[go: up one dir, main page]

NL2018205B1 - Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot - Google Patents

Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot Download PDF

Info

Publication number
NL2018205B1
NL2018205B1 NL2018205A NL2018205A NL2018205B1 NL 2018205 B1 NL2018205 B1 NL 2018205B1 NL 2018205 A NL2018205 A NL 2018205A NL 2018205 A NL2018205 A NL 2018205A NL 2018205 B1 NL2018205 B1 NL 2018205B1
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
pot
epiphyte
potted
air duct
block
Prior art date
Application number
NL2018205A
Other languages
English (en)
Inventor
Van Helleputte Gino
Original Assignee
Thomsen Sa
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Thomsen Sa filed Critical Thomsen Sa
Priority to NL2018205A priority Critical patent/NL2018205B1/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2018205B1 publication Critical patent/NL2018205B1/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01GHORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
    • A01G9/00Cultivation in receptacles, forcing-frames or greenhouses; Edging for beds, lawn or the like
    • A01G9/02Receptacles, e.g. flower-pots or boxes; Glasses for cultivating flowers
    • A01G9/021Pots formed in one piece; Materials used therefor

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Cultivation Receptacles Or Flower-Pots, Or Pots For Seedlings (AREA)

Abstract

De uitvinding heeft betrekking op een ingepotte epifyt, in het bijzonder een ingepotte orchidee (12), die zich in een blokje (plug) (13) van opkweeksubstraat (14) bevindt waarmee de epifyt in een teeltsubstraat (11) in een pot (1) geplant is. Het opkweeksubstraat (14) van het blokje (13) heeft een grotere waterretentie dan het teeltsubstraat (11 ). Om het opkweeksubstraat (14) sneller te laten drogen heeft de pot (1) een bodem (2) die onder het blokje (13) in het teeltsubstraat (11) een luchtkanaal (15) vormt die onder het blokje (13) in de pot uitmondt. Volgens de uitvinding bevinden de gaten (20) die in de pot voorzien zijn zich op een zodanige hoogte dat een horizontaal vlak (a), dat doorheen het laagste punt van deze gaten (20) gaat, zich op een gemiddelde hoogte (h") van ten minste 1 ,0 mm boven de bovenzijde van de bodem (2) van de pot bevindt. Verder heeft luchtkanaal (15) ter hoogte van het horizontaal vlak (a) een inwendige doorsnede met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot bedraagt. Door de hoeveelheid water die hierdoor na een gietbeurt in de pot blijft staan, wordt een optimalereverdeling van het vocht in de pot verkregen.

