[go: up one dir, main page]

NL8003791A - Fluidumfitting. - Google Patents

Fluidumfitting. Download PDF

Info

Publication number
NL8003791A
NL8003791A NL8003791A NL8003791A NL8003791A NL 8003791 A NL8003791 A NL 8003791A NL 8003791 A NL8003791 A NL 8003791A NL 8003791 A NL8003791 A NL 8003791A NL 8003791 A NL8003791 A NL 8003791A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
fitting
groove
sleeve
sealing
annular
Prior art date
Application number
NL8003791A
Other languages
English (en)
Other versions
NL188304B (nl
NL188304C (nl
Original Assignee
Deutsch Co Metal Components
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Deutsch Co Metal Components filed Critical Deutsch Co Metal Components
Publication of NL8003791A publication Critical patent/NL8003791A/nl
Publication of NL188304B publication Critical patent/NL188304B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL188304C publication Critical patent/NL188304C/nl

Links

Classifications

    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16LPIPES; JOINTS OR FITTINGS FOR PIPES; SUPPORTS FOR PIPES, CABLES OR PROTECTIVE TUBING; MEANS FOR THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16L13/00Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints
    • F16L13/14Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16LPIPES; JOINTS OR FITTINGS FOR PIPES; SUPPORTS FOR PIPES, CABLES OR PROTECTIVE TUBING; MEANS FOR THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16L13/00Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints
    • F16L13/14Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling
    • F16L13/141Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling by crimping or rolling from the outside
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B21MECHANICAL METAL-WORKING WITHOUT ESSENTIALLY REMOVING MATERIAL; PUNCHING METAL
    • B21DWORKING OR PROCESSING OF SHEET METAL OR METAL TUBES, RODS OR PROFILES WITHOUT ESSENTIALLY REMOVING MATERIAL; PUNCHING METAL
    • B21D39/00Application of procedures in order to connect objects or parts, e.g. coating with sheet metal otherwise than by plating; Tube expanders
    • B21D39/04Application of procedures in order to connect objects or parts, e.g. coating with sheet metal otherwise than by plating; Tube expanders of tubes with tubes; of tubes with rods
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F16ENGINEERING ELEMENTS AND UNITS; GENERAL MEASURES FOR PRODUCING AND MAINTAINING EFFECTIVE FUNCTIONING OF MACHINES OR INSTALLATIONS; THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16LPIPES; JOINTS OR FITTINGS FOR PIPES; SUPPORTS FOR PIPES, CABLES OR PROTECTIVE TUBING; MEANS FOR THERMAL INSULATION IN GENERAL
    • F16L13/00Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints
    • F16L13/14Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling
    • F16L13/141Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling by crimping or rolling from the outside
    • F16L13/142Non-disconnectable pipe joints, e.g. soldered, adhesive, or caulked joints made by plastically deforming the material of the pipe, e.g. by flanging, rolling by crimping or rolling from the outside with a sealing element inserted into the female part before crimping or rolling

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Gasket Seals (AREA)
  • Quick-Acting Or Multi-Walled Pipe Joints (AREA)
  • Joints With Sleeves (AREA)
  • Non-Disconnectible Joints And Screw-Threaded Joints (AREA)
  • Mutual Connection Of Rods And Tubes (AREA)
  • Pipe Accessories (AREA)
  • Steroid Compounds (AREA)

