[go: up one dir, main page]

NL2011633C2 - Identificatiesysteem. - Google Patents

Identificatiesysteem. Download PDF

Info

Publication number
NL2011633C2
NL2011633C2 NL2011633A NL2011633A NL2011633C2 NL 2011633 C2 NL2011633 C2 NL 2011633C2 NL 2011633 A NL2011633 A NL 2011633A NL 2011633 A NL2011633 A NL 2011633A NL 2011633 C2 NL2011633 C2 NL 2011633C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
coil antenna
passive
active
antenna
responder
Prior art date
Application number
NL2011633A
Other languages
English (en)
Inventor
Jan Cornelis Stekelenburg
Original Assignee
Nedap Nv
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Nedap Nv filed Critical Nedap Nv
Priority to NL2011633A priority Critical patent/NL2011633C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2011633C2 publication Critical patent/NL2011633C2/nl

Links

Classifications

    • GPHYSICS
    • G06COMPUTING OR CALCULATING; COUNTING
    • G06KGRAPHICAL DATA READING; PRESENTATION OF DATA; RECORD CARRIERS; HANDLING RECORD CARRIERS
    • G06K7/00Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns
    • G06K7/10Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation
    • G06K7/10009Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves
    • G06K7/10316Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves using at least one antenna particularly designed for interrogating the wireless record carriers
    • G06K7/10356Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves using at least one antenna particularly designed for interrogating the wireless record carriers using a plurality of antennas, e.g. configurations including means to resolve interference between the plurality of antennas
    • GPHYSICS
    • G06COMPUTING OR CALCULATING; COUNTING
    • G06KGRAPHICAL DATA READING; PRESENTATION OF DATA; RECORD CARRIERS; HANDLING RECORD CARRIERS
    • G06K7/00Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns
    • G06K7/10Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation
    • G06K7/10009Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves
    • G06K7/10158Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves methods and means used by the interrogation device for reliably powering the wireless record carriers using an electromagnetic interrogation field
    • G06K7/10178Methods or arrangements for sensing record carriers, e.g. for reading patterns by electromagnetic radiation, e.g. optical sensing; by corpuscular radiation sensing by radiation using wavelengths larger than 0.1 mm, e.g. radio-waves or microwaves methods and means used by the interrogation device for reliably powering the wireless record carriers using an electromagnetic interrogation field including auxiliary means for focusing, repeating or boosting the electromagnetic interrogation field

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Physics & Mathematics (AREA)
  • Health & Medical Sciences (AREA)
  • Toxicology (AREA)
  • Electromagnetism (AREA)
  • Computer Networks & Wireless Communication (AREA)
  • General Health & Medical Sciences (AREA)
  • Artificial Intelligence (AREA)
  • Computer Vision & Pattern Recognition (AREA)
  • General Physics & Mathematics (AREA)
  • Theoretical Computer Science (AREA)
  • Near-Field Transmission Systems (AREA)

