zodoende consolideren van de grindmantel. Na het persen wordt de doorgangsinrichting weer geopend en de circulatie van het fluïdum omge-30 keerd, waarbij een zuiver fluïdum naar beneden wordt gepompt in de inwendige pomppijpkolom en terug naar boven in de ringruimte tussen de pomppijpkolom en het buisstuksamenstel ten einde dit gebied uit te spoelen. Vervolgens kan de put worden onderworpen aan andere behandelingen, indien nodig, en in produktie gebracht. 35 Vele verschillende inrichtingen worden thans gebruikt voor 8004898 * Λ 3 het aanbrengen van de grindmantel, waaronder inrichtingen, die worden neergelaten tot op hun plaats over een grindraof, opgehangen in een buisstuk aan het einde van een pijpkolom, waarbij vervolgens een grindbrij door de inrichting wordt gepompt en 5 naar buiten uit de open poorten van de grindmof. Dergelijke grindmantel aanbrenginrichtingen hebben pakkermanchetten aan weerszijden van de opening, waardoor grind stroomt naar de grindmof, welke manchetten de direkte ringvormige ruimte nabij de grindmof afscheidt van die er boven en er onder. Een derge-10 lijke uitvoering is geopenbaard in Amerikaanse octrooischriften 3-153.^51» 3.637.010, 3.72.6,3^3 en ^.105.069. Hoewel geschikt voor het aanbrengen van de grindmantel zelf, hebben deze bekende inrichtingen een gemeenschappelijk gebrek, doordat bij het omkeren van de circulatie voor het schoonmaken van de pijpkolom 15 en de inrichting voor het aanbrengen van de grindmantel, een fluïdum verstoring wordt opgewekt over de zone, die zojuist is voorzien van een grindmantel, hetgeen veelal beschadiging van de mantel tot gevolg heeft. Bovendien is een hantering van de gereedschapskolom door de bedienaar nodig voor het tot stand 20 brengen van de omgekeerde circulatie.
De uitvinding voorziet in een isolerende inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel, welke inrichting in tegenstelling tot de stand van de techniek de van een grindmantel voorziene zone na het aanbrengen van de grindmantel gedurende de omgekeer-25 de circulatie niet verstoort. De uitvinding voorziet in een isolerende inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel, waarbij gebruik wordt gemaakt van twee concentrische doorgangen, door de buitenste waarvan grindbrij wordt gepompt naar de plaats van de grindmof, die is afgescheiden van gebieden er boven en er 30 onder in het buisstuk door pakkermanchetten, en waarvan de buitenste wordt gebruikt voor het opnemen van de terugvoer van fluïdum vanuit de tail pipe, die zich onder de grindzeef uitstrekt. Een kogelterugslagklep is aangebracht in de inwendige doorgang, welke klep open blijft wanneer fluïdum terugvoer wordt 35 opgenomen, maar op zijn zitting komt en de onderkant van de 8004898
V
\ k inwendige doorgang sluit bij het omgekeerde. Door het sluiten van de onderkant van de doorgang, wordt de stroming weer uit de inwendige doorgang van de inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel naar buiten geleid naar het ringruimtegebied onder 5 het gebied, waar de grindmof door pakkermanchetten gedurende het aanbrengen van de grindmantel, is afgescheiden. Bij het bereiken van het gebied buiten de inrichting, wordt de neerwaartse stroming begrensd door een naar boven gerichte pakkermanchet, waarbij het fluïdum dan naar boven stroomt onder het wegklappen 10 van de naar boven gerichte pakkermanchetten, die de ringruimte van de grindmof gedurende het aanbrengen van de grindmantel afscheidden, waarna het fluïdum terugstroomt door de grindpoorten van de inrichting en naar boven in de uitwendige doorgang. Zowel de inwendige als de uitwendige doorgang is respectievelijk ver-15 bonden met een inwendige en een uitwendige concentrische pijp-kolom boven de isolerende inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel, welke concentrische pijpkolommen de fluidumstroming kunnen leiden naar en vanuit een doorgangsgereedschap, dat zich boven de hoogste zone bevindt, of de concentrische pijpkolommen 20 kunnen in plaats van een doorgangsgereedschap naar het oppervlak lopen, waarbij oppervlakte uitrusting wordt gebruikt voor het regelen van de stroming. Omloopdoorgangen zijn opgenomen in de isolerende inrichting, welke doorgangen gesloten worden gegrendeld wanneer de isolerende inrichting zich op zijn plaats bevindt 25 voor het aanbrengen van een grindmantel, en open worden gegrendeld voor het vergemakkelijken van een opwaartse en neerwaartse beweging zonder zuigwerking van de isolerende inrichting door het buisstuk.
Hoewel de onderhavige isolerende inrichting voor het aan-30 brengen van een grindmantel wordt beschreven in bedrijf met een bepaalde grindmof, is het voor deskundigen duidelijk, dat een willekeurige passende mof of een buisstuk met poorten daarin kan worden gebruikt bij het met de onderhavige isolerende inrichting aanbrengen van een grindmantel.
35 Be uitvinding wordt nader toegelicht aan de hand van de 8004898 5 * 0* tekening, waarin: fig. 1 een halve vertikale doorsnede toont van een grindmof, die kan worden toegepast met de onderhavige isolerende inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel in de onderste gesloten 5 stand met de veerarm van een openende hulsplaatser in aan-grijping, fig. 2 een halve vertikale doorsnede toont van de grindmof van fig. 1 in de open stand met de veerarm van de openende hulsplaatser op het punt/foia£e komen, 10 de figuren ^A, *fB, *fC en kD vereenvoudigde vertikale door sneden zijn van de isolerende inrichting, gebruikt met een volledige gereedschapskolom gedurende het aanbrengen van grind-mantels, fig. 5 een vereenvoudigde vertikale doorsnede is van de iso-15 lerende inrichting gedurende omgekeerde circulatie, de figuren 6A, 6B, 6C en 6ü een vertikale halve doorsnede zijn van de onderhavige isolerende inrichting voor het aanbrengen van een grindmantel in een stand voor het door de grindmof volgens fig. 1 aanbrengen van een grindmantel, 20 de figuren 7A, 7B, 70 en 7D een vertikale halve doorsnede zijn van de isolerende inrichting, waarbij de terugslagklep op zijn zitting rust voor een omgekeerde circulatie, en de figuren 8a, SB, 8C en 8D een vertikale halve doorsnede zijn van de isolerende inrichting in een ongeperforeerd gedeelte 25 van het buisstuk met de afblaas- en omloopkleppen open.
Onder verwijzing naar de tekening beelden de figuren 1, 2 en 3 de werking af van de huls van een driestanden grindmof, waarbij de figuren 6A - 6D een open driestanden grindmof tonen met een afscheidende inrichting op zijn plaats voor het tot stand 30 brengen van het aanbrengen van een grindmantel.
Figuur 1 toont een putverbuizing 2*f, waarin zich een buisstuk 22 en een gereedschapskolom 20 bevinden. Als deel van het buisstuk Zh boven elk der producerende formaties of "zones" is een driestanden grindmof 30 aanwezig. De grindmof 30 is ge-35 sloten, zoals weergegeven, gedurende het aanbrengen daarvan in 8004898 6 Ή de put als deel van het buisstuk, voorzien van een drijvende schoen aan de onderkant daarvan. De grindmof 30 omvat een huis 32 met aïthans een grindpoort 38 daar doorheen, aan zijn bovenste einde door schroeven en lassen bevestigd aan een overgangsstuk 5 34, en aan zijn onderste einde aan een overgangsstuk 36. De overgangsstukken 34 en 36 zijn op hun beurt door schroeven bevestigd aan het buisstuk 22. Het bovenste overgangsstuk 34 heeft een ingesnoerde of vernauwde binnendiameter 40, waaron zich het afgeschuinde oppervlak 42 bevindt. Het grootste gedeelte van 10 het inwendige van het huis 32 omvat een gelijkblijvend cilindrisch oppervlak 44, waardoor de grindpoort 38 zich uitstrekt.
Bij wijze van voorbeeld, kunnen twee, drie of vier of meer grind-poorten worden gebruikt voor het vergroten van de stroming door het gereedschap. Onder en aansluitend op het cilindrische opper-15 vlak 44 bevindt zich een bovenste ringvormige groef 4-6, gevolgd door een bovenste ringvormig oppervlak 48, een ringvormige middengroef 50, een onderste ringvormig oppervlak 52 en een onderste ringvormige groef 54. De onderste ringvormige groef 54 wordt gevolgd door een schouder 56, gevormd door de bovenste 20 rand van het onderste overgangsstuk 36. In het huis 32 is verschuifbaar een huls 58 aangebracht, die een platte bovenste rand 60 omvat, die op zijn radiaal binnenste einde voorloopt door een afgeschuind binnenoppervlak, en waaronder zich een naar beneden gerichte, radiaal naar binnen zich uitstrekkende, ringvormige 25 schouder 62 bevindt. Onder de ringvormige schouder 62 vormt een gebied met een vergrote binnendiamater 64 een uitsparing aan de binnenzijde van de huls 58, gevolgd door een toelopend oppervlak, dat voert naar een cilindrisch oppervlak 66 met een verkleinde binnendiameter, dat zich uitstrekt naar de mantel 68, aan het 30 onderste einde waarvan een ring van mofvingers 70 is gevormd, welke vingers aan hun onderste einde zijn voorzien van radiaal naar buiten zich uitstrekkende uitsteeksels. Het binnenoppervlak van de mantel 68 is gekenmerkt door een ringvormige uitsparing 69, voorzien van een naar boven gerichte ringvormige schouder 71 35 aan het onderste punt daarvan. Ringvormige afdichtingen 72, 74, 8004898 y 7 * 76 en 78 omringen de huls 58, waarbij een opening 80 (alsmede andere, indien een aantal grindpoorten wordt gebruikt, zich daar doorheen uitstrekt tussen de afdichtingen 7^ en 76. Onder de ringvormige afdichting 76 voert een naar beneden gerichte, afge-5 schuinde ringvormige schouder 82 naar het uitwendige van de mantel 68. Gemakkelijk is te zien, dat aanraking van de schouder 82 met de axiaal bovenste rand van het bovenste ringvormige oppervlak kB neerwaartse beweging van de huls 58 begrenst in het geval, dat het onderste overgangsstuk 36 niet over een vol-10 doende afstand aan het huis 72 is geschroefd om te werken als een aanslag tegen de mofvingers 70. De grindmof 30, zoals afgeheeld in figuur 1, is in zijn onderste gesloten stand, waarin de mof de verhuizing 2k binnengaat als deel van het buisstuk 22.
