[go: up one dir, main page]

NL2034300B1 - Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting - Google Patents

Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting Download PDF

Info

Publication number
NL2034300B1
NL2034300B1 NL2034300A NL2034300A NL2034300B1 NL 2034300 B1 NL2034300 B1 NL 2034300B1 NL 2034300 A NL2034300 A NL 2034300A NL 2034300 A NL2034300 A NL 2034300A NL 2034300 B1 NL2034300 B1 NL 2034300B1
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
water retaining
water
retaining body
housing
operational
Prior art date
Application number
NL2034300A
Other languages
English (en)
Inventor
Eickholt Maarten
Original Assignee
Eickholt Beheer B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Eickholt Beheer B V filed Critical Eickholt Beheer B V
Priority to NL2034300A priority Critical patent/NL2034300B1/nl
Priority to EP24710204.9A priority patent/EP4677156A1/en
Priority to PCT/NL2024/050102 priority patent/WO2024186204A1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2034300B1 publication Critical patent/NL2034300B1/nl

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B3/00Engineering works in connection with control or use of streams, rivers, coasts, or other marine sites; Sealings or joints for engineering works in general
    • E02B3/04Structures or apparatus for, or methods of, protecting banks, coasts, or harbours
    • E02B3/10Dams; Dykes; Sluice ways or other structures for dykes, dams, or the like
    • E02B3/102Permanently installed raisable dykes
    • E02B3/104Permanently installed raisable dykes with self-activating means
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B7/00Barrages or weirs; Layout, construction, methods of, or devices for, making same
    • E02B7/20Movable barrages; Lock or dry-dock gates
    • E02B7/205Barrages controlled by the variations of the water level; automatically functioning barrages
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B7/00Barrages or weirs; Layout, construction, methods of, or devices for, making same
    • E02B7/20Movable barrages; Lock or dry-dock gates
    • E02B7/26Vertical-lift gates
    • E02B7/28Vertical-lift gates with sliding gates
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B7/00Barrages or weirs; Layout, construction, methods of, or devices for, making same
    • E02B7/20Movable barrages; Lock or dry-dock gates
    • E02B7/50Floating gates
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B3/00Engineering works in connection with control or use of streams, rivers, coasts, or other marine sites; Sealings or joints for engineering works in general
    • E02B3/04Structures or apparatus for, or methods of, protecting banks, coasts, or harbours
    • E02B3/041Structures or apparatus for, or methods of, protecting banks, coasts, or harbours using active mechanical means, e.g. fluidizing or pumping
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B7/00Barrages or weirs; Layout, construction, methods of, or devices for, making same
    • E02B7/20Movable barrages; Lock or dry-dock gates
    • E02B7/22Stop log dams; Emergency gates
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E02HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
    • E02BHYDRAULIC ENGINEERING
    • E02B7/00Barrages or weirs; Layout, construction, methods of, or devices for, making same
    • E02B7/20Movable barrages; Lock or dry-dock gates
    • E02B7/54Sealings for gates

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Environmental & Geological Engineering (AREA)
  • Ocean & Marine Engineering (AREA)
  • Revetment (AREA)
  • Piles And Underground Anchors (AREA)

Abstract

De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een waterkeerinrichting omvattende een in of nabij een waterpartij te plaatsen waterkeerlichaam. Het waterkeerlichaam heeft een hoogte en omvat een met een beschermlaag beklede kern die is vervaardigd van een kernmateriaal met een dichtheid die kleiner is dan 1,0 g/cm3. Het waterkeerlichaam is geleid door een althans ten minste in hoofdzaak plaatsvaste geleidingsinrichting vrij op- en neerwaarts tussen een lagere niet-operationele en een hogere operationele toestand beweegbaar. Het waterkeerlichaam heeft een toestand waarin het waterkeerlichaam zich ten opzichte van een hoogste niet-operationele toestand op een hoogte van maximaal 65% van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt. De uitvinding heeft tevens betrekking op een systeem van uitgelijnde waterkeerinrichtingen en op een werkwijze voor het althans in hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond aanbrengen van een of meer waterkeerinrichtingen volgens het eerste aspect van de onderhavige uitvinding.