Description

Titel: Identificatiesysteem.
De uitvinding heeft betrekking op een identificatiesysteem voorzien van een zend- en ontvanginrichting en tenminste een actieve spoelantenne voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in een met de actieve spoelantenne opgewekt elektromagnetisch ondervraagveld waarbij de zend- en ontvanginrichting via tenminste een elektrisch geleidende verbinding met de actieve spoelantenne is verbonden voor het met de actieve spoelantenne opwekken van het elektromagnetisch ondervraagveld waarbij het ondervraagveld tenminste een frequentiecomponent heeft die overeenkomt met een resonantiefrequentie van de responder.
De uitvinding heeft tevens betrekking op een werkwijze voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in een eerste detectie gebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van een zend- en ontvanginrichting en tenminste een actieve spoelantenne voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in het met de actieve spoelantenne opgewekt elektromagnetisch ondervraagveld waarbij de zenden ontvanginrichting via tenminste een elektrisch geleidende verbinding met de spoelantenne wordt verbonden voor het met de actieve spoelantenne opwekken van het elektromagnetisch ondervraagveld waarbij het ondervraagveld tenminste een frequentiecomponent heeft die overeenkomt met een resonantiefrequentie van de responder. Onder een actieve spoelantenne wordt hier dus verstaan een spoelantenne die op een zender is aangesloten waarbij de zender kan zijn gescheiden van de antenne of deel kan uitmaken van de antenne.
Een dergelijk systeem en werkwijze zijn op zich bekend. Dergelijke systemen en werkwijzen worden onder andere toegepast voor het detecteren van dieren die zijn voorzien van een identificatielabel dat is voorzien van een responder. De responder kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een oorknop of een bolus die in de maag van het dier wordt gebracht. Ook zijn responders bekend die onderhuids worden geplaatst. Veelal worden dergelijke identificatiesystemen en werkwijzen toegepast om dieren te detecteren wanneer ze een detectiegebied in een gangpad passeren. Bekend is dat de actieve spoelantenne aan één zijde van het gangpad wordt geplaatst waarbij het de bedoeling is dat een door de actieve antenne bepaald detectiegebied zich, althans nagenoeg, over de volle breedte van het gangpad uitstrekt. Eén en ander afhankelijk van de breedte van het gangpad blijkt dit niet altijd mogelijk danwel blijkt dat er situaties denkbaar zijn waarbij een responder niet wordt gedetecteerd wanneer deze zich weliswaar binnen het gangpad maar op een relatief grotere afstand van de actieve spoelantenne bevindt. Een ander nadeel bij de toepassing van het bekende systeem kan zijn dat slechts één detectiegebied wordt bestreken.
De uitvinding stelt zich als doel het identificatiesysteem te verbeteren en/of breder inzetbaar te maken.
Het systeem volgens de uitvinding wordt gekenmerkt in dat het systeem verder is voorzien van tenminste een passieve spoelantenne die is afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat, in gebruik, de passieve spoelantenne resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne is opgewekt voor het met de zend- en ontvanginrichting detecteren van de aanwezigheid van de responder in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt opgewekt.
Volgens de uitvinding is de passieve antenne dusdanig ten opzichte van de actieve antenne opgesteld (dat wil zeggen gepositioneed en georienteerd) dat de passieve spoelantenne gaat resoneren onder invloed van de actieve spoelantenne. Anders gezegd, onder invloed van het elektromagnetische ondervraagveld dat door de actieve spoelantenne wordt uitgezonden gaat de passieve spoelantenne eveneens een elektromagnetisch ondervraagveld uitzenden. Er ontstaat hierdoor een gecombineerd elektromagnetisch ondervraagveld dat door de actieve spoelantenne wordt opgewekt en waarvan de eigenschappen door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne worden bepaald. Door toepassing van een passieve spoelantenne kan een detectie gebied dat in combinatie door de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt bestreken dus groter zijn dan een detectie gebied dat enkel en alleen door de actieve spoelantenne zou worden bestreken wanneer de passieve spoelantennes niet aanwezig zouden zijn. Op deze wijze is het dus mogelijk dat het gebied waarin het elektromagnetisch ondervraagveld door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passive spoelantenne wordt opgewekt met een vooraf bepaalde minimale veldsterkte groter is dan het gebied dat met dezelfde minimale veldsterkte wordt bestreken wanneer het elektromagnetisch ondervraagveld alleen met de actieve spoelantenne zou worden opgewekt.
Indien een responder zich thans in de nabijheid van de passieve spoelantenne bevindt, zal deze reageren op het gecombineerde veld, en dus bijvoorbeeld juist ook op die component van het veld die door de passieve spoelantenne wordt opgewekt. De responder kan aldus in hoofdzaak draadloos koppelen met de passieve spoelantenne. Omdat de passieve spoelantenne zelf met een relatief klein verbes draadloos kan zijn gekoppeld met de actieve spoelantenne, kan de actieve spoelantenne de koppeling van de responder met de passieve spoelantenne ook detecteren. De passieve antenne koppelt dus draadloos met de actieve antenne en kan daardoor het respondersignaal als een relais station doorgeven. Bovendien kan de responder ook rechtstreeks draadloos met de actieve spoelantenne koppelen. Het gevolg is dat op een relatief grote afstand van de actieve spoelantenne de responder toch kan worden gedetecteerd wanneer de responder zich op een voldoende kleine afstand van de passieve spoelantenne bevindt. Door toepassing van de passieve spoelantenne kan dus het detectiebereik worden vergroot ten opzichte van de situatie wanneer alleen de actieve spoelantenne wordt gebruikt voor het opwekken van het elektromagnetisch ondervraagveld. De passieve antenne kan ten opzichte van de actieve antenne relatief grote afmetingen hebben. De passieve antenne koppelt dan door zijn veel grotere afmetingen zeer goed met de actieve antenne en kan daardoor het respondersignaal, dat in dit geval veel beter koppelt met de passieve antenne dan de actieve antenne, als een relaisstation doorgeven.
Het detectiegebied van de actieve antenne en de passieve antenne samen is dus groter dan het detectiegebied van alleen de actieve antenne. Hierbij kan het detectiegebied van de actieve antenne zelf iets kleiner worden door toepassing van de passieve antenne, maar de passieve antenne compenseert dit dus ruim met zijn ‘eigen’ detectiegebied.
In het bijzonder geldt dat de passieve antenne is voorzien van een passief resonant circuit voorzien van tenminste een winding en tenminste een capaciteit waarbij het resonant circuit een resonantiefrequentie heeft die overeenkomst met resonantiefrequentie van de responder. Meer in het bijzonder geldt dat de zend- en ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan- en uitschakelt voor het detecteren van HDX-responders waarbij de passieve antenne is ingericht om de resonantiefrequentie van het resonant circuit van de passieve antenne ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder en/of de frequentie van het elektromagnetisch ondervraagveld binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit van de passive antenne te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld. Tenzij de Q van de passieve antenne zeer laag is, wordt de voorkeur gegeven aan (ook) dempen. Voor HDX responders is het dan belangrijk dat de gebruikte passieve en aktieve antennes worden gedempt wanneer de HDX responder een antwoord uitzendt. De frequentie van het ondervraagveld is hier gedefinieerd als de frequentie met de hoogste piek binnen het frequentiespectrum van het ondervraagveld. Op deze wijze kan het systeem behalve voor FDX-responders ook voor HDX-reponders worden toegepast.