Description

Octrooicentrum
Nederland
© 2018205 (21) Aanvraagnummer: 2018205 © Aanvraag ingediend: 20/01/2017 © Bl OCTROOI © Int. CL:
A01G 9/02 (2017.01)
(T) Aanvraag ingeschreven: © Octrooihouder(s):
14/08/2018 Thomsen sa te Wormhout, France, FR.
© Aanvraag gepubliceerd:
- © Uitvinder(s):
Gino van Helleputte te MELLE (BE).
© Octrooi verleend:
14/08/2018
© Gemachtigde:
© Octrooischrift uitgegeven: J.M.H. Duyver lie. te Diegem.
14/08/2018
© Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot
Ξ) De uitvinding heeft betrekking op een ingepotte epifyt, in het bijzonder een ingepotte orchidee (12), die zich in een blokje (plug) (13) van opkweeksubstraat (14) bevindt waarmee de epifyt in een teeltsubstraat (11) in een pot (1) geplant is. Het opkweeksubstraat (14) van het blokje (13) heeft een grotere waterretentie dan het teeltsubstraat (11). Om het opkweeksubstraat (14) sneller te laten drogen heeft de pot (1) een bodem (2) die onder het blokje (13) in het teeltsubstraat (11) een luchtkanaal (15) vormt die onder het blokje (13) in de pot uitmondt. Volgens de uitvinding bevinden de gaten (20) die in de pot voorzien zijn zich op een zodanige hoogte dat een horizontaal vlak (α), dat doorheen het laagste punt van deze gaten (20) gaat, zich op een gemiddelde hoogte (h'j van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van deodem (2) van de pot bevindt. Verder heeft luchtkanaal (15) ter hoogte van het horizontaal vlak (α) een inwendige doorsnede met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot bedraagt. Door de hoeveelheid water die hierdoor na een gietbeurt in de pot blijft staan, wordt een optimalere verdeling van het vocht in de pot verkregen.
NL Bl 2018205
Dit octrooi is verleend ongeacht het bijgevoegde resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek en schriftelijke opinie. Het octrooischrift komt overeen met de oorspronkelijk ingediende stukken.
-1 Inqepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot”
De uitvinding heeft betrekking op een ingepotte epifyt, in het bijzonder een ingepotte orchidee, die zich in een blokje van opkweeksubstraat bevindt waarmee de epifyt in een teeltsubstraat in een pot geplant is. Het opkweeksubstraat van het blokje heeft een grotere waterretentie dan het teeltsubstraat waardoor er door de aanwezigheid van het blokje in de pot sneller problemen van verminderde wortelontwikkeling en zelfs van wortelrat kunnen ontwikkelen ten opzichte van de gebruikelijke kweekmethode waarbij de jonge planten in trays opgekweekt worden en met blote wortel overgeplant worden in potten gevuld met teeltsubstraat. Om dit tegen te gaan wordt gebruik gemaakt van een pot met een bodem die onder het blokje in het teeltsubstraat een centraal gelegen luchtkanaal vormt dat onderaan een luchtinlaat/-uitlaat heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening in het inwendige van de pot uitmondt, waarbij de bodem van genoemde pot naast genoemde beluchtingsopening voorzien is van verdere beluchtings/ontwateringsgaten.
Een dergelijke ingepotte epifyt is bekend uit NL 2013977.
Epifyten zijn planten die op andere planten groeien zonder daaraan voedsel te onttrekken. Ze groeien doorgaans in tropische gebieden waar ze niet alleen over de nodige warmte beschikken maar bovendien ook geregeld (bijna dagelijks) een regenbui ontvangen. Hun luchtwortels zijn dus onderworpen aan cyclische periodes van verzadiging en droging. Commercieel belangrijke, in potten geteelde
-2epifyten zijn orchideeën behorende tot de Orchidaceae familie, tot deze familie behoren onder meer de geslachten Phalaenopsis, Miltoniopsis en Cattleya.
In de praktijk wordt een orchidee gedurende een half jaar tot anderhalf jaar in een pot geteeld. Ten einde de wortels zo veel mogelijk te verluchten worden de planten met een los grofkorrelig substraat, zoals gemalen boomschors, ingepot. De bodem van de pot is voorzien van openingen die er voor zorgen dat er na een gietbeurt geen water op de bodem blijft staan en die verder ook voor een verluchting van de wortels zorgen zodanig dat deze kunnen opdrogen. Bij orchideeën is het immers zeer belangrijk dat de wortels niet constant nat blijven aangezien dit tot een groeivertraging zal leiden en de wortels bovendien sneller gaan rotten, in het bijzonder door schimmelinfecties zoals door Fusarium, Pythium en Trichoderma. Ook blijkt een constant vochtig teeltsubstraat een goede habitat voor zogenaamde “Potworm” te zijn. Een ongedierte dat de wortels en daarmee de groei van de planten aantast. Om het drogen van de wortels te versnellen worden de potten in de praktijk op een rooster geplaatst, in het bijzonder op een gaasbodem, waaronder verwarmingsbuizen voorzien zijn. Door de onder de potten opstijgende warme lucht droogt het substraat na iedere gietbeurt sneller af waardoor wortelrat en een verminderde wortelgroei tegengegaan kunnen worden.
De jonge planten worden vooraf eerst opgekweekt in een opkweeksubstraat. Dit opkweeksubstraat zuigt doorgaans sterker water aan dan het teeltsubstraat waarmee de uiteindelijke potten gevuld zijn en heeft dus m.a.w. een grotere waterretentie dan dit teeltsubstraat. Bij het manueel inpotten van deze jonge planten kan het opkweeksubstraat van de wortels verwijderd worden zodanig dat dit opkweeksubstraat geen natte zone in de pot zal vormen waar door een gebrek aan afdroging en zuurstof sneller wortelrat en/of groeistagnatie zal optreden.
-3Het verwijderen van het opkweeksubstraat van de jonge planten is echter praktisch niet mogelijk gebleken bij de opkweek van de jonge planten in blokjes die vervolgens dan automatisch dienen ingepot te worden. Hierbij worden de planten die zich in de blokjes bevinden immers met hun nek door een robotarm vastgenomen en vervolgens in de pot geplaatst. Een dergelijke automatisering is zeer complex met jonge planten met blote wortel (d.w.z. jonge planten waarvan het opkweeksubstraat van de wortels afgeklopt is). Deze jonge planten hebben dan immers loshangende wortels waarvan de lengte aanzienlijk kan variëren. Sommige wortels kunnen bijvoorbeeld reeds een lengte van een 20-tal centimeter hebben. Bij het machinaal inpotten van dergelijke planten kunnen dergelijke lange wortels uit de pot blijven hangen zodanig dat de planten niet goed ingepot worden. Het manueel verwijderen van het opkweeksubstraat is verder ook niet voor alle opkweeksubstraten mogelijk. Dit betekent aldus een sterke beperking van de keuze van het opkweeksubstraat en/of teeltsubstraat, hetgeen in het bijzonder het geval is wanneer voor de opkweek van de jonge planten uitgegaan wordt van weefselkweekmateriaal.
In het rapport GTB-1202 “Vermindering wortelproblemen Miltonia (Miltonopsis)” van de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) onderzoeksinstituut Wageningen UR Glastuinbouw wordt het probleem van het zuurstofgebrek ter plaatste van de te lang nat blijvende blokjes (pluggen) in de pot onderzocht en besproken. De oorzaak van dit probleem is het te grote verschil tussen de waterretentie van de teeltsubstraten en de opkweeksubstraten. Het barksubstraat en het commercieel teeltsubstraat Allure hadden bijvoorbeeld beide een waterretentie na uitlekken van ongeveer 35 vol.% terwijl het sphagnum substraat (opkweeksubstraat) een waterretentie na uitlekken van ongeveer 70 vol.% had en het cocospeatmengsel en de witveen standaard een waterretentie na uitlekken van ongeveer 80 vol.%. Als
