[go: up one dir, main page]

NL2019388B1 - Bescherminrichting - Google Patents

Bescherminrichting Download PDF

Info

Publication number
NL2019388B1
NL2019388B1 NL2019388A NL2019388A NL2019388B1 NL 2019388 B1 NL2019388 B1 NL 2019388B1 NL 2019388 A NL2019388 A NL 2019388A NL 2019388 A NL2019388 A NL 2019388A NL 2019388 B1 NL2019388 B1 NL 2019388B1
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
section
plant
protective device
tubular body
collar
Prior art date
Application number
NL2019388A
Other languages
English (en)
Inventor
Johannes Maria De Koning Adrianus
Original Assignee
A J M De Koning Beheer B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by A J M De Koning Beheer B V filed Critical A J M De Koning Beheer B V
Priority to NL2019388A priority Critical patent/NL2019388B1/nl
Priority to EP18186226.9A priority patent/EP3437461A1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2019388B1 publication Critical patent/NL2019388B1/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01GHORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
    • A01G13/00Protection of plants
    • A01G13/20Protective coverings for plants
    • A01G13/28Protective coverings for plants protecting young plants

Landscapes

  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • General Health & Medical Sciences (AREA)
  • Toxicology (AREA)
  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Cultivation Of Plants (AREA)
  • Cultivation Receptacles Or Flower-Pots, Or Pots For Seedlings (AREA)

Abstract

De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een bescherminrichting voor het beschermen van een in een pot met groeimedium (op) te kweken plant, de bescherminrichting omvat een kokervormig lichaam, zoals een vaas of een kraag, dat bij toepassing een in groeimedium groeiende plant ten minste gedeeltelijk omgeeft. De uitvinding heeft verder betrekking op een werkwijze voor het (op)kweken van een in een pot met groeimedium op te kweken plant.