Volgens een zeer geavanceerde uitvoeringsvorm geldt dat het systeem is voorzien van een veelvoud van passieve spoelantennes die elk zijn afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en elk van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat, in gebruik, elk van de passieve spoelantennes resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne is opgewekt voor het met de zend- en ontvanginrichting detecteren van de aanwezigheid van de responder in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en het veelvoud van passieve spoelantenne wordt opgewekt. Door toepassing van een veelvoud van passieve spoelantennes kan het detectiegebied dat in combinatie door de actieve spoelantenne en de passieve spoelantennes wordt bestreken dus groter zijn dan het detectiegebied dat enkel en alleen door de actieve spoelantenne zou worden bestreken wanneer de passieve spoelantennes niet aanwezig zouden zijn. In het bijzonder geldt dat de actieve spoelantenne en een veelvoud van de passieve spoel antenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan op gesteld dat tenminste een van de passieve antennes in resonantie wordt gebracht door tenminste een andere passieve spoelantenne. Op deze wijze is het ook mogehjk om het gebied waarin het elektromagnetisch ondervraagveld door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passive spoelantennes wordt opgewekt met een vooraf bepaalde minimale veldsterkte veel groter is dan het gebied dat met dezelfde minimale veldsterkte wordt bestreken wanneer het elektromagnetisch ondervraagveld alleen met de actieve spoelantenne zou worden opgewekt.
In het bijzonder geldt dat het identificatie systeem is uitgevoerd als een dier-identificatie systeem voor het detecteren van responders die door dieren worden gedragen. Meer in het bijzonder geldt hierbij dat het systeem is ingericht voor een doorloop herkenning van dieren op de boerderij waarbij het systeem is voorzien van een gangpad dat zich in een doorlooprichting voor de dieren uitstrekt waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne aan weerszijden van het gangpad staan opgesteld.
De werkwijze volgens de uitvinding wordt gekenmerkt in dat verder gebruik wordt gemaakt van tenminste een passieve spoelantenne die is afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld dat, in gebruik, de passieve spoelantenne resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne wordt opgewekt waarbij met de zend- en ontvanginrichting de aanwezigheid van de responder wordt gedetecteerd in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt opgewekt.
In zijn algemeenheid geldt dat onder passieve spoelantenne niet wordt verstaan een passieve spoelantenne van een responder. Er geldt bij voorkeur dat een oppervlak B dat door de passieve spoel antenne wordt omsloten tenminste 75% en bij voorkeur tenminste 100% is van een oppervlak A dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, en/of dat een oppervlak B dat door de passieve spoel antenne wordt omsloten gelijk is aan Z maal een oppervlak A dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, waarbij Z in het interval van 0.5 tot 4 ligt, in het bijzonder in het interval 0.75 tot 1.5. Andere afmetingen van de beide antennes ten opzichte van elkaar zijn echter ook mogelijk. De passieve antenne kan bijvoorbeeld een oppervlak B omsluiten van 750 - 5000 cm2. De actieve antenne kan bijvoorbeeld een oppervlak B omsluiten van 750 - 5000 cm2. De antenne van een responder omsluit bijvoorbeeld een oppervlak van 1-I00cm2. In het bijzonder geldt dat de passieve antenne en de actieve antenne op vaste posities ten opzichte van elkaar staan opgesteld.
De uitvinding zal thans nader worden toegelicht aan de hand van de tekening. Hierin toont:
Figuur 1 een mogelijke uitvoeringsvorm van een bekend identificatiesysteem;
Figuur 2 een eerste uitvoeringsvorm van een identificatiesysteem volgens de uitvinding;
Figuur 3 een diagram dat een verschil in werking tussen het systeem volgens figuur 1 en 2 representeert waarbij in figuur 2 de afstand dO tussen een passieve antenne en een actieve antenne gelijk aan C is;
Figuur 4 een diagram dat het verschil in werking tussen het systeem volgens figuur 1 en figuur 2 representeert waarbij in figuur 2 de afstand dO tussen de passieve antenne en de actieve antenne gelijk aan C’ is;
Figuur 5a de eerste uitvoeringsvorm volgens figuur 2 waarbij de afstand dO tussen een passieve antenne en een actieve antenne gelijk aan C” is;
Figuur 5b een werking van het systeem volgens figuur 5a;
Figuur 6 een tweede uitvoeringsvorm van een systeem volgens de uitvinding;
Figuur 7 een derde uitvoeringsvorm van een systeem volgens de uitvinding;
Figuur 8 een vierde uitvoeringsvorm van een systeem volgens de uitvinding dat is voorzien van een gangpad voor koeien;
Figuur 9 een op zich bekend identificatiesysteem dat is voorzien van een gangpad voor koeien;
Figuur 10 een aanzicht van de actieve spoelantenne in de richting P zoals getoond in figuur 1, 2, 5a, 6, 7, 8, 9;
Figuur 11 een aanzicht van de passive spoelantenne in de richting P’ zoalsgetoond in figuur 2, 5a, 6, 7, 8; en
Figuur 12 een mogelijke uitvoeringsvorm van een elektronisch circuit van een passieve antenne van het systeem volgens figuur 2, 5a, 6, 7, 8, 11.
In figuur 1 is met referentienummer 1 een op zich bekend identificatiesysteem aangeduid. Het identificatiesysteem is voorzien van een zend- en ontvanginrichting 2 en tenminste één actieve spoelantenne 4. Figuur 10 toont een aanzicht van de actieve spoelantenne 4 in de richting van de pijl P van figuur 1. De spoelantenne bestaat hier uit één enkele winding 7 met een ronde vorm. Het is echter eveneens mogelijk dat de spoelantenne een veelvoud van windingen omvat. Ook kan de spoelantenne andere vormen hebben dan een ronde, zoals een rechthoekige of vierkantige vorm. De zend- en ontvanginrichting 2 is middels een elektrisch geleidende verbinding 6 zoals een draad of kabel met de actieve spoelantenne 4 verbonden. Het systeem is in dit voorbeeld tevens voorzien van een responder. De responder reageert wanneer deze in een elektromagnetisch ondervraagveld wordt gebracht met een frequentiecomponent die overeenkomt met een resonantiefrequentie f0 van de responder. De responder is op zich bekend en is bijvoorbeeld voorzien van een resonant circuit dat is gekoppeld met een processor waarin bijvoorbeeld een identificatiecode is opgeslagen. Het resonante circuit heeft een resonantiefrequentie ft) en zal onder invloed van het elektromagnetisch ondervraagveld gaan resoneren. Hierdoor absorbeert het resonante circuit energie uit het ondervraagveld. Het resonante circuit voorziet de processor vervolgens van energie. De processor omvat een identificatiecode en moduleert het resonante circuit van de responder met de identificatiecode. Deze identificatiecode kan dan worden ontvangen door de zend- en ontvanginrichting 2 met behulp van de spoelantenne 4.