-4oplossing voor het te lang nat blijvende opkweeksubstraat in de pot werd aanbevolen om een opkweeksubstraat te gebruiken dat zoals bijvoorbeeld vermiculiet gemakkelijk verwijderd kan worden (maar waarbij de jonge planten dan nog steeds niet automatisch ingepot kunnen worden) of om te zoeken naar een combinatie van opkweek- en teeltsubstraat waarvan de eigenschappen meer in eikaars verlengde liggen. Hierbij moet dus gezocht worden naar een droger plugsubstraat dat door bark leeggezogen wordt, maar wel voldoende nat is voor de vermeerderingsfase om het weefselkweekmateriaal goed te laten bewortelen. Gewenst is een opkweeksubstraat met fijne poriën voor een goede beworteling van het weefselkweekmateriaal en lage zuigkracht zodanig dat het in de bark geen water aanzuigt. Gedacht werd aan brokjes steenwol of polyurethaanschuim maar deze mogelijkheden dienen nog verder onderzocht te worden. Het nadeel van het zoeken naar alternatieve opkweeksubstraten is dat momenteel blokjes vervaardigd van sterk waterabsorberende grondstoffen met een fijne structuur, zoals veen en turf, de gewenste groei-eigenschappen kunnen bieden terwijl alternatieve substraten zoals blokjes steenwol of polyurethaanschuim bijvoorbeeld door hun minder sterke aanzuiging van water waarschijnlijk minder geschikt zijn voor het opkweken van jonge planten uitgaande van weefselkweekmateriaal.
In de werkwijze beschreven in NL 2013977 wordt gebruik gemaakt van een pot waarvan de bodem voorzien is van een luchtkanaal dat zich tot aan het blokje van het opkweeksubstraat uitstrekt om aldus het opkweeksubstraat sneller te laten drogen. Op die manier kunnen sterker absorberende opkweeksubstraten gebruikt worden zonder dat de grotere hoeveelheid water die door dergelijke opkweeksubstraten vastgehouden wordt wortelrat of een slechte ontwikkeling van de plant zou veroorzaken.
-5De uitvinding heeft nu echter tot doel het risico op wortelrot verder te verminderen en/of de ontwikkeling van de plant verder te bevorderen.
Tot dit doel is de ingepotte epifyt, in het bijzonder de ingepotte orchidee, daardoor gekenmerkt dat de gaten in de pot zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot bevinden dat een horizontaal vlak, dat doorheen het laagste punt van genoemde gaten gaat, zich op een gemiddelde hoogte van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem van de pot bevindt wanneer genoemde pot op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, een inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, bedraagt.
De gemiddelde hoogte van genoemd horizontaal vlak boven de bovenzijde van de bodem van de pot is een gewogen gemiddelde en wordt bepaald door het volume van de ruimte die zich tussen genoemd horizontaal vlak en de bovenzijde van de bodem bevindt op de plaats waar genoemd horizontaal vlak gelegen is boven de bovenzijde van de bodem te delen door de oppervlakte van het deel van genoemd horizontaal vlak dat zich boven de bovenzijde van de bodem bevindt. Wanneer de pot gevuld wordt met water totdat dit door de gaten uit de pot loopt, komt deze gemiddelde hoogte met andere woorden overeen met het volume aan water dat de pot maximaal kan bevatten gedeeld door de oppervlakte van het wateroppervlak in de pot.
Door de relatief kleine dwarsoppervlakte van het luchtkanaal in de pot, en door de hoogte waarop de gaten in de pot zich minimaal dienen te bevinden, blijft er na elke gietbeurt een hoeveelheid water op de bodem van de pot achter die de groei van de planten positief kan beïnvloeden. De achterblijvende hoeveelheid water zorgt er op de
-6eerste plaats voor dat het teeltsubstraat langer vochtig blijft. Indien de wortels van de plant zich reeds tot op de bodem van de pot ontwikkeld hebben, beschikken deze verder ook over een extra reserve aan water. De op de bodem achterblijvende hoeveelheid water heeft echter geen of slechts een minimaal effect op het afdrogen van het opkweeksubstraat omwille van het feit dat het opkweeksubstraat zich op een grotere hoogte in de pot bevindt en via de beluchtingsopening bovenaan het beluchtingskanaal belucht wordt.
Ten opzichte van de bekende pot, zoals beschreven in NL 2013977, biedt de pot volgens de uitvinding het voordeel dat het verschil in afdrogen van het teeltsubstraat en van het opkweeksubstraat verder beperkt wordt. Hierdoor kan men hetzij de periode tussen de gietbeurten verlengen om het opkweeksubstraat verder te laten drogen mocht dit anders nog te nat blijven voor een optimale groei en een minimaal risico op de vorming van wortelrat. Anderzijds zorgt de extra reserve aan water op de bodem van de pot voor een betere ontwikkeling van de plant wanneer de periode tussen de gietbeurten reeds zodanig lang was dat het opkweeksubstraat voldoende afdroogde doch het teeltsubstraat hierbij te droog werd om optimale groeiomstandigheden te kunnen bieden.
In een voorkeursuitvoeringsvorm van de ingepotte epifyt volgens de uitvinding bedraagt genoemde gemiddelde hoogte, m.a.w. de gemiddelde diepte van het op de bodem achterblijvend water, ten hoogste 8,0 mm, bij voorkeur ten hoogste 7,0 mm, meer bij voorkeur ten hoogste 6,0 mm en meest bij voorkeur ten hoogste 5,0 mm.
Een geringere hoogte van de waterlaag of -film op de bodem van de pot biedt het voordeel dat wanneer de wortels van de plant zich reeds tot onderaan in de pot ontwikkeld hebben, deze wortel onderaan in de pot nog over voldoende zuurstof blijven beschikken om optimaal te blijven groeien en ontwikkelen. Niettegenstaande de beperkte
-7diepte van de waterlaag die op de bodem achterblijft, vormt deze toch een voldoende waterreserve voor de wortels en/of voor het vochtig houden van het teeltsubstraat doordat deze waterlaag zich over een aanzienlijk oppervlak van de pot uitstrekt.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het telen van een epifyt, in het bijzonder voor het produceren van een ingepotte epifyt volgens de uitvinding, in welke werkwijze men uitgaat van een epifyt die in een blokje van opkweeksubstraat opgekweekt is, men de epifyt samen met genoemd blokje in een pot in een teeltsubstraat plant en men de epifyt in deze pot laat opgroeien, waarbij het opkweeksubstraat een eerste waterretentie na uitlekken heeft, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, en het teeltsubstraat een tweede waterretentie na uitlekken, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, welke tweede waterretentie kleiner is dan genoemde eerste waterretentie, waarbij de pot die men voor het telen van de epifyt gebruikt een bodem heeft die onder het blokje in het teeltsubstraat een centraal gelegen luchtkanaal vormt dat onderaan een luchtinlaat/-uitlaat heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening in het inwendige van de pot uitmondt, en waarbij de bodem van genoemde pot naast genoemde beluchtingsopening voorzien is van verdere beluchtings-/ontwateringsgaten. Om het risico op wortelrat verder te verminderen en/of de ontwikkeling van de plant verder te bevorderen, is de werkwijze volgens de uitvinding daardoor gekenmerkt dat de gaten in de pot zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot bevinden dat een horizontaal vlak, dat doorheen het laagste punt van genoemde gaten gaat, zich op een gemiddelde hoogte van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem van de pot bevindt wanneer genoemde pot op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, een