Description

Korte aanduiding: bescherminrichting
BESCHRIJVING
De onderhavige uitvinding heeft volgens een eerste aspect betrekking op een bescherminrichting voor het beschermen van een in een pot met groeimedium (op) te kweken plant, de bescherminrichting omvat een kokervormig lichaam, zoals een vaas of een kraag, dat bij toepassing een in groeimedium groeiende plant ten minste gedeeltelijk omgeeft.
Het is bekend planten op te kweken in een pot met groeimedium, waarbij op commerciële basis bij voorkeur uit economisch oogpunt zoveel mogelijk planten per m2 worden opgekweekt. Bij het op grote schaal (op)kweken van planten bestaat hierbij het risico dat takken, bladeren en/of wortels van naburige planten met elkaar in contact komen of zelfs in elkaar verstrengeld raken. Dit is in het bijzonder het geval bij orchideeën. Daartoe is het bekend planten tijdens het kweken met de kweekpot in een vaas te plaatsen, die zich zover tot boven de kweekpot uitstrekt, dat die de plant grotendeels omgeeft en de takken of bladeren beschermt tegen contact met naburige planten. Alternatief is het bekend een kraag op de kweekpot te plaatsen, die hetzelfde effect heeft als een vaas. Om tijdens het (op)kweken te voorkomen dat de planten onnodig veel licht wordt ontnomen zijn vazen of kragen in de regel transparant. Het nadeel bij bovenstaande techniek is dat ondanks dat takken niet met naburige planten verstrengeld kunnen raken, dit nog wel steeds kan gebeuren in het kokervormige lichaam zelf, doordat takken bij het omhoog groeien vanuit de bladoksels de eigen bladeren tegenkomen die vrij frequent de weg omhoog blokkeren. Hierdoor kan de tak uiteindelijk spontaan breken of klem groeien tussen twee boven elkaar liggende bladeren of kan de tak zelfs gebroken worden bij het verwerken van het eindproduct.
In het bijzonder bij orchideeën is de bloeiwijze een belangrijk aspect, waarbij het aantal takken en bloemen en de vorm en richting van de takken en bloemen mede bepalend is voor de (markt)waarde van een orchidee. De onderhavige uitvinding beoogt daarom een bescherminrichting volgens de aanhef te verschaffen, met behulp waarvan het groeiproces van een plant kan worden beïnvloed, in het bijzonder waarmee kan worden bevorderd dat de takken van de plant rechter groeien dan bij een bekende inrichting. Dit doel wordt volgens de onderhavige uitvinding bereikt met een bescherminrichting volgens conclusie 1. Doordat het kokervormige lichaam althans ten minste boven het groeimedium een naar de plant gerichte binnenwand met een eerste sectie en een tweede sectie omvat, waarbij de eerste sectie en de tweede sectie van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant, kan met behulp van een juiste oriëntatie van het kokervormige lichaam ten opzichte van de plant de groei van de plant/tak gericht worden beïnvloed.
Bladeren en takken van een plant hebben de neiging om in de richting van het licht te groeien. In het geval van het kweken van een plant die is omgeven door een kokervormig lichaam volgens de onderhavige uitvinding zal een tak groeien in de richting van de sectie die licht relatief goed reflecteert, of licht relatief weinig absorbeert dan wel licht weinig doorlaat. Dit kan worden ondersteund doordat in de opkweekfase, waarin gewenst is de planten alleen maar vegetatief te laten groeien, de bladeren deels ook van de donkere zijde afkeren en hierdoor meer ruimte genereren aan de andere zijde. Het is ook mogelijk om gedurende verschillende groeifasen van een plant de oriëntatie van de secties/deelvlakken met de verschillende lichtreflectie-eigenschappen ten opzichte van de plant te wijzigen, om de plant optimaal te laten groeien en/of bloeien. Bijvoorbeeld door de plant in de opkweekfase met een zijde naar een relatief goed licht-reflecterende sectie te plaatsen, en de plant in de kweekfase met de tegenovergelegen kant naar de relatief goed licht-reflecterende sectie te plaatsen.
Aldus kan door middel van de bescherminrichting volgens de onderhavige uitvinding de groeirichting en/of het groeiproces van takken zodanig worden beïnvloed dat het risico op krom groeien door eigen bladeren wordt geminimaliseerd, of althans ten minste wordt verkleind. Takken ontspruiten specifiek bij Phalaenopsis vanuit een bladoksel tussen twee deels horizontaal boven elkaar ontwikkelde bladeren waarna de tak onder de schaduw van het bovenliggende blad zijn weg naar boven (licht) gaat zoeken. Door de bescherminrichting volgens de onderhavige uitvinding wordt het mogelijk om de nieuw gevormde tak onder het bovenliggende blad vandaan, geforceerd één kant op te laten groeien. Door dit forceren kan worden bereikt dat takken in plaats van zijwaarts in de lengterichting van het blad tussen de bladeren omhoog groeien, nu geforceerd in de "open ruimte” aan één zijde van de plant omhoog zullen groeien. Hierdoor ontstaan behalve het minder breken/kromgroeien van takken nog diverse andere voordelen zoals arbeidsbesparing bij het opbinden van takken doordat de takken rechter omhoog gegroeid zijn en kunnen bovendien op deze wijze bepaalde rassen zonder stok afgeleverd gaan worden.
Bij een uitvoeringsvorm is de binnenwand van het kokervormige lichaam voorzien van een binnenoppervlak, welk binnenoppervlak ten minste een eerste de eerste sectie vormend oppervlakgedeelte en een tweede de tweede sectie vormend oppervlakgedeelte omvat, waarbij het eerste oppervlakgedeelte en het tweede oppervlakgedeelte van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk om voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant het eerste oppervlakgedeelte donkerder van kleur uit te voeren dan het tweede oppervlakgedeelte of dat het eerste oppervlakgedeelte een matter oppervlak heeft dan het tweede oppervlakgedeelte. In het algemeen reflecteert een relatief mat oppervlak minder, althans anders, licht dan een relatief glanzend oppervlak. Op deze wijze kan op relatief eenvoudige en kostengunstige wijze de groeirichting en/of het groeiproces van de plant worden bepaald en worden beïnvloed door de kweker.
Met verschillende lichtreflectie-eigenschappen wordt in dit document bedoeld dat de eerste en tweede sectie of het eerste en het tweede oppervlakgedeelte onder identieke (meet)omstandigheden (zoals identieke hoek, identieke sterkte van de daarop vallende lichtbundel, etc.) verschillende lichtreflectie-eigenschappen omvatten.
De lichtreflectie-eigenschappen kunnen op verschillende manieren worden bepaald, zoals bijvoorbeeld door kleur, glans en/of oppervlaktestructuur.
In een ander aspect van de uitvinding heeft het kokervormige lichaam een zich haaks op de hartlijn uitstrekkend dwarsdoorsnedevlak dat geen hoeken kan omvatten of kan zijn voorzien van een dwarsdoorsnedevlak met hoeken. Een voorbeeld van een dwarsdoorsnedevlak zonder hoeken is een cirkelvormig of ellipsvormig dwarsdoorsnedevlak. Een voorbeeld van een dwarsdoorsnedevlak met hoeken is een rechthoekig of zeshoekig dwarsdoorsnedevlak. Het is ook mogelijk dat op verschillende hoogten van het kokervormige lichaam, het kokervormige lichaam is voorzien van ten minste een dwarsdoorsnedevlak met hoeken alsmede van ten minste een dwarsdoorsnedevlak zonder hoeken. Een kokervormig lichaam met een hoekig meerzijdig dwarsdoorsnedevlak kan takken bij het in een gewenste richting omhoog groeien ondersteunen doordat een tak door een door twee naburige vlakken ingesloten hoek in een rechte lijn naar boven kan worden geleid.
Wanneer het kokervormige lichaam zich in een richting van de hartlijn daarvan in een groeirichting van een door het kokervormige lichaam omgeven plant divergerend uitstrekt heeft de plant aan de bovenzijde meer groeiruimte ter beschikking dan aan de onderzijde. Tevens kan met deze divergerende vorm een naar buiten groeien van takken aan de onderzijde van de plant worden beperkt, dat wil zeggen kunnen de takken aan de onderzijde van de plant worden geforceerd om naar boven te groeien.
Bij een verder aspect zijn de eerste sectie en de tweede sectie door ten minste een scheidslijn, bij voorkeur twee scheidingslijnen, van elkaar gescheiden voor het vormen van twee in de omtrekrichting van de bescherminrichting gezien achter elkaar gelegen secties. De scheidingslijn of scheidingslijnen kunnen zich in hoofdzaak parallel aan de hartlijn van het kokervormige lichaam uitstrekken. De scheidslijn hoeft uiteraard niet volledig parallel aan de hartlijn van het kokervormige lichaam te verlopen voor het verkrijgen van de verschillende secties rondom de plant. Door een dergelijke configuratie van de secties van de bescherminrichting kan tijdens het (op)kweekproces door het ten opzichte van de plant roteren van de bescherminrichting, in het bijzonder het kokervormige lichaam, om de hartlijn daarvan de groeirichting en/of het groeiproces van de bladeren en/of de takken van de plant worden beïnvloed.
De lichtreflectie-eigenschappen van de secties of de oppervlakgedeelten kunnen betrekking hebben op de verhouding van het invallende licht ten opzichte van het gereflecteerde licht, bijvoorbeeld de verhouding tussen lichtreflectie en lichtabsorptie en lichttransmissie, de richting van het gereflecteerde licht, zoals bijvoorbeeld de hoofdrichting van de lichtreflectie en/of de kleur of kleuren van het gereflecteerde licht. Daarbij kan het tussen de verschillende secties/oppervlakgedeelten om verschillen in intensiteit van reflectie of absorptie van het licht gaan, maar het is ook mogelijk dat de eerste sectie / het eerste oppervlakgedeelte bepaalde kleuren beter absorbeert en andere kleuren minder goed absorbeert dan de tweede sectie / het tweede oppervlakgedeelte. Zo is het mogelijk dat de verschillende lichtreflectie-eigenschappen in de eerste sectie en de tweede sectie zijn verschaft door het gebruiken van verschillende kleuren voor de eerste sectie en de tweede sectie, bijvoorbeeld de kleur zwart voor de eerste sectie en wit voor de tweede sectie of de kleur blauw voor de eerste sectie en rood voor de tweede sectie.
