Na het lezen van de columnbundel
Baden-Baden (2025) begon ik vrijwel meteen aan het dagboek
Van Huis en Haard (2023) van Pieter Waterdrinker. Bij het lezen van de columns had ik sterk het vermoeden dat deze bundel voortvloeit uit het dagboek. Bovendien was ik benieuwd naar de gedachtengang van de schrijver over de oorlog in Oekraïne en de geopolitieke spanningen op het Europese continent, bezien vanuit een literair perspectief - om zijn nieren te proeven, zogezegd. In de columnbundel blijft Waterdrinkers visie op deze kwestie summier en zijn standpunt opvallend vaag. Mijn verwachting was dat het dagboek, waarin de schrijver zich meer ruimte permitteert voor reflectie en duiding, hierin meer zou bieden. Bovenal hanteert Waterdrinker een aangenaam stijlregister, dat naar meer smaakte.
En ik moet erkennen: het kostte me soms grote moeite het boek aan de kant te leggen. Wat een leesplezier, zeker rond de kerstdagen. Met terugwerkende kracht verbaast het me dan ook hoe kritisch de
recensie met de titel ‘Pieter Waterdrinker maakt met zijn oorlogsdagboek zijn eigen poëtica onschadelijk’ was die Sebastiaan Kort voor
NRC Handelsblad schreef en waarin hij het boek met twee van de vijf ballen beoordeelde.
Ik kan me de boze tweet van Waterdrinker op 12 mei 2023 nog goed voor de geest halen, waarin hij zichtbaar gekrenkt reageerde op wat hij als een groot onrecht ervoer:
‘Na kwart eeuw Rusland verhaal ik over de tragedie van deze tijd. Geen letter daarover is dit bedachte afkatstuk van een NRC-sneeuwvlok die nooit wat in zijn leven heeft meegemaakt. Ook al is ’t een kutboek: die lui hebben hart, levenservaring noch gevoel.’
Enkele minuten later werd de tweet alweer verwijderd.
Nu weet ik dat Waterdrinker een kort lontje heeft, maar ik begrijp niet goed waarom een recensent een avontuurlijk leven zou moeten hebben geleid om een eerlijke recensie te kunnen schrijven. Toch voel ik, na herlezing van Korts recensie, de neiging het voor de auteur op te nemen - en, eerlijk gezegd, ook voor mijn eigen plezier de recensie van Sebastiaan Kort te recenseren. Want het is, kortom, een merkwaardige recensie en, zoals Waterdrinker het wellicht bedoelde, een brevet van onvermogen.
‘Sneeuwvlok’ Kort opent zijn bespreking met een principiële afwijzing van het schrijversdagboek als genre. Daarbij beroept hij zich op het gezag van Willem Frederik Hermans, die inderdaad een uitgesproken afkeer had van het publiceren van dagboeken. Volgens Kort is een dagboek alleen gerechtvaardigd wanneer de schrijver overleden is - zoals bij de dagboeken van J.J. Voskuil - of wanneer het ter plekke verslag doet van een wereldbrand. In het geval van Waterdrinker zou hij dus in de frontlinie aanwezig moeten zijn of in Rusland zijn gebleven.
Is Kort zich bewust van de rijke traditie van egodocumenten in de monumentale Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers? Een reeks waarvan men toch mag aannemen dat iedere serieus te nemen literair criticus haar hoog aanslaat. Het lijkt mij niet de taak van de recensent om te bepalen waar een dagboek aan moet voldoen en vervolgens vanuit zo’n normatief standpunt een boek te beoordelen. Een genre kan oriënteren, maar mag geen normatief keurslijf worden.
Het tweede bezwaar is het bezopen etiket ‘ansichtkaartproza’ waarmee Kort het oorlogsdagboek van Waterdrinker badinerend typeert. Hij suggereert hiermee vermoedelijk een leegte en esthetische oppervlakkigheid, omdat de dagboekanier spreekt over wandelingen en regelmatig melding maakt van het genot van een glas wijn en goed eten. Maar de criticus laat na dit oordeel tekstueel te onderbouwen. Een serieuze analyse van stijl, zinsritme of perspectief ontbreekt. Alsof observatie en herhaling geen literaire functies kunnen hebben, maar louter decoratief zijn. Dat is geen close reading, maar wegwuiven. Een dagboek mag fragmentarisch, herhalend en onaf zijn, mits het stilistisch en perspectivistisch iets draagt.
Het zwaarst weegt Korts verwijt dat Waterdrinker ‘niets te melden heeft over de oorlog’. Terwijl Waterdrinker juist bewust schrijft vanuit afwezigheid. Hij is verdreven en mag niet meer terug. Zijn Rusland bestaat alleen nog maar in herinnering. Dat is een legitiem, zelfs klassieke oorlogsperspectief: dat van de balling of de ontheemde. Denk aan Joseph Roth na 1933, Stefan Zweig, Vladimir Nabokov - schrijvers die Waterdrinker zelf ook veelvuldig noemt en van wie geen van allen ‘aan het front’ stond.
De oorlog werkt in
Van Huis en Haard door alles heen. Het staat niet centraal, maar is overal aanwezig. Elk glas wijn, elke treinreis, elke lezing staat in de schaduw van de Russische agressie in Oekraïne. Toch houdt het dagelijks leven niet op. Juist deze spanning is voor de lezer uiterst voortdurend voelbaar. Kort ziet dit onvoldoende, omdat hij de oorlog te letterlijk zoekt. Dat is geen gebrek aan inhoud, maar een literaire keuze tegen spektakel in. Het boek documenteert hoe oorlog het leven ontregelt zonder zichzelf te dramatiseren. Dat is geen ansichtkaart, maar een dagboek van ontworteling.
De laatste ongerijmdheid in Korts stuk betreft zijn bewering dat Waterdrinker met dit dagboek zijn eigen poëtica of reputatie zou ondermijnen. Omdat Waterdrinker in zijn romans venijnig en misantropisch zou zijn, maar in zijn dagboek vriendelijk en beminnelijk, concludeert Kort dat het venijn blijkbaar fictie was. Daarmee wekt hij de indruk de schrijver te hebben ‘ontmaskerd’.
Dat is geen literaire kritiek, maar een psychologiserende lezing van het auteurschap. Het suggereert dat een schrijver moreel consistent moet zijn over genres heen, en dat fictie verdacht wordt zodra zij niet samenvalt met het karakter van de auteur. Fictie is fictie. En een dagboek is geen roman met een plot. Wie dat onderscheid niet maakt, beoordeelt geen literatuur, maar voert karakterkunde.
Een literaire kritiek behoort zich in de eerste plaats te richten op de kwaliteit van de lectuur - stijl, toon, ritme, zeggingskracht, samenhang - en niet op het al dan niet voldoen aan vooraf vastgestelde morele, politieke of genrematige verwachtingen.