[go: up one dir, main page]

NL2011497C2 - Traplift, in het bijzonder gebogen traplift. - Google Patents

Traplift, in het bijzonder gebogen traplift. Download PDF

Info

Publication number
NL2011497C2
NL2011497C2 NL2011497A NL2011497A NL2011497C2 NL 2011497 C2 NL2011497 C2 NL 2011497C2 NL 2011497 A NL2011497 A NL 2011497A NL 2011497 A NL2011497 A NL 2011497A NL 2011497 C2 NL2011497 C2 NL 2011497C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
stairlift
rail element
rail
conductor
tubular
Prior art date
Application number
NL2011497A
Other languages
English (en)
Inventor
Mark Matheus Antonius Munckhof
Peter Antonius Maria Gooren
Peter Johannes Lodewijk Geurts
Original Assignee
Gte B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Gte B V filed Critical Gte B V
Priority to NL2011497A priority Critical patent/NL2011497C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2011497C2 publication Critical patent/NL2011497C2/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B66HOISTING; LIFTING; HAULING
    • B66BELEVATORS; ESCALATORS OR MOVING WALKWAYS
    • B66B9/00Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures
    • B66B9/06Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces
    • B66B9/08Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces associated with stairways, e.g. for transporting disabled persons
    • B66B9/0838Levelling gears
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B66HOISTING; LIFTING; HAULING
    • B66BELEVATORS; ESCALATORS OR MOVING WALKWAYS
    • B66B9/00Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures
    • B66B9/06Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces
    • B66B9/08Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces associated with stairways, e.g. for transporting disabled persons
    • B66B9/0807Driving mechanisms
    • B66B9/0815Rack and pinion, friction rollers
    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B66HOISTING; LIFTING; HAULING
    • B66BELEVATORS; ESCALATORS OR MOVING WALKWAYS
    • B66B9/00Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures
    • B66B9/06Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces
    • B66B9/08Kinds or types of lifts in, or associated with, buildings or other structures inclined, e.g. serving blast furnaces associated with stairways, e.g. for transporting disabled persons
    • B66B9/0846Guide rail

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Transportation (AREA)
  • Automation & Control Theory (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Types And Forms Of Lifts (AREA)