Description

N/29 .^90-tM/cs - 1 -
Fluidumfitting.
De uitvinding heeft betrekking op een fluidumfitting.
Gesmede fittingen om buizen met elkaar te verbinden zoals in een hydraulisch systeem of om buizen met andere onderdelen te verbinden, zijn met veel succes toegepast, omdat zij betrouwbaar zijn, gemakkelijk 5 te bedienen voor het maken van verbindingen in het terrein en betrekkelijk weinig kosten. De samenhang van de verbinding en de levensduur ervan zijn zeer gunstig in vergelijking met andere soorten fittingen voor het verbinden van buizen.
Volgens het Amerikaanse octrooischrift Re. 28Λ57 bezit fxt-10 ting uitwendige randen die bij het smeden worden overgebracht op het binnenvlak van de fitting. Het binnenvlak van de fitting heeft aanvankelijk een constante diameter met uitzondering van de afdichtgroeven, terwijl het buitenvlak is voorzien van randen. Na het smeden heeft het buitenvlak een constante diameter en zijn de randen overgebracht op het binnenvlak 15 van de fitting om een verbinding met de buis te verkrijgen.
Dit soort fitting maakt gebruik van de terugvering van de buis om een sterke verbinding tussen de fitting en de buis te verkrijgen. Dit beperkt de toepassing van de fitting, omdat sommige buizen zijn vervaardigd uit materiaal met lage strekgrens, zoals koper, kopernikkel, sommige 20 aluminiumsoorten en sommige titaniumsoorten en geen aanmerkelijke terugvering bij samendrukking vertonen. Buisleidingen van dit type worden zeer veel gebruikt in de hydraulische systemen van schepen. Deze buizen hebben een betrekkelijk grote wanddikte die het onpraktisch maakt om te pogen de contour van de buitenzijde van de fitting over te brengen op de binnen-25 zijde en aldus de buis te vervormen bij een smeedbewerking. De vorming van de randen op het binnenvlak van de fitting en dus op het binnenvlak van de buis in de fitting zou ook leiden tot samentrekkingen die een ongewenste drukval veroorzaken. Deze randen op de binnenzijde van de fittingen veroorzaken ook lawaai, wanneer de hydraulische vloeistof door het systeem 30 wordt gevoerd,hetgeen niet aanvaardbaar is bij de bouw van onderzeeboten, waar een stille werking belangrijk is.
De onderhavige uitvinding verschaft een fluidumfitting die wordt verbonden met leidingen door smeden, maar de bovengenoemde moeilijkheden vermijdt. Deze kan worden toegepast bij dikwandige leidingen met ge-35 ringe strekgrens, waarbij geen gebruik gemaakt wordt van de terugvering van het leidingmateriaal. Ook veroorzaakt deze weinig vervorming van de binnenwand van de leidingen, zodat de drukval en lawaaimoeilijkheden zijn vermeden.
8 0 0 3 7 91 - 2 -
De fitting is een metalen huls die in elk van zijn einden het einddeel van een huis kan opnemen, zodat de binneneinden van de buizen aan elkaar grenzen in het midden van de fitting. De buitenste einddelen van de fittingen verschaffen vasthoudzones die de buizen grijpen bij het smeden 5 om deze in de fitting te houden. Binnenwaarts van elke vasthoudzone bevindt zich een afdichtzone, waar een fluïdumdichte afdichting wordt verkregen om fluïdumverlies uit het systeem te verhinderen.
Aan elk van de vasthoudzones bevindt zich een rand die kan zijn gevormd door een enkele schroeflijnvormige rand, die bij het smeden binnen-10 dringt in het buitenvlak van de leiding. Axiale groeven kunnen de rand verdelen in tanden die afzonderlijk binnendringen in de leiding en weerstand bieden tegen torsiebelasting. Een tegenboring aan het buiteneind van elk van de vasthoudzones is gevoerd met een dempend materiaal dat licht aangrijpt op de omtrek van de pijp na het smeden. Dit verhindert het binnen-15 dringen van materiaal in de vasthoudzone om deze verbindingszone tegen corrosie te beschermen. Ook verbetert de demping de levensduur van de verbinding bij buiging van leidingen.
Aan de afdichtzone kunnen zich een of meer ringgroeven met af-dichtelementen erin bevinden, waarbij een uitwendige ringvormige rand 20 direct tegenover de groef ligt. Bij het smeden concentreert de groef de smeedkracht aan de afdichting om de afdichting rondom de pijp samen te persen teneinde een fluïdumdichte verbinding te verzekeren. Er bevindt zich ook een ringvormige rand aan het binnenste deel van de fitting en deze verhindert dat bij het smeden van de afdichtzone de fitting samen-25 klapt rondom de einddelen van de leidingen in de fitting. Ook hierdoor wordt de scheursterkte van de fitting verbeterd.
Er bevindt zich een ontlastgroef tussen de vasthoudzone en de aangrenzende afdichtzone en deze groef scheidt de smeedbewerkingen van deze twee delen van de fitting. De ontlastgroef verschaft ook een extra 30 metaal-op-metaalafdichting, wanneer zijn hoek bijt in het oppervlak van de pijp. Verder verschaft deze een uitloopzone voor het gereedschap dat wordt gebruikt om de rand aan de vasthoudzone te vormen.
De uitvinding zal hierna worden toegelicht aan de hand van de tekening, waarin uitvoeringsvormen van de uitvinding zijn afgeheeld.
35 Fig. 1 is een perspectivisch aanzicht van de fitting volgens de uitvinding.
Fig. 2 is een langsdoorsnede van de fitting.
Fig. 3 is een gedeeltelijke langsdoorsnede op grotere schaal en toont details van de vasthoud- en afdichtzones van de fitting vooraf-Uo gaand aan het smeden.
800 3 7 91 I* - 3 -
Fig. k is een zijaanzicht, gedeeltelijk in doorsnede, en toont het smeden van de fitting door een radiaal smeedgereedschap.
Fig. 5 is een gedeeltelijke langsdoorsnede op grotere schaal en toont de fitting na het smeden op een huis.
5 Fig. 6 is een gedeeltelijke langsdoorsnede op grotere schaal en toont de afdichtzone na het smeden.
Fig. T is een gedeeltelijke langsdoorsnede en toont de vast-houdzone na het smeden.
Fig. 8 is een eindaanzicht van de fitting die is voorzien van 10 inwendige langssleuven om weerstand te bieden tegen draaibelastingen.
Fig. 9 is een gedeeltelijke langsdoorsnede op grotere schaal van het middendeel van een gewijzigde uitvoeringsvorm van de uitvinding.
Fig. 10 is een gedeeltelijke doorsnede van de fitting van fig.
9 na het smeden.
15 Fig. 11 is een doorsnede op grotere schaal van de afdichtzone van de fitting van fig. 9 na het smeden.
De fluïdumfitting 10 volgens de uitvinding bestaat zoals in fig. 1 is afgebeeld, uit een metalen huls die dient om pijpen of buizen in een hydraulisch systeem te koppelen. De buizen worden met de fitting 20 verbonden door smeden met gebruikmaking van de radiale beweging van de smeedmatrijzen, waardoor de buizen worden vastgehouden in de fitting en een fluldumdichte afdichting wordt verkregen.
De einddelen 11 en 12 van de fitting 10 werken als vasthoud-zones van de fitting, die na de smeedbewerking de fitting mechanisch ver-25 binden met de daarin opgenomen buizen. Verder bevinden zich binnenwaarts van de vasthoudzones 11 en 12 afdichtzones 13 en 1U, die lekkage van het door de fitting van de ene buis naar de andere overgebrachte fluïdum verhinderen .
