Mijn recensie van de concertfilm Pink Floyd at Pompeii – MCMLXXII (1972):
The Beatles waren eclectisch ingesteld – ze zogen invloeden van ver buiten de popmuziek op, van Indiase sitarmuziek tot electronische muziek van Stockhausen – en toen ze besloten te stoppen met optredens en al hun tijd in de studio door te brengen, maakten ze de popmuziek ‘volwassen’ en tot een semi-kunstvorm. Het leverde een bijzonder periode in de popgeschiedenis op die enkele jaren duurde totdat de punk een einde maakte aan deze pretentieuze moeilijkdoenerij en Pink Floyd was een exponent van deze wat we nu ‘progressieve’ rock noemen. De nummers werden lang uitgesponnen hetgeen ruimte gaf aan experimenten en wat op ‘composities’ begon te lijken waarmee rock aansluiting leek te zoeken bij ‘serieuze’ kunstmuziek, al bleef het rock doordat het meer experimenteren met geluid dan componeren was en de drummer de zaak een vaste beat gaf en de alle kanten opvliegende uitspattingen bij elkaar hield: ik denk dat deze ‘live’-registratie heel goed dit type muziek weergeeft waarbij ook visueel de centrale rol van de drummer opvalt. Pink Floyd grossierde met name in het experimenteren met geluid en de nieuwste technieken, zoals ook uit de interviews bij deze registratie naar voren komt waarbij het zaak is volgens David Gilmour om de machines te beheersen in plaats van dat de machines de muziek beheersen zodat niet iedereen met wat aanklooien hetzelfde interessante resultaat kan verwachten. Ook zit er bij Pink Floyd meestal wel een catchy deuntje verstopt in het experimentele jasje hetgeen op het studioalbum waar ze toen aan werkten, The Dark Side of the Moon, en waar de documentaire ook iets van laat zien en horen pas echt duidelijk naar voren kwam dat daarmee zelfs het op een na beste verkochte studioalbum aller tijden werd.
De beelden van Pompeii met z’n antieke, mythologische kunst zijn een mismatch met de muziek van Pink Floyd die juist modernistisch is: soms psychedelisch-dromerig, soms futuristisch alsof je door de kosmos reist en soms uitdrukkelijk experimenteel door het gebruik van toevalsgeluiden (zoals het hondengejank), maar stoort nauwelijks omdat Pompeii hooguit op de achtergrond staat, daarbij geholpen door de muziek die zo krachtig en fascinerend is dat het alles naar de achtergrond drukt en de luisteraar naar de eigen (muzikale) wereld van Pink Floyd brengt.