Description

Korte aanduiding: Traplift, in het bijzonder gebogen traplift Beschrijving
De uitvinding heeft betrekking op een traplift, in het bijzonder een gebogen traplift, volgens de aanhef van conclusie 1.
Een bekende traplift omvat een stoel met aandrijving die beweegbaar is over een op een trap bevestigde geleider in de vorm van een rail. Een dergelijke traplift is primair bedoeld voor personen die niet op eigen kracht naar boven of naar beneden kunnen.
In een uitvoering, omvat de traplift een gebogen rail. Een dergelijke traplift wordt een gebogen traplift genoemd. Een gebogen traplift stelt hoge eisen aan de nauwkeurigheid waarmee de gebogen rails vervaardigd is. Volgens de stand van de techniek wordt derhalve de trap eerst ingemeten, waarna in de fabriek een oplossing op maat ontworpen en vervaardigd kan worden. Een dergelijke oplossing is echter relatief duur. WO 2013/095134 A1 op naam van aanvrager beschrijft een buisvormig constructie-element, dat is opgebouwd uit zich in de langsrichting uitstrekkende segmenten. De segmenten zijn zij-aan-zij aan elkaar gekoppeld. Hierdoor kan de buis zeer eenvoudig naar wens gebogen worden. Door het toepassen van bijvoorbeeld een inwendige druk, kunnen de segmenten vast met elkaar verbonden worden, en wordt de gebogen vorm gefixeerd. Het genoemde WO 2013/095134 A1 beschrijft reeds dat een dergelijke buis op locatie omgevormd kan worden tot een rail-segment voor een traplift.
Het is een doel van de onderhavige uitvinding, om een verbeterde traplift te verschaffen, die in het bijzonder de nauwkeurigheid van de vooraf ingemeten traplift combineert met het gemak van de traplift die ter plekke opgebouwd kan worden.
Daartoe verschaft de onderhavige uitvinding een traplift volgens conclusie 1. De traplift omvat een draagrail die op een hoogte boven de trap bevestigd is. De draagrail omvat een eerste buisvormig railelement, alsmede een tweede railelement dat op een afstand van het eerste railelement geplaatst is. De traplift omvat verder een liftgestel dat op de draagrail voorzien is en daarover verplaatsbaar is. Op het liftgestel is in een uitvoeringsvorm een stoel geplaatst. Het liftgestel volgens de onderhavige uitvinding omvat een eerste geleider die verplaatsbaar voorzien is op het eerste railelement, alsmede een tweede geleider die verplaatsbaar voorzien is op het tweede railelement. Verder omvat de traplift volgens de onderhavige uitvinding aandrijfmiddelen waarmee het liftgestel over de draagrail verplaatsbaar is. Ten slotte omvat de traplift stelmiddelen waarmee de positie van de eerste geleider ten opzichte van de tweede geleider instelbaar is.
Het is verrassenderwijs gebleken dat met de traplift volgens de onderhavige uitvinding onnauwkeurigheden in de draagrail, die bijvoorbeeld ontstaan doordat de draagrail op locatie vervaardigd en geplaatst wordt, kunnen worden opgevangen. Door toepassing van stelmiddelen is het mogelijk om de positie van de eerste geleider ten opzichte van de tweede geleider in te stellen. Bij trapliften die gebruik maken van een eerste railelement en een tweede railelement, kunnen onderlinge afstandsvariaties, of bijvoorbeeld kantelingen ten opzichte van elkaar, worden opgevangen. Hierdoor ondervindt het liftgestel minder weerstand. Het is derhalve met de onderhavige uitvinding mogelijk om een traplift op locatie in te meten en te plaatsen, waarbij de nauwkeurigheid van de vooraf ingemeten traplift verkregen wordt door juist een geleider in te stellen ten opzichte van een andere geleider. Hiermee is het doel van de onderhavige uitvinding bereikt.
Het heeft de voorkeur wanneer de traplift een buisvormig constructie-element volgens WO 2013/095134 omvat, welke publicatie derhalve onder referentie is opgenomen in de onderhavige aanvrage.. Een dergelijk in WO 2013/095134 beschreven buisvormig constructie-element zal navolgend telkens worden aangeduid als segmentbuis. Het is echter ook mogelijk om de voordelen van de uitvinding te bereiken met andere railelementen, zelfs met vooraf ingemeten en op afstand van de locatie vervaardigde railelementen, doordat de vereiste nauwkeurigheid kleiner is. De uitvinding is dan ook niet beperkt tot het type railsegment, of tot de locatie waar het railsegment vervaardigd wordt.
In een uitvoeringsvorm, is het eerste railelement een segmentbuis. Om de optredende krachten en momenten dan goed te kunnen opvangen, heeft het de voorkeur wanneer een tweede railelement wordt toegepast. Dit tweede railelement kan een buisvormig railelement zijn, en is in een uitvoering ook een segmentbuis.
Het tweede railelement is in een uitvoering op afstand, in een richting dwars op de hoogte, van het eerste railelement geplaatst. Het tweede railelement is aldus in horizontale richting op een afstand geplaatst. De afstand tussen het eerste buisvormige railelement en het tweede railelement omvat in die zin een horizontale component ongelijk nul. Het is gebleken dat met een dergelijke uitvoering een eenvoudiger railsysteem mogelijk is. Daarbij zorgt een dergelijke uitvoering ervoor dat de natuurlijke flow (beweging en ritme) van de trap eenvoudiger gevolgd kan worden. Er hoeven geen abrupte knikken in de draagrail aanwezig te zijn, hetgeen het comfort voor de gebruiker verhoogt.
Daarbij is het denkbaar dat de afstand tussen het eerste buisvormige railelement en het tweede railelement in hoofdzaak constant is over de lengte van het buisvormige railelement. In een uitvoeringsvorm, wordt een hartafstand van ongeveer 150mm gebruikt, alhoewel andere afmetingen denkbaar zijn.
In een uitvoeringsvorm, is het eerste buisvormige railelement voorzien van een zich over de lengte daarvan uitstrekkende heugelinrichting. De eerste geleider omvat een tandwielorgaan dat over de heugelinrichting beweegbaar is. Hiermee wordt een betrouwbare aandrijving verkregen.
In een uitvoering zijn de stelmiddelen ingericht om de eerste geleider rondom het eerste buisvormige railelement te zwenken. Bij toepassing van een heugelinrichting is het denkbaar dat de relatieve positie van de heugel varieert over de lengte van het eerste railelement, zeker bij een ter plaatse ingemeten en vervaardigd railelement. Een dergelijke verandering in relatieve positie vertaalt zich in een relatieve veranderde tangentiële positie van de heugel op het railelement. Om deze onnauwkeurigheden op te vangen, zijn de stelmiddelen ingericht om de geleider met tandwielorgaan te zwenken, zodanig dat de tangentiële positie van het tandwielorgaan weer overeenkomt met de tangentiële positie van de heugelinrichting. Zo wordt een goede aandrijving gegarandeerd.