-8inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, bedraagt.
Zoals hierboven reeds beschreven, zorgt de hogere ligging van de gaten er voor dat er op de bodem van de pot na iedere gietbeurt een hoeveelheid water achterblijft die ervoor zorgt dat het teeltsubstraat onderaan in de pot vochtiger blijft waardoor het opkweeksubstraat in het blokje beter kan afgedroogd worden zonder dat het teeltsubstraat te droog wordt om de plant optimaal te laten groeien en ontwikkelen.
In een voorkeursuitvoeringsvorm van de werkwijze volgens de uitvinding laat men de epifyt boven een verwarmingssysteem op een rooster opgroeien zodanig dat de opgewarmde lucht bij de teelt van de epifyt doorheen het rooster tot in genoemd luchtkanaal kan opstijgen.
Door deze opstijgende warme lucht wordt het blokje opkweekmateriaal optimaal afgedroogd. Bovendien wordt het water op de bodem van de pot door deze opstijgende lucht, en door de stralingswarmte van het verwarmingssysteem, opgewarmd waardoor dit sneller zal verdampen waarna de gevormde waterdamp dan kan opstijgen zodanig dat ook het hoger gelegen teeltsubstraat bevochtigd wordt (naast het water dat reeds door capilariteit in het teeltsubstraat zal opstijgen) en zodanig dat ook de hoger gelegen wortels deze waterdamp kunnen opnemen.
De uitvinding heeft ten slotte nog betrekking op een pot voor het produceren van een ingepotte epifyt volgens de uitvinding en/of voor toepassing in de werkwijze volgens de uitvinding, welke pot een bodem heeft die onder het blokje in het teeltsubstraat een centraal gelegen luchtkanaal vormt dat onderaan een luchtinlaat/-uitlaat heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening in het inwendige van de pot uitmondt, waarbij de bodem van genoemde pot naast genoemde beluchtingsopening voorzien
-9is van verdere beluchtings-/ontwateringsgaten. De pot volgens de uitvinding is daardoor gekenmerkt dat genoemde gaten zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot bevinden dat een horizontaal vlak, dat doorheen het laagste punt van genoemde gaten gaat, zich op een gemiddelde hoogte van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem van de pot bevindt wanneer genoemde pot op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, een inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot, gemeten volgens genoemd horizontaal vlak, bedraagt
In een voorkeursuitvoeringsvorm is deze pot daardoor gekenmerkt dat genoemd luchtkanaal zich tot op een hoogte (h) van ten minste 20%, bij voorkeur van ten minste 30% en meer bij voorkeur van ten minste 35% van de totale hoogte (H) van de pot uitstrekt.
Verdere voordelen en bijzonderheden van de uitvinding zullen blijken uit de hierna volgende beschrijving van een voorkeursuitvoeringsvorm van een ingepotte epifyt en van een werkwijze voor het produceren daarvan volgens de uitvinding. Deze beschrijving wordt evenwel slechts als voorbeeld gegeven en is niet bedoeld om de beschermingsomvang, zoals bepaald door de conclusies, te beperken. De in de beschrijving aangegeven verwijzingscijfers hebben betrekking op de bijgevoegde tekeningen waarin:
Figuur 1 in perspectief een bovenaanzicht weergeeft op een pot volgens de uitvinding;
Figuur 2 een langsdoorsnede doorheen het midden van de in figuur 1 getoonde pot weergeeft, waarbij een Phalaenopsis plant in een blokje in teeltsubstraat in de pot geplant is;
Figuur 3 eenzelfde zicht is als figuur 2 waarbij de plant met het blokje iets hoger in de pot geplant is;
-10Figuur 4 een langsdoorsnede doorheen een eerste variante uitvoeringsvorm van de pot weergeeft, waarin de beluchtingsopening bovenin de instulping door dwarsverbindingen in vier openingen opgedeeld is;
Figuur 5 een langsdoorsnede door een tweede variante uitvoeringsvorm van de pot weergeeft, waarin de uitsteeksels zich bovenaan de instulping radiaal in plaats van tangentieel uitstrekken;
Figuur 6 een langsdoorsnede door een derde variante uitvoeringsvorm van de pot weergeeft, waarin de instulping verlaagd is en de uitsteeksels bovenop de instulping verhoogd zijn; en
Figuur 7 een langsdoorsnede door een vierde variante uitvoeringsvorm van de pot weergeeft, waarin de instulping weggelaten is en de uitsteeksels verder verhoogd zijn.
De uitvinding heeft betrekking op een ingepotte epifyt, op een werkwijze voor het telen van deze epifyt, of voor het produceren van de ingepotte epifyt, en op een pot bestemd voor het inpotten van de epifyt. De epifyt is in het bijzonder een orchidee of behoort met andere woorden tot de orchideeën familie (Orchidaceae). De commercieel belangrijkste orchideeën behoren tot het Phalaenopsis geslacht of tot het Miltoniopsis geslacht.
Orchideeën worden in de praktijk meestal opgekweekt uitgaande van weefselkweekmateriaal, d.w.z. van plantmateriaal dat op een kunstmatige voedingsbodem gekweekt wordt, bijvoorbeeld uitgaande van plantenmeristemen (meristeemcultuur). Andere vermeerderingstechnieken zoals vermeerdering door zaad of stekken kunnen indien mogelijk ook toegepast worden. Nadat het weefselkweekmateriaal voldoende tot een plantje met bladeren en wortels ontwikkeld is, wordt dit materiaal in een opkweeksubstraat geplant. Dit opkweeksubstraat heeft bij voorkeur fijne poriën voor een goede beworteling van het weefselkweekmateriaal. Opkweeksubstraten op basis van veen,
-11 cocospeat of andere organische materialen komen hiervoor in aanmerking. Opkweeksubstraten kunnen ook anorganische materialen bevatten zoals rotswol of kunststofmaterialen zoals polyurethaanschuim. Een veel gebruikt opkweeksubstraat dat bijzonder geschikt is voor de opkweek van jonge planten uitgaande van weefselkweekmateriaal is sphagnum.
Volgens de uitvinding worden de jonge planten in blokjes opgekweekt. Deze blokjes bevatten het opkweeksubstraat. Het opkweeksubstraat kan in deze blokjes op verschillende manieren samengehouden worden in het bijzonder door een mandje, door middel van lijm, door het opkweeksubstraat samen te persen (persblokjes), door de wortels van de jonge plant zelf (opgekweekt in een potje waaruit de jonge plant samen met het daaraan vasthangende opkweeksubstraat verwijderd wordt) of door een combinatie hiervan. Bij zogenaamde stekmandjes worden de plantjes bijvoorbeeld tussen twee halve blokjes in een cilindrisch mandje aangebracht waarna deze halve blokjes nat gemaakt worden waardoor deze zwellen en in het mandje komen vast te zitten. Bijzonder voordelig is het gebruik van zogenoemde lijmpluggen,
d.w.z. pluggen waarin het opkweeksubstraat door lijm samengehouden wordt.
Het voordeel van het gebruik van blokjes (pluggen) is dat de jonge planten op grootte gesorteerd kunnen worden alvorens ze aan de plantenteler geleverd worden. Deze sortering kan automatisch gebeuren. Een verder voordeel is dat ook het inpotten van de jonge planten geautomatiseerd kan worden. De jonge planten kunnen immers eenvoudig boven het blokje met hun nek machinaal vastgenomen worden en in de plantpot in de gewenste positie aangebracht worden. Dit verloopt steeds op een correcte manier aangezien de wortelontwikkeling van de planten grotendeels in het blokje zelf gebeurt waardoor ook lange wortels slechts over een korte afstand uit het blokje steken.