Van buiten hebben de twee vasthoudzones 11 en 12 een constante 30 cilindrische vorm, zoals is bepaald door de oppervlakken 15 en 16. Binnenwaarts van de oppervlakken 15 en 16 heeft de fitting een grotere buitendiameter, die wordt bepaald door het cilindrische oppervlak 17. Ringvormige randen 19 en 20, die cilindrische oppervlakken met nog grotere diameter hebben, zijn binnenwaarts op een afstand van de schouders 21 en 22 35 aan de einden van het oppervlak 17 aangebracht. De randen 19 en 20 zijn geplaatst aan de afdichtzones 13 en 1U. Een aanvullende cilindrische ringvormige rand 2h heeft een diameter vergelijkbaar met die van de randen 19 en 20 en is geplaatst tussen de randen 19 en 20 op een afstand daarvan.
Het binnenvlak 26 van de fitting is cilindrisch uitgevoerd met 1*0 tegengeboorde einden 27 en 28, die de ingang naar de fitting vormen. Be- 800 3 7 91 -U- trekkeli jk dunne lagen 29 en 30 van teflon of een elastomeer zoals siliconen dienen als voering voor de ingangen 27 en 28 van de fitting.
In de vasthoudzones 11 en 12 zijn groeven 32 en 33 gesneden zodat schroeflijnvormige randen 3U en 35 over de gehele lengte van deze sec-5 ties van de fittingen worden gevormd. Anders kan een rij ringvormige randen met soortgelijke dwarsdoorsnede zijn gevormd, hoewel schroeflijnvormige randen vanwege de gemakkelijke fabricage de voorkeur verdienen. De randen 3U en 35 zijn eikaars spiegelbeeld en hebben elk een naar het midden van de fitting gekeerde radiale wand en een naar het buiteneind van 10 de fitting gekeerde hellende wand. Voor de rand 35 die in doorsnede op grotere schaal in fig. 3 is afgebeeld, zijn deze oppervlakken de radiale wand 36 en de hellende wand 37. De hoek van de hellende wanden kan liggen . tussen 30° en 60° ten opzichte van de langsas van de fitting, en bedraagt bij voorkeur U5°* De randen hebben platte toppen en platte wortels, in 15 het geval van de wand 35 de top 38 en de wortel 39· De steek van de rand is gelijk aan beide einden van de fitting en is een functie van de diameter van de leiding die moet worden verbonden door de fitting. Bij voorkeur is' deze steek 1,5 tot 1,8 maal de leidingdiameter, waarbij 1,65 de normale waarde is. De breedte van de top van de rand (dus zijn afmeting 20 in de axiale richting van de fitting) hangt af van zijn steek en kan liggen binnen het gebied van 1/12 tot 1/8 van de steek, bij voorkeur 0,09 maal de steek van de randen. De diepte van de randen, dus de afstand tussen de top 38 en de wortel 39, wordt gevonden door de formule D = ^t + C, 2 __ waarin L. is de breedte van de top 38 en C is een constante die ligt tus-25 t sen 0,010 en 0,025 en bij voorkeur 0,012 bedraagt.
Tussen de vasthoudzones 11 en 12 en de afdichtzones 13 en 1U
bevinden zich betrekkelijk brede en diepe cilindrische ontlastgroeven Ui en U2. Deze groeven, die cilindrische binnenvlakken hebben, zijn binnen- waarts van de eindschouders 21 en 22 van het buitenvlak 17 geplaatst, waar de fitting een kleinere wanddikte heeft dan aan de afdichtzone en'een dan . , , grotere wanddikte..aan de vasthoudzone. Een functie van de groeven U1 en 42 is het verschaffen van een uitloopzone voor het gereedschap dat de randen 3U en 35 vormt.
Binnenwaarts van de groef U1 aan de afdichtzone 13 en radiaal uitgelijnd met de uitwendige rand 19 bevinden zich afdichtgroeven U3 en Uit die in het algemeen in vorm gelijk zijn aan de ontlastgroef U1 maar nauwer en ondieper zijn dan de ontlastgroef. De binnenste groef UU is niet zo breed als de buitenste groef U3. Evenzo zijn voor de afdichtzone 1U groeven U5 en U6 gevormd die in vorm overeenkomen met de groeven U3 resp.
800 37 91 i' 4.
- 5 - 1+1+. De groeven 1+5 en 1+6 liggen onder de uitwendige rand 20. Afdichtingen 1+7 en 1+8 van elastomeer materiaal zoals siliconenrubber vullen de groeven 1+6 en 1+5 en soortgelijke afdichtingen vullen de groeven 1+1+ en 1+3. Anders kunnen 0-ringen of metallische afdichtingen worden toegepast. Bij sommige 5 fittingen wordt slechts een enkele groef en afdichting in elke afdichtzone toegepast.
Bij het verbinden van de buizen 52 en 53, die in het afgebeel-de voorbeeld betrekkelijk dikwandig zijn en bestaan uit materiaal met een lage strekgrens, worden de einden van de buizen eerst gestoken in de tegen-10overgestelde einden van de fitting en tegenover elkaar geplaatst aan het middelste deel van de fitting. Vervolgens wordt de fitting gesmeed waarvoor bij voorkeur een radiaal smeedgereedschap wordt gebruikt zoals bekend is uit het Amerikaanse octrooi schrift 3.81+8.1+51. Dit gereedschap omvat, zoals in fig. 1+ is afgebeeld, tegenovergestelde, uit segmenten bestaande 15 matrijshelften 55 en 56 die zich rondom de fitting uitstrekken wanneer de smeedbeverking plaatsvindt. De buitenste matrijshelft 55 vordt ondersteund door een vegneembare vasthoudkop 5T die tijdens de bediening van het gereedschap vastblijft. De onderste matrijshelft 56 wordt gedragen door een matrijsblok 58 dat zit op het buiteneind van een zuigerstang 59 20 die in een krachtcilinder 60 steekt. Bij bediening van het gereedschap wordt de stang 59 dus door de kracht van de cilinder 60 naar buiten bewogen, waardoor het matrijsblok 58 naar de vasthoudkop 57 wordt gedrukt.
Hierdoor worden de stellen, uit segmenten bestaande matrijshelften 55 en 56 rondom de fitting samengeperst.
25 Bij voorkeur worden de afdichtzones 13 en 11+ afzonderlijk van de vasthoudzones 11 en 12 gesmeed. Het smeedgereedschap wordt dus eerst geplaatst om êên van de afdichtzones, bijvoorbeeld rondom de ringvormige rand 20 van de afdichtzone 11+. Bij samendrukking door het smeedgereedschap wordt de uitwendige rand 20 afgeplat, zodat het buitenvlak in deze 30 zone ongeveer dezelfde diameter krijgt als die van het oppervlak 17-(zie fig. 6). Hierdoor worden de afdichtingen 1+7 en 1+8 stevig gedrukt tegen de omtrek van de buis 53 die zich binnen het eind van de fitting bevindt.
Het bestaan van de ringvormige rand concentreert dé smeedkracht aan de zone van de afdichtingen 1+7 en 1+8. De afdichtingen 1+7 en 1+8 die bestaan 35 uit veerkrachtig materiaal, worden samengeperst en zijn in fluïdumdichte aanraking met het oppervlak van de buis 53 na het smeden. Tijdens het smeden verhindert de middelste rand 2i+ van de fitting door het verster-' ken van de middelste zone van de fitting, dat het middelste deel van de fitting samenklapt rondom de buis, wanneer de afdichtzone 1U wordt samen-1+0 geperst. Samentrekking van het middelste deel van de fitting zou een enn *791 - 6 - axiale kracht uitoefenen die tracht de buis 53 uit de fitting te duwen en ongewenst is. De middelste rand 2h met de vergrote wanddikten aan het midden van de fitting verschaft ook een hoge weerstand tegen scheurkrachten aan de fitting.