In figuur 1 is schematisch een detectiegebied 10 aangeduid dat met behulp van de spoelantenne 4 wordt bestreken. Dit detectiegebied wordt in dit voorbeeld gedefinieerd als een gebied waarin de grootte van de veldsterkte H van het elektromagnetische ondervraagveld dat met behulp van de spoelantenne 4 wordt uitgezonden tenminste gelijk is aan Hmin= 1. 2A/m. Dit is volgens de ISO-norm. Andere definities zoals een gebied waarin de grootte van de veldsterkte groter of gelijk is aan Hmin= 0.6 A/m is, zijn ook mogelijk. In dit voorbeeld is eveneens aangegeven dat een breedte van het detectie gebied aldus dl is.Er wordt opgemerkt dat het hier gaat om een schematisch weergave van het detectiegebied en dat ook de grootte van het detectie gebied afhangt van de grootte van de minimale veldsterkte Hmin. In dit voorbeeld geldt dat de actieve antenne 4 een afmeting heeft van ongeveer 55 bij 36 cm. De resonantiefrequentie bedraagt ongeveer 134,2 kHz. In figuur 2 is dO ongeveer 40 cm. In het algemeen zal de vorm van het detectiegebied niet rechthoekig zijn maar de vorm hebben van een hoofdlob met een aantal zijlobben omvatten. Het aangegeven detectiegebied correspondeert praktisch met de hoofdlob en dl betreft in dit voorbeeld en in de hierna volgende voorbeelden (geldt dus ook voor hierna te bespreken dl’) een lengtemaat die zich uitstrekt langs een axiale as van de hoofdlob. Hier is de vorm van de hoofdlob met zijlobben echter schematisch aangeduid. De reden dat een specifiek detectiegebied 10 met de actieve antenne wordt geassocieerd is dat op deze wijze de werking van de uitvinding beter kan worden verduidelijkt. In dit voorbeeld is de minimale veldsterkte Hmin= 1.2 A/m ook dusdanig gekozen dat binnen het detectiegebied een responder in het algemeen kan worden gedetecteerd. Bevindt een responder zich buiten het detectiegebied dan zal deze in het algemeen niet boven de ruis en eventuele storingsvelden uitkomen zodat de zend- en ontvanginrichting 2 de responder niet kan detecteren. Aldus heeft het bekende systeem een detectiegebied 10 waarbij een responder kan worden gedetecteerd wanneer deze op een kleinere afstand dan dl van de actieve antenne aanwezig is.
Figuur 2 toont een eerste uitvoeringsvorm van een systeem volgens de uitvinding waarbij met figuur 1 overeenkomende onderdelen van een zelfde referentienummer zijn voorzien.
Het systeem 1’ is ten opzichte van figuur 1 voorts voorzien van een passieve spoelantenne 12. De passieve spoelantenne 12 is in dit voorbeeld voorzien van een enkele winding 14 met een ronde vorm en heeft vergelijkbare afmetingen, bijvoorbeeld dezelfde als de actieve antenne. Andere afmetingen en/of een veelvoud van windingen is echter ook mogelijk. Ook kan de passieve spoelantenne andere vormen hebben dan een ronde, zoals een rechthoekige of vierkantige vorm. Figuur 11 toont een aanzicht van de passieve antenne 12 in de richting van de pijl P’ in figuur 2. De passieve antenne is verder voorzien van een elektronisch circuit 16 dat een capaciteit 18 omvat. De capaciteit 18 en de winding 14 vormen in combinatie een passief resonant circuit waarbij het resonant circuit 20 een resonantiefrequentie heeft die overeen komt met de resonantiefrequentie fÖ van de responder.
De actieve spoelantenne 4 en de passieve spoelantenne 12 staan dusdanig ten opzichte van elkaar opgesteld dat, in gebruik, de passieve spoelantenne gaat resoneren in het elektromagnetische ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne wordt opgewekt. Op deze wijze is het mogehjk dat met de zend- en ontvanginrichting 2 de aanwezigheid van de responder 8 in een elektromagnetisch ondervraagveld wordt gedetecteerd dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt bepaald. Eén en ander kan als volgt worden ingezien.
Allereerst wordt een elektromagnetisch ondervraagveld opgewekt met behulp van de actieve spoelantenne 4. Onder invloed van dit ondervraagveld zal de passieve spoelantenne 12 ook gaan resoneren. Het gevolg is dat in de passieve antenne veel energie wordt op geslagen die afkomstig is van de zend- en ontvanginrichting 2 en welke energie met behulp van de actieve antenne 4 wordt uitgezonden. Doordat de passieve antenne 12 gaat resoneren op de resonantiefrequentie zal deze zelf ook een elektromagnetisch ondervraagveld gaan uitzenden. Aldus wordt in combinatie door de actieve antenne 4 en de passieve antenne 12 een ondervraagveld opgewekt waarin de responder 8 reageert. Wanneer de responder 8 zich nabij de passieve antenne 12 bevindt, zal deze met name reageren op dat deel van het elektromagnetische ondervraagveld dat door de passieve antenne 12 wordt opgewekt. Anders gezegd, zal de responder 8 gaan koppelen met de passieve antenne 12. Bij het overdragen van informatie van de responder 8 naar de passieve antenne 12 zal het signaal van de responder met bijvoorbeeld 30 dB verzwakken. De passieve antenne 12 is echter op zijn beurt eveneens gekoppeld met de actieve antenne 4. De passieve antenne 12 zal, zoals gezegd, de reactie van de responder 8 meten. Deze reactie zal met een verlies van bijvoorbeeld 10 dB worden doorgegeven van de passieve antenne 12 naar de actieve antenne 4. In combinatie geeft dit dus slechts een signaalverlies van bijvoorbeeld rond de 40 dB. Daarnaast zal de responder 8 ook rechtstreeks koppelen met de actieve antenne 4. Hier zal echter een signaalverlies van 80 dB optreden vanwege de relatief grote afstand tussen de responder en de actieve antenne. In combinatie zal de aanwezigheid van de responder 8 dus met een signaalverlies van minder dan 40 dB door de zend- en ontvanginrichting 2 kunnen worden gemeten. Indien de responder 8 zich in het bekende systeem van figuur 1 op de positie zou bevinden waar deze zich bevindt in figuur 2 zou een signaalverlies optreden van bijvoorbeeld 120 dB zoals in figuur 1 is aangetoond voor de responder 8’. Dit betekent dat de aanwezigheid van deze responder 8’ niet met behulp van het systeem 1 zal worden gemeten terwijl dit wel het geval is met het systeem volgens figuur 2. Eén en ander kan ook als volgt worden ingezien.
In figuur 2 is met 10’ het eerste detectiegebied schematisch aangegeven dat correspondeert met de actieve antenne 4. De schematische weergave komt overeen met de schematische weergave van figuur 4. Voor dit detectiegebied 10’ geldt eveneens dat deze correspondeert met een gebied waarin de veldsterkte van het elektromagnetische ondervraagveld dat door de actieve antenne 4 wordt opgewekt groter is dan als voorbeeld Hmin=1.2 A/m. De breedte van dit detectiegebied is met dl’ aangegeven. Opgemerkt wordt dat dl’ van figuur 2 iets kleiner is dan dl van figuur 1 doordat een gedeelte van de energie die wordt afgegeven door de zend- en ontvanginrichting 2 thans wordt geabsorbeerd door de passieve antenne 12. Voorts is in figuur 2 het tweede detectiegebied 10” dat is geassocieerd met de passieve antenne 12 schematisch aangegeven. Ook hiervoor geldt dat het gebied een schematische weergave betreft, zoals in het kader van figuur 1 is besrpoken voor het detectiegebied 10. Het tweede detectiegebied 10” wordt gevormd door het elektromagnetische ondervraagveld dat door de passieve antenne 12 wordt uitgezonden en waarvan de veldsterkte groter is dan als voorbeeld Hmin= 1.2 A/m. In figuur 2 is schematisch aangeduid dat het tweede detectiegebied een breedte d2 heeft. Eén en ander heeft tot gevolg dat in dit voorbeeld het eerste detectiegebied 10’ en het tweede detectiegebied 10” elkaar deels overlappen. In combinatie vormen deze een detectiegebied waarin de responder 8 kan worden gedetecteerd. De werking van de inrichting volgens figuur 2 kan eveneens worden begrepen aan de hand van figuur 3.