De grindpoort 38 wordt overspannen door ringvormige afdichtingen 15 72 en 7^i en de opening 80 door de ringvormige afdichtingen 74· en 76. Een openende hulsplaatser 90 wordt gebruikt voor het openen van de grindmof 30, welke openende hulsplaatser 90 deel uitmaakt van de gereedschapskolom 20 en daaraan is bevestigd door overgangsstukken 92 en 9^· De doorn 96 van de openende huls-20 plaatser 90 is voorzien van een daar omheen geplaatste veerarm-mof 98, van waar één of meer veerarmen 100 zich naar beneden uitstrekken. De veerarmmof wordt op de doorn 90 vastgehouden door het bovenste overgangsstuk 92. De veerarm 100, die naar beneden is gericht, heeft op zijn buitenoppervlak in het midden 25 een veerarmschouder 102, begrensd door bovenste en onderste afgeschuinde randen. In de veerarmschouder 102 in het midden kan een carbideknop (zonder verwijzingscijfer) zijn gebed, zoals weergegeven, voor het verbeteren van zijn slijteigenschappen gedurende aanraking met de binnenzijde van het buisstuk 22. Aan 30 het onderste einde van de veerarm 100, bevat het uitsteeksel 104 een naar boven gerichte en radiaal naar buiten zich uitstrekkende schouder 106, en een buitenste, naar binnen schuin staande rand 108, die voert naar een gepunte onderste punt. Onder de veerarmmof 98 bevindt zich de glijspiemof 110 met één of meer 33 daarop aangebrachte glijspieën, waarvan er één is aangegeven bij 8004898 η 8 112, volgens de omtrek in lijn met de veerarm 100 (andere glij-spieen, niet weergegeven, zijn in lijn met andere veerarmen rond de omtrek van de openende hulsplaatser 90)· De glijspiemof 110 is vastgespied voor het voorkomen van het draaien rond de 5 doorn 96· De uitwendige afmeting van de glijspie 112 is op in hoofdzaak dezelfde straal als de punt van de veerarm 100, waardoor de glijspie 112 de veerarm 100 beschermt tegen beschadiging wanneer de gereedschapskolom 20 in de put wordt neergelaten, het voorkomen van het ophangen van de veerarm 100 aan onregel-10 matigheden in het buisstuk of de verhuizing vergemakkelijkt en de veerarm in het buisstuk centreert.
Voor het openen van de grindmof 30, komt de naar boven gerichte schouder 106 van de veerarm 100 van de openende hulsplaatser 90 in aangrijping met de hulsschouder 62 aan de grind-15 mofhuls 58· De door het gebied Sk aan de binnenzijde van de huls 58 gevormde uitsparing maakt het de veerarm 100 mogelijk radiaal naar buiten uit te zetten, waardoor de twee schouders dus aangrijpen. De veerarmschouder 102 in het midden grijpt de hulsschouder 62 niet aan als gevolg van de afgeschuinde aard 20 van zijn randen en de samendrukking van de veerarm 100 door aanraking van het veerarmuitsteeksel 10*f met het binnenoppervlak 66 van de huls 58, hetgeen het binnengaan van het uitsparings-gebied 6k door de veerarmschouder 102 in het midden voorkomt. Wanneer de gereedschapskolom 20 naar boven wordt getrokken, trekt 25 de veerarm 100 de huls 58 naar zijn middenstand, afgebeeld in figuur 2, op welk punt de grindmof 30 wordt geopend en de grind-poort 38 in lijn wordt geplaatst met de opening 80. Opgemerkt kan weer worden, dat andere grindpoorten, soortgelijk aan 38, en openingen, soortgelijk aan 80, zich gewoonlijk rond de omtrek 30 van de mof bevinden voor het vergroten van het volume van de stroming. Zoals weergegeven in figuur 2, voorkomen de ringvormige afdichtingen 7^ en 76, aan weerszijden van de in lijn liggende grindpoort 38 en opening 80, het tussen het huis 32 en de huls 58 gedurende het aanbrengen van een grindmantel, dringen 35 van fluïdum en los materiaal. De huls 58 wordt in zijn open stand 8004898 rf 9 gegrendeld door het in de middengroef 50 gaan van de uitsteeksels aan de naar buiten gedrukte mofvingers 70 na het naar boven lopen langs en over het onderste ringvormige oppervlak 52. Een verdere opwaartse beweging van de huls 58 in aanspreking op het trekken 5 van de openende hulsplaatser 90 wordt opgeheven door de aanraking van de veerarmschouder 102 in het midden van de veerarm 100 met het af geschuinde oppervlak 4-2, dat voert naar het versmalde gedeelte kO aan het bovenste overgangsstuk 3^· De plaatsing in lengterichting van de veerarmschouder 102 in het midden op de 10 veerarm 100 is berekend voor het veroorzaken van de voornoemde aanraking wanneer de huls 58 een stand bereikt, waardoor de grindmof 30 wordt geopend, waarna de aanraking en het daaropvolgend naar binnen drukken van het afgeschuinde oppervlak k2 en het versmalde gedeelte kO aan de veerarm 100 door de veerarm-15 schouder 102 in het midden, de naar boven gerichte schouder 106 aan het veerarrauitsteeksel 104 de hulsschouder 62 doet loslaten. Wanneer de gereedschapskolom 20 vervolgens wordt neergelaten, zoals hierna wordt besproken met betrekking tot het aanbrengen van een grindmantel, maakt de schuine rand 108 aan het uitsteek-20 sel 104, welke rand eerst langs de afgeschuinde hulsrand 60 loopt en dan op de afgeschuinde rand, die voert naar het cilindrische oppervlak 66 van de inwendige huls, het de openende hulsplaatser mogelijk maakt vrij naar beneden te bewegen door een neerwaartse kracht, uitgeoefend op de huls 58 hetgeen op juiste 25 wijze wordt vereffend door de aangrijping van de naar buiten gedrukte mofvingers 70 in de ringvormige groef 50 in het midden.
Wanneer de grindmof 30 weer moet worden gesloten (zoals weergegeven in figuur 3), wordt de sluitende hulsplaatser 120, die zich in de gereedschapskolom 20 onder de openende hulsplaatser 30 90 bevindt, gebruikt. De sluitende hulsplaatser 120 is soortge lijk aan de openende hulsplaatser 90, en omvat een doorn 126, voorzien van een daarop aangebrachte veermof 128 met één of meer veerarmen 130 en een glijspiemof 1*f0 met één of meer glijspieën 1^2 in lijn met de veerarmen 100. De veerarmen en de glijspieën 35 liggen volgens de omtrek in lijn en worden op soortgelijke wijze 8004898 10 vastgehouden als die van de openende hulsplaatser 90· De doorn 126 is bevestigd aan de gereedschapskolom 20 door de overgangs-stukken 122 en 12^+, die tevens dienen voor het vasthouden van respectievelijk de veerarmmof 128 en de glijspiemof 1^-0. De 5 veerarm 130 is voorzien van een daarop aangebrachte midden-schouder 132, begrensd door afgeschuinde randen, De midden-schouder 132 bevindt zich echter in tegenstelling tot de midden-schouder 102 aan de veerarm 100, dichterbij het uitsteeksels 13^ en het einde van de veerarm 130, die tevens korter is dan de 10 veerarm 100. Wanneer de naar boven gerichte schouder 136 aan het uitsteeksel 13^ naar buiten wordt gedrukt in het uitsparings-gebied 6k en de hulsschouder 62 aangrijpt, zoals hiervoor beschreven met betrekking tot de openende hulsplaatser 90, doet een opwaartse trek aan de gereedschapskolom 20 de grindmof 30 13 veranderen naar. zijn bovenste gesloten stand. Zoals duidelijk is te zien in figuur 3* is de veerarmschouder 132 in het midden in aanraking met het af geschuinde oppervlak *f2, dat voert naar het versmalde gedeelte ^0 van het bovenste hulsovergangsstuk wanneer de huls 58 zijn gesloten stand bereikt, waarbij een verdere 20 opwaartse beweging aan de gereedschapskolom 20 de veerarm 130 doet samendrukken en de huls 58 loslaten, en de kortere lengte van de veerarm 130 en de plaatsing van de middenhulsschouder 132 daaraan zijn berekend voor het tot stand brengen van het loslaten van de huls 58, indien gewenst. In de bovenste gesloten stand 25 overspannen de ringvormige afdichtingen 76 en 78 de grindpoort 38 in het huis 32 voor het zodoende voorkomen van een stroming daar doorheen. Wanneer de sluitende hulsplaatser wordt neergelaten in de put aan de gereedschapskolom 20, beschermt de glij-spie 1*f2 de veerarm 130 en voorkomt ophangingen evenzo als de 30 schuine rand 138, waarvan de punt op in hoofdzaak dezelfde straal ligt als de buitenafmeting van de glijspie 1kZ,
Onder het thans verwijzen naar de figuren 6A - 6D bevindt de grindmof 30 zich in zijn open stand, zoals weergegeven in figuur 2. De gereedschapskolom 20 is zodanig geplaatst, dat de 35 afscheidende inrichting 300 aan de gereedschapskolom 20 zich op 8004898 11 zijn plaats bevindt om te beginnen met het aanbrengen van een grindmantel. De afscheidende inrichting 300 bevat de twee eigenlijke onderdelen voor het aanbrengen van een grindmantel samen met een omloop- en afblaasklepsamenstel voor het vergemakkelijken 5 van een beweging van de inrichting door het buisstuk, zoals hierna gedetailleerd wordt uiteengezet.
De afscheidende inrichting 300 is in het buisstuk opgehangen aan concentrische pijpen 208 en 210. De omloophuls 302 is door schroeven bevestigd aan de uitwendige concentrische pijp 210, 10 en is voorzien van een vast daaraan aangebrachte ringvormige mof 306, door welke mof de vertikale doorgang VfO zich uitstrekt (het is duidelijk, dat er een soortgelijke doorgang is aan de rechterzijde van het gereedschap, welke doorgang een spiegelbeeld is van de linkerzijde, zoals vereenvoudigd weergegeven 15 in figuur Μ3). In de boring van de ringvormige mof 306 is verschuifbaar een klembeugel-verbindingsdoorn 304 aangebracht, die door schroeven is bevestigd aan een inwendige ongeperforeerde pijp 208, welke doorn zich uitstrekt voor het omvatten van het bovenste einde van de inwendige doorn *f20, waarbij daartussen 20 een fluïdumafdichting wordt verschaft door de 0-ringen *H6 en ^18. Een hulsafblaaspoort 318 en hulsomlooppoort 32*f strekken zich uit door de wand van de omloophuls 302, waarbij ringvormige afdichtingen 311*· en 316 de afblaaspoort 318 overspannen en ringvormige afdichtingen 320 en 322 de omlooppoort J>2b overspannen.
25 Aan het onderste einde van de omloophuls 302 is een ring van naar beneden zich uitstrekkende vingers 326 aangebracht, die aan het onderste einde zijn voorzien van nokken 328. Onder de aansluiting tussen de uitwendige ongeperforeerde pijp 210 en de omloophuls 302, heeft het buitenoppervlak daarvan een verkleinde 30 diameter, weergegeven bij 308 en 312, met een ringvormige schouder 310 daarop met toelopende randen. De buitendiameter van de omloophuls 302 blijft naar benedei tot aan een oploopvlak 326 voor de raofvingers in hoofdzaak gelijk, waar hij enigszins wordt verkleind. Hond de omloophuls 302 is het omloophuis 330 in 33 schuifverband daarmee, waarbij ringvormige afdichtingen 31^» 316, 8004898 12 320 en 322 in verschuifbare afdichtaanraking zijn met het omloop-huis 330. Een huisafblaaspoort 332 en een huisomlooppoort 33½ strekken zich uit door de wand van het omloophuis 330, dat is bevestigd aan het bovenste huis 350 van de afscheidingsinrichting.
