NL1015345C1 - Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. - Google Patents
Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1015345C1 NL1015345C1 NL1015345A NL1015345A NL1015345C1 NL 1015345 C1 NL1015345 C1 NL 1015345C1 NL 1015345 A NL1015345 A NL 1015345A NL 1015345 A NL1015345 A NL 1015345A NL 1015345 C1 NL1015345 C1 NL 1015345C1
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- guide
- bags
- belt
- bag
- elements
- Prior art date
Links
- 238000000034 method Methods 0.000 title claims 3
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B65—CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
- B65G—TRANSPORT OR STORAGE DEVICES, e.g. CONVEYORS FOR LOADING OR TIPPING, SHOP CONVEYOR SYSTEMS OR PNEUMATIC TUBE CONVEYORS
- B65G57/00—Stacking of articles
- B65G57/02—Stacking of articles by adding to the top of the stack
- B65G57/16—Stacking of articles of particular shape
- B65G57/20—Stacking of articles of particular shape three-dimensional, e.g. cubiform, cylindrical
- B65G57/22—Stacking of articles of particular shape three-dimensional, e.g. cubiform, cylindrical in layers each of predetermined arrangement
- B65G57/24—Stacking of articles of particular shape three-dimensional, e.g. cubiform, cylindrical in layers each of predetermined arrangement the layers being transferred as a whole, e.g. on pallets
- B65G57/245—Stacking of articles of particular shape three-dimensional, e.g. cubiform, cylindrical in layers each of predetermined arrangement the layers being transferred as a whole, e.g. on pallets with a stepwise downward movement of the stack
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B65—CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
- B65G—TRANSPORT OR STORAGE DEVICES, e.g. CONVEYORS FOR LOADING OR TIPPING, SHOP CONVEYOR SYSTEMS OR PNEUMATIC TUBE CONVEYORS
- B65G57/00—Stacking of articles
- B65G57/02—Stacking of articles by adding to the top of the stack
- B65G57/03—Stacking of articles by adding to the top of the stack from above
- B65G57/06—Gates for releasing articles
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Pile Receivers (AREA)
- Auxiliary Devices For And Details Of Packaging Control (AREA)
Description
Titel: Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken.
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken.
Zakken gevuld met lossen voorwerpen, zoals aardappels en dergelijke knollen of bollen, worden veelal met behulp van 5 zakkenvulinrichtingen gevuld en vervolgens overgebracht naar een opzakinrichting of dergelijke voor het op pallets of in containers of dergelijke brengen daarvan. Daarbij worden de zakken vanuit de zakkenvulinrichting gebruikelijk op een lopende band of dergelijke transportmiddelen overgebracht en naar pallets of dergelijke toegevoerd.
10 Het overbrengen van de zakken naar de transportmiddelen gebeurt door handenarbeid of door storten van de zakken. Toepassing van handenarbeid is arbeidsintensief en geestdodend, terwijl bovendien de kans op fouten relatief groot is. Daarentegen leidt het storten van de zakken op de transportmiddelen eenvoudig tot beschadigingen van de producten, terwijl 15 bovendien de positie van de zakken na storten onduidelijk is.
De uitvinding beoogt een inrichting van de in de inleiding beschreven soort, waarbij de genoemde nadelen zijn vermeden. Daartoe wordt een inrichting volgens de uitvinding gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 1.
20 Met een dergelijke inrichting kunnen op bijzonder eenvoudige wijze zakken worden aangegrepen door inklemming tussen de verende elementen, waarna de zakken met behulp van de verende elementen eenvoudig kunnen worden verplaatst. Doordat tijdens gebruik de zakken worden verplaatst, geleid door de geleidebanen zijn de bewegingen van de 25 zakken althans in de inrichting eenduidig bepaald. Dit betekent dat de zakken steeds in een gewenste positie van een eerste einde van de inrichting naar een tweede einde kunnen worden overgebracht. Als gevolg 101534b* 2 van de verende werking van de verende elementen kunnen deze zich eenvoudig aanpassen aan de vorm en inhoud van de zakken, zodat ook onregelmatig gevormde zakken eenvoudig en zonder verdere maatregelen kunnen worden opgenomen, althans ingeklemd en verplaatst, zonder dat 5 beschadiging van de voorwerpen en/of de verende elementen optreedt. De verende elementen zullen nabij een eerste einde van de inrichting de zakken eenvoudig kunnen inklemmen en deze nabij een tegenovergelegen tweede einde van de inrichting eenvoudig weer loslaten.
Bij voorkeur worden daarbij verende elementen toegepast die zijn 10 voorzien van zich buiten de geleidebaan uitstrekkende lipvormige elementen, welke bij voorkeur een hoek insluiten met een hoofdbewegingsrichting van de verende elementen. Een dergelijke hoek is bijvoorbeeld gelegen tussen 40° en 130°, bij voorkeur tussen 60° en 120°.
Het verdient daarbij de voorkeur dat de lipvormige elementen zich in 15 genoemde hoofdbewegingsrichting enigszins voorwaarts uitstrekken, althans een van de geleidebaan afgekeerde vrije langsrand hebben die in bewegingsrichting voorloopt, zodanig dat wanneer een hellend traject, in het bijzonder een verticaal traject wordt afgelegd de klemmende werking van de verende elementen nog enigszins wordt vergroot onder invloed van de
L
20 zwaartekracht.
In een voordelige nadere uitvoeringsvorm wordt een inrichting volgens de uitvinding voorts gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 5.
Gebruik van een uit schakelelementen opgebouwde ketting in elke 25 geleidebaan, welke ketting in zichzelf is gesloten biedt het voordeel dat eenvoudig een doorlopende beweging kan worden verkregen. Door daarbij ten minste een aantal van de schakels te voorzien van één of meer verende elementen wordt een bijzonder eenvoudige opbouw en gebruikstoestand verkregen.
'fe.
3
In nadere uitwerking wordt een inrichting volgens de uitvinding voorts gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 6.
Door toepassing van ten minste één bocht in de geleidebaan, zich uitstrekkend in een hoofdzaak verticaal vlak biedt het voordeel dat tijdens 5 gebruik elke zak althans gedeeltelijk over een zich hellend uitstrekkend traject wordt bewogen, zodat ook een verticale verplaatsing kan worden verkregen. Bovendien kan daarmee de positie van een tegenover de verende elementen gelegen vrije langsrand van een door de verende elementen ingeklemde zak in een andere positie ten opzichte van de horizontaal 10 worden gebracht, bijvoorbeeld teneinde genoemd einde, in het bijzonder een daarin aangebrachte sluiting, zoals een seal- of lasnaad te belasten. Hiermee wordt het voordeel bereikt dat een ongeschikte sluiting, bijvoorbeeld doordat een las of seal onzorgvuldig is aangebracht, welke daardoor onvoldoende draagkracht heeft, zodanig worden belast dat de 15 voorwerpen uit de zak zullen vallen, zodat wordt verhinderd dat slecht gesloten zakken worden afgevoerd, bijvoorbeeld naar een palletiseerinrichting, een opzakker of dergelijke. Het verdient daarbij de voorkeur dat ten minste twee bochten zijn voorzien in het genoemde in hoofdzaak verticale vlak, welke zich bij voorkeur in dezelfde richting 20 uitstrekken zodat daarop aansluitende delen van de geleidebaan zich ongeveer in dezelfde richting uitstrekken. Dit betekent dat bij het afleggen van het betreffende eerste deel van de geleidebaan de zakken over 180° zullen worden gekeerd, zodat een naad in een vrije langsrand of dergelijke sluiting ten volle door de voorwerpen zal worden belast. Het zal evenwel 25 duidelijk zijn dat de op de bochten aansluiten delen zich ook in van elkaar af gekeerde richting kunnen uitstrekken.