Er zijn slechts kleine veranderingen in de tangentiële positie nodig om de optredende onnauwkeurigheden op te vangen. De stelmiddelen zijn bij voorkeur dan ook ingericht om de eerste geleider over een totale zwenkhoek van kleiner dan 10 graden, bij voorkeur kleiner dan 5 graden, te zwenken.
Het heeft de voorkeur wanneer de traplift een met de stelmiddelen verbonden sensororgaan omvatten, waarbij het sensororgaan is ingericht voor het bepalen van een maat voor de tangentiële positie van de heugelinrichting op het eerste buisvormige railelement. Op basis van de opgenomen maat voor de tangentiële positie kunnen de stelmiddelen de positie van de geleider veranderen.
Een bijzonder doeltreffende uitvoeringsvorm wordt verkregen wanneer het sensororgaan mechanisch is, bij voorkeur waarbij het sensororgaan een mechanisch nokelement is dat de heugelinrichting volgt. Zo wordt ervoor gezorgd dat het sensororgaan te allen tijde de juiste positie opneemt, en zijn er geen kostbare elektronische sensororganen benodigd.
De stelmiddelen kunnen in hoofdzaak mechanisch worden vormgegeven, wanneer de stelmiddelen een vierstangenmechanisme omvatten. Het vierstangenmechanisme is in een uitvoering voorzien van een grondschakel; een zwenkbaar met de grondschakel verbonden eerste koppelschakel; een zwenkbaar met de grondschakel verbonden tweede koppelschakel; en een zwenkbaar met de eerste koppelstang en met de tweede koppelstang verbonden volgschakel. De tweede geleider maakt deel uit van, of is verbonden met de grondschakel, terwijl de eerste geleider deel uitmaakt van, of verbonden is met de volgschakel.
In een uitvoering, maakt het sensororgaan deel uit van, of is deze verbonden met de volgschakel. Dit geldt in nog meer mate wanneer het sensororgaan mechanisch is uitgevoerd, bijvoorbeeld in de vorm van een mechanisch nokelement.
Het vierstangenmechanisme omvat in een uitvoering een stand waarin de longitudinale assen van de eerste koppelschakel en van de tweede koppelschakel in hoofdzaak snijden in het hart van het eerste buisvormige railorgaan. Door deze uitvoering wordt ervoor gezorgd dat de eerste geleider een tangentiële beweging, of hoekverdraaiing rondom deze neutrale stand kan maken, en wel zodanig dat de geleider telkens nauwkeurig aanligt, bijvoorbeeld met een wielorgaan van de geleider, op het eerste buisvormige railorgaan, en dat het tandwiel nauwkeurig aangrijpt op de heugelinrichting.
In een uitvoering, is het tweede railelement een tweede buisvormig railelement, en omvat de tweede geleider een draaistel. Het draaistel omvat een hoofdframe met ten minste twee door middel van telkens een zwenkverbinding zwenkbaar daaraan verbonden subframes, waarbij elk subframe voorzien is van ten minste een paar tegenover elkaar gelegen wielelementen. De wielelementen zijn ingericht om aan tegenover gelegen zijden van het tweede buisvormige railelement aan te grijpen en om daarover verplaatsbaar te zijn. De subframes zijn op hun beurt weer zwenkbaar met elkaar verbonden, en wel zodanig dat bij een zwenking van een van de subframes, het andere van de subframes in tegengestelde richting zwenkt.
Hierdoor wordt een volgmechanisme verkregen dat ervoor zorgt dat de tweede geleider het tweede railelement goed volgt, en ervoor zorgt dat de krachten worden afgesteund op de railelementen.
In een verder verbeterde uitvoering, is elk subframe voorzien van een wielgestel waaraan de wielelementen van het respectievelijke subframe verbonden zijn. Het wielgestel is zwenkbaar verbonden met het subframe waaraan het verbonden is. Het wielgestel is zwenkbaar rondom een as die in hoofdzaak gelegen is in een vlak dat de zwenkverbindingen van de twee subframes omvat. Doordat de wielgestellen vrij zwenkbaar zijn om deze as, wordt een verbeterd volgsysteem verkregen, dat minder gedwongen is dan draaistellen voor trapliften uit de stand van de techniek. De rolweerstand, en dus de energie voor het verplaatsen, van het draaistel volgens de onderhavige uitvinding is daarmee lager.
Een verdere verbetering van het draaistel wordt daarin bereikt, doordat de subframes door middel van een kogelscharnier zwenkbaar met elkaar verbonden zijn.
Zoals reeds eerder aangegeven, kan de het liftgestel een draagvlak voor de gebruiker, in het bijzonder een stoel, omvatten. Volgens de onderhavige uitvinding omvat de traplift middelen voor het tijdens een beweging van het liftgestel langs de draagrail laten gieren en/of stampen en/of rollen van de stoel. Bij voorkeur zijn sensoren voorzien, die de stand van het liftgestel opnemen. Met een regeleenheid verbonden actuatoren kunnen het liftgestel dan in elke gewenste positie plaatsen, en bij voorkeur een horizontale positie, waarbij de gebruiker naar bijvoorbeeld een middenlijn van de trap gericht is.
Om het vervaardigen op locatie te vereenvoudigen, heeft het de voorkeur, wanneer het eerste railelement voorzien is van een zich over de lengte daarvan uitstrekkende heugelinrichting, dat de heugelinrichting is opgebouwd uit een aantal losse heugelelementen. Dergelijke heugelelementen moeten ervoor zorgen dat de tanden en openingen van de heugelinrichting op gelijkmatige afstand van elkaar staan, zodanig dat het tandwiel, tijdens de baan van het liftgestel over de draagrail, telkens op een goede wijze aangrijpt in de heugelinrichting, en er dus een goede aandrijving van het liftgestel mogelijk is.
Een gelijkmatige afstand tussen de tanden en openingen van de heugelinrichting wordt bereikt wanneer aan elkaar rakende randen van ten minste twee aangrenzende heugelelementen convex, bij voorkeur geheel of gedeeltelijk bolvormig, zijn uitgevoerd. De heugelelementen vormen dan een soort van parelsnoer, waardoor tanden en openingen telkens op dezelfde afstand staan, ongeacht of de heugelinrichting een bocht maakt.
In een uitvoeringvorm, bevat ten minste een van het aantal heugelelementen een enkele uitsparing voor een tand van het tandwielorgaan. Aan elkaar grenzende randen van dergelijke aan elkaar grenzende heugelelementen vormen dan tanden van de heugelinrichting.
De uitvinding zal navolgend nader worden toegelicht aan de hand van de omschrijving van een de voorkeur hebbende uitvoeringsvorm van een volgens de uitvinding, onder verwijzing naar de navolgende figuren. Hierin tonen:
Fig. 1a en 1b - een zijaanzicht en vooraanzicht van een traplift volgens de onderhavige uitvinding; fig. 2a - 2c - aanzichten in doorsnede van een draagrail volgens de onderhavige uitvinding, waarbij fig. 2b een verkleinde zwenkhoek zal zien, en waarbij fig. 2c een vergrote zwenkhoek laat zien; fig. 2d - 2f - aanzichten in doorsnede van een draagrail volgens de onderhavige uitvinding, waarbij fig. 2e een verkleinde zwenkhoek laat zien en waarbij fig. 2f een vergrote zwenkhoek laat zien; fig. 3a - aanzicht van een liftgestel volgens de onderhavige uitvinding, met een vierstangenmechanisme in een neutrale stand; fig. 3b - het liftgestel met een vierstangenmechanisme volgens fig. 3a, in een positie waarin de draagrail een vergrote zwenkhoek heeft; fig. 3c - het liftgestel met een vierstangenmechanisme volgens fig. 3a, in een positie waarin de draagrail een verkleinde zwenkhoek heeft; fig. 4a en 4b - aanzichten van een tweede geleider volgens de onderhavige uitvinding, respectievelijk in zijaanzicht en vooraanzicht; fig. 4c en 4d - aanzichten van een tweede geleider volgens de onderhavige uitvinding, respectievelijk in zijaanzicht en vooraanzicht; fig. 5 - een vooraanzicht, een zijaanzicht, en een onderaanzicht van een heugelelement voor een heugelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; fig. 6 - een schematische weergave van de positie van de heugelelementen volgens de onderhavige uitvinding; fig. 7a en 7b - verschillende zijaanzichten in perspectief van een heugelelement volgens de onderhavige uitvinding; fig. 7c en 7d - aanzichten in perspectief vanaf de andere zijde van de in fig. 7a en 7b getoonde heugelelement; fig. 8 - een aanzicht van de traplift volgens de onderhavige uitvinding, waarbij de draagrail gekanteld is ten opzichte van de horizontaal, en waarbij de stoel in hoofdzaak verticaal gehouden is; fig. 9 - een vooraanzicht van de traplift volgens de onderhavige uitvinding, waarbij het railelement geneigd ten opzichte van de horizontaal verloopt, en waarbij de stoel in hoofdzaak verticaal gehouden is;
Fig. 10 - een aanzicht in doorsnede van een met bevestigingssteunen op een traptrede bevestigde draagrail;
Fig. 11 - een bovenaanzicht van een met bevestigingssteunen op een traptrede bevestigde draagrail;
Fig. 12a en 12b - zijaanzichten van een met bevestigingssteunen op een traptrede bevestigde draagrail.
Fig. 1a toont een zijaanzicht van een traplift 1 volgens een uitvoeringsvorm van de onderhavige uitvinding. De traplift 1 omvat een liftgestel 3, dat schuifbaar verplaatsbaar voorzien is op een draagrail 2 van de traplift. De draagrail omvat in de getoonde uitvoeringsvorm een eerste buisvormig railelement 21, alsmede een tweede buisvormig railelement 22. Op het liftgestel 3 is een draagvlak 7 in de vorm van een stoel voorzien. De gebruiker kan op deze stoel 7 plaatsnemen, waarna het liftgestel 3 door de gebruiker in gang gezet kan worden, zodanig dat het liftgestel 3 beweegt over twee railelementen 21, 22 van de draagrail, en zodat de gebruiker zittend de trap kan beklimmen of afdalen.
Fig. 1b toont een vooraanzicht van de traplift 1 zoals deze getoond is in fig. 1a. Te zien is dat het liftgestel 3 bovenop de draagrail 2 rust. De draagrail omvat het eerste buisvormig railelement 21, welke in hoofdzaak zich over een lengte daarvan uitstrekt.
Fig. 1a en 1b laten zien dat het eerste buisvormig railelement 21 op een afstand van het tweede buisvormig railelement 22 geplaatst is. De afstand is in de getoonde uitvoeringsvorm in hoofdzaak gelegen in een horizontale richting; dat wil zeggen dat het eerste buisvormig railelement op zijdelingse afstand van het tweede buisvormig railelement 22 gelegen is. Anders dan bij de stand van de techniek, waar bij toepassing van twee railelementen deze boven elkaar gelegen zijn, omvatten de twee railelementen 21, 22 volgens de onderhavige uitvinding in een uitvoeringsvorm met name een horizontale component.
Doordat de railelementen 21, 22 op afstand van elkaar gelegen zijn, is het denkbaar dat onnauwkeurigheden in de plaatsing van de railelementen 21, 22 kunnen leiden tot een verminderd functioneren van de traplift. In het bijzonder bij toepassing van een heugelinrichting, welke heugelinrichting zich over een lengte van een van de railelementen uitstrekt, kan het voorkomen dat het railelement met de heugelinrichting over een hoek verdraait, waardoor de aangrijping tussen een tandwiel en de heugelinrichting niet meer zeker is, of overbepaald is.
Fig. 2a toont een gewenste situatie, waarin het eerste buisvormig railelement 21 op afstand A gelegen is van het tweede buisvormige railelement. In de getoonde uitvoeringsvorm zijn beide railelementen uitgevoerd als segmentbuis, zoals hierboven reeds omschreven werd aan de hand van WO 2013/095134. De heugelinrichting 6 is voorzien op het eerste buisvormig railelement 21. Te zien is dat deze heugelinrichting 6 zich ten opzichte van de onderlinge afstand A (gemeten van hart tot hart van de buisvormige railelementen 21, 22) zich onder een hoek van 90 graden uitstrekt.
Door (ongewenste) verdraaiingen van het eerste buisvormig railelement 21, ten opzichte van het tweede buisvormig railelement 22, kan het zijn dat de hoek tussen de heugelinrichting en de hartafstand tussen de railelementen 21, 22 verkleint. Dit is te zien in fig. 2b. Op soortgelijke wijze is het denkbaar dat de hoek tussen de heugelinrichting 6 en de hartlijnafstand groter wordt, zoals getoond in fig. 2c.
Omwille van de duidelijkheid toont fig. 2d nogmaals de in fig. 2a getoonde situatie. Daaronder toont fig. 2e dat het tweede railelement 22 ten opzichte van het eerste railelement 21 lager geplaatst is. Daarbij geldt in een gewenste uitvoeringsvorm dat de hartafstand A nog steeds dezelfde is als die in fig. 2d. Echter door de lagere plaatsing van het tweede buisvormig railelement 22, wordt effectief een kleinere hoek tussen de heugelinrichting 6 en de hartlijnafstand verkregen. Dienovereenkomstig is het denkbaar dat het tweede buisvormig railelement relatief ten opzichte van het eerste buisvormig railelement 21 hoger geplaatst is, waardoor er een grotere hoek ontstaat tussen de railinrichting 6 en de hartlijnafstand A. Deze situatie is getoond in fig. 2f.
Andere afwijkingen of onnauwkeurigheden kunnen uiteraard ook optreden, die leiden tot een veranderde hoek tussen de heugelinrichting 6, en het tweede railelement 22. Indien het onderstel zich hier namelijk niet op aanpast is er sprake van een overbepaaldheid en dit resulteert in ongewenste krachten.
Om deze veranderde hoek (of bijvoorbeeld veranderde afstand, in het geval dat er geen heugelinrichting 6 aanwezig is) te kunnen opvangen, is volgens de onderhavige uitvinding voorzien in stelmiddelen waarmee de positie en/of oriëntatie van de eerste geleider ten opzichte van de tweede geleider instelbaar is. Om deze overbepaaldheid op te lossen moet het onderstel zich aanpassen aan de raildelen en de bijbehorende heugel. Dit is volgens de onderhavige uitvinding opgelost door een vrije, niet aangedreven rotatie van de hoofdaandrijving t.o.v. het onderstel in te passen. Dit zal navolgend worden toegelicht aan de hand van fig. 3a.
Fig. 3a toont een aanzicht van het liftgestel 3, dat met een eerste geleider 11 op het eerste buisvormige railelement 21 geplaatst is, en dat met een tweede geleider 12 op het tweede buisvormige railelement 22 geplaatst is. Fig. 3a toont daarbij de neutrale stand. De hartlijnafstand staat hierbij dwars op de heugelinrichting 6, overeenkomstig de in fig. 2a en 2d getoonde situatie.