5 Aan het bovenste gedeelte van het omloophuis 330 ligt een ring smalle mofvingers 336» die radiaal naar binnen zich uitstrekkende bovenste uiteinden 338 hebben, naast een ringvormige schouder 310 op het buitenoppervlak van de omloophuis 302. Onder de mofvingers 336 heeft het omloophuis 330 een in hoofdzaak gelijk-10 blijvende binnendiameter tot aan een ringvormige aanslag 3^+0 met een verkleinde binnendiameter. Onder de aanslag 3^0 is de binnendiameter van het omloophuis 330 weer vergroot bij het gebied 3^2 voor het opnemen van de nokken 328 van de mofvingers 326. Daarnaast zijn, zoals weergegeven met onderbroken lijnen bij 3½^ 15 glijspieen gesneden in het gebied 3^2 voor samenwerking met mof-vingernokken 328 en het voorkomen van het onderling draaien van de omloophuis 302 en het omloophuis 330, hetgeen het volgens de omtrek in lijn liggen verzekert van de afblaas- en omlooppoorten in de huls met die van het huis.
20 Het huis 350 van de inrichting heeft een in hoofdzaak gelijk blijvende buitendiameter tot aan zijn onderste einde, op welk punt een pakkerring 352 is geplaatst op een gebied 362 met een verkleinde diameter, waaronder zich een naar beneden gerichte pakkermanchet 35½ bevindt, verder een afstandsstuk 356, een naar 25 beneden gerichte pakkermanchet 358 en een buisvormige standoff 360. Zoals weergegeven in figuur 6B worden de pakkermanchetten axiaal vastgehouden door de schroefverbinding van de bovenste verhuizing 36½ met het huis 350, waarbij het bovenste circulatie-huis werkzaam is tegen de standoff 360. Aan het onderste einde 30 van de bovenste verhuizing 360 is een grinddoorgangsverbuizing 366 bevestigd, voorzien van een grindopening 368 daar doorheen, waarbij de grinddoorgangsverbuizing 366 is gelast aan het inwendige daarvan, en een grinddoorgangsblok 410, voorzien van een grinddoorgang ^12 daar doorheen in verbinding met de opening 35 368. Het grinddoorgangsblok ^10 is ontworpen voor het daarlangs 8004898 > 13 vanuit de buitenste ringvormige doorgang 448 tot de ringvormige kamer 450 toelaten van fluïdum. Het binnenvlak van het grind-doorgangsblok 410 is gelast aan de uitwendige doorn 4θ4 aan het onderste gedeelte daarvan, hetgeen op zijn beurt is gelast aan 5 de ring 4l4, waarbij een fluïdumafdichting tussen de ring 4l4 en de inwendige doorn 420 tot stand wordt gebracht door 0-ringen 422 en 424. Het bovenste einde van de uitwendige doorn 404, zoals weergegeven in figuur 6A, loopt in de omloophuls 302 op een gebied met een verkleinde binnendiameter daarvan, waarbij 10 een fluïdumafdichting tussen de twee tot stand wordt gebracht door 0-ringen 406 en 4l8 over de gehele lengte van een axiale beweging door de omloophuls 302.
Onder de grinddoorgangsverbuizing 366, strekt de onderste verhuizing 370 zich uit naar de circulatieverbuizing 374, die 15 zich daar omheen bevindt, de naar boven gerichte pakkermanchet 376, het afstandsstuk 378, de naar boven gerichte pakkermanchet 380 en de van schroefdraad voorziene ring 382, bevestigd aan het buitenoppervlak van de circulatieverbuizing 374. De schroefaan-grijping tussen de onderste verhuizing 370 en de circulatie-20 verhuizing 374 verschaft een tegenhoudschouder aan de opwaartse beweging van de pakkermanchetten 374 en 380 als gevolg van de grotere buitendiameter 372 van de onderste verhuizing 370, zoals weergegeven in figuur ÓC, waarbij een neerwaartse beweging wordt begrensd door de van schroefdraad voorziene ring 382. Grenzende 25 aan en onder de van schroefdraad voorziene ring 382, strekt een circulatieopening 384 zich uit door de wand van de circulatieverbuizing 374, waarvan de binnenwand is voorzien van een daaraan gelast circulatieblok 426, voorzien van een daar doorheen zich uitstrekkende circulatiedoorgang 428 in verbinding met de 30 circulatieopening 384. De inwendige doorn 420 is gelast aan het inwendige van het circulatieblok 426, dat evenals het grind-doorgangsblok 410 is ontworpen voor het toelaten van de doorgang van fluïdum axiaal daar omheen vanuit het bovenste gedeelte van de ringvormige kamer 450 naar het onderste gedeelte daarvan.
35 De axiale circulatiedoorgang 452 van de inwendige doorn 420 is, 8004898 •Λ 14 zoals weergegeven, in verbinding met de circulatiedoorgang 428. Onder de circulatieopning 384 worden naar boven gerichte pakker-manchetten 386 gesteund door de ring 388, die tevens de neerwaarts gerichte pakkermanchet 390 steunt· Een beweging van de pakker-5 manchetten 386 en 390 wordt axiaal tegengehouden door een kleine schouder aan de circulatieverbuizing 384 boven de pakkermanchet 386, zoals weergegeven in figuur 6D, en door een soortgelijke schouder in een eindverbuizing 392 onder de pakkermanchet 390·
Een onderste omlooppoort 394 strekt zich uit door de wand van de 10 eindverbuizing 392 voor het verbinden van de ringruimte 354 van het buisstuk onder de afscheidende inrichting 300 met een ringvormige kamer 450· De eindverbuizing 392 heeft daarin 0-ringen 396 en 398, die een fluïdumafdichting tot stand brengen tussen het inwendige van de eindverbuizing 392 en het uitwendige van 15 het onderste einde van de inwendige doorn 420·
Aan het onderste einde van de eindverbuizing 392 is een kogelterugslagklep 460 bevestigd, die een bovenste klephuis 462 omvat, evenals een onderste klephuis 464 met een kogel 468 daarin· Het bovenste klephuis 462 heeft een omloopsterstuk 466, dat 20 zelfs wanneer de kogel 468 zich op zijn plaats bevindt, een fluïdumstroming daarlangs toelaat· Het onderste klephuis heeft daarin een zitting 470, zodat een fluïdumstroming in neerwaartse ridhting wordt voorkomen wanneer de kogel 468 daarop rust·
Het is duidelijk, dat de grindopening 368 (figuur 60) zich 25 bij respectievelijk de grindpoort 38 en de opening 80 in het grindraofhuis 32 en de huls 58 bevindt, waardoor dus de stroming van grind naar de verbuizingsringruimte 26 wordt verbeterd· De stroming van grindbrij, die de ringruimte 444 binnengaat vanuit de grindopening 368, wordt aan het bovenste einde daarvan tegen-30 gehouden door de pakkermanchetten 354 en 358, en aan het onderste einde daarvan door de pakkermanchetten 376 en 380, die alle aanspreken op de fluïdumdruk van de brij. De brij bereikt de ringruimte 444 vanuit de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp, de vertikale doorgang 440, de inwendige ringruimte 442, 35 de grinddoorgang 412 en de grindopening 368· Een opwaartse 8004898 r- 15 stroming vanuit de terugslagklep 460, zoals optreedt gedurende het terugkeren van het draagfluïdum van de brij door een taxi pipe gedurende het aanbrengen van een grindmantel, loopt over de lengte van de afscheidende inrichting 300 door een axiale circu-5 latiedoorgang 452 van de inwendige doorn 420, en vervolgens naar het oppervlak door de boring van de inwendige ongeperforeerde pijp 208.
De omgekeerde circulatie, wanneer zuiver fluïdum wordt verpompt voor het opruimen van de pijpen, de afscheidende in-10 richting 300 en de aangrenzende ringruimte tussen de inrichting 300 en de putboring, wordt tot stand gebracht met de afscheidende inrichting 300 in dezelfde stand als weergegeven in figuur 6.
De omkering van de stroming wordt echter tot stand gebracht door het rusten van de kogel 468 van de terugslagklep 460 op de 15 zitting 470, Dit rusten wordt uitsluitend tot stand gebracht door de omkering van de stroming, waarbij voor wat betreft de bedienaar geen verdere werking nodig is* Zuiver fluïdum, dat naar beneden wordt gepompt in de ongeperforeerde pijp 218 naar de axiale circulatiedoorgang 452 van de inwendige doorn 420, 20 plaatst de kogel 468 op zijn zitting, waardoor het fluïdum wordt gedwongen de circulatiedoorgang 428 door de opening 429 binnen te gaan, en uit de afscheidende inrichting 300 te gaan door de circulatieopening 384. Deze stromingsbaan kan gemakkelijk worden gevolgd in de figuren 7A - 70, waarin de afscheidende inrichting 25 300 met de terugslagklep 460 gesloten, gedetailleerd is weerge geven. Het persfluïdum, dat uit de circulatieopening 384 naar buiten komt, doet de opwaarts gerichte pakkermanchetten wegklappen (zoals weergegeven in figuur 70), en gaat het gebied binnen van de ringruimte 444, waarbij een verdere opwaartse beweging 30 wordt voorkomen door de neerwaarts gerichte pakkermanchetten 354 en 358. Het fluïdum wordt dan geleid in de grindopening 368, de grinddoorgang 412 en naar boven in de inwendige ringruimte 442 naar de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp, welke ruimte voert naar het oppervlak.
35 Wanneer de gereedschapskolom 20 beweegt door de boring van 8004898 16 het buisstuk, zoals weergegeven in de figuren 8a - 8D, is het noodzakelijk, dat fluïdum om het buisstuk heen kan lopen om zodoende een zuigwerking te voorkomen, die fluïdum in de formaties zou kunnen drijven door de grindzeven, alsmede pakker-5 manchetten beschadigen. Voor het tot stand brengen van dit resultaat, verschuift de omloophuls 302 in het omloophuis 330, zodat een opwaartse trek aan de pijpen 208 en 210 een opwaartse beweging tot gevolg heeft van de omloo*phuls 302 met betrekking tot het omloophuis 330. De ringvormige schouder 310 aan het omloop-10 huis 302 loopt naar boven onder de mofvingeruiteinden 338» die een grendelsamenstel verschaffen tegen kleine opwaartse en neerwaartse krachten. De opwaartse beweging van de omloophuis 302 wordt beperkt door aanraking van de aanslag 340 in het omloophuis 330 met de nokken 328 van de vingers 326 aan het onderste 15 einde van de omloophuis 302. In de uitgestoken stand van de omloophuis 302, ligt de afblaaspoort 318 in de omloophuis 302 naast de afblaaspoort 332 in het omloophuis 330, figuur 8a. Dit maakt een verbinding mogelijk (door onderbroken lijnen weergegeven baan) tussen de ringruimte 446 boven de afscheidende 20 inrichting 300 en de ringruimte 444 door de afblaaspoort 332, de afblaaspoort 318, de inwendige ringvormige doorgang 442, de grinddoorgang 412 en de grindopening 368. Gedurende een opwaartse beweging, die de pakkermanchetten 354 en 358 wegklapt, en de pakkermanchetten 376 en 380 instelt, kan dus de fluïdumkolom 25 boven de pakkermanchetten 376 en 380 het gebied van de ringruimte 444 verlaten en terugkeren naar de bovenkant van de afscheidende inrichting wanneer deze fluïdum verplaatst gedurende zijn opwaartse beweging. Wanneer de omloophuls 302 is uitgestrekt, ligt op soortgelijke wijze de omloopspoort 324 in lijn met de 30 omloopspoort 335 ia het omloophuis 330, figuur 8a. In dit geval is de ringruimte 446 boven de afscheidende inrichting in verbinding geplaatst (weer door onderbroken lijnen weergegeven baan) met de ringruimte 454 daaronder door de afblaaspoort 334, de afblaaspoort 324, de uitwendige ringvormige doorgang 448, langs 35 het grinddoorgangsblok 410 tot in de ringvormige kamer 450 langs 8004898 i 17 het circulatieblok 426 en door de onderste omlooppoort 394.