Description

Korte aanduiding: Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting
Beschrijving
De onderhavige uitvinding heeft volgens een eerste aspect betrekking op een waterkeerinrichting, in het bijzonder op een kunstmatige, in hoogte veranderbare waterkeerinrichting omvattende een in of nabij een waterpartij en althans ten minste in hoofdzaak parallel aan een waterlijn van de waterpartij te plaatsen waterkeerlichaam, waarbij het waterkeerlichaam een hoogte heeft en een met een beschermlaag beklede kern omvat die is vervaardigd van een kernmateriaal met een dichtheid die kleiner is dan 1,0 g/cm? welk waterkeerlichaam geleid door een althans ten minste in hoofdzaak plaatsvaste geleidingsinrichting vrij op- en neerwaarts tussen een lagere niet-operationele en een hogere operationele toestand beweegbaar is. Met plaatsvast wordt bedoeld dat de gehele waterkeerinrichtingals zodanog plaatsvast is, het waterkeerlichaam is daarbij uiteraard beweegbaar tussen de niet-operationele en een operationele toestand.
Waterkeerinrichtingen van het kunstmatig in hoogte veranderbaar type zijn in verschillende uitvoeringen bekend en dienen voor het keren van water dat in een ongewenste richting of een ongewenst gebied dreigt te stromen. Er bestaan vaste waterkeringen zoals dijken en kadewanden. Dit type waterkeerinrichtingen is permanent zichtbaar aanwezig. De onderhavige uitvinding heeft betrekking op waterkeerinrichtingen die in afhankelijkheid van de omstandigheden in hoogte veranderbaar zijn. Dat wil zeggen, tijdelijke waterkeerinrichtingen die activeerbaar zijn indien daar behoefte aan is en {semi)permanente waterkeerinrichtingen die verhoogbaar zijn in situaties met relatief hoog water. Bekende in hoogte veranderbare waterkeerinrichtingen omvatten drijvers die vrij op een wateroppervlak drijven, althans als het te keren water zich op het niveau van de betreffende drijver bevindt, stapelbare zandzakken of vormvaste blokvormige stapelbare modules, op regelmatige, onderlinge afstanden van enkele meters staande staanders waartussen schotten kunnen worden opgetrokken en in horizontale richting op geleiders verplaatsbare panelen die bij dreigende wateroverlast als coupure uit een dijkwand in een opening, zoals een verkeersdoorgang, in de dijkwand kunnen worden geschoven. De bekende waterkeerinrichtingen hebben elk hun eigen nadelen, zoals bewerkelijkheid (stapelen van zandzakken of modules), gevoeligheid voor onbewuste beschadiging of het bewust onklaar maken (terreur), verzwakking van een dijkwand (schuifbare panelen worden uit de dijkwand geschoven) en/of permanente zichtbaarheid (staanders waartussen schotten worden opgetrokken).
Internationale octrooiaanvraag WO 2016/114666 beschrijft een waterkeerinrichting omvattende een nabij en althans ten minste in hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond opgenomen langgestrekte behuizing met vier zijwanden en een bodem waarin een op- en neerwaarts tussen een niet-operationele en een operationele toestand beweegbare langgestrekte betonnen wand is opgenomen, en een bekrachtigbare hefinrichting ingericht voor het op- en neerwaarts in de langgestrekte behuizing bewegen van de langgestrekte betonnen wand. Een nadeel van deze inrichting is dat er hulpmiddelen of telemetrie voor nodig is om de wand van deze waterkeerinrichting van de niet-operationele toestand in de operationele toestand te brengen.
Er zijn ook waterkeerinrichtingen met een opdrijfbaar waterkeerlichaam dat schuimmateriaal omvat. Om de waterkeerinrichting betrouwbaar te laten werken en te beschermen tegen kantelen onder de druk van water dat tegen het waterkeerlichaam staat, zijn direct achter het waterkeerlichaam steunen noodzakelijk die het waterkeerlichaam beschermen tegen kantelen en aldus een visuele aantasting van de omgeving vormen. De steunen steken boven het maaiveld uit en kunnen weliswaar zijn “vermomd” als functionele palen, zoals lantaarnpalen. Een nadeel is dat de palen aan de waterkant staan en dus altijd, ook van veraf, zichtbaar zijn voor iemand die landafwaarts kijkt.
De onderhavige uitvinding beoogt volgens het eerste aspect een waterkeerinrichting volgens de aanhef te verschaffen, waarvan het waterkeerlichaam, in WO 2016/114666 ook wel wand genoemd, eenvoudiger van de niet-operationele toestand naar een operationele toestand kan worden bewogen, waarbij het de waterkeerinrichting autonoom in staat is om water te keren, en boven het maaiveld uitstekende steunen overbodig zijn. Dit doel wordt door de onderhavige uitvinding bereikt doordat het waterkeerlichaam een hoogste operationele toestand en een hoogste niet-operationele toestand heeft, in welke hoogste operationele toestand het waterkeerlichaam zich ten opzichte van de hoogste niet-operationele toestand op een hoogte van maximaal 65% van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt. Het resterende deel van het waterkeerlichaam wordt gebruikt, of althans kan mede worden gebruikt, voor het verschaffen van een reactiekracht. Indien de geleidingsinrichting een behuizing is of omvat, kan het onderste deel van de voorkant van het waterkeerlichaam, dat zich ook in een operationele toestand van de waterkeerinrichting in de behuizing bevindt, tegen de voorwand van de behuizing afsteunen om kantelen van het waterkeerlichaam tegen te gaan. Indien de geleidingsinrichting staanders omvat waaroverheen het waterlichaam verticaal op en neer kan schuiven, kunnen de staanders het deel van het waterkeerlichaam dat eroverheen is geschoven tegen kantelen beschermen. Indien er dan bovendien geen behuizing is, en de waterkeerinrichting bijvoorbeeld tegen een kadewand is bevestigd, kan de kadewand als achtersteun fungeren. Het deel van het waterkeerlichaam dat zich onder water bevindt wordt door dat water beschermd tegen kantelen doordat het lager gelegen deel van het water een tegendruk aan het waterkeerlichaam verschaft die kantelen tegenwerkt.
Hoe groter het aandeel van het waterkeerlichaam dat (in de hoogste operationele toestand) niet boven de hoogste niet-operationele toestand van het waterkeerlichaam uitkomt, des te groter is de opvang van krachten. Daarom heeft het de voorkeur dat het waterkeerlichaam een hoogste operationele toestand en een hoogste niet-operationele toestand heeft, in welke hoogste operationele toestand het waterkeerlichaam zich ten opzichte van de hoogste niet-operationele toestand op een hoogte van maximaal 55 of 60%, verder bij voorkeur maximaal 45 of 50% van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt.
Doordat het waterkeerlichaam een dichtheid heeft die kleiner is dan die van water (1,0 g/cm?), vormt het waterkeerlichaam een opdrijfbaar lichaam zodra zich water in de behuizing verzamelt, bijvoorbeeld in geval het waterniveau van een waterpartij over de zijwanden van de behuizing in de behuizing naar binnen stroomt.
Het waterkeerlichaam zal zich in dergelijke situaties tot hoger boven het waterniveau uitstrekken naarmate de dichtheid van het waterkeerlichaam kleiner is. De kracht om de waterkeerinrichting te activeren wordt dus bij (dreigende) overstroming als het ware verschaft door het stijgende water zelf. Er is hiervoor geen bediening vereist.
Onder de dichtheid van het kernmateriaal wordt hier overigens ook verstaan de gemiddelde dichtheid van de kern. Een waterkeerlichaam volgens de onderhavige uitvinding omvat aldus ook een holle kern van een materiaal dat op zichzelf een hogere dichtheid heeft dan die van water, maar waarvan de holle kern het waterkeerlichaam alsnog opdrijfbaar maakt.
Het heeft de voorkeur dat de dichtheid van het kernmateriaal kleiner is dan 0,5 g/cm3, bij voorkeur kleiner is dan 0,25 g/cm3, verder bij voorkeur kleiner is dan 0,1 g/cm3, nog verder bij voorkeur kleiner is dan 0,075 g/cm? en het meest bij voorkeur kleiner is dan 0,05 g/cm?. Hoe kleiner de dichtheid, des te groter is het drijfvermogen van het waterkeerlichaam en des te verder zal het waterkeerlichaam zich, althans voor zover niet beperkt door een opdrijfstop, in operationele toestand (relatief) boven het water uitstrekken.
Bij voorkeur heeft het waterkeerlichaam een hoogte die is gelegen tussen 0,3 en 20 meter, bij voorkeur tussen 1 en 7 meter, verder bij voorkeur tussen 1,5 en 3 meter. De hoogte kan in afhankelijkheid van de dreiging van overstroming worden gekozen, zodat het waterkeerlichaam een voldoende hoge keerwand vormt.
Anderzijds kan worden nagestreefd om niet meer materiaal dan nodig te verbruiken voor de vervaardiging van een betrouwbare waterkeerinrichting.
Het heeft de voorkeur dat het waterkeerlichaam een dikte heeft die is gelegen tussen 0,2 en 2 meter, bij voorkeur tussen 0,5 en 1,5 m. Ook de dikte van het waterkeerlichaam kan in afhankelijkheid van de dreiging van overstroming en daarbij te verwachte door het water uitgeoefende krachten worden gekozen, zodat het waterkeerlichaam een voldoende dikke of solide keerwand vormt. Anderzijds kan worden nagestreefd om niet meer materiaal dan nodig te verbruiken voor de vervaardiging van een betrouwbare waterkeerinrichting. i Bij een de voorkeur genietende uitvoering omvat de kern uitgehard kunststof schuimmateriaal. Bij voorkeur is de kern vervaardigd van uitgehard kunststof schuimmateriaal. Uitgehard kunststof schuimmateriaal heeft een zeer kleine dichtheid. Kunststof schuimparels kunnen met elkaar zijn verlijmd zodat een vormvaste kern ontstaat. Maar ook opgesloten in een sterke vormvaste beschermlaag kunnen “losse” kunststof schuimparels worden gebruikt en een vormvast waterkeerlichaam vormen.