Te zien is in fig. 3a dat de eerste geleider 11 een eerste volgwiel 35 en een tweede volgwiel 36 omvat. Verder omvat de eerste geleider 11 een tandwielorgaan 16, dat in aangrijping is met de heugelinrichting 6. Dit tandwielorgaan 16 is via een as verbonden met aandrijfmiddelen 4. De aandrijfmiddelen zorgen ervoor dat het tandwielorgaan 16 kan draaien, waardoor het liftgestel 3 beweegbaar is over de draagrail 2.
Fig. 3a toont verder de tweede geleider 12, die een eerste wielelement 31 en een tweede wielelement 32 omvat die in aangrijping zijn op het tweede buisvormig railelement. De twee wielelementen 31, 32 zijn met elkaar verbonden door middel van een wielgestel 37. Dit wielgestel 37 is verbonden aan een subframe 27 van de tweede geleider 12. Tezamen vormen zij een draaistel 25.
Om veranderingen in de relatieve oriëntatie van het eerste buisvormig railelement 21 ten opzichte van het tweede buisvormig railelement 22 te kunnen volgen, omvat het liftgestel volgens de onderhavige uitvinding stelmiddelen 5, in de getoonde uitvoeringsvorm, een vierstangenmechanisme 50. Dit vierstangenmechanisme wordt gevormd door een grondschakel, waaraan de tweede geleider 12 bevestigd is; twee koppelschakels 52, 53, en een volgschakel 54, waaraan de eerste geleider 11 met het tandwielorgaan 16 verbonden is. De eerste koppelschakel 52 is zwenkbaar verbonden met de grondschakel 51. Op een afstand daarvan is de tweede koppelschakel 53 ook zwenkbaar verbonden met de grondschakel 51. Aan de van de grondschakel 51 afgekeerde zijde van de koppelschakels 52, 53, zijn deze telkens zwenkbaar verbonden met de volgschakel 54. Hierdoor wordt een vierstangenmechanisme 50 verkregen. In de neutrale stand, zoals deze getoond is in fig. 3a, strekken longitudinale assen L van de eerste of de tweede koppelschakel 52, 53 zich uit tot in het hart C van het eerste buisvormig railelement 21. Door deze opstelling wordt er voor gezorgd dat bij een verdraaiing van de heugelinrichting 6, de eerste geleider ook een zwenking rondom het hart C van het eerste buisvormig railelement maakt. In de getoonde uitvoeringsvorm wordt deze beweging verkregen door middel van een mechanisch sensororgaan 15 in de vorm van een mechanische volgnok 15. Deze volgnok 15 is achter de heugelinrichting 6 geplaatst, waardoor deze de heugelinrichting 6 volgt, en waardoor het vierstangenmechanisme 50 in werking treedt bij een verandering van de hoekoriëntatie van de heugelinrichting 6.
Fig. 3b toont de situatie waarin het eerste buisvormig railelement 21 zodanig verschoven is, dat een grotere zwenkhoek tussen de heugelinrichting 6 en de hartlijnafstand tussen het eerste railelement 21 en het tweede railelement 22 tot stand gebracht is. Te zien is dat door het vierstangenmechanisme 50 de eerste geleider ook een hoekverdraaiing kan maken, zodanig dat het tandwielorgaan 16 telkens op de juiste wijze aangrijpt in de heugelinrichting 6.
Op soortgelijke wijze laat fig. 3c zien hoe een kleinere zwenkhoek tussen de heugelinrichting en de hartlijnafstand C tussen het eerste buisvormig railelement 21 en het tweede buisvormig railelement 22, leidt tot een verplaatsing van de eerste geleider in tegenovergestelde richting.
Fig. 4a en 4b tonen een uitvoeringsvorm van de tweede geleider 12. Fig. 4a toont een zijaanzicht van de geleider 12, en Fig. 4b toont een vooraanzicht volgens de lijn IVb uit Fig. 4a. Te zien is dat de geleider 12 is uitgevoerd als draaistel 25, omvattende een hoofdframe. Aan het hoofdframe 26 zijn twee subframes 27, 28 bevestigd. Zoals beter te zien is in Fig. 4b, omvat het draaistel ook een wielgestel 37, 38. Dit wielgestel 37, 38 omvat een U-vormig lichaam, waarbij aan de uiteinden van de benen van de U telkens een wielelement 31, 32, 33, 34 voorzien is. Elk wielgestel 37, 38 omvat dus twee tegenover elkaar gelegen wielen, die aan weerszijden van het railelement 22 aangrijpen.
Elk van de subframes 27, 28 kan zwenken rondom een as die loodrecht op het door de buis in Fig. 4a bepaalde vlak gelegen is. De subframes 27, 28 zijn tevens zwenkbaar met elkaar verbonden door middel van een kogelscharnier 41. Door deze drie zwenkverbindingen (twee maal tussen het subframe 27, 28 en het hoofdframe 26, en een maal door het kogelscharnier 41) wordt bereikt dat de subframes 27, 28 in tegengestelde richtingen ten opzichte van elkaar zwenken. Zo kan een U-vormige bocht, zoals getoond in Fig. 4a, op eenvoudige wijze door het draaistel 25 gevolgd worden.
Fig. 4c en 4d tonen het draaistel 25 van Fig. 4a en 4b, in een situatie waarin het railelement 22 een bocht maakt met een richting dwars op het door de tekening in Fig. 4a gevormde vlak. Overeenkomstige onderdelen zijn hier gelijk genummerd. Om een soepele doorgang door een dergelijke bocht mogelijk te maken, is het draaistel volgens de onderhavige uitvinding voorzien van een zwenkbaar wielgestel 37, 38. Het wielgestel 37, 38 is daarbij onafhankelijk van het andere wielgestel 38, 37 zwenkbaar om een as die in hoofdzaak dwars op de looprichting, en in hoofdzaak parallel aan de hartlijnafstand tussen het eerste railelement 21 en het tweede railelement 22, gelegen is.
Indien gebruik gemaakt wordt van een flexibel railsysteem, bijvoorbeeld in de vorm van een segmentbuis, dan omvat de traplift bij voorkeur ook een flexibele aandrijving om het liftgestel aan te kunnen drijven. De uitdaging hierbij is om een flexibel heugel te creëren zodat dit op locatie gevormd kan worden waarbij wel van belang is dat de steek door dit vormen niet verandert. Een steekverandering zorgt namelijk o.a. voor extra slijtage en wrijving. Dit zou opgelost kunnen worden door een staalkabel, ketting o.i.d. te gebruiken als heugel. Echter heeft dit als grote nadeel dat deze koordenwerking vertonen en dus beknellingsgevaar als gevolg hebben. Dit is echter wel op te lossen door deze kabel/ketting op verschillende plaatsen te verbinden met de vaste wereld maar deze verbindingen zijn tevens weer een probleem bij het passeren van het onderstel/aandrijfwiel. De uitvinding verschaft hiertoe heugelelementen, die aan de hand van Fig. 5 tot en met Fig. 7 nader worden toegelicht.