Het heeft de voorkeur dat de eerste sectie en de tweede sectie zich qua oppervlak elk over ten minste 25% van de binnenwand van het kokervormige lichaam uitstrekken. Een oppervlakverhouding van 1:1 tot 1:3 tussen beide secties resulteert in een gewenste mate van verschil van lichtreflectie-eigenschappen tussen beide secties. Het is overigens niet noodzakelijk dat de eerste sectie en de tweede sectie de volledige binnenwand van het kokervormige lichaam omvatten of bedekken. Het is tevens mogelijk dat er meer dan twee secties met verschillende lichtreflectie-eigenschappen zijn.
Wanneer het kokervormige lichaam is vervaardigd door middel van spuitgieten heeft het de voorkeur dat het is vervaardigd door middel van twee-kleuren spuitgieten. Het is ook mogelijk om het kokervormige lichaam te vervaardigen middels “in mould labelling (IML)”. Aldus is het mogelijk om een kokervormig lichaam volgens onderhavige uitvinding te verkrijgen zonder dat een nabehandeling vereist is van een spuit gegoten of via IML verkregen kokervormig lichaam teneinde de gewenste verschillen in de lichtreflectie-eigenschappen te verkrijgen.
In een verder aspect is ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie gevormd door een uitsparing in het kokervormige lichaam, waarbij de uitsparing een opening in het kokervormige lichaam vormt waardoor licht direct op de plant kan vallen.
De uitsparing vormt een opening in het kokervormige lichaam, bij voorkeur bedraagt het oppervlak van de opening ten minste 10-20% van het buitenoppervlak van het kokervormige lichaam. Deze uitsparing is bijzonder voordelig bij het kweken, dat wil zeggen de fase waarin de takken van de plant beginnen de groeien. Door de uitsparing in de zijwand van het kokervormige lichaam valt het invallende daglicht of kunstlicht direct op de plant zonder tussenkomst van het kokervormige lichaam. Op deze wijze is dan door het gebruiken van het licht dat direct op de plant valt de groeirichting en/of het groeiproces van de plant te beïnvloeden, in het bijzonder de groeirichting en/of het groeiproces van de tak nog sterker te beïnvloeden. De uitsparing kan derhalve de eerste sectie van de binnenwand vormen, waarbij de tweede sectie is gevormd door ten minste een deel van de binnenwand van het kokervormige lichaam, waarbij de twee secties verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben, dat wil zeggen de eerste sectie heeft geen lichtreflectie-eigenschappen, terwijl de tweede sectie wel lichtreflectie-eigenschappen heeft. Daarbij is het mogelijk de tweede sectie zo uit te voeren dat deze minder licht reflecteert dan ten minste een deel van het kokervormige lichaam waarin de uitsparing is gelegen. Door deze uitvoering omvat het kokervormige lichaam ten minste drie secties met van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen.
In een verder aspect is ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie gevormd door het aanbrengen van een element voor of aan de binnenwand van het kokervormige lichaam.
Dit aanbrengen van het element, bij voorkeur een strip- of strookvormig element, kan op elke gewenste wijze integraal, door middel van bevestigen (bijvoorbeeld vastlijmen) of zelfs op losse wijze worden uitgevoerd. In het laatste geval zou het mogelijk zijn om door middel van het aanbrengen van één of twee voorzetelementen, die vanaf een door de bescherminrichting omgeven plant voor, dus aan de binnenzijde van, het kokervormige lichaam in een groeimedium worden geplaatst teneinde om in het daadwerkelijke kokervormige lichaam secties met afwijkende lichtreflectie-eigenschappen te verkrijgen.
Alternatief, eventueel additioneel, kan bij een kokervormig lichaam dat doorschijnend is, ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie zijn gevormd door aan een buitenzijde van het kokervormige lichaam een element aan te brengen voor het veranderen van de lichtreflectie-eigenschappen tussen de eerste en de tweede sectie. Ook op deze wijze kunnen de lichtreflectie-eigenschappen van de secties van het kokervormige lichaam indirect met behulp van ten minste een element, bij voorkeur een strip- of strookvormig element, worden aangepast.
De uitvinding heeft volgens een tweede aspect betrekking op een werkwijze voor het (op)kweken van een in een pot met groeimedium op te kweken plant. Volgens de onderhavige uitvinding wordt bij de werkwijze een hierboven beschreven bescherminrichting toegepast. De voordelen van een dergelijke werkwijze corresponderen met de voordelen van een bescherminrichting volgens het eerste aspect van de uitvinding.
Het heeft daarbij de voorkeur dat de plant tussen het opkweken en het kweken (ook wel bekend als afkweken of inductiefase) ten opzichte van de bescherminrichting wordt gedraaid, bijvoorbeeld 180 graden wordt gedraaid rondom de hartlijn van de plant tussen het opkweken in de warme fase (bijvoorbeeld bij een temperatuur van ongeveer28 graden Celsius) en het kweken (afkweken) in de koele fase (bijvoorbeeld bij kamertemperatuur). Zoals eerder gesteld wordt hierdoor bereikt dat tijdens het opkweken de bladeren, althans ten opzichte van een bekende opkweekmethode, meer naar de relatief goed licht-reflecterende zijde groeien en na het draaien van de plant in de kweekfase de takken van de plant wederom meer, althans ten opzichte van de bekende kweekwerkwijze, naar de relatief goed reflecterende zijde groeien. Door het combineren van de secties met het draaien van de plant in de verschillende kweekstadia van het (op)kweken van de plant kan er voor de groei van de takken tijdens het kweken meer ruimte worden verschaft dan bij de bekende kweekwerkwijze.
Het heeft de voorkeur, dat de plant en de bescherminrichting schuin, dat wil zeggen, met de hartlijn, gedurende het (op)kweken in een hoek van ten minste 10-60 graden ten opzichte van de verticaal wordt gepositioneerd teneinde daarmee de groeirichting en/of het groeiproces van de plant te beïnvloeden. Bij voorkeur bedraagt de hoek tussen de verticaal en de hartlijn van de bescherminrichting met daarin de plant 20-45 graden. De bladeren en/of takken van de plant hebben daarbij de neiging “omhoog” te groeien en zich aldus in een (verticale) richting te oriënteren. Door hierbij het kokervormige lichaam zodanig te oriënteren dat het relatief goed lichtreflecterend oppervlakgedeelte zich aan de bovenzijde bevindt, kunnen de effecten van de bescherminrichting volgens de onderhavige uitvinding en de schuine positionering elkaar versterken. Dit geldt zowel in de opkweekfase voor de bladeren als in de kweekfase voor de takken.
Bij deze werkwijze voor het kweken kan op voordelige wijze de hierboven reeds beschreven bescherminrichting worden gebruikt die is voorzien van een kokervormig lichaam met een uitsparing. Deze uitsparing is bijzonder voordelig bij het kweken, dat wil zeggen de fase waarin de takken van de plant beginnen de groeien. Door de uitsparing in de zijwand van het kokervormige lichaam hoger dan de onder een hoek staande hartlijn te oriënteren wordt in bedrijf bereikt dat de hoeveelheid van het direct op de plant invallende daglicht of kunstlicht wordt vergroot, waardoor de groeirichting en/of het groeiproces van de plant, in het bijzonder de tak, nog sterker te beïnvloeden is.
Het schuin onder een hoek ten opzichte van de verticaal positioneren van de plant en de bescherminrichting kan overigens ook op voordelige wijze onafhankelijk van de hierboven beschreven bescherminrichting met de qua lichtreflectie-eigenschappen verschillende secties worden toegepast, bijvoorbeeld met een bekende bescherminrichting omvattende een doorschijnend/transparante kokervormig lichaam in de vorm van een vaas of een kraag zonder een eerste sectie en een tweede sectie met van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen. In een dergelijke werkwijze voor het opkweken en/of kweken van een in een pot met groeimedium op te kweken of te kweken plant, wordt de zich in de pot bevindende plant omgeven door een, bij voorkeur transparant, kokervormig lichaam van een bescherminrichting, waarbij de bescherminrichting samen met de plant schuin, dat wil zeggen, met de hartlijn, gedurende het (op)kweken in een hoek tussen 10-60 graden ten opzichte van de verticaal wordt gepositioneerd teneinde daarmee de groeirichting en/of het groeiproces van de tak/plant te beïnvloeden. Bij voorkeur bedraagt de hoek tussen de verticaal en de hartlijn van de bescherminrichting met daarin de plant 20-45 graden.
De werkwijzen die hierin zijn beschreven zijn bijzonder voordelig bij het (op)kweken van orchideeën, in het bijzonder Phalaenopsis.
Het is ook voordelig voor elk van de hierin beschreven werkwijzen om gedurende het groeien de hoek ten opzichte van de verticaal en de bescherminrichting met de plant te wijzigen, en/of dat de plant in de kweekfase met een andere zijde naar boven te positioneren, dat wil zeggen, relatief meer naar boven is gericht ten opzichte van de andere zijkant van de plant, dan gedurende de vorige (op)kweekfase. Het veranderen van de bovenliggende zijde van de plant is mogelijk door de plant ten opzichte van het kokervormige lichaam te roteren, bij voorkeur in een rotatierichting rondom de hartlijn van het kokervormige lichaam.
