[go: up one dir, main page]

NL8000118A - Inrichting voor het fabriceren en lassen van een met een kern versterkt paneel. - Google Patents

Inrichting voor het fabriceren en lassen van een met een kern versterkt paneel. Download PDF

Info

Publication number
NL8000118A
NL8000118A NL8000118A NL8000118A NL8000118A NL 8000118 A NL8000118 A NL 8000118A NL 8000118 A NL8000118 A NL 8000118A NL 8000118 A NL8000118 A NL 8000118A NL 8000118 A NL8000118 A NL 8000118A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
welding
cover plates
fingers
electrodes
core
Prior art date
Application number
NL8000118A
Other languages
English (en)
Other versions
NL191115C (nl
NL191115B (nl
Original Assignee
Hi I Ltd
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Hi I Ltd filed Critical Hi I Ltd
Publication of NL8000118A publication Critical patent/NL8000118A/nl
Publication of NL191115B publication Critical patent/NL191115B/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL191115C publication Critical patent/NL191115C/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B23MACHINE TOOLS; METAL-WORKING NOT OTHERWISE PROVIDED FOR
    • B23KSOLDERING OR UNSOLDERING; WELDING; CLADDING OR PLATING BY SOLDERING OR WELDING; CUTTING BY APPLYING HEAT LOCALLY, e.g. FLAME CUTTING; WORKING BY LASER BEAM
    • B23K11/00Resistance welding; Severing by resistance heating
    • B23K11/002Resistance welding; Severing by resistance heating specially adapted for particular articles or work
    • B23K11/0093Welding of honeycomb sandwich structures

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Resistance Welding (AREA)
  • Automatic Assembly (AREA)