Als schuimmateriaal kan een geschikte polyolefine worden gekozen.
Polystyreen is uitstekend geschikt en eenvoudig verkrijgbaar en produceerbaar.
Bij een voorkeursuitvoeringsvorm bedekt de beschermlaag de gehele kern. Aldus wordt de kern in de beschermlaag opgesloten en beschermt de beschermlaag de kern alzijdig. Uiteraard kan er voor worden gekozen om alleen daar een beschermlaag aan te brengen waar bescherming van de kern gewenst of noodzakelijk is. Ook is het mogelijk om verschillende beschermlagen op verschillende delen van de kern aan te brengen. 5 Bij een uitvoeringsvorm omvat de geleidingsinrichting een in de grond of in de waterpartij op te nemen langgestrekte behuizing met een inwendige contour definiërende verticale wanden, waarin het waterkeerlichaam is opgenomen, en waarbij het waterkeerlichaam een uitwendige dwarsdoorsnede omvat die zodanig correspondeert met de inwendige contour van de behuizing dat het waterkeerlichaam vrij tussen de niet-operationele en de operationele toestand beweegbaar is. Met corresponderen wordt hier bedoeld dat er slechts een kleine speling is tussen de behuizing en het waterkeerlichaam. Het waterkeerlichaam kan dan door de behuizing geleid omhoog en omlaag bewegen.
Bij een verdere of alternatieve uitvoeringsvorm omvat de geleidingsinrichting één of meer zich althans bij toepassing verticaal omhoog uitstrekkende staanders en zich in het waterkeerlichaam althans bij toepassing verticaal omhoog uitstrekkende holten, waarbij het waterkeerlichaam met de een of meer holten verticaal over een of meer corresponderende staanders beweegbaar is.
De staanders kunnen zijn uitgevoerd als stangen, de holten als daarmee corresponderende, met een kleine speling nauw aansluitende, buizen. Bij de verdere uitvoeringsvorm kan een enkele combinatie van staander en holte naast de behuizing een extra geleiding verschaffen. Bij een alternatieve uitvoeringsvorm kan de geleidingsinrichting twee of meer op afstand van elkaar gelegen combinaties van staanders en holten omvatten, die de plaatsvastheid van het waterlichaam kunnen waarborgen.
Het heeft daarbij de voorkeur dat de geleidingsinrichting een het waterlichaam deels omgevende beugel met een U-profiel omvat, waarbij het profiel van de beugel zodanig correspondeert met de uitwendige dwarsdoorsnede van het waterkeerlichaam dat het waterkeerlichaam vrij tussen de niet-operationele en de operationele toestand beweegbaar is. De beugel kan ook helpen de plaatsvastheid te verschaffen. Met corresponderen wordt hier bedoeld dat er slechts een kleine speling is tussen de beugel en het waterkeerlichaam.
Indien de vrije van de basis van de U afgekeerde einden van de benen van de U zijn voorzien van een zich haaks op het respectief been uitstrekkende bevestigingsflens, kan de beugel eenvoudig via de flensen aan bijvoorbeeld een kadewand worden bevestigd. De kadewand met de beugel vormt dan een soort van behuizing, waarbij de beugel zich over slechts een deel van de hoogste van het waterkeerlichaam hoeft uit te strekken. Bij voorkeur omgeeft de beugel het waterkeerlichaam tenminste deels zowel in de niet-operationele als in de operationele stand.
Teneinde een aan bijvoorbeeld de behuizing, beugel of kadewand vastvriezen van het waterkeerlichaam te voorkomen heeft het de voorkeur dat de behuizing, beugel of kadewand, of aan diens binnenzijde en/of het waterkeerlichaam aan de buitenzijde ervan is voorzien van een anti-aanvriesbekleding. Anti- aanvriesbekleding kan zijn voorzien in de vorm van een oppervlak dat zodanig waterafstotend is dat zich geen water op de bekleding kan afzetten. Een geschikt materiaal voor een dergelijke bekleding is hogedichtheid polyethyleen (HDPE).
Alternatief kan de beschermlaag een relatief hoge uitzettingscoéfficiént hebben, althans in het temperatuurbereik van +3 tot -20 °C, dat eventueel zich op de beschermlaag afzettend ijs van de beschermlaag loslaat onder een uitzetten en/of krimpen van de beschermlaag.
Ook voor toepassing als waterkeerlichaam heeft het de voorkeur dat de beschermlaag van het waterkeerlichaam waterafstotend of vochtwerend is.
Voor een goede bescherming van de relatief lichte kern heeft het de voorkeur dat de beschermlaag een dikte heeft die is gelegen tussen 2 en 100 mm, verder bij voorkeur tussen 5 en 30 mm. Anderzijds geldt, hoe groter de dichtheid van de beschermlaag, en hoe dikker de beschermlaag, des te meer doet de beschermlaag het opdrijfvermogen van het waterkeerlichaam teniet.
Het heeft de voorkeur dat de beschermlaag is vervaardigd van kunststof, bij voorkeur polyurea. Kunststof in het algemeen, en in het bijzonder polyurea heeft goede beschermende eigenschappen en is geschikt voor het vormen van een waterdichte laag. Bovendien is kunststof, in het bijzonder polyurea eenvoudig te reinigen. Bij voorkeur is de beschermlaag als een spuitlaag om het waterkeerlichaam aangebracht, zodat de beschermlaag als ononderbroken laag kan zijn voorzien. Een spuitlaag is eenvoudiger aan te brengen dan een beschermlaag met platen of andere elementen die aan elkaar moeten worden bevestigd. Bovendien is een ononderbroken spuitlaag, bijvoorbeeld van polyurea, autonoom waterdicht.
Polyurea is mede geschikt voor de beschermlaag omdat polyurea sterk en hard is, in de zin dat het niet makkelijk beschadigd raakt, maar ook doordat het een zekere stijfheid heeft en daardoor bijdraagt aan de vormvastheid, dus tegen scheuren, breken of buigen van het waterkeerlichaam. Polyurea heeft ook een dragende eigenschap, in de zin dat het krachten kan dragen (opvangen), wat met name van belang is als een waterpartij in operationele toestand van de waterkeerinrichting tot boven de (fictieve) bovenrand van het waterkeerlichaam in de niet-operationele stand staat en een horizontaal gerichte druk op het waterkeerlichaam uitoefent.
In de beschermlaag, bijvoorbeeld de polyurea beschermlaag, kan een wapening of een vezelversterking zijn opgenomen. Deze geven het waterkeerlichaam extra sterkte tegen beschadiging of verbuiging.
De behuizing kan van de waterkeerinrichting kan aan de onderzijde open zijn, zodat de grond waarin de waterkeerinrichting is opgenomen een bodem vormt waarop het waterkeerlichaam in niet-operationele toestand kan rusten. Het is ook mogelijk dat de behuizing zelf een bodem omvat.
Indien het waterkeerlichaam een constante rechthoekige dwarsdoorsnede heeft, vormt het aan een voor- en achterzijde een rechte zichtwand.
Aan de korte zijden van de rechthoek wordt dan ook een rechte wand gevormd, hetgeen het op elkaar aansluiten van naburige waterkeerlichamen vergemakkelijkt.
Overigens is het ook mogelijk dat een waterkeerlichaam aan de korte zijden is voorzien van een profiel dat (bij toepassing) correspondeert met een profiel van een naburig keerlichaam.
Wanneer het waterkeerlichaam over de hoogte een in hoofdzaak constante dwarsdoorsnede heeft kan het zich eenvoudig door en met constante afstand tot een opening aan de bovenzijde van de behuizing op- en neer bewegen tussen een niet-operationele en een operationele toestand.
Evenzo heeft het de voorkeur dat de behuizing over de hoogte een in hoofdzaak constante dwarsdoorsnede heeft.
Om te voorkomen dat het waterkeerlichaam geheel uit de behuizing of de geleiders opdrijft, heeft het de voorkeur dat de waterkeerinrichting is voorzien van een opdrijfstop. De opdrijfstop begrenst daarbij de mate waarin het waterkeerlichaam ten opzichte van de niet-operationele toestand omhoog verplaatsbaar is. Een opdrijfstop kan ook zijn voorzien om het waterkeerlichaam in een niet-operationele toestand te vergrendelen tegen opdrijven voor het geval zich bijvoorbeeld bij een stevige regenbui water in de behuizing ophoopt.
Indien de behuizing is voorzien van een vloeistofafvoeropening, kan water dat zich bijvoorbeeld bij een overstroming, maar ook bij een regenbui, in de behuizing verzamelt door de waterafvoeropening uit de behuizing worden verwijderd.
Een waterafvoeropening bevindt zich bij voorkeur onderin de behuizing. De waterafvoeropening kan een permanente afvoer zijn, maar kan ook een afsluitbare afvoeropening betreffen, zodat water bewust in de behuizing kan worden gehouden.
Wanneer de waterkeerinrichting is voorzien van een pompinrichting, kan in de behuizing verzameld water uit de behuizing worden gepompt, bijvoorbeeld door de waterafvoeropening of door een open bovenzijde van de behuizing.
De behuizing kan zijn voorzien van een vloeistoftoevoeropening. Zo kan de behuizing worden gevuld met water, of een andere vloeistof voordat, bijvoorbeeld bij een (dreigende) overstroming water over de rand van de behuizing in de behuizing stroomt. Aldus kan ook in veilige situaties de werking van de waterkeerinrichting worden getest. Water kan geforceerd in de behuizing worden gebracht. Maar het is ook mogelijk (laag) in de behuizing een vloeistoftoevoeropening aan de kant van een bedreigende waterpartij te maken, waardoor opkomend water het waterkeerlichaam door communicatie tussen een waterpartij en de binnenruimte van de behuizing al in een operationele toestand kan brengen voordat het water de bovenrand van de behuizing heeft bereikt. Aldus kan een waterkeerinrichting zichzelf bij hoog water in werking stellen en is er geen afhankelijkheid van een bediener nodig.