In figuur 3 is met curve A de sterkte van een ontvangsignaal van de responder in het systeem van figuur 1 aangeduid als functie van de afstand x tussen de aktieve antenne en de responder.. Zoals te zien is neemt de sterkte van het ontvangsignaal af wanneer x toeneemt. Wanneer x groter wordt dan dl is het ontvangsignaal dermate zwak dat deze niet langer kan worden ontvangen. Met curve B is het ontvangsignaal aangeduid dat door de zend- en ontvanginrichting 2 wordt ontvangen bij het systeem volgens figuur 2. Het gaat hier om ontvangst van het ontvangsignaal dat een resultaat is van het elektromagnetische ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve antenne 4 en de passieve antenne 12 wordt opgewekt. Hieruit blijkt dat voor relatieve kleine waardes van x de sterkte van het ontvangsignaal voor curve B kleiner is dan die voor curve A. Dit komt doordat bij figuur 2 een gedeelte van de energie die door de zend- en ontvanginrichting wordt afgegeven niet door de actieve antenne 4 wordt geabsorbeerd maar door de passieve antenne 12. Bij een toenemende afstand x zal echter de curve B weer gaan oplopen doordat de responder thans goed begint te koppelen met de passieve antenne 12. Wanneer het label zich vlakbij de passieve antenne 12 bevindt, zodat de afstand x gelijk is aan dO=C, is de koppeling van de responder 8 met de zend- en ontvanginrichting 2 zelfs bijna net zo groot als wanneer de responder zich op een afstand d5 van de actieve spoelantenne zou bevinden. Kortom, met behulp van de passieve antenne is het bereik van het detectiesysteem vergroot. In het gehele gebied dat zich ter hoogte van de actieve en passieve antenne uitstrekt en dat zich tussen de passieve en actieve antenne bevindt, kan de responder worden gedetecteerd. Overigens blijkt uit figuur 3 dat wanneer x groter wordt dan dO=C, de responder ook nog kan worden gedetecteerd. Dit betekent in figuur 2 dat de responder ook kan worden gedetecteerd in een deel van het detectie gebied 10’ dat zich in de tekening rechts van de passieve antenne bevindt. Dit gebied is voor de duidelijk aangeduid met referentienummer 10”’.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het detectiegebied 10 zich in figuur 1 ook aan de linkerzijde van de actieve antenne 4 uitstrekt waarbij de situatie aan weerszijden van de antenne 4 spiegelsymmetrisch is ten opzichte van het vlak dat zich uitstrekt door de spoelantenne 4. Geheel analoog wordt opgemerkt dat het detectiegebied 10’van de actieve antenne 4 zich ook aan de hnkerzijde van de actieve antenne 4 uitstrekt. In de tekening is dit gedeelte van het gebied 10’ echter weggelaten.
Figuur 4 toont een situatie waarbij in figuur 2 de afstand dO wordt vergroot tot dO=C’.. Thans bhjkt dat zolang x kleiner is dan d6 de curve A en B, althans nagenoeg, samenvallen. In dit voorbeeld geldt zoals gezegd dat de actieve antenne 4 een afmeting heeft van ongeveer 55 bij 36 cm. Dit geldt eveneens voor de passieve antenne. De resonantiefrequentie bedraagt ongeveer 134,2 kHz. In figuur 2 is dO=C ongeveer 40 cm. In figuur 4 is dO=C’ ongeveer 60 cm. Uit het voorgaande blijkt dat voor x kleiner dan d6 de gevoeligheid van het systeem volgens figuur 1 en het systeem volgens figuur 2 (waarbij d0=C”=60 cm) weinig verandert. Voor grotere waarden van d6 geldt echter dat de gevoeligheid van het systeem van figuur 2 groter is dan dat van figuur 1 en wel dusdanig dat ook thans geldt dat het detectie gebied 10’ dat is geassocieerd met de actieve antenne overlapt met het detectie gebied 10” dat is geassocieerd met de passieve antenne.
In figuur 5a is de situatie getoond dat dO in figuur 2 gelijk is aan dO=C”=l,5 meter. Thans bhjkt uit figuur 5b dat voor x kleiner dan dl’ de totaal resulterende elektromagnetische veldsterkte tenminste gelijk is aan Hmin=l,2 A/m. Ook blijkt dat op een afstand x die groter is dan d3, een responder met de passieve antenne zal koppelen. Anders gezegd, op een afstand tot de passieve antenne gemeten langs de axiale as van de passieve antenne die kleiner is dan d2, zal een elektromagnetisch ondervraagveld worden opgewekt dat een veldsterkte heeft die tenminste gelijk is aan Hmin= 1,2 A/m.
Zoals in figuur 5a is te zien, is het thans een situatie waarbij het eerste detectiegebied 10 en het tweede detectiegebied 10’ elkaar niet overlappen. Zoals te zien is in figuur 5a en figuur 5b strekt het tweede detectiegebied 10’ zich ook rechts van de passieve antenne 14 uit. Eén en ander betekent ook dat wanneer x (= de positie van de reponder) groter is dan dl’en kleiner is dan d3, de responder niet door het systeem kan worden gedetecteerd. Thans is de situatie verkregen waarbij met behulp van één actieve antenne 4, twee van elkaar gescheiden detectie gebieden 10 respiectievelijk 10’ kunnen worden opgewekt. Elk van de detectiegebieden strekken zich aan weerszijden van de passieve antenne respectievelijk de actieve antenne uit. Er geldt dus bij de inrichting volgens figuur 2 dat de actieve spoelantenne en de passieve antenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied elkaar deels overlappen. In het bijzonder geldt bij de inrichting volgens figuur 5a dat de actieve spoelantenne en de passieve antenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan op gesteld het eerste detectie gebied en het tweede detectiegebied van elkaar gescheiden zijn. Volgens de inrichting volgens figuur 2 geldt dat de actieve spoelantenne en de passieve antenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied elkaar deels overlappen. Het zal duidelijk zijn dat dO ook zo gekozen kan worden dat geldt het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied op elkaar aansluiten.
In het bijzonder geldt nog dat de zend- en ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan- en uitschakelt voor het detecteren van een HDX- responder. De responder 8 kan dus zijn ingericht als een HDX-responder. In dat geval is de passieve antenne ingericht om de resonantiefrequentie van het resonant circuit van de passieve antenne ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie of de frequentie van het ondervraagveld binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld. De frequentie van het ondervraagveld is hier gedefinieerd als de frequentie met de hoogste piek binnen het frequentiespectrum van het ondervraagveld. Dit is van belang omdat een HDX-responder reageert wanneer het elektromagnetisch ondervraagveld wordt uitgeschakeld. Indien de zend-en ontvanginrichting stopt met uitzenden zou dit echter betekenen dat de passieve antenne nog enige tijd door zal gaan met het uitzenden van het elektromagnetisch ondervraagveld omdat immers veel energie in deze antenne is opgeslagen. Een gevolg zou zijn dat een HDX-responder niet kan worden gedetecteerd. Daarom is in dit bijzondere geval het elektronisch circuit 16 van de passieve antenne dusdanig uitgevoerd dat deze detecteert wanneer de actieve antenne niet langer een elektromagnetisch ondervraagveld uitzendt waarna het resonant circuit 20 van de passieve antenne er voor zorgt dat met de passieve antenne ook geen elektromagnetisch ondervraagveld meer wordt uitgezonden. Dit wordt pas hervat (dat wil zeggende verstemming en/of de demping van het resonant circuit 20 wordt door het elektronisch circuit 16 opgeheven) wanneer het resonant circuit detecteert dat met behulp van de actieve antenne weer opnieuw een elektromagnetisch ondervraagveld wordt opgewekt. Hierbij wordt opgemerkt dat het elektronisch circuit 16 een passief resonant circuit is, dat wil zeggen dat het elektronisch circuit geen aparte voeding nodig heeft zoals een batterij. De benodigde energie wordt uit het door de actieve antenne uitgezonden elektromagnetisch veld onttrokken. Alle onderdelen werken op energie die wordt verkregen gedurende een periode dat de passieve antenne door middel van de actieve antenne van energie wordt voorzien. Een mogelijke uitvoeringsvorm van het elektronisch circuit van de passieve antenne is getoond in figuur 12. In figuur 12 zorgt de transistor Tl voor het inschakelen van R1 waarbij de ingeschakelde R1 een dempende werking heeft. Het inschakelen van de transistor T2 zorgt voor het verstemmen. De transistor T3 functioneert als een beveiliging die in werking treedt wanneer te veel energie in de passieve antenne wordt geabsorbeerd. Deze transistor is tegen overbelasting beveiligd met een temperatuur gevoelige sensor S.
Zoals te zien is in figuur 6 is het eveneens mogelijk dat het systeem is voorzien van een veelvoud van passieve spoelantennes die elk zijn afgestemd op de resonantiefrequentie. Hierbij geldt dat de actieve spoelantenne en elk van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar zijn opgesteld dat, in gebruik, elk van de passieve spoelantennes resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne is opgewekt. In figuur 6 is een situatie getoond waarbij aan weerszijden van de actieve antenne 4 een passieve spoelantenne 12 respectievelijk 12’ is opgesteld. In figuur 6 is het eerste detectiegebied dat is geassocieerd met de actieve spoelantenne met referentienummer 10 aangeduid. Voorts is het tweede detectiegebied dat is geassocieerd met de passieve antenne 12 met referentienummer 10’ aangeduid. Zoals te zien is, overlapt het detectiegebied 10 met detectiegebied 10’. Voorts is het tweede detectiegebied 10” dat met de passieve antenne 12’ is geassocieerd met referentienummer 10” aangeduid. Ook hier geldt dat het tweede detectiegebied 10’ overlapt met het eerste detectiegebied 10. Hierdoor is het mogelijk dat met de zend- en ontvanginrichting de aanwezigheid van de responder in een elektromagnetisch ondervraagveld wordt gedetecteerd dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en het veelvoud van passieve antennes wordt opgewekt in de detectiegebieden 10, 10’en 10”.