Fig. 5 toont aanzichten van een heugelelement 61 voor een heugelinrichting 6 volgens de onderhavige uitvinding. Dit heugelelement omvat een in hoofdzaak rechthoekige blokvorm, waarbij een uitsparing 65 in een vlak van het heugelelement voorzien is. Deze uitsparing 65 vormt de heugel. De aan dit vlak grenzende zijvlakken 62, 63 zijn convex gekromd. Daarbij is te zien dat een rechterzijvlak 62 convex is uitgevoerd, met een bolvormig uitsteeksel 64. Het daar tegenover gelegen linkerzijvlak 63 is convex uitgevoerd, en omvat een in deze figuur niet getoonde inkeping 164 (zie Fig. 7c en 7d). Aan een bovenzijde is een T-vormige, of zwaluwstaartvormige uitsparing 165 voorzien. Hiermee is het heugelelement 61 op het railelement 21, of buissegment 21 te plaatsen (zie Fig. 2a). Daarbij zorgen het uitsteeksel 64 en de inkeping 164 er voor dat naastgelegen heugelelementen goed in elkaar aangrijpen en stabiel geplaatst zijn.
Door de convexe uitvoering wordt als het ware een parelsnoer verkregen. Een dergelijk parelsnoer is te zien in Fig. 6. Op het moment dat het parelsnoer een bocht maakt, zorgt de convexe uitvoering er voor dat de hartafstand a, b, c, d tussen aangrenzende parels 160, 161, 162, 163, 165 gelijk blijft. Hierdoor zal een tandwiel dat aangrijpt in het hart van de parels 160-165 telkens goed kunnen aangrijpen. De uitvoering van het heugelelement 61, dat overeenkomstig de parels 160-165 is uitgevoerd, zorgt ervoor dat de heugelinrichting de benodigde bochten kan maken, zonder dat daarvoor aanpassingen aan de heugelinrichting noodzakelijk zijn. Indien bollen (zoals parels) tangentieel tegen elkaar aanliggen zal de hartafstand tussen deze twee bollen onafhankelijk zijn van de positie t.o.v. elkaar. Door de bolvorm te voorzien van een tandholte zodat hier het aandrijfwiel in kan aangrijpen en de bolvorm te verbinden aan de rails d.m.v. een T-verbinding (ook andere verbindingen mogelijk) is het mogelijk dat het heugel de rail volgt zonder dat de heugelsegmenten vervormt moeten worden en de steek tussen de heugelsegmenten bij elke radius hetzelfde blijft.
Fig. 7a en 7b tonen in perspectief twee aanzichten van een heugelelement 61, waarbij met name de convexe zijde 62 met het bolvormig uitsteeksel 64 goed zichtbaar is. Fig. 7c en 7d tonen in perspectief twee aanzichten van een heugelelement 61, waarbij met name de convexe zijde 63 met de inkeping 164 goed zichtbaar is. Aan de bovenzijde van het heugelelement 61 is de zwaluwstaart-achtige glijopening 166 te zien, waarmee het heugelelement op een T-vormig uitsteeksel van het buisvormig railelement 21 plaatsbaar is (zie Fig. 2a).
Fig. 8 en 9 tonen dat de traplift voorzien is van middelen voor het tijdens een beweging van het liftgestel 3 langs de draagrail 2 laten gieren en/of stampen en/of rollen van de stoel, zodat de gebruiker telkens rechtop kan zitten bij bochten, of bij hellingen van de draagrail 2.
Fig. 10 toont een groter detail van hoe de draagrail 2 op de trap, in het bijzonder op een traptrede 9 daarvan, bevestigd kan worden. Daartoe wordt volgens de onderhavige uitvinding gebruik gemaakt van bevestigingssteunen 8. De bevestigingssteun 8 omvat een bevestigingslichaam 80, dat op de traptrede 9 bevestigd kan worden, op een wijze die op zich voor de vakman bekend is. Het bevestigingslichaam 80 is daarbij tot aan, of net over, de rand van de traptrede geplaatst. Aan weerszijden van het bevestigingslichaam 80 zijn twee draagarmen 81, 82 voorzien. Deze draagarmen kunnen, bij bevestiging, draaien rondom de door bevestigingsmiddelen 83, 84 bepaalde as. De draagarmen kunnen dan in een gewenste stand vastgezet worden. Te zien is dat de linker draagarm 81 door middel van bevestigingsmiddel 84 is bevestigd aan het bevestigingslichaam 80. Door middel van een zwaluwverbinding is de draagarm 81 bevestigd aan het eerste buisvormige railelement 21. Dit railelement 21 is tevens voorzien van de heugelinrichting 6, in de getoonde uitvoeringsvorm. De rechter draagarm 82 is door middel van bevestigingsmiddel 83 verbonden met het bevestigingslichaam 80, en is ook hier door middel van een zwaluwstaart-achtige verbinding verbonden met het tweede buisvormige railelement 22.
Fig. 11 toont een bovenaanzicht van een uitvoeringsvorm van de draagrail 2. Omwille van de duidelijkheid hebben overeenkomstige onderdelen hetzelfde verwijzingscijfer. Hier zijn het eerste railelement 21 en het tweede railelement 21 te zien. In de getoonde situatie lijken de railelementen 21, 22 te convergeren, alhoewel ze in feite op elke positie bij voorkeur een in hoofdzaak gelijke hartlijnafstand bezitten. Deze hartlijnafstand is bij voorkeur ongeveer 150 mm. Om de hoek ten opzichte van de traptrede 9 te kunnen maken, zijn de draagarmen 81, 82 roteerbaar rondom een as die in hoofdzaak loodrecht op het tredeoppervlak gelegen is. Zo kan de richtingscoëfficiënt van de railelementen 21, 22 anders zijn dan de richtingscoëfficiënt van de traptrede 9. Dit is gedaan door te voorzien in een sleuf (zonder cijfer) in de draagarm 81, 82, zie Fig. 12a en 12b. De sleuf in de draagarm 81, 82 zorgt ervoor dat deze over een hoek gedraaid kan worden, bijvoorbeeld + en - 20 graden. Door toepassing van een sleuf is meteen de hartafstand tussen de railelementen 21, 22 vastgelegd.
Fig. 12a en 12b tonen zijaanzichten van de bevestiging van de railelementen 21, 22 op de trede 9. Fig. 12a toont de situatie waarin de railelementen 22 onder een hoek van ongeveer 45 graden staan ten opzichte van de traptrede 9. Fig. 12b toont de situatie waarin de railelementen 21, 22 in hoofdzaak parallel aan het door de traptrede 9 bepaalde tredeoppervlak verlopen.
Om de glooiende vorm van de trap te volgen en te voorkomen dat voor het installatieproces geen extra benodigde kennis nodig is worden de steunen gelijk gezet met de voorzijde van de traptrede. De steunen 81, 82 bezitten twee draaipunten, namelijk de hellingshoek en de richtingscoëfficiënt t.o.v. de traptrede. Het ideale draaipunt van de steun om zich aan te passen aan de hellingshoek van de repenbuis is precies de hoek van de traptrede van de voorzijde met het loopvlak (optrede). Indien het draaipunt zich hier bevindt is de afstand tussen het hart van het buisvormige railelement 21 en de traptrede 9 constant, ongeacht de hoekverdraaiing. Dit wordt bereikt door het draaipunt te verplaatsen over een lijn die een hoek maakt van 135 graden met de voorzijde van de trede en het tredeoppervlak (zie Fig. 12a). Hierdoor ontstaat een afwijking in de afstand tussen het railelement en de traptrede, maar deze afwijking is minimaal. De hier getoonde uitvoering garandeert een minimale waarde tussen het hart van het railelement 21, 22 en de traptrede 9, in het getoonde geval bijvoorbeeld 110 mm, en heeft een afwijking, in ons geval maximaal 6 mm bij een stand van 45 graden.
Het moge duidelijk zijn voor de vakman dat de uitvinding hierboven omschreven is aan de hand van enkele mogelijke uitvoeringsvormen, welke de voorkeur genieten. De uitvinding is echter niet beperkt tot deze uitvoeringsvormen. Binnen het kader van de uitvinding zijn vele modificaties denkbaar. De gevraagde bescherming wordt bepaald door de aangehechte conclusies.