De hierboven beschreven aspecten zullen hierna aan de hand van een aantal uitvoeringsvoorbeelden in combinatie met de figuren worden uitgelegd. De uitvinding is echter niet tot de hierna beschreven uitvoeringsvoorbeelden beperkt. Veel meer is een aantal varianten en modificaties mogelijk, die eveneens van de gedachte van de uitvinding gebruikmaken en derhalve in het beschermingsgebied vallen. In het bijzonder wordt de mogelijkheid genoemd om de eigenschappen/aspecten die enkel zijn genoemd in de beschrijving en/of zijn getoond in de figuren te combineren met de eigenschappen van de conclusies voor zover compatibel.
Figuren 1a,b tonen perspectivische weergaven van een eerste uitvoeringsvorm van een bescherminrichting;
Figuur 2 toont een perspectivische weergave van een tweede uitvoeringsvorm van een bescherminrichting;
Figuur 3a toont een perspectivische weergave van een derde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting met daarin gepositioneerd een kweekpot met een plant;
Figuur 3b toont een element dat toepasbaar is een bescherminrichting;
Figuren 4a-c tonen op schematische wijze het groeiproces van een in figuur 3 gepositioneerde plant;
Figuur 5 toont een zijaanzicht van een bescherminrichting die qua vormgeving overeenkomt met de in figuur 2 getoonde bescherminrichting, waarbij de bescherminrichting daarin een schematisch weergegeven orchidee omvat, meer specifiek een Phalaenopsis;
Figuur 6 toont een bovenaanzicht van de in figuur 5 getoonde bescherminrichting;
Figuur 7 toont een bovenaanzicht van een in figuur 1a getoonde bescherminrichting met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis;
Figuren 8a,b tonen op sterk schematische wijze het groeiproces van de bladgroei van een orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis, in een in fig. 4a-c weergegeven bescherminrichting;
Figuur 9 toont een perspectivische weergave van een vierde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis;
Figuur 10 toont een perspectivische weergave van een vijfde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis;
Figuur 11 toont een aantal in figuur 10 weergegeven bescherminrichtingen gepositioneerd in een kweekrek.
In de figuren worden dezelfde onderdelen voorzien van dezelfde verwijzingstekens. De figuren tonen verschillende uitvoeringen van een bescherminrichting. De bescherminrichting heeft net als de in de inleiding van dit document beschreven bekende vaasvormige of kraagvormige bescherminrichtingen de basistaak de in een kweekpot groeiende planten te beschermen tegen contact met naburige planten om bijvoorbeeld verstrengelingen (contact) tussen verschillende planten zoveel als mogelijk te voorkomen.
In figuur 1a is een bescherminrichting getoond in de vorm van een zes zijden omvattende kraag 1. De zes rechthoekvormige zijden 2a-f van de kokervormige kraag 1 vormen samen een binnenwand 3 rondom een virtuele hartlijn van de kraag 1.
De kraag 1 kan zoals in figuur 1a is getoond eendelig zijn verbonden met een kweekpot 7 of de kraag 1’ kan zoals in figuur 1b is getoond losneembaar op een kweekpot 7’ worden bevestigd door bijvoorbeeld klemming middels flenzen 9. De flenzen 9 zijn in figuur 1b zodanig uitgevoerd dat deze om de rand 11 aan de binnenzijde van de kweekpot 7’ losneembaar zijn bevestigd, maar het is uiteraard ook mogelijk om de flenzen (niet getoond) zo uit te voeren dat deze om de rand 11 aan de buitenzijde van de kweekpot T losneembaar zijn bevestigd. Het is verder mogelijk om andere losneembare bevestigingen toe te passen zoals bijvoorbeeld een klikmechanisme (niet getoond) voor het losneembaar bevestigen van de kraag en de kweekpot.
In de hierna volgende beschrijving worden de in figuren 1a,b getoonde kraag 1, 1’ en de kweekpot 7, 7’ aangeduid als kraag 1 en kweekpot 7.
De kweekpot 7 omvat de vorm van een omgekeerde afgeknotte kegel, waardoor de diameter van de bodem van de kweekpot 7 kleiner is dan de diameter van de rand 11 van de kweekpunt 7. Het is ook mogelijk om een van hoeken voorzien kweekpot (niet getoond) of een cilindrische kweekpot (niet getoond) te gebruiken.
De kraag 1 omvat de vorm van een omgekeerde afgeknotte zeshoekige pyramide, zodat de kraag 1 zich in een richting van de hartlijn daarvan in een groeirichting van een door de kraag 1 te omgeven plant divergerend uitstrekt. Met andere woorden, een zeshoekig dwarsdoorsnede oppervlak van de kraag 1 nabij de kweekpot 7 ofte wel nabij de onderzijde van de kraag 1 is kleiner dan een zeshoekig dwarsdoorsnede oppervlak nabij de bovenrand 8 van de kraag 1.
Drie van de zes rechthoekvormige zijden 2a-c vormen een deel van de binnenwand 3 die een eerste sectie 15 van de kraag 1 vormt, terwijl de overige drie rechthoekvormige zijden 2d-f een tweede sectie 17 van de binnenwand 3 van de kraag 1 vormen. De eerste sectie 15 verschilt van de tweede sectie 17 doordat deze van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van een vanuit de kweekpot 7 groeiende plant (niet getoond in figuren 1 a,b).
De verschillende lichtreflectie-eigenschappen kunnen worden verschaft door het naar de hartlijn gerichte oppervlakgedeelte van de eerste sectie 15 van een andere kleur, glans en/of oppervlaktestructuur te voorzien dan het naar de hartlijn gerichte oppervlakgedeelte van de tweede sectie 17.
De arcering van het oppervlakgedeelte van de eerste sectie 15 geeft bijvoorbeeld een zwart oppervlakgedeelte weer, terwijl het ontbreken van de arcering van de tweede sectie 17 een wit oppervlakgedeelte weergeeft. Daarbij zijn andere kleurcombinaties tussen de eerste sectie 15 en de tweede sectie 17 voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van een plant eveneens mogelijk. Voor orchideeën, in het bijzonder Phalaenopsis, blijkt uit de praktijk bijvoorbeeld ook de kleur combinatie rood ten opzichte van blauw goed te werken voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces.
In het in figuur 1a getoonde uitvoeringsvoorbeeld wordt met behulp van de door de arcering weergegeven eerste sectie 15 minder het daarop vallende daglicht of kunstlicht in de richting van de hartlijn van de kraag 1 gereflecteerd dan met behulp van de tweede sectie 17.
De getoonde secties 15, 17 vormen elk nagenoeg 50% van het binnenoppervlak van de binnenwand 3 van de kraag 1. De oppervlakte-verhouding tussen de eerste sectie 15 en de tweede sectie bedraagt derhalve 1:1.
Het is ook mogelijk dat ten minste een van de secties 15, 17 minder dan 50% van het totale binnenopervlak van de binnenwand 3 van de kraag 1 vormt, waarbij tevens de oppervlakte-verhouding tussen de eerste sectie 15 en de tweede sectie 17 kan afwijken van de verhouding 1:1. Het heeft de voorkeur dat de eerste en de tweede sectie minstens elk ten minste 25% van het totale binnenoppervlak van de wand vormen, waarbij een oppervlakverhouding die is gelegen tussen 1:1 en 1:3 resulteert in het verkrijgen van een gewenste mate van verschil van lichtreflectie-eigenschappen tussen de secties 15, 17. Ter illustratie, kunnen slechts twee van de zes rechthoekvormige zijden een eerste sectie van de binnenwand 3 van de kraag 1 vormen, terwijl de overige vier rechthoekvormige zijden de tweede sectie van de binnenwand 3 van de kraag 1 vormen, waarbij de oppervlakverhouding derhalve 1:2 is.
In het getoonde uitvoeringsvoorbeeld van de kraag 1 omvat deze zes nagenoeg qua vorm en oppervlak identieke rechthoekvormige zijden 2a-f. Het is echter ook mogelijk dat de kraag 1 ten minste een rechthoekvormige zijde (niet getoond) omvat die een groter oppervlak heeft dan een andere rechthoekvormige zijde. Bijvoorbeeld kunnen de twee tegenover elkaar gelegen rechthoekvormige zijde 2a, 2d een grotere rechthoek met een groter oppervlak vormen dan de overige zijden 2b, 2c, 2e, 2f. Tevens zijn andere configuraties van de zes zijden van de kraag 1 mogelijk.
Het is tevens mogelijk dat de kraag meer dan twee secties (niet getoond) met ten opzichte van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen omvat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de eerste sectie 15 en de tweede sectie 17 niet het totale binnenopervlak van de binnenwand 3 van de kraag 1 vormen, waardoor de rest van het binnenoppervlak van de binnenwand 3 een derde sectie (niet getoond) vormt.
In figuur 2 is een andere uitvoeringsvorm van de bescherminrichting getoond, dat wil zeggen een anders vormgegeven kraag 101. De kraag 101 omvat de vorm van een omgekeerde afgeknotte kegel, zodat de kraag 101 zich in een richting van de hartlijn daarvan in een groeirichting van een door de kraag 101 te omgeven plant (niet getoond in figuur 2) divergerend uitstrekt. Met andere woorden, een geen hoeken omvattend cirkelvormig dwarsdoorsnede oppervlak van de kraag 101 nabij de kweekpot 7 of nabij onderzijde van de kraag 101 is kleiner dan een cirkelvormig dwarsdoorsnede oppervlak nabij de bovenrand 108 van de kraag 101. De kraag 101 kan losneembaar bevestigbaar zijn op de kweekpot 7 of eendelig met de kweekpot 7 zijn uitgevoerd.
De kraag 101 omvat een binnenwand 103 met een eerste de eerste sectie 115 vormend oppervlakgedeelte alsmede een tweede de tweede sectie 117 vormend oppervlakgedeelte. Het tweede oppervlakgedeelte is groter dan het eerste oppervlakgedeelte, meer in het bijzonder bedraagt het oppervlak van de door pijl P weergeven eerste sectie 115 ongeveer 1/3 van het totale binnenoppervlak van de binnenwand 103, terwijl het oppervlak van de tweede sectie ongeveer 2/3 van het totale binnenoppervlak van de binnenwand 103 bedraagt. Met de arcering wordt op dezelfde wijze als voor de figuren 1a,b het verschil in reflectie-eigenschappen tussen de eerste sectie 115 en de tweede sectie 117 weergegeven.
