In de columnbundel Baden-Baden: En andere bespiegelingen over Rusland en een wankel Europa (2025) trekt Pieter Waterdrinker door Europa: langs badplaatsen, grenssteden en culturele monumenten. Zijn blik is melancholisch, doortrokken van historische echo’s. De belle époque, Weimar, het interbellum - telkens ziet hij parallellen met het heden en vereenzelvigt hij zichzelf met het émigrébestaan van zijn literaire helden, onder wie Vladimir Nabokov en Joseph Roth. Europa wandelt vredig door het avondlicht, terwijl het onheil zich volgens hem al aankondigt. ‘Slechts idioten als ik voelden alom oorlog,’ noteert hij in Leverkusen.
Deze zelfgekozen uitzonderingspositie lijkt de rode draad in de spraakmakende bundel. Waar hij in zijn romans de politieke situatie in Rusland en Europa nog literair duidde op basis van waarneming en verbeelding, verschuift hier het perspectief. Dat benadrukt hij ook in een interview bij De Nieuwe Wereld, waarin hij stelt dat ‘de roman vaak meer de waarheid zegt dan de werkelijkheid’. Een uitspraak die diepzinnig klinkt, maar bij nader inzien vooral handig is. Ze fungeert als alibi. Door de roman boven de werkelijkheid te plaatsen, kan de schrijver suggesties doen zonder ze te hoeven toetsen. Feiten worden indrukken, verantwoordelijkheid wordt verplaatst naar het literaire domein. Wie hem tegenspreekt, mist kennelijk het ‘hogere’ waarheidsgehalte van de literatuur.
In een columnbundel mag de lezer dan ook verwachten dat Waterdrinker zich explicieter politiek uitspreekt. Toch worden zijn standpunten niet altijd scherp voor het voetlicht gebracht, en was er ruimte geweest voor een moediger, uitgesprokener positie. In de openingscolumn ‘Baden-Baden’ zet hij meteen de toon. In het Duitse kuuroord treft hij opvallend rijke Russen aan die de sancties moeiteloos weten te omzeilen, naast Oekraïners die ogenschijnlijk probleemloos naast elkaar leven. Baden-Baden fungeert als morele miniatuur van Europa: weelde, historische grandeur en politieke verdringing gaan er hand in hand. Waterdrinker verbindt dit decor met het verleden, toen de Russische adel hier neerstreek tijdens de belle époque, en roept Dostojevski’s De Speler (1866) op - de roman waarin gokkoorts en wrok tegen het Westen samenvallen.
Hij herinnert aan de beroemde controverse tussen Dostojevski en Toergenjev, die in Baden-Baden fel van mening verschilden over Toergenjevs roman Rook (1867). Waar Toergenjev als kosmopoliet en westerling het autocratische Rusland satiriseerde, zag de slavofiele Dostojevski Rusland juist als moreel tegenwicht voor het Westen. Vanuit die tegenstelling concludeert Waterdrinker, mede op basis van de oorlogszuchtige retoriek van Poetins adviseur Karaganov, dat ‘de geest van Dostojevski in Rusland nooit echt is weggeweest, maar inmiddels weer helemaal terug is. Heviger, angstaanjagender dan ooit.’ Dat is een opmerkelijk anachronisme, dat onmiddellijk tot speculatie uitnodigt.
Dostojevski’s antiwesterse sentiment was religieus en existentieel, niet geopolitiek of imperialistisch. Zijn romans getuigen van morele twijfel en zelfondermijning, niet van strategisch geweldsdenken. Hem in één lijn plaatsen met hedendaagse oorlogshitsing reduceert een tragisch denker tot ideologisch icoon. Het wringt dus om Dostojevski op te voeren als geestelijke inspiratiebron voor de huidige Russische agressie - een reductie die doet denken aan wat Friedrich Nietzsche is overkomen in de context van het nationaalsocialisme. Het wekt de indruk dat Waterdrinker, zogenaamd sprekend in naam van het abjecte Russische regime, onbedoeld zelf verraad pleegt. Minder verwarring had het opgeleverd wanneer dit misbruik door Moskou expliciet als zodanig was benoemd.
Dat had een vruchtbaarder weg geopend. In plaats van Dostojevski te presenteren als ideologische voorouder van hedendaags agressief slavofilisme, had Waterdrinker kunnen laten zien waarin de denkfout schuilt van critici die diens werk vandaag willen vermijden of verwerpen. Dostojevski’s romans zijn geen manifesten, maar arena’s waarin ideeën botsen, ontsporen en zichzelf ondergraven. Wie hem leest als ideoloog, leest hem verkeerd. Door die mislezing te ontleden, had Waterdrinker niet alleen de Russische literatuur verdedigd, maar ook zichtbaar gemaakt waarom het huidige geweld juist haaks staat op wat Dostojevski’s werk werkelijk toont.
