Afgelopen zomer heb ik naar verscheidene inspirerende lezingen en interviews met Dirk De Wachter geluisterd. Zijn erudiete en zijn manier van vertellen is een groot genot. Bovenal zijn betoog voor het belang van naastenliefde geeft stof tot nadenken en heb ik gepoogd hieronder samen te vatten:
Wanneer Dirk De Wachter in 2021 wordt geconfronteerd met uitgezaaide darmkanker, verandert hij van troostende psychiater in kwetsbare patiënt. Die ervaring bevestigt vooral wat hij al jaren filosofisch doordacht had: dat denken over de zin van het bestaan houvast geeft wanneer het leven wankelt. In de technische, ontmenselijkende omgeving van de intensive care ontdekt hij hoe essentieel de Ander is, precies zoals Emmanuel Levinas beschrijft. Niet filosofische theorie maar de concrete blik van een verpleegkundige — een vraag als “Hoe gaat het met u?”, een aanraking die Levinas la caresse noemt — brengt hem terug in de werkelijkheid en in zijn menselijkheid. In zulke kleine gebaren herkent De Wachter Levinas’ idee van het “kleine goede”: niets spectaculairs, maar juist de alledaagse aandacht waarin het ik door de Ander tot mens wordt gemaakt.
Tegelijk grijpt hij terug op Martin Heidegger, die stelt dat de eindigheid van het leven — Sein zum Tode — de bron is van betekenis. Omdat ons bestaan tijdelijk is, moeten we er zin aan geven. De Wachter verwijst daarbij naar Reve’s slotzin uit De avonden: “Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven” — zelfs in schijnbaar lege dagen schuilt betekenis. Heideggers idee dat Dasein altijd Miteinandersein is, herkent hij in zijn eigen ontregeling na de operatie: door pijn en miserie voelde hij zich “ontzelfd”, en pas door de aanwezigheid van zijn geliefden en zorgverleners werd hij weer iemand.
Zo keert hij zich ook tegen Sartres uitspraak “De hel, dat zijn de anderen”: voor hem is de hel juist het ontbreken van anderen. Vrijheid en menselijkheid ontstaan niet in isolatie, maar in verbondenheid. In zijn ziekte ervaart De Wachter dat de Ander niet slechts een spiegel of beperking is, maar de grond waarop het zelf kan bestaan — en dat precies daarin troost en zin te vinden zijn.