In figuur 3a is op schematische wijze een derde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting getoond. De bescherminrichting is een vaasachtige constructie, kortweg aangeduid als vaas 201. De kokervormige vaas 201 omvat in tegenstelling tot de kraag 1, 101 een bodem 220. Op de bodem 220 van de vaas 201 is een kweekpot 7 gepositioneerd die is gevuld met groeimedium 48 alsmede is voorzien van een in het groeimedium 48 groeiende plant 50. De schematisch in figuur 3a weergegeven vaas 201 is in de praktijk voor toepassing bij een kweker als kweekvaas (niet getoond), qua afmetingen (hoogte, diameter) kleiner uitgevoerd dan getoond, dat wil zeggen dat de kweekvaas qua afmetingen kan zijn aangepast aan de afmetingen van de kweekpot 7. Bijvoorbeeld kan de hoogte van de kweekvaas ongeveer anderhalf tot tweeënhalf de hoogte van de kweekpot 7 zijn en de kleinste diameter van de kweekvaas zal maximaal 1-10% groter zijn dan de grootste diameter van de kweekpot 7.
De bodem 220 van de vaas 201 omvat een bodemrand 222. De vaas 201 omvat verder een bovenrand 208 alsmede een zich als een afgeknotte kegel tussen de bodemrand 222 en de bovenrand 208 uitstrekkende zijwand die tevens de binnenwand 203 van de vaas 201 vormt.
De binnenwand 203 omvat een eerste met arcering weergegeven eerste oppervlakgedeelte dat de eerste sectie 215 vormt alsmede een tweede zonder arcering weergegeven oppervlakgedeelte dat de tweede sectie vormt 217. Op dezelfde wijze als de uitvoeringsvormen van de in de figuren 1 en 2 getoonde bescherminrichtingen omvat de eerste sectie 215 andere lichtreflectie-eigenschappen dan de tweede sectie 217. In de in figuur 3 getoonde vaas 201 is de binnenwand gevormd door de eerste sectie 215 en tweede sectie 217, in een oppervlakteverhouding van 1:1.
In figuur 3b is een element 275 getoond dat op de binnenwand 203 kan worden bevestigd, bijvoorbeeld gekleefd, voor het vormen van een sectie van de binnenwand 203 die andere lichtreflectie-eigenschappen heeft dan een andere, bijvoorbeeld door het oppervlak van de binnenwand zelf gevormde, sectie 215, 217 van de binnenwand 203. Het is ook mogelijk dat het element 275 los voor of tegen de binnenwand 203 aan wordt gezet voor het verschaffen van een verdere sectie. Indien de wand van de vaas 201 die de binnenwand vormt transparant of doorschijnend is uitgevoerd is het ook mogelijk om het element 275 aan een buitenzijde van de vaas 201 aan te brengen. Tevens is het mogelijk om het element 275 met dezelfde lichtreflectie-eigenschappen uit te voeren als de eerste sectie 215 of de tweede sectie 217. Het is verder mogelijk om met het element 275 of een aantal identieke elementen 275 de volledige eerste sectie 215 of de volledige tweede sectie 217 te vormen.
Het element 275 kan zijn uitgevoerd als een strook- of stripvormig bedekkingselement, bijvoorbeeld een folie, of een papieren, kunststoffen of metalen strook/strip. De folie of de strook/strip kan eventueel aanvullend van een kleur zijn voorzien voor het vormen van een gewenste sectie van de binnenwand van vaas 201 voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant. Het element 275 kan worden toegepast in elke beschreven en/of getoonde uitvoeringsvorm van de bescherminrichting in dit document voor het vormen van een sectie van een binnenwand die andere lichtreflectie-eigenschappen omvat dan ten minste een andere sectie van de binnenwand.
Aan de hand van de figuren 4a-c wordt uitgelegd hoe de bescherminrichting, in de vorm van de vaas 201, is toegepast om de groeirichting en/of het groeiproces van de plant 50 te beïnvloeden. De eerste sectie 215 is gevormd door een zwart binnen-oppervlak van de binnenwand 203, terwijl de tweede sectie 217 is gevormd door een wit binnenoppervlak van de binnenwand 203. In figuur 4a is de kweekpot 7 met de plant 50 op de bodem 220 van de vaas 201 gepositioneerd. Het schematisch door de pijl P1 weergegeven richting van het invallende dag- of kunstlicht, zal door de witte tweede sectie 217 sterker in de richting van de plant 50 worden gereflecteerd dan de zwarte sectie 215. In de zwarte eerste sectie 215 wordt het licht sterker geabsorbeerd dan in de witte tweede sectie. Door de eerste 215 en tweede sectie 217 zal de plant meer licht ontvangen aan in de figuren weergeven linkerzijde van de vaas 201 dan aan de rechterzijde van de vaas 201. Afhankelijk van de plant 50 vindt er een reactie van de plant 50 op de lichtverschillen plaats. Een mogelijke reactie die over een bepaalde tijdsperiode bij een bepaalde plant kan plaatsvinden, is dat de bladeren iets sterker gaan groeien in de lichtere linkerzijde in de vaas 201 en dat deze zich sterker omhoog richten dan de bladeren in de donkere rechterzijde van de vaas 201. Dit effect als gevolg van de verschillende lichtreflecties van de secties 215 en 217 is schematisch weergegeven in figuren 4b en 4c. De in de figuren 4a-c getoonde effecten van de vaas 201 zijn enkel illustratief bedoeld en deze kunnen anders uitpakken afhankelijk van het type plant dat wordt gebruikt in combinatie met de vaas 201.
De figuren 5 en 6 tonen een zijaanzicht en een bovenaanzicht van een bescherminrichting doe qua vorm met de in figuur 2 getoonde bescherminrichting overeenkomt. De in de figuren 5 en 6 getoonde bescherminrichting in de vorm van kraag 101 met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis 100, omvat wel een eerste sectie 115 en een tweede sectie 117 die elk 50% van het binnenoppervlak van de binnenwand 103 vormen.
De kweek van Phalaenopsis 100 omvat twee kweekfasen, een eerste opkweekfase waarin bij een eerste temperatuur de bladeren van Phalaenopsis 100 groeien en een kweekfase waarin bij een tweede temperatuur die lager is dan de eerste temperatuur de takken groeien. De eerste temperatuur is ongeveer 28 graden, terwijl de tweede temperatuur ongeveer kamertemperatuur is.
In de figuren 5 en 6 is de tweede kweekfase getoond. Daarbij zijn de bladeren in de opkweekfase al dan niet onder gebruik making van een in dit document beschreven bescherminrichting zodanig aan weerszijden vanuit het midden gegroeid dat na de opkweekfase bladeren 160, 160’; 160”, 160”’ zijn verschaft die met de lengterichting min of meer op een rechte, het midden doorkruisende, lijn zijn gelegen.
Takken 170 ontspruiten specifiek bij Phalaenopsis vanuit een bladoksel tussen twee boven elkaar ontwikkelde bladeren 160’, 160” waarna de tak onder de schaduw van het bovenliggende blad zijn weg naar boven (licht) gaat zoeken.
Door de kraag 101 wordt het mogelijk om in het kweekproces de nieuw gevormde tak 170 onder het bovenliggende blad 160’, 160” vandaan, geforceerd één kant op te laten groeien, namelijk naar de tweede sectie 117 van de binnenwand 103 van kraag 101 die licht meer en beter reflecteert dan de eerste sectie 115. Door dit forceren kan worden bereikt dat takken 170 in plaats van zijwaarts in de lengterichting van het blad tussen de bladeren omhoog groeien, nu geforceerd in een "open ruimte” aan één zijde (de rechterzijde van de in figuur 6 getoonde Phalaenopsis 100) van de plant omhoog zullen groeien. Hierdoor ontstaat onder andere het voordeel dat de takken 170 minder gekromd omhoog zullen groeien.
In figuur 7 is een bovenaanzicht van een in figuur 1a getoonde bescherminrichting, dat wil zeggen kraag 1 getoond, met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis 100. In deze figuur is op dezelfde wijze als in figuur 6 getoond hoe de groeirichting en/of het groeiproces van de takken 170 wordt beïnvloed met behulp van de tweede sectie 17 van de binnenwand 8 van de kraag 1.
Figuren 8a,b tonen op sterk schematische wijze een mogelijk opkweekproces van de bladgroei van een orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis 100, door het gebruiken van een in figuren 3a en 4a-c weergegeven bescherminrichting in de vorm van de vaas 201 indien het gewenst is dat de boven elkaar gelegen bladeren ietwat verschoven qua lengterichting daarvan ten opzichte van elkaar komen te liggen.
Figuur 8a toont het moment in het opkweekproces dat het blad 160’ zichtbaar is en voordat of net nadat een tweede boven het eerste blad te groeien blad 160” gaat ontspruiten of is ontsproten. Dit tweede nog te groeien blad 160” is in elk geval nog zo klein dat het niet is weergegeven in figuur 8a. De ten opzichte van het midden van de plant tegenover gelegen bladeren 160, 160”’ zoals getoond in de figuren 6 en 7, zijn voor het verduidelijken van het groeiproces niet getoond. Echter, het groeiproces van deze niet getoonde bladeren 160, 160’” vindt op soortgelijke wijze plaats als het hierna te beschrijven groeiproces.
De invloed van de secties 215, 217 van de binnenwand van de vaas 201 op het grotendeels volgroeide eerste blad 160’ zijn minimaal of zelfs nihil.
Zoals sterk schematisch getoond in figuur 8b zal het tweede blad 160” als gevolg van de tweede sectie 217 die het licht beter reflecteert dan de eerste sectie 215 zodanig naar de tweede sectie 217 gaan groeien dat de lengte-richting van het tweede blad 160” iets verschoven komt te liggen ten opzichte van de lengterichting van het eerste grotendeels volgroeide en daaronder gelegen blad 160’. De lengterichtingen van de twee bladeren 160’, 160” sluiten daardoor een kleine hoek (<10 graden) met elkaar in.
De verschuiving van het tweede blad 160” kan bovendien door een kweker minimaal worden gehouden door tussen de in de figuren 8a en 8b getoonde kweekfasen indien de verschuiving te groot dreigt te worden, de plant 180 graden rondom de hartlijn daarvan te draaien ten opzichte van de vaas 201 voor een relatief korte periode. Door de plant 180 graden te draaien komt het tweede blad 160” voor een relatief korte periode meer te liggen in de eerste sectie 215, waardoor de ingezette verschuiving in de schematisch door pijl P2 weergegeven richting van het tweede blad 160” kan worden geremd. Indien een sterkere verschuiving gewenst is dan is weergegeven in figuur 8b dient de kweker de plant niet of minder vaak te roteren tijdens het groeiproces tussen de figuren 8a en 8b.