Bij een inrichting volgens de uitvinding verdient het voorkeur dat twee gelijke geleideprofielen worden toegepast, welke gespiegeld ten opzichte van elkaar zijn opgesteld. Dit biedt het voordeel dat twee gelijke 4 geleideprofielen kunnen worden toegepast, hetgeen de constructie vereenvoudigd en de kosten zal verminderen.
Bij een inrichting volgens onderhavige uitvinding zijn in elk geleideprofiel bij voorkeur twee omkeerrollen aangebracht, waarvan er ten 5 minste één tijdens gebruik wordt aangedreven voor het voortbewegen van de verende elementen door, althans langs de geleidebanen.
In een bijzonder voordelige uitvoeringsvorm wordt een inrichting volgens de uitvinding gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 12. Met een dergelijke inrichting kunnen op bijzonder eenvoudige wijze zakken 10 worden gevuld en naar een opzakinrichting worden getransporteerd, waarbij indien gewenst op bijzondere eenvoudige wijze zakken kunnen worden uitgeslecteerd wanneer deze van ongeschikte sluitingen zijn voorzien.
In een verdere voordelige uitvoeringsvorm wordt een inrichting 15 volgens de uitvinding voorts gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 13.
Door op althans een gedeelte van het door een zak af te leggen traject de afstand tussen in tegenover elkaar gelegen geleideprofielen gelegen verende elementen instelbaar te maken, kan op eenvoudige wijze 20 een daartussen geklemde zaak met voorwerpen worden vrijgegeven. De zak kan alsdan, bijvoorbeeld verticaal onder invloed van de zwaartekracht tussen de verende elementen uit bewegen, voor verdere verwerking. Het verdient daarbij de voorkeur dat twee keerrollen met een gedeelte van een daarop aansluitend profiel verzwenkbaar zijn opgesteld, zodanig dat de 25 onderlinge afstand tussen de keerrollen althans tijdelijk kan worden vergroot door verzwenking van genoemde profieldelen, waarbij de geleidebanen zodanig zijn uitgevoerd dat de verende elementen, althans de daardoor gevormde kettingen kunnen blijven doorbewegen rond genoemde keerrollen en door de geleideprofielen.
101 53 4 5^ 5
De uitvinding heeft voorts betrekking op een werkwijze voor het testen van de sluiting van zakken, gevuld met losse voorwerpen, gekenmerkt door de maatregelen volgens conclusie 14.
Met een dergelijke werkwijze kunnen met losse voorwerpen 5 gevulde zakken bijzonder eenvoudig worden opgenomen en worden bewogen, waarbij de zakken "over de kop" worden geleid, teneinde afdichtingen daarvan, zoals seals te testen op geschiktheid. Daarbij kan in beginsel worden volstaan met verzwenking van de zakken over een hoek van bijvoorbeeld ongeveer 90°, doch het verdient de voorkeur dat de zakken 10 tot in een stand worden bewogen waarbij deze zich geheel ondersteboven uitstrekken ten opzichte van een beginstand waarin de zakken in de inrichting worden gebracht. Hierdoor treedt maximale belasting van een ondergelegen sluiting op.
In de verdere volgconclusies worden nadere voordelige 15 uitvoeringsvormen van een inrichting volgens de uitvinding beschreven.
Ter verduidelijking van de uitvinding zullen uitvoeringsvoorbeelden van een werkwijze en inrichting volgens de uitvinding nader worden toegelicht aan de hand van de tekening. Daarin toont: 20 Figuur 1 in bovenaanzicht een inrichting volgens de uitvinding; figuur 2 in zijaanzicht de inrichting volgens figuur 1; figuur 3 in perspectivisch aanzicht een gedeelte van een inrichting volgens de uitvinding; figuur 4 een aangrijpmiddel voor de band van een inrichting 25 volgens de uitvinding; figuur 5 in bovenaanzicht een carrousel voor aan- en afvoer en heffen van draaginrichtingen; figuur 6 de inrichting volgens figuur 5 in zijaanzicht; figuur 7 in perspectivisch aanzicht een zakkenoverbrenginrichting 30 volgens de uitvinding, zonder verende elementen; Λ *νΊ ‘ ; . .- «·:· ;* } « 6 figuur 8 in perspectivisch aanzicht een inrichting volgens figuur 7, voorzien van schematisch weergegeven verende elementen; figuur 9 een gedeelte van een inrichting volgens figuren 7 en 8 met een ingeklemde zak; 5 figuur 9A schematisch een weeg- en positioneer inrichting; en figuur 10 en 11 in boven- en zijaanzicht een inrichting voor het vullen van dozen of kratten.
In deze beschrijving hebben gelijke of corresponderende delen gelijke of corresponderende verwijzingscijfers. De in de tekening getoonde 10 uitvoeringsvoorbeelden zijn slechts ter illustratie getoond en dienen geenszins als beperkend te worden opgevat.
Figuren 1 en 2 tonen in respectievelijk boven- en zijaanzicht een inrichting 1 volgens de uitvinding, voorzien van een draagframe 2 dat vast en stationair is op gesteld, waarin een schietbandinrichting 3 is geplaatst, 15 naast een aanvoertransportband 5. In de in figuren 1 en 2 getoonde uitvoeringsvorm is de schietbandinrichting voorwaarts bewogen, in de in figuur 3 getoonde stand achterwaarts, zoals nog nader zal worden toegelicht.
In deze beschrijving dient onder een schietbandinrichting ten 20 minste een inrichting te worden verstaan omvattende een eindeloze band 7, welke nabij een vrij eerste einde 9 over een omkeerplaat of -rol 11 is geleid en aan het tegenovergelegen tweede einde 13 rond een eindrol 15. De eindrol 15 en de omkeerplaat 11 zijn bevestigd in een schietbandframe 17 dat met behulp van rollen of dergelijke is geleid in geleidingen 21 in het 25 frame 2. Nabij het tweede einde 13 is het schietbandframe 17 verbonden met een zuigerstang 23 van een zuiger-cilindersamenstel 25, verder aan te duiden als hydraulische cilinder 25. Met behulp van deze hydraulische cilinder 25 kan het schietbandframe tezamen met de band 7 worden bewogen tussen twee uiterste posities in voorwaartse richting V en 30 achterwaartse richting B, evenwijdig aan de lengterichting van de band 7.
V' / 7
Op de uiterste posities wordt nog nader teruggekomen. Opgemerkt wordt overigens dat in plaats van de hydraulische cilinder 25 ook andere geschikte en bekende aandrijfmiddelen kunnen worden toegepast, bijvoorbeeld pneumatische aandrijfmiddelen, snaren, tandriemen, spindels en dergelijke.
5 Vergelijkbare, binnen de uitvinding toepasbare schietbandinrichtingen zijn beschreven in onder meer NL 1000966, DE 3300329, EP 0218833 en FR 2576294, welke publicaties hierin door referentie worden geacht te zijn opgenomen.