Description

1 *' Λ ’ 21086/CV/
HR
Aanvrager: HI-I Limited, Tustin,
Calif ornie , Verenigde Staten van Amerika.
Korte aanduiding: "Inrichting voor het fabriceren en lassen van een met een kern versterkt paneel"
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het fabriceren en lassen van een met een kern versterkt paneel.
In het verleden zijn vele pogingen gedaan 5 een machine of inrichting te verkrijgen, die in staat is tot het succesvol lassen van de dekplaten van een van een metalen kern voorzien paneel aan de kern.
Vele machines en werkwijzen zijn in de techniek geopenbaard, maar de commercieel meest succesvolle TO machines en inrichtingen bekend aan aanvraagster zijn beschreven in de Amerikaanse octrooien 3.689*730» 3*598.953» 3.077.532, 3.015.715 ©n 2.930.882. De verschillende uitvoeringsvormen van de machines en inrichtingen, die zijn beschreven in bovengenoemde octrooien zijn allen min of meer 15 gebaseerd op het concept, dat het lassen van bevestigings-delen van kernstrippen aan de binnenvlakken van samenwerkende dekplaten voor het fabriceren van een metalen paneel wordt bewerkstelligd door gebruikmaking van uitwendig opgestelde beweegbare lasrollen of wielen, welke samenwerken met 20 stijve uitstekende lasstaven of elektroden, die inwendig van de kernstrippen en dekplaten zijn opgesteld.
Zoals hierboven vermeld is aanzienlijk commercieel succes verkregen door gebruikmaking van de Campbell inrichting en machines bij het vervaardigen van 25 uit roestvrij staal en titaan vervaardigde met kernen versterkte metalen panelen. De toepassing van de verhoudingsgewijze massieve laswielen en rollen in samenhang met de stijve uitstekende laselektroden brengt echter met zich mee, de stroming van lasspanning door de verhoudingsgewij=3 30 dikke dekplaten in de verhoudingsgewijs , dunne bevestigings-delen van de kernstrippen voor het tot stand brengen van een baan voor de lasstroom met de desbetreffende uitsteek- 80 0 0 1 18
- 2 - 21086/CV
seis van de uitstekende laselektroden. Bij toepassing van dergelijke technieken en samenhangend met het gebruikmaken van de bekende machines en apparatuur is de noodzaak voor hoge drukken in de orde van grootte van 20.000 - 30.000 psi en 5 stromen met hoge spanning in de orde van grootte van 2.000-6.000 Ampère piek.
De laswielen van de bekende inrichtingen maken kontakt met de buitenoppervlakken van de dekplaten en verdelen opeenvolgend de elektrische impulsen aan de dek-10 platen tijdens de verplaatsing van de wielen over de breedte van het paneel, maar al de uitsteeksels over de laselektroden zijn in elektrisch kontakt met de bevestigingsdelen van de kern en de binnenoppervlakken van de dekplaten net els resultaat, dat grote hoeveelheden lasstroom worden cmg;e-15 voerd door de zones, die niet worden gelast, terwijl grote drukken worden vereist in de zone waarin het lassen plaats vindt teneinde de laszone te begrenzen.
Met een kern versterkte panelen uit roestvrij staal en titaan, die op de uit bovengenoemde octrooien 20 bekende machines zijn vervaardigd zijn algemeen en met succes toegepast in de vliegtuigindustrie voor die gevallen waar hoge temperaturen en sonische vermoeidheid worden ondervonden, zoals de dm^krachtomkeerdeuren voor straalmotoren.
De bekende panelen worden echter gekenmerkt door de aanwe-25 zigheid van las”klompjes” van een overmatige afmeting tengevolge van de hoge drukken en de verhoudingsgewijs hoge amperages, die moeten worden gebruikt om de lasspanning te voeren door de verhoudingsgewijs dikke dekplaten en door de verhoudingsgewijs i dunne bevestigingsdelen van de kern-30 strippen voor het vormen van een laszone met de uitsteeksels van de stijve uitstekende lasstaaf welke werkt tegen de druk van het massieve laswiel, terwijl andere uitsteeksels weglekken van lasstroom bewerkstelligen.
Het is kenmerkend voor de bekende panelen, 35 dat een in het oog vallende en waarneembare lasbaan kan worden onderscheiden over de uitwendige oppervlakken van de dekplaat waarbij dit laspatroon is toe te schrijven aan 800 0 1 18
_ 3 - 21086/CV
* <r de overmatige afmetingen van de lasklompjes, die worden gevormd door de bovengenoemde drukken en amperages, die optreden bij gebruikmaking van de bekende apparatuur.
Uit een fysische en constructieve analyse 5 van de bekende panelen is gebleken, dat er in het geheel geen noodzaak is om hoge drukken en hoge amperage toe te passen voor het veilig vastzetten van de bevestigingsdelen van de kernstrippen in een gelaste en werkzame verhouding ten opzichte van de binnenvlakken van de dekplaten. Boven-10 dien stelt de bekende apparatuur een grens aan de dikte van de te gebruiken dekplaten.
In feite hebben fysische experimenten aangetoond, dat een serie van verhoudingsgewijs kleine lasverbindingen in staat is om de permanente bevestiging 15 van de bevestigingsdelen van de kernstrippen in werkzame ingrijping met de binnenoppervlakken van de daarmee samenwerkende dekplaten te verkrijgen.
Verrassenderwijs is verder gebleken, dat indien de afmeting van de lasklompjes wordt verminderd, 20 het mogelijk is niet slechts een groter getal lasverbindingen in serie te verkrijgen, maar konstruktieve kenmerken in het paneel te verkrijgen, die niet te bereiken zijn door gebruikmaking van de bekende lasmachines, die onderhevig zijn aan de daarbij nodige eisen met betrekking tot druk 25 en amperage, zoals hierboven beschreven.
Uiteraard kunnen de bekende machines niét worden gebruikt voor het vervaardigen van panelen door de opwekking van de beperkte lasstroomimpulsen en drukken, die noodzakelijk zijn om de afmeting van de 30 ’’klompjes” of lasverbindingen te verminderen. Er is dan ook een inrichting ontwikkeld voor het vervaardigen van dergelijke lasverbindingen, zoals hieronder nader zal worden uiteengezet.
Een oogmerk van de uitvinding is het 35 verkrijgen van een inrichting voor een paneel van boven beschreven type, welke wordt gekenmerkt door het feit, dat de inrichting in staat is tot het vormen van een serie 800 0 1 18
- k - 21086/CV
* inwendig opgewekte, verhoudingsgewijs> kleine lasverbindin-gen welke de bevestigingsdelen van de kernstrippen in werkzame ingrijping met de binnenvlakken van de daarmee samenwerkende dekplaten zullen vastzetten.
5 Een oogmerk van de uitvinding is het voorzien in een inrichting welke gebruik maakt van inwendig opgewekte en elektrisch geïsoleerde lasverbindingen voor het bevestigen van de bevestigingsdelen van de kernstrippen in werkzame ingrijping met de binnenoppervlakken van de 10 samenwerkende dekplaten indien de dekplaten zeer dik zijn in verhouding met de maximale dikte, welke kon worden verwerkt met bekende apparatuur. De bij de uitvinding bruikbare dikte van een dekplaat wordt slechts beperkt door het verwerken van het materiaal van de dekplaat en niet 15 door het lasproces.
Bij de bekende stand van de techniek is de dikte van de dekplaten bijvoorbeeld beperkt tot ongeveer 0,040 inch voor roestvrij staallegeringen, terwijl bij toepassing van de uitvinding bevestigingsorganen van 20 de kern kunnen worden bevestigd aan dekplaten, die een dikte hebben tot aan 0,l60 inch.
Een ander oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemd type, waarin een eerste laskop is aangebracht, welke in staat is 25 om een aantal lasimpulsen op te wekken en inwendig op te drukken op de naburige bevestigingsdelen van een desbetreffende kernstrip teneinde de kernstrip inwendig van de daarmee samenhangende dekplaten te lassen. Dientengevolge wordt de laspotentiaal, in tegenstelling met de door bekende 30 apparatuur opgewekte en opgedrukte laspotentiaal inwendig van het te vervaardigen paneel scherp gesteld en hoeft slechts van een zodanige grootte te zijn, dat deze voldoende is voor het/geschikte wijze doordringen van het verhoudingsgewijze dunne bevestigingsgedeelte van de kernstrip en van 35 een voldoende dikte van de naburige gebieden van de dekplaat omdat iedere lasverbinding tot stand wordt gebracht in een elektrisch geïsoleerde wijze en er geen overmaat aan 800 0 1 18 - 5 - 21086/cv + .f stroom of druk wordt vereist.
Dientengevolge kan de grote hoeveelheid van lasverbindingen op maat worden uitgevoerd in afhankelijkheid van de konstruktieve eisen van de panelen en 5 kunnen talrijke kleine lasverbindingen opgenomen binnen een serie lasverbindingen worden aangebracht ter vervanging van de nodeloze grote lasverbindingen gevormd met de bekende apparatuur en werkwijzen. Vergezeld gaande met de belangrijke 10 vermindering in de afmeting van de lasverbindingen tengevolge van de inwendige en geïsoleerde opwekking daarvan is de vermindering van de lasamperage en drukken, ten opzichte van amperages en drukken toegepast bij bekende machines en apparatuur. De door de afzonderlijke laselektroden uitge-15 oefende krachten zijn verminderd tot bijvoorbeeld vier pounds en de amperages van de lasstroom tot 200 - 500 Amps waarbij R.M.S. zal afhangen van de impulsduur.
Indien echter de vorming van grotere lasverbindingen wordt vereist, kunnen deze worden verkregen 20 door het vergroten van de lasstroom en, indien noodzakelijk, de afmeting van de laselektroden.
Een belangrijk voordeel te verkrijgen met de inrichting volgens de uitvinding is het feit, dat panelen kunnen worden vervaardigd, waarvan de uitwendige oppervlakken 25 niet zijn verstoord door de in het oog vallende laspatronen zoals bij de bekende stand van de techniek, terwijl de eigenschappen van de panelen aanzienlijk zijn verbeterd door het elimineren van spanningen opvoerende delen, die resulteren uit de overmatig grote lasverbindingen, die 30 worden voortgebracht door gebruikmaking van de bekende apparatuur en werkwijzen.
In samenhangende octrooiaanvragen 7907176 ®n 7907177 zijn konstrukties van kernstrippen en panelen en werkwijzen voor het vervaardigen daarvan 35 beschreven, welke in het bijzonder geschikt zijn om te worden vervaardigd, respektievelijk gebruikt bij de inrichting volgens de onderhavige uitvinding.
Een verder oogmerk van de uitvinding is 800 0 1 18
- 6 - 21086/CV
het verkrijgen van een inrichting voor het lassen van een metalen paneel met een kern voorzien van instelmiddelen met behulp waarvan de inrichting kan worden ingesteld voor het vervaardigen van panelen met verschillende diktes zonder 5 daarbij dure uitvoeringen te benodigen, zoals bij de bekende stand van de techniek.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemde aard, waarbij in de inrichting een eerste laskop is opgenomen, 10 welke laskop tegenover elkaar opgestelde beweegbare klauwen heeft en die in te steken is en verwijderbaar is uit de ruimte tussen de dekplaten, zodat inwendig lassen van de kernstrippen en de daaruit gevormde kernkonstruktie in werkzame ingrijping met de dekplaten kan worden bewerk-15 stelligd.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemd type, waarbij de tegenover elkaar liggende beweegbare klauwen van de laskop zijn voorzien van laselektroden, die losneera-20 baar daarop zijn bevestigd, zodat, indien de afzonderlijke laselektroden worden onderworpen aan een gebruikelijk bij lassen optredende slijtage de elektroden afzonderlijk kunnen worden verwijderd en vervangen.
Een verder oogmerk van de uitvinding is 25 het voorzien in een aantal elektrodehuizen, cassettes of moduls, welke opneemorganen bevatten voor een aantal laselektroden en die losneembaar zijn bevestigd aan de desbetreffende klauwen, zodat indien slijtage van de elektroden optreedt slechts deze moduuls, cassettes of huizen, welke 30 versleten elektroden bevatten, uit werkzame ingrijping met de klauwen behoeven te worden verwijderd.
Een ander oogmerk van de uitvinding is te voorzien in laselektrodenmiddelen gevormd door een aantal afzonderlijke vingers, die aanvankelijk in ingrijping worden 35 gedrongen met doorgaande gebieden van de bevestigingsdelen van de kernstrip door de tegengestelde beweging van de klauwen waarop zij zijn aangebracht en waarin de vingers veer- 800 0 1 18 * #
- 7 - 21086/CV
krachtig zijn, zodat gedurende de smeltfase bij het lassen de vingers het gesmolten metaal zullen volgen ter voltooiing van de lasbehandeling. Het is gebleken, dat de hieronder nader beschreven vingers, indien zij met een kracht van 5 drie pounds tegen de bevestigingsdelen worden gedrongen, in kontakt blijven met de bevestigingsdelen, indien deze delen van de vingers worden weggeschoven met een snelheid van 0,004 inches in 1/6 van een milliseconde. Indien de las-impuls duurt van 1 tot 3 milliseconden, zijn bij de konstruk-10 tie volgens de uitvinding de vingers in een juist kontakt met de laszone.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het aanzienlijk vergroten van de levensduur van de las-elektroden en het geheel elimineren van de voortdurende 15 instellingen tijdens bedrijf zoals bij de bekende elektrode-strips noodzakelijk is door de verharding van de uitsteeksels tengevolge van een overmaat aan warmte en druk. Het is bijvoorbeeld gebleken, dat meerdere duizenden kernstrippen aan de dekplaten kunnen worden gelast zonder de inwendige 20 elektroden uit de wisselen en zonder enige instelling, terwijl de kwaliteit van het paneel daarbij steeds uitstekend is. Bij de bekende technieken moeten de stijve uitstekende laselektrodestaven ongeveer na iedere tien kernstrippen worden bijgesteld teneinde de dikte van het paneel te hand-25 haven, en na iedere 100 tot 400 kernstrippen worden vervangen omdat de uitsteeksels zijn afgevlakt en te groot tot op een punt waarop zij niet meer bruikbaar zijn.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemde aard, 30 waarin eerste en tweede laskoppen zijn aangebracht, terwijl de eerste laskop beweegbaar is in de ruimte tussen de dekplaten en is voorzien van afzonderlijke laselektroden voor het lassen van de bevestigingsdelen van de kernstrip aan de binnenvlakken van de dekplaten, terwijl de tweede 35 laskop in de bovengenoemde ruimte tussen de dekplaat in te steken is nadat de leshandeling van de eerste laskop is voltooid zodat aangrenzende delen van de lijven van de kern- 800 0 1 18 «* *
- 8 - 21086/CV
strippen aan elkaar kunnen worden bevestigd.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting voor het lassen van met kernen versterkte metalen panelen, welke inrichting is 5 voorzien van een eerste laskop van het bovengenoemde type, waarbij de laselektroden van de eerste laskop met de eerste laskop ^apsgewijze verplaatsbaar zijn voor het tot stand brengen van eerste, tweede, en, indien gewenst, een derde serie van lasverbindingen, welke onderling zijn verspreid 10 voor het bewerkstelligen van een doorgaande lijn van inwendig opgewekte en elektrisch geïsoleerde lasverbindingen die tot stand zijn gebracht tussen de bevestigingsdelen van de kernstrippen en de binnenvlakken van de dekplaten.
Een basisoogmerk van de uitvinding is 15 te voldoen aan de beste belangen van de natie en de wereld met betrekking tot de gebieden van energiebesparing, besparing op natuurlijke bronnen en bescherming van het milieu. Bij de bovengenoemde bekende inrichtingen worden grote hoeveelheden elektrisch vermogen, grote hoeveelheden 20 geïoniseerd koelwater onder hoge druk (wat in het riool wordt afgevoerd) verbruikt, terwijl, daar de vervaardigde panelen vol met water zijn/^oodzakelijk is om grote hoeveelheden vermogen te gebruiken voor het in werking stellen van droogovens teneinde het water uit de panelen te ver-25 wijderen. Bij toepassing van de huidige uitvinding wordt geen koelwater gebruikt en een fraktie van het vermogen voor het vervaardigen van een paneel, terwijl eveneens geen hoge drukpompen of droogovens, die veel vermogen verbruiken, nodig zijn.
30 Een verder oogmerk van de uitvinding is te voorzien in een inrichting voorzien van een eerste laskop van het bovengenoemde type, welke laskop is voorzien van elektrode-organen, die werkzaam zijn verbonden met een meerfasige bron van laspotentiaal en impulsopwekmiddelen 35 verbonden tussen laselektroden en de bron voor het opdrukken van opeenvolgende lasimpulsen op de elektroden.
De bovengenoemde bekende apparatuur zal 800 0 1 18 - 9 - 21086/cy
Pt niet funktioneren op driefasenvermogen tengevolge van een gebrek aan koeltijd tussen de impulsen en de grote hoogte van de impulsen. Bij de bekende machines wordt dan ook gebruik gemaakt van driefasenmotoren voor het aandrijven van 5 eenfasegenerators met een capaciteit van althans 100 KVA.
De huidige uitvinding geeft uitstekende resultaten met slechts 7i KVA van driefasevermogen tengevolge van elektrisch geïsoleerde lassen» waarin iedere fase afzonderlijk kan werken.
10 Een verder oogmerk van de uitvinding is het voorzien in lascassettes, welke huizen hebben met een aantal opneemorganen voor het monteren van afzonderlijke elektroden, waarbij de lascassettes demonteerbaar zijn bevestigd in een werkzame verhouding met een desbetreffende 15 laskop, zodat indien een of meer elektroden buiten werking raakt, de deze elektroden bevattende cassette kan worden verwijderd zonder daarbij de effektieve opstelling van de andere cassettes in de laskop nadelig te beïnvloeden.
Een verder oogmerk van de uitvinding is 20 het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemde soort, waarbij de afzonderlijk beweegbare laselektroden van de tweede laskop zijn verbonden met een bron van driefase-laspotentiaal en de bron van laspotentiaal daarop aangesloten impulsopwekmiddelen heeft, waarbij opeenvolgende 25 lasimpulsen op de afzonderlijk beweegbare elektrode-organen worden gedrukt. Driefasevermogen is de meest doelmatige en algemeen gebruikte vorm van wisselstroomvermogen.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van uitgekozen laselektrodevingers voor de 30 eerste laskop, waarbij een verschillend laspotentiaal opgebracht op de vingers zal resulteren in een verschillende stroomvloeing bij de punten daarvan.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemde soort, 35 waarin op bepaalde laselektroden een hogere laspotentiaal kan worden aangebracht dan op andere laselektroden, waardoor een geselecteerde laswerking van de elektroden kan 8000118 *
- 10 - 21086CY
worden verkregen. De vergrote dikte van een bevestigings-deel van een kern in een bepaald gebied van het paneel kan bijvoorbeeld de noodzaak aangeven voor opgevoerde lasstroom op bepaialde elektroden met behulp waarvan de dik-5 kere bevestigingsdelen van de kernstrippen aan de dekplaat worden gelast.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een inrichting van bovengenoemde soort, waarin een automatisch lasregelorgaan is aangebracht voor 10 het bewerkstelligen van het aanbrengen van verhoogde las-potentiaal op uitgekozen laselektroden waarbij de uitgekozen elektroden in een gewenste opstelling kunnen worden gerangschikt onder elektroden voor het bewerkstelligen van de bovengenoemde aanbrenging van een groter laspotentiaal 15 daarop.
Een verder oogmerk van de uitvinding is het verkrijgen van een voortdurend insteloare puntdruk voor de elektroden van de tweede laskop welke de knooppunt-kolommen aan elkaar last en de gelijktijdige voorziening van 20 opvolging voor de punten tijdens de lasperiode als resultaat van het verdelen van regelbare luchtdruk op de zuigers bij ieder bedieningsorgaan van de punt.