-12De pot waarin de jonge plant gepland wordt, wordt niet met het opkweeksubstraat opgevuld maar wel met een teeltsubstraat. Dit teeltsubstraat bestaat doorgaans uit grovere deeltjes en heeft aldus ook grovere poriën dan het opkweeksubstraat. Het teeltsubstraat is bij voorkeur een los, grofkorrelig substraat. Dit substraat bestaat bij voorkeur voor ten minste 80 gew. %, liefst voor ten minste 90 gew. %, uit deeltjes die groter zijn dan 5 mm, d.w.z. uit deeltjes die door een zeef van 5 mm tegengehouden worden. Bij voorkeur bestaat het substraat ten minste voor 95 gew. % uit deeltjes groter dan of gelijk aan 7 mm. De deeltjes hebben hierbij een zodanige hardheid dat ze in de pot nagenoeg niet samengedrukt worden. In de praktijk is bij voorbeeld gemalen houtschors, d.w.z. het zogenoemd bark substraat, voordelig gebleken voor het telen van orchideeën. Van deze gemalen houtschors wordt dan bij voorbeeld een 7 - 12 mm fractie gebruikt, ofwel een 12 - 18 mm fractie, afhankelijk van het groeistadium van de plant. Eventueel kunnen aan de houtschors nog andere materialen zoals bijvoorbeeld sphagnum (veenmos) toegevoegd worden. Dergelijk sphagnum is draadvorming en aldus fijner dan de boomschors. Het voordeel van een draadvorming fijner materiaal is dat dit materiaal homogeen tussen het grover materiaal verdeeld blijft en aldus niet voor een compactere laag onderin de pot zal zorgen.
Niettegenstaande er bijvoorbeeld sphagnum aan het barksubstraat toegevoegd kan worden, wordt een wezenlijk verschil tussen het opkweeksubstraat van het blokje en het teeltsubstraat gevormd door hun waterretentie eigenschappen. Deze waterretentie kan gemeten worden volgens de Europese norm EN 13041:2011 bij verschillende zuigspanningen. De waterretentie na uitlekken, dus bij een zuigspanning van 0 Pa, van het opkweeksubstraat is volgens de uitvinding hoger dan de waterretentie na uitlekken van het teeltsubstraat. In het bijzonder is de waterretentie na uitlekken van het teeltsubstraat
-13kleiner dan 80%, kleiner dan 70% of zelfs kleiner dan 60% van de waterretentie na uitlekken van het opkweeksubstraat. De waterretentie na uitlekken van het opkweeksubstraat is bij voorkeur groter dan 50 vol.%, meer bij voorkeur groter dan 60 vol.% en liefst zelfs groter dan 65 vol.%. De waterretentie na uitlekken van het teeltsubstraat is daarentegen bij voorkeur kleiner dan 50 vol.%, meer bij voorkeur kleiner dan 40 vol.% en liefst zelfs kleiner dan 35 vol.%.
Bij het telen van orchideeën worden de ingepotte planten op een rooster geplaatst waaronder een verwarmingssysteem voorzien is. Het rooster wordt bij voorbeeld gevormd door een gaas terwijl het verwarmingssysteem uit verwarmingsbuizen bestaat. Door de warme lucht die onder de potten opstijgt, droogt het grofkorrelig teelsubstraat in de potten na iedere watergift snel af. Door de hogere waterretentie van de blokjes drogen deze veel minder snel af, hetgeen tot een verminderde groei en ontwikkeling van de wortels kan leiden en zelfs tot wortelrot.
Een eerste uitvoeringsvorm van een pot 1 die volgens de uitvinding voor het telen van orchideeën in pluggen gebruikt kan worden, is weergegeven in figuren 1 tot 3. De pot bestaat hoofdzakelijk uit een bodem 2, een zich tussen de bovenrand 3 van de pot en de bodem uitstrekkende zijwand 4 en een onder de bodem uitstekende omtreksrand 5 waarop de pot rust. De bodem 2 vertoont een vlakke, cirkelvormige laagste zone 6 waarin geen gaten voorzien zijn. Aan de binnenkant van de laagste zone 6 is een hellende zone 8 die op een centrale instulping 10 aansluit.
In figuren 2 en 3 is een langsdoorsnede van de pot 1 weergegeven, waarbij de pot gevuld is met een teeltsubstraat 11 waarin een orchidee 12 in een blokje 13 van opkweeksubstraat 14 geplant is. Het blokje 13 is nagenoeg cilindervormig en bevindt zich in de pot 1 boven de instulping 10. Andere vormen zijn uiteraard ook mogelijk zoals een kubus- of balkvorm of een afgeknotte piramidevorm, m.a.w. een
-14conische vorm. Een essentieel kenmerk van de uitvinding is dat de bodem 2 van de pot 1 onder het blokje 13 een luchtkanaal 15 in het teeltsubstraat 11 vormt dat onderaan een luchtinlaat/-uitlaat 16 heeft en dat bovenaan onder het blokje 13 via een naar boven gerichte beluchtingsopening 17 in het inwendige van de pot 1 uitmondt. De beluchtingsopening 17 bevindt zich in het bijzonder ten minste gedeeltelijk vertikaal onder het blokje 13. Bij voorkeur bevindt de onderzijde van het blokje 13 zich op een afstand d van minder dan 15 mm, meer bij voorkeur op een afstand d van minder dan 10 mm en nog meer bij voorkeur op een afstand d van minder dan 5 mm boven de beluchtingsopening 17. Liefst wordt de orchidee 12, zoals weergegeven in figuur 2, met de onderzijde van het blokje 13 bovenop de beluchtingsopening 17 geplaatst. Bij het automatisch inpotten vereenvoudigt dit een correcte positionering van het blokje 13 in de pot 1. Bovendien kan er op deze manier geen teeltsubstraat 11 doorheen de beluchtingsopening 17 uit de pot 1 vallen. Het luchtkanaal 15 strekt zich bij voorkeur uit tot op een hoogte h van ten minste 20%, bij voorkeur van ten minste 30% en meer bij voorkeur van ten minste 35% van de totale hoogte H van de pot 1.
In de uitvoeringsvorm volgens figuren 1 tot 3 is de instulping 10 bovenaan voorzien van een opening 18 waarrond vier uitsteeksels 19 voorzien zijn die zich tot boven de opening 18 uitstrekken, in het bijzonder over een afstand van ten minste 1 mm, bij voorkeur over een afstand van ten minste 2 mm. Eventueel kunnen er minder uitsteeksels 19 voorzien zijn, bijvoorbeeld slechts twee of drie uitsteeksels, of ook meer uitsteeksels. De bovenste uiteinden van deze uitsteeksels 19 bepalen de beluchtingsopening 17. Het luchtkanaal 15 wordt aldus gevormd door de instulping 10, de opening 18 in de top daarvan en de uitsteeksels 19. Het voorzien van dergelijke uitsteeksels 19 biedt het voordeel dat zelfs wanneer het blokje 13 op deze uitsteeksels 19
-15geplaatst wordt, er nog steeds lucht tussen de open ruimtes tussen deze uitsteeksels 19 langsheen het blokje 13 naar boven in de pot 1 kan opstijgen waardoor het blokje 13 sneller afdroogt. Ook wanneer het blokje 13 hoger in de pot 1 geplaatst wordt, kan er steeds warme lucht in de pot opstijgen zelfs wanneer de beluchtingsopening 17 door een groot stuk teeltsubstraat 11 afgesloten zou zijn.
De instulping 10 strekt zich bij voorkeur tot op een hoogte h’ van ten minste 10%, meer bij voorkeur van ten minste 15% en liefst van ten minste 20% van de totale hoogte H van de pot 1 uit. In de instulping 10 zelf zijn verder ook nog gaten 20 voorzien die zijdelingse openingen vormen die in het inwendige van de pot 1 uitmonden. Via deze zijdelingse beluchtingsopeningen kan vocht uit de pot 1 afgevoerd worden en kan tevens warme lucht in de pot 1 indringen die dan verder langsheen het blokje 13 in de pot kan opstijgen.
De beluchtingsopening 17 heeft bij voorkeur een oppervlakte die groter is dan 50 mm2, meer bij voorkeur groter dan 100 mm2 en liefst groter dan 150 mm. In de 700 ml pot weergegeven in figuren 1 tot 3 heeft de beluchtingsopening bijvoorbeeld een oppervlakte van 238 mm2. Hoe groter de beluchtingsopening 17, hoe meer vocht (waterdamp) via deze beluchtingsopening 17 afgevoerd kan worden. Aan de andere zijde van het luchtkanaal 15 heeft de luchtinlaat/-uitlaat 16 bij voorkeur een oppervlakte die groter is dan de oppervlakte van de beluchtingsopening 17. Het voordeel hiervan is dat meer van de opstijgende warme lucht in het luchtkanaal 15 opgevangen wordt en dat aldus het vocht op een efficiëntere manier afgevoerd kan worden. De oppervlakte van de luchtinlaat/-uitlaat 16 bedraagt bij voorkeur ten minste 200%, meer bij voorkeur ten minste 250% en liefst ten minste 300% van de oppervlakte van de beluchtingsopening 17.