5 De ontlastgroef k2 helpt de smeedwerking te begrenzen tot de zone van de afdichtingen U7 en H8 en scheidt de afdichtzone 1H van de vasthoudzone 12. De vasthoudzone wordt dus beïnvloed door het smeden van de afdichtzones, daar de wand van de fitting enige verbuiging aan de zone van de ontlastgroef ondergaat. Het ringvormige veld 61 tussen de ontlast-10 groef b2 en de afdichtgroef U5 bijt in het buitenvlak van de buis 53 onder invloed van het smeden van de afdichtzone 1U. Dit verschaft een metaal-op-metaalafdichting op deze plaats, die meewerkt met de elastomere afdichting gen H7 en 1*8 om het fluïdum tijdens de werking van het hydraulische systeem tegen te houden.
15 Na het smeden van de afdichtzones 13 en 1H worden de vasthoud- zones 11 en 12 van de fitting gesmeed. Elke vasthoudzone wordt in een bewerking gesmeed bij kleinere fittingen, terwijl bij grotere fittingen het nodig kan zijn het smeedgereedschap te plaatsen op twee of drie punten op elke vasthoudzone voor afzonderlijke bewerkingen. Bij de samenpersing van 20 de fitting aan de vasthoudzones worden de randen 3^ en 35 in de buitenvlakken van de buizen 52 en 53 geperst. De vasthoudzones 11 en 12 hebben een kleinere wanddikte dan de afdichtzones 13 en 1Π en worden bij het smeden over een grotere afstand naar binnen samengeperst. Een mechanische verbinding wordt verkregen, omdat de randen 3^ en 35 binnendringen in de 25 oppervlakken van de buizen en het materiaal van de buizen wordt geperst in de groeven 32 en 33, die de randen 3^ en 35 scheiden. De convergerende uitvoering van de randen 3^ en 35 naar hun toppen helpt deze binnen te dringen in de buitenvlakken van de buizen bij het smeden. De radiaal binnenwaarts gerichte randwanden (bijvoorbeeld de wand 36) vormen aanslag-30 oppervlakken die op doelmatige wijze weerstand bieden tegen krachten die trachten de buizen uit de fitting te trekken. De hellende naar buiten gekeerde wanden (bijvoorbeeld de wand 37) leiden tot een grotere dwarsdoorsnede van de randen aan hun basis, waardoor zij een goede afschuifsterkte hebben.
35 Wanneer de vasthoudzone in twee of meer bewerkingen wordt ge smeed, worden betere resultaten verkregen, als tussen de afzonderlijk gesmede zones een nauwe spleet overblijft die niet wordt gesmeed. Dit komt, omdat er een korter deel van de buis als balk bij elke smeedbewerking wordt verbogen, welke verbuiging het binnendringen van de rand in de buis HO tracht te verminderen.
80037 91 * «- - 7 -
De ontlastgroeven U1 en k2 scheiden veer de afdicht- en vast-houdzones hij het smeden van de vasthoudzones. De wand van de fitting buigt aan de ontlastgroeven, vanneer de vasthoudzones vorden gesmeed, zodat de afdichtzones ongestoord blijven.
5 Hoevel een sterke verbinding vordt gemaakt, is er veinig ver vorming van het binnenvlak van de buis. De verandering van de contour van de buis treedt grotendeels op langs zijn buitenvlak en niet langs zijn binnenvlak, vaar het fluïdum aangrijpt. Hierdoor vorden de drukval en het hydraulische lavaai verminderd, vanneer het fluïdum door het systeem vordt 10 gevoerd.
De buiteneinden van de fitting vorden door het smeden samengeperst, zodat de teflon of rubber deklagen 29 en 30 aan de ingangen van de fitting in aanraking komen met de oppervlakken van de buizen 52 en 53. Dit geschiedt met een lichte klemming die geen ongunstige invloed uitoefent op 15 de corrosieveerstand van de buizen.
Het resultaat is een uitvendige afdichting die een bescherming biedt tegen het binnentreden van fluïdums of andere materialen in de vasthoudzones , vaardoor de buizen en fitting tegen corrosie van buitenaf vorden beschermd. Dit verschaft ook een veerkrachtige demping die de levens-20 duur van de buizen -fitting bij buiging van de.buizen sterk verbetert.
Wanneer belangrijke torsiebelastingen vorden uitgeoefend op de buizen, verdient het de voorkeur aanvullende axiale sneden door de vasthoudzones te maken teneinde de randen in afzonderlijke tanden te scheiden.
Dit is afgeheeld in fig. 8, vaar zich in axiale richting uitstrekkende 25 groeven 62 zijn gesneden door de rand 35 over een lengte van de vasthoud-zone 12. Dientengevolge zal het materiaal van de buis binnentreden in de groeven 62 bij de smeedbeverking, vaardoor vordt verhinderd dat de buis 53 onder torsiebelasting zich losschroeft langs de schroeflijnvormige rand 35.
De ontlastgroef k2 vormt een uitloopzone voor de trekfrees die de groeven 30 62 vormt.
De fitting kan zijn uitgevoerd met slechts één eind dat bedoeld is voor smeden, tervijl het andere eind geschikt is gemaakt voor een ander soort fitting of inrichting.
De doelmatigheid van de afdichting vordt verbeterd in de uit-35 Voering van fig. 9* 10 en 11, die een enkele maar diepere afdichtgroef aan elk van de afdichtzones bevat. Tengevolge van de diepte van de groef vindt deze uitvoering normaal zijn belangrijkste toepassing bij grotere fittingen, vaarbij de vanddikte groter is.
Zoals het best te zien is in fig. 9» bevindt zich aan het Uo rechtse deel van de fitting 6^ een enkele invendige afdichtgroef 65» die O Λ Λ 7 7 01 - 8 - een stapvorm heeft. De groef 65 omvat dus een betrekkelijk diep deel 66 dat is begrensd door een binnenste omtreksvand 67 die is verbonden met tegenovergestelde radiale zijwanden 68 en 69. Ondiepere zijdelen 70 en 71 die aan elke zijde van het centrale deel 66 zijn geplaatst, voltooien 5 de groef 65. Een betrekkelijk scherpe hoek 72 met een ingesloten hoek van 90° is gevormd, waar de achterwaartse radiale zijwand 68 van het centrale groefdeel 66 de binnenste omtrekswand 73 van het achterwaartse ondiepere groefdeel 70 ontmoet. Evenzo ontmoet de binnenste omtrekswand ik van het voorwaartse betrekkelijk ondiepe groefdeel 71 de voorwaartse radiale zij-10 wand 69 van het centrale groefdeel 66 om een scherpe hoek 75 van 90° te vormen.
Buitenwaarts in de axiale richting vanaf het voorwaartse on-.......... — diepe groefdeel 71 bevindt zich een veld j6 dat de groef 65 scheidt van de ontlastgroef 77» die gelijk is aan de ontlastgroef Π2 in de eerderbe-15 schreven uitvoeringen. Een elastomere 0-ring 78 is geplaatst in het centrale groefdeel 66.
Aan de buitenzijde van de fitting 6k is het cilindrische oppervlak 79 dat zich uitstrekt van over de ontlastgroef 77 tot het centrale deel van de fitting, onderbroken door een rand 80 die radiaal buiten-20 waarts van de afdichtgroef 65 en het veld 76 is geplaatst. In het afgeheelde voorbeeld is de achterwaartse kant van het cilindrische deel van de rand 80 uit gelijnd met het eind van het achterwaartse ondiepe afdicht-groefdeel 70. Het voorwaartse eind van de rand 80 strekt zich juist voorbij het veld 76 uit.