Een neerwaartse beweging van de afscheidende inrichting 300 wordt dus vergemakkelijkt omdat de fluïdumkolom, vastgehouden door de naar beneden gerichte pakkermanchetten 390, uit de ring-5 ruimte 454 kan gaan en naar boven kan bewegen in de ringruimte 446 boven de afscheidende inrichting 300, wanneer deze het fluïdum verplaatst.
Het omloopgedeelte van de afscheidende inrichting 300 is zodanig geplaatst, dat een aanzienlijke neerwaartse kracht, bij 10 voorbeeld 90 kN moet worden uitgeoefend voor het sluiten van de afblaas- en omlooppoorten. De bovenste einden 338 drukken de omloophuls 302 op door hun aanraking met de onderste zijde van de ringvormige schouder 310 wanneer de omloophuls 302 wordt uitgestrekt. Wanneer de afscheidende inrichting op zijn plaats 13 is verankerd voor het aanbrengen van een grindmantel, zoals hierna wordt besproken, kan vervolgens een dergelijke neerwaartse kracht worden uitgeoefend. Wanneer een opwaartse beweging van de gereedschapskolom 200 na het aanbrengen van een grindmantel tot stand wordt gebracht, openen de aanvankelijke remming van 20 het fluïdum en de kracht, uitgeoefend voordat de gereedschaps-kolom is losgemaakt, de afblaas- en omlooppoorten.
De volledig open grindmof 30 is ontworpen om ongeveer 45 kN aan kracht te behoeven voor het naar boven bewegen van de huls 58, gedurende welke werkingen de afblaas- en omlooppoorten van 25 de afscheidende inrichting 300 open kunnen zijn, omdat zij weer worden gesloten indien de gereedschapskolom 20 wordt verankerd voor het aanbrengen van een grindmantel, en een neerwaartse kracht wordt uitgeoefend. Er wordt dus geen moeilijkheid ondervonden indien de 45 kN kracht tijdelijk wordt overschreden, om-30 dat naar alle waarschijnlijkheid de afblaas- en omlooppoorten reeds open zijn, en in ieder geval weer worden gesloten voorafgaande aan het aanbrengen van een grindmantel,
Onder het thans in het bijzonder verwijzen naar de figuren 1A - 1D en 5, zijn de volledig open grindmof 30 en de afscheiden-35 de inrichting 300 in respectievelijk een buisstuk en een gereed- 8004898 18 schapskolom, duidelijkheidshalve in vereenvoudigde vorm afgebeeld voor het weergeven van het aanbrengen van een grindmantel. De gereedschapskolom is in zijn algemeenheid aangeduid door het verwijzingscijfer 20, waarbij het buisstuk, dat de gereedschaps-5 kolom concentrisch omgeeft, is aangeduid door het verwijzingscijfer 22. Hond de twee concentrische kolommen is de putver-buizing 2½ aangebracht, voorzien van gaten daar doorheen op de hoogten van twee ongeconsolideerde, producerende formaties 150 en 152, door welke formaties de putboring zich uitstrekt. Indien 10 de besproken werkwijze voor het aanbrengen van een grindmantel moet worden toegepast in een put, waarin geen gebruik wordt gemaakt van een buisstuk, kunnen de daarin opgenomen onderdelen, zoals de volledig open grindmof, worden opgenomen in de put-verbuizing Zb onder het gebruiken van een passend bemeten ge-15 reedschapskolom.
Het buisstuk 22 is vastgezet in de putverbuizing Zb door middel van een passende verbuizingspakker 156 voor het ophangen van het buisstuk, zoals schematisch weergegeven. De ophanger 15^ voor het buisstuk is in de verhuizing Zb geplaatst door middel 20 van keggen 160, gebruikt in de mechanisch instellende pakker 156. De schroefkraag 158 wordt gebruikt voor het vastzetten van het buisstuk 22 aan een boorkolom gedurende het monteren daarvan in de putboring binnen de putverbuizing Zb.
Naar beneden gaande vanaf het ophangsamenstel 15^ voor het 25 buisstuk, omvat het buisstuk een ongeperforeerde pijplengte 162 naar een plaats vlak boven de hoogste van een grindmantel te voorziene zone. Op dat punt bevindt zich een opblaasverbuizings-pakker 16A-. De ringvormige ruimte 166, bepaald door de doorn 168 en de elastomeer buitenwand 170 wordt opgeblazen door het pompen 30 van fluïdum door de schematisch afgeheelde terugslagklep 172 tot een vooraf bepaalde druk.
Onder de pakker 164 bevindt zich de volledig open grindmof 30, zoals hiervoor beschreven, maanin vereenvoudigde vorm weergegeven, voorzien van het huis 32, waarin de huls 58 verschuif-35 baar is aangebracht. Aan de bovenkant van het huis 32 bevindt 8004898 19 zich een versmald gedeelte *f2, begrensd door afgeschuinde randen. Onder het versmalde gedeelte k2 bevindt zich het inwendige cilindrische oppervlak door welk oppervlak de grindpoorten 38 en 38' zich uitstrekken. Onder het inwendige oppervlak is het 5 ringvormige oppervlak ^8 weergegeven, gevolgd door de ringvormige middengroef 50, het ringvormige oppervlak 52 met in hoofdzaak dezelfde binnendiameter als het ringvormige oppervlak 50 en de onderste ringvormige groef 52. De bovenste ringvormige groef is eenvoudigheidshalve niet weergegeven. In het huis 32 is de huls 58 voorzien van daar omheen aangebrachte ringvormige af-10 dichtingen 72, 7*S 76 en 78. Aan de bovenkant van de huls 58 bevindt zich de naar beneden gerichte ringvormige schouder 62. Tussen de ringvormige afdichtingen ?k en 76 staan de openingen 80 en 801 in verbinding met de grindpoorten 38 en 38' bij het in lijn zijn daarmee. Aan het onderste einde van de huls 58 bevindt 15 zich de ringmofvingers 70 voorzien van radiaal naar buiten zich uitstrekkende onderste einden.
Een gepolijste paspijp 17^ bevindt zich onder de grindmof 30, waaronder zich een ankergereedschap 176 bevindt. Het ankerge-reedschap 176 heeft een naar boven gerichte ringvormige schouder 20 178, begrensd door ringvormige uitsparingen. Een ongeperforeerde pijp 180 bevindt zich direkt onder het ankergereedschap 176.
Een grindzeef 182 is geplaatst over de bovenste producerende formatie of van belang zijnde zone 150 onder de ongeperforeerde pijp 180.
25 Onder verwijzing naar de onderste van belang zijnde zone, bevindt de opblaasbare verbuizingspakker 184, in hoofdzaak gelijk aan de pakker l6*l·, zich onder de grindzeef 182 voor het van de onderste zone scheiden van de bovenste van belang zijnde zone.
De ruimte 186, bepaald door de doorn I88 en de elastomeer buiten-30 wand 190 wordt opgeblazen door het pompen van fluïdum door de schematisch wesrgegeven terugslagklep 192 tot een vooraf bepaalde druk.
Onder de pakker l8*l· bevindt zich een tweede volledig open grindmof 30 in de open stand, waarbij de grindpoorten 38 en 38' 8004898 20 in lijn liggen met de openingen 8θ en 80'.
Een tweede ankergereedachap 196 bevindt zich onder de gepolijste paspijp 19^, waaronder zich de onderste grindmof 30 bevindt. Het ankergereedschap 196 heeft een naar boven gerichte 5 ringvormige schouder 198, begrensd door ringvormige uitsparingen.
Een grindzeef 202 is over de onderste producerende formatie of van belang zijnde zone geplaatst onder de ongeperforeerde pijp 200. De grindzeven 182 en 202 zijn in de tekening verkort weergegeven en kunnen in feite enkele meters in lengte zijn, 10 welke lengte wordt bepaald door de dikte van de producerende formatie, die moet worden voorzien van een grindmantel, hetgeen allemaal duidelijk is voor deskundigen, waarbij het verder duidelijk is, dat de grindzeven kunnen zijn voorzien van gaten, zoals weergegeven, of dat met draad omwikkelde sleuven kunnen worden 15 gebruikt voor het vormen van de gewenste gaten.
Een ander stuk ongeperforeerde pijp 20*f is bevestigd onder de grindzeef 202, waarbij het onderste einde van de pijp is afgedekt met een drijvende schoen 206.
Opgemerkt moet worden, dat de juiste gerichtheid van de 20 gereedschapskolom 20 met betrekking tot het buisstuk 22 afhankelijk is van de juiste lengte van de gepolijste paspijpen 17^ en 19*f voor het plaatsen van de afscheidende inrichting 300 (zie figuur 1C) over de grindmof 30 wanneer de gereedschapskolom 20 op zijn plaats bij de zone, die wordt voorzien van een grind-25 mantel, is verankerd.
Na het beschrijven van het buisstuk 22, wordt thans de gereedschapskolom 20 van boven naar beneden beschreven.
Een inwendige ongeperforeerde pijp 208 en een concentrische uitwendige ongeperforeerde pijp 210 strekken zich naar beneden 30 uit naar de afscheidende inrichting 300 vanaf het oppervlak. Aangezien de twee pijplengten niet nauwkeurig op elkaar kunnen worden afgestemd is het natuurlijk nodig een fluïdum dicht klem-verbinding- en wartelsamenstel op te nemen, dat in vereenvoudigde vorm is afgebeeld bij 212 in de inwendige pijpkolom.
35 De ongeperforeerde pijpen 208 en 210 strekken zich uit tot 8004898 21 in de bovenkant van de afscheidende inrichting 300, die hiervoor gedetailleerd is beschreven. Aan het boveneinde van de afscheidende inrichting 300 bevindt zich een bovenste lichaam 302, op welk punt de ongeperforeerde pijp 208 in verbinding staat met 5 een axiale circulatiedoorgang 452, en de ringruimte 209 tussen de pijpen 208 en 210 in verbinding staat met de uitwendige doorgangen 44o en 44θ·. De onderdelen van de afscheidende inrichting 300 in figuur 4C zijn voorzien van dezelfde verwijzingscijfers als de hiervoor gedetailleerd beschreven onderdelen aan de hand 10 van de figuren 6A - 6D, waarbij echter wordt opgemerkt, dat bepaalde onderdelen in figuur 4C duidelijkheidshalve als niet essentieel voor de beschrijving van het aanbrengen van een grind-mantel, zijn weggelaten.