Bij een voorkeursuitvoeringsvorm is de waterkeerinrichting voorzien van afdichtmiddelen die in de niet-operationele toestand van een waterkeerlichaam een afdichting verschaffen tussen het waterkeerlichaam en de behuizing. De afdichtmiddelen kunnen helpen voorkomen dat bijvoorbeeld regenwater de waterkeerinrichting in werking stelt.
Het heeft de voorkeur dat de waterkeerinrichting is voorzien van afsluitmiddelen voor het, althans in niet-operationele toestand van het waterkeerlichaam aan de bovenzijde afsluiten van de behuizing. De afsluiting kan integraal onderdeel uitmaken van het waterkeerlichaam, of een afzonderlijk afsluitorgaan betreffen. Het kan in niet-operationele toestand (onzichtbaar) deel uitmaken van een wegdek en er kan zelfs straatmeubilair op zijn aangebracht.
Hoewel een waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding zoals hierboven beschreven zelfstandig kan werken door te reageren op stijgend water kan een besturing zijn voorzien voor het besturen van het tussen een niet- operationele en een operationele toestand bewegen van het waterkeerlichaam.
Hiermee kan de waterkeerinrichting worden getest of een haperende autonome inwerkingstelling worden gecorrigeerd. Ook kan het waterkeerlichaam reeds voor hoog water in een (deels) verhoogde toestand worden gebracht.
Volgens een tweede aspect heeft de onderhavige uitvinding betrekking op een waterkeerlichaam ingericht voor toepassing in een waterkeerinrichting volgens het eerste aspect. Het probleem van de stand der techniek en de voordelen die met dit tweede aspect zijn te bereiken corresponderen met het probleem en de voordelen die hierboven zijn beschreven in relatie tot het eerste aspect. Het waterkeerlichaam kan daarbij de afmetingen en eigenschappen omvatten als hierboven beschreven. Het waterkeerlichaam kan worden gebruikt ter vervanging van een beschadigd vergelijkbaar exemplaar. Het waterlichaam kan ook als waterkeerlichaam in een verdieping in een ondergrond worden geplaatst, bijvoorbeeld een kuil of een behuizing van een andere waterkeerinrichting zoals van
WO 2016/114666.
Volgens een derde aspect heeft de uitvinding betrekking op een in hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond opgenomen waterkeerinrichting. De grond en een waterpartij met de waterlijn kunnen daarbij eventueel als onderdeel van de uitvinding worden beschouwd. Het probleem van de stand der techniek en de voordelen die met dit derde aspect zijn te bereiken corresponderen met het probleem en de voordelen die hierboven zijn beschreven in relatie tot het eerste aspect van de uitvinding. i Volgens een vierde aspect heeft de onderhavige uitvinding betrekking op een waterkeersysteem omvattende een veelvoud van ten opzichte van elkaar uitgelijnde, in hoofdzaak op elkaar aansluitende waterkeerinrichtingen volgens een of meer van conclusies. Aldus kan een relatief lange, zelfs kilometerslange waterkering in delen zijn opgebouwd. Het probleem van de stand der techniek en de voordelen die met dit vierde aspect zijn te bereiken corresponderen met het probleem en de voordelen die hierboven zijn beschreven in relatie tot het eerste aspect. De waterkeerinrichtingen kunnen, bijvoorbeeld naast een rivier of om een meer in een oever of in een dijk zijn opgesteld.
Een waterkeersysteem met ten opzichte van elkaar uitgelijnde waterkeerinrichtingen omvat ook een systeem waarbij zich een aantal waterkeerlichamen naast elkaar bevindt in één behuizing.
Het heeft daarbij de voorkeur dat afdichtmiddelen zijn voorzien voor het, althans in operationele toestand van de waterkeerlichamen, afdichten van eventuele openingen tussen naburige waterkeerlichamen. De afdichtmiddelen kunnen rubberen strips of dergelijke omvatten. De afdichtmiddelen kunnen eventueel verstevigd zijn. De kracht van water dat door het waterkeersysteem dient te worden opgevangen kan groot zijn.
Tenslotte heeft de onderhavige uitvinding volgens een vijfde aspect betrekking op een werkwijze voor het in de grond verschaffen van een waterkerende verhoging, of althans verhogingsvoorziening, omvattende het althans in hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond aanbrengen van een of meer waterkeerinrichtingen volgens het eerste aspect van de onderhavige uitvinding. De waterkeerinrichtingen kunnen daarbij volledig verzonken of slechts ten dele verzonken in de grond worden aangebracht. In het eerste geval kunnen zij relatief onzichtbaar worden weggewerkt. In het tweede geval verschaffen zij een permanente verhoging, mogelijk een waterkering, die in gevallen van overstromingsrisico verder kan worden verhoogd. De waterkeerinrichting kan hierbij eventueel als permanente waterkeerinrichting bij laag water worden toegepast.
In dit document wordt, tenzij anders vermeld, met de term “de grond” of “ondergrond” een natuurlijke of kunstmatige bovenlaag van het lokale aardoppervlak bedoeld, zoals een dijk, een bestrate kadewand of een deel van een rivierbedding dat bij hoog water of permanent onder water staat. De waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding kan dus ook zijn voorzien als permanente waterkering die zich steeds in hoogte aanpast aan het waterpeil. In getijdewater kan aldus worden voorkomen dat bij laag water een relatief hoog boven het water uitrekkende wand zichtbaar is.
De onderhavige uitvinding zal hiernavolgend nader worden toegelicht onder verwijzing naar voorbeelduitvoeringsvormen van waterkeerinrichtingen volgens de onderhavige uitvinding en onder verwijzing naar de bijgevoegde tekening. Hierin toont:
Figuur 1a een schematisch verticaal langsdoorsnedeaanzicht van een waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding, volgens de lijn A-A uit figuur 1b;
Figuur 1b een schematisch verticaal dwarsdoorsnedeaanzicht van de waterkeerinrichting volgens de lijn B-B uit figuur 13;
Figuur 1c een bovenaanzicht van de waterkeerinrichting uit figuur 1a;
Figuren 2a-2d schematische verticale dwarsdoorsnedeaanzichten van een waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding in verschillende toestanden;
Figuur 3 een schematische verticaal dwarsdoorsnedeaanzicht van een alternatieve waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding;
Figuur 4 een schematisch verticaal dwarsdoorsnedeaanzicht van nog een alternatieve waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding;
Figuur 5 een schematisch verticaal dwarsdoorsnedeaanzicht van nog een verdere alternatieve waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding;
Figuur 6a een schematisch explosieaanzicht van nog een verdere alternatieve waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding;
Figuur 8b en 6c schematische verticale dwarsdoorsnedeaanzichten van de inrichting uit figuur 6a, in niet-operationele toestand, respectievelijk in operationele toestand;
Figuur?7 een schematisch perspectivisch aanzicht op een waterkeerlichaam voor gebruik in een waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding; en
Figuur 8 een schematisch dwarsdoorsnedeaanzicht door het waterkeerlichaam uit figuur 7.
Nu kijkend naar figuren 1a-1c wordt schematisch een verticaal langsdoorsnedeaanzicht volgens de lijn A-A in figuur 1b, een verticaal dwarsdoorsnedeaanzicht volgens de lijn B-B uit figuur 1a, respectievelijk een bovenaanzicht volgens de lijn C-C uit figuur 1a van een waterkeerinrichting 1 volgens de onderhavige uitvinding getoond.
De waterkeerinrichting 1 heeft schematisch, niet op schaal, weergegeven een voorwand 2 met een lengte van 5 meter en een hoogte van 3 meter, een achterwand met een lengte van 5 meter, twee zijwanden 4 met een lengte van 1 meter en een bodem 5. Deze zijn vervaardigd van beton, maar kunnen van ander materiaal zoals kunststof of metaal zijn vervaardigd. Voor een goed functioneren van de inrichting heeft een materiaal met een lage uitzettingscoéfficiént de voorkeur. De wanden 2,3,4,5 hebben een dikte van 25 cm en vormen een behuizing voor een opdrijfbaar waterkeerlichaam 6, dat in dit uitvoeringsvoorbeeld is vervaardigd van in een volledige omhulling van polyurea opgesloten uitgehard polystyreen met een dichtheid van ongeveer 1 g/cm?. De waarden die hierboven zijn gegeven geven een uitvoeringsvorm weer, maar kunnen anders, en ook in andere verhoudingen ten opzichte van elkaar, worden gekozen in afhankelijkheid van de situatie en omstandigheden waarin de waterkeerinrichting volgens de uitvinding wordt ingezet. Het waterkeerlichaam 6 heeft de vorm van een rechthoekig blok en afmetingen die zodanig corresponderen met de binnenwanden van de behuizing dat het waterkeerlichaam 6 nauw aansluit op de binnenwanden, met voldoende speling om het waterkeerlichaam 6 zonder noemenswaardige weerstand in de behuizing omhoog en omlaag te kunnen bewegen. Aan de voor- en achterzijde van het waterkeerlichaam 6 is aan het waterkeerlichaam 6 vanaf de bovenzijde tot ongeveer halverwege (zie versmallingslijn 7) het waterkeerlichaam 6 een versmalling van 2,5 cm voorzien. Aan de bovenzijde van elk van de voor-en achterwand (2, 3) is een langgestrekte opdrijfstop 8 voorzien, die vanaf de respectievelijke wand (2, 3) over een met de versmalling van het corresponderend waterkeerlichaam 6 corresponderende afstand naar binnen inspringt. De positie van de versmallingslijn 7 bepaalt in feite samen met de opdrijfstop 8 de mate waarin het waterkeerlichaam uit de behuizing kan opdrijven.