25 De afgebeelde fitting 6U dient voor het verbinden van twee pijpen of buizen en heeft dus dezelfde vorm aan beide uiteinden. In het linkse deel van de fitting, zoals in fig. 9 is afgebeeld, bevindt zich dus een afdichtgroef 82 die gelijk is aan de afdichtgroef 65 en een elastomere 0-afdichtring 83 opneemt in zijn centrale deel 8U. In de stand van 30 fig. 9 is een pijp 85 gestoken in het linkse eind van de fitting 6k, waarbij de 0-ring 83 naar buiten is geperst in het centrale deel 8U van de groef 82. In deze toestand neemt de 0-ring 83 niet het gehele volume van het centrale groefdeel 8Π in.
Radiaal buitenwaarts van de groef 82 en het veld 86, dat voor-35 "bij de groef 82 ligt, bevindt zich een omtreksrand 87 om de smeedkracht te concentreren aan de afdichtzone.
De rand 88 aan het middelste deel van de fitting heeft een grotere buitendiameter dan de centrale rand 2h van de eerderbeschreven « uitvoering. Aan de einden van de rand 88 bevinden zich radiale wanden 89 HO en 90. De grotere rand 88 verschaft een grotere wanddikte en dus een 80037 91
0 V
- 9 - hogere sterkte aan het middelste deel van de fitting, terwijl de wanden 89 en 90 aanslagoppervlakken vormen voor het plaatsen van het smeedgereed-schap, zoals hierna beschreven wordt.
Het smeden van het rechtse deel van de fitting 6k is afgebeeld 5 in fig. 10 en 11. Na het insteken van de pijp 91 in het rechtse eind van de fitting 6k wordt het smeedgereedschap 5¼ om de fitting geplaatst, waarbij de matrijshelften 55 en 56 rondom de rand 80 liggen. De matrijshelft 55 is afgebeeld in fig. 10 en de andere matrijshelft 56 heeft dezelfde vorm. Het middelste deel 92 van de matrijshelft 55 heeft een breedte die 10 te vergelijken is met die van de rand 80 en is het matrijsdeel dat de binnenwaartse smeedkracht uitoefent, wanneer de matrijs wordt bediend. Een uitsparing is aan beide zijden van het middelste deel bij de oppervlakken 93 en 9^ aangebracht. De twee matrijzen vormen dus een grotere diameter aan de oppervlakken die aan het centrale deel 92 grenzen. Buitenwaarts 15 van de matrijsvlakken 93 en 9^ is een verdere uitsparing bij de matrijsvlakken 95 en 96 aangebracht. De laatste oppervlakken zijn door radiale wanden 97 en 98 verbonden met de oppervlakken 93 en 9^.
Wanneer het smeedgereedschap naar links over de fitting 6U wordt bewogen, zoals de onderdelen zijn afgebeeld in fig. 10, wordt het 20 linkse radiale matrijsvlak 97 in aanraking gebracht met het rechtse eind-vlak 90 van de rand 88, dat de axiale beweging van de matrijs begrenst.
De delen zijn zo uitgevoerd, dat het middelste matrijsdeel 92 dan direct over de rand 80 van de afdichtzone ligt. Het matrijsvlak 98 werkt als plaatsingsaanslag en komt in aanraking met het randeind 89, wanneer de 25 afdichtzone aan het linkse eind van de fitting moet worden gesmeed. Het is belangrijk, dat de smeedkracht op de juiste wijze wordt uitgeoefend door de rand 80 op de afdichtzone en de plaatsing van het smeedgereedschap met behulp van de centrale rand vergemakkelijkt het bereiken van de juiste plaats van het gereedschap om dit uit te voeren.
30 Nadat het gereedschap is geplaatst om de rand 80, worden de matrijshelften 55 en 56 naar elkaar toe bewogen om de smeedbewerking uit te voeren. Hierdoor wordt het materiaal van de fitting binnenwaarts naar de met volle lijnen aangegeven stand van fig. 10 en 11 geperst. Wanneer het smeden begint, wordt het binnenste omtreksvlak 99 van het veld 76 35 tegen het buitenvlak van de pijp 91 geperst en begint dit een ringvormige insnijding te vormen. Wanneer het smeden voortgaat, worden de omtrekswan-den van de groef 65 binnenwaarts naar de pijp 91 geperst. Hierdoor wordt de afdichtgroef 65 vervormd, zodat het centrale deel 66 in het algemeen trapeziumvormig wordt, De bases van de zijwanden 68 en 69 worden dus uit kO elkaar gedrukt, zodat deze wanden convergerend worden in de radiaal bui- 8003791 - 10 - tenwaartse richting. Wanneer deze beweging van de zijwanden 68 en 69 van het centrale groefdeel plaatsvindt, worden de cilindrische oppervlakken 73 en fh van de binnenste en buitenste ondiepe groefdelen 70 en 71 omlaag naast het centrale groefdeel 66 geperst. Hierdoor drukken de hoeken 72 en 5 75 tegen het buitenvlak van de pijp 91· Dientengevolge snijden deze hoeken in het oppervlak van de pijp geheel rondom zijn omtrek.
Wanneer de smeedbewerking aan de afdichtzone voltooid is, is de rand 80 onder het niveau van het buitenste cilindrische oppervlak 79 gedrukt. De uitsparing aan het matrijsvlak 93 verzekert, dat geen aanra-10 king van het fittingoppervlak 79 tussen de randen 80 en 88 plaatsvindt. Evenzo ligt het matrijsvlak 95 vrij van het buitenvlak van de centrale rand 88, zodat geen smeedbewerking van de-centrale rand'plaatsvindt*
Wanneer de afdichtgroefzone wordt vervormd zoals in fig. 10 en 11 is afgebeeld, wordt de 0-ring 78 dicht tegen het buitenvlak van de 15 pijp 91 geperst om een doelmatige afdichting te vormen. De 0-ring 78 is zo gekozen, dat deze een dwarsdoorsnedeoppervlak heeft dat gelijk is aan het dwarsdoorsnedeoppervlak van het centrale groefdeel 66, wanneer de smeedbewerking is voltooid. Dit verzekert, dat de 0-ring 78 dicht aandrukt tegen het oppervlak van de pijp, maar deze tevens niet uit het centrale 20 groefdeel 66 wordt geperst. Hierdoor kunnen de hoeken 72 en 75 bijten in het oppervlak van de pijp 92 zonder hinder van de 0-ring.
Naast de door de 0-ring 78 verkregen afdichting worden metaal-op-metaalafdichtingen verkregen door de aanraking van de fitting en de pijp. Een afdichting vindt plaats aan het veld 76, vaar zijn binnenste 25 cilindrische oppervlak 99 snijdt in de buitenomtrek van de pijp 91. Een tweede metaal-op-metaalafdichting wordt gevormd, waar de hoek 75 tussen de centrale afdichtgroefzijwand 69 en de voorwaartse ondiepe afdichtgroef-wand 7l* bijten in het oppervlak van de pijp rondom zijn omtrek. Op soortgelijke wijze snijdt de hoek 72 aan het achterwaartse eind van de centrale 30 afdichtgroef 66'in het buitenvlak van de pijp 91 om een derde metaal-op-metaalafdichting te vormen.
Wanneer de strekgrens van de fitting kleiner is dan die van de in de fitting opgenomen pijp, zijn de metaal-op-metaalafdichtingen voldoende voor hydraulische systemen, tenminste bij sommige toepassingen, en 35 kan de elastomere afdichting worden weggelaten. Als de strekgrens van de pijp gelijk is aan of kleiner dan die van de fitting, kan de elastomere afdichting nodig zijn tengevolge van de terugvering van de fitting na het smeden. Het verdient de voorkeur de elastomere afdichting toe te passen in alle gevallen waarin gassen worden doorgeleid in het systeem.
1*0 8003791