Boven de band 7 en een einde 27 van de transportband 5 is een 10 hulpframe 29 aangebracht waarin overbrengmiddelen 31 zijn aangebracht. Deze overbrengmiddelen omvatten een drukplaat 33 welke met behulp van daartoe geschikte geleidingen en een door een motor 35 aangedreven snaar 37 beweegbaar is over het oppervlak van de transportband 5 en de band 7, tussen een eerste positie nabij de van de band 7 afgekeerde langsrand van 15 de transportband 5 èn een tweede positie nabij de naar de transportband 5 gekeerde langsrand van de band 7. Met behulp van de drukplaat 33 kunnen zich nabij het einde 27 op de transportband 5 bevindende producten haaks op de transportrichting T van de transportband 5 worden afgeschoven tot op de band 7. De drukplaat 33 is zodanig bevestigd dat deze bij terugbewegen i 20 in de van de band 7 afgekeerde richting omhoog kan zwenken, zodat deze over zich op de transportband 5 bevindende, nieuw aangevoerde producten kan worden heenbewogen en terug naar de oorspronkelijke stand kan worden gebracht. Alsdan zijn de overbrengmiddelen 31 wederom gereed voor het overbrengen van producten van de transportband 5 naar de band 7. 25 In figuur 3 is de schietbandinrichting 3 getoond in een
achterwaarts, dat wil zeggen in de richting B maximaal terugbewogen stand, tezamen met ten minste de voorste poten 32 van het frame 2. Zoals duidelijk blijkt ligt het eerste einde 9 daarbij ongeveer ter hoogte van genoemde voorste poten 32. In figuren 1 en 2 is de schietbandinrichting 3 30 getoond in de maximaal voorwaarts, dat wil zeggen in de richting V
1015345« 8 bewogen positie, waarbij genoemd vrij eerste einde 9 zich over een afstand D voor de poten 32 uitstrekt. Boven de band 7 zijn hoogtedetectiemiddelen 34 voorzien welke een hoogteplaat 36 omvatten, welke met behulp van een zich in hoofdzaak verticaal uitstrekkend zuiger-cilindersamenstel 30 5 verticaal beweegbaar is. Op het doel hiervan wordt nog nader teruggekomen.
Nabij het voorste einde van de inrichting 1, dat wil zeggen voor de poten 32 zijn tijdens gebruik plaatsingsmiddelen opgesteld als getoond in « figuren 5 en 6. In figuur 6 zijn de arm 38 van de hoogtedetectiemiddelen 34 10 en de band 7 met omkeerplaat 11, alsmede een deel van het frame 2 met de voorste poten 32 schematisch weergegeven. De plaatsingsmiddelen 41 zijn uitgevoerd als een op een grondplaat 43 rond een verticale kolom 45 roteerbare carrousel 47 waarop een drietal posities is getoond, onder een hoek van 120° ten opzichte van elkaar verdraaid. In het in figuur 5 getoonde 15 bovenaanzicht is duidelijk een lege eerste positie 48A zichtbaar, alsmede een tweede positie 48B waarop een draaginrichting, in het bijzonder een rolcontainer 51 met zijwanden 53 en een achterwand 55 is geplaatst. In de derde positie 48C is een tweede rolcontainer 51 getoond, welke op een platform 57 van een hefinrichting 59 is opgesteld. Het platform 57 kan met 20 behulp van een door een motor 61 aangedreven liftmechanisme 63 langs de kolom 45 worden bewogen tussen een maximaal omhoog bewogen stand, welke in figuur 6 nagenoeg is bereikt en een maximaal omlaag bewogen stand waarbij de bovenzijde van het platform 57 ongeveer gelijk ligt met de bovenzijde van de carrousel 47. In genoemde maximaal neerwaarts bewogen 25 stand-kan de rolcontainer 51 met behulp van de carrousel 47 boven het platform 57 worden weggedraaid, waarbij een volgende rolcontainer 51 tot boven het platform wordt bewogen. Doordat drie posities 48 zijn voorzien kan telkens een lege container 51 worden geplaatst in de eerste positie 48A terwijl een volle container van de tweede positie 48B kan worden 30 weggenomen, waarbij onderwijl een rolcontainer 51 op het platform 57, dat a n i r 7 -· ) i! y t -- · · ·· 9 wil zeggen in de derde positie 48C kan worden geheven en kan worden gevuld met producten 65.
Boven de band 7 is een tegenhoudelement 66 aangebracht, hetwelk met behulp van geleidemiddelen 67 op een geleidebalk 70 beweegbaar is 5 opgesteld. Een over eindrollen 72 geleide snaar 74 is verbonden met de geleidemiddelen 68. Een der eindrollen 72 is aandrijfbaar met een motor 76 voor het aandrijven van de snaar 74. Tijdens het in de richting V voorwaarts bewegen van de schietbandinrichting 3 kan het tegenhoudelement 66 mee voorwaarts bewegen, aangedreven door de motor 76 en snaar 74 of 10 eventueel door directe koppeling aan de beweging van de schietbandinrichting 3. Bij de maximaal voorwaarts bewogen stand van de schietbandinrichting 3 ligt het tegenhoudelement 66 bij voorkeur aan tegen de achterwaarts gekeerde zijde van de producten 65 nabij het vrije einde 9. Bij het terugtrekken van de schietbandinrichting 3 kunnen de producten 65 15 het tegenhoudelement 66 niet passeren. Bovendien kan het tegenhoudelement 66 nog enigszins verder in de voorwaartse richting V worden bewogen met behulp van de snaar 74 en motor 76, voor het aanduwen van de producten 65.
Met behulp van het tegenhoudelement 66 wordt verhinderd dat de 20 producten achterwaarts kunnen bewegen over de band 7, hetgeen met name voordelig is bij enigszins of sterk vervormbare producten zoals zakken gevuld met losse voorwerpen zoals aardappels, korrels of dergelijke. Deze zullen de neiging vertonen enigszins te vervormen, in het bijzonder uit te zakken, waardoor de breedte toeneemt. Dit betekent dat de producten niet 25 meer zonder meer tussen de zijwanden 53 van de rolcontainer 51 kunnen worden geschoven. Het gevaar bestaat dat de producten tegen een kopse zijde van een wand 53 komen aan te liggen en/of relatief veel wrijving ten opzichte van genoemde wand 53 en/of geleidingsplaten 87 die zich lang de binnenzijde daarvan uitstrekken zullen ondervinden. Daardoor kunnen de 30 producten de neiging vertonen te gaan verschuiven en/of verdraaien. Door 1015345* 10 het tegenhoudelement 66 wordt dit eenvoudig verhinderd. Daardoor zullen de producten in het gewenste stapelpatroon worden gehouden.
Op enige afstand van het vrije einde 9 zijn aan weerszijden van de band 7 aangrijpmiddelen 67 voorzien, nader getoond in zijaanzicht in figuur 5 4. Elk aangrijpmiddel 67 omvat een steunplaat 69 welke vast met het frame 2 is verbonden, bijvoorbeeld met bouten 71. De steunplaat 69 strekt zich ongeveer verticaal uit. Nabij een boveneinde van de steunplaat 69 strekt zich een zwenkas 73 ongeveer horizontaal uit, zodanig dat de zwenkassen 73 van de aan weerszijden gelegen aangrijpmiddelen evenwijdig liggen, bij 10 voorkeur in eikaars verlengde. Aan de zwenkas 73 is een zwenkarm 75 zwenkbaar bevestigd nabij een bovenste einde 77. Nabij het tegenover gelegen tweede einde 79 is in de zwenkarm 75 een rol 81 gelagerd welke bij voorkeur is voorzien van een ratelmechanisme of dergelijke inrichting waarmee er voor wordt zorggedragen dat de rol 81 slechts in één richting 15 kan roteren, namelijk in de richting Q, in figuur 4 met de klok mee. Het doel hiervan wordt nog nader toegelicht.