Bij bekende inrichtingen wordt gebruik gemaakt van onder veerbelasting staande bedieningsorganen 25 voor de punten, waarbij de lage laskracht voor de punt (bijvoorbeeld drie pounds) gekombineerd met een aanzienlijke verplaatsing het gebruik vereist van spiraalveren met vele wikkelingen (35 - 55) en dit type veer sdhaimelt onder snelle verstelomstandigheden, waardoor ^en springen van de punt en 30 een variabele kracht op de punt wordt veroorzaakt.
De uitvinding zal hieronder nader worden uiteengezet aan de hand van bijgaande figuren, waarin een uitvoeringsvoorbeeld van een inrichting volgens de uitvinding schematisch is weergegeven.
35 Fig. 1 toont een vooraanzicht van een uitvoeringsvoorbeeld van een inrichting volgens de uitvinding.
800 0 1 18 * * {
- 11 - 21086/CV
Fig. 2 toont een doorsnede over een in fig. 1 weergegeven inrichting, gezien volgens de lijn 2-r2 in fig. 1.
Fig. 3 toont op grotere schaal een eerste 5 en een tweede slede van de inrichting, gezien volgens de lijn 3-3 in fig· 1·
Fig. 4 toont op grotere schaal een doorsnede over fig. 3 ter plaatse van het in fig. 3 omcirkelde gedeelte 4.
10 Fig. 5 toont een met fig. 3 overeenkomend aanzicht waarbij de terugtrekking van de tweede slede en het op gang brengen van de verplaatsing van de eerste slede is aangegeven.
Fig. 6 toont een met fig. 5 overeenkomend 15 aanzicht, waarbij de eerste slede en de daarop aangebrachte laselektroden in werkzame stand zijn.
Fig. 7 toont op grotere schaal een deel van fig. 6, waarbij de wijze is weergegeven, waarop de keelklauw van de inrichting de onderste dekplaat grijpt.
20 Fig. 8 toont op grotere schaal het in fig. 7 omcirkelde gedeelte 8 waarbij de botsing van de las-elektrodevingers in werkzame verhouding met de bevestigings-delen of flenzen van een kernstrip is afgebeeld en het tot stand brengen van een las tussen de bevestigingsdelen 25 van de kernstrip en de daarbij behorende dekplaten van het in de inrichting vervaardigde paneel.
Fig. 9 toont op grotere schaal een doorsnede over fig. 8, gezien volgens de lijn 9-9 waarbij de aanvankelijke serie lasverbindingen, vervaardigd met behulp 30 van de laselektrodevingers, is aangegeven.
Fig. 10 toont een met fig. 9 overeenkomend aanzicht waarbij de verhouding is weergegeven van de laselektrodevingers met desbetreffende lasverbindingen van de eerste serie lasverbindingen.
35 Fig. 11 toont een met fig. 10 overeenkomend aanzicht, waarbij de zijdelingse verschuiving van de laselektrodevingers voorafgaand aan de beweging van de vingers 800 0 1 18
- 12 - 21086/CV
in ingrijping met de bevestigingsdelen van de kernstrippen voor het tot stand brengen van het vervaardigen van de tweede serie lasverbindingen, die verspreid zijn tussen de voordien tot stand gebrachte lasverbindingen, is weergegeven.
5 Fig. 12 toont een met fig. 11 overeen komend aanzicht, waarbij de ingrijping van de zijdelings-verschoven elektrodevingers met de bevestigingsdelen van de kernstrippen is weergegeven evenals het tot stand brengen van de lasverbindingen van de tweede serie, die zijn gelegen 10 tussen de lasverbindingen van de eerste serie.
Fig. 13 toont op grotere schaal een doorsnede over fig. T, gezien volgens de lijn 13-13 in fig. 1, waarbij het instellingsmechanisme voor het bepalen van de aanvankelijke tussenruimte van de klauwen waarop de las-15 elektrodevingers zijn aangfbracht, is weergegeven.
Fig. 14 toont een onderaanzicht op fig. 13 gezien volgens de lijn 1^-1b in fig. 13 waarbij het deel van het lasregelcircuit is weergegeven waardoor de elektrodevingers innig en in serie worden bekrachtigd door de aan-20 brenging van laspotentiaal daarop.
Fig. 15 toont een doorsnede over fig. 14, gezien volgens de lijn 15-15 in fig. 1^, waarbij een deel van het lasregelmechanisme is afgebeeld.
Fig. 16 toont op grotere schaal een 25 doorsnede over fig.13 gezien volgens de lijn 16-16 in fig.
13, waarbij de verschillende elementen van de laselektrode-kombinatie in vooraanzicht zijn weergegeven.
Fig. 17 toont een dwarsdoorsnede over fig. 16volgens de lijn 17-17 in fig. 16, waarbij de wijze 30 is weergegeven, waarop de lascassettes of huizen in ingrijping zijn met de corresponderende delen van de desbetreffende klauwen van de eerste slede evenals het grendelmecha-nisme voor de cassettes, dat werkzaam is om de cassettes in werkzame verhouding te houden ten opzichte van de desbe-35 treffende klauwen.
Fig. 18 toont een met fig. 17 overeenkomende doorsnede, waarbij het grendelmechanisme is weergegeven 800 0 1 18
- 13 - 21086/CV
in de ontgrendelde stand waarin een bepaalde cassette of alle cassettes kunnen worden verwijderd.
Fig. 19 toont op grotere schaal in perspek-tief een gebruikelijke lascassette voorzien van een aantal 5 daarin aangebrachte laselektrodevingers.
Fig. 20 toont in perspektief een zuiger-stang en een daarmee samenhangende demonteerbare laselek-trodepunt.
Fig. 21 toont op grotere schaal een door-10 snede van fig. 3» gezien volgens de lijn 21-21 in fig. 3·
Fig. 22 toont een zijaanzicht op een deel van fig. 21, gezien volgens de lijn 22-22, waarbij een groep laselektrodevingers van de tweede laskop is weergegeven.
15 Fig. 23 toont op grotere schaal een door snede over het mechanisme voor het vooruit bewegen en terugtrekken van een gebruikelijke laselektrodepunt waarbij de punt in vooruitgeschoven stand is weergegeven, een en ander gezien volgens de lijn 23-23 in fig. 22.
20 Fig.Zh toont een met fig. 23 overeenkomende doorsnede waarbij de punt zich in de teruggetrokken stand bevindt.
Fig. 25 toont op grotere schaal het in fig. 2 omcirkelde deel 25 waarbij gedeeltelijk in boven-25 aanzicht en gedeeltelijk in doorsnede het mechanisme voor het terugtrekken en vooruit bewegen van de keelklauw is weergegeven.
Fig. 26 toont gezien volgens de lijn 26-26 in fig. 25 het keelklauwmechanisme, gedeeltelijk in door-30 snede en gedeeltelijk in aanzicht.
Fig. 27 toont op grotere schaal een doorsnede over fig. 1, gezien volgens de lijn 27-27 waarbij de instelmiddelen voor de tweede slede en de bovenste keelklauw zijn weergegeven.
35 Fig. 28 toont op grotere schaal een door snede over fig. 2, gezien volgens de lijn 28-28.
Fig. 29 toont een doorsnede over fig. 28, - 1½ - 21086/cv gezien volgens de lijn 29-29·
Fig. 30 toont op grotere schaal een doorsnede over een deel van fig. 2, gezien volgens de lijn 30-30 in fig. 2.
5 Fig. 31 toont een overzicht van de vol gordes van de verschillende bestanddelen van de inrichting.
De inrichting 10 volgens de uitvinding, die het beste is weergegeven in de fig. 1-8 en 13-30 omvat een steungestel 12, dat in hoofdzaak bestaat uit een steun-10 basis 14 voor aan de zijkanten gelegen bevestigingsplaten 16 waardoor de verschillende bestanddelen van de inrichting worden ondersteund.
De inrichting 10 omvat eerste en tweede sledes 20 en 30 (figs. 3-8), die hieronder nog nader zullen 15 worden beschreven. De eerste slede 20 werkt samen met de tweede slede 30 bij het lassen van een paneel 40, dat (fig. 4), zoals ook in de bovengenoemde samenhangende octrooiaanvragen beschreven is, is voorzien van dekplaten 42 en 44, welke een holte 46 begrenzen, die is gelegen 20 tussen de op afstand van elkaar gelegen en naar elkaar toe gerichte binnenvlakken van de dekplaten. De holte 46 is bestemd voor het opnemen van kernstrippen 48, die zijn voorzien van bevestigingsdelen 50, die worden gevormd door uitstekende flenzen 52, die in werkzame samenhang met de 25 dekplaten .42 en 44 worden gelast voor het vormen van het uiteindelijke paneel 40.
Ofschoon uitdrukkelijk wordt verwezen naar de samenhangende octrooiaanvragen, die respektievelijk betrekking hebben op de kernstrip en het uitgangsmateriaal 30 voor de kernstrip evenals op de konstruktie van het paneel en de werkwijze voor het vervaardigen van het paneel, wordt ter vergemakkelijking van de bespreking van de inrichting met betrekking tot zijn konstruktie en wijze van werking het paneel verder beschreven als te zijn uitgevoerd 35 in de vorm van een honingraatvormconfiguratie, dat wil zeggen dat de knoopgebieden 54 en 56 van de kernstrippen naast elkaar staan opgesteld en de flenzen 52 onderling 10 0 0 1 18 - 15 - 21086/cv zijn genest bij de knoopgebieden voor het verkrijgen van <3e honingraatkernconfiguratie en voor het waarborgen van de talrijke konstruktleve voordelen van een een honingraat-kern bezittend paneel 40 zoals gedetailleerd in bovengenoem-5 de samenhangende octrooiaanvragenJs uiteengezet.
De dekplaten hZ en hk worden toegevoerd vanaf een bovenste rol of trommel 60 respektievelijk een onderste rol of trommel 62. Opgemerkt wordt, dat de dekplaten kZ en hk een betrekkelijk kleine breedte hebben in 10 verhouding met de breedte van de trommels 60 en 62. Normaal zullen dekplaten van een grotere breedte worden toegevoerd van de desbetreffende trommels maar de dekplaten kZ en hk met een betrekkelijk kleine breedte zijn weergegeven opdat de verschillende bestanddelen van de inrichting, die anders 15 door de dekplaten zouden zijn afgeschermd gemakkelijker kunnen worden waargenomen. Aan vaklui op dit gebied zal het echter duidelijk zijn, dat de inrichting kan worden gebruikt voor het vervaardigen van panelen waarvan de breedte tenminste zo groot is als de breedte van de trom-20 mels 60 en 62.
Op het oppervlak van ieder van de trommels of rollen 60 en 62 is een serie vastzetorganen 6h aangebracht, die in ingrijping te brengen zijn met desbetreffende niet nader weergegeven openingen in de einden 25 van de dekplaten kZ en hk, die op de trommels 60 en 62 zijn gewikkeld teneinde spanning te handhaven op de dekplaten kZ en hk in samenwerking met hydraulische remmotoren 66, die zijn verbonden mét assen 68 waarop de trommels 60 en 62 draaibaar zijn aangebracht op hieronder nader te 30 beschrijven wijze.
Het uit de inrichting 10 uittredende uiteinde van het paneel kQ is bevestigd aan een beweegbaar juk 70 met behulp van vastzetorganen 72. Het juk 70 wordt ondersteund door parallels geleidingsbuizen 7h op hieronder 35 nader te beschrijven wijze. Ofschoon het juk 70 op de geleidingsbuizen of staven 7h in stappen kan worden vooruit bewogen met behulp van het uittredende paneel hO kan het 800 0 1 18 I β
- 16 - 21086/CV
-in sommige toepassingen gewenst zijn, bijvoorbeeld bij verwerking van brede panelen, een motor aan te brengen welke het juk langs de geleidingsbuizen 74 kan trekken om te waarborgen, dat de spanning tussen de rollen 60 en 62 en 5 de daarbij behorende remmotoren 66 welke spanning wordt ' uitgeoefend op de dekplaten 42 en 44, kan worden gehand haafd .
Het handhaven van spanning is van bijzonder belang met het oog op de noodzaak de dekplaten 42 10 en 44 in een optimale vlakke en evenwijdige stand te houden gedurende de vervaardiging van het paneel 4θ.
Teneinde de bestudering van de verschillende bestanddelen van de inrichting 10 en het begrip van de werkwijze daarvan te vergemakkelijken zullen de bestand-15 delen en onderdelen van de inrichting 10 onder afzonderlijke koppen worden beschreven.
De eerste lassleda 20^_
De eerste lasslede 20 omvat, zoals het beste blijkt uit fig. 1 en 3-16, een paar bevestigingsar-20 men 80, die zijn gelegen aan weerszijden van de inrichting en die met behulp van naven 22 vast zijn bevestigd aan een zich in dwarsrichting uitstrekkende draaibare as 84. De bevestiging van de slede 20 met behulp van de armen 80 aan de draaibare as 84 veroorzaakt, dat draaiing van de as 25 wordt meegedeeld aan de slede 20, zodat deze tussen de ^ in fig. 6 afgebeelde ingestoken stand en de in fig. 3 weer gegeven teruggetrokken laadstand kan worden verplaatst.
De werkzame samenhang tussen de slede 20 en de aandrijfas 84 vergemakkelijkt zodoende ook de beweging van de slede in 30 een aantal andere richtingen, maar de hoofdbeweging, welke wordt bewerkstelligd door de werkzame verhouding tussen de aandrijfas 84 en de slede 20 is de hierboven aangeduide beweging.
Het bedieningssamenstel 90 voor het bewerk-35 stelligen van de draaiing van de aandrijfas 84 (fig· 2 en 30) omvat een paar hydraulische cylinders £2, die aan de as 84 zijn verbonden tussen zijn uiteinden met behulp van 80 0 0 1 18 < *
- 17 - 21086/CV
een hefboom pk, welke scharnierend is verbonden met de zuigerstang 96 van de hydraulische cylinder 92. Indien dan ook de hydraulische cylinder 92 met behulp van een bron van een hydraulisch fluïdum in werking wordt gesteld, waar-5 bij deze bron bijvoorbeeld kan worden gevormd door een hydraulische pomp, die is aangebracht in een zich vanaf een niet nader weergegeven hydraulisch reservoir uitstrekkende leiding, zal een uitschuiven van de zuigerstang 96 een draaiing van de hefboom 9b in de richting van de 10 wijzers van de klok en een daarmede vergezeld gaande draaiing van de as 84 veroorzaken, hetgeen gelijktijdig de draaiing van de eerste slede van de onderste laadstand of niet-werkzame stand, zoals weergegeven in fig. 3 naar de in fig. 6 afgebeelde ingestoken werkzame stand veroor-15 zaakt.
Indien omgekeerd de zuigerstang 96 in de cylinder 92 wordt teruggatrokken wordt de hefboom 94 in een richting tegen de wijzers van de klok in verdraaid, hetgeen resulteert in een draaiing van de as 84 in de 20 richting tegen de wijzers van de klok in en in een beweging van de slede 20 vanuit de in fig. 6 afgebeelde ingestoken werkzame stand naar de in fig. 3 afgebeelde teruggetrokken laadstand.
Verder is in het bedieningssamenstel 25 voor de as 84 van de eerste slede 20 een hydraulische >. hulpcylinder 98 opgenomen, welke (fig. 30) scharnierend is verbonden met een bedleningshefboom 102, welke op zijn beurt scharnierend is verbonden met het uiteinde 104 van het huis van de hydraulische cylinder 92. De bedienings-30 hefboom 102 is tussen zijn uiteinden scharnierend aangebracht op een as 105. Indien dan ook de hydraulische cylinder 92 van het bedieningssamenstel 90 in werking wordt gesteld vormt de scharaierverbinding van de hefboom 102 met het huis 104 van de hydraulische cylinder 92 een schar-35 nier, waarom het huis 104 draait teneinde de draaiing van de hefboom 94 door de zuigerstang 96 mogelijk te maken.
Er is behoefte aan de beweging van de 800 0 1 18
- 18 - 21086/CV
eerste slede 20 naar een tussenstand tussen de maximale ingestoken stand en de maximale teruggetrokken laadstand teneinde zijdelingse verschuiving van de eerste slede 20 op een hieronder nader te beschrijven wijze mogelijk te 5 maken. Met andere woorden, indien de eerste slede 20 in de bovenste ingestoken lasstand is, zoals het beste weergegeven in fig. 6, zijn verschillende bestanddelen, die werkzaam samenhangen met de eerste slede 20, in ingrijping op corresponderende delen van het paneel 40, dat moet worden 10 vervaardigd, en het is noodzakelijk om deze bestanddelen terug te trekken door beweging van de lasslede 20 naar een tussenstand met behulp van de hulpcylinder 98, zodat een zijdelingse verschuiving van de slede 20 kan worden bewerkstelligd op hieronder nader te beschrijven wijze.
15 Dit vermijdt de noodzaak voor een beweging van de slede 20 tussen de maximale ingestoken en teruggetrokken standen, aangezien een verhoudingsgewijs kleine verplaatsingsstap van de slede 20 naar de tussenstand de gewenste terugtrekking van de lascomponenten op de lasslede 20 uit werkzame ingrijping met corresponderende delen van het te lassen paneel 40 bewerkstelligt en deze tussenbeweging kan in een verhoudingsgewijze kortere tijd worden bewerkstelligd dan de hoofdbeweging tussen de beide uiterste bewegingsstanden van de slede 20.
25 Verder is in het bedieningssamenstel 90 een paar pneumatische cylinders 106 opgenomen, waarbij er in fig. 30 slechts een is weergegeven. De pneumatische cylinders werken als luchtveren voor het dempen van de beweging van de as 84 door de hydraulische cylinders 92 en 30 98 en voor het verminderen van de belasting op deze hydraulische cylinders. Een met behulp van geschikte niet nader weergegeven leidingen met de pneumatische cylinders 106 verbonden luchtreservoir vergemakkelijkt de werking^an de luchtveren 106.
35 Ofschoon hydraulische en pneumatische werking van de as 84 voor de eerste slede 20 wordt benut in het voorkeursuitvoeringsvoorbeeld van de inrichting 10 zal 80 0 0 1 18
- 19 - 21086/CV
het aan vaklui op dit gebied duidelijk zijn, dat er uiteraard een brede reeks mechanismen is, welke ter vervanging van het specifieke samenstel van weergegeven bedieningscomponen-ten kan worden benut en het is niet de bedoeling, dat de 5 beschermingsomvang van de uitvinding wordt beperkt op specifieke elementen van het bedieningssamenstel 90, aangezien electromotoren en andere soorten aandrijfinrichtingen met gelijk succes kunnen worden gebruikt bij vervanging van de hierboven beschreven en afgebed.de hydraulische en pneu-10 matische motoren.
Inwendige laamlddelen voor da bevast-i gingsdedetL- van de_ kgrfrig.trip*
De basisfunktie van de eerste slede 20 is het ondersteunen van lasorganen 110 en het transporteren 15 van deze lasorganen tussen en in de verschillende standen, die hierboven zijn genoemd en later zullen worden beschreven. De lasorganen 110 dienen voor het bewerkstelligen van het inwendige lassen van de bevestigingsdelen 50 van de kern-strippen 48 van het paneel 40 in gelaste en werkzame verhou-20 ding met de dekplaten 42 en 44 en met elkaar, zoals schematisch aangeduid in de fig. 6-18.
Het inwendige lasorgaan 110 omvat twee beweegbare klauwen 112, die op de slede 20.zijn aangebracht en die zijn aangepast om daardoor te worden getransporteerd 25 tussen verschillende standen. Zoals het beste weergegeven in de fig- 13-18 zijn de klauwen 112 opgesteld voor zijdelingse beweging op het bed 114 van de slede zodanig dat zij naar elkaar toe of van elkaar af kunnen worden bewogen, zoals hieronder nog nader zal worden uiteengezet.
30 Klauworganen 120 zijn scharnierend onder steund op de klauwen 112 met behulp van scharnierpennen 114» (fig. 13) waarbij de klauworganen binnen bepaalde grenzen beweegbaar zijn door de uitzetting van luchtzakken 122, die zijn opgesteld tussen tegenover elkaar gelegen 35 vlakken van de klauworganen 120 en de klauwen 112. De klauworganen 120 worden normaal in een stand gedrongen, waarin zij zo dicht mogelijk bij de klauwen 112 zijn gelegen en 4 *
- 20 - 21086/CV
wel met behulp van niet nader weergegeven torsieveren of dergelijke.
Dientengevolge zijn er twee instellingen opgenomen in de klauwkonstrukties, de hoofdbeweging van een 5 van de klauwen 112 naar of afgekeerd van de andere klauw, welke bij onderhavige uitvoering kan zijn vastgezet, of welke op soortgelijke wijze zijdelings beweegbaar kan zijn, en de kleine of verhoudingsgewijze kleine, in gelijke mate van belang zijnde scharnierbeweging van de klauworganen 120. 10 Het instelorgaan voor de klauwen,..1.1.2..
Het instelorgaan 130 voor het zijdelings instellen van een van de klauwen 112, in dit geval de rechterklauw, omvat bovenste en onderste instelschroeven 132, die in schroefdraad ingrijping zijn in corresponderende 15 van schroefdraad voorziene bussen 13^·· De schroeven 132 zijn aangebracht in tegenover elkaar gelegen uiteinden van de klauwen 112 en zijn voorzien van geen schroefdraad bezittende delen 136, welke zich uitstrekken door corresponderende geen schroefdraad bezittende boringen 01 op de 20 uiteinden van de delen 136 zijn bevestigingsstukken 137 aangebracht voor het opnemen van snaarschijven 138 waaromheen aandrijfriemen 142 zijn geleid.