Claims (18)

1. Traplift (1), in het bijzonder gebogen traplift, omvattende: - een draagrail (2) die op een hoogte (H) boven de trap bevestigd is, waarbij de draagrail (2) een eerste buisvormig railelement (21) omvat, alsmede een tweede railelement (22) dat op een afstand (A) van het eerste railelement geplaatst is; - een liftgestel (3) dat op de draagrail (2) voorzien is en daarover verplaatsbaar is, waarbij het liftgestel (3) een eerste geleider (11) omvat die verplaatsbaar voorzien is op het eerste railelement (21), alsmede een tweede geleider (12) omvat die verplaatsbaar voorzien is op het tweede railelement (22); alsmede - aandrijfmiddelen (4) waarmee het liftgestel (3) over de draagrail (2) verplaatsbaar is; met het kenmerk, dat de traplift stelmiddelen (5) omvat waarmee de positie en/of oriëntatie van de eerste geleider (11) ten opzichte van de tweede geleider (12) instelbaar is.
2. Traplift (1) volgens conclusie 1, waarbij de afstand tussen het eerste buisvormige railelement en het tweede railelement een horizontale component ongelijk nul omvat.
3. Traplift (1) volgens conclusie 2, waarbij de afstand tussen het eerste buisvormige railelement en het tweede railelement in hoofdzaak constant is over de lengte van het buisvormige railelement.
4. Traplift volgens conclusie 1-3, waarbij het eerste buisvormige railelement (21) voorzien is van een zich over de lengte daarvan uitstrekkende heugelinrichting (6), en waarbij de eerste geleider een tandwielorgaan (16) omvat.
5. Traplift volgens conclusie 1-4, waarbij de stelmiddelen (5) zijn ingericht om de eerste geleider (11) rondom het eerste buisvormige railelement (21) te zwenken.
6. Traplift volgens conclusie 5, waarbij de stelmiddelen (5) zijn ingericht om de eerste geleider (11) over een totale zwenkhoek van kleiner dan 10 graden, bij voorkeur kleiner dan 5 graden, te zwenken.
7. Traplift volgens conclusie 5 of 6, waarbij de traplift (1) een met de stelmiddelen (5) verbonden sensororgaan (15) omvatten, waarbij het sensororgaan (15) is ingericht voor het bepalen van een maat voor de tangentiële positie (P) van de heugelinrichting (6) op het eerste buisvormige railelement (21).
8. Traplift volgens conclusie 7, waarbij het sensororgaan (15) mechanisch is, bij voorkeur waarbij het sensororgaan (15) een mechanisch nokelement is dat de heugelinrichting (6) volgt.
9. Traplift volgens conclusie 1-8, waarbij de stelmiddelen (5) een vierstangenmechanisme (50) omvatten, waarbij het vierstangenmechanisme voorzien is van: - een grondschakel (51); - een zwenkbaar met de grondschakel verbonden eerste koppelschakel (52); - een zwenkbaar met de grondschakel verbonden tweede koppelschakel (53); - een zwenkbaar met de eerste koppelstang (52) en met de tweede koppelstang (53) verbonden volgschakel (54); waarbij de tweede geleider (12) deel uitmaakt of verbonden is met de grondschakel (51), en waarbij de eerste geleider (11) deel uitmaakt of verbonden is met de volgschakel (54).
10. Traplift volgens conclusie 8 en 9, waarbij het sensororgaan (15) deel uitmaakt of verbonden is met de volgschakel (54).
11. Traplift volgens conclusie 9 of 10, waarbij het vierstangenmechanisme (50) een stand omvat waarin de longitudinale assen (L) van de eerste koppelschakel (52) en van de tweede koppelschakel (53) in hoofdzaak snijden in het hart (C) van de eerste buisvormige railorgaan.
12. Traplift volgens conclusie 1-11, waarbij het tweede railelement (12) een tweede buisvormig railelement (12) is, en waarbij de tweede geleider (22) een draaistel (25) omvat, het draaistel (25) omvattende een hoofdframe (26) met ten minste twee door middel van telkens een zwenkverbinding zwenkbaar daaraan verbonden subframes (27, 28), waarbij elk subframe (27, 28) voorzien is van ten minste een paar tegenover elkaar gelegen wielelementen (31, 32, 33, 34) die zijn ingericht om aan tegenover gelegen zijden van het tweede buisvormige railelement (22) aan te grijpen en om daarover verplaatsbaar te zijn, waarbij de subframes (27, 28) zwenkbaar met elkaar verbonden zijn, zodanig dat bij een zwenking van een van de subframes (27), het andere van de subframes (28) in tegengestelde richting zwenkt.
13. Traplift volgens conclusie 12, waarbij elk subframe (27, 28) voorzien is van een wielgestel (37, 38) waaraan de wielelementen (31, 32, 33, 34) van het respectievelijke subframe (27, 28) verbonden zijn, waarbij het wielgestel (37, 38) zwenkbaar verbonden is met het subframe (27, 28) waaraan het verbonden is, waarbij het wielgestel (37, 38) zwenkbaar is rondom een as die in hoofdzaak gelegen is in een vlak dat de zwenkverbindingen van de twee subframes (27, 28) omvat.
14. Traplift volgens conclusie 12 of 13, waarbij de subframes (27, 28) door middel van een kogelscharnier (41) zwenkbaar met elkaar verbonden zijn.
15. Traplift volgens conclusie 1-14, waarbij het liftgestel (3) een draagvlak (7) voor de gebruiker, in het bijzonder een stoel (7), omvat, waarbij de traplift middelen (17) omvat voor het tijdens een beweging van het liftgestel (3) langs de draagrail (2) laten gieren en/of stampen en/of rollen van de stoel.
16. Traplift volgens conclusie 1-15, waarbij het eerste railelement (21) voorzien is van een zich over de lengte daarvan uitstrekkende heugelinrichting (6), waarbij de heugelinrichting is opgebouwd uit een aantal losse heugelelementen (61).
17. Traplift volgens conclusie 16, waarbij aan elkaar rakende randen (62, 63) van ten minste twee aangrenzende heugelelementen (61) convex zijn uitgevoerd.
18. Traplift volgens conclusie 16 of 17, waarbij ten minste een van het aantal heugelelementen (61) een enkele uitsparing (65) voor een tand van het tandwielorgaan (16) bevat.
NL2011497A 2013-09-25 2013-09-25 Traplift, in het bijzonder gebogen traplift. NL2011497C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011497A NL2011497C2 (nl) 2013-09-25 2013-09-25 Traplift, in het bijzonder gebogen traplift.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2011497 2013-09-25
NL2011497A NL2011497C2 (nl) 2013-09-25 2013-09-25 Traplift, in het bijzonder gebogen traplift.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2011497C2 true NL2011497C2 (nl) 2015-03-30