Nabij het ondereinde van de steunplaat 69 strekt zich een aandrukvlak 83 uit, haaks op de steunplaat 69 en ongeveer evenwijdig aan het vlak van de band 7. De zwenkarm 75 heeft een zodanige lengte dat 20 wanneer de rol 81 tegen het aandrukvlak 83, althans een daarop gelegen deel van de band 7 is gelegen, de zwenkarm 75 een hoek a insluit met de verticaal, zodanig dat de rol 81 ten opzichte van de zwenkas 73 in de voorwaartse richting V enigszins voorligt. Met behulp van een veermechanisme 85 wordt de zwenkarm 75 enigszins in de richting van de 25 verticaal voorgespannen, zodanig dat de rol 81 enigszins op de bovenzijde van de band 7 drukt. Het tussen de rol 81 en het aandrukvlak 83 opgenomen deel van de band 7 is het bovenpart 7A daarvan, op welk part de producten 65 normaliter zijn gelegen. Een aangrijpmiddel 67 als getoond in figuur 4 functioneert als volgt.
j; 11
In de in figuur 4 getoonde stand drukt de rol 81, onder meer als gevolg van de zwaartekracht en de werking van de veer 85 op de bovenzijde van het bovenpart 7 A van de band 7, waardoor dit enigszins tegen het aandrukvlak 83 wordt gedrukt. Wanneer hu op de band 7 in de richting B 5 een kracht wordt uitgeoefend zoals bijvoorbeeld zal optreden bij in de richting B achterwaarts wegtrekken van de schietbandinrichting 3 dan worden de zwenkarm 75 verder in de richting van de verticaal T gedwongen, te meer daar de rol 81 niet in de richting tegengesteld aan de richting Q kan roteren. De rol 81 zal daardoor de band 7 vastklemmen tegen het 10 aandrukvlak 83, zodat beweging van de band 7, althans van het bovenpart van de band 7 gelegen aan de van het vrije einde 9 afgekeerde zijde van de rollen 81 wordt verhinderd. Wordt daarentegen in de richting V een kracht op de band 7 uitgeoefend, bijvoorbeeld als gevolg van het voorwaarts bewegen van de schietbandinrichting 3 dan kan de zwenkarm 75 enigszins 15 worden meegenomen, terwijl bovendien de rol 81 in de richting Q kan roteren, zodat de band 7, althans het bovenpart 7A vrij tussen het aandrukvlak 83 en de rol 81 kan doorbewegen. Overigens wordt opgemerkt dat het remmechanisme op de rol 81 weliswaar voordelig is, doch niet noodzakelijk lijkt. Wel kan door gebruik van de rol 81 eventueel overmatige 20 slijtage van de band 7 worden verhinderd.
In een niet getoonde uitvoeringsvorm zijn de aangrijpmiddelen actief gestuurd uitgevoerd, bijvoorbeeld bekrachtigd door een zuiger-cilindersamenstel. Bij deze uitvoeringsvorm wordt tijdens het terugtrekken van de schietbandinrichting 3 het of elk aangrijpmiddel 67 bekrachtigd 25 zodat het bovenpart 7A wordt vastgeklemd, terwijl het bij vooruit bewegen van de schietbandinrichting 3 wordt vrijgegeven. Bijvoorbeeld kan daartoe de veer 85 in figuur 4 zijn vervangen door een zuiger-cilindersamenstel of kan een dergelijk samenstel in plaats van de zwenkarm 75 worden toegepast. In de beschreven uitvoeringsvormen kan naar wens al dan niet 30 gebruik worden gemaakt van een rol 81.
12
Een inrichting 1 volgens de uitvinding kan als volgt worden gebruikt.
Een rolcontainer 51 wordt met behulp van de hefinrichting 59 geheven zodanig dat de vloer 60 van de rolcontainer 51 zich vlak onder het 5 niveau van de onderzijde van de band 7 bevindt, terwijl de voorste rand van genoemde bodem 60 zich nabij de poten 32 van het frame 2 bevindt. Met behulp van de transportband 5 worden producten, bijvoorbeeld met aardappelen gevulde zakken 65 aangevoerd, bijvoorbeeld één voor één. De zakken 65 worden met behulp van de overbrengmiddelen 31 van de 10 transportband 5 op de band 7 geschoven, zodanig dat bijvoorbeeld steeds twee zakken 65 naast elkaar op het bovenpart 7A van de band 7 zijn gelegen. Wanneer dit de eerste twee zakken betreft zullen deze op de band 7 worden geschoven met de schietbandinrichting 3 in de achterwaarts bewogen stand, als getoond in figuur 3. Vervolgens wordt de 15 schietbandinrichting 3 voorwaarts bewogen in de richting V, zodanig dat het vrije einde 9 tussen de zijwanden 53 tot nabij de achterwand 55 van de rolcontainer 51 wordt gebracht. De zakken 65 bevinden zich dan recht boven het bodemvlak 60 van de container 51 in een positie waarin zij in de container 51 dienen te worden gedeponeerd. Het tegenhoudelement 66 is 20 daarbij tegen de naar achter gekeerde zijde van de zakken 65 aangebracht. ' Vervolgens wordt met behulp van de hydraulische cilinder 25 de schietbandinrichting 3 achterwaarts teruggetrokken, waarbij op eerder beschreven wijze de band 7 tussen de rollen 81 en de aandrukvlakken 83 van de aangrijpmiddelen 67 wordt vastgegrepen. Als gevolg hiervan wordt 25 de band 7 rond de omkeerplaat 11 en de eindrol 15 geroteerd en onder de producten 65 weggetrokken, waarbij de producten 65 althans in horizontale richting gezien stilstaan ten opzichte van de container 51 mede als gevolg van de dwingende kracht van het tegenhoudelement 66. Wanneer de schietbandinrichting 3 is teruggetrokken zullen de zakken 65 ten opzichte 30 van hun initiële stand omlaag zijn bewogen en op de bodem 60 van de 101 53 4 5·" 13 container 51 zijn gelegen. Doordat het tegenhoudelement 66 enigszins voorwaarts wordt bewogen ten opzichte van het vrije einde 9 worden de zakken 65, indien noodzakelijk, enigszins aangedrukt. Zoals getoond in figuur 2 zijn geleidingselementen 87 voorzien naast de band 7, gevormd 5 door dunne plaatdelen, welke tussen de zijwanden 53 en de producten 65 zijn gelegen. Hierdoor wordt er voor zorggedragen dat de zakken 65 eenvoudig tussen de zijwanden 53 kunnen worden bewogen.
Wanneer de schietbandinrichting 3 voorwaarts is bewogen en zakken 65 in de rolcontainer 51 worden gebracht, worden met behulp van de 10 overbrengmiddelen 31 nieuw aangevoerde zakken 65 naast elkaar op het bovenpart 7A van de band 7 gebracht, achter het tegenhoudelement 66. Ook deze zakken 65 zullen bij terugtrekken van de schietbandinrichting 3 op hun plaats blijven liggen. Nadat de eerstgenoemde zakken in de container zijn afgelegd, wordt het tegenhoudelement 66 over de daar achter gelegen 15 zakken 65 teruggetrokken, bijvoorbeeld doordat het tegenhoudelement 66 voorwaarts omhoog kan wegklappen en achter de nieuw neergelegde zakken 65 terug naar de verticale stand kan bewegen, waarna deze zakken op eerder beschreven wijze kunnen worden overgehracht naar de container.