Voor figuur 6 geldt hierbij dat de passieve antenne 12 rechtstreeks van energie wordt voorzien vanuit de actieve antenne 4. Ook de passieve antenne 12’ wordt rechtstreeks van energie voorzien vanuit de actieve antenne 4.
Bij figuur 7 wordt een andere situatie getoond waarbij een eerste passieve spoelantenne 12 rechtstreeks van energie wordt voorzien vanuit de actieve spoelantenne 4. De actieve antenne 12 is dienovereenkomstig geassocieerd met een tweede detectiegebied 10’. Het systeem is echter voorts voorzien van een tweede passieve spoelantenne 12’ die dusdanig is opgesteld dat deze van energie wordt voorzien door de eerste passieve spoelantenne 12. De tweede passieve antenne 12’ is hiermee geassocieerd met een tweede detectiegebied 10”. Er geldt hier dus dat de tweede passieve antenne 12’ in resonantie wordt gebracht door de eerste passieve antenne 12. Voorts blijkt hier uit dat het eerste detectiegebied overlapt met het tweede detectiegebied 10’. Tevens geldt dat het tweede detectiegebied 10” overlapt met het tweede detectiegebied 10’. Het is echter ook mogelijk dat het tweede detectiegebied 10’ niet overlapt met het detectiegebied 10’. Dergelijke varianten worden elk geacht binnen het kader van de uitvinding te vallen. Andere combinaties van één of meer actieve spoelantennes met één of meer passieve spoelantennes zijn eveneens denkbaar. Indien een systeem zoals figuur 6 of figuur 7 is voorzien van een veelvoud van passieve antennes is het ook mogelijk dat de zend- en ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan- en uitschakelt voor het detecteren van HDX-responders waarbij tenminste een en in het bijzonder elke van de passieve antenne is ingericht om de resonantie frequentie van het resonant circuit van de betreffende passieve antenne ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder (tijdens de zend periode) binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld dat door de actieve antenne wordt uitgezonden is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld dat door de actieve antenne wordt uitgezonden is uitgeschakeld.
In het bijzonder geldt dat het identificatiesysteem volgens de uitvinding is uitgevoerd als een dieridentificatiesysteem voor het detecteren van responders die door dieren worden gedragen. Een voorbeeld hiervan is getoond in figuur 8. Hierbij zijn met de figuren 2 en 5a overeenkomende onderdelen van een zelfde referentienummer voorzien. Het systeem is voorzien van een gangpad 22 dat zich in een doorlooprichitng Q voor dieren uitstrekt. Het gangpad wordt aan weerszijden begrensd door hekken 24, 26 waarbij nabij het hek 24 de actieve antenne 4 is opgesteld. Nabij het hek 26 is de passieve antenne 12 opgesteld. Zoals te zien is, wordt de volledige breedte b van het gangpad afgedekt door een combinatie van het eerste detectie gebied 10 en het tweede detectiegebied 10’. Indien de passieve antenne 12 zou worden weggelaten, ontstaat een situatie zoals in figuur 9. Hierbij is het eerste detectiegebied 10 iets groter dan het eerste detectiegebied 10 van figuur 8 omdat thans alle energie van de zend- en ontvanginrichting 2 aan de actieve antenne 4 wordt toegevoerd. Wel is het echter zo dat het eerste detectiegebied 10 niet de volle breedte van het gangpad bestrijkt. De kans dat een dier dusdanig loopt dat een responder van het dier zich, althans in hoofdzaak, in het gebied bevindt dat zich tussen het hek 26 en het detectiegebied 10 uitstrekt is reëel waardoor de detectie van een dier kan worden gemist. Dit nadeel bestaat niet bij de inrichting van figuur 8. De uitvinding is geenszins beperkt tot de hierboven geschetste uitvoeringsvormen. Het identificatiesysteem kan ook op andere plaatsen in de boerderij worden toegepast zoals bijvoorbeeld bij een melkrobot of een voerhek. In dit voorbeeld is een oppervlak waarin zich een winding van een actieve spoelantenne uitstrekt evenwijdig gericht aan oppervlak waarin zich een winding van een passieve spoelantenne uitstrekt. Ook staan een actieve spoelantenne en een passieve spoel antenne naar elkaar toegericht. Dat wil zeggen de axiale assen van deze antenne vallen samen. Noodzakelijk is dit echter niet. De axiale as van een actieve antenne kan ook een van nul of 180 graden afwijkende hoek insluiten met een axiale as van een passieve antenne. Noodzakelijk is slechts dat de passieve spoelantenne en de actieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan op gesteld, dat wil zeggen dusdanig ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd en georiënteerd dat de passieve spoelantenne kan gaan resoneren in het elektromagnetisch veld dat met de actieve spoelantenne wordt opgewekt. Ook is het mogelijk dat het systeem is voorzien van een veelvoud van actieve spoelantennes die tenminste een of in het bijzonder een veelvoud van passieve spoelantennes laten resoneren. Er geldt bij voorkeur dat een oppervlak B dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten (in het voorbeeld van figuur 11 is dit oppervlak gearceerd weergegeven) tenminste 75% en bij voorkeur tenminste 100% is van een oppervlak A dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten (in het voorbeeld van figuur 11 is dit oppervlak gearceerd weergegeven), en/of dat een oppervlak B dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten gelijk is aan Z maal een oppervlak A dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, waarbij Z in het interval van 0.5 tot 4 ligt, in het bijzonder in het interval 0.75 tot 1.5. Andere afmetingen van de beide antennes ten opzichte van elkaar zijn echter ook mogelijk. De passieve antenne kan bijvoorbeeld een oppervlak B omsluiten van 750 - 5000 cm2. De actieve antenne kan bijvoorbeeld een oppervlak B omsluiten van 750 - 5000 cm2. De passieve antenne en de actieve antenne kunnen op vaste posities ten opzichte van elkaar staan opgesteld, meer in het bijzonder dat de passieve antenne en de actieve antenne elk vast (ten opzichte van het aardoppervlak) staan opgesteld. .Hiermee is duidelijk dat onder een passieve antenne niet wordt verstaan een responder zoals een HDX responder en een FDX responder. Ook is het mogelijk dat de tenminste ene passieve spoelantenne dusdanig is op gesteld ten opzichte van de actieve spoelantenne dat stoorsignalen worden onderdrukt De passieve antenne kan namelijk de vorm van het totale veld beïnvloeden. Storing van een externe radiozender wordt onderdrukt als de actieve antenne haaks op de ontvangstrichting van deze stoorzender staat. Vaak is dit in praktische situaties niet mogelijk, maar door de passieve antenne wat te verplaatsen, bijvoorbeeld in een horizontale richting loodrecht op de normaal van een vlak waarin de spoelantenne ligt (in figuur 10 dus de normaal van het vlak van de tekening, in figuur 9 dus in een lengte richting van het gangpad), kan toch een nulpunt worden gevonden in bepaalde situaties. Het meeste resultaat moet echter worden verkregen door de relatieve versterking van het respondersignaal die ontstaat bij toepassing van de passieve antenne als zodanig. Een respondersignaal dat eerst niet boven de ruis uitkwam kan na deze toevoeging juist wel boven de ruis uitkomen.Dergelijke varianten worden elk geacht binnen het kader van de uitvinding te vallen.