De beluchtingsopening 17 kan uit één opening bestaan maar kan tevens door één of meer dwarsverbindingen 21 in ten minste
-16twee kleinere openingen 22 opgedeeld worden. Dit biedt het voordeel dat voor een grotere beluchtingsopening 17 op deze manier verhinderd kan worden dat teeltsubstraat 11 uit de pot 1 zou kunnen vallen. De dwarsverbindingen 21 kunnen bijvoorbeeld zoals weergegeven in figuur 4 door een kruis gevormd worden. Deze dwarsverbindingen 21 kunnen tot boven de beluchtingsopening 17 uitsteken zodanig dat deze een uitsteeksel vormen waarop het blokje 13 geplaatst kan worden.
In de werkwijze volgens de uitvinding gaat men uit van een epifyt, in het bijzonder van een orchidee, die in een blokje 13 opgekweekt is. De epifyt 12 wordt dan samen met dit blokje 13 in de pot 1 geplant, waarna men de epifyt 12 verder in deze pot laat opgroeien. Dit laatste gebeurt op een rooster boven een verwarmingssysteem zodanig dat de lucht die door het verwarmingssysteem opgewarmd wordt doorheen het rooster tot in het luchtkanaal 15 van de pot 1 kan opstijgen.
Bij het oppotten van de epifyt 12 wordt ervoor gezorgd dat men het luchtkanaal 15 vrijhoudt van teeltsubstraat 11. Indien er bij het oppotten van de epifyt 12 teeltsubstraat doorheen de beluchtingsopening 17 in het luchtkanaal 15 zou vallen, valt dit altijd door het luchtkanaal uit de pot, en dit zeker wanneer de pot op de gaasbodem geplaatst wordt. Op deze manier wordt het luchtkanaal 15 ook vrijgehouden van teeltsubstraat en kan de warme lucht dus vrij in dit luchtkanaal opstijgen.
Bij voorkeur wordt het luchtkanaal 15 echter vrijgehouden van teeltsubstraat 11 door de beluchtingsopening 17 door middel van het blokje 13 af te dekken alvorens de pot tot boven de beluchtingsopening met teeltsubstraat te vullen. Hiertoe kan het blokje 13, zoals weergegeven in figuur 2, met zijn onderzijde op de beluchtingsopening 17 geplaatst worden of, zoals weergegeven in figuur 3, op de hierboven beschreven afstand d boven de beluchtingsopening 17. Zelfs indien het blokje 13 met zijn onderzijde op een dergelijke afstand d boven de beluchtingsopening 17 geplaatst wordt alvorens de pot tot boven deze
-17beluchtingsopening 17 met teeltsubstraat te vullen, zal er door de relatief grote deeltjesgrootte van het teeltsubstraat geen of nagenoeg geen teeltsubstraat tussen de onderzijde van het blokje 13 en de beluchtingsopening 17 terecht komen.
In figuren 5 tot 9 zijn een aantal mogelijke varianten op de pot weergegeven in figuren 1 tot 3 weergegeven.
In de pot weergegeven in figuur 5 zijn de lamelvormige uitsteeksels 19 radiaal in plaats van tangentieel aan de beluchtingsopening 17 bovenop de instulping 10 opgesteld. Het voordeel hiervan is dat er grotere tussenruimtes tussen deze radiale uitsteeksels 19 voorzien kunnen worden waardoor de opstijgende warme lucht beter tot in het teeltsubstraat 11 kan doordringen wanneer het blokje 13 op de uitsteeksels 19 geplaatst is. Tangentiële uitsteeksels 19 bieden daarentegen het voordeel dat de opening 18 in de instulping 10 groter gemaakt kan worden zonder de uitwendige diameter van de instulping 10 te moeten vergroten.
In de variante weergegeven in figuur 6 is de hoogte h’ van de instulping 10 verkleind terwijl de hoogte van de uitsteeksels 19 vergroot is zodanig dat de beluchtingsopening 17, gevormd tussen de toppen van de uitsteeksels 19, zich nog steeds op eenzelfde hoogte h bevindt. In figuur 7 is de instulping 10 volledig weggelaten en beginnen de uitsteeksels 19 reeds vanaf de luchtinlaat/-uitlaat opening 16 in de bodem van de pot 1.
In de pot volgens de uitvinding blijft na iedere gietbeurt een hoeveelheid water op de bodem van de pot achter, ten minste indien voldoende water gegeven wordt zodanig dat het overtollige water onderaan uit de pot loopt. Hiertoe is het essentieel dat de gaten 20 die in de bodem van de pot 1 voorzien zijn, in het bijzonder de gaten 20 die het luchtkanaal 15 met het inwendige van de pot 1 in verbinding stellen, zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot bevinden dat een
-18horizontaal vlak α, dat doorheen het laagste punt van deze gaten 20 gaat, zich boven de bovenzijde van de bodem 2 bevindt.
Volgens de uitvinding bevindt dit horizontaal vlak α zich op een gemiddelde hoogte h” van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem 2 van de pot 1 wanneer de pot 1 op een horizontaal vlak geplaatst is. Zoals hierboven reeds aangegeven is deze gemiddelde hoogte h” een gewogen gemiddelde dat bepaald wordt door het volume van het gedeelte 23 van het inwendige van de pot 1 dat zich tussen het horizontaal vlak α en de bovenzijde van de bodem 2 bevindt op de plaats waar het horizontaal vlak α boven de bovenzijde van de bodem gelegen is te delen door de oppervlakte van dat deel van het horizontaal vlak α dat zich in het inwendige van de pot boven de bovenzijde van de bodem bevindt.
Volgens de uitvinding heeft het luchtkanaal 15 verder een inwendige doorsnede met een oppervlakte, gemeten ter hoogte van het horizontaal vlak a, die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot 1, eveneens gemeten ter hoogte van het horizontaal vlak α, bedraagt. De inwendige doorsnede van de pot wordt hierbij bepaald door de zijwand 4 van de pot 1 en omvat dus tevens de doorsnede van het luchtkanaal of van andere instulpingen in de bodem van de pot die tot boven het horizontaal vlak α uitsteken. Bij voorkeur bedraagt de oppervlakte van de inwendige doorsnede van het luchtkanaal ter hoogte van het vlak α ten hoogste 40%, bij voorkeur ten hoogste 30% en meer bij voorkeur ten hoogste 20% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot. In de eerste uitvoeringsvorm weergegeven in de figuren heeft het luchtkanaal 15 bijvoorbeeld een oppervlak dat ter hoogte van het horizontaal vlak α ongeveer 15% van de totale oppervlakte van de inwendige dwarsdoorsnede van de pot bedraagt.
-19Bij voorkeur bedraagt de gemiddelde hoogte h” waarop het horizontaal vlak α zich boven de bovenzijde van de bodem 2 bevindt ten minste 1,5 mm en meer bij voorkeur ten minste 2,0 mm. Hoe groter deze hoogte, of m.a.w. hoe hoger de gaten 20 zich in de pot bevinden, hoe 5 groter de waterreserve die na iedere gietbeurt op de bodem van de pot kan opgeslagen worden. Bij voorkeur bedraagt de gemiddelde hoogte h” waarop het horizontaal vlak α zich boven de bovenzijde van de bodem 2 bevindt ten hoogste 8,0 mm, bij voorkeur ten hoogste 7,0 mm, meer bij voorkeur ten hoogste 6,0 mm en liefst ten hoogste 5,0 mm. Door de 10 relatief grote oppervlakte van het deel van de bodem dat zich rond het luchtkanaal uitstrekt, kan op deze manier nog voldoende water gestockeerd worden om de groei van de planten positief te beïnvloeden. Het voordeel van een lagere hoogte, of m.a.w. van een dunnere achterblijvende waterlaag of -film is dat wanneer er zich wortels 15 onderaan in de pot bevinden, deze nog steeds van een voldoende aanvoer van zuurstof kunnen genieten om zich optimaal te kunnen ontwikkelen.