Op ongeveer dezelfde plaats als de kogelterugslagklep 460 15 is in figuur 4C een openende hulsplaatser 90 weergegeven, die een veermof 98 omvat en veerarmen 100 en 100', die radiaal naar buiten zich uitstrekkende middenschouders hebben met afgeschuinde randen. Aan de einden van de veerarmen bevinden zich uitsteeksels, elk voorzien van een naar boven gerichte, radiaal 20 naar buiten zich uitstrekkende schouder 106 en 106' aan de bovenkant daarvan, waarbij het onderste buitenvlak van elk uitsteeksel naar binnen in neerwaartse richting is afgeschuind. De veerarmen 100 en 100' zijn in een iets samengedrukte stand tegen het inwendige van het buisstuk 22 bij de gepolijste paspijp 194 25 weergegeven.
Onder de openende hulsplaatser 90 bevindt zich in de gereed-schapskolom 200 de ankerplaatser 220. De ankerplaatser 220 omvat een trekbloksamenstel 222 en een veerarmlichaam 224. Het trek-bloksamenstel 222 is verschuifbaar gemonteerd op de doorn 226, 30 waarin zich een J-sleuf 228 bevindt. Een pen 230 is bevestigd aan het trekbloksamenstel 222 en verschuifbaar in de J-sleuf 228. Op het inwendige van het trekbloksamenstel 222 bevinden zich onder veerspanning staande trekblokken 232 en 234, schematisch weergegeven, die drukken tegen de binnenzijde van het buisstuk 35 22 voor het zodoende centreren van de ankerplaatser 220. Het 8004898
A
22 ondervlak 236 van het trekbloksamenstel is afgeknot kegelvormig van gedaante en loopt schuin naar binnen en naar boven vanaf het onderste einde daarvan. Onder het trekbloksamenstel 222 heeft het veerarmlichaam 22*+ naar boven gerichte veerarmen 238 3 en 2^0, soortgelijk aan die van de openende hulsplaatser 90.
De veerarmen 238 en 2*f0 hebben radiaal naar buiten zich uitstrekkende middenschouders, alsmede uitsteeksels aan hun bovenste einden. De schouders hebben afgeschuinde randen, waarbij de uitsteeksels naar beneden gerichte, radiaal naar buiten zich uit-10 strekkende schouders hebben aan de onderkant, en naar boven zich uitstrekkende, naar binnen afgeschuinde vlakken aan de bovenkant. De bovenste punten van deze vlakken bevinden zich op een kleinere straal dan het onderste einde van het trekbloksamenstel 222, zodat het schuine vlak 236 dus verschuifbaar de veerarmen 238 15 en 2^0 kan aangrijpen en samendrukken wanneer de bedieningskolom 20 naar boven wordt getrokken. Omdat de J-sleuf 228 zuiver J-vormig is, doet het naar boven trekken aan de gereedschapskolom 20 de pen 230 bewegen naar de onderkant van de sleuf 228, die zich onder het korte lengtegedeelte bevindt van de J, de anker-20 plaatser 220 in een ingetrokken stand grendelen wanneer de gereedschapskolom 20 wordt geplaatst, en de pen 230 het kortere lengtegedeelte van de J binnengaan.
Onder de ankerplaatsen 220 bevindt zich de sluitende hulsplaatser 120, die een veerarmmof 128 omvat, waaraan naar be-25 neden gerichte veerarmen 130 en 130’ zijn gemonteerd. Elke veer-arm heeft naar buiten radiaal zich uitstrekkende middenschouders 132 en 132', waarvan de randen zijn afgeschuind, waarbij zich aan het onderste einde van de veerarmen uitsteeksels bevinden, voorzien van naar boven gerichte en radiaal naar buiten zich 30 uitstrekkende schouders 136 en 136’ aan hun bovenste randen, en naar beneden en naar binnen afgeschuinde randen aan hun onderste uitwendige. De veerarmen 130 en 130' zijn in enigszins samengedrukte standen weergegeven tegen het inwendige van het buisstuk 22 bij het einde van de ongeperforeerde pijp 20*l·.
35 Aan het onderste einde van de bedieningskolom 20 bevindt 8004898 33 zich de tail pipe 250, voorzien van een boring 252, die in verbinding staat met de boring 25^·, die zich uitstrekt door de ankerplaatserdoorn 226 naar boven naar de terugslagklep k60.
Onder het weer verwijzen naar de figuren en 5 wordt het 5 aanbrengen van een grindmantel beschreven· Nadat de put is geboord en de verhuizing 2k is aangebracht, wordt deze met de juiste tussenafstanden grenzende aan de formaties 150 en 152 geperforeerd, gespoeld en mogelijk op een of andere wijze behandeld. Op dit punt wordt het buisstuk 22 neergelaten in de 10 putboring en in de verhuizing 2k opgehangen door het buisstuk-ophangsaraenstel 15^-·
Het in de verhuizing gemonteerde buisstuk 22 omvat evenveel volledig open grindmoffen 30 als er zones zijn, die moeten worden voorzien van een grindmantel. Zoals reeds opgemerkt, 15 bevinden de bovenste en onderste grindmoffen 30 zich boven hun bijbehorende, van een grindmantel te voorziene zones, waarbij de bijbehorende grindzeven 182 en 202 zich grenzende aan deze zones bevinden en deze overbruggen. Tussen elke grindmof en zijn bijbehorende grindzeef bevinden zich gepolijste paspijpen 17^ en 20 19^ en ankergereedschappen 176 en 196, die de gereedschapskolom 20 bij elke zone nauwkeurig plaatsen wanneer de ankerplaatser 220 aangrijpt in het betreffende ankergereedschap.
Boven de bovenste zone bevindt zich een passende opblaasbare verbuizingspakker 164, en onder de zone een passende opblaas-25 bare verbuizingspakker 184, welke pakkers na opblazen de bovenste zone scheiden van de zone daaronder en van de putringruimte daar boven. Indien de bovenste zone zich zeer dicht bij het buisstukophangsamenstel 15^ bevindt, kan de pakker 16^ als overbodig worden weggelaten wanneer een buisstukhanger met een 30 afdichtelement wordt gebruikt, zoals schematisch weergegeven bij 156. Indien het gewenst is de zones niet alleen van elkaar te scheiden maar ook van de tussenruimten tussen formaties, kunnen pakkers worden gebruikt boven en onder elke zone. Indien bij voorbeeld de bovenste zone in het onderhavige geval zich ver 35 boven de onderste zone bevindt, kan een aanvullende opblaasbare 8004898 * 2½ verbuizingspakker worden gebruikt in het buisstuk 22 boven de pakker 18½ en toch onder de bovenste zone, waarbij aanvullende ankergereedschappen met de juiste tussenruimten in het buisstuk zijn aangebracht.
5 Nadat het buisstuk 22 is opgehangen in de verhuizing, wordt de gereedschapskolom 20 in de putboring gelaten. De bedienaar heeft de keuze van het opblazen van de opblaasbare verbuizings-pakkers 16½ en 18½ wanneer de gereedschapskolom 20 naar beneden gaat in de putboring of hij kan kiezen voor het opblazen van de 10 pakkers vanaf de onderkant bij het naar boven werken. Hij kan in feite de pakkers in elke willekeurige volgorde opblazen, waarbij echter ten behoeve van de bespreking, de werkwijzen van het opblazen van de pakkers vanaf de onderkant naar boven hierna vollediger wordt beschreven.
15 Met de ankerplaatser 220 in zijn ingetrokken toestand (het trekbloksamenstel 222 drukt de veerarmen 238 en 2^ samen), wordt de gereedschapskolom 20 neergelaten naar ongeveer de plaats van de onderste zone en het ankergereedschap 196. De gereedschapskolom 20 wordt dan naar boven op en neer bewogen, over 30° naar 20 rechts gedraaid en geplaatst voor het tot stand brengen van de losmaak toestand, waarna de ankerplaatser wordt neergelaten voor het aangrijpen van de schouder 198 van het ankergereedschap 196, zoals weergegeven in figuur ½D. Indien de ankerplaatser onder het ankergereedschap 196 zou worden losgemaakt, kan deze zelfs 25 in de losmaak toestand daar doorheen omhoog worden bewogen aangezien de schuine buitenranden van de uitsteeksels daaraan de veerarmen 238 en 2^ langs de schouder 198 leiden. De anker-plaatser 220 wordt op zijn plaats gegrendeld wanneer de naar beneden gerichte schouders aan de uitsteeksels asui de einden van 30 de veerarmen 238 en 2k0 op de schouder 198 rusten. Op dit punt is in tegenstelling tot figuur kQ, de volledig open grindmof 30 afgesloten (zoals weergegeven in figuur ½B, aangezien geen stappen zijn ondernomen voor het openen daarvan. De opblaaspoort 192 van de opblaasbare verbuizingspakker 18½ wordt dus overbrugd 35 door de naar beneden gerichte pakkermanchetten 35½ en 358 en de 8004898 ►· 25 naar boven gerichte pakkermanchetten 376 en 380 van de afscheidende inrichting 300. Aangezien de pakker niet kan worden opgeblazen wanneer de afblaas- en omlooppoorten in de afscheidende inrichting 300 open zijn, is het nodig ongeveer 90 kN te 5 plaatsen op het anker voor het sluiten daarvan, zoals reeds vermeld. Wanneer het gewicht wordt geplaatst beweegt de omloop-huls 302 naar beneden ten opzichte van het omloopkleplichaam 330 naar de in figuur 4C weergegeven stand voor het van hun samenwerkende poorten in de omloophuls 302 scheiden van de afblaas-10 en omlooppoorten in het omloophuislichaam 330, waardoor een fluïdumbeweging wordt voorkomen tussen de ringruimte kb6 en de ringruimte kkk en ringruimte ^5^ onder de afscheidende inrichting 300. Het is natuurlijk duidelijk, dat de omlopen open zijn gedurende de toer in de put en open blijven totdat een aanzienlijke 15 neerwaartse kracht wordt uitgeoefend· Wanneer alle noodzakelijke omlopen zijn gesloten, wordt de gereedschapskolom 20 tot de gewenste druk onder druk geplaatst door de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp voor het opblazen van de opblaasbare ver-buizingspakker 184. Het onder druk geplaatste fluïdum bereikt 20 de pakker 18^ door de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp, de uitwendige doorgangen ^0 en ^40', de inwendige ringvormige doorgang ^^2, dan de grinddoorgangen A-12 en ^12', die uitmonden in de ringruimte bepaald door het inwendige van het buis- stuk 22, het uitwendige van de afscheidende inrichting 300, de 25 pakkermanchetten 35^ en 358 aan de bovenkant en 376 en 378 aan de onderkant. Vanuit de ringruimte kkk gaat het fluïdum de opblaasbare verbuizingspakker 18^ binnen door de terugslagklep 192 voor het opblazen daarvan tot een vooraf bepaalde druk. Wanneer de opblaasbare verbuizingspakker is opgeblazen, kan het 30 aanbrengen van een grindmantel bij de onderste zone beginnen, zoals hierna beschreven.