Claims (37)

1. Identificatiesysteem voorzien van een zend- en ontvanginrichting en tenminste een actieve spoelantenne voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in een met de actieve spoelantenne opgewekt elektromagnetisch ondervraagveld waarbij de zend- en ontvanginrichting via tenminste een elektrisch geleidende verbinding met de actieve spoelantenne is verbonden voor het met de actieve spoelantenne opwekken van het elektromagnetisch ondervraagveld waarbij het ondervraagveld tenminste een frequentiecomponent heeft die overeenkomt met een resonantiefrequentie van de responder, met het kenmerk, dat het systeem verder is voorzien van tenminste een passieve spoelantenne die is afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat, in gebruik, de passieve spoelantenne resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne is opgewekt voor het met de zend- en ontvanginrichting detecteren van de aanwezigheid van de responder in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt opgewekt.
2. Identificatiesysteem volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat een eerste detectiegebied is geassocieerd met de actieve spoelantenne waarbij het eerste detectiegebied overeenkomt met een gebied waarin de minimale veldsterkte van het elektromagnetisch veld dat door de actieve spoelantenne wordt opgewekt gelijk is aan Hmin en dat een tweede detectiegebied is geassocieerd met de passieve spoelantenne waarbij het tweede detectiegebied overeenkomt met een gebied waarin de minimale veldsterkte van het elektromagnetisch veld dat door de passieve spoelantenne wordt opgewekt gelijk is aan Hmin, waarbij Hmin bijvoorbeeld gelijk is aan 1.2 A/m of 0.6 A/m.
3. Identificatiesysteem volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat het eerste detectiegebied en het tweede detectie gebied elkaar deels overlappen.
4. Identificatiesysteem volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld, dat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied van elkaar gescheiden zijn.
5. Identificatiesysteem volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied op elkaar aansluiten.
6. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de passieve spoelantenne is voorzien van een passief resonant circuit voorzien van tenminste een winding en tenminste een capaciteit waarbij het resonant circuit een circuit -resonantiefrequentie heeft die overeenkomt met resonantiefrequentie van de responder.
7. Identificatiesysteem volgens conclusie 6, met het kenmerk, dat de zend- en ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan- en uitschakelt voor het detecteren van HDX-responders waarbij de passieve spoelantenne is ingericht om de resonantiefrequentie van het resonant circuit ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld.
8. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het systeem is voorzien van een veelvoud van passieve spoelantennes die elk zijn afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en elk van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat, in gebruik, elk van de passieve spoelantennes resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne is opgewekt voor het met de zend- en ontvanginrichting detecteren van de aanwezigheid van de responder in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en het veelvoud van passieve spoelantenne wordt opgewekt.
9. Identificatiesysteem volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en een veelvoud van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar staan op gesteld dat tenminste een van de passieve spoelantennes in resonantie wordt gebracht door tenminste een andere passieve spoelantenne.
10. Identificatiesysteem volgens conclusie 2 en conclusie 8 of 9, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en een veelvoud van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar staan opgesteld dat het eerste detectiegebied en een veelvoud van de tweede detectie gebieden elkaar deels overlappen.
11. Identificatiesysteem volgens conclusie 8, 9 of 10, met het kenmerk, dat tenminste één, en in het bijzonder elk van het veelvoud van passieve spoelantennes zijn voorzien van een passief resonant circuit voorzien van tenminste een winding en tenminste een capaciteit waarbij het resonant circuit een circuit -resonantiefrequentie heeft die overeenkomt met de resonantiefrequentie van de responder.
12. Identificatiesysteem volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat de zend- en ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan- en uitschakelt voor het detecteren van HDX-responders waarbij tenminste een, en in het bijzonder elk van de passieve spoelantennes is ingericht om de resonantiefrequentie van het resonant circuit van de passieve spoelantenne ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder en/of ongelijk te maken aan de frequentie van het elektromagnetisch ondervraagveld binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld.
13. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het identificatie systeem is uitgevoerd als een dier-identificatie systeem voor het detecteren van responders die door dieren worden gedragen.
14. Identificatiesysteem volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat het systeem is ingericht voor een doorloop herkenning van dieren op de boerderij waarbij het systeem is voorzien van een gangpad dat zich in een doorloop richting voor dieren uitstrekt waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne aan weerszijden van het gangpad staan opgesteld.
15. Identificatiesysteem volgens conclusie 14, met het kenmerk, dat het gangpad aan weerszijden wordt begrensd door hekken.
16. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk dat de tenminste ene passieve spoelantenne dusdanig is geplaatst ten opzichte van de actieve spoelantenne dat stoorsignalen worden onderdrukt
17. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat een oppervlak dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten tenminste 75% en bij voorkeur tenminste 100% is van een oppervlak dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, en/of dat een oppervlak dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten gelijk is aan Z maal een oppervlak dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, waarbij Z in het interval van 0.5 tot 4 ligt, in het bijzonder in het interval 0.75 tot 1.5.
18. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het systeem verder is voorzien van tenminste een responder voorzien van een resonant circuit met de resonantie frequentie, waarbij in het bijzonder het systeem verder is voorzien van een HDX responder of een FDX responder en waarbij meer in het bijzonder het systeem is voorzien van een HDX-responder en een FDX-responder.
19. Identificatiesysteem volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de passieve spoelantenne en de actieve spoelantenne op vaste posities ten opzichte van elkaar staan opgesteld, meer in het bijzonder dat de passieve spoelantenne en de actieve spoelantenne elk vast (ten opzichte van het aardoppervlak) staan op gesteld. .
20. Werkwijze voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in een eerste detectiegebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van een zend- en ontvanginrichting en tenminste een actieve spoelantenne voor het detecteren van de aanwezigheid van een responder in het met de actieve spoelantenne opgewekte elektromagnetisch ondervraagveld waarbij de zend- en ontvanginrichting via tenminste een elektrisch geleidende verbinding met de spoelantenne wordt verbonden voor het met de actieve spoelantenne opwekken van het elektromagnetisch ondervraagveld waarbij het ondervraagveld tenminste een frequentiecomponent heeft die overeenkomt met een resonantiefrequentie van de responder, met het kenmerk, dat verder gebruik wordt gemaakt van tenminste een passieve spoelantenne die is afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld dat, in gebruik, de passieve spoelantenne resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne wordt opgewekt waarbij met de zend- en ontvanginrichting de aanwezigheid van de responder wordt gedetecteerd in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne wordt opgewekt.
21. Werkwijze volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat een eerste detectie gebied wordt geassocieerd met de actieve spoelantenne waarbij het eerste detectiegebied overeenkomt met een gebied waarin de minimale veldsterkte van het elektromagnetisch veld dat door de actieve spoelantenne wordt opgewekt gelijk is Hmin en dat een tweede detectiegebied wordt geassocieerd met de passieve spoelantenne waarbij het tweede detectiegebied overeenkomt met een gebied waarin de minimale veldsterkte van het elektromagnetisch veld dat door de passieve spoelantenne wordt opgewekt gelijk is Hmin, waarbij Hmin bijvoorbeeld gelijk is aan 1,2 A/m of 0.6 A/m.X.
22. Werkwijze volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld dat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied elkaar deels overlappen.
23. Werkwijze volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied van elkaar gescheiden zijn.
24. Werkwijze volgens conclusie 21, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied op elkaar aansluiten.
25. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-24, met het kenmerk, dat de passieve spoelantenne is voorzien van passief resonant circuit voorzien van tenminste een winding en tenminste een capaciteit waarbij het resonant circuit een circuit -resonantiefrequentie heeft dat overeenkomt met resonantiefrequentie van de responder.
26. Werkwijze volgens conclusie 25, met het kenmerk, dat met de zenden ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan en uit wordt geschakeld voor het detecteren van HDX-responders waarbij de passieve spoelantenne is ingericht om de resonantie frequentie van het resonant circuit ongehjk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld.
27. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-26, met het kenmerk, dat gebruik wordt gemaakt van een veelvoud van passieve spoelantennes die elk zijn afgestemd op de resonantiefrequentie waarbij de actieve spoelantenne en elk van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld dat, in gebruik, elk van de passieve spoelantennes resoneert in het elektromagnetisch ondervraagveld dat met behulp van de actieve spoelantenne wordt opgewekt waarbij met de zend- en ontvanginrichting een responder wordt gedetecteerd in een elektromagnetisch ondervraagveld dat door een combinatie van de actieve spoelantenne en het veelvoud van passieve spoelantenne wordt opgewekt.
28. Werkwijze volgens conclusie 27, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en een veelvoud van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar worden opgesteld dat tenminste een van de passieve spoelantennes in resonantie wordt gebracht door tenminste een andere passieve spoelantenne.
29. Werkwijze volgens conclusie 21 en conclusie 27 of 28, met het kenmerk, dat de actieve spoelantenne en een veelvoud van de passieve spoelantennes dusdanig ten opzichte van elkaar worden op gesteld, dat het eerste detectiegebied en een veelvoud van de tweededetectiegebieden elkaar deels overlappen.
30. Werkwijze volgens conclusie 27, 28 of 29, met het kenmerk, dat tenminste één, en in het bijzonder elk van het veelvoud van passieve spoelantennes worden voorzien van een passief resonant circuit voorzien van tenminste een winding en tenminste een capaciteit waarbij het resonant circuit een circuit -resonantiefrequentie heeft die overeenkomt met de resonantiefrequentie van de responder.
31. Werkwijze volgens conclusie 30, met het kenmerk, dat met de zenden ontvanginrichting het elektromagnetisch ondervraagveld aan en uit wordt geschakeld voor het detecteren van HDX-responders waarbij tenminste een, en in het bijzonder elke passieve spoelantenne is ingericht om de resonantie frequentie van het resonant circuit ongelijk te maken aan de resonantiefrequentie van de responder binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld en/of om het resonant circuit te dempen binnen periodes waarin het elektromagnetisch ondervraagveld is uitgeschakeld.
32. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-31, met het kenmerk, dat het identificatie systeem wordt uitgevoerd als een dier-identificatie systeem voor het detecteren van responders die door dieren worden gedragen.
33. Werkwijze volgens conclusie 32, met het kenmerk, dat het systeem wordt ingericht voor een doorloop herkenning van dieren op de boerderij waarbij het systeem is voorzien van een gangpad dat zich in een doorloop richting voor dieren uitstrekt waarbij de actieve spoelantenne en de passieve spoelantenne aan weerzijden van het gangpad worden opgesteld zodat het eerste detectiegebied en het tweede detectiegebied zich elk althans deel in het gangpad uitstrekken.
34. Werkwijze volgens conclusie 33, met het kenmerk, dat het gangpad aan weerszijden wordt begrensd door hekken.
35. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-34, met het kenmerk, dat een oppervlak dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten tenminste 75% en bij voorkeur tenminste 100% is van een oppervlak dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, en/of dat een oppervlak dat door de passieve spoelantenne wordt omsloten gelijk is aan Z maal een oppervlak dat door de actieve spoelantenne wordt omsloten, waarbij Z in het interval van 0.5 tot 4 ligt, in het bijzonder in het interval 0.75 tot 1.5.
36. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-34, met het kenmerk dat de tenminste ene passieve spoelantenne dusdanig wordt geplaatst ten opzichte van de actieve spoelantenne dat stoorsignalen worden onderdrukt.
37. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies 20-36, met het kenmerk, dat de passieve spoelantenne en de actieve spoelantenne op vaste posities ten opzichte van elkaar staan opgesteld, meer in het bijzonder dat de passieve spoelantenne en de actieve spoelantenne elk vast (ten opzichte van het aardoppervlak) staan op gesteld. .
NL2011633A 2013-10-17 2013-10-17 Identificatiesysteem. NL2011633C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011633A NL2011633C2 (nl) 2013-10-17 2013-10-17 Identificatiesysteem.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011633 2013-10-17
NL2011633A NL2011633C2 (nl) 2013-10-17 2013-10-17 Identificatiesysteem.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2011633C2 true NL2011633C2 (nl) 2015-04-20