De getoonde kraag 1, 101 en vaas 201 kan zijn vervaardigd door middel van spuitgieten, meer specifiek door middel van twee-kleuren spuitgieten voor het verschaffen van de eerste sectie 15, 115, 215 en de tweede sectie 17, 117, 217 die van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben. Aldus is het mogelijk om een kokervormige bescherminrichting volgens onderhavige uitvinding te verkrijgen zonder dat een nabehandeling vereist is om de gewenste verschillen in de lichtreflectie-eigenschappen te verkrijgen.
Figuur 9 toont een perspectivische weergave van een vierde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting met daarin een schematisch weergegeven orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis 100. De bescherminrichting is een kraag 301 met een afgeknotte omgekeerde vierhoekige piramidevorm, waardoor een rechthoekig of vierkant dwarsdoorsnede oppervlak door de kraag 301 nabij de rand 8 groter is dan een meer in de richting van de kweekpot 7 gelegen rechthoekig of vierkant dwarsdoorsnede oppervlak door de kraag 301. De kraag 301 kan losneembaar zijn bevestigd op de kweekpot 7 of eendelig daarmee zijn uitgevoerd,
De kraag 301 omvat een uitsparing in de vorm van een opening 375. De opening 375 is begrensd door randen 380 van de kraag. De opening 375 kan machinaal worden vervaardigd, maar het is ook mogelijk om de opening in situ met behulp van gereedschap bijvoorbeeld een mes of dergelijke te vervaardigen. Tevens is het mogelijk om een bescherminrichting, zoals een kraag of een vaas, zo uit te voeren dat een deel van de wand van het kokervormige lichaam middels vooraf aangebrachte perforaties uit te breken is, bijvoorbeeld manueel, voor het verkrijgen van de uitsparing en de opening in de bescherminrichting. De opening kan bijvoorbeeld pas worden gemaakt voor de kweekfase van de takken, zodat de kraag 301 geen opening omvat tijdens de opkweekfase van de bladeren. De openingsranden definiëren een U-vorm. Daarbij zijn andere vormen van de opening, zoals bijvoorbeeld een druppelvorm, tevens mogelijk. Door de opening in de zijwand 302a van de kraag 301 valt het invallende daglicht of kunstlicht direct op de plant zonder tussenkomst van de kraag 301. Op deze wijze is dan door het gebruiken van het licht dat direct op de plant valt de groeirichting en/of het groeiproces van de plant te beïnvloeden, in het bijzonder de groeirichting van takken bij een Phalaenopsis 100 nog sterker te beïnvloeden. De opening 375 kan de eerste sectie van de binnenwand vormen, waarbij de tweede sectie 317 is gevormd door de binnenwand 303 van de kraag 301, waarbij de twee secties verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben, dat wil zeggen de eerste sectie gevormd door de opening 375 heeft geen lichtreflectie-eigenschappen, terwijl de tweede sectie 317 gevormd door bijvoorbeeld de binnenwanden van de zijwanden 302b,c,d wel lichtreflectie-eigenschappen heeft. Daarbij is het tevens mogelijk de tweede sectie 317 zo uit te voeren dat deze minder licht reflecteert dan ten minste een deel 390 van de kraag 301 waarin de uitsparing is gelegen, dat wil zeggen de binnenwand van de zijwand 302a. Door deze uitvoering omvat de kraag 301 drie secties met van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen, namelijk de opening 375, de binnenwand van de zijwand 302a en de binnenwanden van de zijwanden 302b,c,d.
Het is verder mogelijk dat de kraag 301 volledig of deels transparant is uitgevoerd.
Verder toont figuur 9 dat de virtuele met stippellijn weergegeven hartlijn 395 van de kraag 301 met behulp van een frame (niet getoond) een hoek α insluit met de virtuele met stippellijn weergegeven verticaal 396. De hoek α is ongeveer 30 graden. Het onder een hoek stellen van de kweekpot 7 met de kraagvormige bescherminrichting biedt nog een verdere mogelijkheid om de groeirichting en/of het groeiproces van de plant te beïnvloeden. De bladeren 160, 160’, 160”, 160” en met name de takken van de plant hebben daarbij de neiging “omhoog” te groeien en zich aldus in een (verticale) richting te oriënteren. Door de uitsparing in de zijwand 302a van de kraag 301 hoger dan de onder een hoek staande hartlijn te oriënteren wordt in bedrijf bereikt dat de hoeveelheid van het direct op de plant invallende daglicht of kunstlicht wordt vergroot, waardoor de groeirichting en/of het groeiproces van de plant, in het bijzonder van de tak 170, nog sterker te beïnvloeden is.
Verder kan de plant 100 ten opzichte van de kraag 301 worden geroteerd rondom de hartlijn daarvan voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant. Tevens kan de hoek α tijdens het kweekproces tussen 10-60 graden, bij voorkeur 20-45 graden worden gevarieerd voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant.
De schuine stand middels hoek α zoals getoond in figuur 9 alsmede het variëren van de hoek α tijdens het kweken van een plant kan tevens op voordelige wijze worden toegepast bij de andere in de figuren getoonde bescherminrichtingen, dat wil zeggen de kraag 1, de kraag 101 en de vaas 201.
In het bijzonder voor het onder een schuine stand plaatsen van de in figuur 9 getoonde bescherminrichting kan de kraag 301 worden voorzien van een verdere uitsparing in de zijwand 302c voor het vormen van een opening (niet getoond) daarin op de zijde die tegenover de van de opening 375 voorzien zijwand 302a is gelegen. Deze tweede niet getoonde opening is bij voorkeur kleiner uitgevoerd dan de opening 375. Middels de tweede opening in de zijwand 302c wordt ervoor gezorgd dat er een grotere hoeveelheid licht direct op een naburige plant kan vallen, welke naburige plant in een identieke of nagenoeg identieke bescherminrichting eveneens onder een schuine stand is geplaatst zoals is getoond in figuur 9. Zie in dit kader ook de opstelling met het kweekrek zoals getoond in de hierna te bespreken figuur 11.
Figuren 10 en 11 tonen een perspectivische weergave van een vijfde uitvoeringsvorm van een bescherminrichting, in de vorm van een kokervormige kraag 401 met daarin een schematisch weergegeven groeiende orchidee, meer specifiek een Phalaenopsis 100, waarbij in figuur 11 verder een kweekrek 430 is getoond waarmee een aantal kragen 401 met kweekpot 7 met de hartlijn 495 daarvan schuin ten opzichte van de verticaal 496 te positioneren zijn. Hoewel de oriëntatie van de plant 100 ten opzichte van de kraag 401 zoals getoond in de figuren 10 en 11 mogelijk is, heeft het de voorkeur om de plant 100 zodanig ten opzichte van de kraag 401 te oriënteren dat deze in de in figuren 10 en 11 getoonde aanzichten de bladeren van de plant zodanig op een lijn liggen dat de ruimte voor de takken links en rechts van de hartlijn 495 en de bladeren is gelegen, dat wil zeggen de ruimte waar geen bladeren zijn is bij voorkeur boven en onder de hartlijn 495 gelegen.
De binnenwand van de kraag 401 kan van een niet zichtbare coating zijn voorzien voor het verschaffen van de eerste sectie (niet getoond) van de binnenwand en de tweede sectie (niet getoond) van de binnenwand, welke secties van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen omvatten.
Door hierbij de kraag zodanig te oriënteren dat het relatief goed licht reflecterend oppervlakgedeelte zich aan de bovenzijde bevindt, kunnen de effecten van de secties van de kraag 401 en de schuine positionering elkaar versterken, voor zover de hoek α niet groter is dan 45 graden. Dit geldt zowel in de opkweekfase voor de bladeren als in de kweekfase voor de takken.
De bescherminrichting kan tevens een andere vorm omvatten dan de hierboven beschreven kraag en/of vaas. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een hybride variant tussen een kraag en een vaas te maken, waarbij het bovenste deel het kraagdeel vormt corresponderend met de hierin beschreven en getoonde kragen en het de kweekpot omsluitende onderste deel van de bescherminrichting een vaasachtige constructie heeft die bijvoorbeeld is gevormd uit met elkaar verbonden stroken met daartussen openingen, welke stroken de zijwand en de bodem van de vaasachtigde constructie vormen, op welke bodemstroken de kweekpot te positioneren is. Tevens is een hoesachtige of zakvormige constructie van de bescherminrichting mogelijk, waarbij een boven het groeimedium naar de plant gerichte binnenwand van de bescherminrichting is voorzien van een eerste sectie en een tweede sectie, waarbij de eerste sectie en de tweede sectie van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant.
In een alternatieve niet tot de in de conclusies geclaimde uitvoering behorende bescherminrichting kan de kraag 401 ook een conventionele transparante kraag 401 zijn zonder een binnenwand met een eerste sectie en een tweede sectie die van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben. Enkel door het schuin onder een hoek ten opzichte van de verticaal zetten van de plant 100 met de kraag 401 kan namelijk het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant 100 worden bereikt. Bij deze werkwijze voor het kweken kan op voordelige wijze de hierboven reeds beschreven en in figuur 9 getoonde bescherminrichting worden gebruikt die is voorzien van een kokervormig lichaam met een uitsparing. Deze uitsparing is bijzonder voordelig voor het beïnvloeden van de groeirichting bij het kweken, dat wil zeggen de fase waarin de takken van de plant beginnen de groeien.

