4
Tony zegt:
Wat is dat toch met Big Star, dat het bij zoveel muziekliefhebbers zo lang duurt voordat het kwartje eindelijk valt? Terwijl de muziek toch dusdanig aanstekelijk, overtuigend en ja, (even vloeken...) radiovriendelijk is, dat je niet begrijpt waarom deze groep niet veel bekender is bij het grote publiek.
Tijdens mijn studententijd in Deventer kwam ik wonderwel in de gelegenheid om de legende Alex Chilton te aanschouwen in het Burgerweeshuis. Dat het een legende was begreep ik al, getergd door 'bad habits' ook (en temeer na afloop van het concert), maar waar de legende op gebaseerd was had ik nog niet helemaal door. Ik was niet super onder de indruk alhoewel ik er nog wel herinneringen aan heb, dus een 'bepaalde' indruk (rauw-gitaar-rammelend-of-slordig?, compromisloos) maakte het wel. 25 februari 1988 was het lees ik nog net over de betaalmuur van het NRC heen, die erbij was en ook niet enthousiast (onder meer 'verkouden' maar klinkt de stem van Chilton niet altijd een beetje verkouden?). Mijn aanvliegroute naar Big Star heb ik al wel beschreven onder 'Radio City' en 'Third/Sister lovers'. Over de carriereroute van Chilton kunnen we vaststellen dat hij zich vanuit deze, zeer fijnzinnig-sophisticated gearrangeerde en ingespeelde/ingezongen plaat steeds meer tot een "lofi-Laissez faire-approach" wendde. Miskenningsfrustratie, verslavingseffecten, doelbewuste punkattitude (waarvan hij toch inmiddels steeds meer als 'godfather' werd gezien, al was het tussen wal (VU/Stooges) en schip (Ramones/Sex Pistols)), danwel een mix van dit alles? Ik heb laatst nog even "Like Flies on Sherbert" geprobeerd maar dat valt met met deze #1 record in het achterhoofd warempel niet mee. Want om kort te gaan; dit album is één van de allerbeste albums ooit gemaakt (en daar dan pas op je 57-ste achter komen...).
Alle nu nog komende woorden zullen aan deze wonderbare muziek afdoen, maar ik ga er toch wat aan wijden. Een voorbeeldige verzameling/afwisseling van rockers en ballads. De rockers (Feel, In the street, Don't lie to me) zijn geweldig want ze steken zo waan-fijn-zinnig in elkaar terwijl ze dus heerlijk blijven doorrocken. Het akkoordenwerk, rifjes en solo's, ze buitelen zo authentiek-natuurlijk als de golven aan zee op een mooie zomerdag over je heen. Zang versus achtergrondzang een vergelijkbaar verhaal. Hier en daar wordt (met mellotron?) nog wat orkestraals ingekleurd. Duidelijk voelbaar is ook "the Southern atmosphere"; die lome zomerwarmte - STAX/Ardent, Memphis. En dan passeren op de eerste plaatkant ook nog onsterfelijke ballades als die "...of El Goodo", en 'Thirteen' (:kan dit (nog)? ja dit kan, dit moet, we weten immers niet hoe oud de hoofdpersoon is en dit is zo onwaarschijnlijk goed), zodanig dat je denkt: als Big Star deze plaat rustig laat uitrijden is het al goed. Maar zo gaat dat dus niet, want apotheose moet nog komen en die vind ik in het 3-luik: "My Life Is Right / Give Me Another Chance / Try Again. Deze editie van Big Star herbergde namelijk niet één genie maar twee. Chris Bell - het later betreurde, maar minder bekende lid van de "club van 27" - drukte een onuitwisbaar stempel op dit album. Een uitermate complexe en talentvolle persoonlijkheid. Worstelde met homoseksuele gevoelens, waar hij perse niet aan toe wilde geven en was tevens bevattelijk voor een verlossende boodschap van de Heer, alwaar de verlossing nooit definitief gevonden leek te worden. Dat drukt de per definitie kwetsbare euforie van "My life is right" in volle extensie uit; "die ander" die hier wordt toegezongen; een geliefde (van welke gender dan ook)? De Heer? Hoe dan ook; onweerstaanbaar is het. Beatles-liefhebber, net als Chilton liedjescomponist, uitmuntende gitarist en geweldige zanger (met een goede, hoge gil ook) - maar altijd superieur (inventief &) melodieus. Weten dat je zo iets goeds in handen hebt, maar ervaren dat dat zo niet gezien en gehoord wordt was teveel voor Bell. Na dit album verliet hij Big Star en wendde zich tot een saai baantje in het familiebedrijf en wat niet al tot hij in 1977 tragisch jong bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Dit album is een staalkaart van wat popmuziek in haar allerbriljanste momenten kan zijn en in belangrijke mate ook het tijdloze testament van Chris Bell (& Alex Chilton). Het album eindigt bijna pesterig met 'ST 100/6'; je denkt daar komt weer zo'n klassieke Twangy Big Star droomsong - en die had zonder meer 4 minuten kunnen en mogen duren - maar na een minuut is het klaar: "We hebben zo wel laten zien wat we in huis hebben" - en zo is het.