Claims (26)

1. Fluïdumfitting, gekenmerkt door een metalen huls met een eerste deel aan een eind daarvan en een tweede deel hinnenvaarts van het eind daarvan, waarbij het eerste deel aan de binnenomtrek ervan een rand heeft die kan binnendringen in de omtrek van een daarin gestoken 5 buis om deze vast te houden, waarbij het tweede deel een afdichting heeft die bestaat uit tenminste één groef in de binnenwand van het tweede deel, waarbij het tweede deel een eerste buitendiameter heeft, waardoor het tweede deel een grotere wanddikte dan het eerste deel heeft, en radiaal buitenwaarts van de groef een tweede buitendiameter heeft die groter is 10 dan de eerste buitendiameter en waarop een smeedgereedschap kan aangrijpen om het tweede deel aan de groef samen te persen en een afdichting op een daarin opgenomen metalen buis te bewerkstelligen.
2. Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat een afdichtorgaan in de groef is opgenomen.
3. Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de binnenwand aan de'groef betrekkelijk scherpe hoeken heeft die binnendringen in het buitenvlak van de buis en een metaal-*öp-metaalafdichting daarmede bewerkstelligen bij samenpersing van het tweede deel. U. Fitting volgens conclusie 1, mét het kenmerk, dat 20 de rand is voorzien van een binnenwaarts van het ene eind van de fitting gekeerde wand die in een althans nagenoeg radiaal vlak ligt, alsmede van een naar het eind van de fitting toegekeerde wand die ten opzichte van de as van de fitting helt.
5. Fitting volgens conclusie U, met het kenmerk, dat 25 de helling van de wand ligt tussen 30° en βθ° ten opzichte van de langsas van de fitting.
6. Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de rand is gevormd door een inwendige ringvormige rand die is onderbroken om een aantal afzonderlijke segmenten te verkrijgen die doordringen in de 30 omtrek van de buis. T · Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de huls is voorzien van een ringvormige inwendige groef tussen de eerstgenoemde groef en de rand.
8. Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat 35 de huls is voorzien van een tussen het eerste en tweede deel liggend derde deel, dat een grotere wanddikte dan het eerste deel en een kleinere wanddikte dan het tweede deel heeft en is voorzien van een ringvormige groef in het binnenvlak ervan. tn 8003791 - 12 -
9. Fitting volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de groef in het derde deel breder is dan de groef in het tweede deel.
10. Fitting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het eerste deel is voorzien van een verbrede ingang aan het ene eind van 5 de fitting, waarbij de rand zich binnenwaarts van de ingang bevindt, en waarbij een afdichtingsmateriaal rondom het oppervlak van de ingang is aangebracht om aan te grijpen op het oppervlak van een met de fitting verbonden buis.
11. Fluxdumfitting, gekenmerkt door een huls die aan . . .ene. 10 zxjn-»eind een eerste deel en binnenwaarts van dit eind een tweede deel heeft, waarbij het eerste deel op de binnenomtrek ervan een-rand heeft die kan binnendringen in de omtrek van een daarin--ges.t_oken_hiiis. QiB de.ze. . vast te houden, waarbij de binnenomtrek van het tweede deel is voorzien van een omtreksgroef die een betrekkelijk diep deel en een betrekkelijk 15 ondiep deel heeft, zodat de rand van de groef een hoek vormt aan het snijpunt van het betrekkelijk diepe en ondiepe deel, waardoor bij uitoefening van een uitwendige radiale kracht de hoek tegen de omtrek van een in de huls opgenomen buis wordt geperst om daarmede een afdichting te vormen.
12. Fitting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat 20 aan elk van de beide zijden van het betrekkelijk diepe deel een betrekkelijk ondiep deel is aangebracht, waarbij de wand van de groef een hoek op het snijpunt van elk ondiep deel met het diepe-deel vormt, waarbij de beide hoeken tegen de omtrek van een in de huls opgenomen buis worden geperst bij de uitoefening van een uitwendige kracht.
13. Fitting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat het diepe deel een omtrekswand en twee tegenovergestelde radiale wanden heeft, waarbij elk ondiep deel een radiale wand en een met één van de radiale wanden van het diepe deel verbonden omtrekswand heeft, waardoor êén van de hoeken wordt gevormd. 30 1U. Fluidumf itting, gekenmerkt door een huls die aan een eind een eerste deel en binnenwaarts van dit eind een tweede deel heeft, waarbij het eerste deel op de binnenomtrek ervan een rand heeft die kan doordringen in de omtrek van een daarin gestoken buis om deze vast te houden, waarbij de binnenomtrëk van het tweede deel is voorzien van een ring-35 vormig veld en een daaraan grenzende ringvormige groef die een betrekkelijk diep centraal deel en een betrekkelijk ondiep deel aan elk van de beide zijden van het diepe deel heeft, zodat de groefwand tussen het diepe deel en de ondiepe delen hoeken vormt, waardoor bij uitoefening van een uitwendige binnenwaartse radiale kracht het veld en de hoeken tegen Ho de omtrek van een in de huls opgenomen buis worden geperst om daarmede 8003791 - 13 - een afdichting te vormen.
15. Fitting volgens conclusie 1U, met het kenmerk, dat alleen in het diepe deel van de groef een afdichtingsorgaan is opgenomen.
16. Fitting volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat 5 dit afdichtingsorgaan een elastomere 0-ring is.
17. Fitting volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat het afdichtingsorgaan een kleiner volume inneemt dan dat van het diepe deel voorafgaand aan de uitoefening van de uitwendige kracht, terwijl het volume ervan althans nagenoeg gelijk is aan dat van het diepe deel na de 10 uitoefening van de uitwendige kracht.
18. Fitting volgens conclusie 1U, met het kenmerk, dat de huls een ringvormige rand rondom de buitenzijde van het tweede deel heeft, waarop een gereedschap kan aangrijpen om een radiale kracht uit te oefenen, welke rand radiaal buitenwaarts van het veld en de groef ligt om 15 deze kracht aan het veld en de groef te concentreren.
19· Fitting volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat het veld axiaal buitenwaarts van de groef is geplaatst.
20. Fitting volgens conclusie 19, met het kenmerk, dat de huls axiaal binnenwaarts van het tweede deel een derde deel heeft met 20 een grotere wanddikté dan het tweede deel en een grotere uitwendige breedte dan de ringvormige rand.
21. Fluïdumfitting voor het verbinden van twee buizen, gekenmerkt door een huls met . tegenovergestelde einden, die einddelen van de te verbinden buizen kunnen opnemen, welke huls aangrenzend aan elk 25 van zijn einden is voorzien van een vasthouddeel met een rand op het binnenvlak ervan en met een constante buitendiameter, waarbij binnenwaarts van elk vasthouddeel een afdichtdeel is aangebracht met een afdichting aan het binnenvlak ervan en met een uitwendige ringvormige rand radiaal buitenwaarts van de afdichting, welke rand een grotere buitendiameter heeft dan 30 het vasthouddeel, waarbij tussen de afdichtdelen zich een centraal deel bevindt dat op het buitenvlak ervan is voorzien van een ringvormige rand die op een afstand ligt van en geplaatst is tussen de ringvormige randen van de afdichtzones, waarbij de huls tussen elke vasthoudzone en het aangrenzende afdichtdeel is voorzien van een groef.
22. Fitting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de groef van elk vasthouddeel is gevormd door een schroef lijnvormige groef met onderbrekingen erin die afzonderlijke segmenten vormen die binnendringen in een buis om weerstand te beiden aan torsiebelastingen.
23. Fitting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat U0 de rand van elk vasthouddeel is gevormd door een aantal ringvormige ran- ö λ η τ 7 01 - 1fc - den. 2k. Fitting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de ringvormige randen cilindrische buitenvlakken hebben.
25. Fitting volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat 5 de huls in elk buiteneind een tegenboring heeft die een ingang naar de rand vormt en is voorzien van een afdichtmateriaal langs de omtreksrand van elke tegenboring.
26. Fluïdumfitting voor het verbinden van twee buizen, gekenmerkt door een metalen huls met tegenovergestelde einden en daartus- - 10 sen liggend centraal deel, waarbij de huls is voorzien van twee op . afstand van elkaar liggende bevestigingsdelen voor het bevestigen van in de huls opgenomen buizen, waarbij een van de bevestigingsdelen-grenst-aan-een — -van de einden en het andere bevestigingsdeel grenst aan het andere einde, waarbij elk van de bevestigingsdelen is voorzien van een inwendige rand 15 die binnendringt in de buitenzijde van een in de huls opgenomen buis bij een binnenwaartse smeedbewerking van het bevestigingsdeel, en is voorzien van een eerste cilindrische buitenvlak met een eerste diameter, waarbij de huls is voorzien van twee op afstand van elkaar liggende afdichtdelen . . . .. de. die afdichten tegen de buitenzijden van*m de huls opgenomen buizen, waar- 20 bij een van de afdichtdelen grenst aan en binnenwaarts ligt van een van de bevestigingsdelen en het andere afdichtingsdeel grenst aan en binnenwaarts ligt van het andere bevestigingsdeel, waarbij de huls is voorzien van tenminste één inwendige ringvormige groef aan elk van de afdichtdelen, waarbij elk van de afdichtdelen is voorzien van een ringvormige uitwendige 25 rand radiaal buitenwaarts van de groef, welke rand een grotere diameter heeft dan het tweede buitenvlak teneinde een uitwendig uitgeoefende smeed-kracht te concentreren aan de groef, waarbij de huls een tweede cilin- . drische buitenvlak heeft met een grotere diameter dan de eerste diameter tussen de bevestigingsdelen, waarbij de huls is voorzien van een aanvul-30 lende uitwendige ringvormige rand tussen de ringvormige randen van de afdichtdelen en op een afstand daarvan, welke rand een grotere diameter heeft dan het tweede buitenvlak en een grotere wanddikte verschaft aan het centrale deel van de huls, waarbij de huls is voorzien van een aanvullende inwendige ringgroef tussen elk afdichtdeel en het aangrenzende 35 bevestigingsdeel teneinde een scheiding tussen de afdichtdelen en de bevestigingsdelen te verschaffen.
27. Fitting volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat de aanvullende ringgroeven breder zijn dan de inwendige groeven van het afdichtdeel. 1*0 28. Fitting volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat 8003791 - 15 - de huls in elk van de einden is voorzien van een tegeriboring, waarin een afdichtmateriaal is aangebracht om af te dichten tegen de buitenzijde van de in de huls opgenomen buizen.
29. Fitting volgens conclusie 26, met het kenmerk, dat 5 elke rand is voorzien van eèn naar het centrale deel van de huls gekeerde eerste wand en een naar het aangrenzende eind gekeerde tweede wand, waarbij de eerste wand althans nagenoeg verticaal op de langsas van de huls staat, terwijl de tweede wand ten opzichte van de as helt, zodat de rand een brede basis en een smallere top heeft.
30. Fitting volgens conclusie 2 6, met het kenmerk, dat de wand van de inwendige ringvormige groef aan elk afdichtdeel een centraal betrekkelijk diep deel en een betrekkelijk ondiep deel aan elk van beide zijden van het centrale deel vormt, waarbij de wand een hoek vormt aan de doorsnijding van de ondiepe delen en het centrale deel, waarbij 15 elk van de aanvullende inwendige ringvormige groeven grenst aan de inwendige ringvormige groef van een van de afdichtdelen zodat daartussen een veld is gevormd, waarbij de ringvormige uitwendige rand van elk afdichtdeel radiaal buitenwaarts van een van de velden ligt.
31. Fitting volgens conclusie 30·, met het kenmerk, dat 20 alleen in het centrale deel van elk van de inwendige ringvormige groeven van de afdichtdelen een afdichtingsorgaan is opgenomen. «003791
NLAANVRAGE8003791,A 1979-09-12 1980-07-01 Fluidumfitting. NL188304C (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
US06/074,874 US4328982A (en) 1978-10-27 1979-09-12 Fluid fitting
US7487479 1979-09-12