Family

ID=50071681

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2011497A NL2011497C2 (nl) 2013-09-25 2013-09-25 Traplift, in het bijzonder gebogen traplift.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2011497C2 (nl)

Cited By (1)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP3153453A1 (en) * 2015-10-09 2017-04-12 Devi-Group B.V. A method for the assembly of a stairlift guide rail, and a kit

Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB2157653A (en) * 1984-04-17 1985-10-30 Antony Stopher A stair lift
GB2168019A (en) * 1984-11-16 1986-06-11 David Louis Halsey Person Bogie for a stairlift
US6155382A (en) * 1995-10-02 2000-12-05 Thyssen De Reus B.V. Running gear for a drive mechanism for a rail-guided displacement device
DE10106187A1 (de) * 2001-02-10 2002-08-14 Hillenkoetter & Ronsieck Treppenlift
US20040104078A1 (en) * 2001-02-12 2004-06-03 Szentistvany Andreas Csaba Rail and carriage for stairlifts
GB2409446A (en) * 2003-12-10 2005-06-29 Stannah Stairlifts Ltd Stairlift having chair levelling about two axes
US20120048652A1 (en) * 2010-08-24 2012-03-01 Digiovanni Anthony P Personal stair lift
WO2013095134A1 (en) * 2011-12-22 2013-06-27 Gte B.V. Method for forming a tubular construction element

Patent Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
GB2157653A (en) * 1984-04-17 1985-10-30 Antony Stopher A stair lift
GB2168019A (en) * 1984-11-16 1986-06-11 David Louis Halsey Person Bogie for a stairlift
US6155382A (en) * 1995-10-02 2000-12-05 Thyssen De Reus B.V. Running gear for a drive mechanism for a rail-guided displacement device
DE10106187A1 (de) * 2001-02-10 2002-08-14 Hillenkoetter & Ronsieck Treppenlift
US20040104078A1 (en) * 2001-02-12 2004-06-03 Szentistvany Andreas Csaba Rail and carriage for stairlifts
GB2409446A (en) * 2003-12-10 2005-06-29 Stannah Stairlifts Ltd Stairlift having chair levelling about two axes
US20120048652A1 (en) * 2010-08-24 2012-03-01 Digiovanni Anthony P Personal stair lift
WO2013095134A1 (en) * 2011-12-22 2013-06-27 Gte B.V. Method for forming a tubular construction element

Cited By (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP3153453A1 (en) * 2015-10-09 2017-04-12 Devi-Group B.V. A method for the assembly of a stairlift guide rail, and a kit
EP3677535A1 (en) * 2015-10-09 2020-07-08 Devi-Group B.V. A method for the assembly of a stairlift guide rail, and a kit

Similar Documents

Publication Publication Date Title
US6155382A (en) Running gear for a drive mechanism for a rail-guided displacement device
CN101970330A (zh) 在斜坡或台阶上升降的斜坡升降机
DE69428093T2 (de) Patientenpflegevorrichtung
CA3029176C (en) Drive unit
EP2452909B1 (en) Rail follower apparatus for stair lift
CN110822043B (zh) 一种椅架及其齿条组件
CN110859729B (zh) 一种椅架
NL2011497C2 (nl) Traplift, in het bijzonder gebogen traplift.
DE3010381C2 (de) Drehgestell für ein Schienenfahrzeug
CN110859742A (zh) 一种椅架及其按摩装置
DE3103162C2 (nl)
CN110840135B (zh) 一种椅子
CN211723864U (zh) 一种椅架
US6342768B1 (en) Displacement apparatus arranged for guiding a carrying device along at least two rails
CN211723942U (zh) 一种椅架及其按摩装置
CN211737902U (zh) 一种椅架及其齿条组件
CN211511154U (zh) 一种椅子
NL2010181C2 (nl) Bouwliftsysteem.
KR101918199B1 (ko) 경사구간, 수평구간, 방향전환 구간 및 트위스트 구간 이동용 승강기
EP1700812B1 (de) Treppenlift mit einer Stabilierungsvorrichtung
CN211383686U (zh) 一种神经内科用康复训练装置
DE4406633C2 (de) Fahrwerk mit Lauf- und Führungsrädern für Schienenbahnen
WO2021109546A1 (zh) 椅子及其椅架和按摩装置
DE2933447A1 (de) Magnetschwebefahrzeug
HK1029088B (en) Displacement apparatus arranged for guiding a carrying device along at least two rails, and corresponding method

Legal Events

Date Code Title Description
PD Change of ownership

Owner name: PG INVENTION B.V.; NL

Free format text: DETAILS ASSIGNMENT: CHANGE OF OWNER(S), ASSIGNMENT; FORMER OWNER NAME: GTE B.V.

Effective date: 20161101

MM Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20221001