Claims (18)

1. Bescherminrichting voor het beschermen van een in een pot met groeimedium op te kweken plant, de bescherminrichting omvat een kokervormig lichaam, zoals een vaas of een kraag, dat bij toepassing een in groeimedium groeiende plant ten minste gedeeltelijk omgeeft, waarbij het kokervormige lichaam althans ten minste boven het groeimedium een naar de plant gerichte binnenwand met een eerste sectie en een tweede sectie omvat, waarbij de eerste sectie en de tweede sectie van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben voor het beïnvloeden van de groeirichting en/of het groeiproces van de plant.
2. Bescherminrichting volgens conclusie 1, waarbij de binnenwand is voorzien van een binnenoppervlak, welk binnenoppervlak ten minste een eerste de eerste sectie vormend oppervlakgedeelte en een tweede de tweede sectie vormend oppervlakgedeelte omvat, waarbij het eerste oppervlakgedeelte en het tweede oppervlakgedeelte van elkaar verschillende lichtreflectie-eigenschappen hebben.
3. Bescherminrichting volgens conclusie 2, waarbij het eerste oppervlakgedeelte donkerder van kleur is dan het tweede oppervlakgedeelte.
4. Bescherminrichting volgens conclusie 2 of 3, waarbij het eerste oppervlakgedeelte een matter oppervlak heeft dan het tweede oppervlakgedeelte.
5. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het kokervormige lichaam een zich haaks op de hartlijn daarvan uitstrekkend dwarsdoorsnedevlak heeft, dat geen hoeken, bijvoorbeeld een cirkelvormig of ellipsvormig dwarsdoorsnedevlak, of hoeken, bijvoorbeeld een rechthoekig of zeshoekig dwarsdoorsnedevlak, omvat.
6. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het kokervormige lichaam zich in een richting van de hartlijn daarvan in een groeirichting van een door het kokervormige lichaam omgeven plant divergerend uitstrekt.
7. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de eerste sectie en de tweede sectie door ten minste een scheidslijn, bij voorkeur twee scheidingslijnen, van elkaar zijn gescheiden voor het vormen van twee in de omtrekrichting van het kokervormige lichaam gezien achter elkaar gelegen secties.
8. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de lichtreflectie-eigenschappen betrekking hebben op de verhouding van het invallende licht ten opzichte van het gereflecteerde licht, de richting van de lichtreflectie en/of de kleur of kleuren van het gereflecteerde licht.
9. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de verschillende lichtreflectie-eigenschappen in de eerste sectie en de tweede sectie door het gebruiken van verschillende kleuren voor de eerste sectie en de tweede sectie worden verschaft, bijvoorbeeld de kleur zwart voor de eerste sectie en wit voor de tweede sectie of de kleur blauw voor de eerste sectie en rood voor de tweede sectie.
10. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de eerste sectie en de tweede sectie zich qua oppervlakte elk over ten minste 25% van de binnenwand van het kokervormig lichaam uitstrekken.
11. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het kokervormige lichaam door middel van 2-kleuren spuitgieten is spuitgegoten of in mould labelling is vervaardigd.
12. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie is gevormd door een uitsparing in het kokervormige lichaam die een opening in het kokervormige lichaam vormt waardoor licht direct op de plant kan vallen.
13. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie is gevormd door het aanbrengen van een element voor of op de binnenwand van het kokervormige lichaam.
14. Bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij het kokervormige lichaam doorschijnend is, waarbij ten minste een sectie van de eerste en de tweede sectie is gevormd door aan een buitenzijde van het kokervormige lichaam een element aan te brengen voor het veranderen van de lichtreflectie-eigenschappen tussen de eerste en de tweede sectie.
15. Werkwijze voor het (op)kweken van een in een pot met groeimedium op te kweken plant, met het kenmerk, dat bij de werkwijze een bescherminrichting volgens een of meer van de voorgaande conclusies wordt toegepast.
16. Werkwijze volgens conclusie 15, waarbij de plant tussen het opkweken en het kweken ten opzichte van de bescherminrichting rondom de hartlijn wordt gedraaid, bijvoorbeeld 180 graden wordt gedraaid voorafgaand aan of in het begin van de volgende kweekfase.
17. Werkwijze volgens conclusie 15 of 16, waarbij de plant en de bescherminrichting schuin, dat wil zeggen, met de hartlijn, gedurende het kweken in een hoek van ten minste 10-60 graden ten opzichte van de verticaal wordt gepositioneerd teneinde daarmee de groeirichting en/of het groeiproces van de tak/plant te beïnvloeden, bij voorkeur 20-45 graden.
18. Werkwijze volgens ten minste een der conclusies 15-17, waarbij de plant een orchidee is, in het bijzonder een Phalaenopsis is.
NL2019388A 2017-08-02 2017-08-02 Bescherminrichting NL2019388B1 (nl)