Op de bodem 5 van de behuizing bevindt zich een vloeistofkanaal 9 voor afvoer van water. Door de achterwand strekt zich een vloeistofuitlaat 10 en een vloeistofinlaat 11 uit. De vloeistofuitlaat 10 verschafte een communicerende verbinding tussen de binnenruimte van de behuizing en het vloeistofkanaal 9.
Vloeistofinlaat 10 mondt uit in de binnenruimte van de behuizing. De vloeistofinlaat 11 kan worden aangesloten op een watertoevoer. Vloeistofuitlaat 10 en de vloeistofinlaat 11 kunnen elk zijn voorzien van een afsluiting (niet getoond), zodat ze zodanig kunnen worden ingesteld dat er tijdelijk geen water doorheen kan stromen.
De vloeistofinlaat 11 en vloeistof uitlaat 10 kunnen elk alternatief in de voorwand 2 zijn voorzien.
Binnen de behuizing strekken zich vanuit de bodem 5 twee metalen geleidingsstangen 12 tot boven in de behuizing uit. De geleidingsstangen 12 kunnen eventueel korter (of langer) zijn uitgevoerd. In het waterkeerlichaam 6 bevinden zich op met de geleidingsstangen 12 corresponderende posities metalen buizen 13. De buizen 13 kunnen vrij, dat wil zeggen met weinig weerstand, verticaal over de respectieve stangen 12 schuiven en vormen daarmee een geleiding. De buizen 13 vormen tevens een versterking van het waterkeerlichaam 6. Ook de stangen 12 en buizen 13 kunnen naar keuze van een ander geschikt materiaal zijn vervaardigd.
Uiteraard zijn alternatieve geleidingsmiddelen denkbaar.
Tussen de zijwanden 4 van de behuizing en de kopse zijden van het waterkeerlichaam 6 bevindt zich een waterdichte afsluiting 35, die hier is uitgevoerd door een wateruitzetbaar materiaal, ook wel swell seal genoemd. Alternatief kunnen twee elkaar overlappende rubbers zijn voorzien, of kan de waterdichte afsluiting een opblaasbaar buislichaam zijn of twee onder druk met elkaar contact makende rubbers omvatten.
Figuren 2a-d tonen schematisch de werking van een waterkeerinrichting 51 volgens de uitvinding die is opgesteld als onderdeel van een kadewand. Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 1 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 50 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen.
De voorwand 52 is naar een waterpartij 70 gekeerd. De waterpartij 70 heeft een waterpeil 71 dat van figuur 12a naar figuur 2d steeds hoger is. De achterwand 53 van de waterkeerinrichting 51 is gericht naar een aan de waterpartij 70 grenzende ondergrond, in dit voorbeeld een kadewand 72 met een bestrating 73. Aan de bovenzijde van de waterkeerinrichting 51 bevindt zich een bestrating 64 die correspondeert met de betrating 73 op de kade. Voor gebruikers van de kade, bijvoorbeeld voetgangers is de waterkeerinrichting 51 aldus min of meer verborgen.
Alternatief kan een waterkeerinrichting op afstand van een waterpartij in een bodem zijn aangebracht, bijvoorbeeld in een dijk die grenst aan uiterwaarden van een rivier, waarbij de waterkeerinrichting aan beide zijden kan zijn begrensd door aarde.
Figuur 2a toont de waterkeerinrichting 51 met een naar de waterpartij 70 gerichte voorwand 52. Het waterpeil 71 bevindt zich ongeveer ter hoogte van de bodem 55 van de behuizing. In de binnenruimte van de behuizing bevindt zich geen water en waterkeerlichaam 56 rust op de bodem 55 van de behuizing. Dit is de niet-operationele toestand van de waterkeerinrichting.
Figuur 2b toont de opstelling van figuur 2a, waarbij het waterpeil 71 is gestegen tot een niveau iets boven de bodemwand 55 van de behuizing.
Vloeistofinlaat 61 bevindt zich in communicerende verbinding met de waterpartij 70,
hetgeen in figuren 2 niet is getoond, en volgens de wet van de communicerende vaten bevindt zich dan ook water in de binnenruimte van de behuizing, en wel op een (water)niveau 65 dat correspondeert met het waterpeil 71 van de waterpartij 70.
Zoals te zien is, overstroomt de waterpartij 70 de kade(wand) 72 in figuur 2 niet.
Echter, als er een flinke golfslag in de waterpartij 70 ontstaat zou dat toch incidenteel kunnen gebeuren. Doordat er zich water in de binnenruimte van de behuizing bevindt, en de gemiddelde dichtheid van het waterkeerlichaam 56 met de polystyreen kern aanzienlijk lager is dan de dichtheid van water is het waterkeerlichaam 56 in figuur 2b in het water gaan drijven. Een gevolg is dat het waterkeerlichaam 56 tot zich tot boven de kademuur 72 omhoog uitstrekt en een keerwand op de kade 72 vormt.
Figuur 2c toont de opstelling van figuur 2b, waarbij het waterpeil 71 is gestegen tot een niveau iets onder de kade 72. Wederom in overeenstemming met de wet van de communicerende vaten, bevindt het waterniveau 85 binnen de behuizing zich op hetzelfde niveau als het waterpeil 71 van de waterpartij 70. De opwaartse kracht van het water binnen de behuizing drukt het waterkeerlichaam 56 verder omhoog. Echter, onder de versmallingslijnen 57 van het waterkeerlichaam 56 is het waterkeerlichaam 56 breder. Als gevolg daarvan bevindt het waterkeerlichaam 56 zich ter hoogte van de versmallingslijnen 57 in contact met de opdrijfstoppen 58, waardoor het waterkeerlichaam 56 niet verder kan stijgen (om te voorkomen dat het waterkeerlichaam 56 geheel uit de behuizing zou komen en zou wegdrijven). Aldus strekt het waterkeerlichaam 56 zich in de situatie van figuur 2b maximaal tot boven de kade 72 uit. En dit nog voordat het waterpeil 71 van de waterpartij 70 boven de kadewand 72 uitkomt. Het moge duidelijk zijn dat in de situatie van figuur 2 een relatief kleine golfslag al voor overstroming van de kade 72 zal leiden en het waterkeerlichaam 56 dan effectief als keerwand zal dienen.
In de in figuur 2d geschetste situatie is het waterpeil 71 nog verder gestegen en staat de waterpartij 70 tegen de keerwand. In deze situatie komt de bescherming van het achterland door de waterkeerinrichting 51 het meest tot zijn recht. Doordat het waterkeerlichaam 56 over ongeveer de helft (van de hoogte) ervan nauw in de behuizing is opgesloten, wordt voorkomen dat het water dat boven de kade 73 tegen het opdrijflichaam 56 aanstaat en het opdrijflichaam 56 aldaar landinwaarts drukt, kan kantelen. Doordat de versmallingslijn 58 zich op ongeveer de helft van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt, wordt enerzijds een (te)
grote hefboomwerking voorkomen en verschaft de onderzijde van het waterlichaam 56 in combinatie met de behuizing anderzijds voldoende tegendruk. De polyurea beschermlaag verschaft het waterlichaam 56 extra sterkte tegen breuk ervan, maar ook tegen beschadiging van in de waterpartij 70 drijvende voorwerpen die met het waterkeerlichaam 56 kunnen botsen.
Wanneer het waterpeil 71 zakt, zal het waterkeerlichaam 56 op omgekeerde wijze mee zakken, doordat het water dat zich in de binnenruimte van de behuizing bevindt op enig moment door de vloeistofuitlaat 60, en mogelijk ook door de vloeistofinlaat 61 uit de behuizing zal weglopen. Uiteindelijk bevindt de waterkeerinrichting 51 zich weer in de toestand als weergegeven in figuur 2a.
Figuur 3 toont een schematisch dwarsdoorsnede-aanzicht van een alternatieve uitvoeringsvorm van een waterkeerinrichting 101 volgens de uitvinding.
Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 51 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 50 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen uit figuur 2. De waterkeerinrichting 101 is opgenomen in een kadewand 122. Een verschil met de hiervoor besproken waterkeerinrichtingen 1, 51 is dat een extra, door een waterdichte wand 131 van de behuizing gescheiden door een deksel 124 afgedekte, technische ruimte 116 is voorzien, waardoorheen de vloeistofuitlaat 110 en de vloeistofinlaat 111 zich uitstrekken. Bovendien bevinden zich in de technische ruimte twee pompen 117, 118 die zijn aangesloten op de vloeistofuitlaat 110 en de vloeistofinlaat 110 om geforceerd water uit- of in de binnenruimte van de behuizing naar buiten, respectievelijk naar binnen te kunnen laten stromen. De vloeistofuitlaat 110 en vloeistofinlaat 111 komen samen in een verzamelleiding 119. De verzamelleiding 119 strekt zich uit naar een filterinrichting 130 die zich in een waterpartij 120 bevindt. Overigens kan de vloeistofuitlaat 110 alternatief ook op een waterafvoersysteem zijn aangesloten en/of kan de vloeistofinlaat 111 zijn aangesloten op een waterleiding.
Figuur 3 toont tevens een opzetwand 125 die permanent of verwijderbaar op het waterkeerlichaam 106 kan worden gezet. Met de opzetwand 125 wordt een hogere keerwand gerealiseerd. De opzetwand 125 kan zijn vervaardigd van kunststof, metaal of een ander materiaal dat geschikt is om bij een overstroming weerstand te bieden aan de druk van water.