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL8003791A true NL8003791A (nl) 1981-03-16
NL188304B NL188304B (nl) 1991-12-16
NL188304C NL188304C (nl) 1992-05-18

Family

ID=22122183

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NLAANVRAGE8003791,A NL188304C (nl) 1979-09-12 1980-07-01 Fluidumfitting.

Country Status (19)

Country Link
US (1) US4328982A (nl)
JP (1) JPS5642784A (nl)
KR (1) KR840001158B1 (nl)
AR (1) AR224535A1 (nl)
AU (1) AU535354B2 (nl)
BE (1) BE884150A (nl)
BR (1) BR8005312A (nl)
CA (1) CA1127683A (nl)
DE (1) DE3009436A1 (nl)
ES (1) ES250441Y (nl)
FR (1) FR2465149B2 (nl)
GB (1) GB2058982B (nl)
HK (1) HK34384A (nl)
IN (1) IN154416B (nl)
IT (1) IT1127485B (nl)
NL (1) NL188304C (nl)
NO (1) NO154896C (nl)
SE (1) SE450654B (nl)
SG (1) SG79883G (nl)

Families Citing this family (31)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
SE428596B (sv) * 1975-04-09 1983-07-11 Raychem Corp Anordning for hopkoppling av substrat exv ror omfattande ett organ av minnesmetall
SE434564B (sv) * 1975-04-09 1984-07-30 Raychem Corp Anordning for hopkoppling av ror eller andra substrat omfattande ett organ av minnesmetall
US4488346A (en) * 1981-06-22 1984-12-18 Akzona Incorporated Apparatus for joining pipe
US4603885A (en) * 1981-06-22 1986-08-05 Akzona Incorporated Apparatus and structure for joining pipe
JPS5857584A (ja) * 1981-10-01 1983-04-05 大和鋼管工業株式会社 管継手
US4456784A (en) * 1982-03-26 1984-06-26 Eaton Corporation Conduit sealing connector
IE53290B1 (en) * 1982-09-08 1988-09-28 Leary Michael O Spigot and socket connections
US4626001A (en) * 1984-04-16 1986-12-02 The Deutsch Company Metal Components Division Fluid fitting with high temperature capabilities
US4998831A (en) * 1987-07-15 1991-03-12 Proni Creations Inc. Force concentrating unitary fitting
US5654527A (en) * 1994-07-19 1997-08-05 The Deutsch Company Method and apparatus for connecting electric bus
US5709417A (en) * 1994-07-20 1998-01-20 Verbeck; Ronald J. Interference pipe coupling
US6976712B2 (en) * 2002-04-17 2005-12-20 Micromold Products Inc. Corrosion-resistant coupling means and methods for using same
US7125053B2 (en) * 2002-06-10 2006-10-24 Weatherford/ Lamb, Inc. Pre-expanded connector for expandable downhole tubulars
KR20040018813A (ko) * 2002-08-27 2004-03-04 이종철 분말형 비료 주입장치
US7954861B2 (en) * 2007-02-23 2011-06-07 The Gates Corporation Crimped/swaged-on tubing terminations and methods
US8925978B2 (en) * 2008-07-31 2015-01-06 Mueller Industries, Inc. Coupling and joint for fixedly and sealingly securing components to one another
DE102009015186A1 (de) * 2009-03-31 2010-10-14 Viega Gmbh & Co. Kg Fitting zum Anschluss eines Rohres
US8820797B2 (en) 2010-07-06 2014-09-02 Caterpillar Inc. Non-rotating mechanical joint for a hose coupling
EP2600049A1 (en) 2011-11-29 2013-06-05 Eaton Germany GmbH Crimp connection arrangement for pressurised pipes
EP2600048A1 (en) 2011-11-29 2013-06-05 Eaton Germany GmbH Crimp connection arrangement for pressurised pipes
CA2897916A1 (en) * 2013-01-11 2014-07-17 Cerro Flow Products Llc Fitting for joining tubes and method of joining tubes
DE102013108201A1 (de) 2013-07-31 2015-02-05 Viega Gmbh & Co. Kg Pressfitting für Gewindeanschluss
GB201413734D0 (en) * 2014-08-03 2014-09-17 Meta Downhole Ltd Pipe coupling make up assembly
US10240698B2 (en) 2016-02-17 2019-03-26 Nibco Inc. Crimp connection with one or more crimping elements
USD994091S1 (en) 2016-08-05 2023-08-01 Rls Llc Crimp fitting for joining tubing
USD1009227S1 (en) 2016-08-05 2023-12-26 Rls Llc Crimp fitting for joining tubing
US10823316B2 (en) 2017-04-28 2020-11-03 Nibco Inc. Piping connections and connection sockets
US10895338B2 (en) 2017-04-28 2021-01-19 Nibco Inc. Enhanced end design for tubular press connections
US10865914B2 (en) 2017-04-28 2020-12-15 Nibco Inc. High temperature leak prevention for piping components and connections
US11660655B2 (en) * 2018-10-10 2023-05-30 Contitech Usa, Inc. Hydraulic crimp pressure feedback methods
US12098784B2 (en) * 2019-03-26 2024-09-24 Nibco Inc. Piping component having a plurality of grooves