De hoogtedetectiemiddelen 34 worden, nadat een laag zakken 65 in 20 de container 51 is neergelegd omlaag bewogen, tot bovenop de zakken 65. Vervolgens wordt de container 51 met behulp van de hefinrichting 59 zover omlaag bewogen dat met behulp van de hoogtedetectiemiddelen 34 is vastgesteld dat de container 51 één laagdikte is gezakt. Vervolgens worden de hoogtedetectiemiddelen terug omhoog bewogen, zodat een nieuwe laag 25 zakken 65 in de container 51 kan worden geplaatst.
Figuur 7 toont in perspectivisch aanzicht schematisch een zakkenoverbrenginrichting 90 volgens de uitvinding. Deze zakkenoverbrenginrichting 90 is opgenomen tussen een zakkenvulinrichting, schematisch weergegeven met 91 en een 30 transportband 92 welke aansluit op, althans voert naar de transportband 5 14 van de inrichting 1 als hiervoor beschreven. In figuur 7 zijn de nog nader te beschrijven verende elementen weggelaten. In figuur 8 zijn deze schematisch weergegeven door een doorlopende band, in figuur 9 is een gedeelte van de inrichting volgens figuren 7 en 8 zichtbaar, waarbij de 5 verende elementen duidelijker zijn getoond. Opgemerkt wordt dat een zakkenvulinrichting 91 uit de praktijk genoegzaam bekend is.
De zakkenoverbrenginrichting 90 omvat een tweetal geleideprofielen 94A, 94B welke geleideprofielen in de getoonde uitvoeringsvorm beide een in hoofdzaak U-vormige constructie hebben, 10 waarvan de benen zich horizontaal en evenwijdig aan elkaar uitstrekken.
De geleideprofielen 94A, 94B zijn spiegelsymmetrisch ten opzichte van een tussengelegen langsvlak. Vooralsnog zal daarom slechts één van de geleideprofielen 94 worden besproken. Het geleideprofiel 94 bepaalt een in zichzelf gesloten geleidebaan 95, welke een eerste deel 96 omvat, zodanig 15 dat de eerste delen 96 van de geleidebanen 95 in de beide profielen 94A, 94B naar elkaar zijn gekeerd, terwijl aan de van elkaar af gekeerde zijden van de geleideprofielen 94A steeds een tweede deel 97 is gelegen. Elke geleidebaan 95 wordt in hoofdzaak gevormd door twee zich evenwijdig aan elkaar uitstrekkende randen of flenzen 99 die zich langs het gehele 20 geleideprofiel 94 uitstrekken en daartussen een sleufvormige opening 100 bepalen. Aan het vrije einde van het eerste, bovenste been 101 en het tweede, onderste been 102 van elk U-vormig geleideprofiel 94 is een keerrol 103, respectievelijk 104 voorzien, welke keerrol is voorzien van een buitenvertanding 105. Elk geleideprofiel 94 omvat bovendien een verticaal 25 deel 106 dat via respectievelijk een eerste bocht 107 en een tweede bocht 108 is verbonden met het eerste been 101 en het tweede been 102. In de bochten 107, 108 zijn de flenzen 99 onderbroken, althans langs de binnenbocht, alwaar een geleidewiel 109 is voorzien, uitgerust met een tweetal zich evenwijdig aan elkaar uitstrekkende schijven 110, welke 30 schijven 110 een zodanige diameter hebben dat het verlengde van de randen -! 15 99 tangentieel aansluit op de buitenrand van genoemd geleidewiel 109. Van elk geleideprofiel 94 is ten minste één van de keerrollen 103, 104 bevestigd op een as 111, welke aandrijfbaar is door een motor (in figuur 7 niet getoond). De geleideprofielen 94 zijn met behulp van een frame 112 5 onderling verbonden en kunnen met behulp van het frame 112 vast worden op gesteld.
In figuur 8 is een inrichting volgens figuur 7 getoond, in een enigszins aangepaste uitvoeringsvorm, waarbij de onderste benen 102 een grotere lengte hebben dan de bovenste benen 101. In figuur 8 is in elke 10 geleidebaan 95 een ketting getoond, welke is opgebouwd uit een groot aantal schakels, zoals nader getoond in figuur 9, welke schakels via rotatieassen of hoge koppelingen onderling zijn verbonden en zijn voorzien van een vertanding aan de naar de keerrollen 103, 104 gekeerde zijde, welke kan samenwerken met de vertanding 105. Hierdoor kan de ketting 15 114 rond de geleideprofielen 94 worden aangedreven. In figuur 8 zijn de kettingen 114 weergegeven door doorlopende lijnen. In het onderste been 102 van het rechter geleideprofiel 94B is een aantal schakels 115, althans verende elementen ingetekend. Het zal duidelijk zijn dat elke ketting geheel is op gebouwd uit der gelijke schakels.
20 Zoals met name duidelijk blijkt uit figuur 9 is elke schakel 115 voorzien van een geleidedeel 115A dat aangrijpt in de sleuf 100 op of achter de flenzen 99, terwijl een zich buiten de geleidebaan 95 uitstrekkend deel 116 is voorzien, gevormd door een reeks flexibele lippen 117. In het getoonde uitvoeringsvoorbeeld omvat elke schakel als verend element een 25 viertal lippen 117, welke zich evenwijdig aan elkaar en haaks op de bewegingsrichting P van de ketting uitstrekken. In een recht deel van de geleideprofielen 94 strekken de lippen 117 zich derhalve allen evenwijdig aan elkaar uit. De lippen 117 van de zich in de eerste delen 96 uitstrekkende schakels strekken zich in hoofdzaak in de richting van het 30 tegenovergelegen geleideprofiel uit. Zoals getoond in figuur 9 kan een zak iul5345* 16 65, bijvoorbeeld gevuld met aardappels of dergelijke losse voorwerpen, tussen de verende lippen 117 worden geklemd, althans tussen de eerste delen 96 van de geleidebanen 95, waarbij de lippen 117 enigszins elastisch vervormen voor het leveren van de benodigde klemkracht. Zoals getoond in 5 figuur 9 wordt de zak nabij een middendeel vastgegrepen, waarbij de voorwerpen in de zak 65 niet worden beschadigd door de verende lippen 117. Bij aandrijving van de daartoe ingerichte omkeerrollen worden de kettingen 114 aangedreven in de richting P, daarbij de zak 65 meenemend. Als gevolg van de geleidewielen 109 kunnen de schakels 115 de bochten 107, 108 10 doorlopen, zonder daarbij de zak 65 los te laten. Hiermee kan derhalve de zak 65, welke bijvoorbeeld wordt overgenomen uit een zakkenvulinrichting 91, vanaf de ondergelegen tweede benen 102 via de verticale delen 106 tot tussen de eerste benen 101 worden geleid, waarbij de zak over 180° wordt omgekeerd. Dit betekent dat bij de positie van de zak 65 tussen de onderste 15 benen 102 de onderste sealnaad 65A door de voorwerpen wordt belast, terwijl bij de zak tussen de bovenste benen 101 de bovenste sealnaad 65B door de voorwerpen wordt belast. Als gevolg daarvan kan eenvoudig elke sealnaad 65A, 65B van de zak worden gecontroleerd. Eventueel kan ook in het verticale deel 106 een naad worden belast en aldus gecontroleerd.