In figuur 3 is getoond dat het waterpeil 121 van de waterpartij 120 zich lager bevindt dan de bodem 105 van de behuizing. Met behulp van waterpomp 117 is echter via de filterinrichting 130 gefilterd water uit de waterpartij 120 door de verzamelleiding 119 en de vloeistofinlaat 111 in de behuizing gepompt. Het waterkeerlichaam 106 strekt zich deels boven de kadewand 122 uit. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn. De waterkeerinrichting 151 kan uit voorzorg in een operationele toestand zijn gebracht, bij een voorspelling van een aankomend hoog waterpeil 121. Mogelijk is het waterpeil 121 zelf laag, maar is de golfslag zo fors dat golven de kade dreigen te overspoelen. Maar het is ook mogelijk om zo een goede werking van de waterkeerinrichting 101 te testen. Om te zorgen dat het water bij een situatie als weergegeven in de binnenruimte van de behuizing blijft, heeft het de voorkeur dat de vloeistofinlaat 111 en de vloeistofuitlaat 110, bijvoorbeeld met een klep kunnen worden afgesloten en geopend. Het heeft de voorkeur dat ten minste één van de vloeistofuitlaat 110 en vloeistofinlaat 111 in niet-operationele toestand geopend is voor een goede communicatie tussen de waterpartij 120 en de binnenruimte van de behuizing. Zo kan de waterkeerinrichting 101 zonder bediening functioneren.
Figuur 4 toont een schematisch dwarsdoorsnede-aanzicht van een alternatieve uitvoeringsvorm van een waterkeerinrichting 151 volgens de uitvinding.
Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 51 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 100 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen uit figuur 2. De uitvoeringsvorm volgens figuur 4 verschilt van die uit figuur 2 doordat in figuur 4 een extra opdrijfstop is weergegeven. De extra opdrijfstop kan in aanvulling op de opdrijfstop 158 zijn voorzien, zoals weergegeven in figuur 4. De “extra” opdrijfstop kan echter ook als alternatief voor opdrijfstop 158 zijn voorzien.
De extra opdrijfstop omvat een oog 182 dat in een langgestrekte verticale holte 183 in het waterkeerlichaam 156 is vastgezet en een kabel 184 die zich uitstrekt vanaf het oog182 naar een spoel (niet getoond) waaromheen een eindstuk van de kabel 184 is geslagen en waarmee de lengte van de kabel 184, en dus de maximale uitslag van het waterkeerlichaam 156 kan worden ingesteld. Met de “extra” opdrijfstop kan aldus een lagere maximale operationele toestand van het waterkeerlichaam worden ingesteld. Of de extra opdrijfstop kan als beveiliging worden gebruikt voor situaties waarin een eerste opdrijfstop, zoals opdrijfstop 154, faalt.
Figuur 5 toont een schematisch dwarsdoorsnede-aanzicht van een alternatieve uitvoeringsvorm van een waterkeerinrichting 201 volgens de uitvinding.
Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 201 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 200 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen uit figuur 1. In figuur 5 is de werking van de (geleidings)stang 212 en (geleidings)buis 213 nader getoond. De in het waterkeerlichaam 206 opgenomen buis 213 schuift bij het omhoog of omlaag bewegen van het waterkeerlichaam 206 over de aan de bodem 205 bevestigde stang 212. Doordat de geleidingsbuis 213 zich over de gehele hoogte van het waterkeerlichaam 206 uitstrekt functioneert de buis 263 tevens als versterking tegen het breken of verbuigen van het waterkeerlichaam 206.
Figuur 6 toont schematisch weergegeven een met waterkeerinrichting 1 corresponderende langgestrekte waterkeerwand volgens de onderhavige uitvinding langs een rivier 270. Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 1 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 250 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen uit figuur 1 De rivier 270 wordt gedeeltelijk geflankeerd door een dijk 272 waarin de waterkeerinrichting 251 is opgenomen en gedeeltelijk alleen door de waterkeerinrichting 251. Aan de bovenzijde van de waterkeerinrichting 251 is gedeeltelijk een betegeling 273 voorzien. In de behuizing, waarvan alleen de voorwand 252 zichtbaar is, zijn op elkaar aansluitende waterkeerlichamen als in figuur 1 (aangeduid met 6) voorzien. Wanneer het waterpeil 271 van de rivier 270 stijgt komen de waterkeerlichamen omhoog op een wijze die is toegelicht in de vorige figuren. De waterkeerlichamen zijn ten opzichte van elkaar afgedicht met behulp van een van de hierboven besproken waterdichte afsluitingen.
Figuur 6a toont een schematisch explosieaanzicht van nog een verdere alternatieve waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding. Om herhaling van introductie van elementen te voorkomen zijn met waterkeerinrichting 51 corresponderende elementen aangeduid met een verwijzingscijfer dat 200 hoger is dan de betreffende corresponderende elementen uit figuren 2a-d. Deze uitvoeringsvorm van de waterkeerinrichting 251 heeft een waterkeerlichaam 256 dat niet is opgesloten in een behuizing, maar bij toepassing met metalen Z-profielen 285 aan een kadewand 272 is opgehangen. Een Z-profiel 285 heeft een horizontale plaat 286 waarmee het Z-profiel 285 bij toepassing op een kadewand 272 afsteunt. Een verticaal verbindingsstuk 287 verbindt de horizontale plaat 286 met een steunplaat 288 die een geleidestang 262 draagt. Op de kadewand is een langgestrekte opdrijfstop 258 bevestigd, die vanaf de kadewand 272 enigszins richting een (niet getoonde) waterpartij oversteekt. In het waterkeerlichaam 257 zijn twee geleidebuizen 263 opgenomen, die in samengestelde toestand van de waterkeerinrichting 251 over de geleidestangen 262 zijn geschoven.
In samengestelde toestand is een beugel 289 ongeveer halverwege de hoogte van de waterkeerinrichting 251 in niet-operationele toestand met achterwanden 253 aan verbindingsstukken 287 van twee Z-profielen 285 bevestigd.
De beugel 289 omsluit bij toepassing met de voorwand 252, de zijwanden 254 en de achterwanden 253 ervan samen met een kadewand het waterkeerlichaam 256 en verschaft steun, bescherming en extra geleiding.
Figuur 6b toont een schematische verticaal aanzicht in dwarsdoorsnede van de waterkeerinrichting 251 uit figuur 6a in samengestelde, nietoperationele toestand bevestigd aan een kadewand 272. Figuur 6c toont dezelfde opstelling van de waterkeerinrichting 251 in operationele toestand. De beugel 289 omgeeft het onderuiteinde van het waterkeerlichaam 251 in de uiterste operationele toestand. In deze toestand oefent de waterpartij 270 over nagenoeg de gehele hoogte van het waterkeerlichaan 256 druk uit op de voorkant ervan. In vergelijking met de opstelling van figuur 2d heeft de kadewand 272 in combinatie met eenzelfde effect als de achterwand 53 van de behuizing. Het water van de waterpartij 271 dat zich onder de versmallingsrand 257 bevindt verschaft samen met de voorwand 252 van beugel 289 een tegendruk die voorkomt dat het waterkeerlichaam 256 met de bovenzijde landinwaarts kan kantelen.
Figuur 7 toont een schematisch perspectivisch aanzicht op een waterkeerlichaam 303 voor gebruik in een waterkeerinrichting volgens de onderhavige uitvinding. Het waterkeerlichaam 306 heeft een voorwand 302 en een achterwand 303 waarin de versmallingslijnen 307 duidelijk zijn weergegeven. In de polyurea beschermingslaag is een metalen wapening 340 opgesloten. In plaats van de wapening 340 kan alternatief een vezelversterking in de polyurea zijn voorzien. In de voorwand 302 en aan de bovenzijde 341 van het waterkeerlichaam 308 zijn ankers 342 voorzien, die met een montageplaat (niet getoond in deze figuur) in het waterkeerlichaam 306 zijn bevestigd, en waarmee het waterkeerlichaam 306 eenvoudig manipuleerbaar is bij (de-)installatie van een waterkeerinrichting.
Figuur 8, tenslotte, toont een schematisch dwarsdoorsnedeaanzicht door een deel van de voorwand 302 van het waterkeerlichaam 306 uit figuur 7, ter hoogte van het anker 342. Te zien zijn de onderling verlijmde open cel schuim korrels 243, een kunststof afdeklaag 344, een polyurea laag 345 waarin de wapening 340 is opgenomen en waarop een extra polyurealaag 346 is voorzien. De ankerplaat 347 waaraan het anker 342 is bevestigd bevindt zich tussen de gewapende polyurealaag 345 en de extra polyurealaag 346,0m te voorkomen dat de gewapende polyurealaag beschadigt als gevolg van werking van de ankerplaat 347 ten opzichte van de gewapende polyurealaag onder temperatuurinvloeden.
De onderhavige uitvinding is hierboven beschreven onder verwijzing naar de bijgevoegde figuren waarin enkele uitvoeringsvormen van de onderhavige uitvinding zijn weergegeven. De beschermingsomvang is echter niet beperkt door de figuren en wordt bepaald door de ruimst mogelijke interpretatie van de hiernavolgende conclusies. Alternatieve uitvoeringen, die momenteel al dan niet voor de hand liggen voor een vakman, zijn mogelijk binnen de door de conclusies bepaalde beschermingsomvang.
Verwijzingscijfers: 1, 51, 101, 151, 202, 251 waterkeerinrichting 2,52, 102, 152, 202, 252 voorwand 3, 53, 103, 153, 203, 253 achterwand 4, 254 zijwand 5, 55, 105, 155, 205 bodem 6, 56, 108, 156, 206, 256, 306 waterkeerlichaam 7,57, 107, 157, 207, 257, 307 versmallingslijn waterkeerlichaam 8, 58, 108, 158, 208, 258 opdrijfstop 9 vloeistofkanaal 10, 60, 110, 160, 210 vloeistofuitlaat 11, 61, 111, 161, 211 vloeistofinlaat
12, 212, 262 geleidestang 13, 213, 263 geleidebuis 116 technische ruimte 117 pomp 118 pomp 119 verzamelleiding 70, 120 waterpartij 71, 121 waterpeil 72, 122, 272 kadewand 73, 123, 273 bestrating kade 124 deksel technische ruimte 125 opzetwand 130 filterinrichting 131 waterdichte wand 35 waterdichte afsluiting 64, 114, 164, 214 bestrating op waterkeerinrichting 65, 115, 165, 215 waterniveau binnen behuizing 182 oog van extra opdrijfstop 183 langgestrekte verticale holte 184 kabel 285 Z-profiel 286 ophangplaat 287 verbindingsstuk 288 steunplaat 289 beugel 340 wapening 341 bovenzijde waterkeerlichaam 342 anker 343 laag open cel schuim 344 kunststof afdeklaag 345 polyurea beschermlaag 346 extra poluurealaag 347 ankerplaat