De volledig open grindmof 30 bij de onderste zone wordt geopend door het naar boven trekken van de gereedschapskolom 20 voor het terugtrekken van de ankerplaatser 220, en het omhoog 35 bewegen van de gereedschapskolom 20, zodat de openende huls- 8004898 26 plaatser 90 de huls 58 van de volledig open grindmof 30 aangrijpt. De veerarmen 100 en 100' van de openende plaatser 90 zetten uit, waarbij de schouders aan de uitsteeksels 106 en 106' de ringvormige schouder 62 aangrijpen aan de huls 58. Een trek-5 kracht van ongeveer 45 kN plaatst de openingen 80 en 80' van de huls 58 in lijn met de grindpoorten 38 en 38’ van het huis 32 voor het zodoende openen van de grindmof 30. Wanneer de open stand van de grindmof 30 is bereikt, zijn de radiaal naar buiten zich uitstrekkende middenschouders 102 en 102' in aanraking 10 gekomen met de afgeschuinde rand, die voert naar het versmalde gedeelte 42, welke aanraking de veerarmen 100 en 100' samendrukt voor het door deze armen doen loslaten van de huls 58, waardoor de grindmof 30 in de open stand wordt gelaten. De gereedschaps-kolom 20 wordt dan neergelaten naar ongeveer de plaats van het 15 anker 198, opgenomen, naar rechts gedraaid en dan neergelaten voor het losmaken van de ankerplaatser 220 en aangrijpen van het anker 198.
Een brij van een draagfluïdum, dat grind bevat, wordt naar beneden gepompt in de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp 20 tot in de doorgangen 440 en 440', de inwendige ringvormige doorgang 442 en naar buiten door de grinddoorgangen 412 en 412' in de ringruimte 444, dan door de grindpoorten 38 en 38' van de grindmof 30 in de ringruimte 260 van de onderste zone, waar het grind wordt afgezet voor het vormen van een mantel 262. Het draag-25 flui'dum keert terug in het buisstuk 22 door de grindzeef 202, waarbij het grind op de buitenzijde van de zeef 202 wordt tegengehouden dankzij de juiste bemeting van de openingen daarvan.
Het grindvrije draagfluïdum gaat dan de boring 252 van de tail pipe binnen en keert terug langs de kogelterugslagklep 460, waar-30 van de kogel 468 wordt gelicht door het fluïdum dat in opwaartse richting beweegt. Het fluïdum gaat dan verder door de axiale circulatiedoorgang 452 in de afscheidende inrichting 300, dan naar boven door de inwendige ongeperforeerde pijp 208 naar het oppervlak. De circulatie van de grindbrij wordt voortgezet voor 35 het opbouwen van de grindmantel 262 van onder de grindzeef 202 8004898 27 tot een punt daarboven, waardoor dus een wering tegen zand-migratie vanuit de zone in het buisstuk 22 wordt geplaatst. Wanneer drukweerstand wordt opgemerkt aan het oppervlak, geeft dit aan, dat grind in de onderste zone is afgezet tot boven de 5 bovenkant van de grindzeef 202, en dat de mantel is voltooid.
Het is duidelijk, dat geen fluïdumbeweging is opgewekt over de bovenste zone 26 gedurende het aanbrengen van de grindmantel, aangezien zowel de grindbrij als de terugkeer zijn vervat in de gereedschapskolom 20.
10 Indien gewenst op dit punt, kan de grindmantel verder worden geconsolideerd door het uitoefenen van druk daarop, aangeduid als persen. Druk wordt uitgeoefend door de ringruimte 209 van de ongeperforeerde pijp naar beneden na het sluiten van de stroming vanuit de inwendige ongeperforeerde pijp 208 aan het 15 oppervlak, welke druk werkzaam is op de grindmantel door dezelfde circulatiebaan als hiervoor beschreven. Het fluïdum wordt onder de afscheidende inrichting 300 gehouden door de naar beneden gerichte pakkermanchet 390, zoals bij gebruikelijke circulatie. Ten einde het inwendige van de gereedschapskolom 20 20 te ontdoen van brijresten, wordt de circulatie dan omgekeerd onder gebruikmaking van een zuiver fluïdum. Deze handeling is weergegeven in figuur 5· In de putboring is geen beweging nodig voor het tot stand brengen van deze handeling, waarbij de enige handeling, die aan de kant van de bedienaar nodig is, bestaat 25 uit een omkering van de stromingsrichting. Zuiver fluïdum wordt naar beneden gezonden in de ongeperforeerde pijp 208 naar de axiale circulatiedoorgang 452 in de afscheidende inrichting 300. Wanneer het fluïdum de terugslagklep 460 bereikt, wordt de kogel 468 op de klepzitting 470 geplaatst voor het voorkomen van een 30 neerwaartse stroming. Op dit punt komt het zuivere fluïdum dan uit de afscheidende inrichting 300 door de zijdelingse circu-latiedoorgangen 428 en 428', en stroomt naar boven langs de weggeklapte pakkermanchetten 3$0 en 376 en terug door de grind-doorgangen 412 en 412* in de inwendige ringvormige doorgang 442, 35 door de uitwendige doorgangen 440 en 440' naar de ringruimte 209 8004898 28 van de ongeperforeerde pijp· Wanneer zuiver fluïdum is teruggevoerd naar het oppervlak, is het aanbrengen van een grindmantel voltooid. Opgemerkt moet worden, dat het circuleren van het in tegengestelde richting stromende fluïdum onder de afscheidende 5 inrichting 300 wordt voorkomen door de naar boven gerichte pakkermanchet 386, waarbij als gevolg van deze afdichting alsmede van het sluiten van de terugslagklep A-60, een omgekeerde circulatie tot stand wordt gebracht zonder een fluïdumbeweging over de zojuist van een grindmantel voorziene zone.
10 Op dit punt kan de gereedschapskolom naar boven worden be wogen naar de volgende van belang zijnde zone 150, in dit geval tussen de opblaasbare verbuizingspakkers 16^ en 184. De gereedschapskolom 20 wordt naar boven heen en weer bewogen, waardoor dus de ankerplaatser 220 wordt teruggetrokken en het ankerge-15 reedschap 198 wordt losgemaakt. Wanneer de gereedschapskolom 20 naar boven wordt getrokken naar de volgende zone, trekken de bewegende veerarmen 130 en 130' van de sluitende hulsplaatser 120 de huls 58 van de onderste grindmof 30 naar boven. De naar boven gerichte en naar buiten radiaal zich uitstrekkende schou-20 ders 136 en 136' van de uitsteeksels aan de veerarmen 130 en 130' grijpen de naar beneden gerichte ringvormige schouder 62 aan in de huls 58. Wanneer de gereedschapskolom naar boven wordt getrokken, sluiten de veerarmen 130 en 130' de grindmof 30, op welk punt de schouders 132 en 132' het versmalde gedeelte k2 ontmoet-25 en, dat de veerarmen 130 en 130’ samendrukt en ze losmaakt van de schouder 62 van de huls 58. Op dit punt overspannen de ringvormige afdichtingen 76 en 78 de grindpoorten 38 en 38', waardoor deze worden afgedicht. Bij de volgende zone wordt de gereedschapskolom 20 naar rechts gedraaid en dan neergelaten in het 30 ankergereedschap 176· Indien de opblaasbare verbuizingspakker l6*f boven de bovenste zone vooraf is opgeblazen, kan deze laatste opwaartse heen en weer beweging het openen verschaffen van de bovenste grindmof 30 door aangrijping van de huls 58 met de veerarmen 100 en 100' van de openende hulsplaatser 90. Indien de 35 opblaasbare verbuizingspakker l6*f niet is opgeblazen, kan het 8004898 r· 29 opblazen plaatsvinden zoals beschreven met betrekking tot de pakker 184. Wanneer de veerarmen 100 en 100' de bovenste mof 30 hebben geopend door het naar boven trekken van de huls 58, komen zij automatisch los wanneer de middenschouders daaraan het ver-5 smalde gedeelte 42 ontmoeten, dat op zijn beurt de veerarmen samendrukt.
Wanneer de ankerplaatser 220 het anker 176 heeft aangegrepen, kan het aanbrengen van een grindmantel bij deze zone beginnen (indien de pakker 164 daar boven is opgeblazen), zoals hiervoor 10 beschreven met betrekking tot de onderste zone 152. Het aanbrengen van een grindmantel is beschreven onder toepassing van concentrische ongeperforeerde pijpen, die zich uitstrekken naar het oppervlak, waarbij echter een doorgangsinrichting kan worden geplaatst boven de bovenste van een grindmantel te voorziene zone, 15 en fluïdum naar beneden kan worden geleid door een boorpijp naar de doorgangsinrichting, waarbij terugkeerfluidum wordt opgenomen door de ringruimte rond de verhuizing. Een doorgangsinrichting met een afsluitmogelijkheid kan worden gebruikt voor het sluiten van de downhole terugkeer gedurende het persen in plaats van 20 aan het oppervlak.
Hoewel de uitvinding is beschreven met betrekking tot een bepaalde, gedetailleerd uiteengezette uitvoeringsvorm, is het duidelijk, dat de beschrijving bij wijze van voorbeeld is en niet bij wijze van beperking. Andere uitvoeringsvormen van de 25 inrichting en toepassingen van de werkwijze zijn duidelijk voor deskundigen op dit gebied. De terugslagklep kan bij voorbeeld aan het einde van de tail pipe zijn aangebracht, de overbodigheid van de pakkermanchetten kan worden opgeheven, de circulatie-doorgangen en terugslagklep kunnen boven de grinddoorgangen zijn 30 aangebracht en een omloop- en afblaasklepmechanisrae kan worden gebruikt aan de onderkant van de afscheidende inrichting. Verder kan de afscheidende inrichting volgens een niet concentrische gedaante worden ontworpen of kunnen de doorgangen anders worden ontworpen, zodat grind naar beneden wordt gepomot door de axiale 35 doorgang en teruggevoerd naar boven door de inwendige ringruimte.
8004898
V
30
In het geval, dat het gewenst is de afscheidende inrichting te gebruiken voor het aanbrengen van een grindmantel op een enkele zone, waarbij geen noodzaak bestaat voor het van een fluïdum-beweging scheiden van de putboring boven de zone, kan de af-5 scheidende inrichting worden gebruikt met een enkele pomppijp-kolom, waarbij de ringruimte tussen het buisstuk en de pomppijp*. kolom wordt gebruikt als de tweede stromingsbaan, en, indien nodig, een andere naar boven gerichte pakkermanchet wordt gebruikt nabij de bovenkant van de afscheidende inrichting· 10 Het is dus duidelijk, dat veranderingen en verbeteringen kunnen worden aangebracht zonder buiten het kader van de uitvinding te treden.