Family Cites Families (25)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US166735A (en) * 1875-08-17 Improvement in connecting steam, gas, or water pipes
US1186813A (en) * 1913-09-12 1916-06-13 John W Mcferran Pipe-coupling.
US1901088A (en) * 1930-10-06 1933-03-14 Wagner Electric Corp Method of making hose connections
US2008227A (en) * 1933-08-12 1935-07-16 Reilly Frank Ward Attachement for wire strands
US2001204A (en) * 1934-03-03 1935-05-14 James A Long Pipe joint and method of making the same
US2335414A (en) * 1941-02-24 1943-11-30 Tri Clover Machine Company Art of couplings
US2693377A (en) * 1953-01-23 1954-11-02 Paul D Wurzburger Biting ring pipe coupling with helical cutting edge
US2926029A (en) * 1955-04-14 1960-02-23 Weatherhead Co Hose coupling having upset locking means
US2854744A (en) * 1956-02-17 1958-10-07 Sydney R Crockett Method of locking and sealing tubular structures
US3149861A (en) * 1958-10-01 1964-09-22 Larsson Gunnar Tube coupling
US3466068A (en) * 1965-05-26 1969-09-09 Inventex Gmbh Sealing ring with circular cutting edges for pipe connection
US3474519A (en) * 1966-11-08 1969-10-28 Boeing Co Method of making a tube fitting
US3477750A (en) * 1967-10-30 1969-11-11 Jonathan S Powell Pipe coupling and means and method of assembly
USRE28457E (en) 1968-06-24 1975-07-01 Coupling fitting for connecting two pipes
US3596939A (en) * 1968-08-15 1971-08-03 Glenn J Gibson Tube joint having sealing and crimping means
US3498648A (en) * 1968-08-22 1970-03-03 Boeing Co High temperature and pressure tube fitting
US3579794A (en) * 1969-10-03 1971-05-25 Jonathan S Powell Means for securing couplings to pipe
US3652111A (en) * 1969-12-10 1972-03-28 Robert K Dent Method of swage joining a metallic tube to an insert and the product thereof
US3675949A (en) * 1970-05-18 1972-07-11 Mc Donnell Douglas Corp Coupling fitting for connecting two pipes
US3711132A (en) * 1970-06-17 1973-01-16 Resistoflex Corp Metal tube end fitting
NL7013178A (nl) * 1970-09-07 1972-03-09
US3893718A (en) * 1973-11-23 1975-07-08 Jonathan S Powell Constricted collar insulated pipe coupling
JPS5647437B2 (nl) * 1974-08-26 1981-11-10
US4018462A (en) * 1975-10-31 1977-04-19 Hitachi Metals, Ltd. Pipe fitting
JPS5560784A (en) * 1978-10-27 1980-05-08 Co Metaru Components Deibijiyo Fluid joint

Also Published As

Publication number Publication date
DE3009436C2 (nl) 1991-01-31
AR224535A1 (es) 1981-12-15
NO154896C (no) 1987-01-07
HK34384A (en) 1984-04-27
JPS6131350B2 (nl) 1986-07-19
BR8005312A (pt) 1981-03-17
US4328982A (en) 1982-05-11
CA1127683A (en) 1982-07-13
IN154416B (nl) 1984-10-27
JPS5642784A (en) 1981-04-21
KR830003036A (ko) 1983-05-31
ES250441U (es) 1980-07-16
NL188304B (nl) 1991-12-16
SE450654B (sv) 1987-07-13
DE3009436A1 (de) 1981-04-02
IT1127485B (it) 1986-05-21
ES250441Y (es) 1981-01-16
GB2058982A (en) 1981-04-15
NL188304C (nl) 1992-05-18
IT8048845A0 (it) 1980-05-30
KR840001158B1 (ko) 1984-08-11
FR2465149A2 (fr) 1981-03-20
FR2465149B2 (fr) 1986-03-07
AU535354B2 (en) 1984-03-15
NO154896B (no) 1986-09-29
SG79883G (en) 1985-01-11
NO800636L (no) 1981-03-13
GB2058982B (en) 1983-05-18
SE8005559L (sv) 1981-03-13
AU6212580A (en) 1981-03-19
BE884150A (nl) 1980-11-03

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8003791A (nl) Fluidumfitting.
US3889989A (en) Pipe couplings
EP0521064B1 (en) Pipe fitting with improved coupling body
US4466640A (en) Pullout resistant pipe coupling
RU2269055C2 (ru) Фитинг с внутренним обжатием
JP2016524100A (ja) 弓状剛性肋材を有する連結器
US5121625A (en) Tool for forming a crimped sleeve to tube joint
EP0480478A1 (en) Tube coupling
US6419278B1 (en) Automotive hose coupling
DE69312194T2 (de) Rohrverbindung, auch in Kombination mit einem Lösewerkzeug
US3712648A (en) Self-anchorable pipe joint
US10663095B2 (en) Restrained gasket for plastic pipes
EP4191112B1 (en) Pipe element having wedging groove
US2474178A (en) Pipe coupling
US20100059996A1 (en) Tube compression fitting and flared fitting used with connection body and method of making same
GB2275090A (en) Pipe coupling
US6108895A (en) Method of axially swaging a male end fitting assembly
CA3049899C (en) Pipe coupling with grooved coupling and grip ring
JPH0238757A (ja) シリンダ装置
US3512812A (en) Sealing ring with different shaped cutting edges for pipe connections
EP0667477B1 (en) Pipe coupling
GB1591743A (en) Pipe couplings
WO1991014894A1 (en) Swagable fitting
US3744122A (en) Method of forming staked seal for tubular parts
EP3312489A2 (en) Pipe coupling

Legal Events

Date Code Title Description
A85 Still pending on 85-01-01
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 19970201