Claims (31)

CONCLUSIES
1. Waterkeerinrichting omvattende een in of nabij een waterpartij en althans ten minste in hoofdzaak parallel aan een waterlijn van de waterpartij te plaatsen waterkeerlichaam, waarbij het waterkeerlichaam een hoogte heeft en een met een beschermlaag beklede kern omvat die is vervaardigd van een kernmateriaal met een dichtheid die kleiner is dan 1,0 g/cm3, en het waterkeerlichaam geleid door een althans ten minste in hoofdzaak plaatsvaste geleidingsinrichting vrij op- en neerwaarts tussen een lagere niet-operationele en een hogere operationele toestand beweegbaar is, waarbij het waterkeerlichaam een hoogste operationele toestand en een hoogste niet-operationele toestand heeft, in welke hoogste operationele toestand het waterkeerlichaam zich ten opzichte van de hoogste niet-operationele toestand op een hoogte van maximaal 65% van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt.
2. Waterkeerinrichting volgens conclusie 1, waarbij het waterkeerlichaam een hoogste operationele toestand en een hoogste niet- operationele toestand heeft, in welke hoogste operationele toestand het waterkeerlichaam zich ten opzichte van de hoogste niet-operationele toestand op een hoogte van maximaal 55 of 60%, verder bij voorkeur maximaal 45 of 50% van de hoogte van het waterkeerlichaam bevindt.
3. Waterkeerinrichting volgens conclusie 1 of 2, waarbij de dichtheid van het kernmateriaal kleiner is dan 0,5 g/cm3, bij voorkeur kleiner is dan 0,25 g/cm3, verder bij voorkeur kleiner is dan 0,1 g/cm3, nog verder bij voorkeur kleiner is dan 0,075 g/cm: en het meest bij voorkeur kleiner is dan 0,05 g/cm.
4. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het waterkeerlichaam een hoogte heeft die is gelegen tussen 0,3 en 20 meter, bij voorkeur tussen 1 en 7 meter, verder bij voorkeur tussen 1,5 en 3 meter, en/of waarbij het waterkeerlichaam een dikte heeft die is gelegen tussen 0,2 en 2 meter, bij voorkeur tussen 0,5 en 1,5 m.
5. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de kern uitgehard kunststof schuimmateriaal omvat, bij voorkeur is vervaardigd van uitgehard kunststof schuimmateriaal.
6. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het schuimmateriaal polystyreen is.
7. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de beschermlaag de gehele kern bedekt.
8. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de geleidingsinrichting een in de grond of in de waterpartij op te nemen langgestrekte behuizing met een inwendige contour definiërende verticale wanden omvat, waarin het waterkeerlichaam is opgenomen, en waarbij het waterkeerlichaam een uitwendige dwarsdoorsnede omvat die zodanig correspondeert met de inwendige contour van de behuizing dat het waterkeerlichaam vrij tussen de niet-operationele en de operationele toestand beweegbaar is.
9. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de geleidingsinrichting één of meer zich althans bij toepassing verticaal omhoog uitstrekkende staanders en zich in het waterkeerlichaam althans bij toepassing verticaal omhoog uitsttekkende holten omvat, waarbij het waterkeerlichaam met de een of meer holten verticaal over een of meer corresponderende staanders beweegbaar is.
10. Waterkeerinrichting volgens conclusie 9, waarbij de geleidingsinrichting een het waterlichaam deels omgevende beugel met een U-profiel omvat, waarbij het profiel van de beugel zodanig correspondeert met de uitwendige dwarsdoorsnede van het waterkeerlichaam dat het waterkeerlichaam vrij tussen de niet-operationele en de operationele toestand beweegbaar is.
11. Waterkeerinrichting volgens conclusie 10, waarbij de vrije van de basis van de U afgekeerde einden van de benen van de U zijn voorzien van een zich haaks op het respectief been uitstrekkende bevestigingsflens
12. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 11, waarbij de behuizing aan diens binnenzijde en/of de het waterkeerlichaam aan diens buitenzijde is voorzien van een anti-aanvriesbekleding.
13. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de beschermlaag een dikte heeft die is gelegen tussen 2 en 100 mm, bij voorkeur tussen 5 en 30 mm.
14. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de beschermlaag waterafstotend of vochtwerend is.
15. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de beschermlaag is vervaardigd van kunststof, bij voorkeur polyurea.
16. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 15, waarbij de behuizing een bodem omvat.
17. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het waterkeerlichaam een rechthoekige dwarsdoorsnede heeft.
18. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het waterkeerlichaam over de hoogte een in hoofdzaak constante dwarsdoorsnede heeft.
19. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 18, waarbij de behuizing over de hoogte een in hoofdzaak constante dwarsdoorsnede heeft.
20. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de waterkeerinrichting is voorzien van een opdrijfstop.
21. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 20, waarbij de behuizing is voorzien van een vloeistofafvoeropening.
22. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de waterkeerinrichting is voorzien van een pompinrichting.
23. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 22, waarbij de behuizing is voorzien van een vloeistoftoevoeropening.
24. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 23, waarbij de waterkeerinrichting is voorzien van afdichtmiddelen die in de niet- operationele toestand van een waterkeerlichaam een afdichting verschaffen tussen het waterkeerlichaam en de behuizing.
25. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de conclusies 8 tot en met 24, waarbij de waterkeerinrichting is voorzien van afsluitmiddelen voor het, althans in niet-operationele toestand van het waterkeerlichaam aan de bovenzijde afsluiten van de behuizing.
26. Waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies, waarbij een besturing is voorzien voor het besturen van het tussen een niet-operationele en een operationele toestand bewegen van het waterkeerlichaam.
27. Waterkeerlichaam ingericht voor toepassing in een waterkeerinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies.
28. In hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond opgenomen waterkeerinrichting.
29. Waterkeersysteem omvattende een veelvoud van ten opzichte van elkaar uitgelijnde, in hoofdzaak op elkaar aansluitende waterkeerinrichtingen volgens een of meer van conclusies.
30. Waterkeersysteem volgens conclusie 29, waarbij afdichtmiddelen zijn voorzien voor het, althans in operationele toestand van de waterkeerlichamen, afdichten van eventuele openingen tussen naburige waterkeerlichamen.
31. Werkwijze voor het in de grond verschaffen van een waterkerende verhoging, of althans verhogingsvoorziening, omvattende het althans in hoofdzaak parallel aan een waterlijn in de grond aanbrengen van een of meer waterkeerinrichtingen volgens het eerste aspect van de onderhavige uitvinding.
NL2034300A 2023-03-09 2023-03-09 Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting NL2034300B1 (nl)