Family

ID=50001215

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2011633A NL2011633C2 (nl) 2013-10-17 2013-10-17 Identificatiesysteem.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2011633C2 (nl)

Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE29921752U1 (de) * 1999-12-11 2000-06-29 Cubit Electronics GmbH, 99099 Erfurt Antennenanordnung von Schreiblesegeräten für kontaktlose Transponder
DE20110926U1 (de) * 2001-07-05 2001-09-27 Interflex Datensysteme GmbH Co. KG, 70567 Stuttgart Transponder-Leseeinheit mit erweitertem Lesebereich
US20070222603A1 (en) * 2006-03-20 2007-09-27 Macronix International Co., Ltd. Systems and methods for enhancing communication in a wireless communication system
WO2008135641A1 (fr) * 2007-05-04 2008-11-13 Supertec Systeme de lecture d'etiquettes rfid et presentoir pour ce systeme

Patent Citations (4)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE29921752U1 (de) * 1999-12-11 2000-06-29 Cubit Electronics GmbH, 99099 Erfurt Antennenanordnung von Schreiblesegeräten für kontaktlose Transponder
DE20110926U1 (de) * 2001-07-05 2001-09-27 Interflex Datensysteme GmbH Co. KG, 70567 Stuttgart Transponder-Leseeinheit mit erweitertem Lesebereich
US20070222603A1 (en) * 2006-03-20 2007-09-27 Macronix International Co., Ltd. Systems and methods for enhancing communication in a wireless communication system
WO2008135641A1 (fr) * 2007-05-04 2008-11-13 Supertec Systeme de lecture d'etiquettes rfid et presentoir pour ce systeme

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US7755492B2 (en) Methods and systems of tagging objects and reading tags coupled to objects
FI98573C (fi) Läheisyysdetektori
US8629771B2 (en) Proximity sensors
CA2783571C (en) Signal cancelling transmit/receive multi-loop antenna for a radio frequency identification reader
KR102453223B1 (ko) 보안 태그 위치들을 결정하기 위한 전자 물품 감시 시스템 구현 방법들
KR20070012343A (ko) 전자기파가 공급되는 피동식 송수신 장치
US20130119135A1 (en) Bi-directional and multi-frequency rf signaling system
US9483672B2 (en) Conveyor system for identifying RFID tags on parcels
WO2015097807A1 (ja) 共振型送信電源装置及び共振型送信電源システム
CN103718222A (zh) 用于在侵略环境中警告危险情况的报警系统
US20160380365A1 (en) Near-field magnetic communication antenna
JP6646479B2 (ja) 列車位置検知システム
KR20170032299A (ko) 알람 문제를 적응 제어하기 위한 시스템들 및 방법들
US9052700B2 (en) RFID presence detection device
US8573495B1 (en) Radio frequency identification electronic device with enhancing surface wave-guide effect
NL2011633C2 (nl) Identificatiesysteem.
Rasilainen et al. Harmonic transponders: Performance and challenges
CA2881733A1 (en) Antenna device, transmitter module using the antenna device, and location identifying system using the transmitter module
CN109698401B (zh) 用于车辆环境内的低频通信的天线及低频通信系统
KR20180035318A (ko) Rfid 송수신기 및 드론을 이용한 말벌 위치 추적 시스템
US10839173B2 (en) RFID motion triggering
CN103502998B (zh) 与转发器单元进行无接触通信的读取设备
KR101807774B1 (ko) 트랩 코일을 사용하여 송신 안테나를 구현한 도플러 센서
US11448749B1 (en) Tag that enhances vehicle radar visibility of objects
WO2018034333A1 (ja) Id情報送受信装置及び通信システム