20 De verende lip 117 sluit bij voorkeur met het door de randen 99 gevormde vlak een hoek in, zodanig dat de vrije langsrand van elke verende lip 117 in transportrichting P voorligt. Dit heeft het voordeel, met name in de verticale delen 106 dat de verende lippen 117 een betere draagkracht hebben, zodat nog beter wordt verhinderd dat de zakken 65 ten opzichte van 25 de verende lippen 117 kunnen verschuiven. Evenwel kunnen de verende lippen 117 uiteraard ook in een andere stand zijn op gesteld.
In de in figuur 8 getoonde uitvoeringsvorm omvat elk bovenste, eerste been 101 een uiteinde 120 dat rond een verticale as 121, schematisch weergegeven door een streep-stippellijn, zwenkbaar is verbonden met het 30 verdere deel van het betreffende eerste been 101, althans een daarop 17 aansluitende bocht 107. Een zuiger-cilindersamenstel 122, bijvoorbeeld pneumatisch bedienbaar, is voorzien waarmee genoemd uiteinde 120 rond genoemde as 121 kan worden verzwenkt, zodanig dat de afstand D tussen de keerrollen 103, althans tussen de zich ter hoogte daarvan uitstrekkende 5 schakels 115 kan worden ingesteld, althans gevarieerd. Bij deze uitvoeringsvorm zijn de bovenste keerrollen 103 voorzien van de as 111, welke via een snaar 123 wordt aangedreven door een ter hoogte van de zwenkas 121 opgestelde motor 124. Tijdens gebruik kunnen de uiteinden 120 vanuit de in figuur 8 weergegeven positie, waarbij de kettingen in het 10 eerste deel 96 van de betreffende geleidebaan 95 op het betreffende uiteinde 120 zich evenwijdig aan elkaar uitstrekken, worden verzwenkt, zodanig dat de afstand tussen de keerrollen 103 groter wordt, door bekrachtiging van de zuiger-cilindersamenstellen 122. De afstand D kan daarbij zodanig groot worden gemaakt dat een zich tussen de betreffende uiteinden 120 15 uitstrekkende, ingeklemde zak vrijkomt en tussen de verende elementen 115 kan uitvallen onder invloed van de zwaartekracht. Als gevolg van de positie van de zwenkassen 121, de motoren 124 en door gebruik van de snaaraandrijving 123 kan daarbij elke ketting 114 blijvend worden aangedreven.
20 Onder het tussen de eerste delen 96 van de uiteinden 120 gevormde trajectdeel 126 is een om een zich evenwijdig aan genoemd traject 126 uitstrekkende, horizontale as 127 zwenkbare klep 128 opgesteld, welke twee zich evenwijdig aan de as 127 uitstrekkende plaatdelen 129 omvat, waartussen een zak 65 met behulp van de kettingen 114 kan worden 25 bewogen wanneer deze plaatdelen 129 zich ongeveer verticaal uitstrekken. Vervolgens kan de klep 128 enigszins uit de verticale stand worden verzwenkt rond de as 127, waarna de beide uiteinden 120 op genoemde wijze uit elkaar worden bewogen voor het vrijgeven van de zak. De zak 65 wordt dan tussen de geleideplaten 129 geleid naar een glijgoot 130, welke 30 zich hellend uitstrekt tot buiten het door de profielen 94, althans de 18 kettingen gevormde vlak. De glijgoot 130 sluit aan op een draaiplateau 131, zodanig dat zakken 65 vanuit de klep 128 via de glijgoot 130 tot op het plateau 131 kunnen glijden. In figuur 9A is schematisch een plateau 131 weergegeven. Het plateau 131 is via een viertal loadcellen 132 of dergelijke 5 elementen opgelegd op een zich verticaal uitstrekkende rotatieas 133 waarmee het plateau 131 kan worden geroteerd, bijvoorbeeld over 90° of 180°. Hierdoor kan de zak 65 op het plateau 131 in elke gewenste oriëntatierichting worden gebracht, bijvoorbeeld om een bedrukking in de gewenste stand te verkrijgen. Hiermee wordt in principe bepaald in welke 10 stand de zakken 65 op een draaginrichting 51 zullen worden gebracht. Met behulp van de loadcellen 132 kan het gewicht van de betreffende zak 65 eenvoudig worden bepaald. Bij ongeschikt gewicht kan de zak worden afgevoerd tot buiten de inrichting, bij geschikt gewicht kan de zak 65 vanaf het plateau 131 eenvoudig op de transportband 92 worden gebracht, 15 bijvoorbeeld door kanteling van het plateau met behulp van kantelmiddelen 134.
In figuur 10 is in bovenaanzicht een inrichting 200 getoond voor het vullen van bijvoorbeeld kratten, dozen en dergelijke, bijzonder geschikt voor gebruik bij een inrichting volgens de uitvinding. Figuur 11 toont in 20 gedeeltelijk doorgesneden zijaanzicht volgens de lijn XI-XI in figuur 10 dezelfde inrichting 200. De inrichting 200 kan bijvoorbeeld worden gebruikt in plaats van de containerbelader, althans plaatsingsmiddelen als beschreven aan de hand van de figuren 5 en 6 of in plaats van de schietbandinrichting 3. Aan deze inrichting 200 zal worden gerefereerd als 25 krattenvulinrichting 200.
De krattenvulinrichting 200 omvat aan- en afvoermiddelen 202 voor kratten 204, bijvoorbeeld een rollerbaan, transportband of dergelijke. De kratten 204 zijn bijvoorbeeld gebruikelijk toegepaste kunststof kratten, zoals veilingkratten, met een open bovenzijde 206. De krattenvulinrichting 1015345* 19 201 omvat voorts een tweetal plaatdelen 208, welke zich ongeveer evenwijdig aan de transportmiddelen 202 uitstrekken en in een vlak V zijn gelegen. De beide plaatdelen 208 liggen in een eerste stand met de beide langsranden 210 tegen elkaar aan en zijn aan weerszijden opgelegd met 5 rollen 212 of glijblokken of dergebjke geleidingsmiddelen op of in geleiderails 214, in figuren 10 en 11 slechts schematisch weergegeven. In figuur 10 is op de beide plaatdelen 208 een drietal zakken 65 getoond, welke zakken 65 zodanig doorzichtig zijn weergegeven dat de langsranden 210 duidelijk zichtbaar zijn. De zakken 65 liggen tegen elkaar aan tussen 10 opstaande langsranden 216, zodat deze niet zijdelings kunnen wegschuiven en zijn bijvoorbeeld vanaf de transportband 5 of de schietband inrichting 3 op de beide plaatdelen 208 gebracht, in de gewenste stand. De beide plaatdelen 208 hebben zodanige afmetingen dat zij in de in figuur 10 getoonde eerste stand de open bovenzijde 206 van het krat 204 althans 15 nagenoeg volledig overdekken. Aan de van de langsrand 210 afgekeerde zijde is elk plaatdeel 208 verbonden met twee zuiger-cilindersamenstellen 218, aan de bovenzijde van figuur 10 slechts gedeeltelijk weergegeven. Met behulp van de zuiger-cilindersamenstellen 218 kunnen de platen 208 in de richting P uit elkaar worden getrokken, met zodanige snelheid dat de 20 zakken 65 relatief ten opzichte van het krat 204 en de geleiderails 214 althans in bovenaanzicht op hun plaats blijven liggen, waarbij de plaatdelen 208 daaronder worden weggetrokken. De zakken 65 zullen rechtstandig naar beneden vallen, in het krat 204, bijvoorbeeld op daarin reeds aangebrachte zakken 65, of op de bodem. De valhoogte is daarbij relatief 25 laag.