Priority Applications (3)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2034300A NL2034300B1 (nl) 2023-03-09 2023-03-09 Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting
EP24710204.9A EP4677156A1 (en) 2023-03-09 2024-03-05 Water damming device provided with a floating water damming body, application of such a water damming device and floatable water damming body for such a water damming device
PCT/NL2024/050102 WO2024186204A1 (en) 2023-03-09 2024-03-05 Water damming device provided with a floating water damming body, application of such a water damming device and floatable water damming body for such a water damming device

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2034300A NL2034300B1 (nl) 2023-03-09 2023-03-09 Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2034300B1 true NL2034300B1 (nl) 2024-09-20

Family

ID=86272195

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2034300A NL2034300B1 (nl) 2023-03-09 2023-03-09 Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting

Country Status (3)

Country Link
EP (1) EP4677156A1 (nl)
NL (1) NL2034300B1 (nl)
WO (1) WO2024186204A1 (nl)

Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JPH08284139A (ja) * 1995-04-10 1996-10-29 Nippon Steel Corp 自動昇降式堤体
WO2016114666A2 (en) 2015-01-16 2016-07-21 Eickholt Beheer B.V. Embankment device

Patent Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
JPH08284139A (ja) * 1995-04-10 1996-10-29 Nippon Steel Corp 自動昇降式堤体
WO2016114666A2 (en) 2015-01-16 2016-07-21 Eickholt Beheer B.V. Embankment device

Also Published As

Publication number Publication date
WO2024186204A1 (en) 2024-09-12
EP4677156A1 (en) 2026-01-14

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US5460462A (en) Liquid and flood water barrier wall forming-apparatus
NL1035546C2 (nl) Self closing flood barrier and method for protecting a hinterland using same.
EP2601354B1 (en) A method of installation of a self-actuating flood guard
US6338594B1 (en) Movable barrier wall
US9453315B2 (en) Hydrostatic fluid containment system
EP2659069B1 (en) Self-actuating storm surge barrier
US7744310B2 (en) Hydrostatically operated variable height bulkhead
US7101114B1 (en) Storm drain system and method
EP2915923A1 (en) Self operating barrier for flood, spill and other protection
EP3748085B1 (en) Flood barrier
WO2020044355A1 (en) Integration of multipurpose box tunnels with empty lakes and mini dam for effective flood control
GB2451294A (en) Self erecting flood protection device with buoyant barrier and electrical generation means
EP2354326B1 (en) Anti-flooding device
WO2024203559A1 (ja) 水防構造及び水防方法
NL2034300B1 (nl) Waterkeerinrichting voorzien van een opdrijfbaar waterkeerlichaam, toepassing van een dergelijke waterkeerinrichting en opdrijfbaar waterkeerlichaam voor een dergelijke waterkeerinrichting
NL2014143B1 (nl) Waterkeerinrichting.
GB2426026A (en) Automatic buoyant flood barrier
NL2011547C2 (nl) Inrichting voor het keren van een vloeistof in een vloeistofbassin.
WO2003042459A1 (fr) Systeme de controle de marees a commande hydraulique
GB2456394A (en) Flood defence system
US20210102352A1 (en) Flood Protection
KR100493822B1 (ko) 저수지의 보 및 제방용 수문
GB2456878A (en) Automatic flood barrier system
CA2149060C (en) Liquid and flood water barrier wall forming apparatus
KR20250019382A (ko) 수해 방지용 차수벽 시스템 설치