Op het uitstekende deel 137 van de bovenste schroef 132 is een micrometerkop 'ihk aangebracht, welke 25 samenwerkt met een wijzer 146 voor het instellen van de beweegbare klauw 112 naar of afgekeerd van de corresponderende vaste klauw. Dientengevolge wordt de hoofdinstelling van de klauwen 112 voor het bepalen van de onderlinge afstand daartussen bewerkstelligd door het gebruik van het 30 instelorgaan en de benutting van de micrometerkop 144 en de wijzer 1h6 voor het nauwkeurig bepalen van de bovengenoemde onderlinge afstand en voor het elimineren van de noodzaak van tijdrovende en lastige met de hand uit te voeren instellingen van de klauwen ten opzichte van elkaar 35 onder gebruikmaking van uitwendige gereedschappen of dergelijke .
Scharnierende instelling van de klauworganen 120.
80 0 0 1 18
- 21 - 21086/CV
De luchtzakken 122 worden gebruikt voor het bewerkstelligen van de scharnierende instelling van de klauworganen 120 nadat de aanvankelijke tussenruimte tussen de klauworganen ten opzichte van elkaar is bepaald door in-5 stelling van de klauwen 112 onder gebruikmaking van ;iet hierboven beschreven instelorgaan 130.
De luchtzakken 122 zijn aangebracht voor het bewerkstelligen van een aantal opeenvolgende instel-stappen, die kleiner in grootte zijn, maar die even belang-10 rijk zijn als de aanvankelijke hoofdinstelling die bewerkstelligd is met het instelorgaan 130. Ofschoon hier het gebruikmaken van luchtzakken voor het bewerkstelligen van deze nauwkeurige instellingen is beschreven, zal het aan vaklui op dit gebied duidelijk zijn, dat meerdere alternate tieve middelen, zoals mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische middelen kunnen worden gebruikt ter vervanging van de hier beschreven middelen. Het is echter gebleken, dat de luchtzakken 122 een eenvoudig en goedkoop mechanisme geven, dat in staat is om de noodzakelijke instellingen 20 van kleinere grootte, die noodzakelijk zijn voor het bewerkstelligen van de instellingen de klauworganen 120, te verkrijgen.
Ofschoon een scharnierende opstelling van de klauworganen 120 voor het bewerkstelligen van de instel-25 ling daarvan in verhouding tot elkaar hier is beschreven, zal het bovendien ook duidelijk aan vaklui op dit gebied zijn, dat de klauworganen 120 schuifbaar of op andere wijze op de klauwen 112 kunnen zijn aangebracht voor het bewerkstelligen van de onderlinge instelling daarvan ter verkrij-30 ging van het beoogde doel, dat hieronder nog nader zal worden uiteengezet.
Indien de primaire eerste slede 20 in de onderste stand is gelegen, waarin de slede uit werkzame ingrijping met de bestanddelen van het te vervaardigen 35 paneel 40 is teruggetrokken, wordt de nieuwe kernstrip 48, die in een werkzame stand aan de dekplaten 42 en 44 moet worden gelast, geplaatst op het laselektrode-orgaan 150,
- 22 - 21086/CV
dat hieronder nog nader zal worden beschreven.
Nadat de kernstrip 48 op het laselektrode-orgaan 150 is geplaatst, wordt de laskringloop van de inrichting 10 op gang gebracht door het indrukken van een 5 knop op het regelpaneel 154 (fig. 2), en worden de luchtzakken uitgezet tot hun eerste vasthoudstand onder een verhoudingsgewijze lage druk, waarin zij het laselektrode-orgaan 150 in werkzame ingrijping brengen met de bevesti-gingsdelen 50 van de kernstrip 48 teneinde de kernstrip 48 10 in de werkzame en gemonteerde verhouding met het laselek-trode-orgaan 150 te houden terwijl de primaire slede 20 in de richting van de wijzers van de klok wordt versteld door verdraaiing van de as 84 in de werkzame bovenste in fig. 6 afgebeelde lasstand.
15 Indien de laselektrode-organen 150 in de werkzame stand zijn gebracht, waarin zij zijn opgesteld in de holte 46, welke wordt begrensd door naar elkaar toegekeerde binnenvlakken van de .dekplaten 42 en 44, waarbij de laselektrode-organen 150 zijn gelegen nabij de bevesti-20 gingsdelen 50 van de kernstrippen 48, die worden gevormd door de onder een hoek opgestelde flenzen 52 daarvan, worden de luchtzakken onderworpen aan een tweede fase van opgevoerde druk welke de laselektrode-organen 150 uit elkaar dringt door naar buiten gerichte verdraaiingen van de klauworganen 25 120, waardoor bewerkstelligd wordt, dat de elektrode-organen stevig in ingrijping komen met de bevestigingsdelen 50 van de kernstrippen 48 voor het uiteindelijk tot stand brengen van een aantal lasverbindingen tussen de kernstrippen en de dekplaten 42 en 44.
30 Bij het uiteenzetten van de konstruktie en wijze van werking van de inrichting 10 is ervan uitgegaan dat een een honingraatkern bezittend versterkt paneel wordt vervaardigd, bijvoorbeeld een paneel zoals beschreven in de bovengenoemde samenhangende octrooiaanvrage! Het zal 35 echter duidelijk zijn, dat de konstruktie volgens de uitvinding ook toepasbaar is bij andere soorten panelen met andere kernvortngevingen en het niet noodzakelijk is, 80 0 0 1 18 ___ .-- · · , * - 23 - 21086/cv 'dat de kernen een honingraatvormgeving hebben.
Hetlaselektrode-orgaan.
Zoals hierboven uiteengezet, wordt het laselektrode-orgaan 150, dat hieronder onder meer zal worden 5 aangeduid als laselektrode-orgaan, flenslasorgaan, lasorgaan voor de bevestigingsdelen inwendig lasorgaan en dergelijke, uiteindelijk ondersteund op de afzonderlijk scharnierend opgestelde klauworganen 120.
De konstruktie en wijze van werking van 10 het laselektrode-orgaan zijn weergegeven in de fig. 5-18 en, zoals het beste blijkt uit fig. 8-12, 13 an 16—19 omvat het laselektrode-orgaan 150 een aantal langgestrekte las-elektrodevingers 152, die kunnen zijn gevormd uit ieder geschikt geleidend materiaal, zoals chroomkoper of derge-15 lijke. Ieder van de laselektrodevingers wordt gekenmerkt door het feit, dat het is voorzien van een langgestrekt rechthoekig lichaam 15^ (fig· 19) en een voorste uiteinde met een integraal gevormd, althans in hoofdzaak cylindrisch zich omhoog uitstrekkende laspunt 156 daarop.
20 Het lichaam 15^ van ieder van de laselek tr odevingers 152 heeft een althans in hoofdzaak rechthoekige dwarsdoorsnede en een aantal vingers 152 is opgesteld in een afzonderlijke lasvingercassette, huis of container 160 (fig. 19)» welke op hieronder nog nader te beschrijven 25 wijze is samengevoegd met een aantal gelijke containers of cassettes 160, die zijn aangebracht in de klauworganen 120, zoals het beste is weergegeven in de fig. 13-19.
De lascassette of container.
De afzonderlijke lascassettes 160 kunnen 30 zijn vervaardigd uit een aantal materialen, waaronder hoogbestendige synthetische harsen, zoals polycarbonaten en dergelijke. Indien de cassettes 160 worden vervaardigd uit synthetische harsen is de noodzaak tot het elektrisch isoleren van de afzonderlijke vingers 152 van elkaar 9e-35 elimine©tö. tengevolge van de diëlektrische eigenschappen van het materiaal.
Indien echter de cassettes 160 worden ver- 800 0 1 18
- 24- 21086/CV
• 4 vaardigd uit aluminium of andere metalen is het noodzakelijk een diëlektrische bedekking op de cassette 160 aan te brengen voor het elektrisch isoleren van de afzonderlijke vingers 152 ten opzichte van elkaar daar anders een derge-5 lijke elektrische verbinding zou resulteren in een kortsluiting van de lascircuits. In het geval van aluminium geven bepaalde bedekkingen, zoals bedekkingen verkregen door het anodiseren van de huizen, het noodzakelijke isola-tie-effekt. Indien metalen cassettelichamen worden gebruikt, 10 is het ook denkbaar de afzonderlijke vingers te voorzien van een bedekking uit een diëlektrisch materisdL, zoals een synthetisch hars.
Ieder van de cassettes 160 omvat een langgestrekt lichaam 162 dat is voorzien van een aantal 15 langgestrekte groeven 164 (fig. 19), waarbij ieder van de groeven 164 is aangepast voor het opnemen van een overeenkomstige langgestrekte laselektrodevinger 152. Zoals hierboven vermeld is ieder van de elektrodevingers 152 elektrisch « geïsoleerd van naburige vingers, zodat de afzonderlijke 20 vingers in een achtereenvolgende en afzonderlijke hieronder nader te beschrijven wijze kunnen worden onderworpen aan een lasstroom.
Opgemerkt wordt, dat de vooreinden van de vingers met de laspunten 156 die van de vooreinden uit-25 steken, zijn opgesteld in een bepaald patroon waar’van het belang hieronder nog nader zal worden uiteengezet. De achtereinden van de vingers strekken zich uit voorbij de begrenzingen van het huis en worden ondersteund door een verlengstuk 166 van het cassettehuis (fig. 19)· 30 De afzonderlijke laselektrodevingers 152 worden in de gewenste stand in de cassette 160 gehouden met behulp van bevestigingspennen 168 en iedere cassette is uitgerust met een zwaluwstaart 172 voor het vastzetten van de desbetreffende cassette in een geschikte stand ten 35 opzichte van een van de klauworganen 120 op hieronder nader te beschrijven wijze.
Met de zwaluwstaarten 172 van de casset- 800 0 1 18
- 25 - 21086/CV
tes 160 werkt een aantal overeenkomstig gevormde zwaluw-staartgroeven 174, die zijn aangebracht langs de lengtes van beide klauworganen 120, samen, zoals het beste in fig.
17 en 18 is weergegeven. De zwaluwstaarten 172 op de cas-5 settes 160 zijn schuifbaar in ingrijping met de corresponderende zwaluwstaartgroeven 174 en deze bevestigingskonstruk-tie vergemakkelijkt het lastige insteken van de afzonderlijke cassettes 160 in de werkzame ingrijping met de afzonderlijke klauworganen 120 en vergemakkelijkt verder het demonteren 10 van een of meer cassettes 160 van de desbetreffende klauworganen 120.
Ofschoon proeven verhoudingsgewijs kleine slijtage van de laselektrodevingers 152 hebben aangetoond, behoeft, indien een dergelijke slijtage of andere achteruit-15 gang van de doelmatigheid van de desbetreffende vingers 152 optreedt, slechts die cassette 160, welke de beschadigde elektrodevingers 152 bevat, te worden verwijderd.
Nadat een cassette 160 is verwijderd voor het verwijderen van een versleten elektrodevinger 152 kan 20 onmiddellijk een soortgelijke cassette 160 daarvoor in de plaats worden aangebracht waardoor de noodzaak voor een lange tijd van buiten bedrijf zijn van de inrichting '10 wordt vermeden.
Teneinde de cassettes 160 tegen *e houden, 25 is een grendelorgaan 180 (fig. 16-18) aangebracht, welk grendelorgaan is voorzien van een bedieningshefboom 182 dat samenhangt met iedere groep cassettes 160 en tussen zijn uiteinden scharnierend is aangebracht op een as 184. Iedere grendelhefboom 182 is met behulp van een scharnier 186 ver-30 bonden met een langgestrekte grendelstaaf 188, die is voorzien van een aantal paloren 192, die zijn aangepast voor het tegenhouden van de desbetreffende cassette 160 in werkzame ingrijping met het desbetreffende klauworgaan.
Het tegenhouden van de afzonderlijke cassettes 160 in de 35 juiste ingrijping met de desbetreffende klauworganen 120 met behulp van de grendelstaaf 188 is weergegeven in fig. 17 waarbij de oren 192 zijn weergegeven als opgesteld in over- βοή o1 is » s *
- 26 - 21086/CV
liggende verhouding met de zwaluwstaarten 172 op de cassettes l60. Indien een vrijmaken van een of meer cassettes 160 uit ingrijping met de desbetreffende zwaluwstaartgroeven 174 wordt gewenst wordt de bedieningshefboom 182 om de schar-5 nierpen 184 verdraaid.om een.zijdelingse verschuiving van de desbetreffende grendelstaaf 188 te bewerkstelligen en de oren 192 daarvan uit in lijn ligging met de zwaluwstaarten 172 van de cassettes 16Ο te bewegen. Indien dit is gebeurd kan ieder van de cassettes 160 van de desbetreffende klauw-10 organen 120 worden vrijgemaakt en kan een andere cassette gemakkélijk ter vervanging daarvan worden aangebracht. Om de vervangen cassette en andere cassettes 160 weer in ingrijping met de klauworganen 120 tegen te houden, is het slechts noodzakelijk de grendelhefboom 182 te verstellen om te be-15 werkstelligen, dat de desbetreffende grendelstaaf 188 de desbetreffende oren 192 weer. beweegt in een stand, waarin zij zich over de uiteinden van de zwaluwstaarten 172 uitstrekken en zo de cassettes ten opzichte van de klauworganen 120 vergrendelen.
20 Funktie, opstelling en werking van de laselektrodevingers en het daarmee samenhangende lasmechanisme.
Zoals hierbovdn aangeduid worden de laselektrodevingers 152 van de laselektrode-organen 150 gedragen door klauworganen 120 binnen de in fig. 6-12 afgebeelde 25 lasstand en in de holte 46, die wordt begrensd tussen de tegenover elkaar gelegen dekplaten 42 en 44, zodat zij in de in de fig. 8-12 weergegeven standen zullen worden geplaatst voor het bewerkstelligen van de lasfunktie.
De onderlinge afstand, opstelling en ver-30 houding van de laselektrodevingers 152 ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de kernstrippen 48 en het paneel 40, die aan elkaar moeten worden gelast door de werking van de laselektrodevingers 152 kan het beste worden begrepen door het bekijken van de op grotere schaal weergegeven verti-35 kale doorsnede van fig. 8 en in de fig. 9-12 weergegeven bovenaanzichten, die eveneens het handhaven van de laselektrodevingers in de desbetreffende cassettes 160 weergeven 800 0 1 18 » ·* - 27 - 21086/cv evenals het patroon welke het de laspunten 156 van de elektrodevingers 152 mogelijk maakt op de juiste wijze de desbetreffende bevestigingsdelen 50 te grijpen en de knoop-delen van de bevestigingsdelen te overlappen voor het be-5 werkstelligen van nauwkeurig bepaalde la spa tronen in verhouding daartoe.
In het horizontale vlak zijn de elektrodevingers 152 (fig. 9-12) zodanig opgesteld, dat de laspunten 156 een althans in hoofdzaak driehoekig patroon bepalen in 10 overeenstemming met de vormgeving van de kernstrippen 48 waarvan de bevestigingsdelen worden gevormd door flenzen 52, die zijn uitgevoerd in een althans in hoofdzaak afgeknot driehoekig patroon tengevolge van de vormgeving daarvan tijdens het in de hierboven aangeduide samenhangende octrooi-15 aanvrage beschreven vervaardigingsproces. Uiteraard kan een wijziging in de vormgeving van de kernstrippen gemakkelijk worden opgenomen door het heroriënteren van het door de buitenste/^aspunten 156 dragende uiteinden van de lasvingers 152 bepaalde patroon.
20 Indien de lasorganen 150 worden getrans porteerd in de bovenste werkzame lasstand (fig. 6-12) zijn zij aanvankelijk uitgezet door de werking van de luchtzakken 122 om de desbetreffende kernstrippen 48 veilig in de juiste ingrijping te houden met de lasmiddelen 150, zodat de strip 25 in de juiste stand kan worden gebracht ten opzichte van de voorgaande kernstrip 48, die reeds aan de dekplaten 42 en 44 van het paneel 40 is gelast.
De beweging van de laselektrodevingers 152 in de lasstand bewerkstelligt het in elkaar nesten van de 30 mannetjesknopen van de verplaatste kernstrip 48 in vrouwtjes-knopen van de voordien vastgelaste kernstrip ter bewerkstelliging van het in elkaar nesten van de flenzen om de bevestigingsdelen van de desbetreffende kernstrippen (fig.
9-12) .Gelijktijdig worden de laselektrodevingers 152 verplaatst 35 in de stand voor het uitvoeren van de eerste lasstap, zoals afgebeeld in fig. 9-10» De betekenis van de term "stand voor de eerste lasstap" zal uit de hieronder volgende be- annoil8
- 28 - 21086/CV
spreking van de inwendige lashandeling, die wordt bewerkstelligd door de laselektrodevingers 152, nader duidelijk worden.
Het eerste inwendige laspatroon bewerk-5 stelligd door de elektrodevingers 152 is weergegeven bij 200 in fig. 9-10* waarbij de afzonderlijke lasverbindingen zijn opgesteld in een symmetrisch patroon en althans esn las+ verbinding zodanig is gelegen dat de overlappende flenzen 52 van de kernstrippen 48 in werkzame ingrijping met elkaar 10 en de dekplaten 42 en 44 aanvankelijk worden vastgezet.Deze verhouding van de laspunten 156 met de desbetreffende overlappende knooppuntlasverbindingen is wat de richting betreft in fig. 10 aangeduid met behulp van de pijlen 202.
Zoals hiervoor aangeduid bij de bespre-15 king van de konstruktie van het paneel 40 in de samenhangende octrooiaanvrage , die betrekking heeft op de konstruktie vanhst paneel, is een van de belangrijke factoren, die betrekking hebben op het inwendig lassen van de bevestigings-delen of flenzen van de kernstrip 48 de verhoudingsgewijs 20 kleine lasklompjes, die worden gevormd door de opwekking van de la sverbindingen in het inwendige Λθ.η het paneel in plaats van op het uitwendige van het paneel zoals tot nu toe werd toegepast.
Een ander belangrijk aspekt is het feit, 25 dat de afmeting van de klompjes kan worden geregeld van verhoudingsgewijze oneindig kleine afmetingen tot verhoudingsgewijze grote afmetingen in het licht van welke las-verbindingen moeten worden tot stand gebracht.
Indien bijvoorbeeld een verhoudingsgewijs 30 lichte folie wordt gebruikt voor de kernstrippen 48 en slechts bescheiden indringing van de dekplaten 42 en 44 van het paneel wordt gewenst, kunnen verhoudingsgewijze kleine lasklompjes worden opgewekt.
De tweede lasstand van de elektrodevin-35 gers 152 is weergegeven in fig. 11 en 12. De verhouding van de laselektrodes 152 en de laspunten daarvan is ruimtelijk ingesteld door de pijlen 204, welke aanduiden, dat de las- 800 0 1 18 «
- 29 - 21086/CV
verbindingen van de tweede serie lasverbindingen rechts van de lasverbindingen van de eerste serie zullen zijn gelegen voor het tot stand brengen van het bij 206 in fig. 12 afge-beelde laspatroon waarin een doorgaande serie van verhou-5 dingsgewijze kleine lasverbindingen is afgebeeld. Uiteraard kunnen door geschikte instellingen van de punten meer dan twee series lasverbindingen worden gemaakt voor het verminderen van de tussenruimte tussen de lasverbindingen.
Het mechanisme voor het tot stand brengen 10 van de zijdelingse verschuiving van de flenslasorganen 150 zal hieronder nader worden uiteengezet voor het verduidelijken van de wijze waarop de lasorganen 150 worden verschoven door de eerste slede 20 tussen de eerste en tweede las-stand.
15 De relatieve opstellingen van de laselek- trodevingers 152 en meer in het bijzonder van de laspunten 156 daarvan ten opzichte van de bevestigingsflensdelen 52 respektievelijk 54 van de kernstrippen is weergegeven in fig. 8. De wijze waarop de laspunten 156 de aangeduide en 20 gekozen lasgebieden grijpen is weergegeven evenals de wijze waarop de voorste laspunt 156f de overlappende gedeelten van de flenzen 152 bij de knoopgebieden grijpt.
Indien de punten zijn opgesteld zoals aangeduid in de fig. 10-12 zal het duidelijk zijn, dat er 25 evenveel lasverbindingen moeten zijn in de overlapzones van het bevestigingsgedeelte als er series lasverbindingen of sledeverschuivingen zijn.
Hierboven is reeds de wijze besproken, waarop de luchtzakken 122, die zijn opgesteld tussen de 30 scharnierend opgestelde klauworganen 120, dienen om onder lage druk de klauworganen 122 te spreiden en zodoende de gedeeltelijk door de laselektrodevingers 152 gevormde las-elektrodeorganen 150 te verplaatsen zodanig dat de laspunten 156 daarvan de daarop geplaatste kernstrip 48 zullen grij-35 pen en in zijn werkzame verhouding tegenhouden met de laselektrodevingers 152 voor het bewerkstelligen van het insteken van de kernstrip 48 in de ruimte tussen de dekplaten 42 800 0 1 18
- 30 - 21086/CV
en 44 van het paneel 4θ en in werkzame verhouding met de voordien ingestoken strip.