Claims (23)

  1. CONCLUSIES
    1. Ingepotte epifyt, in het bijzonder een ingepotte orchidee (12), welke epifyt zich in een blokje (13) van opkweeksubstraat (14) bevindt waarmee de epifyt in een teeltsubstraat (11) in een pot (1) geplant is, waarbij genoemd opkweeksubstraat (14) een eerste waterretentie na uitlekken heeft, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, en genoemd teeltsubstraat (11) een tweede waterretentie na uitlekken, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, welke tweede waterretentie kleiner is dan genoemde eerste waterretentie, waarbij genoemde pot (1) een bodem (2) heeft die onder het blokje (13) in het teeltsubstraat (11) een centraal gelegen luchtkanaal (15) vormt dat onderaan een luchtinlaat/-uitlaat (16) heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje (13) via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening (17) in het inwendige van de pot (1) uitmondt, en waarbij de bodem (2) van genoemde pot (1) naast genoemde beluchtingsopening (17) voorzien is van verdere beluchtings/ontwateringsgaten (20), daardoor gekenmerkt dat genoemde gaten (20) zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot (1) bevinden dat een horizontaal vlak (a), dat doorheen het laagste punt van genoemde gaten (20) gaat, zich op een gemiddelde hoogte (h”) van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem (2) van de pot (1) bevindt wanneer genoemde pot (1) op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal (15), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (a), een inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot (1), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (a), bedraagt.
  2. 2. Ingepotte epifyt volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat de oppervlakte van genoemde inwendige doorsnede van het luchtkanaal (15) ten hoogste 40%, bij voorkeur ten hoogste 30% en meer bij voorkeur ten hoogste 20% van de oppervlakte van genoemde inwendige doorsnede van de pot (1) bedraagt.
  3. 3. Ingepotte epifyt volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat genoemde gemiddelde hoogte (h”) ten minste 1,5 mm en bij voorkeur ten minste 2,0 mm bedraagt.
  4. 4. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 3, daardoor gekenmerkt dat genoemde gemiddelde hoogte (h”) ten hoogste 8,0 mm, bij voorkeur ten hoogste 7,0 mm, meer bij voorkeur ten hoogste 6,0 mm en meest bij voorkeur ten hoogste 5,0 mm bedraagt.
  5. 5. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot
    3, daardoor gekenmerkt dat genoemde verdere beluchtings/ontwateringsgaten (20) zijdelingse openingen vormen die genoemd luchtkanaal (15) in verbinding stellen met het inwendige van de pot (1).
  6. 6. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 5, daardoor gekenmerkt dat genoemde beluchtingsopening (17) een oppervlakte heeft die groter is dan 50 mm2, bij voorkeur groter dan 100 mm2 en meer bij voorkeur groter dan 150 mm2.
  7. 7. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot
    4, daardoor gekenmerkt dat genoemd luchtkanaal (15) zich tot op een hoogte (h) van ten minste 20%, bij voorkeur tot op een hoogte (h) van ten minste 30% en meer bij voorkeur tot op een hoogte (h) van ten minste 35% van de totale hoogte (H) van de pot (1) uitstrekt.
  8. 8. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 7, daardoor gekenmerkt dat genoemd luchtkanaal (15) ten minste gedeeltelijk gevormd wordt door een instulping (10) in de bodem (2) van de pot (1), welke instulping (10) zich bij voorkeur tot op een hoogte (h’) van ten minste 10%, bij voorkeur ten minste 15% en meer bij voorkeur ten minste 20% van de totale hoogte (H) van de pot (1) uitstrekt.
  9. 9. Ingepotte epifyt volgens conclusie 8, daardoor gekenmerkt dat de instulping (10) bovenaan een naar boven gerichte opening (18) vertoont en bovenaan verder voorzien is van ten minste twee uitsteeksels (19) die zich tot boven genoemde opening (18) uitstrekken.
  10. 10. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot
    9, daardoor gekenmerkt dat genoemde beluchtingsopening (17) door ten minste één dwarsverbinding (21) opgedeeld is in ten minste twee kleinere openingen (22).
  11. 11. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot
    10, daardoor gekenmerkt dat genoemde tweede waterretentie kleiner is dan 80%, bij voorkeur kleiner dan 70%, meer bij voorkeur kleiner dan 60% van genoemde eerste waterretentie.
  12. 12. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot
    11, daardoor gekenmerkt dat genoemde eerste waterretentie groter is dan 50 vol.%, bij voorkeur groter dan 60 vol.% en meer bij voorkeur groter dan 65 vol.%.
  13. 13. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 11, daardoor gekenmerkt dat genoemde tweede waterretentie kleiner is dan 50 vol.%, bij voorkeur kleiner dan 40 vol.%, meer bij voorkeur kleiner dan 35 vol.%.
  14. 14. Ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 13, daardoor gekenmerkt dat de onderzijde van genoemd blokje (13) zich hetzij op genoemde beluchtingsopening (17) bevindt of op een afstand (d) van minder dan 15 mm, bij voorkeur op een afstand (d) van minder dan 10 mm en meer bij voorkeur op een afstand (d) van minder dan 5 mm boven genoemde beluchtingsopening (17).
  15. 15. Werkwijze voor het telen van een epifyt, in het bijzonder voor het produceren van een ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 14, in welke werkwijze men uitgaat van een epifyt (12) die in een blokje (13) van opkweeksubstraat (14) opgekweekt is, men de epifyt (12) samen met genoemd blokje (13) in een pot (1) in een teeltsubstraat (11) plant en men de epifyt (12) in deze pot (1) laat opgroeien, waarbij het opkweeksubstraat (14) een eerste waterretentie na uitlekken heeft, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, en het teeltsubstraat een tweede waterretentie na uitlekken, gemeten volgens de norm EN 13041:2011 bij een zuigspanning van 0 Pa, welke tweede waterretentie kleiner is dan genoemde eerste waterretentie, waarbij de pot (1) die men voor het telen van de epifyt (12) gebruikt een bodem (2) heeft die onder het blokje (13) in het teeltsubstraat (11) een centraal gelegen luchtkanaal (15) vormt dat onderaan een luchtinlaat/uitlaat (16) heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje (13) via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening (17) in het inwendige van de pot (1) uitmondt, en waarbij de bodem (2) van genoemde pot (1) naast genoemde beluchtingsopening (17) voorzien is van verdere beluchtings/ontwateringsgaten (20), daardoor gekenmerkt dat genoemde gaten (20) zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot (1) bevinden dat een horizontaal vlak (α), dat doorheen het laagste punt van genoemde gaten (20) gaat, zich op een gemiddelde hoogte (h”) van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem (2) van de pot (1) bevindt wanneer genoemde pot (1) op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal (15), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (α), een inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot (1), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (α), bedraagt.
  16. 16. Werkwijze volgens conclusie 15, daardoor gekenmerkt dat men de epifyt (12) boven een verwarmingssysteem op een rooster laat opgroeien zodanig dat de opgewarmde lucht bij de teelt van de epifyt (12) doorheen het rooster tot in genoemd luchtkanaal (15) kan opstijgen.
  17. 17. Werkwijze volgens conclusie 15 of 16, daardoor gekenmerkt dat men genoemd luchtkanaal (15) vrijhoudt van teeltsubstraat (11).
  18. 18. Werkwijze volgens conclusie 17, daardoor gekenmerkt dat men genoemd luchtkanaal (15) vrijhoudt van teeltsubstraat (11) door genoemde beluchtingsopening (17) door middel van genoemd blokje (13) af te dekken door het blokje (13) met zijn onderzijde op de beluchtingsopening (17) te plaatsen of op een afstand (d) van ten hoogste 15 mm boven de beluchtingsopening (17) alvorens de pot (1) tot boven de beluchtingsopening (17) met teeltsubstraat (11) te vullen.
  19. 19. Pot (1) voor het produceren van een ingepotte epifyt volgens één van de conclusies 1 tot 14 en/of voor toepassing in een werkwijze volgens één van de conclusies 15 tot 18, welke pot (1) een bodem (2) heeft die onder het blokje (13) in het teeltsubstraat (11) een centraal gelegen luchtkanaal (15) vormt dat onderaan een luchtinlaat/uitlaat (16) heeft en dat bovenaan onder genoemd blokje (13) via ten minste één naar boven gerichte beluchtingsopening (17) in het inwendige van de pot (1) uitmondt, waarbij de bodem (2) van genoemde pot (1) naast genoemde beluchtingsopening (17) voorzien is van verdere beluchtings/ontwateringsgaten (20), daardoor gekenmerkt dat genoemde gaten (20) zich op een zodanige hoogte in het inwendige van de pot (1) bevinden dat een horizontaal vlak (a), dat doorheen het laagste
    -25punt van genoemde gaten (20) gaat, zich op een gemiddelde hoogte (h”) van ten minste 1,0 mm boven de bovenzijde van de bodem (2) van de pot (1) bevindt wanneer genoemde pot (1) op een horizontaal vlak geplaatst is, en dat genoemd luchtkanaal (15), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (α), een inwendige doorsnede heeft met een oppervlakte die ten hoogste 50% van de oppervlakte van de inwendige doorsnede van de pot (1), gemeten volgens genoemd horizontaal vlak (α), bedraagt.
  20. 20. Pot volgens conclusie 19, daardoor gekenmerkt dat de oppervlakte van genoemde inwendige doorsnede van het luchtkanaal (15) ten hoogste 40%, bij voorkeur ten hoogste 30% en meer bij voorkeur ten hoogste 20% van de oppervlakte van genoemde inwendige doorsnede van de pot (1) bedraagt.
  21. 21. Pot volgens conclusie 19 of 20, daardoor gekenmerkt dat genoemde gemiddelde hoogte (h”) ten minste 1,5 mm en bij voorkeur ten minste 2,0 mm bedraagt.
  22. 22. Pot volgens één van de conclusies 19 tot 21, daardoor gekenmerkt dat genoemde gemiddelde hoogte (h”) ten hoogste 8,0 mm, bij voorkeur ten hoogste 7,0 mm, meer bij voorkeur ten hoogste 6,0 mm en meest bij voorkeur ten hoogste 5,0 mm bedraagt.
  23. 23. Pot volgens één van de conclusies 19 tot 22, daardoor gekenmerkt dat genoemd luchtkanaal (15) zich tot op een hoogte (h) van ten minste 20%, bij voorkeur van ten minste 30% en meer bij voorkeur van ten minste 35% van de totale hoogte (H) van de pot (1) uitstrekt.
    1/7
NL2018205A 2017-01-20 2017-01-20 Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot NL2018205B1 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2018205A NL2018205B1 (nl) 2017-01-20 2017-01-20 Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot

Applications Claiming Priority (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2018205A NL2018205B1 (nl) 2017-01-20 2017-01-20 Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2018205B1 true NL2018205B1 (nl) 2018-08-14

Family

ID=57960795

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2018205A NL2018205B1 (nl) 2017-01-20 2017-01-20 Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2018205B1 (nl)

Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP1527676A2 (en) * 2003-10-29 2005-05-04 Novabouw Pot and method for growing an epiphyte
NL2013977B1 (nl) * 2014-12-12 2015-12-29 Thomsen Sa Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot.

Patent Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP1527676A2 (en) * 2003-10-29 2005-05-04 Novabouw Pot and method for growing an epiphyte
NL2013977B1 (nl) * 2014-12-12 2015-12-29 Thomsen Sa Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot.

Similar Documents

Publication Publication Date Title
JP5988981B2 (ja) 植物の育成方法ならびにそれに用いる育成容器および育成装置
US20150040474A1 (en) Plant pot with elevated ventilation hole
USRE21820E (en) Flowerpot fob water-cultured
US10932422B2 (en) Irrigation device
CN105557376B (zh) 一种保湿花盆
US20140090294A1 (en) Planter, Planting and Method of Growing Plants
US1928810A (en) Type of pottery to grow plants indoors or outdoors
KR20190089391A (ko) 식재가 용이한 저수조 멀티 화분
NL2018205B1 (nl) Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot
US20080000154A1 (en) Vase for cultivating orchids
NL2013977B1 (nl) Ingepotte epifyt, werkwijze voor het telen daarvan en daarbij gebruikte pot.
JP2010017105A (ja) コチョウラン又はフウランの栽培方法およびコチョウランとフウラン
EP3238530A2 (en) An irrigation device
JP2019150004A (ja) 固形培地底潅水水耕栽培
TWM510602U (zh) 自動導流式花盆結構
TWI798089B (zh) 用於集水及防止蒸發的植物栽培裝置
JP2000116232A (ja) 植物の栽培方法およびその装置
CN215223388U (zh) 一种取苗时能够保证根系完整性的林木育苗器
NL1024651C2 (nl) Werkwijze en pot voor het kweken van een epifyt.
JP2016073264A (ja) 底灌水多品種栽培システム
CN103718876A (zh) 可避免植物烂根或干死的植物种植容器
CN113785728B (zh) 一种用于温室大棚规模化种植蝴蝶兰的种植板及种植方法
NL2032170B1 (nl) Plantenpot met nauw aansluitende wateropvangpot
CN215011931U (zh) 防烂根蜂窝状花盆
CN205681974U (zh) 下供水型花盆