Nadat de zakken 65 in het krat 204 zijn gevallen, worden de plaatdelen 208 weer terug tegen elkaar geschoven, in de in figuur 10 getoonde eerste stand, waarna een nieuwe serie zakken 65 op de plaatdelen 208 kan worden geschoven.
20
Door het voldoende snel wegtrekken van de plaatdelen 208 zullen de zakken 65 rechtstandig naar benden vallen, waardoor wordt verhinderd dat deze op of over elkaar zullen vallen, waardoor de vooraf gekozen stand wordt behouden. Door de aanvoerstand van de zakken 65 te wisselen 5 kunnen de zakken 65 zelfs in verband worden gestapeld in de kratten 204. Het zal duidelijk zijn dat de plaatdelen 208 ook op andere wijze kunnen worden aangedreven, bijvoorbeeld door kettingaandrijvingen. Ook kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van slechts een plaatdeel 208, mits dit voldoende snel wordt weggetrokken, waarbij bijvoorbeeld een opstaande 10 rand kan worden voorzien die de zakken 65 enigszins tegenhoudt tijdens wegtrekken van het plaatdeel 208. Ook kunnen plaatdelen worden toegepast die dwars op de transportrichting T van de transportmiddelen 202 kunnen verschuiven. Bij voorkeur wordt wederom op eerder beschreven wijze van de zakken 65 de sluiting getest, waartoe ook een testinrichting 15 kan worden gebruikt als beschreven in de Nederlandse octrooiaanvrage 1013858.
Het zal duidelijk zijn dat de uitvinding geenszins beperkt is tot de in de beschrijving en de figuren getoonde uitvoeringsvormen. Vele variaties daarop zijn mogelijk binnen het door de conclusies geschetste raam van de 20 uitvinding.
Zo kunnen bij een schietbandinrichting 3 volgens de uitvinding de aangrijpmiddelen 67 op andere wijze zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld doordat aan weerszijden van de band een actief gestuurde klem op het bovenpart kan aangrijpen of door te voorzien in bijvoorbeeld een vertanding of een 25 perforatiepatroon in of langs de langsranden van de band 7 waarin of waarop geschikte aangrijpmiddelen zoals een getand element of een pen kunnen aangrijpen voor het althans tijdelijk vasthouden van de betreffende stand van het bovenpart. Voorts kunnen de producten op andere wijzen worden aangevoerd naar de band, bijvoorbeeld in een richting haaks op de 30 lengterichting van de band of vanaf twee zijden. Ook kan een andere wijze 21 van aandrijving van de schietbandinrichting worden gekozen, bijvoorbeeld elektrisch.
Bij een overbrenginrichting volgens de uitvinding kan de glijgoot 114 direct aansluiten op de transportband 92 wanneer de zakken 65 steeds 5 in de gewenste stand worden aangevoerd door de zakkenvulinrichting 91. Voorts kunnen de draaginrichtingen uiteraard op andere wijzen worden aan- en afgevoerd, waarbij het bovendien mogelijk is om de schietbandinrichting 3, althans de band 7 daarvan in stand te laten veranderen voor het in of op een draaginrichting stapelen van lagen 10 producten. Daartoe kan de schietbandinrichting 3 bijvoorbeeld in verticale richting verzwenkbaar zijn opgesteld. Ook kan een inrichting volgens de uitvinding bijvoorbeeld worden toegepast voor het overbrengen van producten op andere transportmiddelen, bijvoorbeeld een verdere transportband, een rollebaan of dergelijke.
15 Het zal duidelijk zijn dat een inrichting volgens figuren 7-9 ook anderszins gevormde verende elementen 115 kan omvatten, bijvoorbeeld schakels voorzien van massieve, elastisch vervormbare elementen, schuimband of dergelijke. Keuze van geschikte verende middelen zal voor de vakman, afhankelijk van de gewenste toepassing, eenvoudig mogelijk zijn. 20 Anders dan in de getoonde uitvoeringsvorm kan bijvoorbeeld elke eerste bocht zodanig zijn aangebracht dat de eerste benen 101 zich uitstrekken in een richting tegengesteld aan die van de tweede benen 102. Daardoor kunnen bijvoorbeeld zakken worden overgebracht naar een ander niveau, in verticale zin gezien, als ook horizontaal worden verplaatst. Ook kunnen 25 horizontale bochten in de geleideprofielen worden opgenomen. Ook kunnen de kettingen 114 op andere wijze worden aangedreven, bijvoorbeeld in een andere positie dan bij een keerrol, terwijl de aandrijvingen onderling kunnen worden gekoppeld.
Deze en vele vergelijkbare variaties worden geacht binnen het door 30 de conclusies geschetste raam van de uitvinding te vallen.
1015345-
Claims (15)
1. Inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken, omvattende een tweetal naast elkaar opgestelde geleideprofielen, waarbij elk geleideprofiel een in zichzelf gesloten geleidebaan omvat waarin ten minste één reeks verende elementen beweegbaar is opgenomen, waarbij 5 de geleidebanen althans een eerste gedeelte omvatten waarin de geleidebanen naar elkaar zijn gekeerd, zodanig dat de verende elementen zich in boofdzaak naar elkaar uitstrekken en een zodanige lengte hebben dat daartussen zakken kunnen worden geklemd.
2. Inrichting volgens conclusie 1, waarbij de verende elementen zich 10 buiten de geleidebaan uittstrekkende lipvormige elementen hebben.
3. Inrichting volgens conclusie 2, waarbij de lipvormige elementen een hoek insluiten met een hoofdbewegingsrichting van de verende elementen in het betreffende eerste gedeelte van de geleidebaan, zodanig dat de lipvormige elementen zich in genoemde hoofdbewegingsrichting 15 voorwaarts uitstrekken.
4. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de vrije einden van de in de tegenover elkaar gelegen geleidebanen geplaatste * verende elementen nabij elkaar zijn gelegen, op een onderlinge afstand die aanmerkelijk kleiner is dan de afstand tussen de geleidebanen.
5. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij in elke geleidebaan een uit schakelelementen opgebouwde ketting is aangebracht, welke in zichzelf is gesloten, waarbij ten minste een aantal van de schakels en bij voorkeur elke schakel een verend element omvat of vormt.
6. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij elke 25 geleidebaan ten minste in het eerste gedeelte ten minste één bocht omvat in een zich tijdens gebruik in hoofdzaak verticaal uitstrekkend vlak.
7. Inrichting volgens conclusie 6, waarbij elk eerste gedeelte ten minste twee bochten omvat in genoemd in hoofdzaak verticaal vlak.
8. Inrichting volgens conclusie 7, waarbij de twee bochten zich in dezelfde richting uitstrekken, zodanig dat een daartussen gelegen gedeelte 5 van de geleidebaan zich ongeveer verticaal uitstrekt en de twee op genoemde bochten aansluitende delen van de geleidebaan zich ongeveer in dezelfde richting uitstrekken, bij voorkeur ongeveer evenwijdig aan elkaar.