Nadat het insteken van de kernstrip 48 is bewerkstelligd op bovenbeschreven wijze, worden de lucht-5 zakken 122 onderworpen aan een tweede hogere druk door de werking van niet nader weergegeven tweestapskleppen, welke bewerkstelligen, dat de luchtzakken een grotere druk aanbrengen op de elektroden 152 door de klauworganen 120 uit elkaar te verplaatsen en zo te veroorzaken, dat de laspunten 10 156 de bevestiging of flensgedeelten 50 en 52 van de kernstrip 48 in een meer innig kontakt met het binnenvlak van de naburige dekplaat 42 of 44 en met het geneste deel van de voordien ingestoken kernstrip 48 bij de knoopgebieden dringen.
15 Door de bij de tweede stap bewerkstelligde uitzetting van de luchtzakken 122 worden de laspunten156 in inniger ingrijping gedrongen met de desbetreffende delen van de bevestigingsgedeelten 50 van de kernstrip 48 terwijl ook de bevestigingsgedeelten 50, zoals gevormd door de flen-20 zen 52, in inniger kontakt worden gedrongen met de binnenvlakken van de dekplaten 42 en 44 van het paneel 4θ.
Indien de tweede uitzetting van de luchtzakken 122 plaats vindt, is er een overeenkomstige veerkrachtige doorbuiging van de elektrodevingers 152, welke de las-25 elektrodepunten 156 en 156F tegen de desbetreffende gebieden van de flens of bevestigingsgedeelten van de lernstrip 48 dringen waardoor de langgestrekte lasvingers 152 onder een voorbelasting worden gebracht en meer in het bijzonder de vooreinden daarvan, welke uit de lascassette 160 Uitstéken, 30 zoals het beste is weergegeven in fig. 19·
Dientengevolge bewerkstelligt de lage massa van de laspunten 156 en 156F tijdens de lasfase van de bewerking, dat de laspunten de las volgen gedurende de ’’smelt" toestand, zodat de laspunten 156 en 156F niet het kontakt 35 verliezen met het lasgebied tijdens de lassmeltstap.
Opgemerkt wordt, dat de afbuiging van de voorste laspunten 156F een weinig groter is dan de afbuiging 800 0 1 18
- 31 - 21086/CV
van de andere punten 156 tengevolge van de dubbele dikte van de in elkaar gereste flenzen bij de knoopgebieden van de kern-strippen 48. Deze grotere afbuiging toont de inherente veerkracht van de laselektrodevingers 152 en de inherente veer-5 achtige kenmerken daarvan.
De middelen voor het aanbrengen van de lasstroom teneinde de laastroom op de afzonderlijke laselektrodevingers te drukken omvatten meerdere kontaktorganen 210, die zijn opgesteld in het lascircuit tussen de niet 10 nader weergegeven vaste lasregelorganen en de uiteinden van de éLektrodevingers, die uitsteken van de achterste gedeelten van de elektrodecassettes 160 (fig. 14, 16, 19)·
Aan weerszijden van de inrichting 10 (fig. 1 en 2) zijn met koppelingen uitgeruste aandrijfmoto-15 ren 212 opgesteld, die tijdens de werking van de inrichting 10 kontinu draaien en die zijn aangepast voor het overbrengen van draaibeweging van hun assen op aandrijfreeksen 214 aan de tegenover elkaar gelegen uiteinden van de primaire slede 20.
20 Iedere aandrijfreeks (fig. 13) omvat een hoofdaandrijfriem 216, die is gevoerd over een dubbele schijf 218, welke op zijn beurt een riem 220 aandrijft, die is geleid om een vrij draaibare schijf 224 en een verdere schijf 226, die wordt aangedreven door de riem 222.
25 Aan de schijven 218 en 226 zijn gelijk?/ met behulp van deze schijven aan te drijven schroefspindels 230 verbonden, welke zich uitstrekken van een zijde naar de andere zijde van een lasslede 20 en waarop moeren 232 zijn aangebracht, welke scharnierend sleden 234 ondersteunen 30 voor kontaktarmen 236 waarop kontaktnaven 238 zijn aangebracht die gescheiden en in volgorde in ingrijping te brengen zijn met de achtereinden van de elektrodevingers 152 om het aanbrengen van een lasstroom daarop te veroorzaken.
De kontaktnaven bestaan uit een serie in lijn opgestelde 35 naafsegmenten.
Dientengevolge vormen de afzonderlijke laselektrodevingers 152, indien onderworpen aan de inter- 800 0 1 18
- 32 - 21086/CV
% ·* f r metterende lasimpuls, de eerste en tweede laspatronen zoals afgeheeld in de fig. 9-12.
Het is uiteraard mogelijk om indien gewenst de lasstroom te vergroten en een volledige doordrin-5 ging van de dekplaten 42 en 44 van het paneel 40 te bewerkstelligen teneinde de gelijktijdige lassing van de kern aan de dekplaten en uitwendig opgestelde voorwerpen op de buitenvlakken van de dekplaten mogelijk te maken.
Uiteraard brengt het in elkaar 10 nesten van de flenzen 52 van de kernstrippen 48 de flenzen in overlappende verhouding en zodoende is het laspotentiaal, dat voldoende is om de niet-geneste delen van de flenzen 52 te bevestigen soms niet voldoende voor het bewerkstelligen van de effektieve bevestiging van de in elkaar geneste flen-15 zen bij de knooppunten aan elkaar en aan de dekplaten 42 en 44. Er is dan ook een werkwijze ontwikkeld voor het aanbrengen van een grote laspotentiaal op de in elkaar geneste flenzen met behulp van de inrichting door te voorzien in een opgangbreng-mechanisme met niet nader weergegeven naven 20 of pennen, die zijn opgesteld nabij de baan van de kontakt-orgaansledm 234, zodat, indien de sleden worden verplaatst door de inwerking van de desbetreffende schroefspindels 230 er een grotere lasimpuls zal worden aangebracht op de voorste laspunten 156F, die in ingrijping zijn met de elkaar 25 overlappende en in elkaar geneste flenzen van de kernstrippen 48. Daardoor wordt een lasklompje met een grotere indringing verkregen bij de voorste laspunten 156F zonder daarbij de op de andere laspunten aangebrachte stroom te wijzigen.
30 Door de opgangbreng-inrichting volgens de uitvinding is het mogelijk selektieve laspatronen te vormen, waarbij op ieder van de laspunten een groterlaspotentiaal kan worden aangebracht. Het is met behulp van deze middelen ook mogelijk panelen te verkrijgen welke bestaan 35 uit verschillende kern en dekplaatlagen waarin de kern kan worden vastgezet aan het buitenvlak van een van de dekplaten door een enkele bovenste dekplaat aan te brengen en de 800 0 1 18
- 33 - 21086/CV
la se le ktr ode vingers intelsteken in sanenwerkende verhouding met de kernkonstruktie voor het bevestigen van de onderste flenzen daarvan in werkzame verhouding met het buitenvlak van een van de dekplaten.
5 Met de schroefvijzeis zijn schroefblokken i 242 gekoppeld die (fig. 15) zijn opgebouwd uit twee van schroefdraad voorziene helften 244, die in werkzame verhouding ten opzichte van elkaar worden gehouden met behulp van bouten 246. De blokken 242 kunnen uit werking worden 10 gesteld door de bouten op te lossen waardoor veren 248 de beide helften van het blek 242 uit elkaar zullen drukken en uit ingrijping met de schroefdraad van de schroefspindels 230.
Een deel van het elektrische verdeelsysteem dat voorziet in lasstroom voor de kontaktorgaansleden 234 15 is weergegeven in fig. 16 en is voorzien van een aantal stroomrails 252, die met behulp van geleiders 254 elektrisch zijn verbonden met de lasregelorganen.
Ofschoon het denkbaar is een enkele kon-taktorgaanslede en de desbetreffende kontakten en scharnier-20 bevestigingen voor ieder van de vijzels aan te brengen zal de tijd nodig voor het overbruggen van de totale lengtes van de scnroetspiadelg bij het vervaardigen van een verhoudingsgewijs > breed paneel op ongewenste wijze de produktivi-teit van de inrichting 10 nadelig beïnvloeden. De cassettes 25 160 zijn daarom ook opgesteld in groepen van een gekozen aantal, bijvoorbeeld zestien cassettes 160 en een afzonderlijke kontaktorgaanslede 234 wordt gedwongen te werken in de desbetreffende sektor omsloten door de breedte van het gekozen aantal cassettes 160. Soortgelijke opstellingen 30 strekken zich uit over de breedte van de inrichting 10 en zodoende worden de verschillende gebieden van het paneel gelijktijdig gelast door een aantal vingers en de afzonderlijke daarmee samenhangende kontakten 210 waardoor de tijd nodig voor de lasstap aanzienlijk wordt verminderd en uiter-35 aard de afstand waarover de afzonderlijke kontaktsamenstel-len 210 moeten worden verplaatst eveneens aanzienlijk wordt verminderd.
80 0 0 1 18
- 34 - 21086/CV
Het tot stand komen van de laskringloop van het bevestigings-gedeelte.
Indien de kontaktorgaansledes 234 hun desbetreffende sektors geheel hebben doorkruist en het tweede 5 laspatroon hebben voltooid, bereiken zij de begrenzingen van hun beweging en bedienen zij een niet nader weergegeven taster voor het beëindigen van de werking van de spindels 23Ο en de sleden 234 zelf.
Het in werking stellen van de taster be-10 werkstelligt het leeglopen van de luchtzakken 122, welke de klauworganen 120 in de uitgeschoven stand houden waarin de laspunten 156 van de elektrodevingers 152 tegen de desbetreffende delen van de bevestigingsflenzen 52 van de kern-strippen 48 worden gehouden.
15 Het leeglopen van de luchtzakken 122 maakt het mogelijk, dat de niet nader weergegeven torsie-veren, die samenwerken met de klauworganen 120, de klauworganen naar elkaar toe drukken, waardoor de laspunten 156 worden vrijgemaakt van de lasgebieden. Gelijktijdig wordt 20 het bedieningssamenstel 90 (fig* 30) bekrachtigd om te bewerkstelligen, dat de hydraulische cylinder 92 de eerste lasslede 20 in een richting tegen de wijzers van de klok verdraait en de daarop aangebrachte lasklauwen 112 en klauworganen 120 uit de bovenste lasstand terugtrekt en het 25 hele samenstel in de teruggetrokken in fig. 3 afgebeelde laadstand beweegt.
Het zijdelingse verplaatsinganrga.aji vnius-ciA—•im.rrt.nHiga. lasslede.
Zoals hierboven vermeld is de as 84, welke 30 de eerste lasslede 120 draagt, zijdelings beweegbaar teneinde het vormen van het eerste en het tweede laspatroon (afgebeeld in fig. 8-12) mogelijk te maken door het mogelijk te maken, dat het eerste laspatroon wordt gevormd waarna de laselektrodevingers 152 over een verhoudingsgewijze korte 35 afstand worden verschoven om te bewerkstelligen, dat zij botsen op ongelaste gebieden tussen de voordien gevormde lassen van het eerste laspatroon en om de vorming van het tweede 800 0 1 18 - 35.-. 21086/cv laspatroon te bewerkstelligen, hetgeen resulteert in een gelijkmatige opeenvolging van lasverbindingen op de flenzen 52 van de kernstrippen 48.
Het orgaan 250 voor de zijdelingse verplaat-5 sing is schematisch in fig. 1 weergegeven en omvat een hydraulische cylinder 252', die met behulp van een arm 254 is verbonden met de as 84, zodat de hydraulische cylinder de as 84 zijdelings over de gewenste afstand kan bewegen voor het tot stand brengen van de vorming van het tweede 10 laspatroon.
De afstand waarover de hydraulische cylinder 252 de as 84 kan bewegen, wordt bepaald door instelbare aanslagen 256. De aanslagen zijn instelbaar zodat het mogelijk is om de afstand waarover de as 84 onder de daarop 15 door de hydraulische cylinder 252 aangebrachte aandrijf-kracht kan worden verplaatst in te stellen op de gewenste breedte van de eerste en de tweede laspatronen, die worden gevormd door de werking van de laselektrodevingers 152.
Indien dan ook de voltooiing van het las-20 patroon is verkregen door het maken van de eerste en tweede series lasverbindingen en de eerste flenslasslede 20 is teruggetrokken uit de in fig. 6 weergegeven bovenste las-stand worden de as 84 en uiteraard de eerste lasslede 20 over een. halve celbreedte verschoven voor het verkrijgen 25 van de juiste opstelling vooi tiet volgende in te steken kernelement. Er zijn dus voor een laspatroon met twee standen vier standen van de as 84, namelijk: 1. een halve celbreedte naar links verschoven, patroon naar links verschoven? 30 2. een halve celbreedte naar links verschoven, patroon naar rechts verschoven; 3· een halve celbreedte naar rechts verschoven, patroon naar rechts verschoven; 4. een halve celbreedte naar rechts verschoven, patroon 35 naar links verschoven.
De konstruktie en werking van de tweede knooplasslede 30·
Zoals hierboven aangeduid, wordt de neer- 800 0 1 18 • r ^
-36 - 21036/CV
waartse beweging van de eerste flenslasslede 20 vergezeld door de naar beneden gerichte draaiing van de tweede las-slede 30, (fig.5), zodat, indien de eerste lasslede de uiterste grenzen van zijn beweging afgebeeld in fig. 3 be-5 reikt, de tweede lasslede in zijn onderste stand zal zijn gelegen waarin de lascyclus resulterende in het lassen van de knoopgebieden 54 en 56 van naburige kernstrippen 48 kan worden bewerkstelligd op hieronder nader te beschrijven wijze.
10 De tweede lasslede is draaibaar aangebracht op een as 260 met behulp van bevestigingsarmen 262 (fig. 3 en 5-6], Voor het bewerkstelligen van de beweging van de tweede lassiede 30 gelijktijdig met de eerste lasslede 20 verbindt een niet nader weergegeven koppelmechanisme assen 84 15 en 260, zodat gelijktijdige draaiing van de assen plaats vindt ter bewerkstelliging van gelijktijdige beweging van de sleden 20 en 30.
De knooplaskop.
Op de slede 30 is een langgestrekte knoop-20 laskop 270 draaibaar aangebracht. De kop 270 is, zoals het beste weergegeven in de fig. 3, 5 en 6, draaibaar met behulp van een hydraulische cylinder 272 waarvan het huis 274 om een as 276 draaibaar is ten opzichte van een van de de tweede slede ondersteunende armen 262. De langgestrekte 25 laskop strekt zich zo over de inrichting 10 uit, dat de kop op een nader te beschrijven wijze het lassen van de knoopgebieden 54 en 56 van naburige kernstrippen 48 aan elkaar kan bewerkstelligen.
Met de hydraulische cylinder 272, met 30 behulp waarvan een relatieve draaiing van de laskop 270 ten opzichte van de slede 30 kan worden bewerkstelligd, happeen beweging-beperkend orgaan 278 samen, dat dient ter begrenzing van de mate waarover de langgestrekte laskop 270 kan worden gedraaid ten opzichte van de tweede lasslede 230.
35 De konstruktie en samenbouw van verschil lende komponenten van de laskop 270 zijn het beste weergegeven in de fig. 20-24. De laskop 270 omvat een langgestrekt 8000118 - 37 - 21086/cv huis 280, dat is voorzien van een aantal boringen 282 (fig. 23-2*0, voor het opnemen van afzonderlijke laspunt-samenstellen 284. Ieder van de laspuntsamenstellen 284 (fig. 20y 23 en 24) omvat een langgestrekte cylindrische as 5 286 welke tussen zijn uiteinden is voorzin van een zuiger 288. De zuiger 288 is voorzien van zich langs de omtrek daarvan uitstrekkende afdichtringen 292 die zijn gelegen in groeven 293. Een althans in hoofdzaak vierkant voorste uiteinde 294 van de as 286 is voorzien van een schroefdraad 10 bezittende boring 296 voor het opnemen van het van overeenkomstige schroefdraad voorziene achtereinde 298 van de knooplaspunt 300.
In het vooreinde van de langgestrekte boring 282 in het lichaam 280 is een laspuntgeleiding 302 15 (fig. 23-24) ingestoken, welke dient voor het geleiden van het vierkante vooreinde 294 van de as 286 met behulp van een overeenkomstig gevormde geleidingsbaan 304 in de vooreinde daarvan. Het achtereinde 306 van de as 286. is geleid in een bus 308, die in het achterste deel van de boring 20 282 is aangebracht. Verder omvat het uiteinde 306 een van schroefdraad voorziene boring 312 voor het opnemen van een borgschroef 314 met het oog op een hieronder nog nader te beschrijven doel.
Een langgestrekt verdeelstuk 316 voor 25 onder druk staande lucht strekt zich over de lengte van het huis 280 uit en staat via een poort 318 in verbinding met de langgestrekte boring 282 teneinde een kontinue druk op de achterzijde van de zuiger 288 te houden en zo, gezien in fig. 23, de zuiger 288 naar rechts te dringen en de 30 knooplaspunten 300 naar buiten in ingrijping met het corresponderende deel van het knoopgebied 56 van de bij het knoop-gebied te lassen kernstrip 48 te drukken (fig. 4 en 34).
Daardoor zal de laspunt 300 normaal botsen op het naburige oppervlak van het desbetreffende knoopgebied 35 van de kernstrip 48 tengevolge van de kontinue druk uitgeoefend op de zuiger 288 waardoor de laspunt 300 in de las-stand wordt gedrongen. Aangezien echter de laspunt 300 en
- 38 - 21086/cV
alle daarmee samenhangende laspunten door een vertikaal laspatroon moeten worden bewogen van de bovenzijde naar de onderzijde of de onderzijde naar de bovenzijde van ieder knoopgebied dat te lassen is, is het noodzakelijk de las-5 punt 300 van een voor het lassen werkzame ingrijping met het knoopgebied van de te lassen kernstrip 48 terug te trekken. Deze terugtrekwerking wordt bewerkstelligd door een terugtrekorgaan 320 (fig. 23-24).
Het terugtrekorgaan omvat een langgestrek-10 te draaibare nok 322, die is aangebracht op een as 324 en is voorzien van een vlakke kant 326. De nok 322 is in ingrijping te brengen met een terugtrekhefboora 328, die met behulp van een as 332 scharnierend met het huis 280 is gekoppeld en die aan zijn ondereinde is voorzien van een 15 boring 334 waarin het verdunde cylindrische gedeelte 306 van de as 286 is ingestoken en daarin wordt vastgehouden met behulp van de hierboven genoemde borgschroef 314. Indien de as 324 wordt gedraaid, wordt de nok 322 op overeenkomstige wijze gedraaid voor het opeenvolgenden ingrijping 20 brengen van de cylindrische en vlakke delen van de nok 322 met het overeenkomstige doorgaande oppervlak van de terug-trekhefboom 328. Indien het cylindrische deel van de nok 322 in ingrijping is met de hefboom 328 veroorzaakt dit het terugtrekken van de laspunt 300 uit ingrijping met het 23 corresponderende deel van het knoopgebied van de te lassen kernstrip 48.
Indien daarentegen de vlakke kant 326 van de nok 322 aanligt tegen het binnenoppervlak van de hefboom 328 staat de hefboom 328 (fig. 23) de naar buiten 30 gerichte beweging van de as 286 en de daarbij behorende laspunt 300 toe om te bewerkstelligen, dat het uiteinde van de laspunt 300 botst tegen het desbetreffende deel van het te lassen knoopgebied (fig. 4 en 23).
Een in een werkzame verhouding ten op-35 zichte van de tweede slede 30 opgestelde aandrijfmotor 340 (fig. 1-2) is verbonden met een aandrijfas 342 (fig. 21) voor het aandrijven van de nokkenas 324 waarop de nokken 800 0 1 18 - 39 - 21086/cv 322 zijn aangebracht.
In fig. 21 is het de beweging beperkende orgaan 278, dat de draaiing van het huis 280 van de las-kop 270 voor het regelen van de beweging van de laspunten 5 300 indien zij door het knooplaspatroon worden bewogen, beperkt. Op een uiteinde van de zuigerstang 328 van de hydraulische cylinder 272 is een instelbare schijf 332 aangebracht, welke beweegbaar is tussen instelbare begren-zingsschakelaars 334 en 336, die de maximale begrenzing van 10 de beweging van de laskop 270 bepalen door de scharnierende verbinding van de kop en de zuigerstang. De bovenste en onderste bewegingsgrenzen van de laspunten 300 (fig. 4) onder inwerking van de hydraulische cylinder 272 kunnen worden bepaald en kunnen worden ingesteld ter aanpassing 15 aan panelen vein verschillende diktes met kernstrippen van verschillende afmetingen·
De laspunten 300 worden gevoed met las-stroom vanaf een lasregelcircuit en worden bekrachtigd door omzettere 344, die worden ondersteund op de tweede 20 laskop 30 (fig. 3)·
Indiei de laspunten 300 omhoog worden bewogen uit de onderste stand (fig. 4) of naar beneden vanuit een bovenste stand naar een onderste stand, wordt het terug-trekorgaan 320 in werking gesteld in samenhang met de las-25 regelingen waardoor, indien de laspunten 300 uit de werkzame verhouding met de knoopgebieden 56 en 54 van naburige kernstrippen 48 worden teruggetrokken, de lascircuits niet worden bekrachtigd. Zodra echter de laspunten 300 in ingrij-ping worden bewogen met de te lassen delen van de knoop-30 gebieden 56 en 54 worden de lascircuits in werking gesteld voor het bekrachtigen van de laspunten 300.