8004898
Claims (29)
1. Inrichting voor het behandelen van een put, welke inrichting kan worden geplaatst in een buisstuk in een putboring in fluxdumverbinding met eerste en tweede pomppijpmiddelen, 5 gekenmerkt door behandelingsmiddelen, die eerste en tweede doorgangsmiddelen omvatten, verder terugslagklepmiddelen en derde doorgangsmiddelen, welke eerste doorgangsmiddelen in verbinding staan met de eerste pomppijpmiddelen boven de behande-lingsmiddelen en met de boring van de buis onder de behandelings-10 middelen, welke tweede doorgangsmiddelen in fluxdumverbinding staan met de tweede pomppijpmiddelen boven de behandelingsmidde-len en met de ringruimte tussen de behandelingsmiddelen en de buis, welke terugslagklepmiddelen zich in de eerste doorgangsmiddelen bevinden, en welke derde doorgangsmiddelen in fluxdum-15 verbinding staan met de ringruimte en met de eerste doorgangsmiddelen boven de terugslagklepmiddelen.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de terugslagklepmiddelen een stroming in opwaartse richting toelaten en in neerwaartse richting voorkomen. 20 3· Inrichting volgens conclusie 2, gekenmerkt door eerste en tweede afdichtmiddelen, aangebracht rond de behandelingsmiddelen voor het overspannen van het ringruimte verbindingspunt van de tweede doorgangsmiddelen, en door derde afdichtmiddelen, aangebracht rond de behandelingsmiddelen, waarbij het ringruimte 25 verbindingspunt van de derde doorgangsmiddelen zich bevindt tussen de derde afdichtmiddelen en de tweede afdichtmiddelen. k. Inrichting volgens conclusie 3» met het kenmerk, dat de eerste en tweede afdichtmiddelen een fluxdumafdichting tot stand brengen tussen de behandelingsmiddelen en de buis in aanspreking 30 op een fluxdumstroming uit het verbindingspunt van de tweede doorgangsmi ddelen.
5. Inrichting volgens conclusie ^f, met het kenmerk, dat de eerste en derde afdichtmiddelen een fluxdumafdichting tot stand brengen tussen de behandelingsmiddelen en de buis in aanspreking 35 op een fluxdumstroming uit het ringruimte verbindingspunt van de 8004898 derde doorgangsmiddelen, waarbij de tweede afdichtraiddelen hun afdichting in antwoord daarop opheffen.
6. Inrichting volgens conclusie 5» gekenmerkt door vierde afdichtmiddelen, aangebracht rond de behandelingsmiddelen onder 5 de ringruimte verbindingspunten van de tweede en derde doorgangsmiddelen, welke vierde afdichtmiddelen een afdichting tot stand brengen in aanspreking op een negatief drukverschil boven de vierde afdichtmiddelen.
7. Inrichting volgens conclusie 6, gekenmerkt door selec- 10 flui’dum omloopmiddelen in de behandelingsmiddelen, welke selectieve fluïdum omloopmiddelen een fluïdumverbinding toelaten tussen de buisboring boven en beneden de behandelingsmiddelen in de open stand, en in de gesloten stand deze fluïdumverbinding voorkomen.
8. Inrichting volgens conclusie 7» met het kenmerk, dat de selectieve fluïdum omloopmiddelen worden geopend en gesloten door het uitoefenen van een lengtekracht op de behandelingsmiddelen.
9. Inrichting volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de selectieve fluïdum omloopmiddelen worden geoepend door een op- 20 waartse kracht en gesloten door een neerwaartse kracht.
10. Inrichting volgens conclusie 9» gekenmerkt door selectieve afblaasklepmiddelen in de behandelingsmiddelen, welke selectieve afblaasklepmiddelen een fluïdumverbinding toelaten tussen de buisboring boven de behandelingsmiddelen en de ring- 25 ruimte, begrensd door de eerste en tweede afdichtmiddelen in de open stand, en een dergelijke fluïdumverbinding voorkomen in de gesloten stand.
11. Inrichting volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de selectieve afblaasklepmiddelen worden geopend en gesloten 30 door het uitoefenen van een lengtekracht op de behandelings middelen.
12. Inrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de selectieve afblaasklepmiddelen worden geopend door een opwaartse kracht en gesloten door een neerwaartse kracht. 35 13· Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat 8004898 e de opwaartse en neerwaartse krachten door althans één van de pomppijpmiddelen worden uitgeoefend op de behandelingsmiddelen· 1½. Inrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de eerste en tweede pomppijpmiddelen respectievelijk de boring om-5 vatten van een eerste pijp en de ruimte tussen deze eerste pijp en een tweede, grotere pijp, waarbij de behandelingsmiddelen zijn bevestigd aan de eerste en tweede pijpen. 15·· Inrichting volgens conclusie 1^, met het kenmerk, dat de eerste en tweede pijpen concentrisch zijn.
16. Inrichting volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de eerste pomppijpmiddelen de boring omvatten van een pomppijpkolom, waarbij de tweede pomppijpmiddelen de ringruimte omvatten tussen de pomppijpkolom en de buis*
17. Inrichting volgens conclusie 13» gekenmerkt door vijfde 15 afdichtmiddelen nabij de bovenkant van de behandelingsmiddelen, welke vijfde afdichtmiddelen een afdichting tot stand brengen tussen de behandelingsmiddelen en de buis in aanspreking op een positief drukverschil boven de behandelingsmiddelen.
18. Inrichting volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat 20 de tweede pomppijpmiddelen de boring omvatten van een pijp, waarbij de eerste pomppijpmiddelen de ringruimte omvatten tussen deze pijp en de buis. 19« Inrichting voor het afscheiden en aanbrengen van een grindmantel, welke inrichting in fluïdumverbinding staat met 25 eerste en tweede pomppijpmiddelen in een buisstuk in een put-boring, welk buisstuk poorten daarin heeft en een grindzeef onder deze poorten, gekenmerkt door middelen voor het aanbrengen van een grindmantel, welke middelen zijn voorzien van eerste, tweede en derde doorgangen daar doorheen en van een terugslag-30 klep, welke eerste doorgang zich uitstrekt vanaf de eerste pomppijpmiddelen naar de boring van het buisstuk onder de aan-brengmiddelen, welke tweede doorgang zich uitstrekt vanaf de tweede pomppijpmiddelen naar de ringruimte tussen de aanbreng-middelen en het buisstuk, welke derde doorgang zich uitstrekt 35 tussen de eerste doorgang en de ringruimte, en welke terugslag- 8004898 klep is aangebracht in de eerste doorgang onder de derde doorgang.
20. Inrichting volgens conclusie 19» met het kenmerk, dat de terugslagklep een stroming in opwaartse richting toelaat en 5 in neerwaartse richting voorkomt.
21. Inrichting volgens conclusie 17» gekenmerkt door eerste en tweede afdichtmiddelen» aangebracht rond de aanbrengmiddelen voor het overspannen van de ringruimte uitmonding van de tweede doorgang» en door derde afdichtmiddelen, aangebracht rond de 10 aanbrengmiddelen, waarbij de ringruimte uitmonding van de derde doorgang zich bevindt tussen de tweede en derde afdichtmiddelen.
22. Inrichting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de eerste en tweede afdichtmiddelen een afdichting tot stand brengen tussen de aanbrengmiddelen en de buis in aanspreking op 15 fluïdumstroming uit de ringruimte uitmonding van de tweede doorgang, waarbij de eerste en derde afdichtmiddelen een afdichting tot stand brengen tussen de aanbrengmiddelen en de buis in aanspreking op een fluïdumstroming uit de ringruimte uitmonding van de derde doorgang.
23. Inrichting volgens conclusie 22, gekenmerkt door vierde afdichtmiddelen aan het onderste einde van de aanbrengmiddelen, welke vierde afdichtmiddelen een fluïdum afdichting tot stand brengen tussen de aanbrengmiddelen en de buis in aanspreking op een negatief drukverschil boven de vierde afdichtmiddelen. 25 2.k, Inrichting volgens conclusie 23, met het kenmerk, dat de eerste, tweede, derde en vierde afdichtmiddelen bestaan uit pakkermanchetten.
25. Inrichting volgens conclusie 23, gekenmerkt door een selectief te sluiten fluïdum omloop in de aanbrengmiddelen, 30 welke fluïdumomloop zich uitstrekt vanaf de buisboring boven de aanbrengmiddelen naar de buisboring onder de aanbrengmiddelen.
26. Inrichting volgens conclusie 25, met het kenmerk, dat de omloop selectief wordt gesloten door een schuifklepsamenstel, dat aanspreekt op een axiale kracht, uitgeoefend op de aanbreng- 35 middelen. 8004898 t
27. Inrichting volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat de richting van de axiaal sluitende kracht neerwaarts is.
28. Inrichting volgens conclusie 27» met het kenmerk, dat de axiaal sluitende kracht wordt uitgeoefend door althans één 5 van de pomppijpmiddelen.
29. Inrichting volgens conclusie 23» gekenmerkt door een selectief te sluiten afblaasklep in de aanbrengmiddelen, welke afblaasklep zich uitstrekt vanaf de buisboring boven de aanbrengmiddelen naar de ringruimte tussen de eerste en tweede af- 10 dichtmiddelen.
30. Inrichting volgens conclusie 29» met het kenmerk, dat de afblaasklep selectief wordt gesloten door een schuifklepsamenstel, dat aanspreekt op een axiale kracht, uitgeoefend op de aanbrengmiddelen.
31. Inrichting volgens conclusie 30» met het kenmerk, dat de richting van de axiaal sluitende kracht neerwaarts is.
32. Inrichting volgens conclusie 31» met het kenmerk, dat de axiaal sluitende kracht wordt uitgeoefend door althand één van de pomppijpmiddelen. 20 33* Inrichting volgens conclusie 23, met het kenmerk» dat de eerste pomppijpmiddelen de boring omvatten van een pijp, waarbij de tweede pomppijpmiddelen de ringruimte omvatten tussen deze pijp en de buis. 3^f. Inrichting volgens conclusie 33, gekenmerkt door vijfde 23 afdichtraiddelen nabij de bovenkant van de behandelingsmiddelen, welke vijfde afdichtraiddelen een afdichting tot stand brengen tussen de behandelingsmiddelen en de buis in aanspreking op een positief drukverschil boven de behandelingsmiddelen.
33· Inrichting volgens conclusie 23, met het kenmerk, dat 30 de eerste pomppijpmiddelen de boring omvatten van een eerste pijp, waarbij de tweede pomppijpmiddelen de ruimte omvatten tussen deze eerste pijp en de binnenwand van een tweede, grotere pijp, die daar omheen is geplaatst.
36. Inrichting volgens conclusie 23, met het kenmerk, dat 35 de tweede pomppijpmiddelen een pijp omvatten, waarbij de eerste 8004898 pomppijpmiddelen de ringruimte omvatten tussen deze pijp en de buis.
37· Inrichting volgens conclusie 23» met het kenmerk» dat de tweede pomppijpmiddelen een pijp omvatten, waarbij de eerste 5 pomppijpmiddelen de ruimte omvatten tussen deze pijp en de binnenwand van een tweede, grotere pijp, die daar omheen is geplaatst.