9. Inrichting volgens conclusie 7, waarbij de twee bochten zich in tegenovergestelde richtingen uitstrekken, zodanig dat een daartussen 10 gelegen gedeelte van de geleidebaan zich ongeveer verticaal uitstrekt en de twee op genoemde bochten aansluitende delen van de geleidebaan zich in tegenovergestelde richtingen richting uitstrekken.
10. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de geleideprofielen aan elkaar gelijk zijn, waarbij een der geleideprofielen rond 15 een horizontale as over 180 graden verzwenkt ten opzichte van het andere geleideprofiel is aangebracht.
11. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij elk geleideprofiel een tweetal ömkeerrollen omvat tussen het eerste gedeelte van de geleidebaan en een tweede gedeelte van de geleidebaan, waarbij in 20 elk geleideprofiel ten minste een der omkeerrollen is aangedreven voor het door de geleidebanen rondleiden van de verende elementen.
12. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij een zakkenvulinrichting op een eerste einde van de inrichting aansluit en een opzakinrichting op een tegenoverliggend tweede einde.
13. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de afstand tussen verende elementen op althans een gedeelte van het eerste traject in tegenover elkaar gelegen geleideprofielen instelbaar is, zodanig dat een daartussen geklemde zak kan worden losgelaten door vergroting van genoemde afstand. •^4
14. Werkwijze voor het testen van de sluiting van zakken, gevuld met losse voorwerpen, waarbij een zak nabij een eerste, ondergelegen einde wordt vastgegrepen met een inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarna de zak wordt bewogen naar een stand waarbij het eerste 5 einde een bovengelegen einde vormt en wordt vastgesteld of voorwerpen uit genoemde zak vallen.
15. Werkwijze voor het in kratten of dergelijke brengen van zakken, gevuld met losse voorwerpen, waarbij de zakken in gesloten toestand op ten minste een plaatvormig element worden gebracht, welke ten minste ene 10 plaatvormige element zich boven een vulopening van een krat uitstrekt, waarna het ten minste ene plaatvormige element zodanig snel wordt weggetrokken in in hoofdzaak horizontale richting dat de zakken horizontaal althans nagenoeg niet bewegen en in verticale richting in het onderstaande krat vallen.
Priority Applications (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1015345A NL1015345C1 (nl) | 1999-12-15 | 2000-05-30 | Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. |
| EP00204539A EP1118561A1 (en) | 1999-12-15 | 2000-12-15 | Method and apparatus for bringing products onto pallets or like supporting devices |
Applications Claiming Priority (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1013858 | 1999-12-15 | ||
| NL1013858A NL1013858C2 (nl) | 1999-12-15 | 1999-12-15 | Werkwijze en inrichting voor het op pallets of dergelijke draaginrichtingen brengen van producten. |
| NL1015345 | 2000-05-30 | ||
| NL1015345A NL1015345C1 (nl) | 1999-12-15 | 2000-05-30 | Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1015345C1 true NL1015345C1 (nl) | 2001-06-18 |
Family
ID=26643104
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1015345A NL1015345C1 (nl) | 1999-12-15 | 2000-05-30 | Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. |
Country Status (2)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP1118561A1 (nl) |
| NL (1) | NL1015345C1 (nl) |
Families Citing this family (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL1018885C2 (nl) * | 2001-09-04 | 2003-03-05 | Bert Otten | Inrichting voor het aannemen van gevulde zakken en het stapelen daarvan in een houder. |
| CN112045701A (zh) * | 2020-09-08 | 2020-12-08 | 广东技术师范大学 | 一种夹取方便的机器人抓手 |
| CN114261777B (zh) * | 2021-12-16 | 2024-01-26 | 福建东南艺术纸品股份有限公司 | 一种柔印机的传纸输送机构 |
Family Cites Families (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| FR1435870A (fr) * | 1965-01-11 | 1966-04-22 | Houilleres Bassin Du Nord | Convoyeur télescopique à bande utilisable plus spécialement pour le franchissement d'un convoyeur de taille dans une galerie de mine |
| FR2430904A1 (fr) * | 1978-07-13 | 1980-02-08 | Monte Vite | Dispositif d'empilage d'objets |
| DE3300329A1 (de) | 1983-01-07 | 1984-07-12 | Leifeld und Lemke Maschinenfabrik GmbH & Co KG, 4993 Rahden | Vorrichtung zum lagenweisen beladen von paletten mit stueckguetern |
| DE3411295A1 (de) * | 1984-03-27 | 1985-10-03 | Mohndruck Graphische Betriebe GmbH, 4830 Gütersloh | Palettiervorrichtung |
| FR2576294B1 (fr) | 1985-01-18 | 1990-07-20 | Cazas Ets | Dispositif automatique de chargement par lits |
| US4712975A (en) * | 1985-09-13 | 1987-12-15 | Besser Company | Bag palletizing system |
| DE3537205A1 (de) | 1985-10-18 | 1987-05-21 | Windmoeller & Hoelscher | Vorrichtung zum palettisieren von stapeln |
| NL1000966C1 (nl) * | 1995-08-10 | 1997-02-11 | Otten Technical Service Holdin | Werkwijze en inrichting voor het beladen van een houder. |
-
2000
- 2000-05-30 NL NL1015345A patent/NL1015345C1/nl not_active IP Right Cessation
- 2000-12-15 EP EP00204539A patent/EP1118561A1/en not_active Withdrawn
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| EP1118561A1 (en) | 2001-07-25 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| EP1897808B1 (en) | Device for packing items in a box, and a method for the same | |
| NL1003057C2 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het aan-, afvoeren en overbrengen van voorwerpen, zoals vruchten. | |
| US3674159A (en) | Load handling mechanism and automatic storage system | |
| KR20140130008A (ko) | 적재공간에서 적재화물을 하역하기 위한 기구 및 방법 | |
| US4178122A (en) | Method and apparatus for cubing brick | |
| JPS63330B2 (nl) | ||
| US4537008A (en) | Method and apparatus for packing soft packages into boxes | |
| US20110180370A1 (en) | Methods and Apparatus for Handling Products | |
| US20210387814A1 (en) | A cross-belt sorter | |
| NL1015345C1 (nl) | Werkwijze en inrichting voor het verplaatsen van met losse voorwerpen gevulde zakken. | |
| NL8101181A (nl) | Inrichting voor het in een doos brengen van gevulde zakken. | |
| US6438928B1 (en) | Machine for automated boxing of soft stacked items | |
| CA2242546A1 (en) | Apparatus for sorting or selectively collecting flat products individually supplied by a conveyor | |
| NL1023046C2 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het beladen van containers met zakken. | |
| US5102282A (en) | Unit load transfer device and method | |
| US20160039619A1 (en) | Workstation for unloading a pallet | |
| JP2002531356A (ja) | パイルの形成及び区分け、並びに積み替えのための装置及び方法 | |
| NL1008184C2 (nl) | Transportsysteem. | |
| NL1013858C2 (nl) | Werkwijze en inrichting voor het op pallets of dergelijke draaginrichtingen brengen van producten. | |
| EP1407992B1 (en) | Device for the controlled placing of products into a container | |
| US4578930A (en) | Yeast cake loading device | |
| US20130272832A1 (en) | Workstation for unloading a pallet | |
| US3993000A (en) | Freight pushing device | |
| NL192829C (nl) | Inrichting voor het opslaan en transporteren van rol-laadborden of dergelijke. | |
| US4800706A (en) | Apparatus for loading a stack of articles into a relatively flimsy container |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| VD1 | Lapsed due to non-payment of the annual fee |
Effective date: 20041201 |