Het zijdelingse verschuiforgaan voor de tweede slede 30.
Zoals duidelijk zal zijn aan vaklui op dit gebied zal iedere kernstrip 48, welke wordt ingestoken 35 in samenhang met een voordien ingestoken kernstrip 48 een zijdelingse verschuiving van de knoopgebieden /zich meebrengen, zoals duidelijk weergegeven in de fig. 9-11* Met andere 800 0 1 18
- 4θ - 21086/CV
de woorden/bij een opstelling zijn /Laspunten 300 gelegen in de trog van een golving, zoals aangeduid door de pijlen 204 in fig. 11 en in de daaropvolgende opstelling moeten de laspunten 300 in kontakt komen met een trog, welke is gelegen 5 in ingrijping met de voordien gelaste strip en al naar het geval naar links of rechts is verschoven.
Voer het bewerkstelligen van de zijdelingse verschuiving van de knooplaskop 270 is een zijschuif-orgaan 350 (fig. 1) aangebracht. Dit schuiforgaan omvat 10 een hydraulische cylinder en begrenzingsschakelaars (niet weergegeven), welke de grootte van de zijdelingse verschuiving van de as 260 en zodoende de zijdelingse verschuiving van de afzonderlijke laspunten 300 bepalen.
Indien de eerste laskop over een halve 15 cel naar links is verplaatst wordt de tweede laskop over een halve cel naar rechts verplaatst en vice versa.
Na de voltooiing van de knooplashandeling op een kernstrip bekrachtigen automatische schakelmiddelen het bedieningssamenstel 90 voor het terugtrekken van de 20 tweede knooplaskop 30 uit de werkzame ingrijping met het paneel 40 en voor het bewegen van de tweede laskop 30 naar de bovenste in fig. 6 afgebeelde stand. Zoals hierboven aangeduid vindt, indien een beweging van een van de sledes plaats vindt, een gelijktijdige beweging van de andere 25 slede plaats en de opwaartse beweging van de tweede lassle-de 30 wordt vergezeld door gelijktijdige opwaartse beweging van de eerste lasslede 30 in de werkzame stand.
Tijdens de beweging van de sbdes kunnen de dekplaten 42 en 44 stapsgewijze naar beneden respektieve-30 lijk omhoog worden gevoerd met gelijktijdige beweging van het julc 70 en de wigblokken 354, welke deel uitmaken van het juk (fig. 2, 28-29)· Zoals hierboven vermeld kan het juk 70 zijn verbonden met een hydraulische motor, welke zal bijdragen in het trekken van het paneel tussen de gelei-33 dingsstaven 74, maar het is ook denkbaar, dat de enige aan-drijfkracht voor het juk zal worden gevormd door de stapsgewijze toevoer van het paneel 40 vanaf het aflevereinde 800 0 1 18 *
- 41 - 21086/CV
van de inrichting 10.
De wigblokken 35 ^ (fig. 28 en 29) omvatten huizen 356, waarin onder veerspanning staande wigorganen 358 zijn opgenomen , welke het mogelijk maken het juk 5 naar achteren te bewegen naar de buiteneinden van de gelei-dingsstaven 7^» maar welke voorkomen, dat het juk naar de inrichting 10 beweegt, tenzij de wigorganen zijn vrij-geniaakt door het indrukken van een daarbij behorende pen 362. Dientengevolge worden het paneel 40 en de dekplaten 10 42 en 44 in de gewenste stand van optimale spanning en vlakheid gehouden teneinde de evenwijdige ligging van de dekplaten 42 en 44 ten opzichte van elkaar te handhaven tijdens de van belang zijnde plaatsing van de dekplaten in de keel 370 van de inrichting 10, zoals het beste is weer-15 gegeven in de fig. 3» 5 en 6.
Indien de dekplaten 42 en 44 in de keel worden ingetrokken bewegen zij langs een aantal in een boog opgestelde steunstaven 372 (fig. 1 en 4).
De konstruktie en werking van de keel van de inrichting.
20 De keel 370 wordt, zoals het beste is weergegeven in de fig. 3-6, begrensd door een paar geleidende keelklauwen, · gevormd door een onderste klauw 376 en een bovenste klauw 378. De klauwen 376 en 378 zijn (fig. 3» 5, 6 en 25-27) gevormd door langgestrekte rechthoekige 25 staven, die met behulp van hieronder nader te beschrijven konstrukties op eveneens hieronder nader te beschrijven wijze naar en van elkaar af beweegbaar zijn. De basisfunk-tie van de klauwen is het handhaven van een maximale evenwijdige ligging van de dekplaten 42 en 44 van het te ver-30 vaardigen paneel 40 ten opzichte van elkaar en het handhaven van de maximale lasingrijping van de dekplaten met de kernstrip 48, die aan de binnenvlakken van de dekplaten 42 en 44 moeten worden gelast en verder het handhaven van de te lassen knoopgebieden van de kernstrip 48 in een werk-35 zame verhouding ten opzichte van elkaar voor het verkrijgen van een maximale lassamenhang.
Opgemerkt wordt, dat het basisverschil 800 0 1 18 c
- 42 - 21086/CV
tussen de werking van de onderste klauw 376 en de bovenste klauw 378 is gelegen in het feit, dat de onderste klauw 376 is aangepast om uit kontakt met de onderste dekplaat 42 te worden bewogen iedere keer dat het te vervaardigen 5 paneel 40 door de inrichting wordt vooruitbewogen, terwijl de bovenste klauw 378 slechts in instellingsrichting beweegbaar is, dat wil zeggen, zoals hieronder nog nader zal worden beschreven, dat de bovenste klauw 378 wordt ingesteld ter aanpassing aan verschillende diktes van het 10 paneel, terwijl de onderste klauw 376 dienst doet als klemorgaan voor de komponenten van het te vervaardigen paneel en deze komponenten tegen beweging vergrendelt door het paneelsamenstel omhoog naar de bovenste klauw 378 te dringen.
15 Het bedieningssamenstel 380 van de onderste klauw 376 (fig. 25 en 26) omvat een hydraulische cylinder 382, die met een einde scharnierend is verbonden aan een bevestigingsblok 384, Een zuigerstang 386 is verbonden met een hefboom 388, welke verder is verbonden met 20 een bedieningsstaaf 392. De bedieningsstaaf 392 is aangepast voor het bewegen van bedieningshefbomen 394 langs de lengte van de klauw 376.
De binneneinden van de hefbomen 388 en 394 worden gevormd door van schroefdraad voorziene bovenste 25 en onderste naven 396 en 398. In de onderste naven 398 zijn instelschroeven 402 geschroefd en door draaiing van de schroeven 402 in de van schroefdraad voorziene naven 398 kunnen de hefbomen 388 en 394 omhoog en omlaag worden bewogen. Borgmoeren 4o4 voorkomen een onbeoogde draaiing 30 van de instelmiddelen. Schroeven 4o6 zijn in de naven 396 geschroefd en scharnierend verbonden met een langgestrekte slede 4o8, welke op zijn beurt is verbonden met de onderste klauw 376, welke beweegt op een geleidingsbed 412.
Indimde komponenten van het door de 35 dekplaten 42 en 44 en de kernstrippai 48 te vormen paneel worden gevoed in de keel 370 van de inrichting wordt de onderste klauw 376 teruggetrokken naar de onderste in fig.26 50 0 d ,1 r ·
- 43 - 21086/CV
weergegeven stand. Indien echter de onderdelen op hun plaats zijn en juist zijn gericht ten opzichte van elkaar in de stand waarin zij aan elkaar moeten worden gelast, wordt het onderste klauworgaan 376 omhoog bewogen naar de bovenste 5 stand A (fig. 26) om de verschillende onderdelen van het paneel in werkzame ingrijping met elkaar vast te klemmen en een verschuiving van deze onderdelen tijdens het lasproces te voorkomen.
Zoals hierboven vermeld is de bovenste 10 klauw 378 beweegbaar ten opzichte van de onderste klauw 376 opgesteld waardoor de maximale of minimale afmeting van de keel 370 kan worden ingesteld en ook de relatieve stand van de knooplasslede 30 kan gelijktijdig worden ingesteld, zodat de laspunten 300 daarvan op de juiste wijze kunnen worden 15 geplaatst ten opzichte van de vergrote of verkleinde afmetingen van de in het grotere of kleinere paneel opgenomen kernstrippen.
Het instelorgaan 420 voor de bovenste klauw 378 is afgebeelddn fig. 27 en het zal duidelijk zijn, 20 dat aan weerszijden van de inrichting instelorganen 420 zijn opgesteld om gelijktijdige en gelijke instelling van de bovenste klauw 378 en de knooplasslede 30 te waarborgen.
Het instelorgaan 420 omvat een handkruk 422, (fig. 2) met behulp waarvan een ketting 424 is aange-25 dreven, welke ketting is gevoerd over kettingwielen 426 die de aandrijfreeks van het ook in fig. 27 afgebeelde instelorgaan vormen.
Met een van de kettingwielen 426 is een snaarschijf 428 verbonden. Vanaf de snaarschijf 428 kan een 30 overeenkomstige snaarschijf 432 worden aangedreven via een riem 434. Ieder van de snaarschijven 428 en 432 is bevestigd aan een samengestelde leiöschroef 440, welke is voorzien van een eerste van schroefdraad voorzien gedeelte 442 met een verhoudingsgewijze fijne draad en een tweede van schroef-35 draad voorzien gedeelte 444 met een verhoudingsgewijze grove draad indien vergeleken met de draad 442. De bovenen ondereinden van de stelschroeven 440 zijn aangebracht 800 0 1 18
- 44 - 21086/CV
in bussen 446 en 448 en draaiing van de stelschroeven wordt bewerkstelligd door draaiing van de kruk 422 (fig. 2), hetgeen corresponderende beweging van de ketting 424 en de kettingwielen 426 veroorzaakt waarbij deze beweging in een 5 draairichting door de snaarschijven 428 en 432 wordt overgebracht op de stelschroeven 44o.
Op de van fijne schroefdraad voorziene delen 442 van de stelschroeven 440 is met behulp van van overeenkomstige schroefdraad voorziene bussen 452 een beves-10 tigingsblok aangebracht, dat de draaibare as 260 van de tweede, knooplasslede 30 ondersteunt. Indien dan ook de stelschroeven 440 worden gedraaid wordt het blok op of neerbewogen voor het instellen van de relatieve stand van de slede 30 ten opzichte van de keel 270.
15 De onderste, van grove schroefdraad voor ziene uiteinden 444 van de stelschroeven 440 zijn in ingrij-ping in bussen 448, die zijn gelegen in een blok 452, dat is bevestigd aan de bovenste keelklauw 378, zodanig dat een verdraaiing van de stelschroeven 440 een overeenkomstige 20 omhoog of omlaag gerichte beweging van de bovenste klauw 378 kunnen veroorzaken. Opgemerkt wordt, dat de middendelen van de stelschroeven 440 tegen axiale beweging zijn geborgd door ribben 454, die in ingrijping zijn met corresponderende groeven 456, die zijn aangebracht in/een vast blok 458 25 gemonteerde bussen.
De verhouding tussen de fijne schroefdraad op.de delen 442 en de grove schroefdraad op de delen 444 van de stelschroeven 440 wordt duidelijk uit het feit, dat de laspunten 300, die door de as 260 op de tweede slede 30 30 worden gedragen, altijd moeten zijn gelegen in een bepaalde afstandsverhouding met de keel 370. Indien dan ook de bovenste klauw 378 naar beneden wordt verschoven over een bepaalde afstand, bijvoorbeeld over 0,005 duizendste, zal het de as 260 van de slede 30 ondersteunende blok 0,0025 naar 35 beneden worden bewogen, zodat de slede slechts over de helft van de afstand van de bovenste klauw 378 zal worden verschoven .
80 0 0 1 18
- 45 - 21086/CV
Opeenvolgende werking van de inrichting 10.
s In fig, 31 is een schema van opeenvolgende handelingen weergegeven, waarbij grofweg de opeenvolging van bij gebruik van de inrichting 10 optredende stappen is 5 aangeduid. Aan de linkerzijde van het schema met de kop ’’Outputs” welke de hoofdfunktie, dat is de output van de machine op het desbetreffende tijdstip, aanduidt, zijn de verschillende belangrijkste opeenvolgende stappen, die plaats vinden, aangegeven. Zoals echter uit een bestudering 10 van het schema en de hieronder volgende uiteenzetting duidelijk zal zijn vinden talrijke ondergeschikte stappen plaats met de in de linkerkolom aangeduide hoofdstappen.
Aan de bovenzijde van het schema is zowel verwezen naar bestanddelen van de inrichting 10 als naar 15 de hoofdfunkties van de inrichting.
Ieder van deze handelingen is aangeduid door een volgordenummer in de linkerkolom op het overzicht en naast deze linkerkolom zijn numerieke aanduidingen voor de belangrijkere mieroschakelaars of sensors, welke het 20 op gang brengen en onderbreken van de opeenvolgende funkties bepalen. De stappen van de volgorde hangen dus samen met de desbetreffende sensor, welke het op gang brengen van de funktie bepaalt. Op soortgelijke wijze is aan de rechterzijde van het overzicht in de eerste genummerde kolom een 25 numeriek sensoraanduiding, welke de onderbreking van de desbetreffende volgorde als bepaald door de desbetreffende sensor samenhangend met de volgorde, aangeeft.
De aanvankelijke stap van een totale opeenvolging van de werking van de inrichting 10 omvat het 30 aanbrengen van de kernstrip of het lint 48 op het laselek-trode-orgaan 150 zoals gevormd door de laselektrodevingers 152.
Een met de hand bediende schakelaar wordt ingedrukt bij het op gang brengen van opeenvolging 1, welke 35 bewerkstelligt, dat de eerste slede 20 de kernstrip 48 omhoog brengt in de lasstand tussen de dekplaten 42 en 44. Indien de aanvankelijke beweging van de eerste slede 20 plaats 800 0 1 18
- 46 - 21086/CV
vindt wordt de slede naar de rechterzijde van de inrichting 10 versteld. De onderste keelklauw is open teneinde een insteken van de kernstrip 48 in de lasstand mogelijk te maken en de tweede slede 30 is in de niet-werkzame stand 5 gelegen.
In de tweede opeenvolging van handelingen wordt de onderste keelklauw omhoog bewogen in ingrijping met de onderste dekplaat 44 om de verschillende bestanddelen van het paneel 40 in werkzame verhouding met elkaar vast 10 te klemmen en te waarborgen, dat zij op juiste wijze zullen zijn opgesteld tijdens de daaropvolgende laskringloop.
In de derde operationele opeenvolging blijven alle voorgaande stappen hetzelfde, maar de hoge luchtdruk wordt aangebracht op de luchtzakken 122 teneinde 13 de klauworganen 120 naar buiten en van elkaar weg te dringen opdat de laselektrodevingers 152 en meer in het bijzonder de laselektrodepunten 156 daarvan stevig worden gedrongen tegen de bevestiging of flensgedeelten 50 en 52 van de kern-strippen 48 en worden voorbelast, zodat de laspunten 156 het 20 gesmolten metaal zullen volgen tijdens de smeltfase van de lascyclus.
De vierde opeenvolgingsstap omvat het op gang brengen van de lascyclus door beweging van het kon-taktorgaan 210 naar links te bewerkstelligen. Indien het 25 eerste laspatroon (fig. 9 en 10) is voltooid, wordt de dwars-beweging van het kontaktorgaan 210 beëindigd door de werking van de desbetreffende begrenzingsschakelaar en de inrichting 10 wordt automatisch gereed gemaakt voor het tot stand brengen van het tweede laspatroon (fig. 11 en 12).
30 Voor het bewerkstelligen van de overgang van de conditie van de inrichting 10 voor het eerste laspatroon naar de conditie voor het tweede laspatroon bewerkstelligt opeenvolging 5 van de opeenvolgingsstappen dat de hoge luchtdruk in de luchtzakken 122 wegvalt. Hierdoor kunnen 35 de klauworganen 120 naar elkaar toe bewegen door de werking van de niet nader weergegeven torsieveren terwijl daarbij de laspunten 156 van de laselektrodevingers 152 worden vrijge- 80 0 0 1 18
- 47 - 21086CV
maakt van de onder voorbelasting staande ingrijping met de flenzen 52 van de kernstrippen 48, zodat de laspunten 156 kunnen worden verschoven in voorbereiding van de vorming van het tweede laspatroon.
5 De aanvankelijke nummer 6 opeenvolging omvat het naar buiten verplaatsen van de primaire slede 20 door de hydraulische cylinder 98 waardoor zijdelingse beweging van de slede 20 in een daaropvolgende opeenvolgings-stap mogelijk wordt.
10 In de daaropvolgende opeenvolgingsstap 7 worden de slede 20 en de daarop aangebrachte lasorganen 150 naar links verplaatst zoals hierboven beschreven om de laselektrodevingers 152 te plaatsen in de aanvangsstand waarin zij zijn opgesteld voor het vormen van het tweede 15 laspatroon.
De stap 8 omvat de inwaartse beweging van de eerste lasslede 20 waarmee vergezeld gaande inwaartse beweging van de laselektrodevingers 152 in een stand, waarin zij zijn gelegen boven de gebieden 50 van de kernstrippen 48 20 die in het tweede laspatroon moeten worden gelast.
Na de plaatsing van de elektrodevingers 152 met behulp van de verplaatsingsorganen van de vingers naar links en naar binnen gerichte beweging in de lasstand wordt bij stap 9 onder hoge druk staande lucht ingelaten 25 in de luchtzakken 122 waardoor de elektrodevingers 152 in de hierboven beschreven onder voorbelasting staande stand worden bewogen.
Bij opeenvolgende stap 10 worden de kontakt-organen 210 naar rechts bewogen voor het tot stand brengen 30 van het tweede laspatroon. De onder hoge druk staande lucht w.ordt dan uit de zakken 122 weggelaten bij stap 11 en de elektrodevingers 152 worden vrijgegeven uit de voorbeléste stand, zodat stap 12 een naar beneden gerichte beweging van de slede 20 kan bewerkstelligen. Zoals hierboven beschre-35 ven wordt de neerwaartse beweging van de primaire slede 20 vergezeld door gelijktijdige neerwaartse beweging van de tweede slede 30 teneinde de knooplaskop 270 in de lasstand 8000118
_ 48 - 21086/CV
te plaatsen. Het lassen van de knopen 5^· en 56 van naast elkaar geplaatste kernstrippen 48 wordt bewerkstelligd door opeenvolgingsstap 13 en de onderste keelklauw wordt gedurende stap 14 vrijgegeven teneinde een vooruitbewegen van het 5 paneel 40 mogelijk te maken in de stand waarin het paneel een nieuw kernlint of strip 48 van de eerste slede 20 kan opnemen gedurende een daaropvolgende serie van opeenvolgende stappen.
In de volgende serie van opeenvolgende 10 stappen 15-29 is er een herhaling van de hierboven omschreven stappen 1-14, zodat het niet noodzakelijk zal zijn om dit in het schema weer te geven. Tengevolge van de dubbele verstelling of verschuiving van de slede 20 moeten echter alle stappen op de weergegeven afbeelding zijn voltooid 15 voordat alle funkties terugkeren naar 00. Aan vaklui op dit gebied zal het duidelijk zijn, dat uiteraard, indien gewenst, bepaalde stappen kunnen worden weggelaten, bijvoorbeeld indien slechts een lassen van de kernstrippen 48 in werkzame verhouding met de dekplaten 42 en 44 is gewenst in verband 20 met de kernvormgeving, waarbij een knooplassen van de kernstrippen niet plaats vindt.
Verder wordt opgemerkt, dat de geleidende keelklauwen 376 en 378 de aarding voor de lasdtrcuits vormen.
Het veelvoudige kontaktorgaan, dat hier-25 boven is omschreven , is niet slechts een nieuwe werkwijze voor het opeenvolgend aanbrengen van lasstroom (of spanning) op de elektrodevingers van het inwendige lasorgaan, maar kan evengoed worden gebruikt voor het opeenvolgend aanbrengen van lasstroom of spanning op knoopkolomlasvérbindingen of 30 op iedere gelaste verbinding waarin een aantd. op afstand van éLkaar gelegen lasverbindingen wordt vereist.(Een oogmerk van de uitvinding is het gebruiken van een verplaatsbaar kontakt of orgaan voor het voltooien van het tweede circuit van een lasomzetter en daarmee samenhangende laselektroden 35 zodanig dat laselektroden opeenvolgend worden bekrachtigd door de lasomzetter of nu het aantal elektroden klein is, bijvoorbeeld 2 of groot, bijvoorbeeld 600).
800 0 1 18 » « - 49 - 21086/cv
Conclusie»
Zoals hierboven in de beschrijving van de konstruktie en de wijze van de werking van de inrichting 10 is vermeld kunnen verschillende elementen en onderdelen 5 daarvan worden vervangen door onderdelen, die een andere konstruktie hebben, welke funktioneren voor het verkrijgen van hetzelfde uiteindelijke doel. Het is dan ook niet de bedoeling te zijn beperkt tot specifieke elementen van de konstruktie maar veeleer een inrichting 10 te verkrijgen 10 bestaande uit een aantal onderdelen die zijn ontworpen voor het bewerkstelligen en verkrijgen van de konstruktie en wijze van werking zoals bedoeld binnen de geest en bescher-mingsomvang van de uitvinding.
800 0 1 18