Priority Applications (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2019388A NL2019388B1 (nl) 2017-08-02 2017-08-02 Bescherminrichting
EP18186226.9A EP3437461A1 (en) 2017-08-02 2018-07-30 Device for protecting pot plants

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2019388A NL2019388B1 (nl) 2017-08-02 2017-08-02 Bescherminrichting

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2019388B1 true NL2019388B1 (nl) 2019-02-19

Family

ID=60923852

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2019388A NL2019388B1 (nl) 2017-08-02 2017-08-02 Bescherminrichting

Country Status (2)

Country Link
EP (1) EP3437461A1 (nl)
NL (1) NL2019388B1 (nl)

Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US5412905A (en) * 1993-06-21 1995-05-09 Allison; Ian T. Tomato green house
DE10040883A1 (de) * 2000-08-18 2002-02-28 Karl Staebler Hohlkörper für Pflanzenschutz
DE102009003164A1 (de) * 2009-05-15 2010-11-18 Gebr. Dürrbeck Kunststoffe GmbH Pflanzhülse
US20100299993A1 (en) * 2008-03-24 2010-12-02 Lais Joseph F Spectrally selective grow tube

Patent Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US5412905A (en) * 1993-06-21 1995-05-09 Allison; Ian T. Tomato green house
DE10040883A1 (de) * 2000-08-18 2002-02-28 Karl Staebler Hohlkörper für Pflanzenschutz
US20100299993A1 (en) * 2008-03-24 2010-12-02 Lais Joseph F Spectrally selective grow tube
DE102009003164A1 (de) * 2009-05-15 2010-11-18 Gebr. Dürrbeck Kunststoffe GmbH Pflanzhülse

Also Published As

Publication number Publication date
EP3437461A1 (en) 2019-02-06

Similar Documents

Publication Publication Date Title
USD948097S1 (en) Plant growth light
NL2003810C2 (nl) Werkwijze en substraat voor het telen van een plant.
USD604196S1 (en) Indoor gardening appliance
OA10749A (fr) Dispositif pour la présentation d&#39;un bouquet de fleurs
EP0881167A1 (en) Container for bunches of flowers having improved functional features
US20190282003A1 (en) Potted plant hanger
EP3035789B1 (en) Basket for an orchid plant having aerial roots
US9010020B1 (en) Plant container assembly and method
CN106069331B (zh) 机械化立体修剪苗床及修剪方法
NL2019388B1 (nl) Bescherminrichting
EP3148320A1 (en) Systems for cultivating plants with aerial roots
US20180027751A1 (en) Plant holder for growing plants
NL2028417B1 (nl) Werkwijze voor het kweken van orchidee planten
GB2074835A (en) Flower pots
EP1208739B1 (en) Flowerpot and support stick assembly for the same
JP2010200738A (ja) 底面給水による鉢植えの木や草花を使ったアレンジメント用器材
BE1003958A3 (nl) Steun die het omwaaien of omvallen van in bloempotten of plastic containers gekweekte gewassen verhindert.
US5570785A (en) Combined floral display and keepsake container
NL1034811C2 (nl) Werkwijze en kokervormig lichaam voor het opkweken van planten.
IES20160187A2 (en) Inner receptacle apparatus for cut flowers
USD826770S1 (en) Flowerpot cover
NL1021845C2 (nl) Meegroeiende plantpot.
NL1017120C2 (nl) Werkwijze voor het telen van bolgewas.
NL2008814C2 (nl) Systeem, werkwijze en houder voor het kweken van een plant.
FR2648984A1 (fr) Procede de culture et de presentation de vegetaux et dispositif pour la mise en oeuvre