Dat had hem bovendien consistenter gemaakt, aangezien Waterdrinker zich elders wél fel verzet tegen het in de ban doen van de Russische cultuur, taal en literatuur. In de column ‘De geest van Nohant’ bezoekt hij het landgoed van de Franse schrijfster George Sand en luistert hij naar een concert van pianist Aleksej Ljoebimov, een Russische artiest die zich openlijk tegen Poetin keert. Hij hekelt degenen die alles wat Russisch is mijden en kiest zelf nadrukkelijk voor steun aan kunst en literatuur.
Een terugkerende vraag die zich bij lezing van Baden-Baden opdringt, is of de morele strengheid die Pieter Waterdrinker anderen oplegt, ook voor hemzelf geldt. Schrijft hij ons de les, of blijft hij buiten schot door zich consequent als waarnemer te presenteren? Niet toevallig opent de bundel met een citaat van Jan Brokken, tevens epigraaf: ‘Zij die in vrijheid zijn geboren weten altijd precies hoe je moet handelen onder een dictatuur.’ De zin functioneert als waarschuwing tegen westers moralisme, maar keert zich bij nadere lezing ook tegen de schrijver zelf. Want was Waterdrinker, die vijfentwintig jaar in Rusland woonde, werkelijk op zijn hoede voor Poetin en diens entourage? Of is de scherpte van zijn oordeel vooral achteraf gegroeid?
Een antwoord lijkt hij te willen formuleren in de slotcolumn ‘Het knallen der kurken’. Geschreven tijdens een verblijf in Stalins datsja trekt hij expliciet parallellen tussen Stalin en Poetin: paranoia, corruptie, meedogenloosheid en de bereidheid tot moord. Hij beschrijft Rusland als een land waar de angst is teruggekeerd. Toch eindigt Waterdrinker waar hij vaker eindigt: in stilstand. ‘Het enige scenario voor de toekomst van Rusland is volgens mij nog altijd dit: namelijk dat er geen scenario’s zijn. We staren in een donkerzwart gat.’
Literair is dat een sterke formulering. Analytisch is zij problematisch. Het ontbreken van scenario’s wordt gepresenteerd als wijsheid, terwijl het ook gelezen kan worden als het weigeren om positie te kiezen. Tragisch inzicht wordt hier verward met intellectuele terughoudendheid. Zo wordt Baden-Baden een bundel vol scherpe observaties en fraai proza, maar zonder heldere positie. Indrukwekkend geschreven, zeker. Maar wie alles ziet, alles vergelijkt en alles suggereert, kan zich niet blijven verschuilen achter de roman.
Bij gebrek aan een inhoudsopgave in de bundel, bij deze:
1. Baden-Baden 9
2. Diamanten ring 13
3. Monsters en hoop 17
4. De geest van Nohant 21
5. Timoer 25
6. Afghanen 28
7. Oorlogsdieren 32
8. Blauwe sneeuw 35
9. Mes en vork 39
10. Eeuwig leven 43
11. Tallinn 47
12. Narva 51
13. Klokkenmaker 55
14. Café Poesjkin 60
15. Sébastien 65
16. Saint-Malo 69
17. Koerse schoorwal 73
18. Oorlogstoerisme 76
19. Nucleaire patriarch 79
20. Leipzig 82
21. Emigrés
22. Weelde 90
23. Poetins zoontjes 94
24. De kracht van het lot 97
25. Oorlogsinvaliden 101
26. Oostende 105
27. Brandenburg 109
28. Vriend 112
29. Een zonderlinge yank 115
30. Dankteske bordelen 118
31. Reizigers 122
32. Teutoonse somberte 126
33. Stroomstoring 129
34. Oudpruisisch 133
35. Meesterpianist 136
36. Een Rus in Parijs 139
37. Biarritz 143
38. Grootvadertje vorst 147
39. Kunstenaars 150
40. Parade, een toekomstvisioen 154
41. Leverkusen 157
42. Eiffeltoren 161
43. Aan het strand 165
44. Bruiloft 168
45. Oom Vitja 171
46. Sleephandel 174
47. Badenweiler 177
48. Het knallen der kurken 181