Claims (36)

1. Lasinrichting voor het lassen van metalen dekplaten aan metalen kernstrippen, die zijn gelegen in een holte tussen de dekplaten, waarbij de kernstrippen zijn 5 voorzien van bevestigingsgedeelten voor het lassen aan aansluitende en tegenover elkaar gelegen binnenvlakken van de dekplaten, waarbij de inrichting is voorzien van een laskop, die in en uit de holte te bewegen is, laselektrode-middelen op de laskop waarbij de laselektrodemiddelen in 10 ingrijping te brengen zijn met een kernstrip om de kern-strip in de holte te dragen indien de laskop in de holte wordt bewogen, van middelen voor het bewegen vande lasèlek-trodemiddelen teneinde de bevestigingsgedeelten van de kern-strip in ingrijping met de binnenvlakken van de dekplaten 15 te brengen en van middelen voor het regelen van de laspoten-tiaal, welke te verbinden zijn met een bron of laspotentiaal en zijn aangepast voor het aanbrengen van laspotentiaal over de laselektrodemiddelen voor het lassen van de bevestigingsgedeelten van de kernstrip aan de binnenvlakken van de 20 dekplaten.
2. Lasinrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het laspotentiaal wordt aangebracht over de laselektrodemiddelen en de dekplaten.
3. Lasinrichting volgens conclusie 1 of 2, 25 met het kenmerk, dat de laskop is verbonden met middelen voor het zijdelings verplaatsen van de laselektrodemiddelen ten opzichte van de kernstrip voor het vormen van een eerste en tweede serie van inwendige lasverbindingen, die tussen elkaar zijn gelegen voor het vormen van een doorgaande 30 serie lasverbindingen welke de bevestigingsdelen van de kernstrip in werkzame verhouding met de binnenvlakken van de dekplaten verbinden. b. Lasinrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat een aantal afzonderlijke 35 huizen voor de laselektrodemiddelen losneembaar zijn bevestigd aan de laskop zodat indien een van de laselektroden in kwaliteit achteruit gaat het desbetreffende huis kan 800 0 1 18 - 51 - 21086/CV worden verwijderd en vervangen door een soortgelijk huis zonder dat daarbij alle laselektroden moeten worden verwijderd.
5. Lasinrichting volgens een der voorgaande 5 conclusies, met het kenmerk, dat de laspotentiaal op de dekplaten wordt aangebracht met behulp van keelklauwen in de laszone.
6. Lasinrichting voor het vervaardigen van een paneel met metalen dekplaten, die in een bepaalde ver- 10 houding ten opzichte van elkaar zijn bevestigd met behulp van metalen kernstrippen, die zijn opgesteld in een tussen de tegenover elkaar gelegen binnenvlakken van de dekplaten gelegen holte, met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van een beweegbare laskop die is voorzien van tegenover 15 elkaar opgestelde bevestigingsorganen die door de laskop in de holte zijn in te steken en losneembaar aan de bevestigingsorganen bevestigde laselektrode-organen die zijn aangepast voor het opnemen van een kemstrip, die met de laskop in de holte moet worden ingestoken en vanultzetmiddelen 20 die met de tegenover elkaar gelegen beweegbare bevestigingsorganen zijn verbonden om de bevestigingsorganen in tegengestelde richting te dringen nadat de laskop een kemstrip in de holte heeft aangebracht, terwijl de kemstrip is voorzien van bevestigingsdelen, die in ingrijping te brengen 25 zijn met de laselektrodemiddelen en een bron van laspotentiaal met de laselektrode is verbonden en verder een kontakt-orgaan dat is opgesteld tussen de laselektrodemiddelen en de bron van laspotentiaal, waarbij de bron van laspotentiaal impulsvormig in werking wordt gesteld voor het verkrijgen 30 van een intermitterende serie van lasimpulsen op de afzonderlijke laselektrode-organen ter bewerkstelliging van een lassen van de bevestigingsdelen van de kernstrippen aan de binnenvlakken van de dekplaten.
7. Lasinrichting volgens conclusie 6, met 35 het kenmerk, dat het laspotentiaal met de dekplaten is verbonden.
8. Lasinrichting volgens een der voorgaande 800 0 1 18 _ 52 - 21086/CV conclusies, met het kenmerk, dat de laselektrodemiddelen bestaan uit een aantal langgestrekte elektrodevingers, die losneembaar in de werkzame verhouding zijn bevestigd binnen de bevestigingsmiddelen en met behulp van de bevestigings-5 middelen in de holte beweegbaar zijn.
9· Lasinrichting volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat een. groep elektrodevingers is bevestigd in een huis, dat afzonderlijk aan de bevestigingsmiddelen is bevestigd in samenhang met een aantal soortgelijke huizen, 10 waarbij indien de kwaliteit van een van de vingers achteruit gaat het desbetreffende huis van de desbetreffende bevestigingsmiddelen kan worden verwijderd zonder de werkzame verhouding van de andere huizen met de bevestigingsmiddelen te verstoren.
10. Lasinrichting volgens conclusie 8 of 9» met het kenmerk, dat de vingers veerkrachtig zijn en aan hun uiteinden laspunten bezitten zodanig dat nadat de vingers in tegengestelde richting op de desbetreffende bevestigingsmiddelen in ingrijping met de bevestigingsdelen van de kern-20 strippen zijn bewogen de afzonderlijke vingers in staat zijn een resterende beweging uit .te voeren gedurende een deel van de tijdsperiode waarin de bron van laspotentiaal daarop wordt aangebracht.
11. Lasinrichting voor het lassen van een 25 samengesteld metalen paneel bestaande uit metalen dekplaten, die op afstand van elkaar worden gehouden met behulp van kernstrippen, die zijn voorzien van bevestigingsdelen voor bevestiging aan de binnenste tegenover elkaar gelegen vlakken van de dekplaten, die een holte begrenzen voor het opnemen 30 van de kernstrippen, waarbij de inrichting is voorzien van een steungestel, van een laskopslede, die in de holte beweegbaar is waarbij de slede is voorzien van daarop aangebrachte klauworganen, die in tegengestelde richting beweegbaar zijn en zijn verbonden met bedieningsmiddelen om de 35 beweging in de tegengestelde richtingen te veroorzaken, van een aantal op ieder van de klauworganen aangebrachte elektrodevingers die zijn aangepast voor het transporteren van 800 0 1 18 » _ 53 - 21086/CV een kernstrip in de holte en die met behulp van de klauw-organen in de tegengestelde richtingen beweegbaar zijn om te bewerkstelligen, dat de vingers in ingrijping komen met de desbetreffende oppervlakken van de bevestigingsdelen ten-3 einde deze in kontakt met de binnenvlakken van de dekplaten te dringen, en van een bron van laspotentiaal, die met de vingers is verbonden voor het tot stand brengen van een serie lasimpulsen voor het aanbrengen van laspotentiaal op de vingers en het tot stand brengen van een aantal inwendig 10 opgewekte lasverbindingen tussen de bevestigingsdelen van de kernstrippen en de dekplaten.
12. Lasinrichting volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de laspotentiaal met de vingers en met de dekplaten wordt verbonden* 15 13* Lasinrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de vingers veerkrachtig zijn en gedurende een deel van de lasimpuls door de veerkracht beweegbaar zijn voor het meedelen van een opvolg-werking aan de vingers.
14. Lasinrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de vingers afzonderlijk zijn opgesteld en afzonderlijk verwijderbaar zijn voor het mogelijk maken van een doelmatige vervanging daarvan. 15* Lasinrichting volgens een der voorgaande 25 conclusies, met het kenmerk, dat op de slede verstelmiddelen zijn verbonden voor het zijdelings verplaatsen van de slede vanuit een eerste lasstand naar een tweede of derde las-stand, waarbij de lasvingers kunnen worden bewogen na · het tot stand brengen van een eerste serie lasverbindingen in 30 de eerste lasstand in een tweede of derde laastand voor het tot stand brengen van een tweede of derde serie lasverbin-dingen, die verspreid liggen tussen de eerste serie lasver-bindingen.
16. Lasinrichting volgens een der voorgaande 35 conclusies, met het kenmerk, dat met de slede instelmiddelen voor de klauwen zijn verbonden ter instelling van de bewe-gingsgrenzen van de klauwen om het mogelijk te maken dat de 80 0 0 1 18 - 5b - 21086/CY lasvingers zich aanpassen aan de verschillende afmetingen van kernstrippen en zo aan verschillende afmetingen van het paneel.
17. Lasinrichting volgens een der voorgaande 5 conclusies, met het kenmerk, dat oppervlakteplaat keelklauwen zijn aangebracht op het gestel, waarbij de keelklauwen zijn voorzien van synchrone instelmiddelen die daarmede zijn verbonden teneinde het mogelijk te maken om de afstand tussen de keelklauwen naar keuze te wijzigen, waardoor ver- 10 schillende diktes van het te vervaardigen paneel in de inrichting kunnen worden verwerkt.
18. Lasinrichting voor het lassen van een samengesteld metalen paneel bestaande uit metalen dekplaten die op afstand van elkaar worden gehouden met behulp van 15 metalen kernstrippen, die zijn voorzien van bevestigings-delen voor bevestiging aan de tegenover elkaar gelegen binnenvlakken van de dekplaten, die een holte begrenzen voor het opnemen van de kernstrippen, met het kenmerk, dat de lasinrichting is voorzien van een gestel, een eerste 20 laskop, die op het gestel is aangebracht voor de beweging -in en uit de holte, van laselektrodemiddelen, die op de eerste laskop zijn aangebracht en beweegbaar zijn in ingrij-ping met de bevestigingsgedeelten van de strip, van een eerste bron van laspotentiaal, die is verbonden met de las-25 elektrodemiddelen op de eerste laskop, van een tweede laskop, die beweegbaar op het gestel is aangebracht, van een tweede laselektrode-orgaan, die op de tweede laskop is aangebracht voor beweging in de holte nadat de eerste laskop de beves-tigingsdelen van de kernstrip aan de dekplaten heeft gelast, 30 en van een tweede bron van laspotentiaal, die is verbonden met de tweede lasmiddelen voor het tussen de bevestigings-delen bevestigen van de strippen aan elkaar.
19. Inrichting volgens conclusie 18, met het kenmerk, dat de eerste bron van laspotentiaal met de elektro- 35 demiddelen en de dekplaten is verbonden.
20. Inrichting volgens conclusie 18 of 19» met het kenmerk, dat de tweede bron van laspotentiaal met de 80 0 0 1 18 - 55 - 21086/cv tweede lasmiddelen en de dekplaten is verbonden.
21. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de eerste en tweede laskop-pen draaibaar beweegbaar op het gestel in en uit de holte 5 zijn.
22. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de eerste en tweede lasmiddelen zijn voorzien van lasimpulsopwekmiddelen opgesteld in de lasbron voor het tot stand brengen van afzonderlijke 10 lasimpulsen.
23. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de laselektrodemiddelen zijn opgesteld in groepen voor beweging in tegengestelde richtingen ter ingrijping op de steungedeelten van de kern- 15 strip, terwijl de tweede lasmiddelen zijn opgesteld in een doorgaande rij, die in ingrijping met de tussengelegen delen van de kernstrip is te brengen.
24. Lascassette, voorzien van een huis, van bevestigingsmiddelen op het huis, van opneemmiddelen voor 20 laselektroden in het huis voor het demonteerbaar opnemen van laselektroden en van een aantal demonteerbaar in de opneemmiddelen voor de laselektroden gelegen laselektroden. 25« Cassette volgens conclusie 24, met het kenmerk, dat de laselektroden worden gevormd door langge-25 strekte elektrodevingers, die evenwijdig aan elkaar demonteerbaar zijn opgesteld in de opneemmiddelen van het huis.
26. Cassette volgens conclusie 24 of 25, met het kenmerk, dat het huis is voorzien van afzonderlijke onderdelen voor het vergemakkelijken van de verwijdering 30 van de laselektrodes uit het huis.
27· Laskop welke te gebruiken is voor het inwendig lassen van de bevestigingsdelen van de kernstrip-pen aan dekplaten van een paneel, met het kenmerk, dat de laskop is voorzien van een steunstaaf, die in de ruimte 35 tussen de dekplaten te bewegen is, van een paar op de staaf gemonteerde klauwen, die in tegengestelde richtingen beweegbaar zijn, van op de klauwen aangebrachte laselektrodes en - 56 - 21086/cv van met de klauwen verbonden bedieningsmiddelen voor de bewerkstelliging van de beweging in tegengestelde richting.
28. Laskop volgens conclusie 27» met het kenmerk, dat de elektrodes losneembaar zijn aangebracht aan 5 de klauwen om vervanging van de laselektrodes mogelijk te maken.
29. Laskop volgens conclusie 27 of* 28, met het kenmerk, dat de middelen voor het bewerkstelligen van de beweging van de klauwen tussen de klauwen zijn opgesteld.
30. Laskop volgens een der conclusies 27-29» met het kenmerk, dat de laselektrodes laselektrodevingers omvatten, die zijn aangebracht in afzonderlijke huizen, die losneembaar zijn bevestigd aan de klauwen, zodat indien een of meer vingers van een groep een gebrek vertonen, slechts 15 dat huis van de desbetreffende klauw behoeft te worden verwijderd voor het vergemakkelijken van de onderlinge uitwisseling van de elektrodevingers.
31. Cassette voor laselektrode voorzien van een huis met bevestigingsmiddelen ter vergemakkelijking van 20 de losneembare verbinding van het huis met een steunorgaan, terwijl het huis verder is voorzien van opneemorganen en een aantal laselektrodes losneembaar is gelegen in de opneemorganen voor afzonderlijke verwijdering van de laselektrodes uit de opneemorganen indien vervanging van afzonderlijke 25 elektrodes wordt gewenst.
32. Cassette volgens conclusie 31, met het kenmerk, dat de laselektrodes worden gevormd door langge-strekte vingers en de opneemorganen op soortgelijke wijze langgestrekt zijn voor het opnemen van de vingers. 30 33· Cassette volgens conclusie 31 of 32, met het kenmerk, dat het huis een lichaam met de opneemorganen bevat en beweegbare palorganen om de verwijdering van de afzonderlijke vingers uit de opneemorganen mogelijk te * maken, terwijl het huis voorziet in een isolering tussen 35 <i© vingers.
34. Elektrodevinger voorzien van een langge strekt lichaamsgedeelte en een puntgedeelte, waarbij het 800 0 1 18 - 57 - 21086/CV langgestrekte lichaamsgedeelte veerkrachtig is ter vergemakkelijking van de. beweging van het puntgedeelte tijdens het lasproces.
35. Laskop voorzien van een steunstaaf, op de 5 steunstaaf aangebrachte beweegbare klauworganen, op de beweegbare klauworganen aangebrachte laselektrodes, een met de elektrodes verbonden bron van laspotentiaal en las-impulsopwekkende middelen werkzaam aangesloten in de bron van laspotentiaal voor het naar keuze bekrachtigen van 10 de laselektrodes.
36. Laskop volgens conclusie 35» met het kenmerk, dat de beweegbare klauw verder zijdelings verstelbaar is tussen een aantal standen teneinde het aan de laselektrodes mogelijk te maken een aantal series lasverbindin- 15 gen, die onderling verspreid zijn, te vervaardigen.
37. Laskop volgens conclusie 35 of 36, met het kenmerk, dat de laselektrodemiddelen bestaan uit een aantal elektrisch gescheiden lasvingers, die zijn opgesteld langs de lengte van de klauw, waarbij de vingers losneembaar zijn 20 uit werkzame verhouding met de klauw ter vergemakkelijking van de vervanging daarvan.
38. Laskop voor het inwendig lassen van de bevestigingsdelen van kernstrippen aan de binnenvlakken van tegen de bevestigingsdelen aanliggende dekplaten, met het 25 kenmerk, dat de laskop is voorzien van een beweegbare steun, op de steun gemonteerde in tegengestelde richting beweegbare klauwen, van op de beweegbare klauwen aangebrachte laselektrodemiddelen voor het lassen van bevestigingsdelen van de kernstrippen aan de dekplaten, van een met de las-30 elektrodemiddelen verbonden bron van laspotentiaal, en van met de klauwen verbonden instelmiddelen voor het bepalen van de maximale uitstrekking van de tegengestelde beweging van de klauwen teneinde een aanpassing van de klauwen aan de kernstrippen van verschillende afmetingen mogelijk te 35 maken.
39· Laskop volgens conclusie 38, met het kenmerk, dat de instelmiddelen micrometrisch instelbaar zijn. 800 0 1 18 - 38 - 21086/CV bO. Inrichting voor het vervaardigen van een niet een metalen kern versterkt paneel voorzien van op afstand van elkaar gelegen dekplaten, die een tussen de dekplaten gelegen holte begrenzen, welke holte dient voor 5 het opnemen van kernstrippen, die zijn voorzien van beves- tigingsdelen, met het kenmerk, dat de inrichting is voorzien van een aantal laselektrodes, die in ingrijping te brengen zijn met de bevestigingsdelen van de kernstrippen teneinde deze bevestigingsdelen van de kernstrippen aan de binnen- 10 vlakken van de dekplaten te lassen, van een bron van laspo- tentiaal, welke intermitterend op te drukken is op bepaalde elektrodes, en van regelmiddelen voor de bron van laspoten- tiaal, waardoor op afzonderlijke laselektrodes een grotere laspotentiaal kan worden opgedrukt dan op andere laselektro-/xn 15 des' te waarborgen, dat een geschikt laspotentiaal door de desbetreffende laselektrodes wordt aangebracht voor het bewerkstelligen van de ‘bevestiging van «3e bevestigingsdelen aan de oinnenvlakken van de de^laten.
41. Inrichting volgens conclusie bO , met het 20 kenmerk, dat het laspotentiaal is aangebracht over de elektrodes en de dekplaten. bz. Inrichting voor het vervaardigen van een met een honingraatkern versterkt paneel bestaande uit op afstand van elkaar gelegen dekplaten, welke een tussen de 25 dekplaten gelegen holte begrenzen, welke holte dient voor het opnemen van kernstrippen, die zijn voorzien van beves-tigingsgedeelten die bij de knoopgebieden daarvan in elkaar zijn genest voor het verkrijgen van een overlapping van de bevestigingsgedeelten, met het kenmerk, dat de inrichting 30 is voorzien van een aantal laselektrodes, die in ingrijping te brengen zijn met de bevestigingsgedeelten van de kern-strip voor het opdrukken van een laspotentiaal op de bevestigingsgedeelten voor het bevestigen van de bevestigingsgedeelten in werkzame verhouding met de binnenvlakken van 35 de dekplaten en voor het bevestigen van de overlappende gedeelten van de bevestigingsgedeelten van naburige kernstrippen aan elkaar en aan de binnenvlakken van de dekplaten, 800 0 1 18 = 60 - 21086/CV
45. Werkwijze volgens conclusie hkt met het kenmerk* dat de laspotentiaal wordt aangebracht op de elektrodes en de dekplaten* 800 0 1 18
NL8000118A 1979-01-12 1980-01-09 Lasinrichting. NL191115C (nl)