38. Werkwijze voor het aanbrengen van een grindmantel op een producerende zone in een putboring, gekenmerkt door het in de 10 putboring plaatsen van een buis met een grindzeef daarin, die zich over de zone bevindt, verder het naar beneden door eerste pomppijpmiddelen pompen van een grindbrij naar een plaats boven de zone, het naar buiten uit de buis leiden van de grindbrij en naar beneden naar de hoogte van de grindzeef, het tegenhouden 15 van de stroming van het grind met de zeef onder het daar doorheen laten gaan van het draagfluïdum van de brij, het naar het oppervlak terugvoeren van het draagfluïdum via tweede pomppijpmiddelen, het voortzetten van de laatste twee handelingen totdat een grindmantel tot stand is gebracht, en het door de tweede 20 pomppijpmiddelen naar beneden pompen van fluïdum naar de nabijheid van de zone en het terugvoeren van dit fluïdum naar het oppervlak via de eerste pomppijpmiddelen zonder een fluïdum-beweging op te wekken in het buisboringsgebied, bepaald door de boven- en onderkant van de grindzeef. 25 39· Werkwijze voor het aanbrengen van een grindmantel op een producerende zone in een putboring, gekenmerkt door het in de putboring plaatsen van een gereedschapskolom, voorzien van een afscheidende inrichting aan zijn onderste einde voor het aanbrengen van een grindmantel, verder het met de afscheidende 30 inrichting aanbrengen van een grindmantel, het door de afscheidende inrichting omkeren van de circulatie door het alleen omkeren van de richting van de fluïdumstroming door de afscheidende inrichting. ^fO. Werkwijze volgens conclusie 39, met het kenmerk, dat 35 de omgekeerde circulatie tot stand wordt gebracht zonder een 8004898 c fluïdumbeweging op te wekken over de van een grindmantel voorziene zone. 8004898
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| US10773979 | 1979-12-27 | ||
| US06/107,739 US4295524A (en) | 1979-12-27 | 1979-12-27 | Isolation gravel packer |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL8004898A true NL8004898A (nl) | 1981-07-16 |
Family
ID=22318213
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL8004898A NL8004898A (nl) | 1979-12-27 | 1980-08-29 | Inrichting voor putbehandeling. |
Country Status (12)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US4295524A (nl) |
| AR (1) | AR226081A1 (nl) |
| AU (1) | AU542578B2 (nl) |
| BR (1) | BR8007059A (nl) |
| CA (1) | CA1153691A (nl) |
| DE (1) | DE3046763A1 (nl) |
| ES (1) | ES498087A0 (nl) |
| GB (1) | GB2066324B (nl) |
| IT (1) | IT1134393B (nl) |
| MY (1) | MY8500676A (nl) |
| NL (1) | NL8004898A (nl) |
| NO (1) | NO802996L (nl) |
Families Citing this family (29)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4418754A (en) * | 1981-12-02 | 1983-12-06 | Halliburton Company | Method and apparatus for gravel packing a zone in a well |
| US4519451A (en) * | 1983-05-09 | 1985-05-28 | Otis Engineering Corporation | Well treating equipment and methods |
| US4627488A (en) * | 1985-02-20 | 1986-12-09 | Halliburton Company | Isolation gravel packer |
| US4606408A (en) * | 1985-02-20 | 1986-08-19 | Halliburton Company | Method and apparatus for gravel-packing a well |
| US4583593A (en) * | 1985-02-20 | 1986-04-22 | Halliburton Company | Hydraulically activated liner setting device |
| US4628993A (en) * | 1985-07-19 | 1986-12-16 | Halliburton Company | Foam gravel packer |
| US4633943A (en) * | 1985-07-19 | 1987-01-06 | Halliburton Company | Gravel packer |
| US4633944A (en) * | 1985-07-19 | 1987-01-06 | Halliburton Company | Gravel packer |
| US4635716A (en) * | 1985-07-19 | 1987-01-13 | Halliburton Company | Gravel packer |
| US4638859A (en) * | 1985-07-19 | 1987-01-27 | Halliburton Company | Gravel packer |
| US4662446A (en) * | 1986-01-16 | 1987-05-05 | Halliburton Company | Liner seal and method of use |
| US4662447A (en) * | 1986-04-04 | 1987-05-05 | Halliburton Company | Gravel packing method and apparatus |
| US5163512A (en) * | 1991-08-28 | 1992-11-17 | Shell Oil Company | Multi-zone open hole completion |
| US5617919A (en) * | 1994-06-23 | 1997-04-08 | Saucier; Randolph J. | Gravel-packing apparatus and method |
| US5443121A (en) * | 1994-06-23 | 1995-08-22 | Saucier; Randolph J. | Gravel-packing apparatus & method |
| US6382319B1 (en) * | 1998-07-22 | 2002-05-07 | Baker Hughes, Inc. | Method and apparatus for open hole gravel packing |
| US6789623B2 (en) * | 1998-07-22 | 2004-09-14 | Baker Hughes Incorporated | Method and apparatus for open hole gravel packing |
| US6318469B1 (en) * | 1999-02-09 | 2001-11-20 | Schlumberger Technology Corp. | Completion equipment having a plurality of fluid paths for use in a well |
| US6378609B1 (en) | 1999-03-30 | 2002-04-30 | Halliburton Energy Services, Inc. | Universal washdown system for gravel packing and fracturing |
| CA2496649A1 (en) * | 2004-02-11 | 2005-08-11 | Presssol Ltd. | Method and apparatus for isolating and testing zones during reverse circulation drilling |
| US7337840B2 (en) * | 2004-10-08 | 2008-03-04 | Halliburton Energy Services, Inc. | One trip liner conveyed gravel packing and cementing system |
| US7533729B2 (en) | 2005-11-01 | 2009-05-19 | Halliburton Energy Services, Inc. | Reverse cementing float equipment |
| US20080283252A1 (en) * | 2007-05-14 | 2008-11-20 | Schlumberger Technology Corporation | System and method for multi-zone well treatment |
| US8739870B2 (en) * | 2008-12-05 | 2014-06-03 | Superior Energy Services, Llc | System and method for sealing gravel exit ports in gravel pack assemblies |
| US7896090B2 (en) * | 2009-03-26 | 2011-03-01 | Baker Hughes Incorporated | Stroking tool using at least one packer cup |
| US9284815B2 (en) * | 2012-10-09 | 2016-03-15 | Schlumberger Technology Corporation | Flow restrictor for use in a service tool |
| US9638002B2 (en) * | 2013-11-01 | 2017-05-02 | Halliburton Energy Services, Inc. | Activated reverse-out valve |
| US9932788B2 (en) * | 2015-01-14 | 2018-04-03 | Epiroc Drilling Tools Llc | Off bottom flow diverter sub |
| US11788366B2 (en) * | 2021-08-17 | 2023-10-17 | Weatherford Technology Holdings, Llc | Liner deployment tool |
Family Cites Families (10)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US3153451A (en) * | 1963-02-07 | 1964-10-20 | Forrest E Chancellor | Apparatus for completing a well |
| US3455380A (en) * | 1968-01-15 | 1969-07-15 | Baker Oil Tools Inc | Port collar and operating tool therefor |
| US3627046A (en) * | 1969-11-10 | 1971-12-14 | Lynes Inc | Method and apparatus for positioning and gravel packing a production screen in a well bore |
| US3637010A (en) * | 1970-03-04 | 1972-01-25 | Union Oil Co | Apparatus for gravel-packing inclined wells |
| US3726343A (en) * | 1971-06-24 | 1973-04-10 | P Davis | Apparatus and method for running a well screen and packer and gravel packing around the well screen |
| US3850246A (en) * | 1973-07-14 | 1974-11-26 | Gulf Research Development Co | Gravel packing method and apparatus |
| US3963076A (en) * | 1975-03-07 | 1976-06-15 | Baker Oil Tools, Inc. | Method and apparatus for gravel packing well bores |
| US4044832A (en) * | 1976-08-27 | 1977-08-30 | Baker International Corporation | Concentric gravel pack with crossover tool and method of gravel packing |
| US4105069A (en) * | 1977-06-09 | 1978-08-08 | Halliburton Company | Gravel pack liner assembly and selective opening sleeve positioner assembly for use therewith |
| US4192375A (en) * | 1978-12-11 | 1980-03-11 | Union Oil Company Of California | Gravel-packing tool assembly |
-
1979
- 1979-12-27 US US06/107,739 patent/US4295524A/en not_active Expired - Lifetime
-
1980
- 1980-08-29 NL NL8004898A patent/NL8004898A/nl not_active Application Discontinuation
- 1980-10-08 NO NO802996A patent/NO802996L/no unknown
- 1980-10-09 CA CA000362033A patent/CA1153691A/en not_active Expired
- 1980-10-15 AU AU63292/80A patent/AU542578B2/en not_active Ceased
- 1980-10-31 BR BR8007059A patent/BR8007059A/pt unknown
- 1980-11-05 AR AR283136A patent/AR226081A1/es active
- 1980-11-20 GB GB8037193A patent/GB2066324B/en not_active Expired
- 1980-11-20 IT IT26132/80A patent/IT1134393B/it active
- 1980-12-12 DE DE19803046763 patent/DE3046763A1/de active Granted
- 1980-12-23 ES ES498087A patent/ES498087A0/es active Granted
-
1985
- 1985-12-30 MY MY676/85A patent/MY8500676A/xx unknown
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| AU6329280A (en) | 1981-07-02 |
| DE3046763A1 (de) | 1981-09-24 |
| CA1153691A (en) | 1983-09-13 |
| ES8202906A1 (es) | 1982-02-16 |
| US4295524A (en) | 1981-10-20 |
| BR8007059A (pt) | 1981-06-30 |
| GB2066324B (en) | 1983-09-28 |
| MY8500676A (en) | 1985-12-31 |
| ES498087A0 (es) | 1982-02-16 |
| IT1134393B (it) | 1986-08-13 |
| IT8026132A0 (it) | 1980-11-20 |
| AR226081A1 (es) | 1982-05-31 |
| AU542578B2 (en) | 1985-02-28 |
| NO802996L (no) | 1981-06-29 |
| DE3046763C2 (nl) | 1990-06-07 |
| GB2066324A (en) | 1981-07-08 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| NL8004898A (nl) | Inrichting voor putbehandeling. | |
| US6655461B2 (en) | Straddle packer tool and method for well treating having valving and fluid bypass system | |
| US3726343A (en) | Apparatus and method for running a well screen and packer and gravel packing around the well screen | |
| US4606408A (en) | Method and apparatus for gravel-packing a well | |
| US6148915A (en) | Apparatus and methods for completing a subterranean well | |
| US4627488A (en) | Isolation gravel packer | |
| US4583593A (en) | Hydraulically activated liner setting device | |
| US5921318A (en) | Method and apparatus for treating multiple production zones | |
| US6474419B2 (en) | Packer with equalizing valve and method of use | |
| CA2375045C (en) | Tubing conveyed fracturing tool and method | |
| US8127845B2 (en) | Methods and systems for completing multi-zone openhole formations | |
| NL8006358A (nl) | Werkwijze en inrichting voor het naar althans een formatie in een putboring doen circuleren van een fluidum. | |
| US4296807A (en) | Crossover tool | |
| NL8006356A (nl) | Putbehandelingsinrichting. | |
| US9638002B2 (en) | Activated reverse-out valve | |
| AU2014415558B2 (en) | Gravel pack service tool with enhanced pressure maintenance | |
| NL8004708A (nl) | Inrichting en werkwijze voor het in een putboring plaatsen en verankeren van een gereedschapskolom. | |
| EP2800865B1 (en) | One trip toe-to-heel gravel pack and liner cementing assembly | |
| US9181779B2 (en) | Activated reverse-out valve | |
| AU2014349180B2 (en) | Gravel pack service tool used to set a packer | |
| AU2014349180A1 (en) | Gravel pack service tool used to set a packer | |
| NL8006359A (nl) | Putgereedschap met hulsklep, en werkwijze voor het bedienen daarvan. | |
| US3826307A (en) | Well packer and testing apparatus |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
| BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
| BB | A search report has been drawn up | ||
| BC | A request for examination has been filed | ||
| BV | The patent application has lapsed |