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
US276179 1979-01-12
US06/002,761 US4280039A (en) 1979-01-12 1979-01-12 Apparatus for fabricating and welding core reinforced panel

Publications (3)

Publication Number Publication Date
NL8000118A true NL8000118A (nl) 1980-07-15
NL191115B NL191115B (nl) 1994-09-01
NL191115C NL191115C (nl) 1995-02-01

Family

ID=21702377

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8000118A NL191115C (nl) 1979-01-12 1980-01-09 Lasinrichting.

Country Status (12)

Country Link
US (2) US4280039A (nl)
JP (1) JPS5594785A (nl)
AU (1) AU526419B2 (nl)
BE (1) BE881108A (nl)
CA (1) CA1126347A (nl)
DE (1) DE2952775A1 (nl)
FR (1) FR2450664A1 (nl)
GB (1) GB2041274B (nl)
IT (1) IT1127970B (nl)
NL (1) NL191115C (nl)
SE (1) SE441655B (nl)
SU (1) SU1245254A3 (nl)

Families Citing this family (9)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US4471013A (en) * 1983-10-28 1984-09-11 Tre Corporation Core strip for honeycomb core panels
US4642436A (en) * 1984-09-14 1987-02-10 Rohr Industries, Inc. Automatic metallic honeycomb core manufacturing machine
JP3032509B1 (ja) * 1998-11-19 2000-04-17 三菱電機株式会社 溶接機用板幅中心合せ方法及びその装置
US6547121B2 (en) * 2000-06-28 2003-04-15 Advanced Micro Devices, Inc. Mechanical clamper for heated substrates at die attach
RU2248265C2 (ru) * 2003-02-25 2005-03-20 ФГУП "НИИАСПК" (Федеральное государственное унитарное предприятие "Научно-исследовательский институт автоматизированных средств производства и контроля" Устройство для контактной точечной сварки многослойных панелей с гофрированным заполнителем
DE102006001833A1 (de) * 2006-01-13 2007-07-19 Emitec Gesellschaft Für Emissionstechnologie Mbh Diskontinuierliches Verschweißen von metallischen Fasern
US10751821B2 (en) * 2015-08-28 2020-08-25 Edison Welding Institute, Inc. Methods for assembling metallic sandwich and honeycomb structures
CN108838586A (zh) * 2018-06-27 2018-11-20 嘉兴裕盛精密机械有限公司 一种板材焊接装置
CN118455904B (zh) * 2024-05-31 2024-11-15 山东财源和信节能工程有限公司 一种水利工程管道焊接设备

Family Cites Families (11)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US2468001A (en) * 1948-02-09 1949-04-19 Swift Electric Welder Company Means for manufacturing automobile wheels
US2820882A (en) * 1955-11-15 1958-01-21 Raymond H Johnson Process for welding metallic sandwich structure
US2866075A (en) * 1957-09-23 1958-12-23 Carl A Van Pappelendam Method of fabricating structural sandwiches
US3015715A (en) * 1958-06-13 1962-01-02 James R Campbell Method and apparatus for resistance welding
US3036198A (en) * 1959-02-12 1962-05-22 Joseph F Grimland Electric welding system
US2987611A (en) * 1959-08-10 1961-06-06 Hexcel Products Inc Resistance welding method and apparatus
US3671711A (en) * 1970-05-20 1972-06-20 Tri Ind Inc Honeycomb ribbon pad manufacturing apparatus
US3665148A (en) * 1971-04-07 1972-05-23 Gen Motors Corp Six-axis manipulator
SU519297A1 (ru) * 1972-01-17 1976-06-30 Ордена Ленина И Ордена Трудового Красного Знамени Институт Электросварки Имени Е.О.Патона Устройство дл контактной точечной сварки
US3823468A (en) * 1972-05-26 1974-07-16 N Hascoe Method of fabricating an hermetically sealed container
US4025750A (en) * 1975-12-29 1977-05-24 The Jade Corporation Compliant electrode

Also Published As

Publication number Publication date
BE881108A (fr) 1980-05-02
JPS5594785A (en) 1980-07-18
IT1127970B (it) 1986-05-28
GB2041274B (en) 1983-01-19
IT8067040A0 (it) 1980-01-11
SE8000189L (sv) 1980-07-13
NL191115C (nl) 1995-02-01
FR2450664B1 (nl) 1985-02-15
US4280039A (en) 1981-07-21
SU1245254A3 (ru) 1986-07-15
CA1126347A (en) 1982-06-22
FR2450664A1 (fr) 1980-10-03
GB2041274A (en) 1980-09-10
US4342899A (en) 1982-08-03
AU526419B2 (en) 1983-01-06
DE2952775A1 (de) 1980-07-24
SE441655B (sv) 1985-10-28
AU5374179A (en) 1980-07-17
JPS6124114B2 (nl) 1986-06-09
NL191115B (nl) 1994-09-01

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8000118A (nl) Inrichting voor het fabriceren en lassen van een met een kern versterkt paneel.
SU634648A3 (ru) Машина дл контактной стыковой сварки рельсов
DE3726587A1 (de) Verfahren und vorrichtung zum induktionserhitzen und druckschweissen von zwei schweissbaren oberflaechen zweier bauteile
US5773783A (en) Double skin composite structures and methods of producing such structures
FI109282B (fi) Laite lastuamattomaan työstöön
GB2120151A (en) Method and apparatus for welding
CN119566588B (zh) 一种锂电池焊接装置
US6075219A (en) Electrode unit for resistance welding
EP0335858B1 (de) Vielpunkt-Schweissmaschine
JPH04257409A (ja) 成形型の操作装置
US5164204A (en) Modular corrugator
CN103386543A (zh) 钢筋网焊接生产线的随机移动式纵筋送丝机构
EP0427428B1 (en) Belt lacing and cutter assembly
CA1068888A (en) Crankshaft-forming apparatus and method
BE1002082A6 (nl) Verbeterde inrichting voor de vezeltoevoer aan een vulwerktuig van een borstelvervaardigingsmachine.
DE69123543T2 (de) Verfahren und Vorrichtung zum Schweissen eines Bandes durch Bandüberlappungen
US3355876A (en) Chain making machine
JPH03504356A (ja) 冷間圧接方法及びその装置
DE69523775T2 (de) Spritzgiessmaschine mit offenem rahmen
CN102501697A (zh) 竹签自动烙印机
CA1052259A (en) Shear for cutting-off sections of a profiled material
EP1507707B1 (de) Vorrichtung zur versiegelung von schalen- oder becherförmigen behältnissen
CN202428966U (zh) 竹签自动烙印机
US3295350A (en) Continuous rail straightening press
JPH08112845A (ja) 射出成形機の型締装置

Legal Events

Date Code Title Description
A85 Still pending on 85-01-01
BA A request for search or an international-type search has been filed
BB A search report has been drawn up
BC A request for examination has been filed
V4 Discontinued because of reaching the maximum lifetime of a patent

Free format text: 20000109